Rapport Verwey Jonkers Instituut “Complexe problemen vragen onorthodoxe oplossingen”
Tekst van het document
zoals eerder is beschreven. En er wordt doorverwezen omdat de professional/ organisatie zich niet competent voelt. Het wijkteam verwijst bijvoorbeeld door naar gespecialiseerde hulp voor een specifiek probleem, terwijl de gespecialiseerde hulp tot de conclusie komt dat er een veelheid aan problemen is in het gezin en de situatie ernstiger is qua geweldsdynamiek. De gespecialiseerde hulp verwijst weer terug naar het wijkteam, omdat het die hulp niet kan bieden. Ook worden cliënten geweigerd omdat sprake is van een contra-indicatie. Juist bij complexe problematiek spelen verschillende problemen, en in plaats van een gezamenlijke aanpak weigert elke organisatie vanuit het eigen beleid van contra-indicaties, waardoor de hulp juist in multiprobleemsituaties niet van de grond komt.
Daarnaast zien we dat wordt doorverwezen om de eigen caseload beheersbaar te maken.37 Iedere organisatie is bezig om de meest urgente zaken te triageren om op die manier te kunnen prioriteren wat eerst aandacht nodig heeft. Soms lijkt een caseload meer beheersbaar te zijn voor de ene organisatie, maar komt daarmee de caseload sneller bij de andere organisatie die daar niet voldoende op is voorbereid. Een voorbeeld hiervan is de nieuwste maatregel van Veilig Thuis om alle overige zaken, niet zijnde meldingen waar sprake is van huiselijk geweld38, direct (zonder veiligheidsbeoordeling) door te zetten naar het wijkteam. Hiermee wordt de caseload van Veilig Thuis meer beheersbaar, maar de wijkteams krijgen sneller deze zaken waardoor er (op de korte termijn) meer caseload is.39 En dit geldt ook voor de zogenoemde drangzaken die eerst door JBRR werden opgepakt. De wet kent alleen een onderscheid tussen dwang en vrijwilligheid, de mogelijkheid om in een drangkader jeugdbescherming te bieden heeft geen wettelijke grondslag. Daarom was al voor de transitie besproken om drangzaken bij JBRR over te laten gaan naar intensieve hulp vanuit de wijkteams, maar JBRR heeft deze ‘drangzaken’ nog lang onder zich gehouden en vanuit het wijkteam werden deze zaken gemeld bij JBRR.
Ook zien we dat wijkteams, die werkzaam zijn vanuit het vrijwillige kader, niet weten wat er moet gebeuren als de veiligheidsafspraken die zijn gemaakt met de ouders (samen met Veilig Thuis) niet worden nageleefd; het wijkteam meldt het gezin weer terug bij Veilig Thuis omdat zij niet weten hoe het moet worden opgelost. En als het wijkteam een melding doet bij het JBRR omdat het zich zorgen maakt over de veiligheid in het gezin, krijgt het wijkteam vaak te horen dat er geen zorgsignalen zijn wat betreft het kind. Wat naar voren komt als een systematisch knelpunt is het ontbreken van een gezamenlijk visie op een oplossing. Tijdens een van de casuïstiekbesprekingen verzuchtte iemand: ‘Iedereen triageert om de meest urgente zaken eruit te halen, maar daardoor is niet de insteek: wat moet hier gebeuren.’
37 Zie over dit doorschuifmechanisme in de jeugdbescherming ook: Van Montfoort et al., 2018. 38 Het gaat dan om meldingen van bijvoorbeeld een jongere die iets heeft gestolen, of een jongere met autisme die verdwaald was en bij vreemden aanbelde, die vervolgens de politie inschakelden. Er is in dat soort gevallen geen sprake is van huiselijk geweld. 39 Het kan een heel goede en logische maatregel zijn, het gaat er in dit geval om te laten zien dat het een verschuiving is die goed moet kunnen worden opgevangen.
22
Drangzaken daarentegen worden niet meer gemeld bij JBRR, maar moeten opgepakt worden door deskundigen huiselijk geweld. Punt is dat de wijkteams zich er niet op toegerust voelen om deze intensieve hulp te bieden. (Casuïstiekbespreking 1)
wijkteam vaak verantwoordelijk is voor het maken en uitvoeren van het plan van aanpak. Veilig Thuis voert de monitoring uit. Als er kinderen betrokken zijn, kan het zijn dat ook JBRR erbij betrokken moet worden, of al betrokken is. Het maken van veiligheidsafspraken vergt echter in veel gevallen afstemming en samenwerking met niet alleen de betrokkenen, maar ook met verschillende netwerkpartners en/of het sociaal netwerk van betrokkenen. Wat ontbreekt zijn korte lijnen waarin de relevante partners betrokken zijn.
Doorverwijzen hoeft zeker niet negatief te zijn: het is goed de eigen beperkingen te kennen. Wat er alleen misgaat is dat er geen gezamenlijk plan aan ten grondslag ligt: er worden geen gezamenlijke afwegingen gemaakt en er wordt geschoven in plaats van hulp en bescherming te bieden.
Er gaat veel goed, maar dit is dikwijls afhankelijk van de toevallige personen die erbij betrokken zijn. Er zijn bijvoorbeeld wijkagenten die een goed contact hebben met het wijkteam, waar regelmatig overleg is en waar wijkteammedewerker en wijkagent samen op huisbezoek gaan als dit wenselijk is vanuit de veiligheid. Naar aanleiding van de zaak Humeyra is afgesproken dat wijkagenten verplicht zijn een gezin te volgen en als vaste contactpersoon te dienen, nadat ex-partner-stalking geconstateerd is. Dit vereist goede samenwerking met het wijkteam. Maar de rol van de wijkagent wat betreft contact met het wijkteam in geval van huiselijk geweld is niet vastgelegd in een protocol en er zijn grote verschillen per wijk.
Knelpunten in de samenwerking op wijkniveau Respondenten brengen tijdens de verschillende casuïstiekbesprekingen naar voren dat er onduidelijkheid is over de verschillende rollen tussen Veilig Thuis, wijkteam en JBRR, en hoe de andere netwerkpartners daarin een rol spelen. In de gefaseerde ketenzorg wordt eerst een noodverband aangelegd zodat er voldoende veiligheid is in de relatie of het gezin, om vervolgens te werken aan duurzame veiligheid en herstel. Het blijft onduidelijk hoe de visie van gefaseerde ketenzorg in de praktijk gestalte moet krijgen. Indien Veilig Thuis op basis van de veiligheidsbeoordeling inschat dat de casus direct overgedragen kan worden voor zorg en hulp, dan zal het wijkteam (of de hulpverlener) zelf veiligheidsafspraken met het gezin en betrokken netwerkpartners maken. Als op grond van de veiligheidsbeoordeling besloten wordt dat Veilig Thuis zelf intervenieert, dan is Veilig Thuis verantwoordelijk voor het doen van onderzoek en/of het maken van de veiligheidsvoorwaarden, terwijl het wijkteam, met name bij structurele onveiligheid, verantwoordelijk is voor de inzet van risicogestuurde zorg en het borgen van herstel. Dit betekent dat het
Ook de samenwerking tussen wijkteams als partners of gezinsleden in een andere wijk wonen, is persoonsgebonden; de ene wijkteammedewerker vindt dat het niet mogelijk is vanuit twee wijkteams gezamenlijk een aanpak te hebben, en de ander vindt het juist een aanwinst. Wanneer vader ook hulp ontvangt vanuit het wijkteam, is het vaak zo dat dit vanuit een ander wijkteam verleend wordt dan de hulp aan de rest van het gezin, doordat vader vaak in een andere wijk/regio woont. Dan moet je met een ander 23
door de veiligheid van de hulpverlener in gevaar kan komen. Door de AVG lijkt het delen van informatie voor beide aspecten nog moeizamer te gaan.
wijkteam samenwerken. Een wijkteammedewerker benoemt hier geen moeite mee te hebben: je kunt goed samenwerken met twee teams, trekt samen op, houdt elkaar een spiegel voor, kan met elkaar sparren. (Casuïstiekbespreking 2)
Het wijkteam voelt zich door het gebrek aan informatie onthand en wijst erop dat de informatie die vanuit Veilig Thuis komt, sterk is gefilterd sinds de invoering van de AVG (bijvoorbeeld geen processen-verbaal meer) waardoor essentiële informatie ontbreekt en er geen goed beeld is van wat er aan de hand is. Vanouds mocht de politie beperkte informatie doorgeven aan hulpverleners, ook over risico’s om op huisbezoek te gaan, bijvoorbeeld of er vuurwapens aanwezig zijn.
Een ander probleem dat regelmatig naar voren werd gebracht, is dat plegers van geweld, vaak mannen, moeilijk te motiveren zijn voor hulp of zich niet aan afspraken houden. En als plegers wel open staan voor hulp is het aanbod te beperkt.40 Als de reclassering is betrokken, is dit doorgaans vanuit het strafrechtelijk kader, en zijn de mogelijkheden om agressiebeheersing, opvoedvaardigheden en relatievaardigheden te trainen te beperkt, zo wordt naar voren gebracht. Tussen het sociaal domein en het veiligheidsdomein zijn nauwelijks korte lijnen op wijkniveau. Het wijkteam loopt er tegenaan dat de hulp die zij bieden vrijwillig is en dat zij de weg niet weten naar manieren om met het veiligheidsdomein op te trekken. Hier gaan we in de volgende paragraaf op in.
Er zijn wijkagenten en wijkteams die veel contact met elkaar hebben, samen casussen bespreken en soms samen op huisbezoek gaan. In deze relaties wordt informatie gedeeld over de casus als daartoe de noodzaak bestaat.41 Er zijn echter ook wijkteams en wijkagenten die vanwege de AVG geen informatie met elkaar delen. De politie en Veilig Thuis en politie en reclassering mogen wel informatie met elkaar delen (ogv convenant). Ook woningbouwcorporaties mogen – net als wijkteams - geen informatie delen, of gedeeld krijgen, terwijl woningbouwcorporaties juist achter veel gesloten deuren komen. Geconstateerd wordt dat bij professionals onduidelijk is wat en wanneer er gedeeld mag worden aan informatie. Men speelt op safe en verwijst naar de AVG die informatie delen niet zou toestaan. Als belangrijke informatie ontbreekt, wordt maar een deel van de
2.3.2 Informatiedeling en op-/afschalen Informatiedeling In de casuïstiekbesprekingen wordt naar voren gebracht dat door privacy-beperkingen in het delen van informatie, het niet mogelijk is om tot een goede beoordeling van de situatie te komen en gezamenlijk te zoeken naar een oplossing. Een ander punt is dat professionals die op huisbezoek gaan tegenwoordig minder vaak op de hoogte zijn van de veiligheidssituatie binnen het gezin, waar-
41
40 Zie ook Manifest Stop geweld tegen vrouwen, 2020.
24
De informatie die wordt gedeeld moet noodzakelijk zijn om het doel (onveiligheid afwenden) te bereiken.
problematiek en onveiligheid zichtbaar en kan geen goede inschatting worden gemaakt.42
doen afnemen, is dan nog meer een punt van interpretatie, tussen professionals, tussen juristen onderling, maar zeker ook tussen juristen en mensen die in de praktijk moeten handelen.43
Er zijn geen protocollen of afspraken voor het delen van informatie op wijkniveau, zoals dit wel geldt voor informatiedeling binnen het ZVHRR. Daar kunnen de ketenpartners informatie delen, waardoor een goed en totaal beeld ontstaat van het probleem. De informatie kan niet worden gedeeld met het wijkteam vanuit het ZVHRR, en hier zit een belangrijk probleem. Tijdens een casuïstiekbespreking brengt een van de respondenten naar voren dat er in het verleden al drie trajecten zijn geweest rondom gegevensuitwisseling en dat deze trajecten allemaal zijn mislukt. Als reden voor het mislukken wordt genoemd dat wetgeving en de juristen van de organisaties ver weg zitten van de praktijk en zich geen voorstelling kunnen maken van hoe het in de praktijk toegaat. De organisaties zijn allemaal rechtsaansprakelijk, en juristen willen voorkomen dat de AVG wordt overtreden. Zij beschouwen al snel gegevensuitwisseling als een wetsovertreding. Gegevensuitwisseling is mogelijk bij toestemming van de cliënt, als een casus anoniem wordt besproken en als er een ernstig gevaar dreigt. Er moet een heel goede reden zijn om informatie te delen, dus het uitgangspunt is: hoe meer de client er zelf bij betrokken is, hoe beter. De AVG vraagt om goede omschrijving van doelbinding en die omschrijving ontbreekt nu (behalve in het ZVHRR).
Ook zonder een omschrijving bestaat een plicht tot het delen van informatie als er ernstig gevaar dreigt, maar de afweging of het doorgeven van informatie proportioneel is en of er geen andere manieren zijn om het gevaar te
Om het werk goed uit te kunnen voeren is het belangrijk dat er vanuit de organisaties steun wordt geboden aan professionals die in de praktijk dit soort beslissingen moeten nemen. Er wordt opgemerkt dat in de startfase van de wijkteams de wijkteammedewerkers te horen kregen dat zij aansprakelijk zijn voor gegevensuitwisseling; zij zijn verantwoordelijk voor het naleven van de regels. Onduidelijkheid bleef echter hoe de juridische steun vanuit de moederorganisatie was geregeld. Daarmee werd een angstcultuur gecreëerd; de professional voelt zich alleen staan in de keuzes die worden gemaakt en kiest daarom eerder voor geen informatie delen, ook in situaties waar ernstig gevaar dreigt. Zij zijn bang aansprakelijk te worden gesteld. Overigens komt ook naar voren dat meestal de organisaties achter de werknemers staan als er een procedure speelt, en dat medewerkers juridisch worden gesteund in het proces. Duidelijk is echter dat de AVG zorgt voor belemmeringen in de zorg naar gezinnen; het werpt drempels op, in plaats van dat het cliënten beschermt. Er zijn mensen nodig met creativiteit en lef om de kansen en mogelijkheden, die
43 Als er geen toestemming is van de betreffende personen, moeten vijf vragen worden beantwoord: 1. Wat is het doel? 2. Is de informatie die je deelt “need to know”? 3. Kan de actie die je wilt ondernemen ’n tandje minder of absoluut niet? 4. Is de te delen informatie over de cliënt in proportie met het doel? 5. Is het doelmatig om de informatie met collega’s te delen? Hoe deze vragen worden beantwoord in de concrete situatie is altijd een vorm van interpretatie, waarover discussie noodzakelijk is. Zie bijvoorbeeld Jolanda van Boven: https://www.zorgwelzijn.nl/jolanda-van-boven-nieuwe-privacywet-geeftmiddelen-om-info-te-delen/
42 Zie ook de ontwikkelagenda Veiligheid Voorop! van OM, politie, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis over het belang van alle relevante informatie om tot een goede inschatting te komen.
25
het wijkteam volwassenen slechts een half jaar hulp kan bieden. Of van deze ruimte gebruik wordt gemaakt is sterk persoonsgebonden en afhankelijk van zowel lef van de professional als toestemming van de leidinggevende. Maar het gaat niet alleen om het afwijken van een regel, het gaat ook om de voorwaarden waaronder het mogelijk is om te doen wat nodig is. Het volgende citaat van een deelnemer aan de casuïstiekbespreking zegt het treffend:
er zeker zijn vanuit de plicht tot het delen van informatie als er ernstig gevaar dreigt, optimaal te benutten. Op- en afschalen Uit de casuïstiekbesprekingen komt duidelijk naar voren dat er kennis ontbreekt bij wijkteams over de mogelijkheden het ZVHRR of Zorgconsulaat Rotterdam44 om advies te vragen. Ook als het gaat om de-escalatie naar het sociaal domein vanuit het casusoverleg in het ZVHRR is de verbinding met het sociaal domein niet zodanig dat er op een goede manier gede-escaleerd kan worden. Het sociaal domein en het veiligheidsdomein zijn twee werelden die elkaar lang niet altijd begrijpen. Vanuit de wijkteams wordt het ZVHRR als een bolwerk gezien. Goed kunnen escaleren en de-escaleren vergt onder meer vertrouwen in de ander en weten dat de ander de juiste aanpak heeft.45 Daarnaast kan het ontbreken van een goede verbinding tussen ZVHRR en wijkteams liggen in het dwingend uitvoeren van de Wmo, waar zelfredzaamheid voorop staat. Wijkteams schatten veiligheid niet goed in, zo wordt in de casuïstiekbespreking naar voren gebracht.
“Er is te weinig tijd om te doen wat nodig is. Er is geen tijd om het gezin te monitoren. Doordat de hulp vaak beperkt is, zie je gezinnen ook weer terugkomen. Het contact is vaak veel te vluchtig. Er heerst ook een attitude van: snel handelen uit angst voor als er iets verkeerd zou gaan, er niet op tijd de juiste hulp ingezet zou zijn. Door procedures, protocollen en vakjargon is er afstand gecreëerd met de cliënt. (…) Het moet zijn: Wat kunnen we leren van onze fouten. En niet: Hoe dekken we ons in.” (Casuïstiekbespreking 2) Iedereen is het erover eens dat het routeren (veel doorverwijzen) van gevallen van huiselijk geweld niet wenselijk is, iedereen vindt dat er snel hulp en bescherming moet worden geboden. Inzetten op signaleren en melden bij Veilig Thuis heeft alleen zin als vervolgens direct hulp kan worden geboden. Kwaliteit en kennis hangen samen met behapbare caseload, ruimte voor intervisie en reflectie, een leven lang leren, en goede ondersteuning van nieuw personeel.
2.4 Leefwereld voorop In Rotterdam is te weinig ruimte voor professionals om te doen wat nodig is, zo komt naar voren in de casuïstiekbesprekingen en gesprekken die we hebben gevoerd. Er is in theorie ruimte om bijvoorbeeld af te wijken van de regel dat
In het volgende hoofdstuk gaan we in op oplossingsrichtingen zoals deze uit het onderzoek naar voren zijn gekomen.
44 Zorgconsulaat Rotterdam is er voor ingewikkelde zaken en vastgelopen casussen, bijvoorbeeld als het opschalen binnen de lijn (teammanager, rayonmanager) geen oplossing geeft. Het zorgconsulaat is integraal voor Wmo en jeugdhulp. 45 Zie bijvoorbeeld over deze domein overschrijdende aanpak in geval van multi-probleem gezinnen: Lünnemann, Loeffen, Steketee, Hoefsloot & Bel, 2018.
26
3
Huiselijk geweld verdient meer slagkracht
3.1 Inleiding
schrappen en te verbeteren, het indicatieproces te optimaliseren, kortere lijnen mogelijk te maken en een aantal domeinoverstijgende knelpunten op te lossen.
Geweld in relaties en gezinnen is een immens probleem, qua omvang en complexiteit. Rotterdam staat niet alleen in de uitdaging te komen tot een integrale aanpak waar systeemgericht hulp wordt geboden. Alle gemeenten in Nederland hebben meer of minder moeite om de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in het vernieuwde sociaal domein vorm te geven.
In de nota Bouwen aan een toekomst zonder huiselijk geweld worden onder andere maatregelen voorgesteld om de samenwerking tussen wijkteams en Veilig Thuis te verbeteren en hier heldere afspraken over te maken. Onderdeel van dit plan is het verbeteren van de samenwerking in de keten rond duurzaam herstel en een integrale multidisciplinaire benadering. Uitgangspunt is een (gezins)systeemgerichte aanpak waarin de pleger, het slachtoffer en de kinderen een afgestemd hulpaanbod krijgen. In de brief aan de gemeenteraad over de regiovisie GHNT wordt benadrukt dat er een verbinding dient te zijn tussen zorg, veiligheid, welzijn en jeugd en structuren en randvoorwaarden geen startpunten, maar ondersteunend moeten zijn.46
In dit hoofdstuk staan oplossingsrichtingen centraal. Eerst geven we kort aan welke tussentijdse veranderingen in het beleid zijn ingezet om de knelpunten op te lossen en wat er wel goed gaat in Rotterdam. Vervolgens gaan we in op oplossingsrichtingen, zoals deze uit het onderzoek naar voren zijn gekomen. We sluiten af met een conclusie.
3.2 Gemeentelijk beleid in beweging
Rotterdam heeft een specifieke aanbesteding voor een huiselijk geweld-aanbod en er zijn verschillende voorzieningen. Er wordt geïnvesteerd in het Centrum Huiselijk Geweld, een netwerksamenwerking voor de aanpak van structureel geweld in relaties en gezinnen. Bij langdurige complexe geweldsproblematiek weten het zorgdomein en het veiligheidsdomein elkaar doorgaans goed te vinden binnen het ZVHRR. Binnen het landelijke programma Geweld Hoort Nergens Thuis is een regiovisie ontwikkeld met oplossingsrichtingen ter verbetering van de aanpak. En in maart 2020 komt het Manifest Stop geweld tegen vrouwen uit. Rotterdam kan bogen op jarenlange aandacht voor de aanpak van huiselijk geweld en in de praktijk wordt zeker ook goede hulp en bescherming geboden en samengewerkt door verschillende ketenpartners.
De gemeente is zich bewust van de verschillende knelpunten en heeft diverse acties in gang gezet gericht op het optimaliseren van het indicatieproces en verantwoordingseisen, vermindering van regeldruk, het realiseren van kortere lijnen voor zorgprofessionals en aandacht voor domeinoverstijgende knelpunten. De plicht om de ZRM in te vullen voor een aantal doelgroepen wordt geschrapt of beperkt, en de knelpunten rond de indicatiestelling bij huiselijk geweld en kindermishandeling worden tegen het licht gehouden en er wordt gezocht naar een oplossing. Het actieplan Zorg Goed geregeld bevat maatregelen om de administratieve last van zorgmedewerkers in de Wmo te verminderen met als doel dat zorgmedewerkers meer tijd en energie hebben voor de zorg en ondersteuning aan Rotterdammers. Het betreft maatregelen om de verantwoordingseisen te
46 Brief aan gemeenteraad, Vaststellen regiovisie GHNT, 17 december 2019.
27
Als overkoepelend probleem komt naar voren dat professionals te weinig ruimte ervaren om te kunnen doen wat nodig is. Het Rotterdamse stelsel is complex. Om het beheersbaar te houden is er een overmaat aan regels en protocollen die bemoeilijken dat professionals kunnen doen wat nodig is. Er wordt te weinig vanuit de leefwereld gedacht en te veel vanuit de systeemwereld.
Er zijn echter ook een aantal structurele knelpunten waardoor gezinnen en relaties met geweldsproblematiek waar (nog) geen sprake is van urgentie en crisis, onvoldoende begeleiding en bescherming krijgen. De gemeente wil preventief werken en er vroeg bij zijn, wat nogmaals benadrukt is in het Manifest Stop geweld tegen vrouwen. Dat lukt in de praktijk volgens de gesproken professionals nog onvoldoende.
Om meer vanuit de leefwereld te zoeken naar kansen en oplossingen is het belangrijk uit te gaan van leidende principes; dit geeft richting aan de samenwerking met betrokkenen en met netwerkpartners. Hier gaan we in de volgende paragraaf op in. Vervolgens presenteren we oplossingsrichtingen.
Uit het onderzoek komen verschillende knelpunten naar voren. Ten eerste is de toegang tot de juiste hulp en bescherming te complex: te veel loketten en doorverwijzing, waardoor onvoldoende bescherming en hulp worden geboden. Slachtoffers moeten langs te veel loketten en instanties (de hulp komt te laat of is niet adequaat doordat er te veel wordt doorgeschoven).
3.3 Samen leren vanuit leidende principes Wat het verleden duidelijk heeft gemaakt is dat er geen eenvoudige oplossingen zijn voor complexe problemen. Het is een proces van zoeken en doen, uitproberen, reflecteren en aanpassen. Niet op eigen houtje maar met elkaar, dat wil zeggen uitwisselen met elkaar wat werkt en wat niet. Het is een proces van continue verbetering, maar dit moet wel vanuit een focus. Die focus of richting kan worden gegeven door overeenstemming over gedeelde uitgangspunten of leidende principes.
Ten tweede sluit het proces van indicatiestelling niet aan bij de problematiek van huiselijk geweld: de indicatiestelling is gebaseerd op de mate van individuele zelfredzaamheid, terwijl het bij huiselijk geweld gaat om onveiligheid en relatieof gezinsdynamiek. Het is onvoldoende mogelijk binnen de huidige indicatiesystematiek integraal en systeemgericht maatwerk te leveren: binnen de huidige Wmo-systematiek ligt daarom niet de oplossing. Ten derde is de regiefunctie op wijkniveau (dikwijls) onduidelijk en de samenwerking tussen Veilig Thuis, wijkteams, jeugdbescherming, politie en andere netwerkpartners problematisch. Deels hangt dit samen met onduidelijkheid over elkaars taken en bevoegdheden, waardoor ook mechanismen van opschalen en afschalen problematisch zijn. Ook zijn er problemen in de informatiedeling door het ontbreken van duidelijke afspraken.
De kwaliteit in de samenwerking neemt toe als iedereen dezelfde leidende principes hanteert. Uit de casuïstiekbesprekingen kwamen de volgende leidende principes naar voren: De leefwereld centraal. Dit wil zeggen flexibiliteit en maatwerk als dat nodig is om daarmee optimaal te kunnen aansluiten op de concrete leefsituatie in elke
28
Blijven leren. Om de samenwerking tussen de verschillende netwerkpartners te verbeteren is samen reflecteren van belang. In navolging van Utrecht47 zou er een infrastructuur moeten zijn waarin netwerkpartners bij elkaar komen op inhoudelijke bijeenkomsten en datasessies, en pilots worden georganiseerd. Sluit aan bij goede lokale successen om van te leren en op te reflecteren. Er zijn goede voorbeelden van samenwerking in de wijk tussen politie en wijkteams, of van wijkteamoverstijgende samenwerking als partners of gezinsleden in verschillende wijken wonen. Een vervolg veranderstrategie zou kunnen zijn: nieuwe manieren van samenwerken uitproberen en bij gebleken succes breder invoeren.
specifieke casus. Meer ruimte om te doen wat nodig is in plaats van te moeten voldoen aan standaardprotocollen en productienormen. Voorkomen is beter dan genezen. Hoe eerder steun, hulp en bescherming, hoe beter. Het is niet makkelijk voor mensen die met geweld in de relatie of het gezin te maken hebben ermee naar buiten te treden en hulp te zoeken. Daarom is laagdrempelige toegang tot hulpverlening noodzakelijk. Geen tijd te verliezen. Dit betekent geen wachtlijsten voor mensen die aankloppen met huiselijk geweld. Direct handelen gaat voor het aanvragen van een indicatie (bijvoorbeeld via spoedarrangementen). Doorverwijzen is geen optie. Het geheel is meer dan de som der delen. Huiselijk geweld is complex. Het eerste contact is heel belangrijk, waarbij het hele (gezins- of relatie)systeem, de onderlinge interactie, aandacht behoeft. Dit vereist hoge kwaliteit van professionals en specialisten aan de voorkant, met gedegen kennis van huiselijk geweld, die werken vanuit de gefaseerde ketenzorg: eerst voldoende veiligheid, daarna gezamenlijk werken aan duurzame veiligheid en herstel.
3.4 Oplossingsrichtingen Het belangrijkste is dat de slagkracht van de hulpverleners wordt verhoogd. Dit is mogelijk door een laagdrempelige toegang en korte lijnen naar hulp en bescherming, en een ontkokerde financiering.
• Meer mogelijkheden tot parallel werken i.p.v. volgtijdelijk, d.w.z. de oplos-
Niet na elkaar maar met elkaar. Ketenpartners werken samen met één gezin en niet naast of na elkaar. Effectieve samenwerking, zoals tussen wijkagent en wijkteam, mag niet afhankelijk zijn van personen maar wordt vastgelegd in stedelijke afspraken met organisaties om zo samen te werken. Zorg voor een duidelijke regiefunctie. Regie betekent ook knopen kunnen doorhakken als organisaties er samen niet uitkomen.
singsrichting is dat elke melding bij Veilig Thuis ook tegelijkertijd op wijkniveau wordt opgepakt zodat hulp en bescherming tegelijk kunnen starten en er wordt samengewerkt.
• Op wijkniveau moet de netwerksamenwerking (weer) versterkt worden en
dit houdt eveneens in dat de mogelijkheden tot informatiedeling worden vergroot.
47 Gemeente Utrecht, Kritische blik, januari 2020 (geraadpleegd april 2020: https://www.swvutrechtpo.nl/ uploads/partners/kritische-blik-magazine.pdf
29
• Een arrangement huiselijk geweld voor een (gezins)systeemaanpak is nood-
rapeut, VTRR, politie, Wmo’er, Fier en Arosa, reclassering, ggz. Er is een coördinator.
zakelijk om de juiste bescherming en hulp te kunnen bieden. Dit vergt een ontkokerde financieringsstroom buiten de huidige Wmo-indicatiesystematiek om.
Van belang is dat snel hulp wordt verleend. Hoe dit precies moet worden geregeld vraagt nadere uitwerking. Een manier is de melding bij Veilig Thuis tegelijkertijd ook naar deze wijkteamoverstijgende netwerken huiselijk geweld te sturen. Op die manier wordt er een schakel in de keten tussenuit gehaald zodat er minder doorverwijzing is en sneller kan worden gehandeld. In het wijkteamoverstijgende netwerk zitten bijvoorbeeld twee wijkteammedewerkers die de meldingen die binnenkomen direct oppakken en aan de slag kunnen, bij mensen op huisbezoek kunnen, en hulp kunnen inzetten. De lijnen zijn kort. Er kan samengewerkt worden met de (wijk)politie als er ernstige veiligheidsproblematiek speelt. Dit geeft de medewerker meer vertrouwen en de veiligheidsvraagstukken liggen zo sneller op tafel. Als kindproblematiek op de voorgrond staat, kan iemand van jeugdbescherming mee, of bij psychiatrische problematiek iemand van de ggz.
• De voorwaarden voor maatwerk moeten worden vergroot: flexibiliteit in
inzet van budgetten en menskracht, onorthodoxe oplossingen voor structurele problemen op het vlak van huiselijk geweld, zoals time-out-woningen, (de-)escalatiemogelijkheden scheppen en stimuleren dat professionals die gebruiken.
De volgende stap is het dichterbij brengen van deze oplossingsrichtingen. Uit het onderzoek kwamen drie concrete gewenste veranderingen naar voren: ontwikkel wijkteamoverstijgende netwerken huiselijk geweld (ongeveer tien), creëer verschillende vormen van laagdrempelige toegang in de wijk en ontwikkel een arrangement huiselijk geweld en kindermishandeling buiten de Wmo-systematiek om.
Naast directe hulp is er ook regelmatig, eens in de twee of drie weken, een casusoverleg, zo mogelijk met alle betrokkenen (ook de cliënt). Dit casusoverleg is gericht op gezamenlijk doen, concrete afspraken worden gemaakt en knopen worden doorgehakt. De teams krijgen een slagvaardig karakter: per casus schuiven alleen die professionals aan die daadwerkelijk een bijdrage kunnen leveren aan oplossingen voor de situatie. De regierol moet duidelijk belegd zijn. Er worden heldere afspraken gemaakt over ieders inzet, en er wordt een grondslag gelegd voor informatiedeling als er geen toestemming is van cliënt. Als betrokkenen het niet eens kunnen worden of er is een maatwerkoplossing mogelijk die niet binnen de bestaande (financiële) kaders gerealiseerd kan
Wijkteamoverstijgende netwerken huiselijk geweld De wijkteamoverstijgende netwerken huiselijk geweld hebben tot doel direct hulp en bescherming te bieden, zowel doordat wijkteammedewerkers huiselijk geweld direct erop afgaan, als door de netwerksamenwerking. Een netwerk huiselijk geweld is een multidisciplinair team dat gericht is op huiselijk geweld en kindermishandeling, en valt binnen de wijkteamstructuur. De leden bestaan onder meer uit gezinscoaches, maatschappelijk werkers/ agogen met specialisatie huiselijk geweld, een gedragsdeskundige, systeemthe-
30
worden, dan heeft de casusregisseur opschalingsmogelijkheden zodat stagnatie voorkomen kan worden.
elkaar te ontmoeten, en waar ervaringsdeskundigen ondersteuning kunnen bieden naast de aanwezige ambulante zorg.
Naast de directe samenwerkingspartners is er ook verbinding met de specialisten bij CSG, CHG en ZVHRR.
Van indicatiestelling naar arrangement huiselijk geweld en kindermishandeling In geval van geweld in een relatie of gezin is een systeemgerichte benadering essentieel, waarbij een integraal plan wordt opgesteld waarvoor ook integrale financiering nodig is. Bovendien gaat het niet alleen om hulp verlenen, maar ook, of zelfs eerst, om het waarborgen van voldoende veiligheid. Geweld in relaties en in gezinnen bestaat uit verschillende relatiedynamieken, en kent verschillende risicofactoren en beschermende factoren. Een andere manier dan de op zelfredzaamheid en individuen gerichte Wmo-systematiek om tot een arrangement huiselijk geweld te komen, zou kunnen zijn om inhoudelijke profielen als uitgangspunt te nemen en daar verschillende treden voor in te bouwen. Het arrangement huiselijk geweld wordt ontwikkeld vanuit de inhoud en niet vanuit het procedurele denken. Uitgangspunt is dat het arrangement is gericht op het bieden van directe bescherming, duurzame veiligheid waarbij zorg en bescherming integraal worden ingezet, en het is bovendien gericht op herstel van alle gezinsleden. Normatieve en inhoudelijke afwegingen staan voorop, waarbij beide partners of de betrokken gezinsleden uitgangspunt zijn.50
Laagdrempelige toegang Laagdrempelige toegang betekent dat vrouwen, mannen en kinderen zonder voorportalen naar het wijkteam kunnen en daar indien nodig direct hulp krijgen, ongeacht of er een melding van huiselijk geweld ligt bij Veilig Thuis. Het is belangrijk dat er plekken in de wijk zijn waar slachtoffers en plegers naartoe kunnen voor een gesprek of voor bescherming. Dit zijn plekken naast de hierboven genoemde wijkteamoverstijgende teams huiselijk geweld. Het kunnen Huizen in de wijk zijn, of spreekuren in de wijk bij een gezondheidscentrum of andere laagdrempelige plekken. Ook het CHG zou, net als het CSG, een laagdrempelige plek moeten zijn.48 Het gaat om laagdrempelige voorzieningen waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.49 Daarnaast moet worden voorkomen dat vrouwen (met kinderen) gaan zwerven omdat er geen opvangplek is. Toegang tot opvang moet eenvoudig en direct toegankelijk zijn, zeker ’s avonds en ’s nachts. Vrouwen die voldoende zelfredzaam zijn en waar de dreiging niet acuut is, zouden tijdelijke huisvesting/opvang moeten krijgen, bijvoorbeeld in omgebouwde scholen of kantoren. In die huisvesting zou een plek moeten zijn om
Binnen het hele spectrum van huiselijk geweld doemen verschillende (elkaar deels overlappende) profielen op, zoals 1. dwangmatige controle binnen de relatie of het gezin (wat voortgezet wordt na het verbreken van de relatie, stal-
48 Vanuit de ervaringsdeskundigen werd de zorg uitgesproken dat het CHG een ver van de vrouwen afstaand centrum zou worden, en benadrukt dat er juist behoefte is aan laagdrempelige (opvang) voorzieningen.
50 Een zorg-/beschermingsarrangement zet de samenwerking en afstemming langs inhoudelijke criteria op (Lünnemann et al., 2005; Lünnemann, 2009b). Doordat in de arrangementen de leefwereld leidend is en niet de systeemwereld, is meer maatwerk mogelijk (Siegers, 2016).
49 De werkgroep Stop geweld tegen vrouwen heeft hier ook ideeën voor aangedragen.
31
3.5 Slagkracht vergroten
king); 2. hoog stressniveau in het gezin, waar op verschillende leefgebieden problemen zijn, wat tot conflicten en geweld leidt; 3. kindproblematiek staat op de voorgrond, bijvoorbeeld probleemgedrag van kinderen veroorzaakt door geweld thuis of aangeboren problematiek; 4. ggz- of lvb-problematiek; 5. vechtscheidingen. 51 Deze profielen, die niet uitputtend zijn, vereisen (deels) andere vormen van bescherming en zorg en daarmee ook een andere trede binnen het arrangement. In geval van dwangmatige controle is bijvoorbeeld intensieve bescherming nodig van slachtoffers gecombineerd met psychologische hulp aan slachtoffers, hooggekwalificeerde specialistische professionals om de pleger te motiveren, en kindgerichte steun of traumabehandeling. In geval van ggz- of lvb-problematiek zal het FACT-team of het wijkteam de belangrijkste rol spelen. Elke trede omvat een integraal plan (waarin huiselijk geweld en kindermishandeling integraal worden benaderd) en omvat zowel individuele hulp aan de verschillende betrokkenen (vrouw, man, kind) als gezamenlijk hulp vanuit dezelfde financiering. Daarnaast is het belangrijk dat er ruimte is voor overleg met netwerkpartners uit de verschillende domeinen (veiligheid, zorg, welzijn) als onderdeel van het arrangement.
Een arrangement mag niet in tijd worden beperkt, omdat het dikwijls een langdurig proces tot verandering is, en terugval een normaal onderdeel is van het veranderingsproces. Een arrangement huiselijk geweld sluit aan op de naar voren gebrachte wijkteamoverstijgende netwerken huiselijk geweld. Verschillende organisaties kunnen hulp of bescherming bieden binnen het arrangement.
De aanpak huiselijk geweld vergt een gezamenlijke visie en organisatorische en financiële voorwaarden voor een integrale aanpak, gericht op systeemgerichte (gezin/relatie) hulp en een directe toegang tot hulp en bescherming. In wezen komt het erop aan de slagkracht van professionals te vergroten. De leidende principes zijn hierin een houvast en geven richting. Dit sluit aan bij de beleidsuitgangspunten van de gemeente Rotterdam dat er een verbinding dient te zijn tussen zorg, veiligheid, welzijn en jeugd en dat structuren en randvoorwaarden ondersteunend moeten zijn.
51 Dit is een bevinding van een (deel)onderzoek onder 74 gezinnen die zijn gemeld bij Veilig Thuis. Er zijn 58 moeders, 19 vaders en 22 kinderen geïnterviewd over de relatiedynamiek en de ervaren hulp. Najaar 2020 verschijnt hierover een publicatie. Zie interview met Lünnemann, 7 december 2019, Augeo.
32
4
Conclusie en aanbevelingen
4.1 Inleiding
Huiselijk Geweld een belangrijke rol spelen als vormen van multidisciplinaire samenwerking. Zij richten zich op langdurige complexe problematiek waar strafbare feiten zijn geconstateerd. Dit betreft echter slechts een (klein) deel van het geweld dat plaatsvindt in relaties en gezinnen. Het grootste deel van huiselijk geweld waarvoor hulp wordt ingezet, wordt geboden op wijkniveau. Het meest urgente probleem in de aanpak van huiselijk geweld bevindt zich in het sociaal domein en de aansluiting tussen het sociaal domein (wijkteams) en de ketenaanpak ‘zorg- en veiligheidsdomein’. In de tweede fase van het onderzoek zijn we hierop ingegaan.
Rotterdam heeft een jarenlange staat van dienst in de aanpak van huiselijk geweld en verschillende vernieuwingen met soms landelijke impact voor elkaar gekregen. Denk aan de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling of de wijze waarop de uitvoering van het tijdelijk huisverbod bij huiselijk geweld is opgepakt. Maar de problematiek van huiselijk geweld en kindermishandeling is omvangrijk en complex. Veel verschillende instellingen in het zorg- en veiligheidsdomein, waaronder gemeentelijke instellingen, zijn erbij betrokken. Het is een continu proces van zoeken en doen, van uitwisselen wat werkt en niet werkt, van voortdurend verbeteren en aanpassen. Er zijn geen pasklare oplossingen.
Uit het onderzoek kwamen als belangrijkste knelpunten naar voren:
• De wijze waarop Rotterdam het sociaal domein heeft georganiseerd, draagt
Naar aanleiding van de gewelddadige dood van Sarah, Bianca en Humeyra heeft de gemeenteraad van Rotterdam aan het Verwey-Jonker Instituut gevraagd uit te zoeken wat volgens de instellingen betrokken bij de aanpak van huiselijk geweld de meest urgente problematiek is en welke oplossingen voor deze meest urgente problematiek wenselijk zijn. Personen van twintig Rotterdamse instellingen, waaronder de gemeente, hebben deelgenomen aan gesprekken en/of waren betrokken bij een van de drie casuïstiekbesprekingen. Ook is gesproken met slachtoffers van partnergeweld over hun ervaringen en gewenste oplossingen. Daarnaast heeft een deskresearch plaatsgevonden van beleidsstukken.
bij aan onduidelijkheden rond taken en bevoegdheden van verschillende instellingen. De toegang tot de juiste hulp is complex en langdurig. Er zijn verschillende loketten en er is geen directe toegang tot de wijkteams en crisisopvang. Dit draagt eraan bij dat slachtoffers van huiselijk geweld niet snel toegang hebben tot adequate hulp.
• De regiefunctie op wijkniveau is (dikwijls) onduidelijk en de samenwer-
king tussen Veilig Thuis, wijkteams, jeugdbescherming, politie en andere netwerkpartners is problematisch. Met het instellen van 42 generieke wijkteams en het opheffen van de lokale teams huiselijk geweld is bovendien veel kennis omtrent huiselijk geweld versnipperd geraakt en verdwenen.
4.2 Resultaten Uit de eerste fase van het onderzoek kwam naar voren dat de meest urgente knelpunten in de samenwerking tussen instellingen van het veiligheidsdomein en zorgdomein niet liggen op het stedelijke niveau, waar het Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam-Rijnmond (ZVHRR) en het recent opgerichte Centrum
• De aanpak huiselijk geweld is binnen de Wmo-systematiek niet goed geborgd
door de wijze van indicatiestelling. Deze is gebaseerd op het uitgangspunt van zelfredzaamheid en is individugericht. Het gaat in het geval van huiselijk geweld om het bieden van bescherming naast ondersteuning en hulp.
33
• Het is belangrijk dat meldingen van huiselijk geweld zo min mogelijk worden
Bovendien gaat het om een relatie- of gezinsdynamiek waarbij een integraal aanbod en gezinsgerichte hulp noodzakelijk is.
doorverwezen. Invoering van een aantal wijkteamoverstijgende netwerken huiselijk geweld kunnen hieraan bijdragen. Deze netwerken huiselijk geweld dragen bij aan het direct bieden van de juiste hulp en bescherming doordat de melding bij Veilig Thuis direct wordt opgepakt, deskundigheid wordt gebundeld, korte lijnen ontstaan tussen de verschillende instellingen en de gezamenlijke slagkracht van professionals daarmee wordt vergroot. Het (gezamenlijk) aanpakken van de problemen staat dan voorop, en niet het doorverwijzen naar de juiste instantie.
• Professionals in Rotterdam ervaren weinig ruimte om te doen wat nodig is; de systeemwereld van protocollen en regels wordt als dominant ervaren, waardoor de aansluiting bij de leefwereld van mensen (te vaak) ontbreekt.
4.3 Oplossingsrichtingen Tegen deze achtergrond zijn verschillende oplossingsrichtingen naar voren gebracht.
• Essentieel is dat financiering van (langdurige) gezinsgerichte hulp en
Het belangrijkste is dat de leidende principes van waaruit samengewerkt wordt om de goede hulp en bescherming te bieden, ook echt als leidende principes worden erkend en doorvoeld door de verschillende netwerkpartners binnen de domeinen van zorg, welzijn, jeugd en veiligheid.
bescherming mogelijk wordt gemaakt; een integraal, financieel ontschot budget is noodzakelijk. Binnen de huidige Wmo-indicatiestelling lijkt dit niet mogelijk; het toevoegen van een resultaatgebied huiselijk geweld botst met de ZRM-methodiek omdat het niet om zelfredzaamheid gaat maar om onveiligheid en de noodzaak van bescherming. In deze studie zijn aanzetten gegeven voor een andere manier van indicatiestelling, door arrangementen te ontwikkelen vanuit de concrete problematiek.
Het gaat om de volgende leidende principes:
• de leefwereld centraal; • voorkomen is beter dan genezen; • geen tijd te verliezen; • het geheel is meer dan de som der delen; • niet na elkaar maar met elkaar.
De hiervoor aangegeven veranderingen sluiten aan bij de drie lijnen van de regionale visie huiselijk geweld en kindermishandeling (Geweld Hoort Nergens Thuis).
Daarnaast zijn organisatorische veranderingen nodig.
4.4 Met elkaar aan de slag
• Het is van groot belang dat er een laagdrempelige toegang is. Het huidige
De eerste stap moet zijn om met elkaar aan tafel te gaan om de bevindingen en voorgelegde oplossingen te bespreken en de leidende principes verder te concretiseren.
systeem is te complex, en dient eenvoudiger te zijn. Directe toegang tot het wijkteam en plekken in de wijk waar mensen terechtkunnen voor een luisterend oor en steun, zijn essentieel.
34
Vervolgens zijn gemeente en gemeenteraad, elk vanuit hun eigen taak en bevoegdheid, aan zet om de voorwaarden te scheppen voor een daadwerkelijke verbetering.
• Zorg voor laagdrempelige toegang voor slachtoffers van huiselijk geweld. • Vergroot de netwerksamenwerking binnen het sociaal domein door wijkteamoverstijgende teams die er direct op af kunnen gaan.
• Ontwikkel een arrangement huiselijk geweld vanuit de concrete problematiek en buiten het huidige systeem van indicatiestelling via een ontschot budget.
Tot slot geldt voor alle ketenpartners:
• Investeer in reflectiebijeenkomsten ketenbreed op verschillende niveaus om
de leidende principes aan te scherpen en een gezamenlijke visie, gebaseerd op concrete casussen, te verdiepen.
35
Literatuur
Atria, Geweld tegen vrouwen, 2016. Verkregen van: https://atria.nl/nieuws-publicaties/geweld-tegen-vrouwen/geweld-tegen-vrouwen-feiten-en-cijfers/
Een wet tegen huiselijk geweld. Naar een sluitende aanpak van huiselijk geweld. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht. November 2008.
Beleidsinstrument. Inzicht in de problematiek van gezinnen gemeld bij Veilig Thuis (2020). Verwey-Jonker Instituut & Augeo. Verkregen van: https://www. augeo.nl/-/media/Files/Beleidsinstrument--problematiek-gezinnen.ashx
Van Eijkern, L., Downes, R., & Veenstra, R. (2018). Slachtofferschap van huiselijk geweld: Prevalentieonderzoek naar de omvang, aard, relaties en gevolgen van slachtofferen plegerschap. Den Haag: Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum, Ministerie van Veiligheid en Justitie.
Bosker, J., Kleijer-Kool, L., Lünnemann, K.D., & Zuurbier, M. (2018a). Ruim baan voor betekenisvol maatwerk. Onderzoek naar de samenwerking tussen OM en reclassering, en DJI en reclassering en naar de kwaliteit en bruikbaarheid van reclasseringsadviezen. Utrecht: Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
Gemeente Rotterdam (2016). Zorg voor elkaar: Het Rotterdamse plan voor de doorontwikkeling zorg, welzijn en jeugdhulp 2018. Verkregen van https://www. rotterdam.nl/werken-leren/zorg-voor-elkaar/16bb5388_Zorg_voor_elkaar__ versie_5-7-2016_.pdf
Bosker, J., Lünnemann, K., Hemrica, J., Smeenk, W., & Bitter, L. (2018b). SAVE in woord en daad. Samen werken aan veiligheid, eigen kracht en regie in de (preventieve) jeugdbescherming en jeugdreclassering in Midden-Nederland. Utrecht: Kenniscentrum Sociale Innovatie, Hogeschool Utrecht.
Gemeente Rotterdam (2019). Bouwen aan een toekomst zonder geweld: De Rotterdamse aanpak om huiselijk geweld, kindermishandeling en seksueel geweld terug te dringen (2019 – 2022).
Boutellier, H., Boelens, M., & Hermens, N. (2019). Weerbare wijken tegen ondermijning: Contouren van een nieuwe strategie. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Gemeente Rotterdam (2019). Zorg goed geregeld: merkbaar minder regeldruk voor Wmo-zorgaanbieders. Verkregen van https://www.rotterdam.nl/wonenleven/aanpak-admin-lasten/Actieplan_Vermindering-Regeldruk.pdf
Boutellier, H., & Lünnemann, K. (2007). Dokteren aan disciplinering: Noties achter straf en zorg bij mensen met een psychische of psychiatrische stoornis die crimineel gedrag vertonen. In Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling RMO. Straf en zorg: een paar apart: Passende interventies bij delictplegers met psychische en psychiatrische problemen (pp. 87-118). Den Haag: RMO.
Geweld hoort nergens thuis: Aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling. Programma voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling in de periode 2018-2021. Verkregen van: https://www.rijksoverheid.nl/ onderwerpen/huiselijk-geweld/documenten/beleidsnota-s/2018/04/25/ geweld-hoort-nergens-thuis-aanpak-huiselijk-geweld-en-kindermishandeling
Dijk, A. van (2019, 7 november). ‘De meeste gezinnen lijken in een profiel te passen’. Interview met Mr. dr. Katinka Lünnemann. Verkregen van: https:// www.augeomagazine.nl/nl_NL/17073/239695/interview_-_5_gezinsprofielen.html
Geweld hoort nergens thuis: Regiovisie 2020-2023 en regionaal actieplan 20192021. Regio Rotterdam-Rijnmond. Verkregen van: https://www.brielle.nl/ bestuur/raadsvergaderingen_44231/agenda/gemeenteraad_19429/702-concept-regiovisie-actieplan-regioplanpdf_4516912.pdf 36
Goedhart, M. & Choy, J. (2011). Multifocus, de kracht van verbinden. Een handreiking voor een gezinsgerichte aanpak van huiselijk geweld. Venlo: Mutsaersstichting.
Lünnemann, K.D., Boutellier, H., Goderie, M., & Graaf, P. van der (2005). Beschermingsarrangementen: Recht doen vanuit het perspectief van de burger. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
GREVIO’s (Baseline) Evaluation Report on legislative and other measures giving effect to the provisions of the Council of Europe Convention on Preventing and Combating Violence against Women and Domestic Violence (Istanbul Convention) Netherlands. (2020). Verkregen van: https://www.coe.int/en/web/istanbul-convention/-/grevio-publishes-its-report-on-netherlands
Lünnemann, K.D, Loeffen, M., Steketee, M., Hoefsloot, T. & Bel, K. (2018). Domein overstijgende aanpak MPG. Voorbij de scheiding tussen veiligheidsdomein en zorgdomein. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut/Radar Advies.
Nederlandse versie GREVIO’s evaluatierapport: https://www.rijksoverheid.nl/ documenten/rapporten/2020/01/20/grevios-evaluatierapport
Lünnemann, K.D., Compagner, M., Drost, L., & Tierolf, B. (2020). Ups en downs tijdelijk huisverbod binnen de G4. Verklaringen voor daling aantal tijdelijk huisverboden in de G4 en inzichten voor de toekomst. Utrecht: VerweyJonker Instituut.
Groen, M. & Lawick, J. van (2015). Intieme oorlog. Over de kwetsbaarheid van familierelaties. Amsterdam: Van Gennep.
Manifest Stop geweld tegen vrouwen (2020). Werkgroep Stop geweld tegen vrouwen. Rotterdam.
Inspectie Justitie en Veiligheid (z.d.). Inspectieonderzoek naar de aanpak van de stalking door Bekir E. Verkregen van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2019/10/09/inspectieonderzoek-naar-de-aanpak-van-destalking-door-bekir-e
Montfoort, A.J. van, Verhagen, A., Sondorp, J.E., & Torregrosa, L.D.R. (2018). Samenwerking en doorlooptijden in de jeugdbeschermingsketen. Onderzoeksrapport Midden- en West Brabant. Woerden: Van Montfoort. Perspectief 2022. Regionale aanpak Straf met zorg, 2019. ZVHRR & ZSM Rotterdam.
Lenferink, H. (2017). Eindrapportage Lenferink over kinderen in de maatschappelijke en vrouwenopvang. Verkregen van: https://www.rijksoverheid.nl/ documenten/rapporten/2018/04/26/eindrapportage-lenferink-over-kinderen-in-de-maatschappelijkeen-vrouwenopvang
Raad voor het Openbaar Bestuur (2020). Advies Decentrale taak is een politieke zaak. Naar een sturende rol van de gemeenteraad in het sociaal domein. Verkregen van: https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2020/02/13/advies-decentrale-taak-is-politieke-zaak
Lünnemann, K.D. (2009a). Zicht op de Rotterdamse Meldcode. Evaluatie meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Siegers, A. (2016). De nieuwe route. Verkregen via www.Pumbo.nl
Lünnemann, K.D. (2009b). WMO en het nut van een beschermingsarrangement. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
Tierolf, B., Lünnemann, K., & Steketee, M. (2014). Doorbreken geweldspatroon vraagt gespecialiseerde hulp. Onderzoek naar effectiviteit van de aanpak huiselijk geweld in de G4. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut.
37
Vaststellen Regiovisie Geweld hoort nergens thuis. Brief aan de gemeenteraad van 17 december 2019. Veilig Thuis (2019). Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond 2019 in cijfers. Verkregen van https://veiligthuisrr.nl/nieuws/2019-in-cijfers/factsheet-vtrr-2019-in-cijfers/ Veilig Thuis (2019). Halfjaarrapportage Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond: januari – juni 2019. Veiligheid Voorop! Ontwikkelagenda justitiepartners en Veilig Thuis in meerjarig perspectief ten aanzien van de gezamenlijke aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. (2018). Verkregen van: https://vng.nl/sites/default/files/ pagina_attachments/2016/veiligheid_voorop_-_ontwikkelagenda_landelijk_ netwerk_zorg_en_straf_hg_en_km.pdf Verwijs, R., Lünnemann, K., Tierolf, B., & Smit, W. (2012). Evaluatie van de Rotterdamse meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. Vogtländer, L., & Arum, S. van (2016). Eerst samenwerken voor veiligheid, dan samenwerken voor risicogestuurde zorg. Een duurzame visie op ketenzorg bij kindermishandeling, huiselijk geweld en seksueel misbruik en de centrale rol hierbij van het triage-instrument Veilig Thuis. Utrecht / Den Haag: GGD GHOR/VNG.
38
Bijlage 1: Betrokken organisaties en sleutelfiguren
Betrokken organisaties inventarisatie ronde (fase 1):
Betrokken organisaties bij de casuïstiekbesprekingen (fase 2):
1. Arosa
1. Arosa
2. Centrum voor Dienstverlening (CVD)
2. Centraal Onthaal
3. Fier
3. Centrum Huiselijk Geweld en Kindermishandeling Rotterdam-Rijnmond
(Centrum Huiselijk geweld)
4. Gemeente Rotterdam (afdeling Maatschappelijke Ontwikkeling in de Wijk
4. Dock
(MOW)) 5. Politie
5. Enver
6. Reclassering
6. Gemeente Rotterdam
7. Slachtofferhulp
7. Openbaar Ministerie
8. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond
8. Orthopedagoog, zelfstandig ondernemer
9. Zorg- en Veiligheidshuis Rotterdam Rijnmond (ZVHRR)
9. Politie
10. Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond
10. Reclassering
11. Centrum Huiselijk Geweld en Kindermishandeling Rotterdam-Rijnmond
11. Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond
(Centrum Huiselijk geweld)
12. Vraagwijzer 13. Zorgconsulaat gemeente Rotterdam
Betrokken sleutelfiguren fase 2, werkzaam bij de volgende instanties:
14. ZVHRR
1. Beleidsadviseur/projectleider Huiselijk geweld, Gemeente Utrecht 2. Regio coördinator Rotterdam-Rotterdam Geweld Hoort Nergens Thuis
Deelnemers klankbordgroep
3. Manager Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond
1. Manager Veilig Thuis Rotterdam Rijnmond
4. 5 wijkteammedewerkers (vanuit Dock en Enver)
2. Proces regisseur HG Zorg en veiligheidshuis Rotterdam Rijnmond
5. Bovendien heeft een groepsgesprek plaatsgevonden met drie cliënten van
3. Manager Fier
een wijkteam en drie ervaringsdeskundigen huiselijk geweld.
4. Beleidsadviseur HG, ExpertiseTeam MOW, Gemeente Rotterdam
39
Bijlage 2: Besproken casuïstiek
Casus besproken op eerste casuïstiekbespreking
Arosa/Fier in te zetten. Dit bleek voor de moeder goed te werken maar had onvoldoende effect op het gedrag van de vader. Het (dreigende) geweld werd zo ernstig dat mevrouw niet langer in huis durfde te blijven wonen. Zij kwam echter niet in aanmerking voor de crisisopvang omdat er geen sprake was van acute dreiging. Arosa/Fier verwees mevrouw toen naar het team Beschermd wonen. Team Beschermd wonen verwijst haar door naar Centraal Onthaal. Mevrouw meldde zich toen bij Centraal Onthaal voor een plek in de maatschappelijke opvang. Daar kreeg ze te horen dat zij niet voldeed aan de criteria omdat er geen sprake is van acute dakloosheid, maar van een huisvestingsvraag. Centraal Onthaal verwijst mevrouw terug naar het wijkteam. Omdat zij niet langer thuis woont weet mevrouw niet meer bij welk wijkteam ze moet aankloppen. Bovendien heeft het wijkteam haar eerder overgedragen aan specialistische hulp dus het leek haar niet zinvol in deze geëscaleerde situatie weer naar een wijkteam te gaan.
Moeder (36) en vader (38) van zoontje van 6. Mevrouw is kostwinner en heeft een administratieve baan bij een Rotterdams bedrijf. Echtgenoot werkt onregelmatig in de post- en pakketbezorging. Hij is sterk veranderd sinds de geboorte van het zoontje: wantrouwend, controlerend, gewelddadig en hij heeft problemen met alcohol. Toen op een dag het zoontje getuige was van fysiek geweld heeft moeder de politie gebeld. De politie stuurde de melding door naar Veilig Thuis. Vervolgens hield Veilig Thuis een aantal gesprekken, constateerde dat er geen sprake was van crisis en verwees door naar het wijkteam. Daarbij gaven ze aan dat er volgens hen specialistische begeleiding van bv. Fier of Arosa op het vlak van huiselijk geweld noodzakelijk is. Het wijkteam verwees Veilig Thuis door naar de Vraagwijzer om toegang tot het wijkteam te krijgen. Daar doet mevrouw opnieuw haar verhaal waarna ze alsnog naar het wijkteam wordt doorgestuurd. Daar duurde het vanwege de wachttijden even voor mevrouw bezocht werd. Na enkele weken kwam er een wijkteammedewerker met ervaring en expertise op het vlak van huiselijk geweld bij haar thuis. Die heeft samen met mevrouw een Veiligheidsplan opgesteld. Omdat het goed klikte tussen mevrouw en de wijkteammedewerker en omdat het wijkteam zich ook om het zoontje bekommerde, spraken zij samen af dat het wijkteam de begeleiding zou gaan doen.
Ondertussen werd haar echtgenoot steeds wantrouwender over waar mevrouw allemaal mee bezig was, nam de dreiging van geweld verder toe en werd mevrouw nog steeds af en toe geslagen. Het zoontje had ernstig onder de situatie te lijden, huilde veel, sliep slecht en ging weer in bed plassen. Het wijkteam vond de situatie uiteindelijk te ernstig worden en besloot alsnog specialistische hulp van
Met haar zoontje heeft zij toen drie maanden langs vriendinnen gezworven. Omdat er geen zicht kwam op een andere oplossing is zij uiteindelijk noodgedwongen terug naar huis gegaan. Daar ging het aanvankelijk goed omdat meneer flink geschrokken was van het vertrek van zijn vrouw en zoontje. Na twee maanden liep de spanning echter weer op, kwamen er weer regelmatig situaties van (dreigend) geweld voor en was mevrouw met haar zoontje in feite weer terug bij af.
40
Casus besproken op tweede casuïstiekbespreking
Veilig Thuis maar vanwege wachttijden heeft Veilig Thuis nog geen contact met het gezin opgenomen. Daarom meldt oma zelf de situatie aan bij Veilig Thuis vanwege de dreiging en de onveilige situatie bij moeder thuis. Veilig Thuis spreekt beide ouders los van elkaar, maakt veiligheidsafspraken en stelt voor dat er snel hulp en ondersteuning geboden wordt.
Een alleenstaande moeder van 26 jaar heeft twee kinderen, een meisje van drie jaar en een jongen van tien. Zij werkt drie dagen in de week in de kantine van een verzekeringsmaatschappij. De kinderen zijn van twee verschillende vaders. De vader van de jongen is niet meer in beeld. Mevrouw is ook gescheiden van de vader van het jongste kind. Hij speelt nog wel een rol in het gezin. Hij is verslaafd aan alcohol, crimineel, gewelddadig (ook binnen het gezin) en een bekende van de politie. Hij heeft vastgezeten voor geweldspleging in het uitgaansleven en heeft daarna een traject doorlopen bij de Reclassering.
Veilig Thuis neemt contact op met het wijkteam. Er spelen meerdere vragen: specialistische hulp voor het meisje, begeleiding van de moeder en het maken van afspraken over omgang. Het wijkteam geeft aan een wachtlijst te hebben en dat er geen expertise is in hun team om dit op te pakken. Het wijkteam is ook de toegang tot andere hulp en zorg. Dit loopt niet, wordt opgeschaald en blijft liggen.
De vader van het jongste kind heeft geen ouderlijk gezag. Er zijn onduidelijkheden rond de bezoekregeling. De vader probeert het gezin nog regelmatig te bezoeken met als belangrijkste doel om contact te krijgen met zijn kind. De moeder vindt het niet veilig genoeg om haar jongste kind met haar vader in contact te laten komen. De bezoekjes van vader gaan meestal gepaard met veel conflicten, dreiging en soms fysiek geweld. Voor de moeder en de kinderen leidt dit tot veel spanningen en stress. Het jongste kind is erg angstig geworden en heeft regelmatige heftige emotionele uitbarstingen.
Vader blijft druk uitoefenen op het gezin om contact met zijn kind te krijgen. Oma blijft Veilig Thuis bellen dat er iets moet gebeuren. Ook belt zij regelmatig de politie als de dreiging toeneemt. Om vader rustig te houden organiseert Veilig Thuis een afspraak tussen vader en zijn dochtertje. Na meerdere mails van Veilig Thuis naar het wijkteam en de gemeente wordt besloten dat er vanuit een ander wijkteam een professional met ervaring en expertise rond huiselijk geweld aan de slag gaat.
Oma speelt een belangrijke ondersteunende rol in het gezin van haar dochter. Zij heeft een belangrijke rol in de opvoeding van de kinderen. De laatste weken maakt zij zich steeds meer zorgen over de toegenomen dreiging die er uitgaat van de bezoekjes van vader. Zij heeft al een aantal keer de politie gebeld als de vader weer langs komt en de situatie uit de hand dreigt te lopen. De politie komt dan langs maar doet niet veel meer dan de gemoederen tot rust brengen. Oma merkt dat er elke keer iemand anders van de politie komt die de voorgeschiedenis van het gezin niet kent. De politie zet wel de meldingen door naar
Het wijkteam gaat gesprekken houden met de moeder over hoe zij weerbaarder en zelfredzamer kan worden zodat zij beter om kan gaan met het op afstand houden van de vader. Een collega wijkteammedewerker richt zich op het jongste kind en bespreekt met moeder hoe zij zou kunnen handelen om de angst van het meisje te verminderen. Voor de aanpak van het (dreigende) geweld van de vader roept het wijkteam de hulp in van het expertiseteam. Daar krijgen zij het advies om het gezin door te verwijzen naar Arosa of Fier voor ambulante
41
begeleiding. De moeder heeft echter net een vertrouwensband opgebouwd met de twee wijkteammedewerkers en wil niet dat er weer een andere hulpverlener in het gezin komt. Moeder en kind krijgen nu ondersteuning en dat helpt hen, echter de dreigende situatie met de vader blijft voortbestaan.
Openbaar ministerie: de ZSM officier van justitie (OVJ) voorziet de casus de andere dag van een passende justitiële afdoening. In de ZSM komen ketenpartners desgevraagd bij de OVJ aan en voorzien de OVJ van informatie die zij beschikbaar hebben over het gezin. Daarnaast is het doel om te kijken of de casus complex is en een plan van aanpak nodig heeft in het Zorg veiligheidshuis.
Casus besproken op derde casuïstiekbespreking
Gemeente: Mevrouw is bekend bij het wijkteam van de gemeente i.v.m. vrijwillige jeugdzorg die via Veilig Thuis is aangevraagd. Mevrouw lijkt verstandelijk wat beperkt te zijn volgens het wijkteam (maar geen diagnose bekend). Het kindje is van haar partner, al heeft hij het niet erkend.
Casus 1 Man (38) is in de avond aangehouden en de dag erna nog binnen op het politiebureau. De aanhouding was op heterdaad n.a.v. een melding van zijn vriendin (29). Zij had zichzelf opgesloten in de badkamer met haar baby (8 maanden) en 112 gebeld. Zij was met een stoelpoot door haar partner op haar hoofd geslagen, en had op dat moment de baby in haar armen. Uit het eerste verhoor bij de politie blijkt dat de ruzie ging over het gebrek aan geld en de verslaving van haar partner. Het liep snel uit de hand. Het gezinsinkomen gaat grotendeels op aan wiet en alcohol volgens mevrouw, terwijl luiers belangrijker zijn.