CConstaterende datSchiermonnikoog
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing 6711461_1669972605487_2022-11-28_ROB_met_bijlagen AVG1.pdf

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente SchiermonnikoogBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Bouwen logiesgebouw Heereweg 2E12.485 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing vervangende recreatieve nieuwbouw Heereweg 2 te Schiermonnikoog

Inhoud: Status: Projectnummer: 28 november 2022

Pagina: Definitief 2022-11 TSW

1

Overzichtskaart

Ruimtelijke onderbouwing

2

Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 - INLEIDING .......................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................................... 4 1.2 Situering plangebied .................................................................................................................................... 5 1.3 Geldende planologische regeling ................................................................................................................ 6 1.4 leeswijzer ..................................................................................................................................................... 6 HOOFDSTUK 2 - PLANBESCHRIJVING ........................................................................................................ 7 2.1 Huidige situatie ............................................................................................................................................ 7 2.2 Planopzet en ruimtelijke inpassing ..............................................................................................................

7 2.2.1 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing ........................................................................................................ 10 2.2.2 Natuur-inclusief bouwen ................................................................................................................................... 15 HOOFDSTUK 3 - BELEIDSKADER ............................................................................................................... 16 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................................. 16 3.2 Provinciaal beleid ...................................................................................................................................... 17 3.3 Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................... 19 HOOFDSTUK 4 - MILIEUASPECTEN EN PLANOLOGISCHE RANDVOORWAARDEN ............................ 20 4.1 Milieuhinder van bedrijven ........................................................................................................................ 20 4.1.1 Geluid .................................................................................................................................................................

21 4.1.2 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 22 4.1.3 Wet geurhinder en veehouderij ........................................................................................................................ 22 4.2 Bodemkwaliteit .......................................................................................................................................... 24 4.3 Omgevingsaspect ecologie ....................................................................................................................... 24 4.4 Erfgoed ...................................................................................................................................................... 26 4.5 Externe veiligheid ...................................................................................................................................... 29 4.6 Water ......................................................................................................................................................... 31 4.7 Verkeer en parkeren..................................................................................................................................

33 4.8 MER - beoordeling .................................................................................................................................... 34 HOOFDSTUK 5 - UITVOERBAARHEID VAN HET PLAN ............................................................................ 35 5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................................. 35

Ruimtelijke onderbouwing

3

5.2 Economische uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 35 BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING ................................................................................ 36

Ruimtelijke onderbouwing

4

Hoofdstuk 1 - Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Het adres Heereweg 2 te Schiermonnikoog (perceel SMN01-B-2717) is in eigendom van initiatiefnemers. Het perceel is al lange tijd mede in gebruik ten behoeve van verblijfsrecreatie binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Daar waar de eigenaars het met veel liefde en plezier exploiteren is er de wens om dit uit te breiden middels vervangende nieuwbouw van de bestaande verblijfsaccommodatie. De vraag naar recreatief verblijf neemt namelijk toe. Naast het feit dat de is het ook noodzaak om inkomsten te generen vanuit de recreatiesector. Dit met oog op de ontwikkelingen binnen de veehouderijbranche.

Figuur 1:

aan de Heereweg 2. Bron: Google Maps.

Het voorliggende initiatief (realisering van vervangende recreatieve nieuwbouw, verder: verblijfsaccommodatie. Met een omtrek van afgerond 118,3m2 en daarmee gelijk aan het bestaande) voldoet niet aan de regels van het bestemmingsplan: a) Voorliggend initiatief dat een vervangende verblijfsaccommodatie betreft, betreft 1 bouwvolume ten behoeve van 3 recreatiewoningen, daar waar in de regels een minimum van 5 recreatiewoningen vereist is binnen 1 bouwvolume. Op basis van een ruimtelijke onderbouwing dient daarom aangetoond te worden, dat het initiatief uitvoerbaar en haalbaar is en dat in de nieuwe situatie sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Gemotiveerd moet worden waarom het initiatief geen strijd oplevert met de omgevingsfactoren. De gemeente zal middels een vooroverleg het planvoornemen aan de vooroverlegpartners (Provincie Fryslân, Wetterskip, de Veiligheidsregio, De Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing etc.) voorleggen. Vervolgens zal de gemeente via de uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure de plannen ter visie leggen waarbij een ieder een zienswijze in kan dienen. Vervolgens zal de gemeente een (ontwerp)besluit nemen.

Ruimtelijke onderbouwing

5

1.2 Situering plangebied Het plangebied Het plangebied Heereweg 2 te Schiermonnikoog maakt deel uit van het buitengebied van de gemeente Schiermonnikoog. De ligging van de gemeente is in figuur 2 weergegeven.

Figuur 2: ligging gemeente Schiermonnikoog. Bron: Google Maps. Het plangebied en de directe omgeving Het plangebied ligt in agrarisch gebied met rechts gesitueerd een agrarisch bedrijf. Richting het noorden in de directe omgeving zijn recreatiewoningen gesitueerd. Verderop ligt het dorp Schiermonnikoog met een regiofunctie. De andere kant op ligt de Waddenzee. Ook zijn er twee natuurreservaten noordelijk en zuidelijk van het plangebied. Namelijk het duinengebied en de Waddenzee. De vervangende nieuwbouw zal plaatsvinden binnen het kadastrale perceel met nummer perceel SMN01-B-2717. De ligging van het plangebied wordt weergegeven in figuur 3.

Figuur 3: Ligging van het plangebied. Bron: Google Maps.

Ruimtelijke onderbouwing

6

1.3 Geldende planologische regeling Het plangebied heeft in het geldende bestemmingsplan Buitengebied de enkelbestemming Agrarisch . In paragraaf 1.1 is nader onderbouwd op welke punten het initiatief in strijd is met de geldende regels en op welke wijze medewerking verleend kan worden.

Figuur 4: Uitsnede van de verbeelding deel uit makende van het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Bron: ruimtelijke plannen.

1.4 leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 ingegaan op het planvoornemen. In hoofdstuk 3 is een overzicht gegeven van het geldende en relevante ruimtelijke overheidsbeleid. Een beschrijving van de omgevingsaspecten betreffende milieu- en planologische randvoorwaarden volgt daarop in hoofdstuk 4. Tot slot is in hoofdstuk 5 ingegaan op de (economische en maatschappelijke) uitvoerbaarheid van het plan.

Ruimtelijke onderbouwing

7

Hoofdstuk 2 - Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het perceel Heereweg 2 is in beheer van initiatiefnemers. Hier worden agrarische- en verblijfsrecreatieve activiteiten ontplooit passend binnen het bestemmingsplan. Om een beeld hiervan te krijgen wordt verwezen naar deze uitgebreide fotocollage en naar onderstaand figuur. Onderstaand figuur is in zijn volledigheid te raadplegen in bijlage 1.

Figuur 5: situatietekening. Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Meinsma.

2.2 Planopzet en ruimtelijke inpassing Een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure dient gevolgd te worden om medewerking te verkrijgen aan het initiatief dat zorg draagt voor de realisering van de verblijfsaccommodatie. Het hele concept is erop gericht dat de verblijfsaccommodatie een kwalitatieve invulling en recreatieve meerwaarde geeft aan het plangebied en de toerismesector. Hetgeen waar Schiermonnikoog als eiland baat bij heeft daar waar er veel belangen gemoeid zijn met deze sector.

Ruimtelijke onderbouwing

8

Figuur 6 en 7: huidige verblijfsaccommodatie. Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Meinsma

Ruimtelijke onderbouwing

9

Figuur 8 en 9: de te komen, ter vervanging van de in figuur 6 en 7 getoonde bebouwing, nieuwe verblijfsaccommodatie. Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Meinsma.

Ruimtelijke onderbouwing

10

Figuur 10: illustratie situering vervangende nieuwbouw en ruimtelijke inpassing. Tevens wordt verwezen naar bijlage 1 waarin deze tekening in zijn geheel raadpleegbaar is tezamen met de andere tekeningen. Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Meinsma.

2.2.1 Ruimtelijke en landschappelijke inpassing De vervangende verblijfsaccommodatie brengt wijzigingen met zich mee. Dit in de vorm van één nieuw vervangend bouwvolume. Qua omtrek zal het bouwvolume met zijn 118,10m² nagenoeg gelijk blijven al dan niet 2m² kleiner zijn dan het bestaande te slopen bouwvolume zoals te zien is op figuur 12 op de volgende pagina. De hoogte van het vervangende bouwwerk zal echter wel toenemen. De nokhoogte zal in de nieuwe situatie 8,344m¹ bedragen. De vraag is of de hoogte inpasbaar is. Handleiding erfinrichting agrarische bedrijven past binnen het bestaand aangeduid bouwperceel. Er wordt tevens geen beroep gedaan op nieuw ruimtebeslag. Zodoende wordt er zonder aanvullende maatregelen aan de handleiding voldaan. Ongeacht er met dit intiatief wordt voldaan aan bovenstaand benoemde handleiding is in deze ruimtelijke onderbouwing de verplichting opgenomen dat het eigen erf zal worden opgeruimd/gefatsoeneerd. Daarbij komend wordt er aan de westzijde van het perceel een kleine aarden wal van 1 meter hoog en 2 meter breed opgeworpen. Dit om het perceel ruimtelijk nog beter inpasbaar te krijgen. Verwezen wordt naar bovenstaand figuur (figuur 10). Ook vervangende bouwwerk met zich mee zal brengen. Deze hoogte zal namelijk afwijken van de hoogte van het huidige gebouw (verblijfsaccomodatie).

Nader dient te worden gemotiveerd dat de hoogte landschappelijk inpasbaar is.

Ruimtelijke onderbouwing

11

Figuur 11: doorsnede vervangend bouwwerk. Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Meinsma.

Figuur 12: omtrek bestaande verrblijfsaccommondatie. Bron: Google Maps. De situering van het vervangende bouwwerk is binnen de bestaande coulissen beplanting zoals in figuur 13 op de volgende pagina is te zien.

Ruimtelijke onderbouwing

12

Figuur 13: in het paars de locatie van het vervangende bouwwerk omringd door bestaande coulissen beplanting. Bron: Google Maps. Tevens toont onderstaand figuur 14 dat de locatie waar het vervangende bouwwerk komt te staan aan de linkerzijde aan het zicht wordt ontnomen door het (al dan niet hogere) bestaande boerderijgebouw en hogere omliggende coulissen beplanting. Figuur 15, 16 en 17 tonen dit aan vanuit de andere zijden. Namelijk de rechterzijde, de voorzijde en de achterzijde. Het te komen bouwwerk zal worden omringd door hoger bestaand groen al dan niet door hogere bestaande bebouwing.

Figuur 14: plangebied gezien vanaf de linkerzijde. Bron: Google Maps.

Ruimtelijke onderbouwing

13

Figuur 15: plangebied gezien vanaf de rechterzijde. Bron: Google Maps.

Figuur 16: plangebied gezien vanaf de voorzijde ingang (vanaf de Heereweg). Bron: Google Maps.

Ruimtelijke onderbouwing

14

Figuur 17: bestaande coulissen beplanting achterzijde plangebied. Bron: Google Maps. Conclusie De conclusie is dat de toename in hoogte tot een nokhoogte van 8,344m¹ geen impact heeft op de zichtlijnen vanuit de omgeving. De hoogte is hierbij generlei een verstoring van het open gebied. Tevens wordt het erf opgeruimd/gefatsoeneerd en wordt ten westen van het perceel een kleine aarden wal van 1 meter hoog en 2 meter breed opgeworpen dat van positieve invloed is op de ruimtelijke inpassing. In de nieuwe situatie is er zodoende sprake van een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing.

Ruimtelijke onderbouwing

15

2.2.2 Natuur-inclusief bouwen Bij het ontwerp en ter zijner tijd ook bij de realisatie van de vervangende nieuwbouw is er rekening gehouden met het natuur-inclusief bouwen. De te nemen maatregelen zijn: -

Onder het dakoverstek wordt de ruimte geboden voor huiszwaluwen om zich te kunnen nestelen. Er wordt ruimte gelaten aan de onderzijde van de boeidelen en gootombouw ten behoeve van vleermuisverblijfplaatsen. Door bij de onderste drie dakpannen geen vogelschroot te plaatsen en ruimte te houden tussen de panlat en dakpannen biedt dit ruimte voor de nestelmogelijkheden van de huismus.

Voor het in zijn volledigheid raadplegen van de tekeningen (zoals onderstaand figuur) wordt verwezen naar bijlage 1.

Figuur 18: snede uit de geveltekening natuur-inclusief bouwen. Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Meinsma.

Ruimtelijke onderbouwing

16

Hoofdstuk 3 - Beleidskader Ruimtelijke ontwikkelingen moeten passen binnen wet-, regelgeving en beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente.

3.1 Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving.

Ladder voor duurzame verstedelijking Bij gebiedsontwikkeling is 'een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten' van belang. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder houdt in dat de toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Voordat de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Het initiatief betreft de realisatie van vervangende recreatieve nieuwbouw in de vorm van een verblijfsaccommodatie. Het initiatief leidt niet tot een naar aard en omvang substantiële wijziging van het gebruik van het perceel. Gesteld kan worden dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Daarnaast is er pas sprake van toetsing middels de Ladder als het een nieuwe ontwikkeling betreft. De Ladder is daarmee niet van toepassing op het initiatief. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt in het vervolg van deze ruimtelijke onderbouwing aangetoond dat de ontwikkeling wel leidt tot een zorgvuldige benutting en kwalitatieve invulling van de ruimte en in die zin in overeenstemming is met de Ladder.

Ruimtelijke onderbouwing

17

Conclusie Op basis van vorenstaande kan worden vastgesteld dat ten aanzien van dit planvoornemen geen nationale belangen in het geding zijn en het planvoornemen passend is in het ruimtelijke beleid van het Rijk.

3.2 Provinciaal beleid Streekplan Fryslân Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk ruimtelijk beleid. Dit is onder meer vastgelegd in het Streekplan Fryslân, vastgesteld op 13 december 2006. De provincie Fryslân zet, meer dan voorheen, in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel voor economische, sociale als culturele belangen en is daarmee voor alle functies in Fryslân essentieel. Met ruimtelijke kwaliteit wordt bedoeld dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering, expliciet de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde in stand worden gehouden en verder worden ontwikkeld. Bij het streven naar een vitaal platteland, wordt ruimte geboden voor ontwikkelingen binnen de plaatselijke verhoudingen en kwaliteiten van het gebied. Voor de ontwikkeling van lokale en regionale bedrijvigheid, wordt in het buitengebied ruimte geboden. Gestreefd wordt naar kwaliteitsverbetering van bestaande voorzieningen. Er is daarbij een verhoogde aandacht voor de landschappelijke inpassing. Men spreekt economische vitaliteit in het landelijk gebied. Kwaliteitsverbetering staat hierbij voorop. Een voorbeeld van een kwaliteitsarrangement is recreatieve kwaliteitsverbetering (pagina 44 van het Streekplan).

Streekplan Fryslân: paragraaf 3.6 Waddeneilanden In het streekplan is een verdieping gemaakt specifiek inzake de Waddeneilanden Vlieland, Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog. In 3.6.1 de gebiedsbeschrijving, wordt gesproken over beperkingen voor agrariërs, daar waar grond schaars is en het een eiland betreft. De eilanden bieden wel verbreding door middel van natuurbeheer en recreatie. In de visie wordt gesproken dat de sociaal-economische omstandigheden specifiek recreatie en toerisme- afhankelijk zijn van de bijzondere natuurlijke waarden die de eilanden te bieden hebben. Kwaliteitsverbetering van recreatie is nodig om concurrerend te blijven ten opzichte van alternatieve bestemmingen. Er kan dan ook worden ingespeeld op de groeiende belangstelling voor natuurbeleving- en educatie, cultuurtoerisme en actieve (korte) vakanties. Nieuwe grootschalige verblijfsvoorzieningen zijn daarbij minder in beeld; gericht inspelen op de hogere kwaliteitseisen van de recreant met bijbehorende voorzieningen (ook bij slecht weer) des te meer. Dit kan binnen de landschappelijke en natuurlijke kernkwaliteiten worden ingepast. Er hoeft in dit verband geen tegenstelling tussen recreatie en natuur te bestaan. Wel is een aandachtspunt de recreatieve draagkracht van deze natuurgebieden. Hier moet met ontwikkelingen rekening mee gehouden worden.

Voor landbouw op de eilanden zijn naast de landbouw zelf nieuwe vormen van gemengd bedrijf mogelijk waaronder recreatie, natuureducatie, eigen producten en verduurzaming.

Ruimtelijke onderbouwing

18

In de passage specifiek over Schiermonnikoog zijn grootschalige ontwikkelingen niet gewenst. Wel zijn er mogelijkheden voor (recreatieve) kwaliteitsverbetering en plaatselijke lokale ontwikkelingen. Beleidsnota Gastvrij Fryslân 2028 In april 2020 hebben Provinciale staten de beleidsnota Gastvrij Fryslân 2028 vastgesteld. In deze nota wordt gesproken over de positieve bijdrage van toerisme voor Friesland. Daar waar de economisch waarde van toerisme centraal staat komt steeds meer het besef dat toerisme ook bijdraagt aan de leefbaarheid van Friesland. Ook versterkt toerisme bij slimme inzet de kwaliteit en omvang van natuur- en cultuurerfgoed. Om de groei van toerisme in goede banen

Men spreekt over het feit dat toerisme groeit. Dit momenteel vooral op de al drukke plekken en monumenten. Men wil een gebalanceerde groei en spreiding van toerisme stimuleren over heel Friesland. Dat om ook in krimpgebieden het voorzieningenniveau op peil te houden. Dit wi

Op pagina 18 van de beleidsnota wordt nader ingegaan op logiesaccommodaties. Doel hierbij is een betere clustervorming van logiesaanbod met partijen in de omgeving. Daarnaast streeft de provincie naar een hogere bezettingsgraad en dat het logiesaanbod vitaler wordt. Verordening Romte Fryslân 2014 Kleinschalige dagde verordening Romte. Artikel 5.5.1 maakt het mogelijk dat voor recreatieve voorzieningen die niet vallen binnen een recreatiekern in een ruimtelijk plan een uitbreiding toegestaan kan worden met onder andere een maximum van 15 recreatiewoningen. Onderhavig initiatief sluit hierop aan. Namelijk het planologisch toestaan van 3 recreatiewoningen. Het totaal aantal recreatiewoningen blijft hiermee onder het gestelde maximum van 15. Verwezen wordt naar situatietekening Conclusie Gesteld kan worden dat het initiatief is opgesteld in lijn met het provinciaal beleid.

Ruimtelijke onderbouwing

19

3.3 Gemeentelijk beleid Bestemmingsplan Buitengebied Als beschreven in paragraaf 1.1 past het initiatief qua aantallen recreatiewoningen binnen één bouwvolume niet binnen de bestemming agrarisch zoals benoemd in het bestemmingsplan Buitengebied. De gemeente Schiermonnikoog heeft aangegeven1 in principe onder voorwaarden medewerking te willen verlenen. Door middel van een ruimtelijke onderbouwing moet aangetoond worden dat in de nieuwe situatie sprake blijft van een goede ruimtelijke ordening. Woonvisie Schiermonnikoog 2015 In de woonvisie van Schiermonnikoog daterend uit 2015 wordt gesproken over de woningen in de dorpskern die beschikbaar moeten blijven voor mensen die op Schiermonnikoog leven en werken. Wonen op Schiermonnikoog De gemeente Schiermonnikoog spreekt in haar beleid over een vestigingsregeling dat van kracht is op de goedkopere categorie woningen. Dit geldt voor koopwoningen tot 450.000 euro. Wordt er een woning gekocht onder deze prijs dan moet koper een economische binding hebben met het eiland. Huurwoningen worden alleen toegewezen aan woningzoekenden met een economische binding met het eiland. Alleen als recreatie bestemde woningen zijn te koop voor woningzoekenden zonder economische binding met het eiland. Het doel van dit beleid is om woningen beschikbaar te houden voor de eigen inwoners. Mensen die wonen, werken en leven op het eiland.

Conclusie Gekeken naar het woonbeleid is de conclusie te trekken dat men de leefbaarheid wil behouden op het eiland. Mensen die recreatief op het eiland willen verblijven zullen daarom aangewezen zijn op een kortverblijf recreatiewoning, hotel en andere verblijfsrecreatieve voorzieningen. Onderhavig initatief speelt hier op in.

1

Brief gemeente Schiermonnikoog d.d. 5 januari 2020 met als onderwerp: Resultaat voortraject project Zaaknr. 2019.0081

Ruimtelijke onderbouwing

20

Hoofdstuk 4 - Milieuaspecten en planologische randvoorwaarden Uitgangspunt voor onderhavig initiatief is dat er een goede omgevingssituatie ontstaat. In dit hoofdstuk komen een aantal omgevings- en milieuaspecten aan de orde die voorwaarden kunnen stellen aan dit plan.

4.1 Milieuhinder van bedrijven Algemeen Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, als uitgangspunt van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen hinder veroorzakende functies, zoals bedrijven en voorzieningen, en hindergevoelige functies, zoals woningen, noodzakelijk. Bij de ruimtelijk-functionele afstemming hiervan kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootste aangegeven afstand is bepalend.

Figuur 19: lijst met richtafstanden. Bron: VNG-handreiking 2009. Als aan de gestelde richtafstanden voldaan wordt, is op die punten sprake van een goede ruimtelijke ordening. De genoemde maten zijn evenwel richtinggevend en met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.

Ruimtelijke onderbouwing

21

Milieuzonering

Figuur 20: uitsnede van de verbeelding met overzicht van functies in de omgeving van het plangebied. Bron: ruimtelijke plannen. Om een goed woon-, werk- en leefklimaat te kunnen garanderen, is nagegaan of er sprake kan zijn van hinder voor de omgeving die veroorzaakt wordt door de nieuwe opzet van de recreatiewoningen. De dichstbijzijnde agrariër is op respectievelijk 340 meter afstand gevestigd en de dichstbijzijnde recreatieve bestemming (recreatiewoning) 290 meter. Omgevingstype De Heereweg 2 e.o. is een gebied wat zich niet kenmerkt als een gemengd gebied. Op basis in de publicatie Bedrijven en Milieuzonering dient in onderhavig geval rekening gehouden te worden met een richtafstand van 50 meter. Voor de eigen bedrijfswoning (behorende tot de inrichting) is geen minimale afstand benodigd. Dit is namelijk de woning van initiatiefnemer zelf en wordt ook bewoond door initiatiefnemer. Conclusie Aangezien sprake is van geringe uitbreiding van een bestaande activiteit en ten opzichte van de omgeving ruimschoots voldaan kan worden aan de richtafstanden, vormt milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. Daarnaast, omdat het gebruik van de reacreatiewoningen recreatie betreft en geen permante bewoning, kan worden gesteld dat de richtlijnen niet van toepassing zijn. In onderstaande paragraaf wordt dit nader toegelicht wat betreft het aspect geluid.

4.1.1 Geluid Een recreatieverblijf en camping zijn geen geluidsgevoelige objecten. Dit neemt niet weg dat er geen sprake hoeft te zijn van een aanvaardbaar verblijfsklimaat2. Aangezien er geen sprake is van bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied en het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf gelegen is op een afstand van 340 meter van het plangebied vormt het bedrijf van derden geen belemmering voor onderhavig initiatief. Planologisch is op dit namelijk een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Gekeken naar de VNG bedrijven- en milieuzonering brengt dit ten hoogste milieuacategorie 3.2 met zich mee (richtafstand 100 meter). Hier wordt aan voldaan. 2 Jurisprudentie Raad van State: Uitspraak

Ruimtelijke onderbouwing

, paragraaf 12.

22

Conclusie Aangezien de recreatieve verblijfsaccommodatie geen geluidgevoelig object is en bedrijvigheid van derden zich op ruime afstand bevindt van het plangebied, vormt het aspect geluid geen belemmering voor onderhavig initiatief. Tevens is er voor de eigen bedrijfswoning (behorende tot de inrichting) geen minimale afstand benodigd zoals benoemd in paragraaf 4.1. Deze wordt bewoond door initiatiefnemer zelf. Akoestisch onderzoek is niet benodigd.

4.1.2 Luchtkwaliteit Beleid Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit aangepakt moeten worden. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Afweging Een project waarbij in totaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg worden gebouwd, wordt nog aangemerkt als een Nibm-project. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op een bestaande agrarische bestemming met vervangende nieuwbouw en is daarmee qua omvang en verkeeraantrekkende werking (veel) kleinschaliger dan de bouw van 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Onderhavig initiatief kan daarom worden beschouwd als een nibm-project. Onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Conclusie Uit het oogpunt van verkeer en luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor de haalbaarheid van onderhavig initiatief.

4.1.3 Wet geurhinder en veehouderij In de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is in artikel 3 opgenomen wat de maximale geurbelasting mag zijn van een veehouderij op een geurgevoelig object. Wanneer er geen geuremissiefactor bekend is, wordt conform artikel 4 van de Wgv de minimale afstand bepaald tot een geurgevoelig object van derden. In het kader van milieuzonering wordt ten aanzien van de aspecten geluid, stof, geur en gevaar beoordeeld in hoeverre milieugevoelige objecten van derden overlast kunnen ervaren. Er worden bij onderhavig planvoornemen koeien gehouden in de categorieën A1, A2 en A3 van de Regeling geurhinder en veehouderij. Omdat hier geen geuremissiefactor voor vastgesteld is, is artikel 4 van de Wgv van toepassing. Beoordeeld moet worden of het plangebied al dan niet binnen de bebouwde kom ligt. Artikel 4 Wgv De vervolgvraag is of er sprake is van een bebouwde kom of niet. De bebouwde kom is volgens de Memorie van Toelichting aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft' en waarin (dus) veel mensen per oppervlakte-eenheid daadwerkelijk wonen of verblijven'.

Ruimtelijke onderbouwing

23

Gelet op de omgeving van het plangebied en bovenstaande uitleg van het begrip afstand van 50 meter tot geurgevoelige objecten is van toepassing conform lid 1 van artikel 4 Wgv. De dichtstbijzijnde agrariër is op circa 340 meter afstand gelegen van het agrarische bouwvlak van het plangebied. Zoals reeds is benoemd bevindt de dichstbijzijnde agrariër zich op respectievelijk 340 meter afstand en de dichstbijzijnde recreatieve bestemming (recreatiewoning) op 290 meter. Aan zowel de normafstand van 50 meter uit de Wgv als de richtafstand van 100 meter in het kader van bedrijven en milieuzonering kan ruimschoots worden voldaan. Omdat er sprake is vervangende nieuwbouw van de bestaande verblijfsaccommodatie, is sprake van een ongewijzigde situatie. Dit geldt ook voor het aantal dieren dat wordt gehuisvest op het perceel Heereweg 2. Vastgesteld kan worden dan het initiatief voorziet in geurgevoelige objecten op meer dan 50 m afstand en buiten de geurcontour van de veehouderij van derden. Artikel 5 Wgv Onverminderd artikel 3 en 4 Wgv is artikel 5 Wgv van toepassing.

Artikel 5 lid 1 Wgv regelt dat de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object: a) ten minste 50 meter te zijn indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b) ten minste 25 meter te zijn indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Conclusie Er wordt voldaan aan de afstandnormen van de Wgv. Sprake is van vervangende nieuwbouw van een bestaande verblijfsaccommodatie. Bovendien ligt het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf van derden op circa 290 meter afstand. Terwijl in het kader van bedrijven en milieuzonering een richtafstand van toepassing is van 100 meter. Vastgesteld kan worden dan het initiatief voorziet in geurgevoelige objecten op meer dan 50 m afstand en buiten de geurcontour van de veehouderij van derden. Geconcludeerd kan worden dat het omgevingsaspect geur geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing

24

4.2 Bodemkwaliteit Verdachte plekken met betrekking tot de kwaliteit van de bodem dienen bij ruimtelijke plannen en projecten in het kader van de Wet bodembescherming te worden gesignaleerd vanuit een goede ruimtelijke ordening. Op basis van de door de gemeente voorziene form onderzoek locatie (bijlage 2: formulier historisch onderzoek locatie) waar op alle bodemonderzoek afgeweken mag worden. Conclusie Gezien de uitkomsten van het ingevulde formulier staat het aspect bodemkwaliteit de uitvoerbaarheid van dit initiatief niet in de weg.

4.3 Omgevingsaspect ecologie Beleid Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden. Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijn gebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming.

Ruimtelijke onderbouwing

25

Soortenbescherming Een quickscan flora & fauna kan benodigd zijn wanneer er aanleiding is om aan te nemen dat er beschermde dier- en plantsoorten kunnen voorkomen die door onderhavig initiatief in de knel kunnen komen. Gelet op de aard en ligging van onderhavig initiatief is een dergelijke quickscan flora & fauna uitgevoerd (bijlage 3: quickscan flora en fauna). In de omgeving van het plangebied komen verschillende beschermde soorten voor. Dit betreffen de rugstreeppad, diverse vleermuissoorten en broedvogels. Van de rugstreeppad ontbreken voortplantingswater en potentiële winterhabitat in de directe omgeving. Daarmee is de verstoring van deze soort uitgesloten. Op basis van het veldonderzoek is geconstateerd dat verblijfsplaatsen van vleermuizen en jaarrondbeschermende nesten van broedvogels met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kunnen worden uitgesloten. Wel komen er in de omliggende bebouwing nesten van de boerenzwaluw, kauw, spreeuw en nesten van de huismus voor. Deze plekken blijven binnen het planvoornemen onaangetast. Het advies is daarom om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren om eventuele verstoring te voorkomen. Daarnaast is er rekening te houden met de zorgplicht. Dit gesteld in artikel 1.11 in de Wet natuurbescherming en specifiek voor bedrijven in artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit.

Groen-elementen Het initiatief betreft vervangende nieuwbouw van dezelfde omvang. Bestaande groenstructuren blijven dan ook in stand. Dit is nader toegelicht op pagina 10 en 14 onder de kop Gebiedsbescherming

Figuur 21: Natura 2000-gebieden. Bron: natura2000.nl

Ruimtelijke onderbouwing

26

Naast het aspect soortenbescherming is het uiteraard ook de vraag of onderhavig initiatief van invloed is op beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming). Deze gebieden zijn o.a. opgenomen in het Europees netwerk Natura 2000. Raadpleging van bovengenoemde kaart illustreert dat het plangebied nabij tweeaangewezen Natura 2000-gebieden gelegen is, namelijk de Waddenzee en Duinen Schiermonnikoog. De afstanden zijn 400 en 700 meter tot deze beide gebieden. Er is een stikstof-berekening (bijlage 4: stikstof berekening) uitgevoerd voor zowel de bouw- als gebruiksfase. De berekeningen hebben aangetoond dat de bouw- en gebruiksfase van onderhavig initiatief geen depositieresultaten opleveren boven de 0,00 mol/ha/jr. Gelet op het feit dat het plangebied niet in een Natura 2000-gebied ligt en het feit dat er geen sprake is van stikstoftoename, maakt dat het initiatief geen negatieve invloed heeft op de omliggende beschermde gebieden. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor onderhavig initiatief. De zorgplicht wordt nageleefd en er is sprake van een toename van groen en bomen waardoor er meer kansen geboden worden voor de vestiging van dier- en plantsoorten. Daarnaast is er geen significante uitstoot van stikstof gemoeid met onderhavig initiatief.

4.4 Erfgoed De Erfgoedwet bundelt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische restanten rekening wordt gehouden. Archeologie Op Europese schaal hee gericht op het behouden van archeologische waarden in de bodem. Op provinciale schaal heeft de provincie Fryslân het initiatief genomen om het bodemarchief in kaart te brengen via de zogenaamde Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Hieruit is op te maken dat voor het plangebied geen onderzoek noodzakelijk is wat betreft de steentijdbronstijd en ijzertijd-middeleeuwen.

Ruimtelijke onderbouwing

27

Figuur 22: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra. Bron: cultuurhistorische kaart Fryslân Ook is gekeken naar de archeologische monumentenkaart en indicatieve kaart archeologische waarde (AMK & IKAW). Hieruit blijkt dat het een plangebied betreft met een middelhoge trefkans op archeologische waarden. Dit sluit aan bij paragraaf 1.3 Geldende planologische regeling waaruit blijkt dat er geen dubbelbestemming op het plangebied rust.

Figuur 23: indicatieve kaart archeologische waarde. Bron: Atlasleefomgeving.nl Daarnaast is er sprake van vervangende nieuwbouw, daar waar de grond al verstoord is, is in combinatie met de bevindingen uit het FAMKE en IKAW de conclusie te rechtvaardigen dat archeologisch onderzoek in dezen niet noodzakelijk is.

Ruimtelijke onderbouwing

28

Cultuurhistorie Naast archeologie is ook cultuurhistorie van belang. Cultuurhistorie is een combinatie van een aantal ruimtelijke wetenschappen. Naast het aspect archeologie en de daaraan verbonden waarden kunnen ook geografie, bouwhistorie, historische ecologie maar ook toponymie en fysische geografie hier onderdeel van uitmaken. Dit vertaald zich dan ook concreet in aspecten als aardkundig waardevolle gebieden, beschermde gezichten met waardevolle waarden en meer.

Figuur 24: cultuurhistorische waarden op en rondom het plangebied Heereweg 2 te Schiermonnikoog. Bron: provinsje Fryslân Cultuurhistorische kaart. In de directe omgeving zijn vanuit de cultuurhistorie van belang: a) onderhavig initiatief heeft hier geen invloed op. b) de boerderij zelf blijft onaangeroerd. c) de locatie is destijds al ingericht ten behoeve van een agrarisch bedrijf en verblijfsrecreatie. Verdere afbreuk van het gebied zal onderhavig initiatief dan ook niet met zich mee brengen, daar waar het gaat om vervangende nieuwbouw. Conclusie Met het initiatief is op een verantwoorde wijze rekening gehouden met de archeologische- en cultuurhistorische waarden. Er is geen sprake van verstoorde waardevolle grond en de bestaande structuren blijven in stand. Archeologie en Cultureel erfgoed leveren dan ook geen belemmering op voor de uitvoering van onderhavig initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing

29

4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de woon- en leefomgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit).

Figuur 25: illustratie van overstromingsgebied. Bron: Overstroomik.nl Een extern risico dat van invloed is op het plangebied, is een eventuele overstroming. Een door het overstroomik.nl geadviseerd noodpakket is dan ook aanwezig en het landelijk advies zal worden gevolgd bij een eventuele overstroming. Van andere externe - en leefomgeving is bij onderhavig plangebied geen sprake. Zie hiervoor figuur 26 op de volgende pagina.

Ruimtelijke onderbouwing

30

Figuur 26: risicokaart waarin de paarse cirkel het plangebied betreft. Bron: Risicokaart.nl Conclusie Het plangebied ligt binnen de invloeds-contour van het overstromingsgebied. Het landelijk geen sprake. Zodoende levert externe veiligheid geen significante beperkingen op voor de uitvoering van dit initiatief.

Ruimtelijke onderbouwing

31

4.6 Water De watertoets procedure is een vast onderdeel en is het instrument dat zorgt dat de waterbelangen in de planvorming voldoende aandacht krijgen. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

Figuur 27: het tracé van de schouwwatergang. Bron: Wetterskip Fryslân leggerkaart. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. De watertoets is bij het waterschap kenbaar gemaakt via de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap heeft op het plan gereageerd met een wateradvies3. In het wateradvies wordt aandacht gevraagd voor het feit dat er eventueel verharding aan het landelijk gebied wordt toegevoegd. Bij onderhavig initiatief in het landelijk gebied zal de verharding niet toenemen. Er is alleen sprake van een toename van verharding als de grond meer dan 5 jaar braak ligt zoals in de van de watertoets staat. Dit is echter niet het geval. Het initiatief betreft namelijk vervangende nieuwbouw daar waar het bestaande complex nog gesloopt moet worden. Daarnaast is bij een toename van verharding met minder dan 1.500 m² in het landelijk gebied geen vergunning en/of compensatie verplicht.

3

Wateradvies d.d. 7 april 2021 dossiercode 20210507-2-26396

Ruimtelijke onderbouwing

32

Paragraaf Toename verharding van de watertoets Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen, dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd .

Figuur 28: schema watercompensatieregels. Bron: Wetterskip Fryslân. Conclusie Het aspect water vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig initiatief. De watertoets is toegevoegd als bijlage 5: watertoets

Ruimtelijke onderbouwing

33

4.7 Verkeer en parkeren Verkeersveiligheid Het aantal bedden zal in de nieuwe situatie in aantallen afnemen (van huidig 20 logiesplaatsen naar in de nieuwe situatie 13 logiesplaatsen). Naar verwachting zal de verkeersintensiteit hierdoor gelijk blijven al dan niet afnemen. Het initiatief vormt zodoende geen belemmering voor de verkeersveiligheid van de 60-km weg Heereweg. De ontsluiting van en naar de Heereweg blijft tevens ongewijzigd. Zodoende is er verkeerstechnisch geen negatief effect op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Parkeren Schiermonnikoog is een autoluw eiland. Dit houdt in dat men normaliter geen eigen auto of ander gemotoriseerd vervoersmiddel (uitzondering elektrische fiets) mag meenemen. Alleen in speciale gevallen kan een uitzondering worden gemaakt om een eigen auto mee te nemen (zoals bijvoorbeeld in het geval van een persoon met handicap). Toeristen van buitenaf zullen zodoende veelal met de fiets of het openbaar vervoer komen (buslijnen 1, 2, 3 en 4). Er zijn twee bushaltes gesitueerd pal tegenover het plangebied. Vastgesteld kan worden dat op eigen terrein in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien en dat van parkeerproblemen geen sprake zal zijn. Daarnaast is er een afname in logiesplaatsen waardoor men veronderstellen mag dat de verkeerskundige inpassing niet van toepassing is.

Figuur 29: bushaltes in het paars omcirkeld. Bron: Google Maps.

Ruimtelijke onderbouwing

34

4.8 MER - beoordeling Kader De bij elk ruimtelijk plan uit te voeren m.e.r.-verantwoording houdt in dat nagegaan moet worden of er activiteiten plaatsvinden die negatieve effecten op het milieu kunnen hebben en die van een zodanige omvang kunnen zijn dat er aanleiding bestaat om de (uitgebreide) m.e.r.-procedure te doorlopen. De grondslag hiervoor is vastgelegd in het Besluit m.e.r. (Besluit milieueffectrapportage). De drempelwaarden waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: A. Belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; B. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r. Afweging randvoorw de omgeving en het milieu. Ook hebben het plangebied en de omgeving geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het initiatief. Daarnaast valt het initatief niet in de Dlijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Conclusie Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een (vorm)vrije m.e.r.beoordeling.

Ruimtelijke onderbouwing

35

Hoofdstuk 5 - Uitvoerbaarheid van het plan Wettelijk bestaat er de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidsaspecten van een plan. In dat verband wordt er een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijkeen de economische uitvoerbaarheid.

5.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De initiatiefnemer heeft ten aanzien van dit initiatief een vooroverleg ingediend bij de gemeente Schiermonnikoog. De gemeente heeft aangegeven positief tegenover het initiatief te staan en medewerking te willen verlenen aan een uitgebreide Wabo-procedure. Dit betekent dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning inclusief een ruimtelijke onderbouwing door de gemeente ter inzage wordt gelegd en dat een ieder in de gelegenheid wordt gesteld een zienswijze in te dienen. De gemeente neemt vervolgens een besluit waartegen belanghebbenden beroep in kunnen stellen bij de rechtbank. Omdat het initiatief een kwalitatieve en landschappelijke verbetering is van een bestaande situatie worden er, mede gezien de zeer ruime afstand naar derden, geen bezwaren verwacht.

5.2 Economische uitvoerbaarheid Het betreft een particulier initiatief. De kosten voor het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing en dergelijke komen voor rekening van initiatiefnemer. Voor wat betreft mogelijke planschade zal de gemeente initiatiefnemer een overeenkomst doen toekomen, op grond waarvan de gemeente eventuele planschade op initiatiefnemer kan verhalen.

Ruimtelijke onderbouwing

36

Bijlagen bij de ruimtelijke onderbouwing Bijlage 1 Situatietekening (op verzoek van de gemeente Schiermonnikoog zijn de bouwtekeningen van de recreatiewoningen zelf niet als bijlage opgenomen. Het ontwerp en de overige tekeningen worden separaat bij aanvraag ingediend.) zaaknummer 2022.0008 Nummer: 2019-054-4592

Bijlage 2

Formulier historisch onderzoek locatie

Bijlage 3

Quickscan Flora en Fauna

Bijlage 4

Stikstof berekening

Bijlage 5

Watertoets

Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1 Situatietekening (op verzoek van de gemeente Schiermonnikoog zijn de bouwtekeningen van de recreatiewoningen zelf niet als bijlage opgenomen. Het ontwerp en de overige tekeningen worden separaat bij aanvraag ingediend.) zaaknummer 2022.0008 Nummer: 2019-054-4592

Bijlage 2

Formulier historisch onderzoek locatie

Bijlage 3

Quickscan Flora en Fauna

2021

Ecologische Quickscan Uitbreiding Parkeerplaats De Bremer Wildernis

Flora en fauna quickscan Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

12112-5-20214:52 Natuurzaken 2018 gina 1

Pa-

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

Flora en fauna quickscan Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

Eernewoude, mei 2021 In opdracht van: Eigenaar pand Mr. E. Visser Heereweg 2 9166 SE Schiermonnikoog Uitvoering: Successie Natuurzaken Ds. v.d. Veenweg 5A 9264 TA Earnewald Tel.: 0622600985 Email: info@successienatuurzaken.nl Contactpersoon: Dhr. Nico Minnema Auteur en veldwerk: Dhr. Jan Brandt Wiersma Tel.: 0610570211 Email: janbrandtwiersma@gmail.com Omslagfoto: Betreffende pand Heereweg 2, Schiermonnikoog

2

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

Inhoudsopgave 1. Inleiding ....................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................ 4 1.2 Doel.. .............................................................................................................................................................. 4 1.3 Gebied- en planbeschrijving ........................................................................................................................... 5 2. Onderzoeksmethodiek ................................................................................................................................. 8 3. Wet natuurbescherming ............................................................................................................................... 8 3.1 Wnb soortenbescherming .............................................................................................................................. 8 3.1.1 Vogels en wezenlijke verstoring ............................................................................................................

8 3.1.2 Vrijstelling provincie Fryslân.................................................................................................................. 9 3.2 Wnb gebiedsbescherming ............................................................................................................................ 10 3.3 Wnb houtopstanden .................................................................................................................................... 10 4. Toetsing gebiedsbescherming .................................................................................................................... 11 4.1 Natura 2000 .................................................................................................................................................... 11 4.2 Natuurnetwerk Nederland .............................................................................................................................. 11 4.3 Provinciaal beschermde gebieden .................................................................................................................. 12 5. Houtopstanden .......................................................................................................................................... 13 6.

Soortenbescherming .................................................................................................................................. 13 6.1 Amfibieën ..................................................................................................................................................... 13 6.2 Reptielen ...................................................................................................................................................... 15 6.3 Ongewervelden ............................................................................................................................................ 15 6.4 Zoogdieren ................................................................................................................................................... 15 6.5 Vissen ........................................................................................................................................................... 17 6.6 Broedvogels .................................................................................................................................................. 17 6.7 Flora.............................................................................................................................................................. 18 7.

Conclusie flora en fauna quickscan ............................................................................................................. 20 8. Literatuurlijst .............................................................................................................................................. 21

3

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

1. Inleiding 1.1

Aanleiding

De eigenaar van kampeerboerderij de Branding aan de Heereweg 2 te Schiermonnikoog is voornemens een bestaande verblijfsaccommodatie te slopen en op dezelfde locatie een nieuwe verblijfsaccommodatie te bouwen. Ruimtelijke plannen dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. In het kader van de vergunningsaanvraag is Successie Natuurzaken gevraagd een ecologische beoordeling uit te voeren om duidelijkheid te verschaffen of de geplande werkzaamheden al dan niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. De toetsing bestaat uit een onderzoek gebaseerd op het onderdeel soortbescherming. Hierbij ligt de focus op beschermde flora en fauna waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat deze voor kunnen komen in het plangebied. Aangaande aanwezige beschermde soorten wordt verder ingegaan op mogelijk negatieve effecten van de werkzaamheden op deze soorten. Tevens wordt er inschatting gemaakt van de eventuele effecten van de voorgenomen werkzaamheden op beschermde natuurgebieden (waaronder Natura-2000 en EHS/NNN-gebieden) in de omgeving en houtopstanden. De voorliggende rapportage weergeeft de resultaten en het advies op basis van het uitgevoerde onderzoek.

1.2

Doel

Het doel van deze ecologische beoordeling is inzicht verschaffen van de mate waarin het planvoornemen van invloed is op de natuurwaarden van het plangebied en Deze kennis is de basis voor de aanbeveling over eventueel te nemen vervolgstappen om overtredingen onder de Wet natuurbescherming te voorkomen. De ecologisch toetsing schept, voor zover mogelijk, duidelijkheid over de volgende vraagstellingen: 1. Komen er binnen invloedsfeer van de ruimtelijke ontwikkeling, onder de Wet natuurbescherming, beschermde soorten voor? 2. Bevinden zich binnen de invloedssfeer van de ruimtelijke ontwikkeling beschermde natuurgebieden? 3. Wat zijn de mogelijke effecten, zowel tijdens als na realisatie van het plan, op de eventueel aanwezige beschermde soorten en -natuurgebieden? 4. Middels welke vervolgstappen kunnen bij de realisatie van het plan eventuele overtredingen onder de Wet natuurbescherming vermeden, dan wel verzacht worden? Indien van toepassing worden aanbevelingen gedaan voor mitigatie en, indien noodzakelijk, aanvullend onderzoek. Voor het eventuele aanvullende inventarisatieonderzoek werkt Successie Natuurzaken volgens de daar voor lenende protocollen die door Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn opgesteld en/of volgens de kennisdocumenten van Bij12.

Wanneer negatieve effecten op beschermde soorten en/of -gebieden te verwachten zijn is ontheffing en compensatie mogelijk vereist 4

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

1.3

Gebied- en planbeschrijving

Het plangebied (figuur 1, weergave 1 en 2) ligt buiten de bebouwde kom van Schiermonnikoog en betreft een verblijfsaccommodatie welke onderdeel is van kampeerboerderij de Branding. Het plangebied wordt omgeven door bebouwing in de vorm van een stal en andere verblijfsaccommodaties (figuur 1, weergave 3) inclusief een veld met tenten. Rondom het plangebied staan enkele elzen (figuur 1, weergave 4) en liggen relatief smalle watergangen. Verder wordt de omgeving van het plangebied gekenmerkt door typische agrarische landbouwpercelen (figuur 1, weergave 5) met ten tijde van het veldbezoek hoge dichtheden weidevogels en grote groepen brandganzen. In de huidige situatie is het pand aan vernieuwing toe. Ten tijde van het bezoek is de verblijfsaccommodatie verhuurd. Het dak is gelegd met metalen dakplaten. De gevels bestaan uit houten betimmering en betonelementen. De dakgoten doen enigszins vervallen aan. Het pand heeft een afmeting van circa 13 lang, 8 meter breed en 3-3,5 meter hoog. Het huidige planvoornemen bestaat uit de sloop van het pand en de nieuwbouw van een nieuwe accommodatie. Bij de nieuwbouw gaat het om ongeveer dezelfde oppervlakte maten. Echter bedraagt de hoogte in de nieuwe situatie circa 8 meter. De gevel wordt bekleed met red cedar hout en het dak wordt belegt met keramische dakpannen.

5

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

6

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

Figuur 1. Weergave 1: kaart plangebied t.o.v. omgeving. Weergave 2: betreffende verblijfsaccommodatie. Weergave 3: impressie bebouwing direct rondom plangebied. Weergave 4: impressie elzen en struweel rondom plangebied. Weergave 5: impressie agrarisch landschap ten zuiden van het plangebied.

7

Toetsing Wet natuurbescherming voor de sloop en nieuwbouw van een verblijfsaccommodatie Heereweg 2, Schiermonnikoog

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Schiermonnikoog&id=d1035ada-edbe-4a5c-885a-d5e2686b7f6e