Bijl.1- Regioplan bestuursakkoord regiopakket PAWOZ Eemshaven
Tekst van het document
Waar in deze notitie wordt gesproken over mitigerende en compenserende maatregelen is dat gericht op autonome ontwikkelingen qua verzilting en dus niet gericht op wettelijk vereiste maatregelen vanwege de aanleg van de hoogspanningskabels. 2.
Verzilting als gebieds- en bedrijfsvraagstuk
Verzilting is geen uniform probleem. De mate waarin zout invloed heeft op de landbouw verschilt per polder, perceel en bedrijf. Het bodemtype, de bodemopbouw, de bodemgezondheid, de diepte van het zoet-zout grensvlak, ontwatering, peilbeheer en teeltkeuze bepalen gezamenlijk de kwetsbaarheid. In de PAWOZ-context komt daar een extra onzekerheid bij: mogelijke lokale verstoring van afdichtende lagen langs kabeltracés kan leiden tot plaatsgebonden hotspots van zoute kwel. Met deze notitie beoogt de Stichting Kenniscluster voor Verziltingsvraagstukken in Delta’s (SALTA) op een beknopte wijze op een rij te zetten welke maatregelen kunnen worden getroffen om mogelijke schade door verzilting of een tekort aan zoetwater te voorkomen of eventueel te mitigeren. 3.
Lacunes in kennis vergen zorgvuldige aanpak
Omtrent de zouttolerantie van de gangbare en nieuwe rassen en gewassen in de Nederlandse land- en tuinbouw is nog weinig bekend. Dat geldt ook voor zout in het waterbeheer. De interactie tussen zout in de bodem en de opbrengst resp. kwaliteit van gewassen vergt nog veel wetenschappelijk en praktijkgericht onderzoek. SALTA werkt met haar partners aan het verkrijgen van inzicht om daarmee het handelingsperspectief beter te kunnen onderbouwen. Het is belangrijk om de voorgestelde maatregelen tegen deze achtergrond te beschouwen en te blijven investeren in kennisontwikkeling, zodat uiteindelijk een betere onderbouwing van de betreffende maatregelen kan worden geboden.
4.
Mogelijke maatregelen per thema
Diverse eerdere onderzoeken naar de effecten van verzilting latenlaten o.a. zien dat met name de ondergrond (dieper dan 1 m) aanzienlijk variabel kan zijn, wat het lastiger maakt om de exacte risico’s goed in te kunnen schatten. Aanvullend dient per locatie aandacht te zijn voor het bodemtype, de gevoeligheid van specifieke teelten en/of natuur, aangezien deze combinatie doorslaggevend is voor het type maatregel. Ook moet er gekeken worden naar specifieke maatregelen die preventief, mitigerend of compenserend (adaptief) zijn. Deze maatregelen gelden tijdens het ontwerp maar ook de uitvoering, en dienen ook te voorzien in herstel- en noodmaatregelen. 4.1 Monitoring en adaptief beheer Het is aan te raden om sowieso een monitorings- en sturingskader toe te voegen: • • • •
Meetnet: peilbuizen en oppervlaktewaterlocaties Indicatoren: minimaal grondwaterstand en chloride/EC in relevante lagen en sloten. Drempelwaarden: niveaus waarbij automatisch mitigerende maatregelen worden geactiveerd (extra doorspoeling, beperking bemalingsdebiet). Nazorg: monitoring voortzetten tot trend stabiliseert en is aangetoond dat de verzilting niet structureel is toegenomen.
4.2 Waterbeheer en hydrologie Waterbeheer vormt de kern van de verziltingsaanpak. Het bepaalt de opwaartse druk van zout grondwater, de beschikbaarheid van zoet water en de verspreiding van zout via het oppervlaktewatersysteem. Naast peilbeheer en buffering is ook de inrichting van het oppervlaktewatersysteem cruciaal. Door het toekomstig beheer nog meer te richten op het slim scheiden van zoet en zout/brak oppervlaktewater op polderniveau, kan worden voorkomen dat het zoute water zich mengt met zoetwater in sloten en kanalen, op plekken waar de beschikbaarheid over zoetwater cruciaal is voor de irrigatie van bepaalde landbouwgewassen, zoals uien en vollegrondsgroenten. Daarnaast zullen ontwerp- en lokale tracékeuzes ook preventief kunnen werken. Maatregelen: •
• • •
• •
•
Preventief: maak gebruik van ontwerp dat rekening houdt met minimale diepteligging, beperking lengte opensleuven. Werkzaamheden inplannen in droge periodes en einde groeiseizoen kan ook onttrekking beperken. Maak zoveel mogelijk gebruik van neerslagoverschot (buiten teeltseizoen) om de zoetwaterlens te vergroten/herstellen. Lokale kwel reducerende maatregelen. Dit kunnen bijvoorbeeld kwelschermen of diepdrains zijn. Hoe minder wateronttrekking, hoe kleiner het verziltingsrisico. Hanteer maximaal toelaatbare bemalingsdebieten en -duur per segment, met alternatief uitvoeringsscenario bij overschrijding. Slimme inlaat- en doorspoelstrategieën. Hierbij is het van belang dat er voldoende zoetwater beschikbaar is, ook vanuit het hoofdwatersysteem. Doorspoelen van kwetsbare watergangen met zoet water bij gemeten verhoging chloride/EC, inclusief vooral beschreven triggerwaarden. Peilbeheer op maat: instellen van hogere zomerpeilen Zoetwaterbuffers (boven- en ondergronds). Dit kunnen bovengrondse bassins en silo’s zijn. Daarnaast biedt het Noordelijk kustgebied de potentie om water ondergronds op te slaan in zogenaamde aquifers. De heterogene bodemopbouw vergt maatwerk. Bevorderen hergebruik van lokale bronnen van zoetwater.
Zoetwater afkomstig van verwerkende industrie, rioolwaterzuiveringsinstallaties, of industrieterreinen kan (eventueel na extra zuivering) geschikt zijn voor gebruik in de land- en tuinbouw.
•
•
•
• •
Scheiden van zoet en zout/brak oppervlaktewater (compartimentering, ‘zoete’ stuwen, gemalen), brak/zout water gecontroleerd afvoeren naar een geschikt afvoerpunt i.p.v. lozen in kwetsbare sloten/gebieden. Regelbare en anti-verziltingsdrainage. Met gecontroleerde drainagesystemen is het mogelijk zoetwater vast te houden zodat minder last van droogte wordt ervaren. In tijden van overtollige neerslag kan het systeem ingezet worden op afvoer. Diverse drainagesystemen kunnen de impact van zoute kwel tegengaan, zodat de bovengrond zoet blijft. Buisdrainage kan eventueel ook dienen voor de infiltratie van zoetwater in landbouwpercelen (subirrigatie). Introductie van technieken voor zuinige irrigatie (precisie-irrigatie). Met efficiënte vormen van irrigatie zoals druppelirrigatie/fertigatie kan met een lagere opslagcapaciteit een groter areaal van zoetwater worden voorzien. Mogelijke ophoping van zouten in de bovengrond gedurende droge warme zomers vormt een aandachtspunt. Zuiveren van water dat direct kan worden gebruikt voor irrigatie of na opslag resp. infiltratie in de ondergrond. Vaststellen concrete grenswaarden (bodem en water) die bepalen wanneer extra maatregelen ingaan.
4.3 Bodem- en teeltmaatregelen De weerbaarheid van bodem en teelt bepaalt in hoge mate hoe sterk verzilting doorwerkt in opbrengst en risico’s. Gezonde bodems met een goede structuur, een goed microbioom en voldoende organische stof kunnen beter omgaan met zoutstress en wisselende vochtcondities. Maatregelen: • • • • • • •
•
Verhoging organische stof en verbetering bodemstructuur Toepassing biostimulanten en Calcium-houdende producten Beperken diepe grondbewerkingen in risicogebieden Inzet zouttolerantere rassen en gewassen Aanpassing bouwplan Afstemming teelt op zoetwaterbeschikbaarheid Intensiveren frequentie bodemanalyses als basis voor adequate bemestingsstrategieën. Verzilting varieert in ruimte en tijd. Daarom is niet alleen de frequentie van belang (zomer, winter) van belang, maar ook de diepte van de bemonstering. Een representatief beeld van verzilting kan alleen ontstaan als de bodem in meerdere lagen (0-30, 30-60, 60-90, dieper dan drain) wordt bemonsterd en geanalyseerd. Ruimtelijke differentiatie: maak onderscheid in kwetsbare percelen/natuur vs. minder kwetsbare zones.
4.4 Technische en innovatieve oplossingen Techniek en innovatie maken het mogelijk om verzilting vroegtijdig te signaleren en gericht bij te sturen. Maatregelen: •
• •
Gedegen voorbereiding, verzamelen bedrijfsspecifieke data en professioneel advies voorafgaand het treffen van maatregelen. Alleen op basis van de genoemde informatie kan worden beoordeeld worden welke maatregelen het meest doeltreffend zijn op de betreffende locatie Monitoring van diverse zoutkengetallen, zoals de ECe op diverse dieptes in de bodem, EC van het grondwater en oppervlaktewater Nulmetingen om de referentiewaarde en daarmee uiteindelijk trends te kunnen bepalen
• • •
Precisie-irrigatie met zoetwater Digitale beslissingsondersteuning, waarbij de betrouwbaarheid van sensoren een aandachtspunt vormt. Pilots met kleinschalige waterbehandeling of ontzilting
4.5 Compenserende en gebiedsmaatregelen Compenserende maatregelen die, afhankelijk van de uitkomsten van de onderzoeken, worden toegepast: • • • 5.
Voor landbouw: ondersteuning of maatregelen voor alternatieve teelt, zoetwateropslag of druppelirrigatie bij aangetoonde schade. Voor natuur: herstel- of inrichtingsmaatregelen (bijvoorbeeld aanplant zouttolerante soorten waar functiewijziging acceptabel is, elders juist extra zoetwaterbescherming). Voor zoetwatervoorraad: eventuele aanpassing inname- of infiltratiebeheer. Ruimtelijke en gebiedsgerichte benadering
Op langere termijn vraagt verzilting om keuzes op gebiedsniveau, waarin landbouw, waterbeheer en infrastructuur integraal worden beschouwd. Maatregelen: • • • • • •
6.
Praktijkgericht onderzoek en demonstratie alternatieve teeltsystemen en innovatieve technieken in het beheer van water, zowel op bedrijfs- en polderniveau. Herinrichting zoetwater-aanvoersysteem, waarbij nadrukkelijker wordt gekeken naar het scheiden van zoet- en zout water. Bescherming van zoete kerngebieden Sluiten van lokale waterkringlopen, waarbij hergebruik van waterstromen wordt bevorderd Veerkrachtige herinrichting van polders Koppeling met natuurontwikkeling, waterberging en klimaatadaptatie.
Lessen uit eerdere anti-verziltingsprojecten
Projecten in Zeeland (GO-FRESH), Noord-Nederland (Spaarwater) en op Texel laten zien dat buffering, drainage en ondergrondse opslag kunnen bijdragen aan behoud van zoetwaterlenzen en vermindering van zoutbelasting, mits goed gemonitord en beheerd. 7.
Rol van SALTA
Het netwerk van SALTA omvat 60 publieke en private partijen. Daarmee clustert de organisatie kennis binnen Nederland; niet alleen van gerenommeerde kennisinstellingen, maar ook bedrijfsleven en sectororganisaties. SALTA ondersteunt boeren en gebiedspartijen bij het in kaart brengen van verzilting, monitoring, interpretatie van meetgegevens en vertaling naar bedrijfs- en gebiedsmaatregelen. De organisatie richt zich op het handelingsperspectief voor de gebruiker, zowel boeren- en tuinders, waterbeheerders als de natuurorganisaties. SALTA bevordert de uitwisseling van kennis rond verzilting en zoetwateropgaven met experts uit binnen- en buitenland. Waar kennis onvoldoende is initieert SALTA praktijkgericht onderzoek of projecten. Zo was SALTA nauw betrokken bij de opstelling van de Kennisagenda Verzilting en Zoute Landbouw (WUR-PPO, in opdracht van het Ministerie van LVVN, 2024). In verschillende provincies werkt SALTA met Praktijkcoaches die in de eerste lijn actief zijn, maar deze krijgen steun van het operationele team van SALTA en experts van aangesloten partijen.
8.
Conclusie
In de Noordelijke kustregio is sprake van verzilting en de beschikbaarheid van zoet water neemt af, dit levert risico’s op voor verschillende functies in het gebied. Een integrale aanpak met preventie, monitoring en adaptief beheer is noodzakelijk om deze risico’s te beheersen en de landbouw en natuur toekomstbestendig te houden.