CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Toelichting verordening jeugdhulp MVS 2025

Gemeenteraad 15 april 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Brieven van het college van burgemeester en wethouders, dan wel de burgemeester, dan wel collegeleden:17.253 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TOELICHTING OP DE VERORDENING JEUGDHULP SCHIEDAM 2025 ALGEMEEN Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet. De Jeugdwet kent een voorzieningenplicht voor de gemeente; de jeugdhulpplicht. Deze houdt in dat de gemeente (het college) een jeugdhulpvoorziening moet treffen als de jeugdige of zijn ouders deze nodig hebben bij problemen met het opgroeien, de zelfredzaamheid of deelname aan de maatschappij. De aard en de omvang van deze jeugdhulpplicht wordt in beginsel door het college bepaald (maatwerk). Deze verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet.

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt: • over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen; • met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; • over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen; • over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; • voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet; • over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en • ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2.9 van de Jeugdwet is niet uitputtend geformuleerd en biedt derhalve ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet nog andere regels te stellen. In deze verordening is dat onder meer gebeurd door op onderdelen een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van burgers en de gemeente. Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, derde lid, bij verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk. MVS Jeugdmodel In 2020 hebben de gemeenteraden van Maassluis, Vlaardingen en Schiedam het Koersdocument MVS Jeugdmodel vastgesteld. Het Koersdocument is geschreven vanuit de praktijk, vanuit de leefwereld van het kind en vanuit de kracht van de mensen achter de jeugdhulp. Het is richtinggevend voor de uitvoering van het toekomstig jeugdmodel. De kern van het MVS Jeugdmodel Het MVS Jeugdmodel maken we samen met het kind en iedereen die voor een kind iets kan betekenen. We spreken dezelfde taal en streven naar hetzelfde doel voor het kind. We werken samen als een netwerk vanuit ieders toegevoegde waarde. We leren samen het beter te doen, creëren overzicht of we de goede dingen doen en voelen ons ervoor verantwoordelijk het systeem betaalbaar te houden.

Vertrekpunt voor alles wat we doen is de vraag van het kind en het gezin. De bouwstenen en leidende principes Zes belangrijke bouwstenen vormen samen het MVS Jeugdmodel. Alle bouwstenen zijn belangrijk en worden in samenhang uitgewerkt: 1. Netwerk rondom het kind, de ouder/opvoeder in het gewone leven. 2. Versterkt de positie van het onderwijs. 3. Wijkteam 2023 1

4. Een praktijkondersteuner in elke huisartsenpraktijk. 5. Flexibel netwerk van specialisten op MVS-niveau. 6. (Specialistische) jeugdhulp op MVS-niveau. De leidende principes in het Koersdocument zijn: • We gunnen elk kind een goede start en toekomst, gewoon opvoeden is daarbij uitgangspunt. • We gaan uit van het gezin in het dagelijks leven, we werken aan een gezamenlijk doel om te komen tot duurzame oplossingen. • De inhoud is leidend, niet het systeem: - mensen zijn belangrijker dan regels, we bieden maatwerk; - ruimte voor professionals en vertrouwen in professionele afwegingen; - zorg en begeleiding tijdig, passend en dichtbij; - transparante en eenvoudige verantwoording. • We praten met kinderen, jongeren en opvoeders/voogden en bepalen samen wat passend en nodig is. • We laten kinderen en jongeren niet los totdat een ander ze vastheeft. • De veiligheid van het kind en de jongere is altijd de ondergrens. Deze verordening sluit aan bij de bouwstenen en leidende principes in het Koersdocument. Eigen kracht Jeugdigen en ouders hebben onder de Jeugdwet geen wettelijk recht op jeugdzorg en geen individuele aanspraken op jeugdzorg. Wel is er een voorzieningenplicht (jeugdhulpplicht) voor de gemeente en het daaruit voortvloeiende recht van jeugdigen en ouders op een zorgvuldige procedure.

Voor het in de wet opnemen van een jeugdhulpplicht in plaats van het recht op jeugdhulp heeft de wetgever vooral gekozen om te benadrukken dat ouders van kinderen en de omgeving daarvan in eerste instantie verantwoordelijk zijn voor het realiseren van een veilige en stimulerende opvoedomgeving. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders is dus het uitgangspunt. Dit maakt de omslag mogelijk van een systeem van recht van de burger naar een plicht van de gemeente om waar nodig voorzieningen te treffen, waarbij meer ingespeeld wordt op de lokale en persoonlijke omstandigheden en de efficiënte uitvoering daarvan door de gemeente (TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, pagina 8). De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien naar zelfstandigheid van jeugdigen ligt dus allereerst bij de ouder(s) en jeugdige zelf ligt; ouders worden geacht de tot hun gezin behorende jeugdigen dagelijkse hulp, zorg en ondersteuning te bieden ook als er sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. De gemeente hoeft geen jeugdhulp in te zetten als de jeugdige en zijn ouders zelf een oplossing hebben voor de hulpvraag. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 29 mei 2024 in drie uitspraken (ECLI:NL:CRVB:2024:1095, 1096 en 1097) overwogen dat in de verordening moet worden geregeld wanneer sprake is van eigen kracht; wat de criteria en afwegingsfactoren zijn.

Specifiek geeft de Raad aan dat de gemeente in de verordening moet regelen wat de ouderlijke verzorgings- en opvoeringsplicht inhoudt en wanneer er gelet op deze plicht sprake is van eigen kracht. Volgens de Raad moeten de criteria en afwegingsfactoren in de verordening staan, omdat dit rechtszekerheid biedt en willekeur voorkomt. Artikel 2.3 van de Jeugdwet geeft onvoldoende duidelijkheid in een concrete situatie. Daartegenover staat dat minutieuze vastlegging van de eigen kracht in de verordening in strijd is met de te leveren maatwerk gericht op de individuele situatie van de jeugdige en zijn ouders. In deze verordening is, naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB, een apart hoofdstuk over Eigen kracht opgenomen waarin de balans is gezocht tussen het bieden van duidelijkheid in een concrete situatie en het tegelijkertijd kunnen leveren van maatwerk gericht op de individuele situatie van de jeugdige en zijn ouders. Toeleiding naar de jeugdhulp De gemeente is ervoor verantwoordelijk dat de jeugdige en zijn ouders op een deskundige wijze worden geholpen wanneer dat nodig is. Onder toeleiding, een niet in de wet gedefinieerd begrip, moet in dat verband worden verstaan dat de gemeente de jeugdige of zijn ouders behulpzaam is in het

2

zoeken naar de juiste wegen voor het verkrijgen van hulp. In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen (basishulp) en individuele voorzieningen (gespecialiseerde hulp). De algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder dat daar een uitgebreid onderzoek door het college aan voorafgaat. Deze voorzieningen vallen onder de sociale basisstructuur binnen de gemeente. Een verwijzing is soms nodig om er voor te zorgen dat de juiste hulp bij de juiste persoon terecht komt en de voorzieningen niet “verstopt” raken. De toeleiding naar de jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden, te weten: • via de gemeente; • na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts; • via de gecertificeerde instellingen, de rechter, het openbaar ministerie of de justitiële jeugdinrichting; en • via Veilig Thuis (geen rechtstreekse toegang tot jeugdhulp). Toegang jeugdhulp via de gemeente De toegang jeugdhulp via de gemeente is georganiseerd binnen het wijkteam. Jeugdigen en hun ouders kunnen zich met een hulpvraag wenden tot het wijkteam. In een gesprek tussen een jeugdhulpprofessional en de jeugdige en zijn ouders wordt bekeken welke hulp de jeugdige en zijn ouders nodig hebben en wat ze eventueel zelf of met behulp van hun sociale netwerk kunnen doen aan het probleem.

Is een individuele voorziening (gespecialiseerde hulp) nodig, dan neemt het college daartoe een besluit. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. In de praktijk bepalen de huisarts, medisch specialist en jeugdarts niet zelf welke specifieke vorm van hulp nodig is. Zij verwijzen naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder beoordeelt vervolgens op basis van zijn professionele autonomie welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractrelatie. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld.

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening, behoudens het bepaalde in de artikelen 28 en 29.

Toegang via Veilig Thuis Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Op basis van een melding onderzoekt Veilig Thuis of sprake is van huiselijke geweld en/of kindermishandeling. Wettelijk is Veilig Thuis in artikel 4.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 geregeld. Een van de taken van Veilig Thuis is het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij kindermishandeling. Deze instantie zal op haar beurt vanuit haar eigen taak en professionaliteit actie ondernemen en wanneer nodig, hulp gaan bieden. Veilig Thuis draagt dan nog wel de verantwoordelijkheid om na verloop van tijd te controleren tot welk resultaat de ingeschakelde hulp heeft geleid en of sprake is van passende hulp (TK 20122013, 33 648, nr. pagina 243). In die zin biedt Veilig Thuis ook een toegang tot jeugdhulp. Meestal 3

neemt het wijkteam de hulp in het vrijwillige kader over. Als in het vrijwillige kader de problemen niet worden opgelost en een kind bedreigd wordt in zijn ontwikkeling, draagt Veilig Thuis de casus over aan de Raad voor de Kinderbescherming. Die onderzoekt vervolgens of het nodig is om de kinderrechter om een kinderbeschermingsmaatregel te vragen. De toegang via Veilig Thuis is in de Wmo 2015, Jeugdwet en Burgerlijk Wetboek geregeld en komt verder niet terug in deze verordening, behoudens in artikel 30.

ARTIKELSGEWIJS HOOFDSTUK 1

BEGRIPSOMSCHRIJVING

Artikel 1. Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt. Indien mogelijk algemeen aangeduid als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: - de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, - de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar, of - de ouder(s) namens de jeugdige bij een jeugdige jonger dan 12 jaar. In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°.

ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°. het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb).

Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De individuele voorzieningen en algemene voorzieningen zijn opgenomen in de hoofstukken 3 en 4. Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in de hoofdstukken 5 en 6. De Jeugdwet spreekt in artikel 2.9 onder a van ‘overige voorziening’. In de memorie van toelichting op de Jeugdwet spreekt de wetgever echter over algemene of vrij toegankelijke voorzieningen. Dit sluit ook aan bij de terminologie van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Omdat ‘algemene voorziening’ de meest gangbare term is, is deze overgenomen in de verordening. Een individuele voorziening is een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden vorm van jeugdhulp. Deze voorziening is niet vrij toegankelijk, er is een individuele beoordeling nodig om te bepalen welke voorziening het meest passend is. 4

HOOFDSTUK 2

REIKWIJDTE VERORDENING

Artikel 2. Reikwijdte verordening In artikel 2 is de reikwijdte van de verordening opgenomen. Welke gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp hangt af van de woonplaats van de jeugdige. Om de woonplaats van de jeugdige te bepalen wordt aangesloten bij de inschrijving van de jeugdige zelf in de Basisregistratie Personen (BRP). Voor de jeugdige geldt dat het moet gaan om de inschrijving in de BRP op een woonadres. Dit volgt uit artikel 1.1 van de Jeugdwet. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: 1. jeugdhulp zonder verblijf: de gemeente waar de jeugdige volgens de BRP staat ingeschreven is verantwoordelijk voor de jeugdhulp. 2. jeugdhulp met verblijf: de gemeente waar de jeugdige volgens de BRP stond ingeschreven voorafgaand aan de verhuizing naar de eerste verblijfsplek is en blijft verantwoordelijk. Deze gemeente is verantwoordelijk voor alle jeugdhulp, ook voor ambulante jeugdhulp die aanvullend op de jeugdhulp met verblijf nodig is. Indien de woonplaats niet op grond van 1 en 2 kan worden vastgesteld is de gemeente waar de moeder van de jeugdige ten tijde van diens geboorte ingeschreven stond in de BRP of, indien dat kan worden vastgesteld, de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag ,verantwoordelijk.

Ingeval de woonplaats buiten Nederland is, is de gemeente waar de jeugdige werkelijk verblijft op het moment van de hulpvraag verantwoordelijk. Het woonplaatsbeginsel geldt voor jeugdhulp aan jeugdigen jonger dan 18 jaar en voor jeugdhulp aan jeugdigen ouder dan 18 jaar (verlengde jeugdhulp). De woonplaats van de jeugdige in het kader van de Jeugdwet wijzigt dus niet als de jeugdige 18 jaar wordt. Het woonplaatsbeginsel geldt ook voor jeugdhulp aan ouders.

HOOFDSTUK 3

ALGEMENE VOORZIENINGEN

Artikel 3. Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar behoeften en persoonskenmerken door het college. Dit conform de Wmo-jurisprudentie van de CRvB over algemene Wmo-voorzieningen (zie o.a. CRvB 15-04-2010, nr. 09/1519 WMO). In enkele gevallen is wel een verwijzing nodig om er voor te zorgen dat de juiste hulp bij de juiste persoon terecht komt en de voorzieningen niet “verstopt” raken. De jeugdige of zijn ouders die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen, of na verwijzing door bijv. het wijkteam, school of huisarts, gebruik van maken. De ondersteuning en hulp die Mevis binnen het wijkteam kan bieden, valt ook onder het begrip ‘algemene voorziening’. Het collectieve aanbod is daarbij voorliggend op 1 op 1 ondersteuning en hulp die geboden wordt door een jeugdhulpprofessional van Mevis.

HOOFDSTUK 4

INDIVIDUELE VOORZIENINGEN

Artikel 4. Individuele voorzieningen In dit artikel is nader omschreven welke individuele voorzieningen beschikbaar zijn. Het gaat hier veelal om specialistische zorg die niet valt onder de basishulp. Voor de toegang tot een individuele voorziening is een voorafgaand onderzoek nodig naar behoeften en persoonskenmerken. Evenals bij de algemene voorzieningen is, indien van toepassing, het collectieve aanbod voorliggend op 1 op 1 ondersteuning en hulp geboden door de jeugdhulpaanbieder. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in de hoofdstukken 5 en 6.

5

De jeugdige die op grond van de Jeugdwet jeugdhulp ontvangt en in verband met een medische noodzaak of gebrek aan zelfredzaamheid niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te reizen waar de jeugdhulp wordt geboden, heeft naast het recht op een door het college te treffen voorziening, indien naar het oordeel van het college noodzakelijk, tevens recht op het vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden (artikel 2.3, tweede lid van de Jeugdwet). In artikel 20 zijn de criteria voor jeugdhulpvervoer opgenomen.

HOOFDSTUK 5 TOEGANG TOT DE JEUGDHULP VIA DE HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS Artikel 5. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medische specialist of jeugdarts In artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de algemene voorzieningen als voor de individuele voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. In de memorie van toelichting (pg. 125) staat: Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden deze andere keuze te vergoeden en zullen de jeugdige of zijn ouders de kosten van deze jeugdhulp zelf dienen op te brengen. In het tweede lid is het wettelijk uitgangspunt dat de huisarts (e.a.) alleen verwijst naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder neergelegd.

Jeugdigen of zijn ouders kunnen, wanneer zij dat wensen, met een pgb jeugdhulp betrekken van een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder (lid 3). In het vierde lid is opgenomen dat bij een individuele voorziening een beschikking wordt verstrekt.

HOOFDSTUK 6 TOEGANG TOT DE JEUGDHULP VIA HET COLLEGE Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de gemeente Eerste lid Artikel 2.3 van de Jeugdwet regelt de toegang via de gemeente. Het college van burgemeester en wethouders is het bevoegde bestuursorgaan tot het bepalen van jeugdhulp voor de jeugdige of zijn ouders. De toegang tot de jeugdhulp loopt via het Wijkteam. Jeugdigen en ouders kunnen zich tot het Wijkteam wenden met een hulpvraag (lid 1). Voor de aanmelding van een hulpvraag kan gebruik worden gemaakt van een digitaal aanmeldformulier. Tweede lid Na de aanmelding (via het aanmeldformulier, telefonisch of via het spreekuur) bevestigt het Wijkteam de ontvangst binnen twee weken en worden de jeugdige en ouders geïnformeerd over: - de procedure; - de verwerking van persoonsgegevens en rechten van betrokkenen; - de mogelijkheid om een familiegroepsplan op te stellen; - de mogelijkheid om zich door iemand uit het sociale netwerk (buddy) te laten ondersteuning bij het gehele hulpverleningstraject; - de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; - de klachtenprocedure; en - de mogelijkheid om advies en ondersteuning te krijgen bij vragen en klachten van Jeugdstem – vertrouwenspersoon akj.

6

Derde lid In het derde lid is opgenomen dat in spoedeisende gevallen het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening treft wanneer het besluit niet kan worden afgewacht, bijvoorbeeld bij een crisissituatie.

HOOFDSTUK 7 HET ONDERZOEK Artikel 7. Het onderzoek Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Eerste lid In het eerste lid is bepaald dat het onderzoek plaats vindt aan de hand van het beoordelingskader van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) Het beoordelingskader is in Bijlage 1 uitgewerkt in een 10 stappenplan. Tweede lid In de Jeugdwet is vastgelegd dat ouders/gezinnen de mogelijkheid hebben om samen met familie, vrienden en anderen die behoren tot de sociale omgeving van de jeugdige een familiegroepsplan op te stellen. In artikel 1.1. van de Jeugdwet is familiegroepsplan gedefinieerd als: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. In familiegroepsplan kunnen ouders aangeven hoe ze zelf de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) willen verbeteren.

Met het familiegroepsplan krijgen ouders, gezinnen en hun netwerk de mogelijkheid om regie te voeren over hulp die zij nodig hebben. De manier waarop gezinnen het familiegroepsplan tot stand brengen, staat vrij. Ook hoe het plan eruit ziet, mogen gezinnen zelf bepalen. Het hoeft niet aan bepaalde criteria te voldoen. De gemeente is verplicht gezinnen ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan. De Jeugdwet geeft een aantal uitzonderingen waarin ouders en de jeugdige geen gelegenheid krijgen om eerst een familiegroepsplan te maken, namelijk wanneer: • een gecertificeerde instelling jeugdreclassering uitvoert. Dit is in de wet uitgezonderd omdat het hier gaat om de uitvoering van een vonnis door de strafrechter; • een gecertificeerde instelling de voogdij uitoefent nadat het gezag over het kind niet meer bij de ouders ligt maar bij de gecertificeerde instelling. Deze maatregel is in de wet uitgezonderd omdat het gezag over het kind niet meer bij de ouders ligt maar bij de gecertificeerde instelling, of • het opstellen van een familiegroepsplan de belangen van de jeugdige schaadt, bijvoorbeeld door een concrete bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van het kind. In sommige situaties is het niet in het belang van het kind om eerst de ouders en het netwerk de gelegenheid te geven een plan op te stellen.

Als de veiligheid van het kind in het geding is, is de overheid op grond van humanitaire en (inter)nationale verplichtingen gehouden om te zorgen dat het kind snel en adequaat beschermd wordt. In het tweede lid is bepaald dat als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, het college dit plan betrekt bij het onderzoek. Derde lid In het derde lid is de zogenoemde medewerkingsplicht opgenomen. Om jeugdhulp te kunnen krijgen, wordt van zowel van de jeugdige zelf als zijn ouders de nodige medewerking verwacht. Het gaat dan om medewerking aan het college om te kunnen beoordelen welke jeugdhulp nodig is. In artikel 8.1.2 lid 3 van de Jeugdwet is een algemene bepaling over de medewerkingsplicht opgenomen: De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Het gaat hierbij om alle denkbare vormen van 7

medewerking. De jeugdige en zijn ouders zijn uiteraard alleen verplicht mee te werken als die medewerking nodig is om te kunnen vaststellen welke hulp nodig is. Van de jeugdige en zijn ouders mag worden verlangd dat hij het college voorziet van de gegevens die nodig zijn voor een goede beoordeling van de aanvraag en dat hij zo goed mogelijk meewerkt aan een daarvoor benodigd onderzoek (ECLI:NL:RBGEL:2018:5610 en ECLI:NL:RBNHO:2018:4856). Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek kan de medewerkingsplicht inhouden dat de jeugdige en zijn ouders: • meewerken aan het onderzoek om vast te stellen welke jeugdhulp nodig is • met het college gesprekken voeren over de hulpvraag (dit kan dus ook betekenen dat met de jeugdige wordt gesproken) • rapportages aanleveren die door derden zijn gemaakt • toestemming geven voor het voeren van gesprekken met hulpverleners van de jeugdige • toestemming geven de jeugdige (langdurig) te observeren / gezinsopname Als de jeugdige of zijn ouders onvoldoende meewerken betekent dat niet automatisch dat de aanvraag wordt afgewezen of niet-ontvankelijk wordt verklaard. Alleen als de noodzaak tot jeugdhulp door het ontbreken van informatie niet kan worden vastgesteld, wijst het college de aanvraag af (ECLI:CRVB:2024:2352). Het niet verlenen van medewerking is op zichzelf geen afwijzingsgrond.

Dit geldt alleen als het ontbreken van de gevraagde medewerking er toe leidt dat het college geheel niet kan vaststellen wat de noodzaak tot verlening van jeugdhulp is. Het niet mogen spreken met de jeugdigen kan ook leiden tot het afwijzen van een aanvraag als daardoor de noodzaak van jeugdhulp niet vastgesteld kan worden. Artikel 8. Identificatie Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige is verplicht wanneer voor de eerste maal contact met de jeugdige plaatsvindt. In artikel 7.2.2. van de Jeugdwet staat dat dit aan de hand van het Burgerservicenummer (BSN) moet gebeuren. De Jeugdwet kent geen regels omtrent een identificatieplicht. In de verordening kan een dergelijke verplichting wel opgenomen worden. Artikel 9. Deskundigheid en vergewisplicht Eerste, tweede en derde lid De beoordeling of een jeugdige of zijn ouders een voorziening nodig heeft en welke voorziening hij nodig heeft, dient plaats te vinden door een deskundige en zal gebaseerd dienen te zijn op zorginhoudelijke gronden. In artikel 2.14, eerste lid Jeugdwet jo artikel 2.1 Besluit Jeugdwet is bepaald dat het college moet zorgen voor de beschikbaarheid van relevante deskundigheid voor de toeleiding, advisering en bepaling van de aangewezen voorziening, alsmede de uitvoeren van de jeugdhulp. In hoofdstuk 5 van het Besluit Jeugdwet is de registratie bij het kwaliteitsregister jeugd (SKJ) geregeld.

De toeleiding naar jeugdhulp moet derhalve onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional plaatsvinden. In de uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1079) oordeelt de CRvB dat de noodzakelijke deskundigheid van een adviseur opgenomen moet worden in de verordening. Pas dan is het vereiste van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en inzetten van de aangewezen voorziening voldoende in wettelijke maatstaven gewaarborgd. De CRvB sluit daarbij aan bij artikel 2.7 Jeugdwet. In dit artikel is geregeld dat voor personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten voor de toeleiding naar, advisering over en de bepaling van de voorziening dezelfde kwaliteitseisen gelden ten aanzien van het verlenen van verantwoorde hulp als voor jeugdhulpverleners. Dit sluit aan bij een eerdere uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2017:1477, r.o. 4.3.1) waarin de CRvB het volgende geoordeeld: Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken. De vorenbedoelde verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

8

Vierde lid In het vierde lid is de vergewisplicht van het college opgenomen. In de uitspraak van 29 mei 2024 heeft de CRvB tevens geoordeeld dat advisering over de besluitvorming, de besluitvorming en de uitvoering niet in één hand mogen liggen. De Raad acht bij een dergelijke vermenging van bevoegdheden onvoldoende waarborgen aanwezig dat sprake is van een zorgvuldige besluitvorming (zoals geregeld in de afdelingen 3.2. e.v. van de Algemene wet bestuursrecht. Onder meer het nakomen van de verplichting van het bestuursorgaan om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, is dan onvoldoende gewaarborgd. De vergewisplicht vloeit voort uit artikel 3:9 en 3:49 de Algemene wet bestuursrecht: Artikel 3:9 Indien een besluit berust op onderzoek naar feiten en gedragingen die door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Artikel 3:49 Ter motivering van een besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

Uit de Memorie van Toelichting bij Afdeling 3.3 van de Algemene wet bestuursrecht blijkt dat als sprake is van een adviseur in de zin van de wet, dit het bestuursorgaan niet ontslaat van de verplichting te bezien of de adviseur deskundig is, het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en of het advies afdoende is, dat wil zeggen dat moet worden bezien of uit de overwegingen van het advies logischerwijs de conclusie volgt. Deze controleplicht – in de literatuur en in de rechtspraak aangeduid als vergewisplicht – is in de Algemene wet bestuursrecht geregeld voor wettelijke adviseurs, maar geldt, zoals bijvoorbeeld blijkt uit de wetsgeschiedenis bij en de rechtspraak over artikel 3:9, in tenminste dezelfde mate ook bij adviseurs zonder wettelijke status. Artikel 10. Het ondersteuningsplan In het eerste lid is bepaald dat de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Belangrijk zijn vooral de doelen waaraan gewerkt moet worden: de voorziening moet er op gericht zijn dat de jeugdige gezond en veilig opgroeit naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren. De verplichting voor het college om voorzieningen te treffen is een inspanningsverplichting: het college moet een zo goed mogelijk resultaat met de inzet van de jeugdhulp bereiken.

Naast het opnemen van de te behalen doelen en resultaten (tweede lid, aanhef en onder a) wordt tevens opgenomen: het moment en de wijze waarop de resultaten van de ingezette hulp wordt geëvalueerd (onder b), indien van toepassing, wie de casusregie heeft (onder c) en wie de “buddy” van de jeugdige/gezin is (onder d). In het derde lid is bepaald dat het ondersteuningsplan binnen 6 weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional gereed moet zijn. Opmerkingen en latere aanvulling van de jeugdige/ouders worden in het ondersteuningsplan opgenomen (vierde lid). Als de jeugdige/ouders niet akkoord zijn met de uitkomsten van het onderzoek wordt dit in het ondersteuningsplan vermeld met de reden waarom zij niet akkoord zijn (vijfde lid). De jeugdige/ouders ondertekenen het ondersteuningsplan voor gezien wanneer zij niet akkoord gaan met de uitkomsten of voor akkoord wanneer zij daar mee instemmen. Zesde lid De ondertekening van het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord is als onderdeel van de vergewisplicht van het college belangrijk omdat daarmee vaststaat dat de jeugdige/ouders kennis hebben genomen van de uitkomsten van het onderzoek en daar wel of niet mee instemmen.

In artikel 11, zesde lid is opgenomen dat een ondertekend ondersteuningsplan aangemerkt kan worden als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek nog geen aanvraag is ingediend.

9

HOOFDSTUK 8 CRITERIA INDIVIDUELE VOORZIENING Artikel 11. Voorwaarden voor een individuele voorziening In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven. Eerste lid Een individuele voorziening wordt verstrekt: a. als die nodig is gelet op de aard en de ernst van de hulpvraag en om de doelen van de Jeugdwet te bereiken; b. de jeugdige/ouders de hulp niet op eigen kracht kunnen bieden; c. een algemene voorziening geen oplossing biedt, en d. de jeugdige/ouders geen aanspraak kunnen maken op een andere voorziening. Onder de doelen van de Jeugdwet wordt verstaan: het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige. Belangrijk is dat bij het beoordelen van de problematiek allereerst gekeken wordt in hoeverre het eigen sociaal netwerk van de betrokkene ondersteuning kan bieden (onderdeel b).

Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: “het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren, waarbij voor zover mogelijk wordt uitgegaan van hun eigen inbreng” (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet). Pas als blijkt dat de jeugdige of zijn ouders er zelf, met hulp van de omgeving, niet of slechts gedeeltelijk uitkomen, moet het college een voorziening treffen. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders wordt in ieder geval toereikend geacht, indien naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid van ouders mag worden verwacht dat zij die hulp en ondersteuning aan hun kind bieden. In Hoofdstuk 9 is dit nader uitgewerkt. Een algemene voorziening heeft voorrang boven een individuele voorziening (onderdeel c). Met andere woorden: is er een algemene voorziening beschikbaar die volledig tegemoet komt aan de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders, dan hoeft het college geen individuele voorziening te treffen. Het college hoeft evenmin een voorziening te verstrekken als de jeugdige of zijn ouders gebruik kunnen maken van een andere (voorliggende) voorziening (onderdeel d).

Het gaat dan om een voorziening op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, bijvoorbeeld Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg. Dit vloeit overigens reeds voort uit artikel 1.2 van de Jeugdwet, maar is voor de volledigheid ook hier opgenomen. Tweede lid Op grond van artikel 1.2 van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op een andere wet, dan is de Jeugdwet niet van toepassing.

Als echter meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wet langdurige zorg, een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet én de Jeugdwet, dan is het college gehouden een voorziening te treffen op basis van de Jeugdwet (artikel 1.2, tweede lid van de Wet).

10

Ook de voorziening als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid onder b van de wet is uitgezonderd van het uitgangspunt dat geen voorziening op grond van de wet hoeft te worden verstrekt als aanspraak bestaat op de Wet langdurige zorg, de Zorgverzekeringswet, of de Wmo 2015. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair is gericht op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen. Bij de beoordeling of een andere voorziening voorliggend is, is in Bijlage 2 bij de verordening een overzicht opgenomen m.b.t. de afbakening van de Jeugdwet met andere wetten binnen het sociaal domein. Derde lid Een individuele voorziening kan worden verstrekt in de vorm van zorg in natura of een pgb. Met een pgb kan iemand zelf de zorg inkopen als aan de voorwaarden opgenomen in Hoofdstuk 10 wordt voldaan. Vierde lid Een individuele voorziening wordt niet eerder verstrekt dan nadat het onderzoek als bedoeld in artikel 7, eerste lid is afgerond tenzij sprake is van een spoedeisende situatie als genoemd in artikel 6, derde lid.

In spoedeisende gevallen, als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b van de wet moet het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening treffen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Het gaat daarbij om situaties waarbij de ontwikkeling of veiligheid van de jeugdige ernstig wordt bedreigd. Vijfde lid In het vijfde lid is bepaald dat het college de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Een voorziening moet altijd adequaat zijn. Als er meerdere adequate voorzieningen zijn, wordt de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Zesde lid In het zesde lid is bepaald dat het college een ondertekend ondersteuningsplan kan aanmerken als een aanvraag voor een individuele voorziening als na afronding van het onderzoek nog geen aanvraag is ingediend. Deze bepaling is opgenomen om jeugdige/ouders niet onnodig te belasten met het indienen van een formele aanvraag. Indien jeugdige of zijn ouders zich met een hulpvraag tot het Wijkteam wenden is op dat moment vaak nog niet duidelijk of de problemen slechts met een individuele voorziening kunnen worden opgelost. Alleen wanneer sprake is van een individuele voorziening wordt een beschikking verstrekt door het college.

Voor het afgeven van een beschikking is een aanvraag nodig die ondertekend is door de aanvrager en waarin wordt aangeduid welke beschikking wordt gevraagd (artikel 4:2 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Indien na afloop van het onderzoek nog geen aanvraag is ingediend die aan de formele vereisten voldoet, kan het college een ondertekend ondersteuningsplan aanmerken als een aanvraag. Artikel 12. Dyslexiezorg Eerste t/m vierde lid Dyslexie is een aangeboren beperking bij lezen en spellen. Ondersteuning bij dyslexie wordt in eerste instantie geboden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Blijkt dat er sprake is van ernstige dyslexie (ED) dan is de gemeente verantwoordelijk voor dyslexiezorg. Gemeenten zijn alleen verantwoordelijk voor dyslexiezorg die nodig is voor kinderen met ED vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen (ECLI:NL:CRVB:2018:3454 en ECLI:NL:CRVB:2024:1430). De Raad oordeelt dat in de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat de wetgever bij overheveling van de dyslexiezorg naar de Jeugdwet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd dan onder de Zorgverzekeringwet het geval was. De verantwoordelijkheid van de gemeente voor dyslexiezorg beperkt zich dan ook tot de diagnose en behandeling van ED van kinderen in de leeftijd vanaf 7 jaar die basisonderwijs volgen.

11

Bij het bepalen van toegang tot jeugdhulp voor dyslexiezorg wordt gebruik gemaakt van het landelijke protocol (eerste lid). De Poortwachter adviseert het college na beoordeling van het leerlingdossier volgens de richtlijnen van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie (tweede lid). Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering en begeleiding van jeugdigen met dyslexie. De samenwerkingsverbanden van scholen maken afspraken over ondersteuning bij dyslexie die op scholen geboden wordt. Is deze ondersteuning onvoldoende, dan kan onderzocht worden of sprake is van ED. Artikel 13. Inhoud beschikking In dit artikel is opgenomen wat er minimaal in de beschikking opgenomen wordt. Een deugdelijke motivering van het besluit is belangrijk. Ter motivering van een besluit wordt verwezen naar het uitgebrachte advies dat is opgenomen in het ondersteuningsplan. Dit sluit aan bij artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht waarin is bepaald dat ter motivering van het besluit of een onderdeel daarvan kan worden volstaan met een verwijzing naar een met het oog daarop uitgebracht advies, indien het advies zelf de motivering bevat en van het advies kennis is of wordt gegeven.

HOOFDSTUK 9 EIGEN KRACHT Artikel 14. Beoordelingscriteria Eigen kracht Eigen kracht Artikel 2.3, eerste lid van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college alleen een voorziening treft als de jeugdige en zijn ouders niet in staat zijn om zelf , eventueel met hulp van personen uit het sociaal netwerk, hun problemen op te lossen. Dit wordt Eigen kracht genoemd. In de wet is niet bepaald wat precies onder Eigen kracht wordt verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat het uitgangspunt is dat ouders in de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bijv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135-136). Het is aan de gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Zorgplicht ouders De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt dus allereerst bij de ouders van de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren.

Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, dan hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen vermogen en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om de jeugdhulp zelf te kunnen verlenen (CRvB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326).

Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen. 12

Volgens de CRvB in een uitspraak van 29 mei 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1095) geven de artikelen 2.3 en 2.9 van de wet, mede gelet op de wetsgeschiedenis, de gemeente de opdracht om regels te stellen over het aanbod, de toekenningsvoorwaarden en beoordeling van individuele voorzieningen. Artikel 2.3 van de wet biedt de jeugdige en zijn ouders hiervoor onvoldoende rechtszekerheid of in ieder geval onvoldoende duidelijkheid op de individuele situatie. De gemeente moet dan ook in de verordening onder meer duidelijk regelen wanneer sprake is van eigen kracht, omdat dit één van de afwegingsfactoren zoals bedoeld in artikel 2.9 van de wet is. Specifiek moet de gemeente regelen wat de betekenis van de ouderlijke verzorgings- en opvoedingsplicht is die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek (artikelen 1:82 en 1:247 BW) en wat de begrippen eigen kracht, gebruikelijke hulp en/of bovengebruikelijke hulp inhouden. Artikel 1:82 BW Echtgenoten zijn elkander getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd. Zij zijn verplicht elkander het nodige te verschaffen. Artikel 1:247 BW 1. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen. 2. Onder verzorging wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. (…).

Afwegingskader Artikel 14 van de verordening geeft uitleg over wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een afwegingskader voor het college. In het eerste lid is neergelegd dat onder eigen kracht in ieder geval wordt verstaan: - gebruikelijke hulp - bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden en dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de hulp geen (financiële) problemen in het gezin ontstaan - de ondersteuning vanuit het sociale netwerk - het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten In die gevallen wordt er dus geen individuele voorziening verstrekt omdat de eigen kracht toereikend is. In het tweede lid is uitgelegd wat onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Dit is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht dat ouders hun kind bieden. Het college treft dan geen voorziening. Hier kan (tijdelijk) een uitzondering op worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden (vierde lid). Derde lid Voor de vaststelling van bovengebruikelijke hulp wordt verwezen naar de richtlijnen gebruikelijke zorg van het CIZ in Bijlage 3. Bovengebruikelijke hulp is de hulp die significant uitstijgt boven de zorg die een gezond kind van een bepaalde leeftijd nodig heeft.

Bij bovengebruikelijke hulp zijn de ouders nog steeds verantwoordelijk en het college beoordeelt dan of deze hulp van ouders mag worden verwacht. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende en langdurende zorg (vijfde lid). Bij kortdurende bovengebruikelijke zorg, verwacht het college dat ouders dit kunnen bieden, tenzij dit niet van de ouders kan worden verwacht, bijvoorbeeld door (dreigende) overbelasting. Die overbelasting moet dan wel verband houden met de hulp aan de jeugdige (zesde lid). Bij langdurige situaties wordt rekening gehouden met de in het zevende lid genoemde factoren. Als die factoren niet leiden tot problemen bij het bieden van de hulp, dan verstrekt het college geen voorziening (achtste lid). In het negende lid is opgenomen welke uitgangspunten er gelden bij (dreigende) overbelasting.

13

In het tiende lid is bepaald dat de ondersteuning die het sociale netwerk biedt ook valt onder eigen kracht. In het elfde lid is opgenomen dat geen voorziening wordt verstrekt voor het gedeelte waarop ouders een beroep op een aanvullende zorgverzekering kunnen doen.

HOOFDSTUK 10 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 15. Voorwaarden voor een pgb In het eerste lid van artikel 8.1.1 van de wet staat: Indien de jeugdige en de ouders dit wensen, verstrekt het college hun een persoonsgebonden budget dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. De formulering van het eerste lid geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouders een voorziening in natura krijgen. De mogelijkheid voor het toekennen van een budget bestaat echter wel indien de jeugdige en zijn ouders dit wensen. In dat geval wordt een budget toegekend waarmee de jeugdige en zijn ouders de mogelijkheid hebben zelf te bepalen bij wie ze de jeugdhulp willen inkopen. Trekkingsrecht Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en zijn ouders uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen; het college stelt een bedrag ter besteding beschikbaar. Het college verricht, via de Sociale Verzekeringsbank (SVB), betalingen als de door de jeugdige en zijn ouders zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden. Voor dit trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk tegen te gaan.

De constructie zorgt ervoor dat het budget alleen wordt besteed om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt betrokkene de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die de jeugdige of zijn ouders nodig hebben (TK 2012-2013, 33 684, nr. 4 pagina 11). In de Regeling Jeugdwet (paragraaf 8) zijn de bepalingen omtrent de pgb nader uitgewerkt. Zo is te lezen dat de persoon aan wie een pgb is verstrekt, de budgethouder, een schriftelijke overeenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst voor vervoer sluit met iedere derde die hij ten laste van zijn pgb jeugdhulp laat verlenen. Deze overeenkomsten moeten voldoen aan door de SVB vastgestelde modelovereenkomsten. De overeenkomsten moeten ook door het college worden goedgekeurd. Deze goedkeuring is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. De budgethouder kan het budget gebruiken om met een aanbieder van hulp de benodigde hulp in te kopen. De aanbieder, zal na verlening van de hulp, een factuur sturen die dan door de budgethouder moet worden geaccordeerd en doorgezonden aan de SVB. Die zal vervolgens de betaling aan de aanbieder voor hulp verrichten. Een besluit tot het toekennen van een pgb kan alleen door het college worden genomen. Voorwaarden Conform het tweede lid van artikel 8.1.1 van de wet verstrekt het college aan de jeugdige en zijn ouders alleen een pgb, indien: a.

de jeugdige of zijn ouders naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit hun sociale netwerk dan wel een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat zijn de aan een persoonsgebonden budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten; en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en bijdraagt aan het beoogde resultaat. Eerste lid De voorwaarden in artikel 15 zijn aanvullend op de criteria die de wet in artikel 8.1.1 stelt. Om voor een pgb in aanmerking te komen moet voldaan zijn aan de voorwaarden die genoemd zijn in de wet en aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening als genoemd in artikel 11 en 14 van de verordening. 14

Pgb-formulier (tweede en derde lid) De jeugdige of zijn ouders die een pgb willen ontvangen vragen dit aan door middel van een door het college vastgesteld formulier. Op het formulier (en bijbehorende budgetplan) moet de jeugdige of zijn ouders aangeven hoe het pgb wordt besteed , daarnaast moet een budgetplan worden meegestuurd. Voldoende in staat de pgb-taken uit te voeren (vierde lid) De jeugdige of zijn ouders moeten er blijk van geven dat zij op eigen kracht voldoende in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Mocht dat niet het geval zijn, dan zal het college moeten kijken of de jeugdige of zijn ouders met hulp uit het sociale netwerk of met hulp van een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat zijn de aan een pgb verbonden taak op verantwoorde wijze uit te voeren (vijfde lid). Het is aan het college om daar in ieder individuele situatie een oordeel over te vellen (TK 2013-2014, 33983. nr. 3, p.23). In het vierde lid zijn criteria opgenomen waaraan dit onderdeel kan worden getoetst. Motivering dat natura-aanbod niet passend is (zesde lid) Een tweede voorwaarde bepaalt dat de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt moeten stellen dat de individuele voorziening die wordt geleverd door een aanbieder, voor de jeugdige niet passend is.

Om aan deze voorwaarde te voldoen, zullen de jeugdige of zijn ouders moeten aantonen dat zij zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening ‘in natura’. Uit de wetsgeschiedenis van de Wmo volgt dat het college geen eisen mag stellen aan de inhoud van de motivering. Met andere woorden: als de jeugdige of zijn ouders een motivering geven (ongeacht welke) en duidelijk is dat zij zich voldoende hebben georiënteerd op het aanbod in natura, is dat voldoende (ECLI:NL:RBOVE:2017:3709; ECLI:NL:RBNHO:2022:12454). Een voorziening is bijvoorbeeld niet passend als de jeugdhulp vooraf niet goed te plannen is of op ongebruikelijke tijden moet plaatsvinden. Kwaliteitseisen (zevende t/m negende lid) De jeugdhulp die de jeugdige en zijn ouders met het pgb willen inkopen, moet voldoen aan de kwaliteitseisen. Het college zal zich ervan moeten vergewissen dat de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp goed is (zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 222). Het college heeft als taak om bij de pgbaanvraag te beoordelen of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is. Dat houdt in dat het college moet vaststellen of de hulp die de jeugdhulpaanbieder zal verlenen een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige. Het gaat hierbij vooral om een toets op de doelmatigheid: gaat de in te zetten jeugdhulp een oplossing bieden voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige of zijn ouders.

Een professionele jeugdhulpaanbieder moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals genoemd in artikel 4.1.1 tot en met 4.1.9 van de wet. Voor een hulpverlener uit het sociaal netwerk gelden minder strenge eisen. De persoon die de hulp biedt en die niet behoort tot de eerste graad van bloedverwantschap moet in ieder geval een VOG overhandigen die niet ouder is dan drie maanden. In het tiende lid is opgenomen welke kosten voor vergoeding uitgesloten zijn vanuit een pgb. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag oftewel een verantwoordingsvrij bedrag, toe (elfde lid). Artikel 16. Weigeringsgronden pgb In dit artikel zijn de weigeringsgronden opgenomen. In het eerste lid is limitatief opgenomen wanneer een pgb wordt geweigerd. Dat is in ieder geval wanneer niet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 15 wordt voldaan (lid 1, aanhef en onder c). Het eerste lid is een zogenoemde ‘kan-bepaling’ dat wel zeggen dat het college beleidsvrijheid heeft om al dan niet gebruik te maken van deze bevoegdheid. Hierbij speelt het evenredigheidsbeginsel een rol. Er dient een belangenafweging plaats te vinden. Daarbij zal het college het ene belang laten prevaleren boven het andere belang en dient er dus een evenredigheidstoets plaats te vinden. De tweede en het derde lid geven aan wanneer het college pgb moet weigeren. Bij deze bepalingen heeft het college geen beleidsruimte. 15

Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond van toepassing is. In de verordening kunnen aanvullende weigeringsgronden opgenomen worden, bijvoorbeeld als het pgb bedoeld is voor besteding in het buitenland (lid 1, aanhef en onder e), wanneer er fraude is gepleegd (tweede lid) of wanneer er twijfels zijn over de integriteit van de jeugdhulpaanbieder waar de hulp met een pgb wordt betrokken (derde lid). In artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onder a van de wet is opgenomen dat het college een pgb kan weigeren voor zover de kosten van het betrekken van de jeugdhulp van derden hoger zijn dan de kosten van de individuele voorziening. Dit is neergelegd in artikel 19, lid 8 waarin is bepaald: Indien de kosten van de met het pgb in te kopen jeugdhulp hoger zijn dat de in het vorige lid bedoelde tarief, wordt het pgb voor het deel dat het tarief overstijgt, conform artikel 8.1.1, vierde lid onder a van de wet, geweigerd. De aanvrager betaalt in dat geval de meerkosten zelf aan de SVB. In artikel 8.1.1, vierde lid aanhef en onder b van de wet is bepaald dat het college een pgb kan weigeren indien het college eerder toepassing heeft gegeven aan artikel 8.1.4, eerste lid onderdeel a, d of e.

Dat wil zeggen als de jeugdige of zijn ouders: - onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (a); - niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (d); - het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd (e). Artikel 17. Voorwaarden pgb-beheerder De persoon die de pgb ontvangt is budgethouder. Een budgethouder kan zelf het pgb beheren of de wettelijke vertegenwoordiger of gevolmachtigde kan dit namens de budgethouder doen. Dit kan bijvoorbeeld de gezaghebbende ouder, bewindvoerder, mentor of curator zijn (= wettelijke vertegenwoordiger) of een persoon die door de budgethouder is gemachtigd om het pgb te beheren. De budgethouder blijft zelf verantwoordelijk/aansprakelijk. Een minderjarige is verplicht om het pgb te laten beheren door een pgb-beheerder. In dit artikel worden voorwaarden gesteld aan de pgb-beheerder. De pgb-beheerder moet in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoordelijke wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende basisvaardigheden: 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings- cq.zorgvraag); 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15253375/1