Notulen raadsvergadering 2 november 2021
Tekst van het document
Het gaat om de vraag of er verschil is in de straten waarin deze wet is toegepast of niet. Je kunt erin lezen dat het niet duidelijk is maar ook dat het wel duidelijk is. Voor spreker staat in ieder geval vast dat 6o mensen met een overlastverleden uit deze wijken zijn ge weerd. Hij vindt het overigens ingewikkeld om een opmerking te krijgen over de aanpak van woonoverlast van DENK, omdat die partij recent nog voor een meldpunt voor het melden van woonoverlast heeft gepleit, iets wat naar zijn idee niet bijdraagt aan de aanpak van woonover last, een ongelooflijk groot probleem, waarmee veel mensen in de stad dagelijks worden ge confronteerd. De heer Ergin kent zo’n meldpunt niet maar hij hoort er graag meer over.
17
De Voorzitter wijst de heer Ergin erop, dat deze zo dadelijk nog het woord krijgt en dat een interruptie moet uitmonden in een vraag.
De heer Ergin citeert uit het document dat de Rotterdamwet vrijwel geen effect heeft. De Voorzitter vraagt wat de vraag van de heer Ergin is. De heer Ergin vraagt de VVD hoe zij aankijkt tegen deze conclusie uit het rapport.
De heer Janssen leest het anders en concludeert dat 6o mensen die een hoog risico vormen voor overlast in deze straten uit de meest kwetsbare straten in Schiedam zijn ge weerd. Spreker luistert altijd met veel belangstelling naar de bijdragen van DENK. Hij heeft van een fractiegenoot van de heer Ergin gehoord over het meldpunt. De heer Reuderink zegt dat het mevrouw Dokgöz was. De heer Badri acht woonoverlast een serieus en complex probleem dat door de ge meente moet worden aangepakt, omdat iedereen een kans verdient op een prettige woonom geving. Gelukkig maakt het college hiervan ook werk met verschillende instrumenten, waar onder de Wbmgp. Wat de PvdA betreft kunnen niet genoeg maatregelen worden genomen om woonoverlast tegen te gaan en Schiedammers die er het slachtoffer van zijn te ondersteu nen, aangezien de overlast heel veel impact kan hebben op mensen, zoals hij uit ervaring weet. Wat de PvdA betreft is ieder geval er een te veel. De kern is het beschermen van kwets bare wijken en mensen die van deze bescherming afhankelijk zijn. Spreker constateert dat in de stad veel steun is voor verlenging op basis van de signa len die de PvdA heeft ontvangen. Hij had daarom graag gezien dat Schiedammers zouden zijn bevraagd en waren betrokken bij de huidige evaluatie. Gelukkig heeft de wethouder vorige week in de commissie toegezegd dit bij een volgende evaluatie te gaan doen.
Spreker zegt dat de PvdA herhaaldelijk heeft gepleit voor een meldpunt huisjesmel kers en overlast. De fractie zal voor het voorstel stemmen. De heer Mans concludeert dat de heer Janssen de stukken anders leest dan andere. Deze zegt namelijk consequent dat 60 potentiële overlastveroorzakers zijn geweerd, terwijl het er 40 waren. Spreker memoreert dat PS kritisch was toen de raad vier jaar geleden de invoering van de Wet bijzondere maatregelen grootstedeljke problematiek besprak. Aangezien andere artikelen dan de artikelen 9 en 10 naar de mening van de fractie te discriminerend waren, eiste zij alleen die artikelen in te voeren. Art. 9 geeft voorrang aan bepaalde beroepsgroepen en art. 10 staat een weigering toe als een nieuwe bewoner eerder overlast heeft gegeven, mits deze althans in de politiedossiers voorkomt. Met art. 9 heeft PS in het geheel geen moeite maar met art. 10 had en heeft het dat wel. Nieuwe bewoners kunnen worden geweerd on danks het feit dat geen enkele rechter uitspraak heeft gedaan over de vermeende overlast. Het liefst zou de fractie dan ook zien dat alleen art. 9 verlengd wordt. Als dat gebeurt, zou het de afweging een stuk eenvoudiger maken. Bij art. 10 gaat de burgemeester namelijk op de stoel van de rechter zitten en beoordeelt deze de dossiers. Dat maakt het niet alleen lastig voor de burgemeester maar ook voor PS om deze maatregel te verlengen.
Als er nu na vier jaar een evaluatie zou liggen die klip en klaar liet zien dat deze maatregel werkelijk nuttig was, zou de afweging eenvoudiger zijn. Bij aanvaarding van het voorstel wordt echter 1 mln. uitgegeven aan 66 dossiers die effect hadden, wat veel geld is.
18
Volgens spreker is de evaluatie niet klip en klaar. Het is onduidelijk waar de Rofter damwet nu werkelijk bijdraagt aan voorkoming van overlast. Ook de bewoners van de aange wezen gebieden hebben geen verbetering ervaren, terwijl ook andere studies het nut van deze wet in twijfel trekken. In de begroting die volgende week wordt behandeld, valt te lezen dat de Rotterdampas nog slechts één jaar is opgenomen in de begroting en vanaf 2023 wordt wegbezuinigd. Spre ker wijst erop dat met het niet verlengen van de toepassing van de Rotterdamwet €.25o.000 per jaar wordt bespaard en dat met dit bedrag de Rotterdampas kan worden behouden, een faciliteit die wél haar nut heeft bewezen. Spreker vindt ook het moment van verlengen, tegen het einde van de raadsperiode, lastig. Zijns inziens zouden dit soort beslissingen eigenlijk in het eerste jaar van een nieuwe raadsperiode moeten worden genomen. Hij nodigt het college uit tot omdenken: nu niet ver lengen en over een jaar een evaluatie met de raad in nieuwe samenstelling delen, welke evalu atie onder andere de vraag betreft of het stopzetten van de Rotterdamwet in Schiedam bij draagt aan het afnemen van de leefbaarheid in de gebieden waar deze wet nu wel van toepas sing is. De heer Janssen vraagt wat de boodschap van PS dan is aan de mensen die in de straten wonen waarop art.
10 van de Rotterdam in het bijzonder van toepassing is en in dat jaar worden geconfronteerd met mensen met een notoir overlastverleden die zich daar vesti gen, iets wat met de wet had kunnen worden voorkomen. De heer Mans zegt dat die boodschap is dat de gemeente heel veel wil inzetten om woonoverlast te voorkomen en de leefbaarheid te vergroten en dat P5 niet heeft geconsta teerd dat deze wet wat dat betreft heeft gewerkt. Na een jaar kan dan worden bekeken of de leefbaarheid afneemt als de wet niet wordt toegepast. De heer Janssen begrijpt dat PS bijzonder benieuwd is hoe de hypothetische situatie daar verandert. Het risico bestaat dat mensen met een woonoverlastverleden zich in die stra ten vestigen ten nadele van degenen die daar wonen, wat de gemeente zou kunnen voorko men door de wet toe te passen. De Voorzitter vraagt wat de vraag van de heer Janssen is. De heer Janssen hoort graag of zijn opmerking de heer Mans op andere gedachten brengt. De heer Mans gaat niet mee in de aanname van de VVD dat mensen die ooit overlast hebben gegeven per definitie opnieuw overlast zouden veroorzaken. Hij geeft hun graag een kans en ook het college een kans om om te denken. Spreker vraagt of wanneer nu wordt besloten niet te verlengen over een of twee jaar bij aangetoonde noodzaak de toepassing wederom kan worden ingevoerd.
De heer Ergin herinnert eraan dat Marco Pastors, wethouder van Leefbaar Rotter dam, in 2003 riep dat er een allochtonenstop moest komen en dat er een hek om Rotterdam moest worden gebouwd. Naar hij betoogt had niemand gedacht dat de angst voor allochtonen zou worden omgezet in een wet maar toch werd dit werkelijkheid in 2006, toen de wet Bij zondere maatregelen grootstedeljke problematiek, de Rotterdamwet, werd ingevoerd. De wet zou slechts tijdelijk zijn, eerst voor vier jaar en daarna nog maximaal vier jaar en als er geen zichtbare effecten waren zou de wet buiten werking worden gesteld. Ook dat bleek achteraf een fabel. In 2015 concludeerde de Universiteit van Amsterdam onomwonden dat de wet niet werkte. In vele wijken was de leefbaarheid ondanks de Rotterdamwet er flink op achteruitge gaan. Toch werd de wet doorgedrukt. Naar spreker opmerkt was het feest bij de Leefbaren.
19
Hun natte droom om een hek om Rotterdam te bouwen was niet meer tijdelijk maar werd blijvend. In 2018 kwam Schiedam om de hoek kijken met hetzelfde verhaal: eerst kijken of het werkt en als dat niet het geval is wordt ermee gestopt. Spreker leest in de evaluatie dat de wet slechts beperkte invloed heeft. Er staat bijvoorbeeld dat er positieve ontwikkelingen zijn, waarbij wordt verwezen naar Parkweg Midden maar dat is volgens spreker logisch als je 300 woningen sloopt en er geen mensen meer wonen. Het is dan vanzelfsprekend dat de situatie er statistisch gezien op vooruit gaat; daarvoor heb je de Rotterdamwet niet nodig. Het is volgens spreker grappig dat de gemeente Rotterdam, de stad waarnaar de wet is genoemd, na 16 jaar, in 2022, stopt met de toepassing ervan, omdat zij aantoonbaar niet werkt. Hij stelt voorop dat de politieke partijen die vandaag voor het voorstel stemmen voor discriminatie stemmen. In de wetenschap dat de Raad van State deze indirect discriminerend heeft genoemd, dat de Verenigde Naties Nederland op zijn vingers hebben getikt wegens de Rotterdamwet en met de kennis dat het Europese Hof deze wet in 2016 heeft bestempeld als discriminerend stemmen deze politieke partijen willens en wetens in met de natte droom van Leefbaar Rotterdam.
Als één punt helder naar voren komt uit de landelijke onderzoeken en evaluaties is het, dat deze wet mensen met een migratieachtergrond het hardst raakt, precies wat de initiatiefnemers van deze wet beoogden. Spreker roept daarom alle collega’s op de rea liteit onder de ogen te zien. Het is niet zo maar een wet om de leefbaarheid te verbeteren. Daarvoor zijn andere mogelijkheden. Hij ondersteunt het voorstel van de heer Karens om het geld bijvoorbeeld in te zetten om de positie van de regisseur woonoverlast te versterken en niet te steken in een wet die geen effect heeft. De heer Berns stelt vast dat de heer Ergin, die stelt dat toepassing van deze wet geen effect heeft, wel op hoge toon beweert dat vooral migranten de dupe zijn van de Rotterdamwet. Naar hij betoogt is het een van beide: je meet iets of je meet niets. Hij vraagt de heer Er gin op grond waarvan deze concludeert dat migranten de dupe zijn van de wet. De heer Ergin zegt dat het niet zijn mening is dat de wet niet werkt: het komt naar voren uit de onderzoeken en het is uitgesproken door de VN, door het Europese Hof en door de Raad van State bij de invoering van de wet in 2006. Het enige wat hij doet is gerenom meerde instellingen die van belang zijn voor de Nederlandse rechtsstaat aanhalen. De Voorzitter wijst erop dat de heer Berns vraagt waar de heer Ergin die conclusies vindt in de Schiedamse stukken.
De heer Ergin meent duidelijk te hebben aangegeven dat de Rotterdamwet naar uit onafhankelijke onderzoeken blijkt niets oplevert voor de inwoners van de steden waar zij wordt toegepast en dus ook niet voor de Schiedammers. Bij mevrouw Rotteveel zakt de broek af bij het horen van het betoog van de heer Er gin. Naar zij opmerkt is het kennelijk zijn natte droom om alleen maar te spreken over alloch tonen, migranten en discriminatie. Zij vindt het een gotspe dat hij verkondigt dat raadsleden die voor dit voorstel stemmen discrimineren. Hij zou zich haars inziens moeten kapot scha men. De heer Janssen wijst erop dat hij niet in de Veiligheidsraad van de VN of de Tweede Kamer maar in de gemeenteraad van Schiedam zit. Hij vraagt de heer Ergin op welke wijze mensen met een migratieachtergrond extra last hebben van de Schiedamse toepassing van de Rotterdamwet, waarbij louter naar een politiedossier wordt gekeken. De heer Ergin is van oordeel dat als iemand zich behoort te schamen het mevrouw Rofteveel is. Daarbij baseert hij zich niet op haar uitspraken op Facebook of Twifter maar op het feit dat zij zich, toen zij zich kantte tegen het gebruik van QR-codes in het kader van de
20
coronamaatregelen van het kabinet, beriep op de organisaties die hij noemde maar zich nu van hun oordeel niets aantrekt. De Voorzitter vraagt de heer Ergin zich bij het onderwerp te houden.
De heer Ergin wil aangeven waarom hij vindt dat mevrouw Rotteveel zich behoort te schamen, waarbij hij verwijst naar dezelfde organisaties en instellingen waaraan mevrouw Rotteveel een paar weken geleden refereerde toen zij coronamaatregelen van het kabinet aan de kaak stelde, iets waarmee hij het volledig eens was. Spreker kan geen pagina’s noemen maar hij zou de heer Janssen kunnen bombarde ren met rapporten waarin staat dat uiteindelijk mensen met een migratieachtergrond de dupe zijn van de Rotterdamwet. Het is niet zijn mening, want hij is niet in staat dat te consta teren, maar het blijkt onomstotelijk uit onderzoeken. De Voorzitter wijst erop dat de heer Janssen vraagt waar staat dat in Schiedam mensen met een migratieachtergrond de dupe zijn. De heer Ergin concludeert dat de Voorzitter zich vanwege diens inhoudelijke betrok kenheid wil mengen in het debat. De Voorzitter zegt dat hij niet in debat gaat met de heer Ergin maar als Voorzitter probeert degenen die een vraag stellen te helpen een antwoord te krijgen, evenals trouwens de heer Ergin. De heer Ergin wijst erop dat als een wet wordt ingevoerd die betrekking heeft op au togebruikers zij ook betrekking heeft op autogebruikers in Schiedam. Hetzelfde geldt voor de Rotterdamwet, een landelijke wet die breed wordt toegepast.
Onderzoeksbureaus hebben in diverse gemeenten geconcludeerd dat mensen met een migratieachtergrond de dupe zijn. De heer Karens moet tot zijn verbazing concluderen dat hij inmiddels kennelijk tot het redelijke midden in deze discussie behoort, iets wat hij hij de behandeling van de Rotter damwet niet had verwacht. Zijns inziens ontspoort deze discussie een beetje. Naar hij veron derstelt doelt de heer Ergin op de evaluaties van het volledige pakket aan maatregelen in de Rotterdamwet, waarin ook een mogelijkheid zit om te selecteren op basis van inkomen (art. 8). De constatering was dat mensen met een migratieachtergrond vaker tot de sociaal-econo mische klassen behoorden die daardoor werden geraakt. Hij juicht het toe dat dit artikel in Schiedam niet wordt toegepast maar het betekent ook, dat de conclusies die indertijd werden getrokken over de maatregel op zich niet één op één vertaalbaar zijn naar Schiedam. Voor een evenwichtige discussie over nut en noodzaak van het verlengen van de wet zouden die hyper bolen niet per se nodig zijn. De heer Ergin weet dat één artikel van de wet in Schiedam niet wordt toegepast en zegt dat uit de onderzoeken waaraan hij refereert naar voren komt dat de wet in steden waar art. 8 evenals in Schiedam niet wordt toegepast dezelfde werking heeft.
De heer Reuderink betoogt dat niet wordt geselecteerd op migratieachtergrond maar wel op criminaliteit en hij concludeert dat de heer Ergin voor diens “doelgroep” een heel gevaarlijke relatie legt tussen criminaliteit en niet-westerse achtergrond. Hij kan zich haast niet voorstellen dat deze dit zo bedoelde. Hij is dan ook erg blij met de reactie van de heer Karens en zou bijna de heer Ergin van discriminatie beschuldigen, wat natuurlijk het laatste is wat hij zou willen.
21
De heer Ergin hoort geen vraag maar wil toch reageren op de heer Reuderink. Hoe wel nergens in de wetgeving voor de aanpak van fraude migratieachtergrond wordt genoemd als criterium is het duidelijk dat in de toeslagenaffaire bij toepassing van de wet voornamelijk mensen met zo’n achtergrond werden geraakt. Naar hij vaststelt is dat ook hij de Rotterdamwet het gevat De heer Reuderink kan wegkijken en een post op diens Facebookpagina plaat sen maar het is wel de werkelijkheid. De heer Badri vindt het jammer om uit de mond van de heer Ergin te horen dat hij zich schuldig maakt aan discriminatie als hij instemt met het voorstel. Raadsleden met een migratieachtergrond weten dat dat niet prettig is. Het is één ding te insinueren dat je je schuldig maakt aan discriminatie maar hij herinnert ook aan de interessante discussie die vo rige week in de commissie heeft plaatsgevonden over de discriminatiemonitor, waarbij veel partijen meegingen met het idee van de heer Ergin om een coördinator aan te stellen. Een op merking als die van de heer Ergin doet hem dan ook pijn en hij verzoekt hem zijn woorden in het vervolg zorgvuldiger te wegen. De heer Ergin meent niet te hebben gezegd dat ieder raadslid dat instemt met het voorstel discrimineert. Hij heeft gezegd dat raadsleden die voor het voorstel stemmen voor discriminatie stemmen. Dat zijn niet zijn woorden maar die van de Raad van State.
Volgens de Voorzitter komt dat op hetzelfde neer. Hij roept een ieder op het debat netjes en correct te houden. De heer Ergin zegt het netjes te hebben gehouden. De Voorzitter zegt dat dit niet door iedereen zo wordt beleefd. Hij wijst erop dat hij als raadsvoorzitter moet proberen de sfeer in de zaal neijes te houden. Naar hij betoogt leeft men in Nederland in een democratie en vindt in de raad een debat plaats waarin men elkaar probeert te overtuigen. De heer Ergin doet het op zijn manier, de heer Karens ook en de heer Jansen op een heel andere manier. Dat overtuigt soms wel en soms weer niet. In een debat kan men scherpe argumenten gebruiken maar men moet collega-volksvertegenwoordigers niet gaan kapiftelen op hun stemgedrag. Zij denken met de beste wil van de wereld de opvat tingen van hun achterban te representeren, evenals de heer Ergin, die het ook niet zou accep teren als hij werd gekapifteld. Spreker doet een oproep elkaar niet te kapittelen op het stem gedrag, omdat dit behoort bij het democratische proces. Hij verzoekt de heer Ergin diens be toog af te ronden en de overige sprekers zich tot de hoofdlijnen te beperken De heer Ergin hoort geen vraag en sluit zijn betoog. De heer Lourens zegt dat D66 kritisch blijft op de inzet van dit instrument, omdat het schuurt. Indertijd heeft de fractie de Rotterdamwet het voordeel van de twijfel gegeven.
Hij moet erkennen dat de resultaten niet overtuigend zijn. Daarom wordt deze discussie ook gevoerd. Waren de resultaten wel overduidelijk geweest, dan had de raad er niet zo lang over behoeven te discussiëren. Zo’n wet werkt, of niet. Het feit dat de evaluatie op verschillende manieren valt te interpreteren, plaatst de fractie voor een dilemma in het besef dat er in deze buurten wel iets moet gebeuren en dat de problemen niet binnen een, twee of drie jaar zijn opgelost maar een lange adem vergen. D66 heeft daarom een moeilijke afweging moeten ma ken en zou ook dit voorstel het voordeel van de twijfel willen geven. Daarom kan het op dit moment instemmen met het raadsvoorstel. Spreker plaatst er wel de kanttekening bij dat hij verwacht dat D66 aan de volgende evaluatie wel conclusies kan verbinden. Dan zijn er namelijk voldoende perioden geweest om vast te stellen of de Rotterdamwet werkt in Schiedam. Als de volgende evaluatie tot dezelfde
77
uitkomst leidt als de onderhavige kan in ieder geval worden geconcludeerd dat zij onvol doende heeft gewerkt. De heer Mans wijst erop dat de wet vier jaar is toegepast en dat er een miljoen aan is uitgegeven en vraagt of D66 op basis van de uitkomst van een evaluatie die de fractie ondui delijk vindt wederom een miljoen uit wil geven, met het risico dat er een onduidelijke evalua
tie uit voortvloeit. De heer Lourens zegt dat het er niet om gaat dat D66 het risico wil nemen om weer een onduidelijke evaluatie te krijgen. Na een afweging heeft zij geconcludeerd dat zij het voorstel opnieuw het voordeel van de twijfel wil geven omdat de evaluatie niet tot de heldere conclusie leidt dat de Rotterdamwet werkt. In de evaluatie staat dat het resultaat beperkt is en dat je het kwalitatief zou kunnen interpreteren als: de wet doet wel iets. Anderzijds kun je ook zeggen dat toepassing van de wet onvoldoende oplevert. Dat maakt de afweging moeilijk. Uiteindelijk heeft D66 ervoor gekozen dat je na een langere periode met grotere zekerheid kunt zeggen of de wet werkt. De heer Mans vraagt hoe lang die periode zou moeten worden. De heer Lourens gaat uit van nog één periode. Hij is betrokken geweest bij diverse maatschappelijke vraagstukken en heeft daarbij geconstateerd dat een goede evaluatie niet lukt in een bepaald aantal jaren. Was uit de evaluatie onomstotelijk naar voren gekomen dat de wet niet werkte, dan zou er nu een andere discussie zijn gevoerd. Nu er valt te twisten over de uitkomst wordt deze discussie constant gevoerd. Als sommige dingen een lange adem no dig hebben, kiest de fractie er nu voor het voorstel het voordeel van de twijfel te geven en over vier jaar een nieuwe beoordeling uit te voeren. Dan kun je “met zekerheid” zeggen of de wet werkt.
Blijkt de uitkomst dan ook onvoldoende te zijn, dan kun je in ieder geval zeggen dat er voldoende tijd aan is besteed om dat vast te stellen. Mevrouw Laan memoreert dat vorige week al in de commissie is geconstateerd dat dit onderwerp de partijen nogal verdeelt. Zij heeft verwoord dat de richting die het college voorstaat, is neergelegd in het voorstel dat aan de orde is. Het rechtsstatelijke argument dat de heer Karens naar voren brengt, deelt het college niet. De burgemeester zal zo dadeljk nog ingaan op een element uit diens benadering waarin de heer Karens refereert aan de woorden van de heer Lamers. Het betoog van de heer Janssen waarin hij steun uitsprak voor het standpunt van het college acht spreekster helder. Hetzelfde vindt zij van het betoog van de heer Badri, waarin hij nogmaals refereert aan de toezegging die zij heeft gedaan en die zal worden meegenomen in de volgende evaluatie. De evaluatie van de bewoners zal strakker in de evaluatie worden opgenomen. Zij dankt de PvdA voor de steun voor het voorstel. Spreekster constateert dat PS dubbel tegenover het voorstel staat en er deels voor en deels tegen is. Zij neemt de suggestie om nu te stoppen niet over. Schiedam moet tegenover het ministerie aangeven of het met de toepassing van de Rotterdamwet wil doorgaan. Het zal inmiddels duidelijk zijn dat het college dit wil doorzetten.
Wat betreft betoog van de heer Ergin steunt spreekster volledig de woorden van de burgemeester. Zij constateert dat hij bepaalde elementen aan het debat toe te voegen die op dit moment niet relevant zijn voor het debat ,omdat zij over andere artikelen gaan dan waarin hij refereert. Daarmee creëert hij een beeld en een sfeer die geen recht doen aan de afwegin gen die in Schiedam in het verleden zijn gemaakt en die het college nu wil doorzetten. Het intrinsieke dilemma dat de heer Lourens schetst geldt volgens spreekster ook voor andere partijen. Zij heeft daarvoor veel waardering omdat hij helder weergeeft dat er kwetsbare wijken in Schiedam zijn, wat niet kan worden ontkend, het instrument het voor deel van de twijfel geeft en daarna kritisch zal kijken of D66 terecht steun heeft verleend aan
23
toepassing ervan, waarbij het zal nagaan of het woongenot en het leven van de Schiedammers zijn verbeterd. Zij is daarvoor erkenteljk. De Voorzitter merkt in antwoord op de vraag van de heer Karens op dat in 40 geval len is een woonvergunning geweigerd en dat in 26 gevallen voorwaarden zijn opgelegd. In de commissie ging het over die 66 en daarmee is naar zijn mening grote overlast in kwetsbare straten die weinig absorptievermogen hebben om die te verwerken voorkomen. Een saillant detail is dat in de 3,5 jaar waarmee met de Rofferdamwet wordt gewerkt in de 26 gevallen waarin voorwaarden zijn opgelegd geen overlast meer is veroorzaakt. De mensen die voor waarden opgelegd hebben gekregen en met wie zienswijzegesprekken zijn gevoerd, zijn be kend en zij realiseren zich dat er op hen wordt gelet. De voorwaarden hebben dus gewerkt. Van de 40 gevallen die niet zijn geaccepteerd is 25% elders in Schiedam terechtgekomen. De heer Karens merkt op dat dit geen antwoord is op de vraag waarop de Voorzitter uitspraak baseert dat 66 gevallen van woonoverlast zijn voorkomen. Het is alleen duidelijk de dat 40 mensen zijn geweerd en aan 26 mensen voorwaarden zijn opgelegd. Die mensen heb ben vervolgens geen woonoverlast veroorzaakt, zodat niet op basis van de evaluatie kan wor den hard gemaakt dat 66 gevallen van woonoverlast zijn voorkomen.
De Voorzitter heeft alle dossiers gezien en kan de verzekering geven dat het geen “huis-tuin-en-keuken-overlastgevers” zijn maar in de wijken veroorzakers van aanzienlijke overlast zouden zijn geweest. Spreker ontkent met art. 10 op de stoel van de wetgever te gaan zitten. Hij wijst erop dat de wetgever heeft bedacht dat de burgemeester vanwege diens rol op het stuk van de openbare orde als enige onafhankelijk in de politiegegevens kan kijken. Het college kent die ook niet. Wel adviseert en ondersteunt de regisseur woonoverlast spreker daarin. Hij wijst er daarbij op dat hij maximaal vier jaar mag terugkijken, zodat er wel degelijk een tweede kans voor overlegpiegers is. De heer Karens vraagt waarop de Voorzitter de uitspraak baseert dat mensen over zouden last hebben gegeven. De Voorzitter baseert haar op de gegevens die hij ziet en in de evaluatie zijn opgeno men. Hij constateert dat de heer Karens een beeije de cijfers, de beschrijvingen en de kwalita tieve evaluatie negeert. Het gaat om overlastgevers die je niet in deze kwetsbare wijken had willen plaatsen. Bij hen zijn allerlei teams in de sfeer van psychiatrische hulpverlening, veilig heid en woonoverlast betrokken, alsmede omwonenden die overlast hebben ervaren. Volgens de heer Karens is dat de theorie van de Rotterdamwet. Theoretisch heeft de Voorzitter gelijk: op die manier voorkom je het geven van overlast.
De evaluatie laat echter zien dat die theorie in de praktijk niet uitkomt. Spreker vindt het kwalijk dat de Voorzitter met stelligheid zegt dat die mensen overlast zouden hebben gegeven, terwijl dat in de evalua tie op geen enkele manier wordt onderbouwd De Voorzitter constateert dat de heer Karens en hij het volstrekt met elkaar oneens zijn en dat zij elkaar wederzijds helaas niet kunnen overtuigen. Hij roept hem op de ktvalita tieve analyse nog eens te lezen. Bij de betrokken overlastgevers is niet over één nacht ijs ge gaan. Door hen is in een periode van vier jaar een bak aan problemen meegesleept naar Schiedam. Naar sprekers overtuiging is er goed aan gedaan kwetsbare straten voor door hen veroorzaakte overlast te behoeden. De deur zit in Schiedam ook niet op slot, omdat 25% uit eindelijk is terechtgekomen in wijken die het wel kunnen verwerken.
24
De heer Hamerslag constateert dat de heer Lamers als Voorzitter en burgemeester de discussie aangaat en daarom acht hij het raadzaam dat zij straks even van plaats wisselen. De Voorzitter wilde de heer Karens antwoorden op diens vragen en interrupties.
De heer Hamerslag hoopt dat het de volgende keer anders gaat. De heer Karens stelt vast dat de heer Janssen van mening is dat de Rotterdamwet
werkt als er mensen zijn geweerd uit een straat, zoals ook de theorie van de wet is. Uit de eva luatie moet dan blijken dat het leidt tot vergroting van de leefbaarheid. Dat gebeurt echter niet. Spreker beaamt dat het rechtsstatelijk argument een van de twee punten is voor zijn fractie, die echter ook nog een heel pragmatisch en praktisch punt heeft. Hoewel zij daar niet over heeft gesproken, zijn mevrouw Laan en hij het daarover niet helemaal eens. Hij wijst erop dat mensen worden geweerd op basis van een dossier en dat zij, naar uit de evaluatie blijkt, als zij ergens anders gaan wonen daar geen overlast veroorzaken. De evaluatie laat niet zien dat als zij niet in die kwetsbare wijken gaan wonen de leefbaarheid wordt vergroot. Aan de andere kant zijn er mensen die niet worden geweerd omdat er geen dossier is, iets waar over bij de invoering uitgebreid is gesproken. Zo komen er mensen uit andere landen over wie geen dossier beschikbaar is. Zij glippen door het net terwijl het wellicht mensen zijn die de heer Janssen en wellicht ook spreker zich liever niet in bepaalde straten zien vestigen. Voor hen werkt de Rotterdamwet dus niet, zodat mag worden geconcludeerd dat het net “zo lek is als een mandje”. Spreker is het eens met het voorstel van PS.
Het gedurende een aantal jaren niet toe passen van de Rotterdamwet maar wel van alle andere maatregelen die kunnen worden geno men om woonoverlast tegen te gaan, zou het mogelijk maken om geïsoleerd een effect van de wet vast te stellen. Volgens spreker is dat er niet en zal uiteindelijk hetzelfde effect worden geconstateerd als thans, maar dan zonder de wet. Spreker denkt dat hij en de heer Ergin het op dit onderwerp hartstikke eens zijn. Hij deelt alleen niet de benadering van de fractievoorzitter van DENK, de conclusies die deze aan algemene onderzoeken verbindt en de opvatting dat degenen die voor deze specifieke toepas sing in Schiedam stemmen voor discriminatie stemmen. Hij is echter wel van mening dat raadsleden die voor deze specifieke toepassing in Schiedam stemmen, instemmen met sym boolmaatregelen die een hoop geld kosten maar niets opleveren, iets wat overigens ook kwa lijk is. De heer Mans zegt dat zijn fractie evenals D66 met een dilemma zit maar zij weet nog niet hoe zij daaruit een uitweg moet vinden. Hij verzoekt daarom vast om een korte schorsing na de tweede termijn. Spreker kan de heer Karens heel goed volgen in diens verhaal, wat hij helaas niet kan zeggen van het betoog van de heer Janssen. PS neigt dan ook meer naar tegen- dan naar voorstemmen maar daarover moet hij nog overleggen met zijn fractievoorzitter.
Spreker is erkenteljk voor de steun van GroenLinks voor zijn voorstel. Tot zijn spijt wil het college niet omdenken. Hij heeft dit met overtuiging horen zeggen dat er overlast is voorkomen maar hij zou het op prijs stellen indien het college die uitspraak zou nuanceren en zou zeggen dat het aanneemt dat overlast is voorkomen, aangezien het college niet kan aanto nen dat het is gebeurd. Zoals bekend geven in het verleden behaalde resultaten geen garantie voor de toekomst. Naar hij begrijpt heeft de 25% die elders is gaan wonen geen overlast meer gegeven, dus is het hem niet duidelijk waarop het college de aanname baseert dat in straat A geen overlast meer wordt veroorzaakt maar dat betrokkenen in straat B 100% overlast zou den hebben gegeven. Hij vindt die aanname onaanvaardbaar. Spreker stelt vast dat de burgemeester bestrijdt dat hij op de stoel van de rechter gaat Hij realiseert zich dat het gaat om een bevoegdheid van de burgemeester en dat deze zitten. een beoordeling moet geven van meldingen die worden gedaan. Dat lijkt hem lastig.
25
De heer Berns vraagt of de Voorzitter kan aangeven dat bepaalde dossiers hem geen aanleiding gaven om mensen te weigeren. De Voorzitter weet niet of hij na deze discussie nog antwoord moet geven op deze vraag. De heer Reuderink sluit zich aan bij de woorden van de heer Lourens. De OPS stemt voor het voorstel en snapt heel goed wat deze verder zegt. Mevrouw Laan ziet in hetgeen in tweede termijn is gezegd geen aanleiding om iets toe te voegen aan haar betoog in eerste termijn. De Voorzitter wijst erop dat van de 12.081 aanvragen die zijn ingediend voor een woonvergunning er 12.015 positief zijn beoordeeld, iets wat op ambtelijk niveau gebeurt aan de hand van criteria die door de wet en de raad zijn vastgesteld. Er zijn 66 aanvragen op zijn tafel gekomen. Daarvan zijn er 40 geweigerd op grond van een beoordeling. De beoordeling vindt plaats aan de hand van voorwaarden die in overleg met spreker worden samengesteld en worden vastgelegd in de burgemeestersbrief aan betrokkenen en het college. Op basis daarvan verleent of weigert het college de vergunning. De heer Ergin heeft spreker aan het begin van de vergadering gemeld over dit onder werp een hoofdeljke stemming te willen laten plaatsvinden. De heer Ergin is van oordeel dat de collega’s zich duidelijk hebben uitgesproken.
Een hoofdelijke stemming acht hij op haar plaats als het spannend is maar in dit geval heeft hij er geen behoefte aan. De Voorzitter schorst op verzoek van PS de vergadering voor fractieoverleg. De vergadering wordt een ogenblik geschorst.
De heer Mans had wellicht voor het voorstel kunnen stemmen als het college de be antwoording was ingegaan vanuit de stelling dat de ontwikkeling hoopgevend is maar dat het meer tijd nodig heeft. De stelligheid waarmee wordt beweerd dat resultaat is geboekt, stuit hem echter tegen de borst. Hij ziet ook voldoende andere instrumenten om de bewoners die woonoverlast ervaren bij te staan. P5 zal dus tegen het voorstel stemmen. De Voorzitter brengt het voorstel in stemming en constateert dat de aanwezige le den van de fracties van DENK, GroenLinks, PS en —van Dijk tegen het voorstel hebben ge stemd en de aanwezige leden van de overige fracties ervoor, zodat het met 23 tegen 9 stem men is aangenomen. 12
Terugkoppeling uit besturen van gemeenschappelijke regelingen
Dit agendapunt heeft geen inhoud. Verzoek om nadere inlichtingen DENK n.a.v. de beantwoording schrifte lijke vragen Leefbaarometer 13
Voorzitter: Hamerslag
26
De heer Ergin memoreert dat DENK in augustus schriftelijke vragen heeft gesteld over de Leefbaarometer. Het bleek namelijk dat daarin indicatoren waren opgenomen waar door het aandeel Nederlanders met een migratieachtergrond direct negatieve invloed had op de uiteindelijke leefbaarheidsscore. Naarmate er meer Schiedammers met een migratieach tergrond in een wijk woonden, was de score lager. Dat viel te concluderen uit onafhankelijk onderzoek. Nog los van het feit dat de minister van BZK verantwoordelijk is voor de Leef baarometer vond spreker dit schokkend. Hoewel het college meermaals heeft aangegeven Schiedammers op geen enkele manier te beoordelen op hun achtergrond gebeurde dit toch. Hij wijst erop dat de Leefbaarometer vanaf het begin, in 2008, is toegepast. Het college zegt dat het indirect en op verzoek van het ministerie gebeurt en hij vindt dat oneerlijk. Daarom stelt hij de volgende aanvullende vragen. Vanaf welk moment wist het college dat er in Schie dam in de Leefbaarometer indicatoren werden gebruikt waarbij Schiedammers werden be oordeeld op hun achtergrond en waarom is het toen niet gestopt met het gebruik van de Leef baarometer? De heer Berns merkt op dat de vragen van de heer Ergin zijn beantwoord en dat hij die vragen opnieuw stelt maar voorbijgaat aan de antwoorden die zijn gegeven en daarbij vooronderstellingen doet die feitelijk niet kloppen.
Naar spreker opmerkt heeft de Leef baarometer slechts indirect gevolgen gehad voor het beleid dat het college heeft gevoerd, ter wijl de heer Ergin ervan uitgaat dat het instrument wel heeft doorgewerkt. Hij acht dat niet correct. De Voorzitter wijst erop dat de heer Ergin heeft aangekondigd deze vragen te willen stellen en het lijkt hem goed deze daarvoor de ruimte te geven. De heer Ergin is benieuwd hoe het college kan beweren af te gaan op eigen statistie ken en tegelijkertijd in verschillende collegebrieven en andere documenten refereert aan de Leefbaarometer, bijvoorbeeld de collegebrief van 16 november 2016 over het bestemmings plan wetenschappersbuurt, de Stadsatlas Wonen in Schiedam van 2017 en de tussentijdse evaluatie van de Rotterdamwet in 2020. De Leefbaarometer wordt ook vandaag de dag nog toegepast. Zo refereert het college op blz. g van bijlage 6 bij het vanavond behandelde voor stel over de stationsomgeving ook aan de Leefbaarometer. Sprekers laatste vraag is of het college bereid is de medewerkers van de gemeente zeer binnenkort expliciet op te dragen de Leefbaarometer niet meer te gebruiken.
Hij begrijpt dat het geen beleid meer is maar hij wil graag dat wordt uitgesloten de individuele medewerkers op basis van gebruik dat sinds 2008 is ontwikkeld nog steeds kijken naar dat instrument, in ieder geval totdat het ministerie van BZK de Leefbaarometer heeft aangepast. Hij vraagt hoe het college erop toeziet dat individuele medewerkers de barometer niet gebruiken. De heer Lamers begrijpt de betrokkenheid van de heer Ergin bij dit onderwerp maar niet diens ragen. De fractievoorzitter van DENK houdt van scherp debatteren en spreker re ageert nu maar eens op dezelfde manier. De heer Ergin stelt schriftelijke vragen over iets waarvan de gemeente nadrukkelijk al geen gebruik meer maakt. Het is overigens een instru ment dat niet tot de verantwoordelijkheid van de gemeente Schiedam behoort maar behoort tot het ministerie van BZK. Vanaf het moment dat Schiedam begreep dat in de Leefbaarome ter elementen zitten die etnisch profilerend zouden kunnen zijn, heeft de gemeente klip en klaar besloten er geen gebruik meer van te maken. Het ministerie heeft zich de kritiek, die breder is, aangetrokken en besloten er vanaf dit najaar ook in diens eigen nieuwe producties geen gebruik meer van te maken. Wat dit betreft kan de beantwoording van het college geen misverstand opleveren. Desondanks meent de heer Ergin elementen te zien op grond waar van dat gebruik er nog wel zou zijn.
De documenten die deze noemt dateren van een aantal
27
jaren geleden, toen de gemeente de aanvraag voor de Wbmgp indiende (najaar 2017). Het mi nisterie vroeg toen of van die gegevens gebruik moest worden gemaakt; de bekendheid was toen niet aanwezig. Inmiddels weet het college meer en maakt het er geen gebruik van. Spreker vindt het jammer dat de heer Ergin over het hoofd heeft gezien misschien begrijpelijk omdat deze heel gefixeerd was op de discussie over de Rotterdamwet dat het college in het voorstel over de Rotterdamwet expliciet heeft gemeld, dat het bij de beoorde ling van de verlengingsaanvraag geen gebruik heeft gemaakt van de geest van de Leef baarometer van het ministerie. Het college ging ervan uit dat de heer Ergin dit moest lezen maar deze heeft het helaas niet opgemerkt. Spreker wijst erop dat het college wel gebruik maakt van de gegevens van de eigen leefbaarheidsmonitor, een heel ander instrument van het eigen kenniscentrum, waarbij wordt uitgegaan van respectabele gegevens en kengetallen, die goed kunnen worden gepre senteerd. De heer Ergin heeft spreker er in een van de pauzes op geattendeerd dat van de Leef baarometer melding wordt gemaakt in het voorstel over de Stationsomgeving dat vanavond is behandeld.
Hij wijst er echter op dat daarin een historische beschrijving wordt gegeven van de manier waarop het ministerie en het Rijk in hun nota’s en plannen tegen bepaalde ontwik kelingen aankijken, die voor een deel op hun Leefbaarometer zijn gebaseerd. Het is geen op vatting van Schiedam, het college citeert opvattingen van het Rijk. Aangezien al is besloten geen gebruik meer te maken van het instrument is het college niet bereid de toezegging te doen waarom de heer Ergin in diens laatste vraag verzoekt. Het is simpelweg niet nodigt. —
—
De heer Ergin zegt dat het hem niet duidelijk is hoe het gaat landen in de gemeente lijke Organisatie en welke plannen het college daarvoor heeft. De heer Lamers concludeert dat de heer Ergin onmogelijke dingen vraagt. Als het college besluit geen gebruik meer te maken van de Leefbaarometer, wat het al deed voor deze diens schriftelijke vragen stelde maar nog eens expliciet bevestigde in het antwoord op de schriftelijke vragen, en het Kenniscentrum meeschreef aan de beantwoording van die vragen en de input voor zijn beantwoording moet hij wel de gevolgtrekking maken dat de fractie voorzitter van DENK heel weinig vertrouwen stelt in de degelijkheid en de integriteit van de ambtelijke organisatie. Natuurlijk wordt dat gedaan. Hij voegt eraan dat het niet alleen de ambtelijke Organisatie van het college is maar ook die van de raad. Hij weet dat de heer Ergin veel contact heeft gehad met het Kenniscentrum, dat de afgelopen maanden talloze vragen van hem heeft beantwoord over de Leefbaarometer. Hij vraagt hem dan ook nu eens genoe gen te nemen met het antwoord dat het instrument niet meer wordt toegepast in Schiedam en dat ook de eigenaar ervan met het gebruik ervan stopt. Het zou hem heel veel genoegen moeten schenken. De heer Ergin heeft in het geheel geen vertrouwensvraag inzake de ambtelijke orga nisatie neergelegd.
Als daarvan sprake was, zou hij er wel een ander instrument voor gebrui ken. Het is duidelijk dat er vanaf nu op kan worden gerekend dat het niet meer wordt ge bruikt. De Leefbaarometer is overigens nog steeds actief en kan door iedereen worden ge raadpleegd. Zodra DENK constateert dat hij toch wordt gehanteerd, zal er in de raad een de bat over plaatsvinden. De heer Lamers hoopt dat dat niet zal gebeuren en dat de heer Ergin hem dan ge woon belt. Raadsleden kunnen naar hij betoogt ook van andere instrumenten dan een raads debat gebruik maken als zijn hun vinger willen opsteken en iets willen signaleren.
2$
De Voorzitter vindt dit een mooie uitnodiging en sluit het debat. Hij roept de aanwe zigen op in te gaan op de uitnodiging van de heer Karens om nog een borrel te komen drin ken. Hij kondigt aan dat de rekening naar hem zal worden gestuurd en sluit te 23.15 uur de vergadering. Vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van 14 december 2021.
de
de voorzitter,
29