Bijlage Toelichting verordening jeugdhulp MVS 2025
Tekst van het document
Inkopen van zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); 3. Goed werkgeverschap; 4. Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; 5. Voeren van een administratie; 6. Verantwoording afleggen en contact onderhouden met gemeente en SVB, en 7. In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig. Deze punten zijn uitgewerkt in het eerste lid van artikel 17. In het tweede lid is opgenomen wanneer een persoon niet in staat wordt geacht de aan de pgb verbonden voorwaarden op verantwoordelijke wijze te kunnen uitvoeren. Deze omstandigheden geven een signaal aan het college dat door de genoemde omstandigheden de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. Dit dient in de beschikking per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. (a) Problematische schuldenproblematiek: Problematische schulden maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.
Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of -beheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door de NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie
16
waarin te voorzien is dat een natuurlijk persoon schulden niet zal kunnen afbetalen of is gestopt met afbetalen. (b) Ernstige verslavingsproblematiek: ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of beheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische exverslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of -beheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. (c) Aangetoonde fraude: Wanneer budgethouder of -beheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welke terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt temeer indien de budgethouder of -beheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. (d) Verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ.
Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die – zonder ondersteuning – participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. (e) Ernstige psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of -beheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of beheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod in zorg in natura past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. (f) Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: wanneer een budgethouder of -beheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie en de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. Artikel 18.
Aanvullende criteria pgb sociaal netwerk Artikel 8.1.1., derde lid, Jeugdwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit wordt ook wel informeel pgb genoemd. De gemeente heeft dus beleidsruimte. Het is echter niet mogelijk de inzet van het pgb voor iemand uit het sociale netwerk helemaal uit te sluiten in de verordening. De beleidsruimte beperkt zich tot het vastleggen in welke situaties en onder welke voorwaarden een pgb voor het sociale netwerkt kan worden ingezet. In het eerste lid is opgenomen wanneer iemand niet voor een pgb in aanmerking komt. Deze criteria zijn aanvullend op de criteria die genoemd zijn in de artikelen 15 t/m 17. Eén van de in het eerste lid genoemde voorwaarden is dat geen pgb wordt verstrekt als dat tot overbelasting leidt van de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen (sub a). Tweede lid In een brief aan de Tweede Kamer van 7 december 2015 stelde de minister in antwoord op vragen van de Tweede Kamer dat een gemeente in het algemeen niet een pgb kan uitsluiten voor een bepaalde vorm van jeugdhulp. Wel kan de gemeente in een individuele casus tot het oordeel komen dat de jeugdhulp niet passend is of niet van goede kwaliteit is.
Het categoriaal uitsluiten van een bepaalde vorm van jeugdhulp verhoudt zich daarom in de ogen van de minister niet tot de uitgangspunten van de Jeugdwet, waarin via een zorgvuldige individuele afweging wordt bezien of hulp nodig is. De Jeugdwet verbiedt echter niet om bepaalde vormen van jeugdhulp uit te sluiten en, zeker bij vormen van jeugdhulp waarbij de inzet van professionals nodig is, ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat de hulp ook door iemand uit het sociale netwerk kan worden geboden. Een uitsluiting in de verordening is feitelijk niet nodig omdat in het onderzoek naar jeugdhulp bij het 17
onderdeel ‘aard en omvang van de benodigde jeugdhulp’ al bepaald is dat de hiervoor genoemde hulp door een professional moet worden geboden. Voor de duidelijkheid is echter in het tweede lid opgenomen dat een pgb informeel alleen kan worden verstrekt voor begeleiding, persoonlijke verzorging en logeren. De inzet van een persoon uit het sociaal netwerk voor andere vormen van jeugdhulp stuit op het bezwaar dat iemand uit het sociale netwerk, mede gezien de professionele standaarden, die hulp niet op een adequate wijze kan bieden. Derde lid Doelmatiger en effectievere ondersteuning Artikel 8.1.1 lid 2 onder b Jeugdwet bepaalt dat het college slechts een pgb moet verstrekken als de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten. In het derde lid van artikel 18 is vervolgens bepaald dat de jeugdige aan wie een pgb wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, op voorwaarde dat dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt dan wel aantoonbaar doelmatiger is dan de ondersteuning geboden door een professionele jeugdhulpaanbieder.
Volgens de Rechtbank Gelderland (uitspraak 11 oktober 2017 FJR 2018/29.20) zou uit dit wettelijk kader volgen dat de jeugdige of zijn ouders in ieder geval éérst moeten onderbouwen waarom door de inzet van de jeugdhulp zoals die door het college is geïndiceerd niet wordt voldaan aan de uit artikel 3.2 Jeugdwet voorvloeiende verplichting om zodanige hulp te leveren dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien. Indien de jeugdige daarin slaagt en een pgb aangewezen is, moeten de jeugdige of zijn ouders vervolgens onderbouwen waarom jeugdhulp van iemand uit het sociale netwerk tot een beter resultaat leidt, aldus de Rechtbank. Het derde lid aanhef en onder c bepaalt daarnaast dat de persoon uit het sociale netwerk dat de jeugdhulp biedt in staat moet zijn om de aan de pgb verbonden beheertaken met voldoende afstand en kritisch moet kunnen vervullen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een uitspraak van 27 november 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:3761) overwogen dat een pgb mag worden geweigerd indien de budgethouder zelf de ondersteuning biedt. De budgethouder is dan niet in staat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch te vervullen. De uitspraak is gedaan op grond van de Wmo 2015 maar kan ook gelden voor de Jeugdwet. De situatie dat de ouder zowel ondersteuner als pgb-beheerder is komt regelmatig voor binnen de Jeugdwet.
Het enige verschil is dat de Jeugdwet meer mogelijke pgb-beheerders noemt (althans personen die kunnen helpen met pgb-beheer), zoals de curator, bewindvoerder, mentor en gemachtigde. Uit de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet volgt dat de wetgever heeft bedoeld dat de pgb-bepalingen voor zowel de Jeugdwet als Wmo 2015 hetzelfde zouden uitwerken. Zie bijvoorbeeld deze passage uit de parlementaire geschiedenis van de Jeugdwet (TK 2013-2014, 33684, nr. 45, pagina 44): Het is de bedoeling dat de bepalingen over het pgb voor cliënten en gemeenten hetzelfde uitwerken in de aan elkaar verwante beleidsterreinen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. In het vierde lid zijn extra voorwaarden gesteld aan een pgb voor logeren. Dit moet leiden tot ontlasting van de verzorgende ouders en in belangrijke mate bijdragen aan het vergroten van de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouders. Tevens moet hiermee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp worden voorkomen of verminderd. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen om te voorkomen dat het logeren bij bijv. opa en oma, wat niet ongebruikelijk is, wordt verstrekt met een pgb. Een pgb is dan alleen mogelijk als daarmee daadwerkelijk aan de doelen van jeugdhulp wordt gewerkt. Artikel 19.
Hoogte pgb Op grond van artikel 2.9 Jeugdwet dient de gemeenteraad in de verordening Jeugdhulp onder meer regels op te nemen over de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. De hoogte wordt dus bij wettelijk voorschrift vastgesteld. De hoogte kan in directe zin niet worden bestreden bij de rechter omdat beroep tegen een algemeen verbindend voorschrift op grond van artikel 8:3, eerste lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet mogelijk is. Dat betekent niet per definitie dat een eventueel bezwaar dat alleen betrekking heeft op de hoogte van het tarief niet-ontvankelijk is. Als 18
het bezwaar gericht is tegen een bepaald aantal uren en/of het soort tarief dan zal artikel 8:3 Awb aan ontvankelijkheid van het bezwaar niet in de weg staan. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2019:467) volgt dat de vaststelling van de hoogte van het pgb en de wijze van tarifering behoren tot de essentialia van het voorzieningenpakket. Dat betekent dat de gemeenteraad deze zaken in de verordening moet regelen. Het tarief moet toereikend zijn om kwalitatief goede hulp in te kopen. In de memorie van toelichting staat dat het van belang is dat de hoogte van het budget, wil een budget voor de jeugdige of zijn ouders een zinvol alternatief zijn, zodanig moet zijn dat de jeugdige met het budget de vastgestelde jeugdhulp ook werkelijk kan inkopen (TK 2013-2014, 33 684, nr. 45, pagina 45). Eerste lid Het pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura. Uit jurisprudentie volgt dat daar sprake van is als de jeugdhulp met het vastgestelde tarief bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. De tarieven voor professionele jeugdhulp zijn afgeleid van de naturatarieven. Tweede lid t/m het zesde lid Er wordt een onderscheid gemaakt tussen drie soorten tarieven: instellingstarief, zzp-tarief en het informeel tarief.
In de leden 3 t/m 5 is bepaald wanneer sprake is van één van de tariefsoorten. Indien de in de leden 3 en 4 gevraagde documenten niet worden geleverd is sprake van het informele tarief. Zevende en achtste lid De maximale hoogte van de tarieven per eenheid zijn opgenomen in Bijlage 4. Een lager tarief wordt toegekend indien uit het budgetplan blijkt dat de jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. Indien de kosten van de met de pgb ingekochte jeugdhulp hoger zijn dan het tarief per eenheid zoals opgenomen is in Bijlage 4, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid onder a van de wet, geweigerd. De meerkosten moeten dan door de budgethouder zelf aan de SVB worden betaald. Negende en tiende lid Indexering Voor de Wmo 2015 en Jeugdwet bestaat er geen apart landelijk indexeringspercentage. Het rijk gebruikt het OVA-percentage om de tarieven in de Zwv en de Wlz te indexeren. Aangezien zorgaanbieders vaak zorg in meerdere zorgdomeinen leveren, is het voor hen van belang dat de tarieven in de verschillende zorgdomeinen zoveel mogelijk op dezelfde manier worden geïndexeerd. Bovendien sluit het percentage waarmee het accres in het gemeentefonds de afgelopen jaren toenam aan bij het OVA-percentage. De pgb-tarieven worden om die reden jaarlijks geïndexeerd conform het OVA-indexeringspercentage.
OVA is de afkorting van Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling. De geïndexeerde bedragen gelden dan voor beschikkingen die worden afgegeven na de indexeringsdatum. Tarief pgb sociaal netwerk Uit twee uitspraken van de CRvB van 16 augustus 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1580) over de Wmo 2015 blijkt dat een pgb baseren op het minimumloon niet meer mag. Het pgb-tarief voor het sociale netwerk is volgens de Raad pas toereikend als het is gebaseerd op de uurlonen uit de CAO VVT. Geldt dit ook voor pgb’s uit de Jeugdwet? De rechtbank Limburg oordeelde op 30 november 2023 van wel (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979). Maar op 20 juni 2024 oordeelde de Rechtbank Zeeland-WestBrabant dat zij geen aanleiding zien om voor wat betreft de Jeugdwet aan te sluiten bij de uitspraak van de CRvB over het tarief van het informele pgb onder de Wmo 2015 (ECLI:NL:RBZWB:2024:4238). Ook de Rechtbank Noord-Nederland oordeelt in de uitspraak van 8 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4405) dat voor het tarief van een informeel pgb vanuit de Jeugdwet kan worden aangesloten bij het wettelijk minimumloon. De rechtspraak over de Wmo, waarin is bepaald dat een lager tarief dan het relevante CAO-loon niet toereikend is geldt volgens de Rechtbank niet voor de Jeugdwet.
Na de uitspraken van de CRvB op 16 augustus 2023 hebben de MVS-gemeenten in de verordening opgenomen dat voor het informele tarief wordt aangesloten bij de betreffende CAO (VVT)-uurloon 19
inclusief vakantietoeslag en tegenwaarde verlofuren. In de jaren daarvoor werd een uurtarief van € 20 gehanteerd dat al enkele euro’s hoger is dan het wettelijke minimumloon. Tot de CRvB over het pgb sociaal netwerk binnen de Jeugdwet een uitspraak heeft gedaan, wordt in deze verordening aangesloten bij de betreffende CAO.
HOOFDSTUK 11 JEUGDHULPVERVOER Artikel 20. Criteria jeugdhulpvervoer In artikel 2.3, tweede lid is bepaald: Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische oorzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Het criterium van medische noodzaak, zoals dit in de AWBZ gold, is hierbij aangevuld met het criterium van (gebrek aan) zelfredzaamheid, nu dit ook één van de criteria is voor het ontvangen van jeugdhulp. Het jeugdhulpvervoer wordt conform artikel 2.3, tweede lid Jeugdwet gezien als jeugdhulp. Zoals bij iedere vorm van jeugdhulp het geval is, hoeft er geen hulp te worden ingezet als de jeugdige of zijn ouders dit, eventueel met behulp van het sociaal netwerk, zelf kunnen regelen. Eerste t/m het vierde lid Het staat de gemeente vrij om het jeugdhulpvervoer naar eigen inzicht te organiseren, ‘naar het oordeel van het college.’ In de verordening is geregeld dat bij het bepalen of een vervoersvoorziening nodig is ook wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouders om het vervoer zelf te verzorgen of te laten verzorgen. Daarbij worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid van de ouders en de mogelijkheden en bereidheid van het sociaal netwerk meegewogen.
Ook de reisafstand is een belangrijke wegingsfactor zijn. Van ouders mag worden verwacht dat zij hun werktijden aanpassen om hun kind zelf te vervoeren. Met een werkgeversverklaring kunnen ouders eventueel aantonen dat het niet mogelijk is om hun kind zelf te vervoeren. De Rechtbank Den Haag oordeelde op 30 januari 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:4999) dat niet aan de eisen op grond van de Jeugdwet wordt voldaan indien de problemen bij het vervoeren van de jeugdige zien op werk van de ouders en niet op de problemen van de jeugdige zelf bij het vervoeren. Op basis van geldende rechtspraak mag van ouders in principe worden verwacht dat ze hun kind zelf vervoeren, ook als dergelijk vervoer meer van hen verlangt dan dat er in de regel van ouders verwacht mag worden (bovengebruikelijke hulp). Als de ouders de jeugdige zelf kunnen vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder, is er sprake van eigen kracht. De gemeente hoeft dan geen vervoersvoorziening toe te kennen. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 3 november 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5719) uitgesproken dat de gemeente de financiële draagkracht van de ouders in positieve zin mag meewegen bij het besluit. Dit betekent dat een vervoersvoorziening wel kan worden toegekend als de ouders om financiële redenen de kosten van het vervoer niet kunnen betalen. Vervoer van een jeugdige naar een gesloten accommodatie valt niet onder de verordening.
In het vijfde lid is opgenomen dat beoordeeld wordt welke combinatie van vervoersvoorzieningen het meest passend is. Dit kan een ook een combinatie zijn van deels openbaar vervoer en deels taxivervoer. In het zesde lid zijn de verschillende vervoersvoorzieningen opgesomd. Een vervoersvoorziening kan worden gecombineerd met een training ‘zelfstandig leren reizen’ (zevende lid). Het vergroten van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid is een belangrijk uitgangspunt. De noodzaak van een vervoervoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan (achtste lid).
20
HOOFDSTUK 12 RECHTMATIGHEID, DOELMATIGHEID EN BESTRIJDEN MISBRUIK Artikel 21. Herziening, intrekking en terugvordering Eerste lid Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige en zijn ouders het college alle informatie verstrekken die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura. Immers, ook van de jeugdige en zijn ouders met jeugdhulp in natura kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan. Tweede lid Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een besluit tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken of herzien. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4 van de Jeugdwet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Deze bepaling in de verordening breidt dit uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een ‘kan’-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van deze bevoegdheid tot herziening of intrekking.
Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen is gebruikmaking van deze bevoegdheid het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkene dient uitdrukkelijk in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). Derde lid Intrekking of herziening van een individuele voorziening kan leiden tot de conclusie dat ten onrechte of teveel hulp is verleend. Deze bepaling regelt dat het college in dat geval bevoegd is de geldwaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte pgb. Terugvordering is niet geregeld in de Jeugdwet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening.
Net zoals herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De beslissing tot herziening en/of intrekking en de eventuele daarop volgende beslissing tot terugvordering zijn twee afzonderlijke besluiten. De beslissing tot terugvordering kan pas worden genomen, nadat is besloten tot herziening of intrekken met terugwerkende kracht. Voor terugvordering geldt een zware bewijslast, er moet aangetoond worden dat er sprake is van opzet. Vierde lid Van een jeugdige en/of zijn ouders wordt verwacht dat ze binnen zes maanden gebruik maken van het pgb. Dit om te voorkomen dat de situatie op termijn is gewijzigd en de verstrekte voorziening niet meer passend is. Wordt niet voldaan aan deze voorwaarden, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken. Deze bepaling is een ‘kan’-bepaling. Het college is dus niet verplicht om na het verlopen van de termijn de beslissing tot verlening van het pgb in te trekken. Verwijtbaar handelen zorgaanbieder (vijfde lid) In de praktijk gebeurt het regelmatig dat de cliënt zelf niet aan het opzetvereiste voldoet, maar degene bij wie hij de ondersteuning inkoopt via een pgb wel. Voor dergelijke situaties geldt sinds 1 april 2017 de regeling van het derdenbeding (artikel 8a, lid 2 onder c Regeling Jeugdwet).
Via het derdenbeding in de overeenkomst tussen de cliënt en zijn hulpverlener kan is in voorkomende gevallen ook terugvorderen van de hulpverlener mogelijk. Bij derdenbeding verloopt terugvordering niet op basis van een beschikking maar moet de civielrechtelijke weg worden bewandeld.
21
Zesde lid De wijze van invordering van de geldwaarden geschiedt conform artikel 4:92 van de Algemene wet bestuursrecht Daarin is dwingend voorgeschreven welke volgorde van toerekening geldt bij betaling ter voldoening van een geldschuld. Bij de vaststelling van de betalingsverplichting wordt rekening gehouden met de bijzondere financiële en persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende (zevende lid). Ook hierbij geldt dat een belangenafweging moet worden gemaakt waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Artikel 22. Opschorting betaling uit het pgb Ingevolge artikel 8b, zesde lid aanhef en onder g van de Regeling Jeugdwet kan het college de SVB verzoek om de uitbetaling van de pgb op te schorten. Dit moet dan bij verordening worden geregeld. Hiermee wordt dit verwezenlijkt. Opschorting is mogelijk als er een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van onjuist verstrekte informatie, het budget voor een ander doel wordt gebruikt of niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb (eerste lid). Daarnaast kan de SVB worden gevraagd de pgb op te schorten als de jeugdige langer dan vier weken geen gebruik maakt van de pgb omdat het verblijft in een instelling, detentie of buitenland (tweede lid). De pgb-houder wordt schriftelijk op de hoogte gesteld van de opschorting (derde lid). Artikel 23.
Rechtmatigheid en doelmatigheid Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden opgesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een pgb alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Eerste lid In het eerste lid is opgenomen dat het college maatregelen treft om de kwaliteit, rechtmatigheid en doelmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura of in de vorm van een pgb te waarborgen en oneigenlijk gebruik, misbruik of fraude te voorkomen. Het college werkt daarbij samen met andere organisaties. Toezicht op kwaliteit Hoofdstuk 9 van de wet – Toezicht en handhaving – gaat over het toezicht op de kwaliteit van de door de aanbieders geleverde jeugdhulp. Het kwaliteitstoezicht is in de wet belegd bij de Inspectie Jeugdzorg (IJZ), de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ) en de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). De gemeente heeft ook een rol bij het toezien op en controleren van de kwaliteit. Indien bij het contractbeheer, samenwerking, afstemming of monitoring signalen naar voren komen over de kwaliteit van de te leveren/geleverde zorg., kan de gemeente dit doorspelen naar het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein/Samenwerkingsverband Toezicht Jeugd (TSD/STJ) waarin de inspecties samenwerken.
Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) De Wet bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg is op 1 januari 2025 in werking getreden. Het doel van de wet is een betere samenwerking en gemakkelijker uitwisselen van gegevens om fraude in de zorg te voorkomen. Het eerste onderdeel van de wet biedt de wettelijke grondslag voor gemeenten en ziektekostenverzekeraars (artikel 2.1 Wbsrz) om onderling (persoons)gegevens te verstrekken over partijen waar de gerechtvaardigde overtuiging over bestaat dat zij fraude in de zorg hebben gepleegd. De voorwaarde daarvoor is dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de bestrijding van fraude. Voordat gemeenten en zorgverzekeraars op grond van een gerechtvaardigde overtuiging een zorgverlener in het waarschuwingsregister opnemen, moet die overtuiging eerst worden bevestigd door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en moet het IGJ daarover worden ingelicht.
22
Het tweede onderdeel geeft de wettelijke grondslag aan instanties die zijn opgenomen in artikel 2.4, lid 1 Wbsrz om gegevens aan het Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) te verstrekken. De gemeente is één van de instanties die daartoe bevoegd is. Het derde onderdeel van deze wet betreft de wettelijke grondslag en verplichting voor het Inlichtingenbureau (IB). Het IB wordt verwerkingsverantwoordelijke en krijgt een rol in de gegevensuitwisseling tussen gemeenten en het IKZ. Het is in de Wbsrz uitgesloten om gegevens uit te wisselen waarop het medisch beroepsgeheim van toepassing is. De Wbsrz doet niets af aan de bestaande grondslagen voor bilaterale of multilaterale uitwisseling van (persoons)gegevens tussen betrokken instanties. Die onderlinge uitwisseling van gegevens blijft mogelijk. Maar daarbij moet ook de toepassing van deze wet worden meegenomen. In samenhang met deze wet is ook het Besluit bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg per 1 januari 2025 in werking getreden. Tweede lid Op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen.
Op grond van het tweede lid kan het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3 van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of pgb-beheerder, als op de verstrekte jeugdhulp door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder. In het derde lid is bepaald dat de ontvanger van de individuele voorziening en eventueel betrokken derden het college alle medewerking en informatie verstrekken die voor het onderzoek nodig is. Vierde lid Voor de controle op de rechtmatigheid en doelmatigheid van geleverde zorg in natura door gecontracteerde jeugdhulpaanbieders is de Regeling Jeugdwet van toepassing. De regeling kent voor de controle een getrapte controlesystematiek. 1. Formele controle: Het proces omvat allereerst een formele controle van de facturen.
Voldoet de rekening aan de gemaakte afspraken? De benodigde gegevens voor het uitvoeren van de formele controle zijn vaak intern al aanwezig. 2. Materiële controle: Signalen afkomstig uit de formele controle kunnen aanleiding zijn tot een materiële controle. Het doel van een materiële controle is een onderzoek naar de doel- en rechtmatigheid van de gedeclareerde hulp. Is de gedeclareerde zorg ook daadwerkelijk geleverd? De gemeente moet de stappen uit de Regeling Jeugdwet volgen, waaronder het bepalen van een controledoel, het uitvoeren van een risicoanalyse en het opstellen en uitvoeren van een algemeen controleplan. 3. Detailcontrole: Pas na de materiële controle kan een detailcontrole een vervolgstap zijn, indien er nog onvoldoende zekerheid is verkregen over de rechtmatigheid en/of doelmatigheid van de verleende zorg. De detailcontrole bestaat uit een specifieke risicoanalyse, een specifiek controleplan en doel. Bij de detailcontrole mag de gemeente niet verder onderzoeken dan noodzakelijk is voor het doel. Deze systematiek, die is neergelegd in de Regeling Jeugdwet, geldt niet voor pgb’s. De Regeling Jeugdwet die op 16 augustus 2016 in werking trad, geeft gemeenten wettelijke kaders voor onder meer materiële controle en fraudebestrijding binnen de Jeugdwet. Artikel 7.4.0 van de wet maakt het mogelijk dat jeugdhulpaanbieders gegevens verstrekken aan de gemeente.
In paragraaf 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet is opgenomen welke type persoonsgegevens, gewone en bijzondere, gemeenten mogen verwerken tijdens de controles. Indien inzage in het medisch dossier vereist is, kan dit alleen door of onder verantwoordelijkheid van een persoon die is gebonden aan het beroepsgeheim. 23
Een jeugdhulpaanbieder kan alleen verplicht worden medewerking te leveren als aan alle wettelijke vereisten van de controle is voldaan. De Rechtbank Limburg oordeelde dat een controleplan te algemeen van aard was en niet gold voor de specifieke aanbieder. Daarnaast was niet voldaan aan de vereiste vier stappen voor een materiële controle (ECLI:NL:RBLIM:2023:4475). De jeugdhulpaanbieder hoefde in dat geval niet mee te werken aan de controle. Bij een materiële controle en de eventueel daaropvolgende detailcontrole en bij fraudeonderzoek hoeft de gemeente geen toestemming aan de cliënt te vragen voor inzage in de persoonsgegevens. Toezichthouder (vijfde t/m achtste lid) Een toezichthouder handelt op basis van bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden voor het toezicht liggen vast in de artikel 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht en kunnen zowel bij de uitvoering van de Wmo 2015 als voor de uitvoering van de Jeugdwet ingezet worden. In de Wmo 2015 is het aanwijzen van een toezichthouder verplicht. De Jeugdwet kent een dergelijke verplichting niet, maar sluit het aanwijzen van toezichthouders niet uit. Voor het aanwijzen van een toezichthouders jeugd is in de verordening de benodigde grondslag opgenomen.
Kerntaken van de toezichthouder zijn: • voorkomen en signaleren van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen • adviseren over fraudebestrijding en fraudealert maken van medewerkers • controleren van gegevens, signaleren van knelpunten en adviseren over de beleidsmatige en uitvoeringsaspecten • leveren van een bijdrage aan het handhavingsbeleid en de inbedding hiervan in de organisatie • beoordelen van fraudesignalen • bepalen welke handhavingsinstrumenten moeten worden ingezet • zelfstandig uitvoeren van (complexe) bestuursrechtelijke onderzoeken met toepassing van toezichthoudende bevoegdheden conform de Algemene wet bestuursrecht • adviseren over de wenselijkheid van strafrechtelijke voortzetting van een bestuursrechtelijk onderzoek • adviseren van collega’s over het te nemen besluit in verband met het vervolgtraject • participeren in regionale overleggen met ketenpartners • rapporteren aan de colleges over de inzet van de toezicht- en handhavingsinstrumenten
HOOFDSTUK 13 KWALITEITSEISEN Artikel 24. Kwaliteitseisen In paragraaf 4.1 van de wet staan de eisen waar een jeugdhulpaanbieder aan moet voldoen. Dit zijn het bieden van verantwoorde hulp, organisatie en bemensing zo regelen dat sprake is van verantwoorde hulp (norm van verantwoorde werktoedeling), planmatig werken op basis van een hulpverleningsplan, het hebben van een kwaliteitssysteem, personeel met een VOG, het hebben van een meldcode en meldplicht bij calamiteiten of geweld. Daarnaast is het ten behoeve van de rechtspositie van de jeugdige en zijn ouders een eis om een klachtencommissie en cliëntenraad te hebben en een vertrouwenspersoon te faciliteren (paragraaf 4.2 van de wet). In het Besluit Jeugdwet worden onder meer nadere regels gesteld aan certificering en registratie-eisen van jeugdhulpprofessionals die daarmee werken volgens hun professionele standaard. Als het gaat om kwaliteitscriteria ten aanzien van in te zetten personeel wordt veelal gewezen op personeel met een bepaald opleidingsniveau, al dan niet in combinatie met een inschrijving van professionals in een beroepsregister, zoals de SKJ-registratie, het BIG-register en het register voor Sociaal Werkers. De SKJ-registratie van jeugdprofessionals op hbo-niveau of hoger is een verplichting. Deze vloeit voort uit de norm van verantwoorde werktoedeling (Kwaliteitskader Jeugd).
In aanvulling op de wettelijke kwaliteitseisen kan de gemeente ‘vooraf’ sturen op kwaliteit door aanvullende kwaliteitseisen te stellen. De eisen die de gemeente stellen kunnen vastgelegd worden in de contracten met jeugdhulpaanbieders.
24
In dit artikel zijn aanvullende kwaliteitseisen opgenomen die ook kunnen gelden voor jeugdhulpaanbieders die met een pgb worden ingekocht. Het college onderzoekt periodiek of steekproefsgewijs de kwaliteit van de geboden jeugdhulp. Artikel 25. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van een jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële prijzen Jeugdwet is op 1 juli 2024 in werking getreden.
Artikel 2.3, eerste lid van het Uitvoeringsbesluit Jeugdwet verplicht gemeenten om tenminste de volgende kostenelementen in de verordening op te nemen voor het bepalen van een reële prijs bij inkoop van jeugdzorg door gemeenten: • kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden) • cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten • overheadkosten • kosten voor indexering Het eerste lid van artikel 25 voorziet hierin. Overeenkomstig het Uitvoeringsbesluit wordt in het tweede lid verplicht gesteld dat in contracten met aanbieders in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt. In het derde lid is opgenomen dat het college bij een prijs- of tariefdifferentiatie rekening houdt met de verschillende vormen van ondersteuning.
HOOFDSTUK 14 OVERGANG VAN 18- NAAR 18+ Artikel 26. Overgang van 18- naar 18+ Eerste lid De gemeente is op grond van de Jeugdwet verantwoordelijk voor de zorg en ondersteuning aan jongeren tot 18 jaar. Zorg en ondersteuning vanaf deze leeftijd kan onder een andere wet vallen, bijvoorbeeld de Wmo 2015. Om de continuïteit van deze zorg en ondersteuning te waarborgen, is het belangrijk dat de overgang naar een andere wet tijdig wordt voorbereid. Voor jeugdigen in een kwetsbare situatie kan een zogenoemd perspectiefplan worden opgesteld. Met een perspectiefplan wordt meegedacht op alle leefdomeinen waar jeugdigen die 18 jaar worden mee te maken krijgen. Ook wordt de jeugdige ondersteunt bij de overgang naar een andere wet waarop ze vanaf hun 18 e jaar een beroep kunnen doen voor ondersteuning. Tweede t/m het vierde lid In de leden 2 t/m 4 is opgenomen wanneer sprake is van verlengde jeugdhulp vanaf 18 jaar. Dit volgt uit de wet maar is voor de volledigheid ook in dit artikel opgenomen.
HOOFDSTUK 15 AFSTEMMING MET ANDERE DOMEINEN
25
Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke weten regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Artikel 27. Afstemming met gezondheidszorg De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente – namelijk als het gaat om preventieve jeugdgezondheidszorg, geestelijke gezondheidszorg, en (licht)verstandelijk gehandicapten (met uitzondering van langdurige instellingszorg). De gemeente is niet verantwoordelijk voor huisartsenzorg, paramedische zorg (logopedie, fysiotherapie, dieetadvies) en de meeste medische specialistische (ziekenhuis)zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet.
Het is dan ook van belang dat er afspraken gemaakt worden tussen de gemeente en de aanbieders van deze zorg (en hun financiers: de zorgverzekeraars/zorgkantoren). De Jeugdwet schrijft dit ook voor (zie artikel 2.7 lid 5 Jeugdwet). Dit artikel beschrijft een aantal onderwerpen waarvoor afspraken nodig zijn, namelijk op het gebied van de doorverwijzing naar (algemene en individuele) jeugdhulpvoorzieningen en op welke wijze een doorverwijzing uiteindelijk wordt vastgelegd in een schriftelijke beschikking voor de jeugdige en/of zijn ouders. Ook zijn afspraken nodig voor de continuïteit van zorg als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken en daardoor onder een ander wettelijk kader komen te vallen. Artikel 28. Afstemming met gecertificeerde instellingen De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo’n samenwerkingsprotocol verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet). Artikel 29.
Afstemming met het justitiedomein In de strafrechtelijke beslissing – in het kader van een taakstraf of (gedragsbeïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering, bij taakstraffen de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings- en trainingsprogramma in het nazorgtraject. Het is van belang dat de gemeente afspraken maakt met deze instanties, zeker ook als het gaat om de afhandeling van de proces-verbalen van leerplicht. Deze afspraken zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK. Tevens worden afspraken hierover vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. Artikel 30. Afstemming met Veilig Thuis Artikel 4.1.1 Wmo 2015 legt het college de plicht op om een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) in te richten. Het AMHK, beter bekend als Veilig Thuis, is beschikbaar voor advies en consult voor professionals.
Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eer gerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlating en huwelijksdwang, extreme stalking. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen. Artikel 31. Afstemming met voorschoolse voorzieningen 26
Veel kinderen in de leeftijd van 0 – 4 jaar bezoeken een kinderopvang. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorzieningen en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen. Het is daarom van belang om over de relatie tussen de voorschoolse voorzieningen en de algemene en individuele voorzieningen op grond van deze verordening afspraken te maken met de aanbieders van kinderopvang en basisscholen. Artikel 32. Afstemming met onderwijs De samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs spelen een centrale rol bij het organiseren van passend onderwijs en (speciale) onderwijszorg op de scholen en bovenschools. In veel gevallen zullen onderwijszorg en zorg voor de jeugd elkaar nauw raken. Het is dan ook van belang dat er goede afspraken zijn tussen gemeente en het onderwijs, met name als het gaat om de vraag vanuit welke partij welke ondersteuning kan worden geleverd. Bovendien volgt uit de wet dat de gemeente en het schoolbestuur in individuele gevallen overleggen als een individuele jeugdhulpvoorziening nodig is (zie artikel 2.7 lid 1 Jeugdwet). Artikel 33. Afstemming met Wmo-voorzieningen Sinds de invoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) is de gemeente verantwoordelijk voor een breder pakket aan voorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning.
Eerste lid Hoewel voor de voormalige AWBZ-functie ‘begeleiding’ een knip gemaakt is bij achttien jaar en opvoed- en opgroeiondersteuning naar de Jeugdwet verplaatst is, blijven ook enkele voorzieningen voor jeugdigen onder de Wmo vallen (hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woningaanpassingen). Een goede afstemming is daarom gewenst, vooral wanneer voor een jeugdige zowel voorzieningen op grond van deze verordening als de Wmo-verordening nodig zijn. Tweede lid Sommige ouders van jeugdigen zullen te maken krijgen met voorzieningen op grond van de Wmo (omdat zij minder valide en zelfredzaam zijn). Ook in die gevallen is een goede afstemming tussen voorzieningen voor de jeugdige en voor de ouders gewenst. Derde lid Begeleiding van jeugdigen (tot 18 jaar) valt onder de Jeugdwet, begeleiding van volwassenen (vanaf 18 jaar) onder de Wmo 2015. Wanneer de begeleiding van een jeugdige gecontinueerd dient te worden na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar, moet een nieuw besluit genomen worden. Het college draagt er zorg voor dat deze overgang soepel verloopt door de jeugdige en zijn ouders enkele maanden voor de 18e verjaardag te wijzen op deze overgang en hen te ondersteunen bij de aanvraag. Artikel 34.
Afstemming met voorzieningen werk en inkomen Sommige voorzieningen op grond van de Participatiewet gelden ook voor 16- en 17-jarigen, zoals leer-werktrajecten (artikel 10f van de Participatiewet). In die gevallen moet de gemeente het voorzieningenaanbod goed afstemmen. Daarnaast zullen veel ouders van jeugdigen te maken krijgen met voorzieningen op grond van de Participatiewet.
HOOFDSTUK 16 VERTROUWENSPERSOON, KLACHTEN, INSPRAAK EN MEDEZEGGENSCHAP Artikel 35. Vertrouwenspersoon Voor vragen of klachten over jeugdhulp kunnen jeugdigen en hun ouders terecht bij een vertrouwenspersoon van Jeugdstem-vertrouwenspersoon akj. De hulp is gratis en de vertrouwenspersoon is onafhankelijk. Het Wijkteam informeert de jeugdige en zijn ouders over de mogelijkheid om advies en ondersteuning te krijgen van een vertrouwenspersoon (artikel 6, tweede lid). De vertrouwenspersoon van Jeugdstem is er voor iedere jeugdige en elke (pleeg)-ouder die te maken heeft met jeugdzorg, zoals: 27
• • •
jeugdigen in een (open of gesloten) jeugdzorginstelling, pleeggezin of gezinshuis; jeugdigen die ambulante behandeling of hulp ontvangen; cliënten van Centra voor Jeugd & Gezin, wijkteams, instellingen die de jeugdzorg uitvoeren, organisaties voor jeugdbescherming, de jeugdreclassering, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis.
In de wet is ‘vertrouwenspersoon’ gedefinieerd als: persoon die beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger jeugdigen, ouders of pleegouders op hun verzoek ondersteunt bij de uitoefening van hun rechten jegens het college, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor zover deze rechten samenhangen met de in deze wet geregelde onderwerpen. In dit artikel is bepaald dat het college ervoor zorgt dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Dit volgt ook uit de wet maar is voor de volledigheid ook al een recht van de jeugdige en zijn ouders opgenomen in de verordening. Artikel 36. Klachtenregeling In paragraaf 4.2.a van de wet zijn specifieke regels gegeven over het klachtrecht voor jeugdhulpaanbieders. De specifieke klachtregeling van de Jeugdwet gaat voor op die van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 4.2.1 van de wet verplicht de jeugdhulpaanbieder tot het treffen van een regeling via een klachtencommissie met een onafhankelijke voorzitter. Die commissie hoort de klager en de beklaagde en geeft daarna een oordeel over de klacht. Vervolgens moet de jeugdhulpaanbieder binnen een maand na het advies van de klachtencommissie haar beslissing meedelen aan de klager en de commissie. Daarbij zal de jeugdhulpaanbieder ook moeten meedelen of zij maatregelen neemt en, zo ja, welke dat zijn. In artikel 4.2.2.
Jeugdwet is vervolgens geregeld dat de klachtencommissie, in het geval van een ernstige situatie met een structureel karakter, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd daarvan in kennis stelt. Die zal vervolgens een onderzoek starten naar de gerapporteerde ernstige situatie. Vanwege het belang van een klachtenregeling is in dit artikel opgenomen dat het college er op toeziet dat jeugdhulpaanbieders over een klachtenregeling beschikken. Artikel 37. Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in paragraaf 4.2.b van de wet. Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntenervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening.
Op deze manier wordt gewaarborgd dat voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Op grond van het tweede lid moet het college vroegtijdig cliënten en/of vertegenwoordigers van cliëntengroepen in de gelegenheid stellen advies uit te brengen over beleidsvoorstellen en besluitvorming over verordeningen.
HOOFDSTUK 17 SLOTBEPALINGEN Artikel 38. Nadere regels
28
Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan het college nadere regels vaststellen. Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften ter uitwerking van onderdelen van – in dit geval – de verordening. Zaken die in de verordening op hoofdlijnen zijn benoemd, kunnen worden uitgewerkt in de Nadere regels. Met deze bepaling geeft de gemeenteraad het college de bevoegdheid nadere regels vast te stellen voor de uitvoering van deze verordening. Artikel 39. Evaluatie Dit artikel regelt dat het college de verordening en de eventueel door het college vastgestelde nadere regels, jaarlijks evalueert en aan de gemeenteraad rapporteert over het gevoerde beleid waarbij de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk worden meegenomen. Artikel 40. Hardheidsclausule Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om in bijzondere gevallen die niet zijn voorzien, af te wijken van de bepalingen in de verordening indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders. Het moet gaan om bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel.
Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt afgeweken. Artikel 41. Inwerkingtreding en intrekking oude verordening In dit artikel is opgenomen wanneer de verordening in werking treedt en tegelijkertijd de oude verordening wordt ingetrokken. Artikel 42. Overgangsbepalingen Dit artikel bevat overgangsrecht en regelt welke verordening van toepassing is op het moment dat de nieuwe verordening in werking treedt.
29