12 bijlage Was-wordt APV 2022 - compleet.docx
Tekst van het document
Afdeling 6. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definities Gelijk
Toelichting: Artikel 2:24 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie werkdagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Toelichting: -
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Gelijk
Artikel 2:37 Vervallen Toelichting: - Toevoeging conform model APV Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Toelichting: - Toevoeging conform model APV Pagina 23 van 87
Afdeling 7. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38a Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Toelichting: -
In de oude APV was de definitiebepaling toegevoegd aan artikel 2:25, zoals hieronder te zien. In de nieuwe APV is de definitiebepaling conform de model-APV apart vastgelegd onder dit artikel.
Artikel 2:25 Speelgelegenheden 1. Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: a. speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.
c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of Pagina 24 van 87
b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
b. de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: -
Lid 2: gewijzigd omdat dit dezelfde lading dekt als lid 2 sub a, b en c van het oude artikel. Toegevoegd conform model-APV. Overig: tekstuele wijzingen.
Artikel 2:26 Kansspelautomaten 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
Artikel 2:40 Kansspelautomaten
a. Wet: de Wet op de kansspelen; b. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de Wet; d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. 2. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee kansspelautomaten toegestaan.
1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan.
3. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Toelichting: -
Lid 1 (oud): definities vallen in de nieuw APV onder art. 2:38a, in dit geval het tweede lid. Lid 1 en 2 (nieuw): tekstuele wijzigingen.
Afdeling 8. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
Pagina 25 van 87
3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Toelichting: -
Indien een woning of lokaal aan de hand van burgemeestersbevoegdheden is gesloten, wordt deze verzegeld. Met de toevoeging van dit artikel wordt in de APV vastgelegd dat betreden van zo’n woning of lokaal verboden is. Het is nog niet of nauwelijks eerder voorgekomen dat een woning of lokaal door de burgemeester gesloten is, maar wanneer dit wel gebeurt moet je dit achter de hand hebben. Conform model-APV.
Artikel 2:27 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
Artikel 2:42 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. 5. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
7. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Toelichting: Pagina 26 van 87
Tekstuele wijziging en het verplaatsen van lid 7 (oud) naar lid 4 (nieuw), conform model-APV. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke 1. Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Toelichting: Door deze bepaling wordt de effectiviteit van het in het vorige artikel opgenomen aanplak- en kladverbod vergroot. Deze artikelen zien bijvoorbeeld toe op het aanbrengen van graffiti. Het tweede lid regelt een rechtvaardigingsgrond voor die gevallen dat de in het eerste lid genoemde stoffen en voorwerpen niet waren bestemd om te plakken of te kladden. Het bepaalde in het tweede lid strijdt niet met het in artikel 6, tweede lid, EVRM neergelegde beginsel, dat een verdachte tegen wie een strafvervolging aanhangig is, niet is gehouden zijn onschuld te bewijzen en dat, voordat zijn schuld op wettige wijze is vastgesteld, waarbij hem de gelegenheid is geboden zich te verdedigen, de rechter hem niet als schuldig mag aanmerken.
Deze bepaling maakt geen inbreuk op enige bepaling van het Wetboek van Strafvordering en is evenmin in strijd met enige andere wetsbepaling noch met enig tot de algemene rechtsbeginselen te rekenen beginsel van strafprocesrecht. Bij de voorgestelde redactie is het de opsporingsambtenaar en het OM mogelijk gemaakt aan de hand van de omstandigheden of verkregen indrukken na te gaan of er al dan niet sprake is van een overtreding als bedoeld in het eerste lid Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuig 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Toelichting: Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak te bemoeilijken. Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149 Gemeentewet. HR 07 06 1977, NJ 1978, 483 (APV Wassenaar). HR 28-02-1989, NJ 1989. 687 (APV Nijmegen). ABRvS 25-09-2019, ECLI:NL:RVS:2019:3274 (Haarlemmermeer).
Het college van burgemeester en wethouders was bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom ter voorkoming van herhaling van het vervoeren Pagina 27 van 87
of bij zich hebben van inbrekerswerktuigen. Met de opgelegde last gaat het in dit geval niet om het feitelijk herstellen van de openbare orde ten aanzien waarvan gelet op artikel 172, eerste lid, van de Gemeentewet uitsluitend de burgemeester is belast. Hierbij is van belang dat de last onder dwangsom in dit geval is opgelegd nadat de inbrekerswerktuigen ruim drie weken eerder in beslag waren genomen en uitsluitend met het doel om herhaling van overtreding van de APV-bepaling in de toekomst te voorkomen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke Vervallen Toelichting: Dit artikel ziet toe op het zich bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden. Voor gevallen waarin dit noodzakelijk zou zijn, zou het college een ontheffing moeten verlenen. De toevoeging van dit artikel is op dit moment niet nodig. Er wordt geen overlast ervaren met betrekking tot dit onderwerp. Het toevoegen van dit artikel zou onnodig voor verwarring en daarnaast voor extra werk in de zin van ontheffingverlenen zorgen. Mocht het in de toekomst nodig zijn dan kan dit artikel gemakkelijk alsnog worden toegevoegd. Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke 1.
Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2. Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Wegenverordening provincie Fryslân. Toelichting: Deze bepaling strekt ter bescherming van de bermen, glooiingen en zijkanten van wegen. Bermen, glooiingen en zijkanten maken deel uit van de weg. Deze bepaling ziet derhalve op het verkeer op wegen in de zin van de wegenverkeerswetgeving, maar kan als toelaatbaar worden beschouwd naast deze wetgeving. Op basis van artikel 149 Gemeentewet is de gemeentelijke wetgever immers bevoegd tot het stellen van regels die andere belangen dan verkeersbelangen dienen, tenzij deze regels het stelsel van de wegenverkeerswetgeving doorkruisen. Dat is hier niet het geval. Het verbod heeft slechts betrekking op voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden. De beperking van het verbod tot voertuigen die niet zijn voorzien van rubberbanden, blijkt in de praktijk vragen op te roepen. Die beperking is opgenomen omdat juist die voertuigen schade kunnen aanrichten. Verder wordt hiermee voorkomen dat het domein van de Wegenverkeerswet wordt betreden.
Het rijden met en parkeren van voertuigen, inclusief die met rubberbanden, in niet van de weg (in de zin van de wegenverkeerswetgeving) deel uitmakende groenstroken, wordt geregeld in artikel 5:11 (aantasting groenvoorzieningen door voertuigen).
Artikel 2:28 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats:
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden op een openbare plaats:
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; Pagina 28 van 87
b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder berokkent.
b. zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting: -
Tekstuele aanpassingen.
Artikel 2:29 Verboden drankgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Toelichting: -
-
Belangrijke toevoeging. Op dit moment is het binnen de gehele gemeente verboden om op openbare plekken drank te gebruiken of aangebroken flessen mee te dragen. Dit verbod is buitenproportioneel, de wetgever heeft het gebruik van drank immers niet verboden voor personen boven da achttien jaar. Het is dan ook belangrijk dat er alleen een verbod wordt ingesteld voor plekken waar dit niet gewenst is, denk aan het centrum, de bunkers en het Noordzeestrand. Deze bepaling was handig geweest bij de recente feestjes die gehouden werden bij de bunker. Door deze plek specifiek aan te wijzen kan er beter gehandhaafd worden. Artikel 2:48a Verboden lachgasgebruik 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel Pagina 29 van 87
te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.
Toelichting: Belangrijke toevoeging. Er was wat twijfel over de juridische houdbaarheid t.a.v. dit artikel, maar dit lijkt opgelost te zijn. Insteek is hetzelfde als 2:48, omdat een algeheel verbod (nog) niet mogelijk is. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen (Gereserveerd) Toelichting: -
Deze bepaling gaat over overlast door in, op of tegen een raamkozijn of drempel van een gebouw te zitten of te liggen, maar ook over overlast door het zich ophouden van personen in een portiek. Dit ziet voornamelijk op daklozen en is voornamelijk relevant in de grotere steden. Op dit moment is deze bepaling overbodig, daarom vastgelegd als ‘gereserveerd’. Hiermee sluiten we tegelijkertijd zoveel mogelijk aan op de model-APV.
Artikel 2:30 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer en rijwielstallingen.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer en rijwielstallingen.
Toelichting: -
Tekstuele wijziging.
Artikel 2:31 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of de ingang van een portiek indien: a. dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen of bromfietsen Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
b. daardoor die ingang versperd wordt. Toelichting: -
Tekstuele wijziging. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets Pagina 30 van 87
(Vervallen) Toelichting: -
Zie art. 5:12 Artikel 2:53 Gereserveerd
Toelichting: Artikel 2:54 Vervallen Toelichting: Artikel 2:55 Vervallen Toelichting: Artikel 2:56 Vervallen Toelichting: Artikel 2:32 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a. zonder dat die hond aangelijnd is, met uitzondering van: 1. niet openbare plaatsen; 2. het Noordzeestrand met uitzondering van het Rif 3. het gedeelte van het eiland, zoals aangegeven op de bij dit besluit horende en als zodanig gewaarmerkte kaart.
a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b. op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
c. buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het eerste lid onder a niet van toepassing is. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden; of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Toelichting: -
Tekstuele wijziging conform model APV
Artikel 2:33 Verontreiniging door honden 1. De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: a. in openbaar gebied binnen de bebouwde kom;
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
Pagina 31 van 87
b. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers of fietsers; c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; d. op een andere door het college aangewezen plaats. 2. Tevens dient de eigenaar of houder bij het verblijf op de weg met de hond altijd een opruimmiddel bij zich te hebben. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt, dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.
2. Tevens dient de eigenaar of houder bij het verblijf op de weg met de hond altijd een opruimmiddel bij zich te hebben. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt, dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Toelichting: -
Tekstuele wijziging.
Artikel 2:33a Verontreiniging door paarden 1. De eigenaar of houder van een paard is verplicht ervoor te zorgen dat dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet:
Artikel 2:58a Verontreiniging door paarden 1. De eigenaar of houder van een paard is verplicht ervoor te zorgen dat dat paard zich niet van uitwerpselen ontdoet:
a. in openbaar gebied binnen de bebouwde kom en op de Badweg tot en met de strandovergang;
a. in openbaar gebied binnen de bebouwde kom en op de Badweg tot en met de strandovergang;
b. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers of fietsers;
b. op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede bestemd voor het verkeer van voetgangers of fietsers;
c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
c. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
d. op een andere door het college aangewezen plaats.
d. op een andere door het college aangewezen plaats.
2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid onder sub a, c en d gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het paard er zorg voor draagt, dat de uitwerpselen direct na het deponeren worden verwijderd. 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid onder sub b gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het paard er zorg voor draagt, dat de uitwerpselen zo spoedig mogelijk na het deponeren worden verwijderd.
2. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van het paard er zorg voor draagt, dat de uitwerpselen direct na het deponeren worden verwijderd. 3. De eigenaar of houder van een paard of degene aan wiens zorg een paard kennelijk is toevertrouwd, is verplicht, indien hij zich in een aanspanning met een paard op de weg bevindt, het paard te hebben voorzien van een zak voor het opvangen en Pagina 32 van 87
4. De eigenaar of houder van een paard of degene aan wiens zorg een paard kennelijk is toevertrouwd, is verplicht, indien hij zich in een aanspanning met een paard op de weg bevindt, het paard te hebben voorzien van een zak voor het opvangen en verzameld houden van de uitwerpselen van het paard of de uitwerpselen direct op te ruimen. . Toelichting: -
verzameld houden van de uitwerpselen van het paard of de uitwerpselen direct op te ruimen.
Onderscheid tussen het tweede en het derde lid verwijderd en samengevoegd tot een geheel in het nieuwe lid 2.
Artikel 2:34 Gevaarlijke honden 1. Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, onder b, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Toelichting: -
Tekstuele wijzigingen. Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Pagina 33 van 87
1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Toelichting: -
Conform model-APV.
Artikel 2:35 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a. aanwezig te hebben;
a. aanwezig te hebben;
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of
c. aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d. te voeren.
d. te voeren.
2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
2. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.
3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Pagina 34 van 87
-
Derde lid verwijderd conform model APV Artikel 2:61 (Vervallen)
Toelichting: Artikel 2:62 Loslopend vee De rechthebbende op herkauwende of eenhoevige dieren of varkens die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Toelichting: - Toevoeging conform model APV Artikel 2:36 Duiven Het is de rechthebbende op duiven verboden deze te laten uitvliegen, wanneer burgemeester en wethouders hem schriftelijk hebben meegedeeld, dat zij dit hinderlijk voor de omgeving achten.
Artikel 2:63 Duiven Het is de rechthebbende op duiven verboden deze te laten uitvliegen, wanneer burgemeester en wethouders hem schriftelijk hebben meegedeeld, dat zij dit hinderlijk voor de omgeving achten.
Toelichting: Artikel 2:37 Bijen Artikel 2:64 Bijen 1. Het is verboden bijen te houden. Gelijk 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: - In overleg met college artikel behouden. Aanvragen komen niet vaak voor, maar dienen wel gereguleerd te blijven worden. Artikel 2:65 Bedelarij (Gereserveerd) Toelichting: Afdeling 9: Bestrijding heling van goederen Artikel 2:66 Gereserveerd Toelichting: - Afdeling 9 is op gereserveerd gezet omdat dit veel extra werk oplevert voor ondernemers en de gemeente. Op dit moment is er binnen de gemeente onvoldoende capaciteit om zaken zoals een handelsregister op te zetten en in goede banen te leiden. Artikel 2:67 Gereserveerd Toelichting: Artikel 2:68 Gereserveerd Pagina 35 van 87
Toelichting: Afdeling 9. Bepalingen ten aanzien van het Noordzeestrand Artikel 2.40 Begripsomschrijvingen Artikel 2:69 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder: In deze afdeling wordt verstaan onder: a. strand: het voor publiek toegankelijke deel Noordzeestrand van Schiermonnikoog tussen de strandpalen 1 en 18;
a. strand: het voor publiek toegankelijke deel Noordzeestrand van Schiermonnikoog tussen strandpaal 1 en de oostpunt van Schiermonnikoog;
b. vlieger: een vlieger die door twee of meer lijnen wordt bestuurd;
b. vlieger: een vlieger die door twee of meer lijnen wordt bestuurd;
c. vliegeren: het oplaten en opgelaten hebben van een vlieger;
c. vliegeren: het oplaten en opgelaten hebben van een vlieger;
d. strandovergang: het voetpad dat vanaf de zeereep toegang geeft tot het strand.
d. strandovergang: het voetpad dat vanaf de zeereep toegang geeft tot het strand.
Toelichting: Artikel 2.41 Drijvende voorwerpen Het is verboden om zich bij het baden of zwemmen in zee te bevinden met een voorwerp, bestemd of gebruikt om zich daarmee drijvende te houden.
Artikel 2:70 Veiligheid bij baden en zwemmen 1. Het is verboden om zich bij het baden of zwemmen in zee te bevinden met een voorwerp, bestemd of gebruikt om zich daarmee drijvende te houden. 2. Het is verboden te zwemmen of te baden op die plaatsen waar dat door het college op of vanaf het strand is kenbaar gemaakt. Dit kenbaar maken geschiedt door middel van plaatsing van borden of op andere, door het college te bepalen, wijze.
Toelichting: - Het huidige artikel 2:42 (onderstaande) is in artikel 2:41 geïntegreerd. Daarbij is de verbodsbepaling enigszins aangepast om dit ook juridisch houdbaar te maken. Artikel 2.42 Gevaarlijke zwemperiodes Het is verboden zich in zee te bevinden of van het Geïntegreerd in artikel 2:70 strand af in zee te gaan, wanneer en gedurende de tijd, dat een ambtenaar van politie dit in verband met bijzondere omstandigheden verboden heeft. Toelichting: Artikel 2.43 Vliegeren 1. Het is verboden op het strand en in de nabij gelegen duinen te vliegeren. 2. Burgemeester en wethouders kunnen strandvakken aanwijzen waar het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt. Toelichting: Artikel 2.44 Plaatsen geschikt voor naaktrecreatie Als plaats, geschikt voor ongeklede openbare recreatie, als bedoeld 430a van het Wetboek van Strafrecht, wordt het Noordzeestrand aangewezen, met uitzondering van het gedeelte tussen de strandpalen 2 en 7.
Artikel 2:70a Vliegeren op het strand Gelijk
Artikel 2:70b Naaktrecreatie Gelijk
Toelichting: Pagina 36 van 87
-
Dit artikel hoeft niet per se opgenomen te worden in de APV, naaktrecreatie zou ondanks deze bepaling ook buiten het aangewezen gebied toegestaan zijn volgt uit jurisprudentie. Relevante artikel is art. 430a wetboek van Strafrecht.
Afdeling 11. Consumentenvuurwerk en carbid Artikel 2:45 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.
Artikel 2:71 Definities 1. In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. 2. In deze afdeling wordt onder carbidschieten verstaan: het op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Toelichting: - Tekstuele wijziging. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: - Toevoeging conform model APV Artikel 2:46 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
3. De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.
3. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting: -
Tekstuele wijziging.
Artikel 2:46a Carbidschieten 1. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een
Artikel 2:73 Carbidschieten 1. Carbidschieten is verboden.
Pagina 37 van 87
reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
2. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.
2. Carbidschieten is verboden.
3 De burgemeester verleent slechts ontheffing van het in het eerste lid gestelde verbod indien wordt voldaan aan het volgende:
3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor carbidschieten dat plaatsvindt op door de burgemeester aangewezen plaatsen tussen 31 december 14:00 uur en 1 januari 02:00 uur, mits: - daarbij gebruik gemaakt wordt van een melk)bus/container/opslagvat met een maximale inhoud van 40 liter en - daarbij geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan degene die het carbidschieten verricht weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor gevaren kunnen optreden voor mens en milieu. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december; b. degene die carbidschiet moet tenminste de leeftijd van 16 jaar hebben; c. de inhoud van de (melk)bus mag maximaal 40 liter bedragen; d. het voorwerp waarin het carbidgas wordt gevormd, moet worden afgesloten met zacht materiaal, het is verboden om harde voorwerpen zoals een deksel van een melkbus als afsluiter te gebruiken;
5. Dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht.
e. toeschouwers moeten op een afstand van tenminste 10 meter van bedoeld voorwerp worden gehouden door een duidelijk afzetting;
6. Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
g. de plaats vanwaar geschoten wordt is gelegen: 1. op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing en; 2. op een afstand van tenminste 300 meter van een in gebruik zijnde voorziening voor het houden van dieren;
f. de plek waar het carbidschieten plaatsvindt ligt buiten de bebouwde kom;
h. er mag niet worden geschoten in de richting van personen, dieren of nabij gelegen gebouwen; i. er is voor het gebruik van de locatie uitdrukkelijk toestemming van de eigenaar van het terrein. j. het carbidgas moet op veilige wijze worden ontstoken. Toelichting: -
Eerste lid: verplaatst naar de definities van artikel 2:71. Deze nieuwe opzet vereist niet langer een aanwijzing van de burgemeester, maar een ontheffing voor een aanvraag. In de praktijk vroeg iemand of er ergens carbid mocht worden geschoten, waarna dat gebied werd aangewezen. Dit artikel sluit nu dus beter aan bij deze benadering. - Daarnaast is in lid 3 een aantal voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan bij het carbidschieten, hierin wordt een regionale trend gevolgd. - Het streven binnen de regio is om carbidschieten tussen 10.00 uur tot 18.00 plaats te laten vinden, dit naar aanleiding van de wens om omtrent dit onderwerp wat meer te harmoniseren. Het college wil hier liever in overleg met de organisator een goed tijdstip kiezen. Afdeling 12: Drugsoverlast Artikel Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Pagina 38 van 87
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Toelichting: - Deze bepaling is samen met artikel 2:73 toegevoegd met het oog op de handhaving van de openbare orde/het voorkomen van overlast. Het gaat hierbij uitdrukkelijk (alleen) om overlast ten gevolge van drugshandel op straat. In deze artikelen wordt verwezen naar middelen uit lijst I en II van de Opiumwet, (hard- en softdrugs) en “daarop gelijkende waar”. Bij “daarop gelijkende waar” zou kunnen worden gedacht aan nieuwe middelen die al wel worden gebruikt, nog niet op de lijsten I of II voorkomen, maar waartegen wel moet worden opgetreden, zoals lachgas. Het is van belang om handhaving via deze bepalingen goed te motiveren. Nu het kabinet voornemens is het recreatief gebruik van lachgas op lijst II van het Opiumwetbesluit te plaatsen en hiervoor ook concrete stappen zet, en gelet op de conclusies van het hiervoor genoemde rapport van het CAM, zou het kunnen zijn dat deze motivering stand zal houden bij de rechter. Het is echter volledig aan gemeenten zelf om te beoordelen of op grond van deze artikelen zal worden gehandhaafd. Artikel
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Toelichting: - Zie toelichting vorige artikel. Afdeling 13. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:47, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 2:73a van deze verordening groepsgewijs niet naleven. Toelichting: - Toevoeging conform model APV - Keuze voor toepassing bij een beperkt aantal artikelen in lijn met andere gemeenten.
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Pagina 39 van 87
Toelichting: Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50, 51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: - vervoermiddelen te onderzoeken; - een ieders kleding te onderzoeken; - te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden geopend. Door dit artikel op te nemen in de APV kan dit ook preventief uitgevoerd worden, op dit moment is dit op grond van artikel 174b alleen repressief mogelijk. Maar dan is het in alle gevallen al te laat en is de openbare orde al verstoord. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Toelichting: - Toevoeging conform model APV.
- Evenals het bovenstaande artikel is dit artikel preventief en helpt het bij het voorkomen van daadwerkelijke verstoring van de openbare orde en indien van toepassing het ondersteunen van de opsporing wanneer er daadwerkelijk een verstoring van de openbare orde is geweest. - Ondanks dat de camera’s op grond van dit artikel geplaatst kunnen worden, moet er voor daadwerkelijk gebruik afgestemd worden met de officier van justitie. - De bevoegdheid vloeit voort uit artikel 151c Gemeentewet. Artikel 2:47 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in de gemeente op een openbare plaats op te houden.
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in de gemeente op een openbare plaats op te houden.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na
3. Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na Pagina 40 van 87
het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt.
4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Toelichting:
4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
-
Tekstuele wijziging conform model APV Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Toelichting: - Toevoeging conform model APV. - Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 151d Gemeentewet. - Dit artikel geeft de gemeente, via de burgemeester, de mogelijkheid om meer te doen dan alleen bemiddelen bij woonoverlast. Indien bemiddeling geen uitkomst biedt is het door dit artikel mogelijk om last onder bestuursdwang toe te passen, waardoor gelijk de bevoegdheid geschept wordt om last onder dwangsom op te leggen. Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is Pagina 41 van 87
van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2.Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3.Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. 6. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.
Toelichting: - Toevoeging conform model APV. - Vanuit art. 174a Gemeentewet vloeit voort dat de burgemeester een niet voor het publiek toegankelijk lokaal kan sluiten in verband met de openbare orde en veiligheid. Dit kan ook voor alle gebouwen op grond van art. 13b Opiumwet, wanneer er veel drugs wordt aangetroffen. Er ontbreekt echter nog een stuk t.a.v. voor publiek toegankelijke gebouwen. Dit artikel bevat deze uitbreiding. Hoofdstuk 3. Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1. Algemene bepalingen Artikel 3:1 Afbakening De artikelen 1:2 en 1:5 tot en met 1:8 zijn niet van toepassing op het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Toelichting: -
Omdat dit hoofdstuk andere, specifieke regels hanteert omtrent onderwerpen zoals aanvraagtermijnen en weigeringsgronden, is het noodzakelijk vast te leggen dat de algemene regels die voor dergelijke onderwerpen gelden, niet van toepassing zijn op dit hoofdstuk.
Artikel 3:1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
Artikel 3:2 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Pagina 42 van 87
a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
- advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt;
b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;
- beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf;
c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;
- bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester;
d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; f. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g. beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; h. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1. de exploitant; 2. de beheerder; 3. de prostituee; 4. het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5. toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6. andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
- escortbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie in de vorm van bemiddeling tussen klant en prostituee; - exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, voor zover van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf wordt uitgeoefend; - klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een prostitutiebedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; - prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; - prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; -raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor publiek toegankelijke plaats; - seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen betaling of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotischpornografische aard in een seksinrichting tegen
betaling; - seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf;
Pagina 43 van 87
-werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen betaling worden verricht. Toelichting: -
Wijziging naar alfabetische volgorde. Tekstuele wijzigingen conform model APV De toevoeging van het begrip ‘bestuursorgaan’ is verplaatst vanuit art. 3:2 van de oude APV.
Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Geïntegreerd in art. 3:2 van de nieuwe APV.
Toelichting: -
Artikel 3:2 (oud) is verplaatst naar de definities van art. 3:2 nieuwe APV.
Afdeling 2. Vergunning seksbedrijf Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:12, tweede lid kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
Verwijderd
Toelichting: -
Verwijderd, conform model APV
Artikel 3:4 Seksinrichtingen 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 3:3 Vergunning 1. Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning van het bevoegde bestuursorgaan. 2. Op een aanvraag om een vergunning wordt binnen twaalf weken beslist. Deze termijn kan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd.
2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 3. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting:
3. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 4. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend. 5. De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld.