Bijlage Rekenkamerrapport Armoede in Schiedam
Tekst van het document
Armoede in Schiedam
24 november 2023
Inhoudsopgave 1 Inleiding ........................................................................................................................................................ 2 2 Waar hebben we het over? Armoede in Schiedam ........................................................................................ 4 Wat is armoede? ................................................................................................................................................. 4 Hoe doet Schiedam het ten opzichte van andere gemeenten? .......................................................................... 4 Inzichten uit beleid .............................................................................................................................................. 7 Aandacht voor arbeidsmigranten ....................................................................................................................... 8 3 Wat werkt: bewezen praktijken .................................................................................................................. 10 Onderwijs ..........................................................................................................................................................
10 Werk ................................................................................................................................................................. 10 Inrichting van de stad ....................................................................................................................................... 10 Economie .......................................................................................................................................................... 12 Veiligheid .......................................................................................................................................................... 12 4 Conclusies en aanbevelingen voor de gemeenteraad .................................................................................. 13 Bijlage: Bewezen praktijken van armoedebestrijding ..................................................................................... 15 Bronnen en literatuur........................................................................................................................................ 23
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
1
Voorwoord De Rekenkamer Schiedam heeft armoede in Schiedam onderzocht. In verhouding tot andere gemeenten hebben veel inwoners van Schiedam niet genoeg geld om te voorzien in basisbehoeften, zoals voedsel, kleding en onderdak. Armoede heeft verschillende oorzaken en er zijn veel organisaties betrokken bij het beperken ervan. De gemeente, en dus de gemeenteraad, is er daar één van. Met dit onderzoek wil de rekenkamer de raad informeren over achtergronden van armoede, die van belang zijn voor effectief armoedebeleid en hulp aan inwoners van Schiedam. Begin dit jaar heeft onderzoeksbureau Blaauwberg het algemene beleid van Schiedam in kaart gebracht. Daarna hebben de onderzoekers twee gesprekken gevoerd met raadsleden. De inbreng daarvan is betrokken bij het vervolg van het onderzoek. Na deze gesprekken heeft het onderzoeksbureau een uitgebreid document opgeleverd om te bespreken met de ambtelijke organisatie. Dit werkdocument is vervolgens door de rekenkamer gebruikt voor dit rapport Armoede in Schiedam. De rekenkamer heeft het rapport op 27 november aangeboden aan de organisatie en het college van B&W. De organisatie heeft de feiten gecheckt. Het bleek helaas niet mogelijk om dit jaar nog een bestuurlijke reactie te formuleren.
Het college van B&W wil vasthouden aan het doorlopen van een zorgvuldig proces en wenst eerst kennis te kunnen nemen van de ambtelijke feitencheck en de reactie daarop van de rekenkamer. Na het afronden van deze fase zal het college van B&W een bestuurlijke reactie formuleren. De rekenkamer heeft op 18 december haar reactie op de feitencheck gegeven en het rapport op enkele – voornamelijk tekstuele- punten aangepast. Het college formuleert daarna een bestuurlijke reactie. De rekenkamer stopt per 31 december 2023 en kan dus niet meer op de bestuurlijke reactie reageren. De rekenkamer stuurt daarom dit definitieve rapport aan de raad, zonder bestuurlijke reactie.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
2
1 Inleiding Dit rapport van de Rekenkamer Schiedam gaat over armoede in Schiedam. Het onderzoek heeft twee doelen: 1. De positie van Schiedam vergelijken met andere steden en kijken hoe in de afgelopen tien tot twaalf jaar met armoede in de gemeente is omgegaan. 2. De gemeenteraad van Schiedam helpen met aanbevelingen om armoede te bestrijden, met een focus op de komende tien tot twaalf jaar. Armoede is een breed probleem, dat om een brede aanpak vraagt. In dit rapport gaat het dus om veel meer dan inkomensondersteuning. Want er is meer nodig om de oorzaken van armoede aan te pakken. In dit rapport worden allerlei maatregelen beschreven, op uiteenlopende terreinen, die zich in de praktijk hebben bewezen. Zodat de gemeenteraad weten waar ze op kan sturen – en waarop niet. Het rapport is gebaseerd op beleidsdocumenten, bewezen praktijken uit binnen- en buitenland, en gesprekken met de ambtelijke organisatie en de gemeenteraad. Het betrekt de Schiedamse actualiteit, maar verbindt de stad ook met de buitenwereld en een langetermijnperspectief. We willen deelnemers van het overleg van vakgroepen (SVO), het Kenniscentrum en Stroomopwaarts bedanken voor hun kritische bijdragen aan dit rapport. Ook danken we de raadsleden met wie we voor dit rapport konden overleggen over het politieke debat over armoede.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
3
2 Waar hebben we het over? Armoede in Schiedam De geschiedenis van armoede in Schiedam is lang. Het begon met de afname van de industrie in de gemeente, tussen 1970 en 1990. De aard van de armoede is nu anders en ook gaat het vaak om andere inwonersgroepen. Tegenwoordig zijn het bijvoorbeeld veel arbeidsmigranten die in armoede leven. Zij wonen in Schiedam en werken vaak in de omliggende gemeenten. Wat is armoede? Armoede gaat over meer dan het hebben van weinig geld. Studenten hebben bijvoorbeeld weinig geld, maar worden meestal niet als arm gezien. Armoede gaat ook over weinig kansen hebben om verder te komen in het leven, weinig opleiding hebben, een slechte gezondheid, en niet goed in staat zijn om regie te voeren over je eigen leven. Hoe breng je in kaart om hoeveel inwoners dat gaat? Daarvoor kun je kijken naar inwoners zonder startkwalificatie (een diploma op niveau mbo2). Met minimaal een mbo2-diploma kun je meestal een goede baan vinden, hogerop komen en voor jezelf zorgen. Zonder startkwalificatie wordt dat heel lastig. Vaak zie je dat mensen daarmee blijven hangen in slecht betaald tijdelijk werk, of helemaal niet werken. Als je als gemeente veel inwoners hebt zonder startkwalificatie, dan is dat dus een goede maatstaf voor hoeveel mensen in armoede leven. Natuurlijk zijn er meer maatstaven om erachter te komen hoeveel inwoners in armoede leven.
Zoals het aantal bijstandsuitkeringen, het aantal huishoudens met minimaal 4 jaar lang een laag inkomen (110% van het sociaal minimum, dat is € 1.380 per maand), en het aantal sociale huurwoningen. Ook deze cijfers zijn meegenomen in dit rapport, om een goed beeld te krijgen van armoede in Schiedam. Hoe doet Schiedam het ten opzichte van andere gemeenten? In Schiedam heeft volgens de cijfers van het CBS bijna 32% van de inwoners geen startkwalificatie. Als je kijkt naar de beroepsbevolking, dat zijn alle inwoners tussen 15 en 75 jaar, dan is dat bijna 25%. Dat is meer dan het landelijke cijfer: bekeken naar heel Nederland heeft 20% van de beroepsbevolking geen startkwalificatie. We vergelijken de Schiedamse cijfers met die van Maassluis, Vlaardingen en het landelijk gemiddelde. Om een beeld te krijgen van de ontwikkeling in de afgelopen tien jaar gebruiken we cijfers van 2013/14 en van 2021/22: Schiedam
Vlaardingen
Maassluis
Nederland
Percentage laagopgeleiden 2013 1
40%
36%
38%
32%
Percentage laagopgeleiden 2021 2
32%
33%
33%
27%
Aantal bijstandsuitkeringen 2013 in % 3
3.7%
3.3%
2.8%
2.6%
Aantal bijstandsuitkeringen 2022 in %
3.4%
3.8%
2.8%
2.6%
1
CBS Statline tabel : opleidingsniveau (2013) CBS Statline tabel: opleidingsniveau 2021 3 CBS Statline tabel: bijstandsuitkeringen (2011-2022) 2
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
4
Aantal huishoudens met > 1 jaar inkomen tot 110% sociaal minimum, 2013 4
14.0%
12.5%
10.8%
11.1%
Aantal huishoudens met > 1 jaar inkomen tot 110% sociaal minimum, 2021
12.2%
11.8%
9.4%
10.0%
Aantal huishoudens met > 4 jaar inkomen tot 110% sociaal minimum, 2014
6,9%
6,3%
5,4%
5,3%
Aantal huishoudens met > 4 jaar inkomen tot 110% sociaal minimum, 2021
7,5%
7,2%
5,8%
6,0%
Aandeel 65+ in bevolking, 2013 5
16,2%
19,7%
19,3%
16,8%
Aandeel 65+ in bevolking, 2022
17,5%
21,2%
23,0%
20,0%
Aantal banen per 100 leden beroepsbevolking, 2013 6
93 banen
58 banen
45 banen
89 banen
Aantal banen per 100 leden beroepsbevolking, 2021 7
83 banen
55 banen
46 banen
94 banen
Aandeel sociale huurwoningen in totale voorraad woningen, 2013 8
35,1%
47,3%
43,2%
30,6%
Aandeel sociale huurwoningen in totale voorraad woningen, 2021 9
30,9%
42,2%
39,6%
28,6%
Als je kijkt naar armoede in de grootste 50 gemeenten van Nederland (de G50), dan staat Schiedam op plek 3810: 1
Alphen a/d Rijn
20
Gouda
41
Leeuwarden
2
Haarlemmermeer
22
Zaanstad
42
Almelo
3
Ede
22
Zwolle
43
Nijmegen
4
Amstelveen
24
Bergen op Zoom
44
Enschede
5
Oss
25
Deventer
45
Arnhem
4
CBS Statline tabel: laag en langdurig laag inkomen (2011-2021) Statline tabel: bevolking op 1 januari naar leeftijd (1988 – 2022) 6 Cijfers LISA (banen) en CBS (beroepsbevolking) via waarstaatjegemeente 7 Cijfers LISA (banen) en CBS (beroepsbevolking) via waarstaatjegemeente 8 StatLine tabel: voorraad woningen naar eigendom (2012 – 2022) 9 StatLine tabel: voorraad woningen naar eigendom (2012 – 2022) 10 de gemeente op plaats 1 heeft het laagste armoedepercentage en de gemeente op plaats 50 het hoogste. De plaats op de ranglijst zegt weinig over de exacte omvang van de armoede; de verschillen tussen de gemeenten zijn vaak klein. 5
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
5
6
Amersfoort
25
Hengelo
46
Groningen
7
Purmerend
27
Leiden
46
Heerlen
7
Velsen
27
Lelystad
48
Den Haag
9
Apeldoorn
27
Utrecht
49
Amsterdam
10
Zoetermeer
30
Emmen
50
Rotterdam
11
Hoorn
31
Eindhoven
12
Haarlem
31
Sittard-Geleen
12
Leidschendam-Voorburg
33
Venlo
14
Alkmaar
35
Helmond
14
Almere
35
Dordrecht
16
Hilversum
35
Tilburg
16
Roosendaal
35
Vlaardingen
18
Den Bosch
38
Schiedam
19
Nissewaard
39
Delft
20
Breda
40
Maastricht
Hoe zit het met het aantal betaalde banen in Schiedam? Betaald werk is cruciaal in de strijd tegen armoede. Hierin wijkt Schiedam af van de landelijke trend: landelijk gezien groeit het aantal banen in steden vanaf 2015, maar in Schiedam gebeurt dat niet en neemt het zelfs af: 2005
2010
2015
2021
Aantal banen
29.990
36.270
35.330
36.430
Inwoners
75.487
75.565
76.869
79.279
Beroepsbevolking
37.000
39.000
41.000
44.000
Werkgelegenheidsquote Schiedam
81 banen
93 banen
86 banen
83 banen
Werkgelegenheidsquote G50
107 banen
109 banen
103 banen
108 banen
Toelichting: het aantal banen zijn banen van 12 uur of meer in de week, de ‘werkgelegenheidsquote’ is het aantal banen per 100 leden van de beroepsbevolking. De arbeidsparticipatie stijgt dan weer wel in Schiedam, net als in het hele land. Maar in Schiedam gaat het nog wat harder. Het maakt wel uit over wat voor diploma je beschikt. De participatie onder hoogopgeleiden zit rond de 80-85%. Bij laagopgeleiden – mensen zonder startkwalificatie – beschikt amper de helft over werk. In Schiedam is de arbeidsparticipatie binnen deze groep wel enigszins gestegen:
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
6
Schiedam 2013 absoluut
Positie op ranking G50 in 2013
Schiedam 2022 absoluut
Arbeidsparticipatie volwassen bevolking
64,5%
39e
70.4%
Arbeidsparticipatie laagopgeleiden
49,0%
24e
54.8%
Positie op ranking G50 in 2022 34e
23e
Conclusies Uit de vergelijkingen met andere gemeenten komen twee conclusies: 1. Het gaat de goede kant op in Schiedam, net als in de rest van Nederland. Het aantal laagopgeleiden en bijstandsuitkeringen daalt. Ook daalt het aantal lage inkomens. De arbeidsparticipatie is gestegen, maar het aantal banen stijgt niet fors mee. Het kan dus beter. 2. Schiedam kent een aantal specifieke problemen waar nog geen goede oplossingen voor zijn. Problemen die armoede in de hand werken. Dat kunnen zijn: veel (migranten met) slecht betaald werk, te weinig werk dichtbij en een te laag opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Inzichten uit beleid Schiedam heeft uitgebreide beleidsinformatie over armoede uit drie bronnen: "Schiedam – de staat van de stad" (2022), "Inzicht in armoede" (2021)11, en "Armoede in de MVS-gemeenten" (2017) (MVS staat voor Maassluis, Vlaardingen en Schiedam). Daaruit komen de volgende inzichten:
11
Inzicht in Armoede (armoedemonitor 2023) is openbaar na 12 december 2023
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
7
1. Stapeling van voorzieningen: In 2016 had 47 van de 1.000 Schiedamse huishoudens zes of meer uitkeringen uit het sociaal domein, wat in 2021 is afgenomen tot 4 huishoudens per 1.000. Een kaartbeeld in "De staat van Schiedam" toont geografische stapeling van verschillende aspecten van armoede en andere buurtproblemen. Arme en rijke wijken liggen door elkaar, en Schiedam wordt beschreven als een mozaïek. 2. Definities vanuit de statistiek: "Inzicht in armoede" (2021) hanteert twee definities van armoede, die in beeld brengen hoeveel inwoners in Schiedam in armoede leven: 1. In 2018 maakte 11 % van alle inwoners deel uit van een huishouden met een inkomen van ten hoogste 110% van het sociaal minimum (in 2016 was dit aandeel nog 12%); 2. In 2020 maakte 9% van alle inwoners deel uit van een huishouden met een of meer van de volgende voorzieningen: bijstand, bijzondere bijstand en/ of minimaregelingen, schuldhulpverlening (in 2018 was dit 11%). Let wel: hier gaat het alleen over bij de gemeente geregistreerde inwoners. Inwoners die niet bij de gemeente zijn geregistreerd zijn hier niet in meegeteld. De groep inwoners die in armoede leeft, is dus waarschijnlijk groter. 3. Schuldenproblematiek, werkende armen, en verborgen armoede: "Inzicht in Armoede" toont dat meer dan 14% van de huishoudens in Schiedam schulden heeft, opvallend hoger dan andere MVS-gemeenten.
Een gedetailleerde blik op inkomensposities laat zien dat Schiedamse huishoudens met een laag inkomen net boven reguliere statistische normen uitkomen. Dit kan wijzen op mogelijk werkende huishoudens. Het percentage verborgen armoede, huishoudens die recht hebben op voorzieningen maar er geen gebruik van maken, is vermoedelijk niet zo groot. 4. Generieke kenmerken: "Armoede binnen de MVS-gemeenten" (2018) benoemt generieke kenmerken, waarbij aandacht wordt gevraagd voor 'kwetsbare groepen'. Dat zijn huishoudens met een inkomen net boven 110 of 120% van het sociaal minimum, die geen gebruik maken van voorzieningen maar wel risico lopen op armoede. Aandacht voor arbeidsmigranten In Schiedam zien we een sterke groei van arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa, evenals andere internationale groepen. Veel migranten die in Schiedam wonen, werken in de omliggende gemeenten.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
8
Migranten die in Schiedam geregistreerd zijn: 2010
2022
Ontwikkeling
Pools
359
2.388
+ 2.029
Bulgaars
335
1.536
+ 1.201
Roemeens
42
370
+ 328
Portugees
346
666
+ 320
Syrisch
0
258
+ 258
Indiaas
39
167
+ 128
Chinees
191
312
+ 121
Hongaars
41
162
+ 121
Grieks
87
201
+ 114
Italiaans
87
188
+ 101
Migranten kennen een eigen dynamiek en ontwikkeling, die vragen om een andere aanpak van armoedebestrijding. Het zorgdragen voor goede huisvesting is natuurlijk een belangrijk onderdeel van deze aanpak. Daarnaast kan meer een beroep worden gedaan op de motivatie van arbeidsmigranten om te werken en zich te scholen. Ze zijn immers naar Nederland gekomen om via werk hun positie te verbeteren. Als zij zich verder ontwikkelen, dan wordt de kans kleiner dat zij in armoede terechtkomen.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
9
3 Wat werkt: bewezen praktijken Armoede is een complex probleem, er is niet één oplossing voor. De oplossing ligt juist in een combinatie van maatregelen en ingrepen op verschillende terreinen. Hieronder een overzicht van deze terreinen, met aanbevelingen. Onderwijs Onderwijs is cruciaal in armoedebestrijding. Eenvoudig gezegd: hoe langer mensen onderwijs volgen, hoe welvarender ze zijn. Een voor de hand liggende oplossing voor armoedebestrijding op de lange termijn, is dan ook ervoor zorgen dat mensen eerder beginnen en later stoppen met leren. 1. Eerder beginnen: een kind van vier jaar oud met onderwijsachterstanden, haalt dat bijna niet meer in. Vooral taal is belangrijk. Een aanbeveling is dan ook om kinderen van 2,5 jaar een vorm van onderwijs aan te bieden. Zo werk je aan gelijke kansen voor iedereen. 2. Later eindigen en nascholing: een startkwalificatie op mbo niveau 2 is belangrijk, maar hogere niveaus (3 en 4) bieden betere kansen op stabiele banen. Voortdurende nascholing en het overbruggen van mbo naar hbo zijn dus heel belangrijk. Veranderende beroepen en een steeds complexer wordende maatschappij, vragen daar om. 3. Specifieke aandacht voor arbeidsmigranten: met een focus op scholing aan arbeidsmigranten en hun kinderen, kan voorkomen worden dat zij de nieuwe armen van de toekomst worden.
Ondernemers zouden meer hun rol kunnen pakken in het ondersteunen van onderwijskansen voor deze mensen. 4. De rol van ondernemers: jongeren zonder startkwalificatie zouden door hun werkgever gestimuleerd moeten worden om zich verder te scholen. Een baan op laaggeschoold niveau kan zeer aantrekkelijk zijn wanneer je school niet leuk vindt. En het minimumloon kan aantrekkelijk lijken. Maar na een paar jaar zitten deze jongeren muurvast. 5. Grens van scholing: onderwijs is niet voor iedereen de oplossing om verder te komen in het leven. Er zullen altijd mensen zijn die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Voor hen zijn arrangementen op rijksniveau, zoals gesubsidieerde arbeid of begeleid werk, essentieel om deel te nemen aan de samenleving. Werk De meerderheid van de armen zit niet in de uitkering, maar werkt. Werk met te weinig perspectief en te weinig structuur, maar toch: werk. Goed werk, in de zin van werk dat helpt bij armoedebestrijding, is werk dat perspectief en kwaliteit van leven biedt. Het gaat om banen met het vermogen om een leven te structureren, taal te leren, scholing mee te maken, capaciteiten te ontwikkelen. Gewoon een ‘goede baan’ dus, zelfs wanneer het salaris laag is. Een praktisch voorbeeld is de afspraak die schoonmaakbedrijven af en toe proberen te maken met hun opdrachtgevers, dat er overdag op locatie wordt gewerkt.
Schoonmaakwerk wordt voor een groot deel verricht door laaggeschoolde migranten. Zij schieten er sociaal weinig mee op wanneer ze hun werk anoniem en in de avonduren moeten verrichten. Werken overdag verschaft de mogelijkheden om iets van taal en werkcultuur op te pakken. Inrichting van de stad Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten nieuwe instrumenten voor hun ruimtelijke inrichting. Die wet komt op het moment dat grote operaties als wijkonderhoud en de energietransitie bij elkaar komen. Dat biedt kansen voor armoedebestrijding. Want de inrichting van de stad kan inspireren om
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
10
in actie te komen, mensen te ontmoeten, en eenzaamheid en isolement te doorbreken. Allemaal dingen die mensen kunnen stimuleren om verder te komen in het leven en armoede te doorbreken. Er zitten verschillende aspecten aan stedenbouw en de inrichting van de stad, in relatie tot armoedebestrijding: 1. Sociale en fysieke mobiliteit: Armoede wordt geassocieerd met een beperkte horizon en mogelijkheden: veel mensen die in armoede leven, komen nauwelijks hun wijk uit. Sociale stijging vereist echter het verlaten van de vertrouwde omgeving. Goede verbindingen tussen woon- en werkplekken, samen met een stimulerende omgeving, zijn cruciaal voor de bestrijding van armoede. 2. Functiescheiding in de naoorlogse stedenbouw: in de naoorlogse bouw in Nederland werden wonen en werken sterk gescheiden. Met als gevolg grote woonwijken waar nauwelijks economische activiteit is. Veel mensen die in armoede leven, wonen in dergelijke wijken. Kinderen die in die wijken opgroeien, krijgen daardoor vaak een heel beperkte blik op wat er mogelijk is. In de moderne stedenbouw worden functies als wonen en werken veel meer gecombineerd. 3. Stad van aankomst en laagdrempelig ondernemerschap: vooral in steden met veel nieuwkomers, kan het goed werken als kleinschalig ondernemerschap wordt gestimuleerd.
Een mix van commerciële en niet-commerciële voorzieningen en een actief lokaal ondernemerschap worden internationaal als gunstig beschouwd voor armoedebestrijding. 4. Naar de 15-minutenstad: in de moderne stedenbouw is de 15-minutenstad een begrip. In dit concept worden functies gemengd, zodat woningen, winkels, werkplekken, groen en andere plekken voor recreatie en ontmoeting allemaal binnen 15 minuten lopend of met de fiets bereikbaar zijn. Een omgeving die veel verschillende functies mengt prikkelt tot actie, en blijkt een positief effect te hebben op de welvaart en het welzijn van bewoners. 5. Mengen van arm en rijk: Nederland zet vaak in op het mengen van bewonersgroepen, maar in de praktijk leidt dat lang niet altijd tot meer contact. Daar is meer voor nodig, bijvoorbeeld het mengen van functies. Bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw met lage huren in een welvarende wijk, of een publiekstrekker in een arme wijk. Sommige landen, zoals Canada, kiezen voor een heel andere aanpak. Daar wordt juist gestimuleerd dat gemeenschappen van nieuwkomers bij elkaar gaan wonen. De aanname is dat een arme migrant zich kan optrekken aan een herkenbaar iemand – bijvoorbeeld een voormalig landgenoot – die al eerder aangekomen is.
Een homogeen arme of etnische wijk is naar deze beleidsopvatting op zich niet slecht, zolang er maar voldoende sociaaleconomische dynamiek en ondernemerschap in die wijk bestaat. 6. Bedrijventerreinen: nu de traditionele functiescheiding tussen wonen en werken steeds meer wordt losgelaten, verandert ook de blik op bedrijventerreinen. Moderne bedrijventerreinen evolueren naar 'werklandschappen' met gecombineerde functies. In de ruimtelijke planning liggen kortom kansen om armoede te bestrijden. Onder meer door functiemenging en het creëren van stimulerende omgevingen. Dat is een kwestie van de lange adem, dit vraagt om langetermijnbeleid.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
11
Economie In het lokale economisch beleid is het sleutelwoord 'ondernemingsklimaat'. Gemeenten zorgen voor de juiste omstandigheden, zoals ruimte en veiligheid, zodat ondernemers hun werk kunnen doen. Het beleid richt zich vaak op deze randvoorwaarden, maar om echt verschil te maken in de strijd tegen armoede, is meer nodig. Succesvolle steden wereldwijd hebben vaak een kennisintensief economisch cluster. Dit cluster bestaat uit kennisinstellingen en bedrijven die samenwerken en kennis delen. In Schiedam zijn er vier lokale clusters: maritiem, ambachtelijke makers, zorg en mechatronica (bedrijven die mechanica, informatica en elektronica combineren). Een kenniscluster, vooral met een technische focus, kan de lokale economie stimuleren. Een cluster trekt de rest van de lokale economie mee, bindt koopkracht aan de stad en schept baankansen in ondersteunende bedrijvigheid. In Schiedam is het maritiem-technologische cluster relevant. De Innovatiecampus Schiedam richt zich op mechatronica. Een hbo-instelling zou dit cluster verstevigen. Dit is dan ook al jarenlang een wens. Mocht dit alsnog gebeuren, dan is dit een stimulans voor het op gang krijgen van studentenhuisvesting en studentencultuur: horeca, gezamenlijke werkruimtes, start-ups.
De vorming van zo'n cluster heeft indirecte voordelen voor armoedebestrijding, zoals het aantrekken van kapitaalkrachtige bezoekers, het creëren van baankansen en het versterken van de lokale economie. Een ander aspect van armoedebestrijding is de arbeidsmarkt. Er wordt verwacht dat er de komende jaren meer werk zal zijn dan geschikte mensen. Werkgevers moeten kijken naar nieuwe, laaggeschoolde arbeidskrachten en investeren in scholing. Het bevorderen van scholing bij werkgevers draagt niet alleen bij aan hun personeelsvoorziening maar ook aan armoedebestrijding. Veiligheid Schiedam is de op twee na meest onveilige stad en de 14e meest arme stad van Nederland (‘arm’ in de zin van het laagste gemiddelde standaardinkomen). Er is een verband tussen armoede en subjectieve onveiligheid, mede door een ander en slordig gebruik van de openbare ruimte. Schiedam neemt deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, met focus op de wijken Nieuwland en Oost. Het programma benadrukt de gelijkwaardigheid van 'veiligheid' en 'leefbaarheid'. Ondanks dalende misdaadcijfers ervaren Schiedammers zich onveiliger.
Onderzoek naar onveiligheidsgevoelens in 2021 toont aan dat naast criminaliteit, factoren zoals vervuiling en buurtverloedering invloed hebben. De armste buurten, zoals Groenoord-Zuid, Nolensbuurt en Wibautbuurt, worden als zeer onveilig ervaren. Dit kan leiden tot een neerwaartse spiraal van verloedering en toenemende criminaliteit. Verbeteringen zijn mogelijk door bewoners regie te geven over hun omgeving en hen uit te rusten voor actieve betrokkenheid bij oplossingen. Het zwerfgedrag van arbeidsmigranten lijkt ook een rol te spelen in het versterken van het gevoel van onveiligheid.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
12
4 Conclusies en aanbevelingen voor de gemeenteraad De algemene conclusie van dit rapport is dat Schiedam vooruitgang boekt in inkomenssituatie en opleidingsniveau, maar kampt met lokale componenten van armoede, ook geïmporteerd door de vestiging van arbeidsmigranten. Om armoede effectief aan te pakken, is niet alleen verzachtend beleid nodig, maar ook een verandering van het stadsecosysteem. Een integrale aanpak vereist samenwerking op diverse beleidsterreinen en constante reflectie op en communicatie over de lange termijn ambitie van Schiedam. Rollen en organisaties Een doeltreffende aanpak van armoede vereist een brede aanpak en samenwerking tussen diverse partijen. Belangrijke rollen spelen de gemeenteraad, particulier initiatief, en overheidsgebonden organisaties. De gemeenteraad moet politieke druk uitoefenen voor 'integraal beleid', dat verder gaat dan beleidskolommen. Diverse vormen van druk zijn nodig, waaronder het bevragen van beleidsstukken op verbinding met andere domeinen, agenderen van armoede als breed thema, en periodieke monitoring van armoedebestrijding in verschillende domeinen. Het blijven agenderen van bewezen praktijken is eveneens cruciaal. Er is veel particulier initiatief rond acute armoede, als uiting van solidariteit tussen bewoners. Daar moet de gemeente zich niet teveel mee bemoeien. Wel kan de gemeente samenwerking opzoeken met deze partijen.
Je kunt ermee in gesprek, horen wat zij signaleren. Aansturen kan niet. Bij een brede benadering van armoedebeleid komen professionele organisaties in beeld, zoals onderwijs, politie, en gezondheidszorg. Coördinatie en medewerking aan integraal beleid zijn nodig van deze organisaties. Aanpak Het sociaal beleid zoals uitgevoerd door Stroomopwaarts – daarin bijgestaan door tientallen particuliere initiatieven – is noodzakelijk om armen aan een minimale bestaansgrond te helpen. Om armoede echt een klap toe te brengen, moet er echter niet alleen beleid zijn voor verzachting van armoede, maar ook beleid voor het veranderen van het ecosysteem van de stad: van een systeem dat armoede aantrekt naar een systeem waarin sociale stijging, scholing en emancipatie ruim baan krijgen. Daar is ‘integraal beleid’ voor nodig, met inzet van stadsinrichting en ruimtelijke ordening, economische structuurversterking, onderwijs, veiligheid en andere terreinen. Schiedam heeft in het verleden bij herhaling aangegeven de breedte van de opgave te onderkennen. De stadsvisie van 2009 stond in het teken van sociale stijging en de coalitieakkoorden sinds dat jaar hebben allemaal aanzetten voor een breed armoedebeleid. Mocht de gemeenteraad van Schiedam besluiten om in te zetten op breed beleid, dan betekent dit werken aan een sociale transformatie van de stad.
Die transformatie komt naast – en valt gedeeltelijk samen met – de fysieke transformatie die de klimaataanpassing en de vergroening al in gang hebben gezet. De ervaring met dergelijke grote transformaties is dat ze politiek draagvlak, een permanente politieke dialoog en een hoge mate van continuïteit nodig hebben. Het gaat om lange termijn ontwikkelingen, die moeten tijd krijgen. Het gaat bovendien niet om een nieuw masterplan of iets dergelijks, want dan zet je het weg als een apart project. Armoedebestrijding vraagt juist om het verbinden van alle beleidsterreinen. Daar moet voortdurend de vraag aan de orde zijn wat het betekent dat Schiedam tien jaar lang de stad van armoedebestrijding, sociale stijging en emancipatie
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
13
wil zijn. In elk beleidsdocument – onderwijs, veiligheid, wijkontwikkeling, omgevingsplan, meerjarenvisie cultuur of wat ook – zou de vraag aan de orde moeten zijn wat dat tienjarenperspectief betekent. Het ‘in leven’ houden van zo’n lange termijn ambitie is vooral een zaak van goede communicatie. Vanuit de gemeenteraad bezien, begint het met het delen van de ambitie: Het structureel betrekken van professionele partners als de corporaties, scholen, politie, ggd, ondernemersverenigingen. Ook daarvoor bestaat al enige infrastructuur: er is een alliantie voor de twee wijken uit het Nationaal Programma, Nieuwland en Oost. Nieuw zou zijn het ‘laden’ van die alliantie met de stadsbrede ambitie voor de lange termijn en ook met de rechtstreekse belangstelling vanuit de gemeenteraad. Een ambtelijk ‘horizontaal’ overleg tussen de kolommen. Alweer: er is al enige infrastructuur (SVO), die moet je wel goed programmeren, bijvoorbeeld door elk jaar een goed voorbereide en uitgebreide interne conferentie te organiseren. Het zou ook goed zij om een- of tweejaarlijks de buitenwereld te vertellen wat je aan het doen bent en wat je nodig hebt aan support. Alweer: dat zou een extra lading voor de Schiedamse plaats in het Nationaal programma kunnen zijn: landelijke partners uitnodigen en aan de hand van Schiedamse casuïstiek kennis delen over armoede.
Het behoud van een langetermijnambitie vergt goede communicatie, betrokkenheid van professionele partners en horizontaal overleg tussen beleidskolommen. Flexibiliteit in de communicatiestructuur is essentieel, met regelmatige evaluaties om de effectiviteit te beoordelen en indien nodig aanpassingen te doen.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
14
Bijlage: Bewezen praktijken van armoedebestrijding Politieke en institutionele omgeving Er moet vertrouwen zijn dat het zin heeft om je best te doen, dat je iets hebt aan diploma’s en dat je iets terugkrijgt voor je belastingafdracht. De voornaamste bijdrage die het politieke systeem kan leveren, is ‘het goede voorbeeld’: fatsoen in het politiek debat, integriteit, noncorruptie. Integere instituties functioneren als aanmoediging dat het de moeite waard is om je in te zetten. Dat geldt ook voor lokale politiek. Nederland gold as ‘high trust society’. Die reputatie staat onder druk, mede door de verruwing van de politieke omgangsvormen en door integriteitskwesties. Dat is niet het klimaat waarin armen vol goede moed aan een traject van sociale mobiliteit beginnen. Een politieke vechtcultuur en integriteitskwesties zijn daarmee risico’s voor de armoedebestrijding. Er is een goede balans nodig tussen centraal en lokaal. Centraal gaat het om rechtszekerheid, waardebehoud van het geld, kadaster, bescherming van eigendom. Lokaal gaat het om een overheid die zelf beschikt over stimuleringsinstrumenten en een begeleidend politiek debat kan voeren. Elk lokaal ‘ecosysteem’ voor ondernemers is weer anders. In Amsterdam, bijvoorbeeld, kennen twee (van de zeven) stadsdelen veel migrantenondernemerschap (ZuidOost en Nieuw-West).
Tussen migrantenondernemerschap en gangbaar ondernemerschap zijn vaak grote verschillen, op punten als meewerkende familieleden, vorming van ketens van onderaannemers en toeleveranciers, ‘blurring’ van branches (meer economische activiteiten in één bedrijf), afwisseling van ambulant en ‘vast’. Hoe je daarmee omgaat, moet je op (sub)lokaal niveau blijven bespreken. Dat geldt voor alle gemeenten: de gemeenteraad is belangrijk als platform voor het definiëren en waarderen van het economisch klimaat. Zonder kosten een onderneming kunnen registreren. En minimale bureaucratie. Bureaucratie zorgt voor structuur en betrouwbaarheid. Administratieve lasten daarbij zijn onvermijdelijk, maar het moet begrijpelijk blijven. Niet vijf of zes keer dezelfde controle, helderheid en tijdigheid in vergunningen. Een helpdesk voor minder mondige mensen. Fysieke veiligheid en adequate respons van de politie en andere instanties op onveiligheid is nodig om vertrouwen te scheppen dat het de moeite waard is om iets te ondernemen. In arme wijken is soms veel overlast, van drugs, vervuiling, ‘asociale’ bewoning of wat ook. De bewoners en ondernemers in die wijken hebben daar zelf het meeste last van. ‘Community policing’ is daarbij belangrijk. De Nederlandse politie geldt als een politie met kennis van wat er in de wijken gebeurt en nog steeds aanspreekbaar is op bescherming en ondersteuning.
Die rol is belangrijk en moet worden bewaakt. Maatschappelijke waardering voor diploma’s en professionele deskundigheid. Doorleren, ambitieus zijn en zo ver mogelijk komen in de onderwijsstructuur gelden wereldwijd als eigenschappen die je kansen vergroten. In Nederland is ruimte voor de politieke boodschap dat het wel genoeg geweest is met al dat leren en dat je ook zonder kwalificerende opleiding welkom bent. Met die politieke boodschap bewijs je het armoededebat geen dienst. In de praktijk blijkt het bijna onmogelijk om zonder een startkwalificatie een vaste baan met een behoorlijk inkomen te verwerven. Opvoeding Aan de jezuïetenorde wordt de uitspraak toegeschreven dat ze een kind de eerste zeven jaar van zijn leven wilden opvoeden. ‘Daarna is er toch niets meer aan te veranderen’. Dat is misschien wat overdreven, maar er is internationaal wel steeds meer steun voor de gedachte dat de vroege kinderjaren enorm belangrijk zijn voor de latere kansen. De 30 miljoen woorden. Er is veel onderzoek naar de betekenis van taal in de vroege jaren. Vuistregel is dat een kind op z’n vierde verjaardag – de eerste schoolgang – 30 miljoen woorden in aandachtvolle situaties moet hebben gehoord. Het verschil tussen taalarme
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
15
afkomst – tot 15 miljoen woorden – en taalrijke afkomst – tot 45 miljoen woorden – leidt tot ongelijke onderwijskansen die niet meer in te halen zijn. Voorlezen is het gouden opvoedmiddel. Het punt is dat jonge ouders dat niet altijd weten: het belang van taal moet ze verteld worden. Vroeg beginnen met financiële opvoeding (zakgeld). Financiële planning – vooruitkijken, waarde van geld begrijpen, weten wat dingen kosten, overzicht houden, sparen – is een abstracte maar belangrijke competentie voor een zelfstandig bestaan. Zonder ‘geldvaardigheid’, dreigen schulden en waan-van-de-dag. Dat laat zich het beste op jonge leeftijd aanleren. Ruimte en rust voor huiswerk. Zeker in de steden zijn arme mensen vaak klein behuisd. Zodra er huiswerk gemaakt moet worden, kan dat een probleem opleveren: er zijn ruimte, rust en licht nodig. Alweer: in veel gezinnen waar die ruimte en rust er niet zijn, is dat geen onwil, maar ook een kwestie van onbekendheid. Het moet in de boodschap van opvoedingsinstanties – jeugdgezondheidszorg, school, buitenschoolse opvang, speeltuin, sportclub - aan ouders worden meegegeven. ‘Third places’ voor schoolkinderen. In het verlengde van het vorige punt: als er thuis weinig ruimte is voor huiswerk, zijn er nauwelijks andere ruimtes waar kinderen en jongeren naartoe kunnen: de ‘third places’.
Het gaat niet om hangplekken: naar een ‘third place’ ga je om iets te doen. Huiswerkplekken in buurthuis en bibliotheek zijn daarbij belangrijk (en onderschat). Geen huiswerkbegeleiding, maar zelfstandig kunnen werken en contact leggen met leeftijdgenoten. Toegang tot sportclubs en sportfaciliteiten. Een groot deel van de jeugdsportbeoefening overleeft de puberteit niet. Dat is jammer, want sport draagt veel bij aan concentratie en ‘georganiseerdheid’. IJsland heeft naam gemaakt met het programma ‘Youth in Iceland’. Dat programma heeft in korte tijd gezorgd voor een spectaculaire daling van het gebruik van cannabis, alcohol en tabak onder tieners. Regelgeving en het aanspreken van de ouders op hun verantwoordelijkheid hebben geholpen, maar het belangrijkst was het organiseren van meer en professioneel begeleid sportaanbod, ook (en met name) in de schoolvakanties. Dat vraagt (naast investeringen) om een intensieve samenwerking van verenigingen en overheid, iets dat in Nederland niet gebruikelijk is. Het kan naast sport ook gaan om kunst en cultuur. ‘Safe zones’ voor meisjes. Het past niet goed in de Nederlandse gendergelijkheidstraditie, maar er zijn veel voorbeelden van succes van ‘safe zones’ voor meisjes met (alweer) huiswerkplekken en ook trainingen zelfbeschikking, seksuele educatie, zelfverdediging (sport) en zelfexpressie (theater).
Dat zou ook in Nederland tot het repertoire mogen behoren.
Onderwijs Onderwijs geldt als motor van armoedebestrijding, zowel van grote groepen en samenlevingen als van individuen. Er is een bijna lineaire samenhang tussen opleidingsniveau aan de ene kant en inkomensniveau, zelfstandigheid en gezondheidssituatie aan de andere kant. Er zijn de afgelopen vijftig jaar grote stappen gezet. Die grote stappen liggen nu wel achter ons, maar op onderdelen is nog steeds veel winst mogelijk. Voorschoolse opvang in peuterspeelzaal of kinderdagverblijf bevorderen de kansengelijkheid bij de start van de onderwijsloopbaan. Dat geldt zeker wanneer daarbij methodes van vroegen voorschoolse educatie (vve) worden ingezet, met veel taalstimulering. Die programma’s kunnen versterkt worden met voorleesactiviteiten door vrijwilligers (buddies) bij gezinnen thuis. Het vergroten van het bereik van vve onder kwetsbare groepen komt neer op vervroeging van de schoolloopbaan: in plaats van op de vierde verjaardag begint die dan al met 2.5 jaar. Verlenging van de schoolloopbaan is eveneens aan de orde. Een jongere die in een regulier tempo door het onderwijs gaat, heeft zijn of haar startkwalificatie (mbo-niveau 2) op zijn of
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
16
haar 18de op zak. Dat is erg jong om al aan een loopbaan te beginnen in een stressvolle, veeleisende en competitieve arbeidsmarkt. Het mbo anticipeert daar al op: ‘schoolbaarheid’ is een van de eindtermen van het mbo, het vermogen om tijdens de loopbaan bij te leren (Leven Lang Ontwikkelen, LLO). De prikkel zou moeten zijn om tot je 20e of 21e in het onderwijs te blijven (in dit geval in combinatie met een baan). Het gaat niet per se om het stapelen van het niveau: een dubbele mbo-opleiding is ook goed. Er zijn veel jongeren die niet goed door het initiële onderwijs heenkomen: Door klassieke schooluitval, adolescentieproblemen, jeugdcriminaliteit, concurrerende interesses, geen stimulans vanuit huis, geen toegang tot studieruimte en internet, onrustig verhuis- en migratieverleden. Er zijn mogelijkheden om ook op latere leeftijd kwalificaties te halen, maar die zijn vaak beroepsgericht. Het zou geaccepteerd moeten zijn om ook op je 35e of 45e niet alleen een korte beroepscursus te doen, maar ook echt twee of drie jaar naar ‘avondschool’ te gaan en algemene competenties te verwerven: burgerschap, taal, Engels, rekenen, schoolbaarheid. Een steviger fundament voor de werkende armen. Werkgevers hebben een grote rol in het promoten en borgen van de toegang tot het volwassenenonderwijs. Voor kwetsbare groepen kan de verlengde schooldag goed werken: een schooldag van 8 tot 5.
Schoolmaaltijden, huiswerkbegeleiding, aanspreekbaarheid docent, eisen aan dagritme en aanwezigheid. Einde aan tussenuren, pas naar huis als alle schoolwerk klaar is. Het particulier onderwijs (Winford, Luzac e.a.) werkt volgens dit soort methodes. Daarmee dreigt een nieuwe vorm van klasse-onderwijs te ontstaan, die alleen is weggelegd voor rijkere ouders. Maar er zijn ook voorbeelden van dit soort onderwijs met publieke financiering. Nascholing van ouders van schoolgaande kinderen. Een probleem voor kinderen uit kwetsbare milieus is dat ze thuis niet gestimuleerd en begeleid worden. Een goede aanpak is om ouders van schoolkinderen ‘op herhaling’ te laten komen: in het tweede-kans-onderwijs voor laaggeletterden goed aansluiten bij de lesstof van hun kinderen. Het is verder opmerkelijk dat tot in de jaren tachtig honderdduizenden Nederlanders als volwassene hun loopbaanperspectieven hebben verbeterd door de ‘avondschool’ of modules uit het middelbaar beroepsonderwijs, maar dat dat daarna zo goed als is verdwenen. Dat zou weer gestimuleerd kunnen worden door leerrechten te geven aan alle laaggeletterden. Een probleem in Nederland is dat de school vooral van zichzelf is. De gemeenschap bemoeit zich er niet (meer) mee. Vooral in Engelstalige migratielanden is veel ervaring met het ‘community college’ en ‘giving back’ programma’s: de actieve kring rond de school vergroten.
Politici, ondernemers, politie, kunstenaars, technici en sporters geven gastlessen. Dat betekent enerzijds gezien worden (waardering) en anderzijds een (positieve) maatschappelijke druk om tot goede prestaties te komen: je doet het ergens voor. Voor oudere onderwijsdeelnemers zijn evc’s – elders verworven competenties – belangrijk. Laaggeschoolden in het beroepsleven en migranten beschikken niet altijd over de goede diploma’s, maar zijn door ervaring wel bekwaam voor veel beroepshandelingen. Aan die evc’s kunnen alsnog certificaten worden gehangen. Nederland heeft de neiging om dit soort bewegingen in een groot systeem onder te brengen. Dat zou leiden tot een stelsel van erkende evc’s. Maar dat lijkt niet goed te werken. Het gaat in dit geval niet om een diplomasysteem, maar om per casus na te gaan wat er nodig is. In de tijd van de massawerkloosheid in de jaren tachtig is goede ervaring opgedaan met ‘hoofdelijk versnelde scholing’: in overleg met de beoogde werkgever, precies die competenties opzoeken en doorscholen tot ze certificaat waardig zijn, tot intreden in een baan of vervolgopleiding mogelijk is. Het Nederlandse beleid om ‘zwarte’ scholen tegen te gaan en schoolpopulaties te mixen (kwetsbaar en minder kwetsbaar bij elkaar in de klas), wordt internationaal maar weinig ondersteund.
Er is niets tegen ‘zwart’ onderwijs; zolang de ‘zwarte’ scholen maar kwalitatief sterk zijn. Mede om verschillen tussen arme en rijke gezinnen in het onderwijs te elimineren, kennen veel landen het fenomeen van het schooluniform. Daar komen vaak andere ‘uniformeringsregels’
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
17
bij: schoolmaaltijden, geen geld of goederen mee naar school. Met uitzondering van enkele particuliere en internationale scholen, staat het fenomeen van het uniform ver af van de individualistische en liberale traditie in Nederland. Het lijkt op het eerste gezicht een paradox: je wilt juist de individuele autonomie van kwetsbare jongeren versterken. Maar daarvoor kan een goed gestructureerd collectief juist zeer behulpzaam zijn. Ondernemerschap Armoedebestrijding is gebaat bij een dynamische arbeidsmarkt, met veel wisselingen en veel ‘baanopeningen’. Het gaat niet alleen om loondienst. Internationaal wordt eigen ondernemerschap als een belangrijke weg voor emancipatie gezien. Nederland is op weg naar een beroepsbevolking die voor 25% uit micro-ondernemers (zzp-ers en andere kleine bedrijven) bestaat. Daar zit een aandeel bij van slachtoffers van schijnconstructies, maar het overgrote deel van de zelfstandigen kiest uit overtuiging en uit vrijheidsbeleving voor het eigen ondernemerschap. Met lokaal beleid kan dat eigen initiatief worden aangemoedigd en ondersteund. Verzamelgebouwen voor kleine ondernemingen zijn bijna altijd succesvol. Het gaat om units van 20 m2 (kantoor) tot 70m of 100 m2 (ambachten), tegen huurprijzen vanaf 50 euro per meter per jaar (met een gewenningstraject naar marktconforme huren in vier of vijf jaar).
Gezamenlijke diensten zijn ontvangst, beveiliging, ict. Vaak gaat het om oude schoolgebouwen. Dit soort panden heeft vaak nog een gemeentelijk zetje nodig. De gemeente heeft met eenmalig geld wellicht de mogelijkheid om de onrendabele top van een verzamelpand te financieren. Banken werken tegenwoordig samen om microkrediet te verstrekken aan kapitaalarme starters. Aan kredietverlening zijn vaak trainingen verbonden. Voor het gemeentelijk beleid is het nodig om daar kennis van te nemen en de overwegingen te begrijpen. Dat stelt de gemeente – ook raadsleden – in staat om als ‘realistisch ambassadeur’ op te treden. In opkomende landen zijn goede ervaringen opgedaan met coöperatieve kredieten voor vrouwelijke ondernemers, die garant staan voor elkaar. Dergelijke kredietsystemen functioneren soms als echte ‘empowerment’, bemoediging en ruggesteun voor vrouwen. In Nederland is dit systeem vooral bekend onder vrouwen van Surinaamse afkomst. Mensen die vanuit armoede starten – waaronder migranten – hebben weinig financieel kapitaal en weinig sociaal kapitaal in de zin van een netwerk. Ze zijn gebaat bij een ‘proefzone’: ambulante handel, iets verkopen op een festival, iets proberen op te bouwen naast een uitkering of een baan, iets ondernemen vanuit eigen huis, schuur of keuken. Als je ze te vroeg de witte of formele economie in wilt hebben, redden ze het niet.
In veel opkomende landen maakt de belastingdienst afspraken over fiscale vrijstelling voor bepaalde periodes. Voor gemeenten geldt de oproep: schep een proefruimte, maar houdt wel het perspectief op volledig marktconform en formeel ondernemerschap. Nederland koestert de opinie dat rijk en arm door elkaar moeten wonen. In verstedelijkingsprojecten wordt steeds een contingent sociale woningbouw aan de ontwikkelaars meegegeven. Maar dat lokt niet direct interactie uit, buren kunnen volkomen langs elkaar heen leven. Meer mogelijkheden voor wijkeconomie (eigenlijk het oude idee van de buurtwinkel) biedt wellicht meer kansen. Het kan gaan om gemakswinkels, vintage, onderhoud en reparatie, ambachten. In elke wijk. De gemeente kan veel bijdragen aan netwerkvorming voor startende ondernemers. Er zijn voorbeelden van netwerken voor migrantondernemers, voor vrouwen, voor starters vanuit de bijstand, voor zzp’ers uit een bepaalde wijk. Het zijn allemaal ‘zelforganisaties’. De ‘gevestigde’ ondernemersverenigingen laten deze beweging wat liggen. Gemeentelijke belangstelling kan een verrijking betekenen voor het ondernemerschap van de hier verzamelde starters.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
18
‘Procurement’: overheidsopdrachten naar startups en sociale ondernemingen. Gemeenten zijn door het aanbestedingsbeleid vaak ‘schuw’ geworden om hun eigen koopkracht goed in te zetten. Maar je kunt kleine bedrijven in de dienstverlening, onderhoud en catering ook met een beperkte opdracht al een impuls geven. Een startende traiteur die een gemeentelijk ‘event’ mag cateren, kan daar veel marketingkracht uithalen. Ruimtelijke ordening en wijkopbouw Planologen en stedenbouwkundigen zijn in Nederland niet opgeleid voor armoedebestrijding. En toch hebben ze een cruciale rol. De 20e eeuw heeft de ruimtelijke scheiding van de functies wonen, werken en recreëren opgeleverd. Toen werken nog bijna per definitie vervuilend was, waren daar goede redenen voor. Maar die tijd is geweest. Het hedendaagse inzicht is dat een stad het best gedijt volgens het ’15-minuten’ concept: elke inwoner moet op maximaal 15 minuten lopen of fietsen van zijn huis de wezenlijke functies van het leven tegenkomen. Daaronder werkplekken en bedrijven, een zorgpost, winkels, een sportveld of fitnesstoestel, een speeltuin, een educatieve of culturele ruimte, een plantsoen of wandelroute. Het inzicht is eveneens gerezen dat armoedebestrijding om zo’n soort stad vraagt: een stad met veel prikkels, met levendigheid en alle gelegenheid voor ontmoetingen zodra je de deur uitgaat.
Armoede is nooit een zaak van een individu. Om elk individu zit een context en hoe meer die context in beweging is, hoe meer prikkels en kansen het individu krijgt. Werken valt tegenwoordig voor een flink deel samen met praten en ontmoeten. Voorheen gesloten gebouwen op geïsoleerde bedrijventerreinen of kantorenparken, worden langzaamaan aangepast. Het verblijfsklimaat op werkterreinen wordt verrijkt met horeca, sport, groene corridors, wandelpaden, educatieve voorzieningen en kinderopvang. Het worden werklandschappen. Het spiegelbeeld daarvan zijn de ‘woonlandschappen’: woonwijken die steeds meer verrijkt worden met werkplaatsen, ambachten, dienstverlenerspraktijken, yogastudio’s, kringloopwinkels enzovoort. Functiemenging en verrijking van de woonomgeving is niet alleen goed voor het leefklimaat. Het is ook goed voor het tegengaan van armoede, eenzaamheid en sociaal isolement. Een prikkelrijke openbare ruimte, waar je ook zelf iets mag ondernemen. Het mixen van bevolkingsgroepen – naar afkomst, kleur of welstand – is niet noodzakelijk. Er zijn talloze voorbeelden van etnisch homogene wijken die goed functioneren als startbaan van een klim uit de armoede. Het is veel belangrijker dat er dynamiek in de wijk is: bedrijfjes, markten, ontmoetingsplekken, onderwijs (en avondonderwijs voor volwassenen).
En op woongebied is het belangrijk dat je er een zekere wooncarrière kunt maken: mixen van groot/ klein, appartement/grondgebonden. De armste wijken van Nederland zijn – met enkele uitzonderingen – doorgaans wijken met twee gemeenschappelijke kenmerken: ze zijn snel gebouwd en ze bieden uitsluitend woonruimte. De wijken uit de wederopbouwtijd en ook de wijken uit de schrale jaren tachtig lopen veel risico om een achterstandswijk te worden. Er zijn wijken met maar 20 of 25 arbeidsplaatsen per 100 inwoners. Zo’n wijk zonder behoorlijke bedrijvigheid nodigt bewoners niet uit tot actie. Daarom is het zaak bij wijkvernieuwing goed te letten op de introductie van economische functies, inclusief goedkope bedrijfsunits waar wijkbewoners zelf aan de slag kunnen. Of het werk van binnen de wijk of van buiten komt, is minder belangrijk, zolang de sociale afstand niet te groot is. Een kritisch voorbeeld is Amsterdam-Zuidoost, daar is aan de westkant van het spoor veel werkgelegenheid gekomen, maar dat werk is veel high tech en high service en staat ver van de werkelijkheid van veel bewoners van de oostkant van het spoor. Voor de armoedebestrijding was een regulier ‘gemengd bedrijventerrein’ beter geweest, daar kunnen veel meer bewoners verbinding mee maken. Uiterlijke verfraaiing van een achterstandswijk is geen doel op zich.
Er zijn wijken in Nederland die al decennia het uiterlijk van een probleemwijk dragen, maar toch goed functioneren. Dat
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
19
kan blijken uit uitstroom en doorstroom. Nieuwkomers landen in die wijk en gaan van daaruit de omgeving verkennen. Je moet je wooncarrière nou eenmaal ergens beginnen. Als de wijk met voorzieningen, rafelranden en ‘handmade urbanism’ de bewoners ondersteunt in het zetten van de eerste schreden op de maatschappelijke ladder, dan is dat een waardevolle functie in de stad. Het helpt om bij bewoners de verwachting ook hardop uit te spreken. Slechts een minderheid van de wijkbewoners zal er permanent blijven. Verstedelijkingsprojecten zijn op dit moment al duur door de optelsom van grondkosten, dure arbeid en hoge prijzen van materiaal. Daar komen de twee politieke wensen bij: klimaatbestendigheid en een contingent sociale woningen. Ontwikkelaars moeten scherp rekenen om uit de kosten te komen. En dan nog: er zou nog een kostenverhogende factor bij moeten. Met elk appartement dat gebouwd wordt, komt er minstens één – misschien meer – baanbeoefenaar bij. Als al die nieuwe baanbeoefenaars ver weg moeten om te werken, komen er flinke verkeersstromen bij. Bovendien gaat het ten koste van de stad: er moeten geen woningen gebouwen worden, maar wijken. Daar horen werkplekken bij en daaronder ook werkplekken waarvoor de huurprijzen van de commerciële vastgoedruimtes buiten bereik liggen: buurtvoorzieningen, sportschool, onderhoud, fietsenmaker, werkplekverhuur enzovoort.
Leefbaarheid en werkgelegenheid voor lager opgeleiden zijn gebaat bij betaalbare bedrijfsruimte in elk complex. De gewenste dynamiek in achterstandswijken is gebaat bij tijdelijke oplossingen: huizen, bedrijfspanden en straten die snel gerealiseerd kunnen worden, maar ook na een kortere tijd (bijvoorbeeld 15 jaar) weer kunnen worden gedemonteerd. In opkomende landen zijn zeer goede ervaringen met ‘handmade urbanism’: mensen zelf hun omgeving laten inrichten. Dat boort creativiteit en organisatiekracht aan. De technologie van tijdelijke architectuur ontwikkelt zich snel. Het is goed mogelijk om modulair te bouwen, tijdelijk of verplaatsbaar te bouwen en toch kwaliteit te leveren. ‘Handmade urbanism’ moet zich uitstrekken tot de openbare ruimte. Moestuinen, barbecueplekken en andere gemeenschappelijke voorzieningen zijn een probaat middel om wijkactiviteiten op gang te brengen. Gemeenten zijn voor de realisatie van vitale wijken te afhankelijk van ontwikkelaars. Sinds ze zelf geen ontwikkelbedrijf meer hebben en de corporaties jarenlang beperkt zijn geweest in hun ontwikkelrol om de mogelijkheden te vergroten, is aandacht nodig voor de relaties met ontwikkelaars.
Een eerste optie is in open vooroverleg met ontwikkelaars verkennen hoe ze aankijken tegen de mix van kostenfactoren als sociaal contingent, klimaatbestendigheid, goedkope werk- en ontmoetingsplekken en omgevingsinrichting. Er zijn grote verschillen tussen ontwikkelaars, ook in creativiteit en visie. Er moet in de relatie met ontwikkelaars ruimte zijn om die verschillen te verkennen. Een tweede optie is om de ontwikkelaar niet alleen voor oplevering, maar ook voor een bepaalde beheerperiode verantwoordelijk te maken. Bij experimenten met deze aanpak bleken minstens twee voordelen. Ten eerste weet de ontwikkelaar hoe het ontwerp van buurt of complex bedoeld was; hij kan huurders en gebruikers zoeken die daarbij horen en eventueel gebruiksafspraken maken. Ten tweede zorgt een voorgenomen verantwoordelijkheid in de beheerfase al voor creativiteit en flexibiliteit in het ontwerpproces. Niet alleen het volume, maar de gebruikswaarde op langere termijn wordt het ontwerpuitgangspunt. Een derde optie is het rendement van ontwikkelaars belasten om een fonds te vullen voor wijkse of bovenwijkse voorzieningen. In de huidige markt is een verplicht sociaal contingent een zware financiële last voor een nieuw complex. Zonder die verplichting, zou in de mix van prijsbepalende factoren veel meer ruimte zijn voor de factor werk, in goed toegankelijke bedrijfsruimtes.
In theorie zijn er genoeg sociale woningen: het corporatiebezit kan ruimschoots de hele bevolkingsgroep huisvesten die we als arm kunnen typeren. Het probleem is het falen van de markt: gebrekkige doorstroming, weinig dynamiek. Toevoegen van lage middenhuur aan de woningvoorraad en een doorstroomagenda
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
20
bij vrije sector bouw kan in deze markt effectiever zijn dan toevoegen van een sociaal contingent. En het zou ruimte opleveren om betere wijken te bouwen. Gezondheidsbeleid Naast onderwijs, wordt de brede beschikbaarheid van basisgezondheidszorg in een groot deel van de wereld gezien als een motor van armoedebestrijding. In Nederland zijn we het verband tussen zorg en armoede wat kwijtgeraakt. We weten wel dat armen veel ongezonder zijn en een veel kortere levensverwachting hebben dan ‘rijken’ (waarbij ‘arm’ en ‘rijk’ qua gevolgen vrijwel samenvallen met laagopgeleid en hoogopgeleid). Maar de lokale eerstelijns zorg speelt, met uitzondering van de GGD, maar amper een rol in het lokale gezondheidsbeleid. Huisartsen hebben doorgaans geen tijd om mee te denken over een wijk-, straat- of groepsaanpak en voelen zich geremd door hun beroepsgeheim. Er zijn veel epidemiologische gegevens, maar om daar beleid mee te maken, zouden artsen en therapeuten deel moeten nemen aan wijkteams en wijkoverleggen en daar deskundigheid opbouwen en delen. Om werkers in de eerste lijn deelgenoot te maken van gezondheidsbeleid en armoedebestrijding, zijn drie dingen nodig. Ten eerste kennis: artsen moet inzicht krijgen hoe ze hun gegevens en observaties kunnen vertalen naar een wijkaanpak. Ten tweede tijd en geld of formatie.
Eerstelijns werkers zijn overbelast, ze komen er niet aan toe om naar de armoede als het probleem achter de gezondheidsklacht te kijken. Om ze daartoe in staat te stellen, is versterking geboden. En in de derde plaats alliantievorming tussen zorg, verzekeraars, gemeente, wijkteams. Een suikertaks. Het financieel belasten van ongezonde voedingsmiddelen als frisdrank, blijkt in het buitenland zeer effectief te zijn (al is nog niet goed bekend of dat positieve effect na gewenning ook aanhoudt). Als het er in Nederland ooit van komt, dan is dat een landelijke aangelegenheid. Lokaal kan wel invloed worden uitgeoefend op het aantal en de locatie van verkooppunten van suiker, alcohol, drugs en tabak. De verleiding is groot om voorzieningen te scheppen in arme wijken, ook fysieke voorzieningen in de openbare ruimte die de bevolking helpen om in beweging te komen. De gemeente heeft er budgetten voor. Maar die gemakkelijke weg – gewoon iets neerzetten – werkt vaak niet zo goed. De ‘moeilijke weg’ is om aan elke investering – zelfs nieuwe bankjes in het park – een participatietraject vooraf te laten gaan: wijkbewoners keuzes laten maken, betrokkenheid ontwikkelen, ‘mede-eigenaar’ maken. Het rendement van deze inspanning in termen van organiserend vermogen en ‘empowerment’ is misschien wel groter dan het rendement van extra bewegen.
Een variant daarop is om oefengebiedjes voor ongeorganiseerde sportbeoefening in samenspraak met sportverenigingen te ontwikkelen. Ook in niet-georganiseerde sport zit vaak toch organisatie: er is een informele trainer, die soms betaald krijgt door deelnemers; er zijn app-groepen, er zijn speelschema’s. Het zou mooi zijn als de sportverenigingen die losse faciliteiten in de openbare ruimte gaan zien als een toeleidingskanaal en er ‘clinics’ gaan verzorgen. Cultuur Cultuurbeleid speelt in Nederland maar heel beperkt een rol in armoedebestrijding. Het gaat vooral om afspraken die gemeenten maken met uitvoerende instellingen over het bereiken van nieuwe groepen, zoals kinderen, migranten of mensen met lage inkomens. Maar armen zijn zelf ook cultuurdragers. Er is nogal wat mode, muziek en vormgeving die ooit begon in een achterstandsbuurt. Culturele expressie van armen is belangrijk, omdat het ze helpt aan zichtbaarheid en zelfvertrouwen.
Rekenkamer Schiedam
Armoede in Schiedam, november 2023
21
Projecten om culturele aspiraties van de armen (muziek, mode, verhalen, theater, beeldende kunst) te inventariseren en een podium te geven (wijkfestivals). Exposure voor ‘volkskunst’ en ‘volksverzamelingen’, opnemen in de programmering van ‘gevestigde’ culturele instellingen. Culturele ondernemers – betaald en onbetaald, amateurs en professionals – zijn vaak de eersten die in een arme wijk neerstrijken en gebruik gaan maken van leegstand of de lage prijs van vastgoed. Het kan gaan om galerieën, producenten of distributeurs. Hun komst betekent direct al iets aan contextverrijking. In hun kielzog kunnen andere bedrijven volgen. Ze zijn belangrijk voor de kanteling van het beeld: van een omgeving waar niets kan en alles mislukt, naar een bijzondere buurt waar spanende dingen gebeuren en mensen zelfvertrouwen scheppen. Gemeenten hebben vaak al veel voorzieningen naar achterstandswijken gebracht. Dat is op zich goed, maar de wijken moeten geen besloten buurten worden waar alles is. De wijk uitgaan en fysieke afstand afleggen naar werk, school of ontmoeting horen ook bij emancipatie en armoedebestrijding. Bovendien leidt een teveel aan voorzieningen tot verdunning. Een bibliotheek die maar een paar uur per week open is, kan maar beperkt waarde toevoegen. Ideaal is een bibliotheek met robuuste openingstijden (van 9 tot 22) met internet, werk- en studeerplekken.