Was-wordt APV 2022 - meest relevante wijzigingen.docx
Tekst van het document
WAS-WORDT-TABEL – Meest relevante wijzigingen ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING SCHIERMONNIKOOG WAS
WORDT Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: -
Gewijzigd conform Model-APV. Het toevoegen van dit artikel sluit aan op de Model-APV en geeft de burgemeester de bevoegdheid om, indien nodig, locaties aan te wijzen waarop dit verbod van toepassing is. Zolang er geen locaties zijn aangewezen, biedt het toevoegen van dit artikel de mogelijkheid om dit op een later moment alsnog te doen. bijvoorbeeld indien dergelijke situaties in de toekomst voor overlast zorgen.
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2:5 Voorwerpen op of aan de weg Artikel 2:10 Gebruik openbare plaats 1. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders 1.Het is verboden een openbare plaats anders te te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: daarvan door het plaatsen van voorwerpen op, aan, boven en/of onder de openbare ruimte, als dat a. het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen gebruik: aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt a. schade toebrengt aan de openbare ruimte of de of kan vormen voor het beheer Of onderhoud van de bruikbaarheid van de openbare ruimte nadelig beïnvloedt; weg; of b. het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.
b. nadelig invloed heeft op het veilig gebruik van de openbare ruimte, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; c. hinder, overlast of gevaarzetting veroorzaakt voor derden.
Pagina 1 van 25
3. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 4. In afwijking van het derde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:14; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:12. c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Wegenverordening provincie Fryslân. 7. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2.Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 1,50 strekkende meter wordt gelaten op voetpaden en een doorrijdbreedte van 4.20 meter en een hoogte van 3.50 meter op de rijbaan overblijft voor ambulances en voertuigen van politie en brandweer en ander verkeer. 3.Het bevoegd bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 5.Het verbod is niet van toepassing op: a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24; b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; c. overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de openbare plaats is verleend; d. categorieën van voorwerpen die door het bevoegd gezag zijn aangewezen. 6.Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, en reclame-uitingen. 7.Het verbod is voorts niet van toepassing als wordt voldaan aan de nadere regels die het college heeft vastgesteld.
8.Het verbod is tevens niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of de Wegenverordening provincie Fryslân.
Toelichting: - In dit artikel is gekozen voor het gebruik van de term ‘openbare plaats’ in plaats van de term ‘op of aan de weg’. Op deze manier valt de weg er nog altijd onder, maar geldt dit ook voor delen naast de weg, niet behoren tot de weg zelf (berm). - Dit artikel kan door deze formulering een uitkomst publiekrechtelijke uitkomst bieden in gevallen waar een openbare plaats niet overeenkomst de publieke functie gebruikt wordt. Afdeling 3. Evenementen Artikel 2:13 Begripsbepaling 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
Pagina 2 van 25
a. bioscoopvoorstellingen;
a. bioscoop- en theatervoorstellingen;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
c. kansspelen als bedoeld in de We op de kansspelen;
d. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:24 van deze verordening.
f. activiteiten als bedoeld in de artikelen 2:9 en 2:39; g. sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
2. Onder evenement wordt mede verstaan:
2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid;
a. een herdenkingsplechtigheid;
b. een braderie;
b. een braderie;
c. een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement).
d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; e. een straatfeest of buurtbarbecue; f. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement een eendaags evenement verstaan waarbij: a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; b. de activiteiten plaatsvinden tussen 08:00 en 23:00 uur; c. geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur, dan wel in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare geluidsniveau van 85 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden; d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 vierkante meter per Pagina 3 van 25
object, waarbij de totale oppervlakte van alle objecten niet meer dan 30 vierkante meter bedraagt. Toelichting: - Tekstuele wijziging in de naam van het artikel. - Eerste lid, sub f: noodzakelijke toevoegingen vanwege de uitzondering op het begrip ‘evenement’. De uitzonderingen hebben betrekking op snuffelmarkten en speelgelegenheden. Voor die activiteiten geldt een andere grondslag en procedure. - Eerste lid, sub g & tweede lid, sub f: deze toevoeging heeft als gevolg dat voor het organiseren van vechtsportwedstrijden en -gala’s een evenementenvergunning vereist is, ondanks het feit dat het sportwedstrijden betreffen. Dit type evenementen zijn de laatste jaren veelvuldig in het nieuw gekomen vanwege de vele openbare-orde-verstoringen en vormen van criminaliteit die hier in de praktijk bij betrokken kunnen zijn. Uitzonderingen uiteraard daar gelaten. Door het toevoegen van sub g en f van respectievelijk lid 1 en 2, ontstaat er een vergunningsplicht voor dergelijke evenementen. De burgemeester kan in dat geval in bepaalde situaties dergelijke evenementen niet toestaan. Daarnaast geeft het de politie de mogelijkheid om op grond van de APV handhavend op te treden. - Derde lid: in de oude APV stond deze definitie van een ‘klein evenement’ niet onder de begripsbepaling, maar onder artikel 2:14 (Evenementenvergunning).
Omdat dit een definitie betreft is dit in de nieuwe APV, conform de model-APV, ondergebracht onder definities van afdeling 3. - Derde lid, onder a is gewijzigd van 200 naar 100 personen. Dit is meer in lijn met naburige gemeenten en past beter bij de praktijk van Schiermonnikoog, waar een evenement met 200 personen al tot een van de grotere evenementen zou zijn. - Derde lid, onder c voegt een maximaal toelaatbaar geluidsniveau toe. - Derde lid, onder e bestond al, maar er is een maximum aantal toegevoegd. Hierdoor wordt voorkomen dat er een onbeperkt aantal objecten geplaatst kan worden. - Belangrijkste wijziging is het verwijderen van het derde lid, sub f van het huidige artikel 2:14. Deze bepaling is van rechtswege komen te vervallen door het in werking treden van de Wet natuurbescherming en kan niet langer opgenomen worden in de APV. Artikel 2:14 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien:
2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
a. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 200 personen; b. het evenement tussen 08.00 en 23.00 uur plaats vindt; c. geen versterkte muziek ten gehore wordt gebracht; d. het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een opp. van minder dan 10 m2 per object; f. het evenement niet plaatsvindt in een natuurgebied;
3. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan binnen 5 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt Pagina 4 van 25
g. er een organisator is; h. de organisator binnen 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 3. De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: -
-
-
door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 6. Het derde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Lid 2: sinds 2018 is het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (BGBOP) in werking getreden. Dit besluit ziet onder andere toe op het brandveilig gebruik van evenementterreinen, kampeerterreinen t.b.v. evenementen, etc. Op grond van dit besluit kan er om nadere informatie worden gevraagd. Dit dient dan wel in de APV te zijn vastgelegd, vandaar deze toevoeging. Conform model-APV. Lid 3: alle informatie die het begrip ‘klein evenement’ aanduidden zijn ondergebracht onder artikel 2:24 (definities). Lid 6: vechtsportevenementen zijn de afgelopen jaren steeds populairder geworden en zijn tevens vanwege strafbare feiten die met deze evenementen gemoeid kunnen zijn steeds meer onder de aandacht van de politie gekomen. Veel gemeenten hebben bepalingen als deze daarom inmiddels in de APV opgenomen. Het is mogelijk dat sommige evenementen zich daarom willen verplaatsen naar andere gemeenten. Vandaar deze toevoeging, conform model-APV. Lid 7: zie toelichting lid 6. Door het toevoegen van deze bepaling, conform model-APV, heeft de gemeente waarin een dergelijk evenement zou moeten plaatsvinden de mogelijkheden om onderzoek te doen naar de vraag of de organisator/aanvrager in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Feitelijk komt het er op neer dat vanwege deze bepaling politiegegevens opgevraagd kunnen worden. Artikel 2:25a Indienen aanvraag 1.
De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, dient te geschieden door middel van een door of namens de burgemeester vastgesteld formulier minimaal 8 weken voor het evenement. 2. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de gegevens van de organisator; b. de geplande datum, tijdstip en locatie van het evenement; c. een omschrijving van de aard en karakter van het evenement;
Pagina 5 van 25
d. het te verwachten aantal bezoekers. e. een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden. 3. De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld dient te gaan van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan. 4. De burgemeester kan wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn. Toelichting: - Vergunningaanvragen voor evenementen komen binnen de gemeente Schiermonnikoog vaak laat en onvolledig binnen. Om dit proces beter in te richten is dit artikel opgenomen. - Lid 1, dit lid creëert een algemene plicht voor een organisator om de vergunningaanvraag tijdig in te dienen. Niet tijdig indienen kan leiden tot het afwijzen van de vergunningaanvraag. Dit zal in de praktijk niet snel gedaan worden, maar is goed om al weigeringsgrond op te kunnen nemen. - Lid 2, dit lid beschrijft welke gegevens er in ieder geval in het door de burgemeester vastgestelde formulier vermeld moeten worden. - Het derde lid zorgt ervoor dat het ook verplicht gesteld kan worden om een veiligheidsplan in te dienen. Dit is bij grotere evenementen van belang om de veiligheid te kunnen waarborgen. - Het vierde lid schept een afwijkingsbevoegdheid voor de burgemeester. Hierdoor kan de burgemeester een aanvraag toch in behandeling nemen, ondanks dat een aanvraag te laat is ingediend.
Artikel 2:25b Evenementenkalender 1. De burgemeester stelt jaarlijks in december een evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar. 2. Degene die voornemens is een vergunningplichtig evenement te organiseren, dient de burgemeester jaarlijks vóór 1 september te verzoeken het betreffende evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Het verzoek dient te geschieden door middel van een door of namens de burgemeester vastgesteld formulier. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25a. 3. Indien twee of meer evenementen als bedoeld in het tweede lid samenvallen qua tijd en locatie of anderszins met elkaar concurreren, zullen de evenementen beoordeeld worden aan de hand van de door de burgemeester vastgestelde criteria. 4. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 2:25c, onder c. 5. De burgemeester kan tot het moment waarop de in het tweede lid bedoelde Evenementenkalender is vastgesteld, wegens bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van het bepaalde in dit artikel. Pagina 6 van 25
Toelichting: -
-
In de driehoek (politie, gemeente en openbaar ministerie) is de wens uitgesproken om de capaciteit van de hulpdiensten beter te kunnen plannen, de evenementen spelen hierbij een aanzienlijke rol. Om de regionale vraag inzichtelijk te maken, is de wens om te werken met een regionale evenementenkalender. Hiervoor is een beleidsstuk opgesteld dat binnenkort zal worden vastgesteld. Voor dit jaar geldt de aanmeldplicht uiteraard nog niet, maar vanaf 2023 zal hier mee gewerkt gaan worden. Organisatoren zullen hiervan tijdig op de hoogte gesteld worden en zullen indien gewenst begeleiding krijgen bij dit proces. Op deze manier krijgt deze ontwikkeling een zachte landing. Het eerste lid schept duidelijkheid over het proces en creëert de bevoegdheid voor de burgemeester om de evenementenkalender vast te stellen. Het tweede lid schept duidelijkheid over de uiterlijke aanmelddatum en geeft aan dat dit dus geen vergunningaanvraag zelf is, maar ‘slechts’ het kenbaar maken van de wens om een evenement te organiseren op de betreffende datum. Het derde lid schept de bevoegdheid voor de burgemeester om het beleidsstuk vast te stellen en daarin nadere criteria op te nemen met betrekking tot de handelswijze bij concurrerende aanvragen. Het vierde lid stelt dat plaatsing op de evenementenkalender niet betekent dat de vergunning verleent zal worden.
Hier zal bij de formele aanvraag inhoudelijk naar gekeken worden. Er kunnen natuurlijk altijd nog weigeringsgronden van toepassing zijn. Het vijfde lid zorgt ervoor dat er nog altijd de mogelijkheid bestaat om af te wijken van de evenementenkalender. Denk aan het scenario waarbij de voetbalclub onverwachts kampioen wordt en een groot feest wil houden, zo’n evenement kan niet vooraf aangemeld worden, maar dat moet geen reden zijn om het feest te weigeren. Artikel 2:25c Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd, indien: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de ruimte of op de gemeentelijke - of hulpdiensten; b. de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; c. het een vergunningplichtig evenement betreft waarbij niet voldaan is aan de eisen van artikel 2:25a, eerste lid of 2:25b, tweede lid.
Toelichting: - Sub a is een specificering van de weigeringsgrond voor artikel 1:8, onder a en b. Waardoor het niet beschikbaar van hulpdiensten kan dienen als een weigerginsgrond. - Sub b gaat in op de veiligheid bij een evenement. Binnen de huidige APV is hier nog geen specifieke bepaling voor. Uiteraard gaat de behandelend ambtenaar eerst veelvuldig het gesprek aan met de organisator en adviseert ook over mogelijke verbeterpunten. Bij het uitblijven van verbetering kan een aanvraag op grond van dit artikel geweigerd worden. - Sub c creëert een weigeringsgrond op basis van het niet tijdig indienen van een aanvraag of het niet aanmelden voor de regionale evenementenkalender. Let op: er bestaat nog altijd een afwijkingsbevoegdheid, dus deze weigeringsgrond hoeft niet per se toegepast te worden. Indien hiervoor een goede reden is kan afgeweken worden. Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester, tenzij voor het horecabedrijf een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet is verleend.
Pagina 7 van 25
2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant. 5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of b.
de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid. 6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a. 7. Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting:
Pagina 8 van 25
-
Conform de model-APV is dit artikel opgenomen, zij het als ‘gereserveerd’. Het artikel ziet toe op de exploitatievergunningsplicht voor bepaalde inrichtingen. Dit komt doordat dit artikel in de voorgaande APV niet gebruikt werd, maar in de toekomst wel gemakkelijk toegevoegd kan worden indien gewenst. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Toelichting: -
Dit artikel betreft een verbod van heling binnen de horeca. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14 Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen. Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149 Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154 Gemeentewet. Jurisprudentie Sluiting café i.v.m. heling; burgemeester moet aan het sluitingsbevel ten grondslag liggende feiten voldoende aannemelijk maken. ABRS 15 07 1996, AB 1996, 414 m.nt. FM, JG 96.0267 . Terechte sluiting snackloket i.v.m. heling. Bekendmaking van de sluiting dient geen enkel doel. Pres. Rb Rotterdam 07 04 1995, JG 95.0202 .
-
Dit artikel zou weggelaten kunnen worden indien het niet relevant is. In dat geval zou het op (gereserveerd) gezet kunnen worden.
Artikel 2:20 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:17 tot en met 2:18 op als bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Toelichting: -
Wijziging van positie van artikelen. Artikel 2:34 Vervallen
Toelichting:
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Drank- en Horecawet Artikel 2:34a Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: a. alcoholhoudende drank; b. horecabedrijf; Pagina 9 van 25
c. horecalokaliteit; d. inrichting; e. paracommerciële rechtspersoon; f. sterke drank; g. slijtersbedrijf; h. zwak-alcoholhoudende drank; dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet. Toelichting: - Toevoeging van definities, conform model-APV. Artikel 2:21 Schenktijden para-commerciële rechtspersonen Para-commerciële rechtspersonen verstrekken uitsluitend alcoholhoudende drank gedurende de periode beginnende met 1 uur voor aanvang en eindigende met 1 uur na beëindiging van activiteiten die passen binnen de statutaire doelomschrijving van de desbetreffende para-commerciële rechtspersoon.
Artikel 2:34b Regulering para-commerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken vanaf 1 uur voor aanvang en tot uiterlijk 2 uur na afloop van de activiteit die wordt uitgeoefend in verband met de statutaire doelen van de rechtspersoon. 2. Een paracommercieel rechtspersoon verstrekt geen alcoholhoudende drank tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn.
Toelichting: - Toevoeging conform model APV. - Het beperken van schenktijden voor paracommerciële rechtspersonen is verplicht in verband met oneerlijke concurrentie voor de horeca. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Toelichting: - Toevoeging conform model APV Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Pagina 10 van 25
2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Toelichting: -
In de oude APV was de definitiebepaling toegevoegd aan artikel 2:25, zoals hieronder te zien. In de nieuwe APV is de definitiebepaling conform de model-APV apart vastgelegd onder dit artikel.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Toelichting: -
Indien een woning of lokaal aan de hand van burgemeestersbevoegdheden is gesloten, wordt deze verzegeld. Met de toevoeging van dit artikel wordt in de APV vastgelegd dat betreden van zo’n woning of lokaal verboden is. Het is nog niet of nauwelijks eerder voorgekomen dat een woning of lokaal door de burgemeester gesloten is, maar wanneer dit wel gebeurt moet je dit achter de hand hebben. Conform model-APV. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Toelichting: Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplak- en kladverbod vergroot. Deze artikelen zien bijvoorbeeld toe op het aanbrengen van graffiti. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet Pagina 11 van 25
als schuldig mag aanmerken. Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht. Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuig 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Toelichting: Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen). ABRvS 25-09-2019, ECLI:NL:RVS:2019:3274 (Haarlemmermeer).
Het college van burgemeester en wethouders was bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van het vervoeren of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. Met de opgelegde last gaat het in dit geval niet om het feitelijk herstellen van de openbare orde ten aanzien waarvan gelet op artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet uitsluitend de burgemeester is belast. Hierbij is van belang dat de last onder dwangsom in dit geval is opgelegd nadat de inbrekerswerktuigen ruim drie weken eerder in beslag waren genomen en uitsluitend met het doel om herhaling van overtreding van de APV-bepaling in de toekomst te voorkomen. Artikel 2:29 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
Pagina 12 van 25
b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Toelichting: -
-
Belangrijke toevoeging. Op dit moment is het binnen de gehele gemeente verboden om op openbare plekken drank te gebruiken of aangebroken flessen mee te dragen. Dit verbod is buitenproportioneel, de wetgever heeft het gebruik van drank immers niet verboden voor personen boven da achttien jaar. Het is dan ook belangrijk dat er alleen een verbod wordt ingesteld voor plekken waar dit niet gewenst is, denk aan het centrum, de bunkers en het Noordzeestrand. Deze bepaling was handig geweest bij de recente feestjes die gehouden werden bij de bunker. Door deze plek specifiek aan te wijzen kan er beter gehandhaafd worden. Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3.
Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Toelichting: Belangrijke toevoeging. Er was wat twijfel over de juridische houdbaarheid t.a.v. dit artikel, maar dit lijkt opgelost te zijn. Insteek is hetzelfde als 2:48, omdat een algeheel verbod (nog) niet mogelijk is. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; Pagina 13 van 25
b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Toelichting: -
Conform model-APV.
Afdeling 11. Consumentenvuurwerk en carbid Artikel 2:45 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel 2:71 Definities 1. In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. 2. In deze afdeling wordt onder carbidschieten verstaan: het op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Toelichting: - Tekstuele wijziging. Artikel 2:72 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: - Toevoeging conform model APV Artikel 2:46 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
Artikel 2:72 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting: Pagina 14 van 25
-
Tekstuele wijziging.
Artikel 2:46a Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. 2. Carbidschieten is verboden. 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor carbidschieten dat plaatsvindt op door de burgemeester aangewezen plaatsen tussen 31 december 14:00 uur en 1 januari 02:00 uur, mits: - daarbij gebruik gemaakt wordt van een melk)bus/container/opslagvat met een maximale inhoud van 40 liter en - daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens en milieu. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 5. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht. 6. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:73 Carbidschieten 1. Carbidschieten is verboden. 2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3 De burgemeester verleent slechts ontheffing van het in het eerste lid gestelde verbod indien wordt voldaan aan het volgende: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december; b. degene die carbidschiet moet tenminste de leeftijd van 16 jaar hebben; c. de inhoud van de (melk)bus mag maximaal 40 liter bedragen; d. het voorwerp waarin het carbidgas wordt gevormd, moet worden afgesloten met zacht materiaal, het is verboden om harde voorwerpen zoals een deksel van een melkbus als afsluiter te gebruiken; e. toeschouwers moeten op een afstand van tenminste 10 meter van bedoeld voorwerp worden gehouden door een duidelijk afzetting; f. de plek waar het carbidschieten plaatsvindt ligt buiten de bebouwde kom; g. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen: 1. op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en; 2. op een afstand van tenminste 300 meter van een in gebruik zijnde voorziening voor het houden van dieren; h. er mag niet worden geschoten in de richting van personen, dieren of nabij gelegen gebouwen; i. er is voor het gebruik van de locatie uitdrukkelijk toestemming van de eigenaar van het terrein. j. het carbidgas moet op veilige wijze worden ontstoken.
Toelichting: -
Eerste lid: verplaatst naar de definities van artikel 2:71. Deze nieuwe opzet vereist niet langer een aanwijzing van de burgemeester, maar een ontheffing voor een aanvraag. In de praktijk vroeg iemand of er ergens carbid mocht worden geschoten, waarna dat gebied werd aangewezen. Dit artikel sluit nu dus beter aan bij deze benadering. Daarnaast is in lid 3 een aantal voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan bij het carbidschieten, hierin wordt een regionale trend gevolgd. Pagina 15 van 25
-
De tijden van 10.00 uur tot 18.00 zullen in de komende periode worden overgenomen door andere Friese gemeenten, dit naar aanleiding van de wens om omtrent dit onderwerp wat meer te harmoniseren. Afdeling 12: Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Toelichting: - Deze bepaling is samen met artikel 2:73 toegevoegd met het oog op de handhaving van de openbare orde/het voorkomen van overlast. Het gaat hierbij uitdrukkelijk (alleen) om overlast ten gevolge van drugshandel op straat. In deze artikelen wordt verwezen naar middelen uit lijst I en II van de Opiumwet, (hard- en softdrugs) en “daarop gelijkende waar”. Bij “daarop gelijkende waar” zou kunnen worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt, nog niet op de lijsten I of II voorkomen, maar waartegen wel moet worden opgetreden, zoals lachgas. Het is van belang om handhaving via deze bepalingen goed te motiveren.
Nu het kabinet voornemens is het recreatief gebruik van lachgas op lijst II van het Opiumwetbesluit te plaatsen en hiervoor ook concrete stappen zet, en gelet op de conclusies van het hiervoor genoemde rapport van het CAM, zou het kunnen zijn dat deze motivering stand zal houden bij de rechter. Het is echter volledig aan gemeenten zelf om te beoordelen of op grond van deze artikelen zal worden gehandhaafd. Artikel
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Toelichting: - Zie toelichting vorige artikel. Afdeling 13. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 2:73a van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Toelichting: - Toevoeging conform model APV - Keuze voor toepassing bij een beperkt aantal artikelen in lijn met andere gemeenten.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij Pagina 16 van 25
ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Toelichting: Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: - vervoermiddelen te onderzoeken; - een ieders kleding te onderzoeken; - te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend. Door dit artikel op te nemen in de APV kan dit ook preventief uitgevoerd worden, op dit moment is dit op grond van artikel 174b alleen repressief mogelijk. Maar dan is het in alle gevallen al te laat en is de openbare orde al verstoord. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Toelichting: - Toevoeging conform model APV.
- Evenals het bovenstaande artikel is dit artikel preventief en helpt het bij het voorkomen van daadwerkelijke verstoring van de openbare orde en indien van toepassing het ondersteunen van de opsporing wanneer er daadwerkelijk een verstoring van de openbare orde is geweest. - Ondanks dat de camera’s op grond van dit artikel geplaatst kunnen worden, moet er voor daadwerkelijk gebruik afgestemd worden met de officier van justitie. - De bevoegdheid vloeit voort uit artikel 151c Gemeentewet. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; Pagina 17 van 25
c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Toelichting: - Toevoeging conform model APV. - Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 151d Gemeentewet. - Dit artikel geeft de gemeente, via de burgemeester, de mogelijkheid om meer te doen dan alleen bemiddelen bij woonoverlast. Indien bemiddeling geen uitkomst biedt is het door dit artikel mogelijk om last onder bestuursdwang toe te passen, waardoor gelijk de bevoegdheid geschept wordt om last onder dwangsom op te leggen. Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot Pagina 18 van 25
sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf. Toelichting: - Toevoeging conform model APV. - Vanuit art. 174a Gemeentewet vloeit voort dat de burgemeester een niet voor het publiek toegankelijk lokaal kan sluiten in verband met de openbare orde en veiligheid. Dit kan ook voor alle gebouwen op grond van art. 13b Opiumwet, wanneer er veel drugs wordt aangetroffen. Er ontbreekt echter nog een stuk t.a.v. voor publiek toegankelijke gebouwen. Dit artikel bevat deze uitbreiding. Artikel 3:4 Concentratie seksinrichtingen Het college kan delen van de gemeente aanwijzen waarbuiten voor het vestigen van een seksinrichting geen vergunning wordt verleend. Daarbij kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt voor seksinrichtingen van seksbedrijven van een nader aangewezen aard. Toelichting: -
Toevoeging conform model APV Specifiek gekozen voor ‘waarbuiten’, op deze manier is het makkelijker te reguleren indien er toch aanvragen komen. Artikel 3:5 Beperking aantal vergunningen 1. Voor het uitoefenen van een raamprostitutiebedrijf wordt geen vergunning verleend. 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan een maximum stellen aan het totaal aantal seksinrichtingen van seksbedrijven, niet zijnde raamprostitutiebedrijven, waarvoor vergunning kan worden verleend.
Toelichting: -
Toevoeging conform model APV Het verbieden van prostitutie mag niet (raamprostitutie zou wel verboden mogen worden). Maar het stellen van een maximum aantal vergunningen is wel toegestaan, uiteraard goed gemotiveerd. Artikel 3:17 Raamprostitutie Het is een prostituee verboden: a. zich vanuit een gebouw of vanuit de toegang naar een gebouw aan klanten die zich op of aan de weg bevinden beschikbaar te stellen; en b. passanten hinderlijk te bejegenen of zich aan passanten op te dringen dan wel zich ongekleed of vrijwel ongekleed achter het raam van een seksinrichting of in de toegang tot een seksinrichting op te houden.
Toelichting: - Toevoeging conform model APV Artikel 3:9 Straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten te
Artikel 3:11 Straatprostitutie Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de weg zichtbare plaats, niet zijnde een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend, Pagina 19 van 25
bewegen gebruik te maken van de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan te lokken: a. op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;
zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.
b. gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 3. Met het oog op de in artikel 3:12, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:12, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid onder b. 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Toelichting: - Wijziging conform model APV Afdeling 4. Overige bepalingen Artikel 3:19 Verbodsbepaling klanten 1. Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend. 2.
Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend. Toelichting: - Toevoeging conform model APV - Opgenomen ter bescherming van de werkzame prostituee. Pagina 20 van 25
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5 gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:4 van deze verordening- uiterlijk om 03.00 uur te worden beëindigd.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4:5, uiterlijk om 02.00 uur beëindigd.
Toelichting: -
Tekstuele wijzigingen. Verlaging van 10 dB(A) in het zesde lid, in lijn met naburige gemeenten. Vervroeging van 1 uur in het achtste lid, in lijn met naburige gemeenten. Artikel 4:5a Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, Pagina 21 van 25
dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Toelichting: -
Toevoeging conform model APV Dit artikel schept de mogelijkheid o Artikel 4:24 Verbod op het oplaten van ballonnen 1. In dit artikel wordt onder een (wens)ballon verstaan: een ballon van rubber, latex, papier of ander materiaal vervaardigd, die door middel van hete lucht afkomstig van vuur dan wel door middel van helium of andere gassen in de lucht wordt gebracht en mede door de wind door de lucht wordt verplaatst. Hieronder wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, geluksballon of een andere daarmee vergelijkbare ballon. 2. Het is verboden een wensballon op te laten of in de lucht te brengen.
Toelichting: -
Dit artikel is bij raadsbesluit van 16 oktober 2018 al goedgekeurd, maar is nooit ondergebracht in de APV. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Toelichting: - Toevoeging conform model APV - Dit artikel regelt het parkeren van voertuigen die voldoen aan alle vereisten, maar die onverhoopt kapot zijn gegaan, waarbij de bestuurder genoodzaakt is om het voertuig ter plekke te parkeren. Artikel 5:10 Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Toelichting: - Dit artikel kan een oplossing zijn voor het parkeren in de berm. Dan moeten er wel E1 borden met een onderbord worden geplaatst, waarop staat dat het parkeerverbod voor de berm geldt. - De reden dat dit artikel toegevoegd kan worden is dat artikel 10 RVV1990 bermparkeren mogelijk maakt en de bevoegdheid tot het instellen van een parkeer- en stopverbod onverlet laat. Borden E1 en E2 gelden alleen voor de rijbaan en het RVV1990 voorziet dus niet in een parkeer- en stopverbod voor de berm. Om die reden geeft art. 2a Wegenverkeerswet gemeenten de mogelijkheid om bij verordening een regeling te treffen..
Pagina 22 van 25
Artikel 5:9 Ventverbod 1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van het Wegenverkeerswet.
Artikel 5:15 Ventverbod 1.Het is verboden te venten: a. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen; b. op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen dagen en uren; c. op het strand. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; b. het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard.