Beleidskader sociaal domein regio Noordoost-Friesland 2023
Tekst van het document
Beleidskader Sociaal Domein 2023 Regio Noordoost-Friesland
Inhoud
Inhoud
Inhoud
Inhoud Blok 1: Inleiding................................................................................................................................................................................................ 5 Waarom dit visiedocument ................................................................................................................................................................................................ 5 Beeld van de regio................................................................................................................................................................................................................... 6 Uitleg veel voorkomende begrippen .............................................................................................................................................................................. 7 Blok 2: Terugblik .............................................................................................................................................................................................. 9 Speerpunt 1: Alle inwoners staan centraal .................................................................................................................................................................
9 Speerpunt 2: Iedereen kan meedoen ......................................................................................................................................................................... 10 Speerpunt 3: Preventie aan de voorkant en dichter bij de burger ............................................................................................................... 10 Speerpunt 4: Eigen kracht is de basis......................................................................................................................................................................... 11 Speerpunt 5: We zorgen voor mensen in kwetsbare situaties ....................................................................................................................... 12 Speerpunt 6: Integrale benadering: één gezin/cliënt, één aanpak, één regisseur en (waar mogelijk) één budget
12
Speerpunt 7: Gemeente voert regie en stuurt op resultaten ........................................................................................................................... 13 Conclusie over de speerpunten ..................................................................................................................................................................................... 14 Maatschappelijke opgaven 2023 .................................................................................................................................................................................. 14
Blok 3: Aangescherpte visie ...................................................................................................................................................................... 18 Ambitie ...................................................................................................................................................................................................................................... 18 Dezelfde uitgangspunten en drie speerpunten ..................................................................................................................................................... 19 Hoe gaan we dit bereiken?............................................................................................................................................................................................... 19 Nawoord ................................................................................................................................................................................................................................... 21
3
Inleiding
Inleiding
Inleiding
Blok 1: Inleiding Waarom dit visiedocument In 2015 heeft de decentralisatie plaatsgevonden van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Jeugdwet en de Participatiewet. Met de decentralisatie zijn extra wettelijke taken onder de verantwoordelijk gekomen van de gemeenten. Dit zijn onder andere de transitie van de jeugdzorg, de begeleiding van mensen met een (arbeids)beperking en de verantwoordelijkheid van beschermd wonen. Deze taken komen naast al bestaande taken binnen de Wmo en bijstandsverlening (voormalige Wet werk en bijstand). Dit betekent dat de gemeente onder andere de plicht heeft om kinderen, gezinnen, jongeren, volwassenen en ouderen die zich niet zelf of met hulp van hun netwerk kunnen redden, ondersteuningte bieden. Deze ondersteuning bestaat onder andere uit gezinsbegeleiding en jeugdhulp, begeleiding, dagbesteding en het bieden van mantelzorgondersteuning. In 2014 zijn de gemeenten binnen de Regio Noordoost-Friesland1 gezamenlijk gestart met de voorbereidingen op deze decentralisatie. Hiervoor is het beleidskader “samen leven, zorg voor elkaar” geschreven met daarin een visie, ambities en doelstellingen voor het sociaal domein. Het sociaal domein omvat de ondersteuning vanuit deze drie wetten, maar ook het welzijnswerk, het gezondheidsbeleid, vrijwilligerswerk, armoedebestrijding en dergelijke.
Zie hieronder een afbeelding met een schets van het sociaal domein.
EEN SAMENLEVING MAAK JE SAMEN
SOCIAAL DOMEIN
SAMENWERKINGSPARTNERS
De gemeente is verantwoordelijk voor veel hulp en ondersteuning van haarinwoners.
We werken intensief samen met maatschappelijke organisaties, onderwijs, jeugdgezondheidszorg, kinderbescherming, huisartsen, zorgaanbieders, mantelzorgers en vrijwilligers en andere overheden.
Zowel preventie en lichte hulp, als zware ondersteuning voor jeugd en volwassenen. Dit noemen wij het sociaal domein. Hieronder vallen verschillende wetten:
JEUGD WET
WMO
1
Positieve gezondheid draagt bij aan gezond zijn en gezond blijven.
ONZE ZORGSTRUCTUUR Onze zorgstructuur is erop ingericht dat organisaties samenwerken en dat gezinnen zo veel mogelijk dezelfde hulpverleners over de vloer krijgen.
DE INWONER STAAT
CENTRAAL
Het stimuleert: verantwoordelijkheid burgerkracht samenwerking sociaal netwerk
BASISVOORZIENINGEN
PARTICIPATI E WET WET PUBLIEKE GEZONDHEID
POSITIEVE GEZONDHEID
Lukt het inwoners even niet om mee te doen? Dan bieden we tijdelijke lichte ondersteuning, onder meer door: WET GEMEENTELIJKE SCHULDHULPVERLENING (WGS)
• jeugdgezondheidszorg • mantelzorg • vrijwilligerswerk • zorg in onderwijs • maatschappelijk werk
• sociaal werk (o.a. jongeren- en ouderenwerk) • leefstijl- en opvoedcoaches • maaltijdvoorzieningen • naschoolse en beweegactiviteiten
Bestaande uit de gemeenten Noardeast-Fryslân, Dantumadiel, Ameland en Schiermonnikoog.
GEZONDHEID
OPGROEIEN
ONDERWIJS
VEILIGHEID
FINANCIËN WONEN & WERK
5
Inleiding
We zijn inmiddels zeven jaar verder en het is tijd om onze visie op het sociaal domein te heroverwegen. We kijken hiervoor eerst terug. “Wat is er bereikt op de gestelde doelen?”, “Welke lessen hebben we geleerd?” en “Wat betekent dit voor onze richting voor de komende jaren”. Het is belangrijk om te vermelden dat dit beleidskader wederom gezamenlijk met de gemeenten in de Regio Noordoost-Friesland is opgesteld. De ervaringen en resultaten komen voor deze gemeenten grotendeels overeen, maar kennen op onderdelen ook verschillen. Met name tussen de gemeenten van het vasteland en de eilanden. Daar waar dit aan de orde is, wordt dit in dit beleidskader beschreven. Hieronder is eerst een beschrijving van de Regio Noordoost-Friesland opgenomen en schetsen we een beeld van de inwoners en de algemene ambities.
Beeld van deregio Noardeast-Fryslâ n, Dantumadiel, Ameland en Schiermonnikoog zijn gemeenten in het Noordoosten van de provincie Friesland. De inwoners van deze regio zijn nuchter, ondernemend en actief in het verenigingsleven. De gemeenschapszin (‘Mienskip’) is volop in beweging en elkaar een handje helpen als dit nodig is, is heel gewoon. Friezen staan bovenaan de lijst van gelukkigste mensen van Nederland en ervaren hun gezondheid als positief, ondanks de cijfers zoals relatief lage sociaaleconomische status (SES), lager opleidingsniveau en hoge vergrijzing. Deze factoren lijken normaliter te drukken op het gevoel van geluk, maar het gemeenschapsgevoel (‘Mienskip’) is hoger dan in de rest van Nederland. Ook is Friesland de minst bebouwde provincie van Nederland en is er dus meer groen. Dit draagt volgens het Fries Sociaal Planbureau positief bij aan het geluksgevoel, het ‘welzijn’ van de Friezen. Dit geeft een positief beeld van de inwoners in onze regio, maar net als vele andere gemeenten staat de Regio NoordoostFriesland voor grote uitdagingen. De vergrijzing neemt toe en tegelijkertijd is de verwachting dat steeds meer jongeren wegtrekken uit de regio. Hierdoor zal de druk op de zorg verder toenemen. De regio wil een vitale en gezonde samenleving zijn, waarin alle inwoners mee kunnen doen.
Vitaal, gezond, ondernemend, aantrekkelijk en duurzaam zijn enkele kern- woorden die belangrijk zijn. De inwoner staat centraal en wordt gestimuleerd om een actieve levensstijl te hebben of te houden, zowel fysiek als sociaal.
6
Inleiding
Uitleg veel voorkomende begrippen Binnen het beleidsveld van het sociaal domein worden veel begrippen gebruikt. Hieronder is een uitleg gegeven op de begrippen die in deze notitie naar voren komen. Het sociaal domein Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Participatiewet. Samen met de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) en de Wet publieke gezondheid (Wpg) vormen deze wetten de basis van het sociaal domein. Wanneer we het hebben over het sociaal domein dan gaat het over alles wat gemeenten doen op het gebied van werk, participatie, zelfredzaamheid, zorg en jeugd. Het sociaal domein gaat daarom niet alleen over zaken zoals hulp in het huishouden, dagbesteding en jeugdhulp, maar ook over een groot aantal (aanverwante) taken. Bijvoorbeeld de handhaving van de leerplicht, het voorkomen van vroegtijdig schoolverlaten, leerlingenvervoer, schuldhulpverlening, reguliere, bijzondere bijstand en het inzetten van voorliggende voorzieningen. Integraal Een woord dat veel gebruikt wordt binnen het sociaal domein is ‘integraal’. Hiermee bedoelen we samenhangend beleid of een samenhangende aanpak. Niet vanuit één wet of één leefgebied, maar alle van toepassing zijnde wetten of leefgebieden.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de ondersteuning van inwoners wanneer zij dit (tijdelijk) niet zelfstandig kunnen. Het komt vaak voor dat inwoners ondersteuning nodig hebben op verschillende gebieden en dat er raakvlakken zijn tussen verschillende wetten. Een goed voorbeeld zijn jongeren die naar werk begeleid worden, waarbij een samenwerking tussen de Jeugdwet en Participatiewet noodzakelijk is. Het liefst zouden gemeenten integraal werken waarin de hokjes van de verschillende wetten los worden gelaten en er voor elke inwoner een passend, samenhangend aanbod gerealiseerd kan worden.
Maatwerk en maatwerkvoorzieningen Binnen het sociaal domein wordt er vaak gesproken over maatwerk en maatwerkvoorzieningen. Dit zijn verschillende dingen en het is belangrijk om het verschil hiertussen te weten. Onder maatwerk verstaan we de mate waarin de ondersteuning die een inwoner krijgt, past bij de behoefte. De vraag van de inwoner staat centraal en er wordt individueel gekeken welke oplossing passend is. Een maatwerkvoorziening is een professionele voorziening waarvoor een indicatie (verwijzing) vanuit de gemeente noodzakelijk is, eigenlijk het ‘palet’ van producten (huishoudelijke hulp, dagbesteding, etc.). Gemeenten kunnen maatwerk bieden zonder gelijk een maatwerkvoorziening in te zetten. Een inwoner die zich eenzaam voelt en behoefte heeft aan sociaal contact kan misschien prima terecht in het lokale dorpshuis waar diverse activiteiten worden aangeboden, in plaats van bij professionele dagbesteding. Zo is er wel sprake van maatwerk, maar is het geen maatwerkvoorziening. Algemene voorzieningen Binnen de gemeente zijn er veel voorzieniningen waar inwoners gebruik van kunnen maken. Algemene voorzieningen zijn voor alle inwoners vrij toegankelijk (al dan niet inclusief een eigen bijdrage) en er is geen indicatie (verwijzing) van de gemeente of andere organisatie nodig.
Dit kunnen door de gemeente gefinancierde voorzieningen zijn, zoals welzijnsactivi- teiten, dorpshuisfunctie met dagbestedings- en sociale activiteiten, sportvoorziening, peuteropvang met voorschoolse educatie en de bibliotheek, maar ook vrijwilligers(organisaties), maaltijdservice, klussendienst, of bijvoorbeeld zorg/hulp van een praktijkondersteuner bij de huisarts, bewegen via een buurtsportcoach, of hulp van een maatschappelijk werker. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op geïndiceerde individuele c.q. maatwerk voorzieningen (Wmo, Jeugdwet, Participatiewet) en hebben een preventieve werking: het voorkomt deels instroom tot maatwerkvoorzieningen. Nulde, eerste en tweede lijn Soms wordt er binnen het sociaal domein gesproken van de nulde, eerste en tweede lijnszorg. De nulde lijn is de basis, ook wel de ‘eigen kracht’ van inwoners. Het voorkomen van zorg (preventie) is een belangrijk kenmerk van de nulde lijn. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om dorpshuisfuncties die lokaal een belangrijke sociale functie vervullen. De eerste lijn gaat over laag- drempelige ondersteuning. Deze ondersteuning is voor iedereen toegankelijk en is professioneel, soms ondersteund door vrijwilligers, georganiseerd, zoals bijvoorbeeld welzijnswerk, huisartsen, fysiotherapeuten, tandartsen en kinderopvang. De tweede lijn is professionele ondersteuning, vaak in de vorm van een individuele c.q.
maatwerkvoorziening. Er is dan een indicatie (verwijzing) van de gemeente nodig om toegang te krijgen tot deze vorm van ondersteuning. Na deze inleiding (Blok 1) wordt in Blok 2 een korte, globale terugblik en evaluatie, inclusief conclusies, van de in 2014/2015 benoemde uitgangspunten en speerpunten gegeven. Tevens worden in dit blok de huidige maatschappelijke opgaven benoemd. In Blok 3 van deze notitie wordt op basis van de evaluatie en conclusies zoals opgenomen in Blok 2 de aange- scherpte visie Sociaal Domein kort beschreven.
7
Terugblik
Terugblik
Terugblik
Blok 2: Terugblik Het beleidskader “samen leven, zorg voor elkaar- 2014” is gebaseerd op de visie van de Regio Noordoost-Friesland en de vier richtinggevende uitgangspunten die de regio daarbij hanteert. Deze uitgangspunten zijn: 1. Ontzorgen, ondersteunen en versterken eigen kracht 2. Ondersteuning in de buurt 3. Eeń huishouden, ee ́ ń plan en ee ́ ń regisseur 4. Gebiedsgerichte sturing Vervolgens zijn er zeven speerpunten (zie het kader hieronder) geformuleerd om aan deze uitgangspunten te werken. Per speerpunt wordt hieronder globaal toegelicht wat op dit speerpunt is bereikt en wat niet en welke lessen we uit de afgelopen periode kunnen trekken. De lessen komen voort uit een interne, globale evaluatie van de speerpunten en de ervaringen uit de praktijk (zowel uit de interne organisatie en van externe partners als uit de cliëntervaringsonderzoeken). Van elk speerpunt wordt op basis van een stoplichtbalk inzichtelijk gemaakt wat de stand van zaken is op dit speerpunt. Hierbij staat rood voor onvoldoende resultaten bereikt, groen voor voldoende resultaten bereikt en lichtgroen/oranje staat voor wel op de goede weg, maar we zijn er nog niet.
De 7 speerpunten 1. Alle inwoners staan centraal. 2. Iedereen kan meedoen. 3. Preventie aan de voorkant en dichtbij de burger. 4. Eigen kracht is de basis. 5. We zorgen voor mensen in kwetsbare situaties. 6. Integrale benadering: één gezin/cliënt, één aanpak, één regisseur en (waar mogelijk), één budget. 7. Gemeente voert regie en stuurt op resultaten.
Speerpunt 1: Alle inwoners staan centraal De vraag van de inwoner staat centraal. De vragen van inwoners hebben vaak betrekking op verschillende aspecten van het leven, waardoor de hulpvraag door de verschillende wetten (Wmo, Participatiewet en de Jeugdwet) heen kan lopen. Bij de intake van inwoners is zo veel mogelijk integraal gewerkt, om dwars door de wetten heen tot een zo compleet mogelijk onder- steuningsplan te komen. Hierbij gaat het niet alleen om maatwerkvoorzieningen, maar ook om de samenwerking met de partners in het voorliggend veld. In het gebiedsteam (op Schiermonnikoog ‘Team Zorg en Welzijn’ genoemd), is nadrukkelijk de verbinding en samenwerking gezocht met andere professionals, waaronder scholen, thuiszorg, huisartsen, GGD, jobcoaches, schuldhulpverlening, etc. Deze professionals hebben niet alleen een signalerende functie, maar spelen ook een belangrijke rol in het lokaal en laagdrempelig organiseren van de ondersteuning. Inmiddels zijn er zowel voorliggend als in maatwerk voldoende producten/voorzieningen om inwoners met een hulpvraag te ondersteunen. De vraag van de inwoner over de veschillende leefgebieden is hierbij de basis voor het ondersteuningsplan. In het verlengde hiervan zijn zo veel mogelijk oplos- singen gezocht binnen het eigen sociale netwerk en waar nodig is hulp vanuit de eerste en tweede lijn georganiseerd.
Lessen Een verbeterpunt is het reduceren van de bureaucratie die de aandacht voor de vraag van de inwoner enigszins afleidt. Het is wenselijk de tijd van het aanvragen tot het beschikbaar stellen van ondersteuning te verkorten en de aanvraagprocedure eenvoudiger te maken. Een ander verbeterpunt is dat er een groter beroep gedaan moet worden op de zelfredzaamheid van inwoners. Inwoners verbinden met de juiste algemene voorzieningen, zodat de vragen laagdrempelig en lokaal opgelost kunnen worden zonder dat een maatwerkvoorziening is vereist. Dit brengt met zich mee dat we moeten blijven investeren in deze algemene voorzieningen.
Gemeenten hebben ingezet op het betrekken van ervaringsdeskundige inwoners bij onder andere het opstellen van nieuw armoede- en schuldenbeleid en cliëntervaringsonderzoeken. Door inwoners te betrekken weten we beter wat ze nodig hebben in aanvulling op hun eigen zelfredzaamheid en participatie. Daardoor kunnen we beleid maken dat past bij hun wensen. Een ander voordeel is dat inwoners meer betrokken raken bij het beleid. We proberen hiermee de afstand tussen de gemeente en inwoners te verkleinen.
9
Terugblik
Speerpunt 2: Iedereen kan meedoen Het is belangrijk dat alle inwoners, jong en oud, mee kunnen doen. Veel inwoners lukt dit zelf, vanuit hun eigen sociale netwerk. Voor de inwoners die (tijdelijk) ondersteuning nodig hebben zijn er voorliggend algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen, zoals hulp in het huishouden, begeleiding, hulpmiddelen, vervoers- en woonvoorzieningen, jeugdhulp en begeleiding naar werk (loonkostensubsidie). Voor de regio is inclusie een doorlopende opgave. Gemeenten hebben niet alle inwoners met een ondersteuningsbehoefte in beeld, waardoor er in sommige gevallen te laat ondersteuning geboden wordt en problematiek soms onnodig verergert. Deze ondersteuning hoeft niet een maatwerkvoorziening te zijn, maar het kan ook zijn dat een inwoner wordt geattendeerd op algemene voorzieningen (welzijnswerk, bibliotheek, dorpshuizen/buurt- kamers, beweegprogramma, maatjesproject, inloopvoorzieningen, ontmoetingsplek, verenigingsleven, etc.). Zo heeft de gemeente een faciliterende en preventieve rol.
Lessen Er wordt veel gedaan om ervoor te zorgen dat alle inwoners mee kunnen doen. Echter, wanneer we kijken naar opgaven zoals eenzaamheid2, somberheid of mensen met een fysieke, of mentale beperking die belemmeringen ervaren in het meedoen aan activiteiten, dan zien we nog een uitdaging voor de toekomst. Om de aankomende jaren verder aan dit speerpunt te werken, is het proces gestart om te komen tot een inclusieagenda. De aanpak om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt te ondersteunen is wel succesvol. Ook wordt onderzocht hoe financiële drempels kunnen worden verlaagd voor inwoners met een smalle beurs. Absoluut en relatief gezien kent de gemeente Ameland de minste uitkerings- gerechtigden en ook het leer-werkbedrijf NEF is succesvol. Dit wordt de komende jaren voortgezet.
Speerpunt 3: Preventie aan de voorkant en dichter bij de burger Alle gemeenten willen inwoners het liefst laagdrempelig algemene voorzieningen aanbieden, zodat de noodzaak voor zwaardere ondersteuning wordt verminderd. Een goede ontwikkeling is het realiseren van algemene voorzieningen op diverse plekken, gericht op ontmoeting en activering (zoals dorpshuizen, buurtkamers). Er wordt gestreefd naar een goede spreiding in de regio, zodat het voor alle inwoners toegankelijk is. Zowel op de eilanden als het vasteland wordt er gewerkt met een gebiedsteam, waarbij integraal vragen om hulp/ondersteuning van inwoners op het gebied van zelfredzaamheid, participatie, ontwikkeling, opgroeien en opvoeden, werk en inkomen het uitgangspunt is. Dit gebeurt in nauw contact met professionals van samenwerkingspartners (zoals GGD, thuiszorg, scholen, kinder-/peuteropvang, welzijnswerk, buurt- sportcoaches, huisartsen), om zo vroegtijdig te signaleren en preventief te werken. Streven is het contact tussen inwoners en het gebiedsteam zo laagdrempelig mogelijk te maken. Door de kleinschaligheid van de eilanden is dit in de praktijk daar beter te realiseren dan aan de wal.
Lessen Er is een goed aanbod aan faciliteiten waar inwoners gebruik van kunnen maken, maar de bekendheid van deze voorzieningen blijft een uitdaging. Hier ligt ook een rol voor de gemeentelijke Toegang, om inwoners te attenderen op en te verbinden met de algemene voorzieningen. Wanneer inwoners zo de route naar bijvoorbeeld de dorpshuisfunctie in de dorpen en het welzijnswerk beter weten te vinden, kan de inzet van professionele ondersteuning via een maatwerkvoorziening (bijvoor- beeld dagbesteding) worden beperkt. Het streven is om beter integraal te werken met afstemming tussen informeel (vrij- willigers) en formeel (professionals). Bijvoorbeeld door de laagdrempelige inzet van POH-ers Jeugd (Praktijkondersteuners bij de huisartsen) kunnen lichte ondersteuningsvragen (jongeren met angstgevoelens, eenzaamheid, of stressklachten of ouders met vragen over opvoeding, gedrag, etc.) snel worden opgepakt en opgelost. Afhankelijk van de situatie is het wenselijk hierbij afstemming te hebben met huisarts, gebiedsteam of andere algemene voorzieningen (zoals bijvoorbeeld jeugdgezondheidszorg, scholen, welzijnswerk). Tevens kan in de uitvoering van de casus afstemming zijn tussen een profes- sional (bijvoorbeeld sociaal werker) en een vrijwilliger (bijvoorbeeld trainer sportvereniging).
Uiteraard kan de POH-er Jeugd (indien nodig) doorverwijzen naar een maatwerkvoorziening of naar een algemene voorziening. Dit maakt de POH-ers Jeugd daarom belangrijke partners voor gemeenten in het integraal en preventief werken.
2
In 2020 geeft gemiddeld 46,6% van de bevolking van 18 jaar en ouder in Nederland aan eenzaam te zijn. Eenzaamheid is vastgesteld met de eenzaamheidsschaal van De Jong-Gierveld. Op de Friese Waddeneilanden (Vlieland, Terschelling, Ameland, Schiermonnikoog) is dit percentage 37%, in Dantumadiel 39% en Noardeast-Fryslân 41%. Hierbij wordt wel opgemerkt dat de COVID-19 pandemie mogelijk de resultaten heeft beïnvloed.
10
Terugblik
Een ander verbeterpunt is het ontwikkelen van een ondersteuningsstructuur in het onderwijs voor jongeren die normaal gesproken een beroep doen op de jeugdhulp. Dit vereist normaliseren, cultuurverandering en een intensieve samenwerking tussen gemeenten en scholen. Normaliseren betekent in dit geval dat de verantwoordelijkheid voor het opgroeien en opvoeden in eerste instantie bij de ouders ligt. Voor problemen die hierbij ontstaan is niet direct gespecialiseerde jeugdhulp nodig. Lichtere problemen bij opgroeien en opvoeden horen erbij. Het is normaal dat de ouders deze in overleg met de jeugdigen, scholen, diverse algemene voorzieningen, etc. ‘oplossen’, zonder dat gespecialiseerde jeugdhulp wordt ingezet. Er is dan (hopelijk) voldoende ruimte over om bij zwaardere/zware problematiek gespecialiseerde jeugdhulp in te zetten. Kortom: Alle jongeren krijgen te maken met ontwikkelfasen en veranderingen. Vaak zonder problemen, regelmatig ook met. Als gemeente is het wenselijk hier niet te snel een etiket op te plakken en specialistische hulp op in te zetten. Niet alle kinderen die hulp nodig hebben, vallen direct onder de jeugdhulp. Gemeenten bieden ouders die vastlopen en onder- steuning nodig hebben handvatten hoe zij om kunnen gaan met de problematiek.
Gemeenten hebben goede afspraken gemaakt met woningcorporaties (op Ameland het Gemeentelijk Woningbedrijf), wat ervoor heeft gezorgd dat huurachterstanden eerder worden gesignaleerd en het aantal uithuisplaatsingen is gedaald. Sinds 1 januari 2021 is vroegsignalering van schulden een wettelijke taak geworden van gemeenten en is dit uitgebreid met meerdere signaalpartners. Vroegsignalering komt na preventie, maar zorgt er wel voor dat schulden niet verder kunnen oplopen. Hierdoor kunnen inwoners mogelijk nog op eigen kracht schuldenproblematiek oplossen, waardoor geen intensief schuldentraject nodig is. Ook blijkt dat de inzet van De VoorzieningenWijzer (www.devoorzieningenwijzer.nl) een besparing kan opleveren in het budget. Door een lastenverlichting binnen de vaste lasten kunnen latere betalingsproblemen worden voorkomen. Tot slot is een betere afstemming en samenwerking tussen het Zorgkantoor, Zorgverzekeraar en gemeenten ten behoeve van kwetsbare inwoners noodzakelijk. Dit gebeurt onvoldoende, terwijl hier winst behaald kan worden. De bekostiging wordt nu vanuit drie verschillende financieringen gedaan, namelijk vanuit de Wlz, Wmo en de Zvw3. Gezamenlijk inkopen en financieren levert kwalitatieve winst op, maar ook minder kosten. Daarnaast wordt het voor inwoners overzichtelijker.
Speerpunt 4: Eigen kracht is de basis Veel inwoners kunnen zich vanuit de eigen kracht prima redden. Maar voor inwoners met (tijdelijke) ondersteuningsvragen is er hulp beschikbaar. Elke situatie is anders. Daarom wordt er steeds gekeken wat de inwoner nodig heeft en wat hij of zij zelf nog kan. Voorheen werd er bij het binnenkomen van de ondersteuningsvraag sneller professionele ondersteuning ingezet. Het beroep doen op de eigen kracht, in plaats van ‘het recht hebben op’ een maatwerkvoorziening is een transformatie die zowel bij de gemeente als de inwoners om een cultuurverandering vraagt. De afgelopen jaren is hier voortgang geboekt, vooral door de vraag achter de vraag en de context te verduidelijken. Zo wordt het mogelijk om samen met de inwoner te kijken wat de inwoner zelf met behulp van het sociaal netwerk en de eerste lijn (inclusief vrijwilligers) kan organiseren en wat er eventueel (tijdelijk) nodig is aan professionele, tweedelijns ondersteuning. Hierbij ligt de regie bij de inwoner en dit gaat steeds beter. De inwoners en gemeente hebben er baat bij om het gebruik van professionele en dure maatwerkvoorzieningen, in het verlengde van de hulp/ondersteuning vanuit het eigen sociale netwerk en de eerste lijn, zo lang mogelijk uit te stellen. Dit is de enige manier om de oplopende kosten in het sociaal domein het hoofd te bieden.
Lessen Het sturen op de eigen kracht en zelfredzaamheid blijft een uitdaging. Er zijn voorliggend best veel algemene voorzieningen georganiseerd en inwoners moeten gestimuleerd worden om hier (meer) gebruik van te maken. Zo kunnen veel individuele ondersteuningsvragen preventief en vanuit de eigen kracht opgelost worden. Er ligt ook een uitdaging bij de gemeente om inwoners respectvol te confronteren met de eigen mogelijkheden. Hoe is de situatie? Wat kan met hulp van het eigen sociale netwerk en lokale voorzieningen worden opgelost en wanneer is professionele ondersteuning noodzakelijk? Hier zien we wel een lokale nuance. Op de eilanden wordt er samen met de inwoner beter gekeken naar wat een inwoner zelf nog kan doen. In de andere gemeenten is dit lastiger, daar wordt men vaker geconfronteerd met inwoners die vinden dat ze recht hebben op ondersteuning. Het is daarom belangrijk om te investeren in “tools” en vaardigheden voor de gebieds- teammedewerkers die de inwoners spreken, zodat zij op een juiste manier met dit ‘claimgedrag’ om kunnen gaan. Naast investering in het eigen personeel vraag het ook om communicatie richting inwoners.
Vasteland
3
Eilanden
Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en Zorgverzekeringswet (Zvw). 1 1
Terugblik
Een voorbeeld van de eigen kracht uit de Regio. Een Inwoner kwam met een huishoudelijke ondersteuningsvraag bij de gemeente: mevrouw kan in haar huis boven niet meer stofzuigen. Tijdens het keukentafelgesprek werd duidelijk dat mevrouw geen problemen heeft met het stofzuigen zelf, maar dat ze de stofzuiger de trap niet op- en af kan tillen. Door boven een lichte stofzuiger neer te zetten, is mevrouw geholpen en is de ondersteuningsvraag binnen de eigen kracht opgelost. Een maatwerkvoorziening (Hulp bij het Huis- houden) is niet nodig.
Speerpunt 5: We zorgen voor mensen in kwetsbare situaties Iedereen moet mee kunnen doen in de samenleving en gemeenten hebben de taak om te zorgen voor mensen in kwetsbare situaties. In de praktijk blijkt dat inwoners in kwetsbare situaties niet altijd geholpen kunnen worden. Enerzijds zijn deze inwoners onvoldoende in beeld, omdat er geen signaal of vraag vanuit de inwoner of vanuit zijn/haar netwerk komt. Ander- zijds kan het zijn dat de inwoner, nadat er een signaal binnen is gekomen, de zorg weigert. Welzijns- en dorpshuiswerk, buurtsportcoaches, verenigingen, kerken, scholen, jeugdhulp en andere organisaties hebben een belangrijke signalerende functie waar preventief gewerkt wordt. Hier kan op een laagdrempelige manier ondersteuning geboden worden en in het geval van zorgmijders verlaagt dit naar verwachting drempels. Lessen In de basis kan gezegd worden dat dit speerpunt redelijk/goed gaat: als er echt iets aan de hand is dan wordt er hulp geboden en worden alle partijen ingeschakeld die betrokken moeten worden. Hier zijn we als gemeenten goed in en het is wenselijk dit zo te houden. Voor de toekomst ligt er ook een uitdaging met betrekking tot de groter wordende groep ouderen en inwoners waarvoor begeleiding bij wonen nodig is. De zorg en woonvraag van deze inwoners zal toenemen, waardoor er voor gemeenten een opgave ligt om deze kwetsbare inwoners te ondersteunen.
We merken dat de zorgvraag van inwoners steeds intensiever en complexer wordt en de capaciteit om dit te kunnen verlenen staat onder druk. Het is nodig de samenwerking tussen de inzet van formele en informele zorg nadrukkelijker vorm te geven. Een verbeterpunt is het in beeld krijgen (en houden) van kwetsbare inwoners en het gestructureerd aanpakken van zorgmijders. Op dit moment is de aanpak veelal ad hoc wanneer de situatie zich voordoet en is onvoldoende gestructureerd. Daarnaast vinden de gemeenten dat inwoners de keuze hebben om in grote mate zelf te bepalen of ondersteuning nodig is, tenzij de situatie in het kader van gezondheid en veiligheid een gevaar vormt voor de inwoners zelf of anderen in de samenleving. Dit is vanzelfsprekend een grijs gebied. Wat voor de één bijvoorbeeld een schoon huis is, is voor een ander onleefbaar.
Speerpunt 6: Integrale benadering; één gezin/cliënt, één aanpak, één regisseur en (waar mogelijk) één budget Vraagstukken van inwoners beperken zich zelden tot één leefgebied. Vaak spelen er meerdere dingen, waardoor er verschillende vormen van ondersteuning nodig zijn. Idealiter wordt dit zo veel mogelijk in het eigen netwerk, voorliggend oplost en waar nodig is er professionele ondersteuning mogelijk. Het idee achter één gezin/cliënt, één aanpak, één regisseur (en waar mogelijk) één budget is om zo veel mogelijk integraal en ontschot te werken, zodat de ondersteuning voor de inwoner zo goed mogelijk georganiseerd wordt. Lessen In de praktijk blijkt dat er regelmatig sprake is van ‘parallelle ondersteuningstrajecten’ in één huishouden, elk met een eigen regisseur. Per casus vindt er onderling wel afstemming plaats, maar dit kan gestructureerder. Zo kan er efficiënter worden gewerkt en is het voor inwoners duidelijk wie de regisseur is. De wens om vanuit één budget te werken blijkt in de praktijk nog niet haalbaar. Wel is het mogelijk af en toe afstemming tussen de inzet van verschillende financierings- stromen te realiseren (bijvoorbeeld bij arrangementen tussen zorgstructuur school en inzet jeugdhulp). Voor de ‘vasteland gemeenten’ Noardeast-Fryslân en Dantumadiel behoeft dit onderdeel nadrukkelijk verbetering.
Daarvoor is dan ook het verbeterprogramma gestart (voorheen ‘Project Wending’). Mede door de kleinere schaal is het werken met één plan en
12
Terugblik
één regisseur voor de eilandgemeenten beter te organiseren. Integraal werken gaat op de eilanden dan ook beter dan op het vasteland. De wil om dwars door de verschillende wetten (Jeugdwet, Participatiewet en Wmo) heen te werken is er wel, maar in de realiteit is dit lastiger. Het vraagt om een andere werkwijze en organisatie binnen de gemeenten. Zaken zoals de AVG, functiebeschrijvingen en instructies van de organisaties die betrokken zijn in een huishouden, verschillende financieringsstromen, taken, rollen en verantwoordelijkheden zitten integraal en ontschot werken in de weg.
Vasteland
Eilanden
Speerpunt 7: Gemeente voert regie en stuurt op resultaten De manier waarop gemeenten invulling geven aan de regierol verschilt binnen de Regio Noordoost-Friesland. Gemeenten maken hun eigen keuzes of ze op bepaalde (beleid of uitvoering) terreinen een sterke regierol nastreven. Door onderdelen uit te besteden, lokaal partnerschappen of allianties aan te gaan of zelf uit te voeren. Al dan niet in opdracht van buurge- meenten. Afhankelijk van de situatie en het beleidsterrein wordt gekeken welke rol van toepassing is. We voeren als gemeente op strategisch niveau regie op die onderwerpen waar wij verantwoordelijk voor zijn. In de afgelopen jaren is er meer aandacht gekomen voor het monitoren, het verzamelen van data en het duiden ervan. We zijn steeds beter in staat om (financiële) voorspellingen te doen en om inzicht te verkrijgen in de (beleidsmatige) opgaven die voor ons liggen. Door meer ‘datagericht’ te werken in combinatie met geconstateerde effecten in de samenleving proberen de gemeenten nadrukkelijker op resultaten te sturen. Lessen Het blijft een doorlopende opgave om op resultaten te sturen en om de monitoring te verbeteren. Het ‘datagericht’ werken staat in de kinderschoenen. Het monitoren en sturen op resultaten blijft een belangrijk aandachtspunt. De beleidsmatige opgave is om in de toekomst meer mensen te helpen met minder hoge kosten.
Dit doen we door meer in te zetten op algemene preventieve voorzieningen (bijvoorbeeld welzijns- en dorpshuiswerk, dagbestedingslocaties, inzet buurtsportcoaches, bibliotheek, inzet van POH-er Jeugd, preventieprogramma Zorg en Onderwijs) waar veel inwoners gebruik van kunnen maken. Een groter algemeen en preventief aanbod faciliteert de eigen kracht van inwoners. En past bij de normaliseringsgedachte die we nastreven. De professionele, specialistische inzet is alleen bedoeld voor inwoners die echt niet zonderkunnen. Er zijn nu vele aanbieders en uitvoeringsinstellingen die vele diverse (en soms overlappende) producten/voorzieningen aanbieden. We streven naar een manier van samenwerking waarin de netwerken op het gebied van welzijn, zorg, onderwijs en arbeidsmarkt goed op elkaar aansluiten. De mate waarin dit lukt verschilt tussen de eilandgemeenten en het vasteland. Op de eilanden is integraal werken eenvoudiger te realiseren en we zien dat dit redelijk lukt, bij de gemeenten op het vasteland is dit lastiger.
1 3
Terugblik
Conclusie over de speerpunten Wanneer we kijken naar de zeven speerpunten en de lessen die geleerd zijn dan vallen er enkele zaken op die belangrijk zijn voor de herijking van de visie. We zien dat er veel voorliggende faciliteiten zijn waar inwoners gebruik van kunnen maken, maar dat deze onvoldoende worden benut. Hier valt winst te behalen door beter te kijken welke ondersteunings- vragen laagdrempelig, zonder specialistische, professionele ondersteuning opgelost kunnen worden. Zo wordt de instroom tot maatwerkvoorzieningen teruggebracht. Preventief werken (voorkomen van professionele zorg) en het benutten van de ‘eigen kracht’ komen onvoldoende van de grond. Dit vereist voor de gemeentelijke toegang een andere manier van werken. Door nog nadrukkelijker integraal te werken en door breder te kijken naar wat de inwoner nodig heeft. Wat kan een inwoner zelf vanuit de eigen kracht nog doen, wat kan voorliggend worden opgelost en waar is echt maatwerk voor nodig? Deze beweging is nodig om te maat- schappelijke opgaven die we anno 2023 op ons af zien komen het hoofd te bieden. Toch zien we dat integraal werken op dit moment onvoldoende van de grond komt, mede door de complexiteit van de verschillende wetten, financierings- vormen, de AVG en het schakelen tussen verschillende professionals.
Op de Waddeneilanden gaat het beter dan bij de gemeenten op het vasteland, mede door de kleine(re) schaal en korte lijnen. Integraal werken blijft daarom een uitdaging. We zien dat het begrip ‘de inwoner centraal’ een andere betekenis heeft gekregen. Daar waar de gemeenten in 2014 beschreven dat ze voor elke inwoner willen zorgen, zijn nu de eigen kracht en preventief werken belangrijker geworden. Pas wanneer de inwoner het zelf niet redt dan is de gemeente er om te ondersteunen. De speerpunten voor het sociaal domein zoals in 2014 beschreven, zijn grotendeels nog steeds actueel, maar vergen op onderdelen een aanscherping van het beleid. We vinden het belangrijk om de nieuwe visie te schetsen in de context van de maatschappelijke opgaven die in 2023 (en naar verwachting ook daarna) spelen. Zo wordt duidelijk waar we als gemeenten voor aan de lat staan en wat we doen om deze opgaven het hoofd te bieden, zodat we een vitale en inclusieve samenleving worden en blijven.
Maatschappelijke opgaven 2023 Omgevingswet De beoogde inwerkingtredingsdatum voor de Omgevingswet is (voor nu) gesteld op 1 juli 2023. Deze wet verplicht gemeenten om een Omgevingsvisie op te stellen, waarbij men onder andere streeft naar een versterkte samenwerking tussen het fysiek en sociaal domein zodat de leefomgeving inwoners verleidt tot een gezondere levensstijl. Gezondheids- beleid en het fysieke domein komen hierin samen. Dit kan gaan over de toekomstbestendige woon-werk omgeving (inclusief energietransitie, duurzaamheid) gezonde leefomgeving, gezond leefgedrag, gezond en veilig opgroeien. Opgave rondom ouderenzorg Uit de beschikbare data is geconcludeerd dat het aandeel ouderen binnen de gemeente verder zal stijgen (bron CBS) en dat het aandeel ouderen in de regio Noordoost-Friesland4 hoger ligt dan het landelijk gemiddeld. De groep ouderen wordt groter en mensen leven langer, waardoor er sprake is van dubbele vergrijzing. Dit wil zeggen dat niet alleen de groep 65-plussers stijgt, maar ook het aantal 80plussers. De ondersteuningsbehoefte van deze groep zal eerder stijgen dan afnemen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de prognose dat ook het aantal mensen dat te maken krijgt met dementie zal gaan toenemen. De verwachting is dat in de periode tot 2030, het aantal inwoners met dementie zal verdubbelen5.
Uit het ‘regiobeeld’ komt naar voren dat Friesland voor een grote uitdaging staat met betrekking tot de vergrijzing. Vergrijzing speelt in heel Nederland een rol, maar in de regio Noordoost-Friesland gaat dit gepaard met het wegtrekken van jongeren (ontgroening). Men verwacht een toename van het aantal 75-plussers met 74% tot 2050 en een afname van het aantal 65-minners met 7%. Er zijn straks dus veel meer ouderen die zorg nodig hebben. Tegelijkertijd neemt het aantal mensen dat voor hen kan zorgen af. Ook speelt de duurzame inzet hierbij een belangrijke rol. Er zijn grote (personeels)tekorten in de zorg, wat vraagt om een andere inrichting van het ondersteuningsaanbod. De gemeente wil dat ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Dit maakt dat veel van de ondersteuning ambulant, dicht
4 5
Noardeast-Fryslân, Dantumadiel, Ameland en Schiermonnikoog. Dit constateert de Hersenstichting op basis van gegevens over hersenaandoeningen uit de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2018 (VTV-2018) van het RIVM.
14
Terugblik
bij de inwoner georganiseerd moet worden. De Friesland Zorgverzekeraar gaat samen met (vertegenwoordigers van) ouderen, aanbieders van zorg en welzijn en dataspecialisten vanuit Data Fryslân en het Fries Sociaal Planbureau het gesprek aan over welke zorg en ondersteuning ouderen denken nodig te hebben in 2030. Dit tegen het licht van het aantal beschik- bare zorgprofessionals, mantelzorgers en het afnemende aanbod in zorg- en verpleeghuizen. Er zal worden gesproken over kansen: Wat biedt onze gemeenschapskracht of het toepassen van technologische oplossingen? Het ouder worden gaat vaak gepaard met gebreken en problemen, zoals mobiliteitsbeperkingen, psychische problemen als angst en depressie, slaapproblemen, financiële problemen, eenzaamheid of een combinatie hiervan. Dit uit zich in lichamelijke beperkingen, chronische psychische problemen, psychosociale problemen of meervoudige problematiek. De ondersteuning zal veelal gericht zijn op uitstel van een grotere afhankelijkheid van en een beroep op meer specialistische zorg- en woonvoor- zieningen. Dit vraagt om visie op Wonen en Zorg.
Dementie vraagt speciale aandacht, aangezien dementie bij ouderen vaak niet als zodanig wordt herkend, doordat dementie gepaard gaat met lichamelijke klachten of gedefinieerd wordt als lichamelijke klachten, met als gevolg dat er geen adequate behandeling plaatsvindt of verkeerde geneesmiddelen worden verstrekt. Laaggeletterdheid Moeite hebben met lezen en schrijven heeft grote gevolgen voor het dagelijks leven. Laaggeletterden zijn minder zelfred- zaam, minder sociaal actief en ze zijn vaker ziek dan geletterden. Laaggeletterden lopen dus het risico om buiten de samen- leving te vallen. Voor een inclusieve samenleving is het belangrijk om deze inwoners te bereiken. Landelijk is ongeveer 12% 6 van de inwoners laaggeletterd. In de Regio Noordoost-Friesland7 is dit gemiddeld 14,5%. Uit de beschikbare data wordt onderscheid gemaakt tussen milde en sterke laaggeletterdheid. In Fryslân gaat het bij milde laaggeletterdheid vooral om autochtone werkenden (een kwart van de totale groep) én niet actieven van 50 jaar en ouder (een zesde), beide groepen met gezin. De groep sterke laaggeletterdheid bestaat in Fryslân vooral uit de groep ‘divers’ (bijna een kwart), gevolgd door migranten van 30 jaar en ouder met partner en/of gezin (een vijfde). Landelijk gezien speelt de groep ‘migranten’ een grote rol in de groep sterke laaggeletterdheid.
Financiële bestaanszekerheid We zien dat steeds meer huishoudens moeite hebben om rond te komen. Dit als gevolg van sterk gestegen prijzen van energie en levensmiddelen (vooral door de oorlog in Oekraïne). De koopkracht staat onder druk, zeker voor inwoners met een lager inkomen, maar ook voor inwoners met een modaal inkomen. Het omgaan met dagelijks financiële zorgen heeft zijn weerslag op het welbevinden en de geestelijke gezondheid. Kunnen meedoen in de samenleving betekent ook dat je daarvoor voldoende financiële middelen moet hebben. Een belangrijke opgave is om deze groep inwoners, die financieel kwetsbaar zijn, daarin te ondersteunen. En daar een efficiënte en doelgerichte set aan instrumenten voor beschikbaar te hebben. Niet alleen op het gebied van voldoende bestedingsruimte, maar ook het voorkomen van schuldenproblematiek en een aanpassing van het bestedingspatroon.
Jongeren We zien dat de zorg – en ondersteuningsvraag van kwetsbare kinderen en jongeren intensiever en complexer wordt, waardoor zwaardere (en duurdere) zorg/hulp ingezet moet worden. Er is in zijn algemeenheid sprake van een toename aan sociaalpsychische problematiek onder jongeren. Er ligt een uitdaging voor ons om in een vroeg stadium jongeren te ondersteunen bij hun (hulp)vraag. Dit in samenwerking met de opvang, het onderwijs, huisartsen en de ouders/verzorgers. We willen als gemeenten en onderwijs actief zijn op de werkvloer van het onderwijs en de opvang, daar waar het kind of de jongere zich bevindt. En bij voorkeur de zorgvraag (preventief) op die werkvloer (preventief) oppakken en ook daar een oplossing bieden als dat mogelijk is.
Maar ook na de schoolperiode willen we oog hebben voor – en inzetten op participatie of vervolgonderwijs. Voor jongeren met een verminderd arbeidsvermogen zijn we verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat ze zich kunnen ontwikkelen en uiteindelijk de arbeidsmarkt op kunnen, al dan niet met ondersteuning van de gemeente. Dat doen we uiteraard met de gebruikelijke instrumenten als de inzet van loonkostensubsidie, job coaching, training, etc. Maar het uitgangspunt moet zijn dat iedereen arbeidsvermogen heeft, klein of groot en dat dit wordt ingezet. Bij voorkeur op de reguliere arbeidsmarkt en als het moet binnen het werkleerbedrijf (beschut werk, banenplan) of het netwerk van ondernemers die deze jongeren een arbeidsplek willen bieden. Voor jongeren die aangewezen zijn op dagbesteding en waarvoor de stap naar de arbeids- markt te groot is, is een passend participatieaanbod bij zorgaanbieders in de regio. Voor jongeren op de eilanden is het lastiger hier gebruik van te maken.
De geletterdheid van personen tussen de 16 en 65 jaar is vastgesteld aan de hand van hun scores (schaal 0 – 500) in het PIAAC-onderzoek. 7 Noardeast-Fryslân, Dantumadiel, Ameland en Schiermonnikoog. Bron: https://geletterdheidinzicht.nl/ en https://www.fsp.nl/wp-content/uploads/2020/11/FSP2020-Laaggeletterdheid-rapport.pdf. 6
15
Terugblik
De overallopgave is om met onze samenwerkingspartners een keten te ontwikkelen (doorgaande ontwikkellijn) die in een vroeg stadium hulp en ondersteuning biedt aan de meest kwetsbare kinderen en jongeren van 0 tot 18 jaar. Dit op plekken waar de kinderen en jongeren veel tijd doorbrengen en professionals actief (kunnen) zijn (opvang, school). Dit geldt tot het moment dat ze zelfstandig (of met hulp) in de maatschappij gaan functioneren. Voorzieningen voor mensen met een beperking Er is nog onvoldoende voorliggend aanbod om inwoners met een beperking te activeren, zodat ze binnen hun mogelijk- heden zo goed mogelijk mee kunnen komen in de samenleving. De opgave is om samen met onze welzijnspartners te investeren in algemene voorzieningen, waar mensen met een beperking op een laagdrempelige en eenvoudige manier kunnen participeren. Denk hierbij aan algemene voorzieningen voor ontmoeting, activiteiten en dagbesteding. Dit draagt bij aan een versterking van de sociale basis in dorpen en wijken. Participatiedoelgroep neemt toe Deze doelgroep betreft de mensen met een arbeidsbeperking die voorheen in de Wsw of de Wajong kwamen. Deze vallen sinds 2015 onder de Participatiewet.
We zetten in de uitvoering van deze wet zoveel mogelijk in op de mogelijkheid van loonkostensubsidie, aangevuld (indien nodig) met Beschut Werken, zodat de betreffende inwoners in toenemende mate toegeleid worden naar een baan bij een reguliere werkgever. Dit draagt bij aan de eigen kracht en zelfredzaamheid. Daardoor zijn op Ameland en Schiermonnikoog bijna geen mensen in de bijstand. En zien we in de gemeenten Dantumadiel en Noardeast-Fryslân sinds 2015 een structurele daling van het aantal bijstandsgerechtigden en een toename van jong- volwassenen (met een arbeidsbeperking) die een reguliere baan hebben, waarbij de werkgever een loonkostensubsidie ontvangt. Het samenspel tussen gemeenten, scholen, werkgevers en het werkleerbedrijf gaat best goed. Doorontwikkeling is noodzakelijk om deze opgaande lijn vast te houden.
Conclusie Er zijn grote maatschappelijke opgaven en het is voor gemeenten van groot belang om een duidelijke regierol te pakken. We zien dat door onder andere de vergrijzing en de toename in complexiteit binnen de jeugdhulp de houdbaarheid van de ondersteuning onder druk staat. Zowel financieel, als ‘de handen aan het bed’. De kosten binnen het sociaal domein lopen op en niks doen is geen optie. Dit maakt dat gemeenten steeds meer proberen in te zetten op gezond oud(er) worden, om zorggebruik uit te stellen of zelfs te voorkomen. Het is een nadrukkelijke wens om dit integraal, in samenwerking met lokale organisaties op te pakken. Door meer te investeren in algemene voorzieningen, proberen we de kosten van de opgaven beheersbaar te houden. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de rol van de maatschappelijk werker, de sociaal werker, de POH-er Jeugd die lichte ondersteunings- vragen zelf op kan lossen zonder dat er gelijk een verwijzing naar een maatwerkvoorziening nodig is of een inwoner die lokaal in een dorpshuis activiteiten bezoekt in plaats van professionele dagbesteding. Gemeenten dienen alleen ondersteuning te bieden wanneer inwoners het niet langer op eigen kracht kunnen, het is niet langer ‘u vraagt, wij draaien’. Normaliseren en eigen kracht zijn hierin belangrijke waarden.
Het leven gaat met ups en downs, daar hoeft niet altijd gelijk professionele ondersteuning op te worden ingezet. Pas wanneer iemand het niet langer op eigen kracht kan, springt de gemeente bij. Zoals eerder benoemd, is de visie van het sociaal domein zoals in 2014 is beschreven grotendeels nog steeds actueel. Maar vanwege de maatschappelijke opgaven scherpen we de visie aan en verschuift een aantal accenten.
16
Aangescherpte visie
Aangescherpte visie
Aangescherpte visie
Blok 3: Aangescherpte visie De visie en ambities zoals beschreven in het beleidskader “samen leven, zorg voor elkaar” zijn vanwege de maatschappelijke opgaven nog steeds actueel en relevant. De maatschappelijk opgaven en de ontwikkelingen binnen het sociaal domein vragen niet zozeer om een nieuwe visie, maar wel om een aanscherping op deze visie. De opgedane ervaringen leren ons dat focus nodig is om tot betere resultaten te komen. Met de aangescherpte visie willen de gemeenten het volgende bereiken:
Inwoners zijn vitaal en gezond, zij ondersteunen elkaar en als dit niet op eigen kracht lukt, of met behulp van het netwerk, dan draagt de gemeente zorg voor kwalitatief passende ondersteuning.
Ambitie De Regio Noordoost-Friesland streeft naar een inclusieve samenleving waarin iedere inwoner naar vermogen kan meedoen. In een inclusieve samenleving kan iedereen naar vermogen en behoefte zo volwaardig mogelijk participeren, in de breedste zin van het woord. Dit heeft betrekking op arbeidsparticipatie, maatschappelijke participatie en sociale participatie. Arbeids- participatie gaat over werk en inkomen. Maatschappelijke participatie heeft onder andere betrekking op vrijwilligerswerk en mantelzorg, opgroeien en ontwikkeling van jongeren/inwoners, het volgen van onderwijs en dagbesteding. Sociale parti- cipatie gaat over informele sociale contacten (kennissen, buren, vrienden en familie) en ‘georganiseerde’ sociale participatie door deelname aan (sport of cultuur) verenigingen, diverse activiteiten, belangenorganisaties en godsdienstige organisaties. In een inclusieve samenleving ervaren inwoners zoveel mogelijk een positieve gezondheid op de zes leefgebieden, namelijk: lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociaal participeren en dagelijks functioneren. Hoewel financieel welbevinden niet expliciet genoemd wordt, loopt dit impliciet door alle leefgebieden van Positieve gezondheid heen. Geld(zorgen) heeft invloed op de gezondheid, de mate waarin je ‘mee kunt doen’, het mentaal wel- bevinden en de kwaliteit van leven.
Positieve Gezondheid is een bredere kijk op gezondheid en met deze brede benadering wordt bijgedragen aan het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan, én om zo veel mogelijk eigen regie te voeren.
LICHAAMSFUNCTIES 10 8 6 4 DAGELIJKS FUNCTIONEREN
2
MENTAAL WELBEVINDEN
0
ZINGEVING
MEEDOEN
KWALITEIT VAN LEVEN
18
Aangescherpte visie
Dezelfde uitgangspunten en drie speerpunten De uitgangspunten uit de kadernota zijn relevanter dan ooit, namelijk investeren op de eigen kracht, het integraal werken en het voorkomen van zorg (preventie). Om bovengenoemde ambitie te realiseren, focussen we op drie speerpunten: -
Normaliseren waar kan, helpen waar moet Ondersteuningsvraag lokaal oplossen, tenzij dit niet kan Op eigen kracht, tenzij…
Normaliseren waar kan, helpen waar moet Wij gaan ervan uit dat inwoners (en ouders) allereerst zelf verantwoordelijk zijn. Het aanvaarden dat het leven niet maakbaar is en uitdagingen kent, hoort bij het ‘gewone’ leven. Normaliseren betekent dat we de problemen niet groter maken dan hoeft. Zo hoeft er bij ouders die problemen bij het opvoeden ervaren, niet altijd jeugdhulp te worden ingezet. Als gemeente gaan we het gesprek aan om ouders in te laten zien dat niet alles een probleem is. Soms horen de strubbelingen bij het leven en is een puber ‘gewoon’ aan het puberen. Ook scholen spelen hierin een belangrijke rol. Als de problematiek op school plaatsvindt, is het logisch om ook daar de oplossing te bieden (integrale aanpak, zorgarrangementen). In plaats van direct te verwijzen naar de gemeenten, kunnen scholen een verkennend gesprek voeren met ouders en/of jongeren. Wanneer er toch extra aandacht nodig is dan zal de gemeente samen met de inwoner in kaart brengen of oplossingen binnen het eigen netwerk, of met algemene, voorliggende voorzieningen mogelijk zijn. Als dit niet toereikend is dan kan de gemeente de inwoner op basis van de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet individuele, specialistische ondersteu- ning bieden.
De beweging van medicaliseren naar normaliseren sluit goed aan bij het provinciaal beleid en de inkoop van specialistische Jeugdhulp vanuit de centrumregeling Sociaal Domein Fryslân (SDF).
Ondersteuningsvraag lokaal oplossen We willen inwoners met een ondersteuningsbehoefte zo dichtbij mogelijk in de eigen leefomgeving de ondersteuning bieden. Deze ondersteuning sluit aan bij het normale leven en is laagdrempelig georganiseerd. Denk hierbij aan verschillende vormen van dagactiviteiten verdeeld over de gemeente, in plaats van één dagbesteding ergens in de gemeente (voor de eilanden ligt dit genuanceerder). Door het ondersteuningsaanbod zo licht en toegankelijk mogelijk te organiseren, wordt gestimuleerd dat mensen elkaar blijven ontmoeten en relaties aangaan. Dit voorkomt eenzaamheid en maakt het mogelijk om als inwoner van “waarde” te kunnen zijn voor andere dorpsbewoners. De verbinding met het verenigingsleven, de vrijwilligers en de bestaande voorzieningen (dorpshuizen, verenigingenen dergelijke) en de informele zorgnetwerken is hierbij van belang.
Op eigen kracht, tenzij… Inwoners redden zichzelf vanuit de eigen kracht, we helpen alleen wanneer dit echt noodzakelijk is. De gemeente zet in op een gestructureerde toegang tot maatwerk, waarbij volgens de wettelijke kaders wordt beschreven wie ‘recht hebben’ in de vorm van een maatwerkvoorziening of individuele voorziening. Dit betekent dat inwoners in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn om hun ondersteuning te organiseren. Op eigen kracht, met hulp vanuit familie en vrienden (het netwerk) en eventueel met gebruikmaking van de algemene, voorliggende voorzieningen. De gemeente wil de eigen kracht van inwoners en hun netwerk faciliteren. Lukt dit niet dan is ondersteuning met een maatwerkvoorziening aan de orde.
Hoe gaan we dit bereiken? In de Regio Noordoost-Friesland willen we toewerken naar een inclusieve samenleving waarin alle inwoners mee kunnen doen. Inwoners kunnen zoveel mogelijk op eigen kracht meedoen in de samenleving, bijvoorbeeld door ondersteuning uit het sociale netwerk of lokale algemene voorzieningen. De eigen kracht staat centraal en inwoners kijken naar elkaar om. Men voelt zich actief betrokken bij de samenleving en wil zich waar nodig inzetten voor anderen. Wanneer inwoners dit niet op eigen kracht kunnen dan zijn er voldoende faciliteiten om laagdrempelig ondersteuning te bieden zonder gelijk te ‘medica- liseren’. Hierbij is de insteek van gemeenten dat zij in de eerste plaats de eigen kracht faciliteren door lokaal, laagdrempelige ondersteuning te bieden. Hierbij zetten gemeenten nadrukkelijk in op het collectief in plaats van het individu. Pas wanneer het niet langer op eigen kracht gaat wordt er professionele ondersteuning ingezet. We normaliseren zoveel als kan en helpen waar het moet. Op gebiedsniveau is er goede sociale samenhang en een veilig en gezond leef- en opgroeiklimaat. Welzijn, sport en cultuur worden ingezet als middel om de eigen kracht te versterken. Ook zijn er voldoende mogelijkheden voor inwoners om zich te ontwikkelen en ontplooien. Zo kunnen zij een sterke maatschappelijke positie bereiken.
Normaliseren in plaats van medicaliseren Het doel is om de problematiek van inwoners te normaliseren in plaats van te medicaliseren. Niet alle ondersteuningsvragen hebben direct professionele ondersteuning nodig. Door nadrukkelijker de vraag achter de vraag te onderzoeken ontstaat er een goed beeld van de daadwerkelijke behoefte. Mogelijk speelt bij een hulpvraag eenzaamheid een rol en kan dit goed lokaal opgelost worden door verbinding te leggen met bijvoorbeeld welzijnsorganisaties. Zo kan een inwoner laagdrem-
19
Aangescherpte visie
pelig meedoen aan een activiteit en wordt ook het lokale sociale netwerk versterkt. Er wordt ingezet om het zelf oplossend vermogen van inwoners te versterken, zodat zoveel mogelijk ondersteuningsvragen opgelost worden zonder dat profes- sionele ondersteuning nodig is. Dit raakt de Wmo, de Jeugdwet en de Participatiewet. Wat kunnen ouders zelf (of hoort ‘bij het leven’) en is er dan nog verdere ondersteuning nodig? Wat kunnen inwoners zelf doen om zich voor te bereiden op het gezond ouder worden en hoe versterken we de aansluiting met het onderwijs en de arbeidsmarkt? Wat kunnen we doen om inwoners zelf de regie over hun financiën te geven? Ondersteuning laagdrempelig en dichtbij georganiseerd Ook wordt de samenwerking versterkt tussen lichte professionele ondersteuning en lokale voorzieningen. Denk hierbij aan de verbinding binnen de gebiedsteams, de POH-er bij de huisartsen, een sociaal werker of budgetconsulent die gebruik maakt van een dorpshuisruimte. Inwoners kunnen zo met lichte professionele ondersteuning, in een groep gebruik maken van deze voorzieningen. De combinatie van het versterken van de eigen kracht en de samenwerking met lichte professionele ondersteuning in de eerste lijn maakt dat de opschaling naar zware professionele zorg in de tweede lijn (deels) wordt voorkomen ofwordt uitgesteld.
Meer nadruk op werken met “één gezin, één plan en één regisseur’” Daar waar nodig en mogelijk wordt er gewerkt volgens het ‘één gezin, één plan en één regisseur’ principe. Een gezin/huis- houden heeft dan één aanspreekpunt binnen de gemeente die het overzicht behoudt en schakelt met de verschillende expertises die nodig zijn om de ondersteuning te realiseren. We zien dat er in de praktijk regelmatig sprake is van ‘parallelle ondersteuningstrajecten’ in één huishouden, elk met een eigen regisseur. Dit willen we beter structureren. Van dagbesteding naar zinvolle daginvulling De gemeente wil bereiken dat er ingezet wordt op een zinvolle daginvulling in plaats van op dagbesteding. Dit betekent dat rondom een inwoner wordt gekeken naar de wijze waarop er gedurende de gehele week tot een zinvolle daginvulling gekomen kan worden. Hiervoor worden meer dagactiviteiten georganiseerd waar diverse doelgroepen aan kunnen deelnemen. Bijvoorbeeld een dagactiviteit waar jongeren vaardigheden ontwikkelen om hun kans op werk te vergroten en waar ouderen hun ervaring en kennis kunnen overdragen en tegelijkertijd een zinvolle daginvulling hebben. Door een samenwerking tussen lokale organisaties, het verenigingsleven/vrijwilligerswerk en de specialistische organisaties zal er meer collectief aanbod in de dorpen worden georganiseerd.