CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerpbeschikking RTHA

Gemeenteraad 15 april 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Brieven en documenten van derden:22.530 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. In het LAP is aangegeven dat voor bepaalde hoeveelheden afvalstoffen die vrijkomen binnen een inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Wij achten het in de voorliggende situatie dan ook redelijk om afvalscheiding voor te schrijven voor de volgende afvalstoffen: - Verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen; - Papier en karton; - Elektrische en elektronische apparatuur; - Houtafval; - Metaalafval; - Kunststoffen; - Restafval; - Glasafval; - Plastic; - GFT; - Slib; - Slib uit de olie-water afscheider; - Olieresten uit de olie-water afscheider; - Frituurvet;

Blad 38 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

-

Schoon puin.

RTHA heeft de nodige maatregelen getroffen om afval gescheiden in te zamelen. Een specifiekere scheiding is ons inziens niet mogelijk. Om bovenstaande afvalscheiding te borgen is aan deze vergunning een voorschrift verbonden. Geluid De inrichting is deels gelegen op het gezoneerde industrieterrein Rotterdam The Hague Airport. Op grond van de Wet geluidhinder is door de raad van Rotterdam rond dit industrieterrein een zone vastgesteld bij besluit ‘Parapluherziening geluidzone RTHA’ van 2 februari 2017. Er zijn geen hogere waarden vastgesteld. Bij het opstellen van de geluidvoorschriften zijn de geldende grenswaarden zoals bedoeld in de Wet geluidhinder in acht genomen. Dit betekent dat de Maximaal Toelaatbare Geluidsbelasting (MTG) niet wordt overschreden en dat de geluidbelasting buiten de zonegrens niet hoger is dan 50 dB(A). De activiteiten die buiten het industrieterrein plaatsvinden worden niet getoetst aan de zone. De geluidbelastingen worden getoetst aan het gestelde in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Op het industrieterrein kunnen incidenteel, indien op de daarvoor bestemde luchthavens geen ruimte is, reparaties plaatsvinden aan grote turbojets en grote turboprops. Na het uitvoeren van de reparaties dienen deze toestellen full power te draaien om te testen of de motoren naar behoren functioneren.

De grote turboprops dienen daarnaast ook “ground idle” getest te worden. Deze activiteiten zijn, ingevolge het Besluit omgevingsrecht, als ‘grote lawaaimaker’ aangemerkt. Derhalve dienen deze activiteiten getoetst te worden aan de bepalingen uit de Wet geluidhinder. Omdat de situatie kan optreden dat een reparatie noodzakelijk is en deze vanwege omstandigheden niet op een luchthaven verricht kan worden, die daarvoor specifiek bedoeld is, kan gesteld worden dat, met in achtneming van de uitspraak van 23 augustus 1999 met kenmerk E03.97.0136, de benodigde geluidbelastingen vergunbaar zijn en niet getoetst hoeven te worden aan de zone omdat er sprake is van een specifieke en bijzondere activiteit, die enkel en alleen gedurende bijzondere omstandigheden optreedt. Het proefdraaien van grote turbojets en grote turbo props, wat slechts een enkele keer per jaar kan plaatsvinden, vindt te allen tijde in de dagperiode (07:00 tot 19:00) plaats. De beoordeling van de geluiduitstraling vanaf de inrichting is gebaseerd op het akoestisch onderzoeksrapport dat is opgesteld door RHO Adviseurs d.d. 4 april 2023 met kenmerk 20190730_0001.

Blad 39 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Uit de berekening is gebleken dat vanwege de activiteiten op de luchthaven, niet zijnde calamiteiten: - In de dagperiode de hoogste geluidbelasting berekend is op Zonepunt 1 (50 dB(A)); - In de avondperiode de hoogste geluidbelasting berekend is op Zonepunt 4 (29 dB(A)); - In de nachtperiode de hoogste geluidsbelasting berekend is op Zonepunt 4 (27 dB(A)); - Ter plaatse van de gevels van woningen van derden een geluidsbelasting berekend is van ten hoogste 46 dB(A) etmaalwaarde. Uit de berekening is gebleken dat vanwege de calamiteiten (de incidentele bedrijfssituatie van RTHA) op de luchthaven de hoogste geluidsbelasting berekend is ter plaatse van de woning Schipholstraat 1. Deze bedraagt in de dagperiode de volgende waarden: - 56 dB(A) tijdens het Full Power testen van grote turbojets en; - 46 dB(A) vanwege Ground Idle en Full Power draaien van grote turboprops. Uit de berekening is gebleken, dat vanwege de activiteiten buiten het industrieterrein de hoogste geluidbelasting berekend is ter plaatse van de woning Oude Bovendijk 209. Deze bedraagt 36 dB(A) in de dagperiode.

De maximale geluidsniveaus bedragen vanwege de activiteiten op het industrieterrein, niet zijnde calamiteiten: - Ten hoogste 56 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de woningen Landzichtstraat 22 en Oude Bovendijk 209; - Ten hoogste 28 dB(A) in de avondperiode ter plaatse van de nieuwe woningen ten zuidoosten van de inrichting; - Ten hoogste 28 dB(A) in de nachtperiode ten plaatse van de nieuwe woningen ten zuidoosten van de inrichting. De maximale geluidniveaus bedragen vanwege de calamiteiten op de luchthaven ten hoogste 80 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de woning Landzichtstraat 2 tijdens het Full Power testen van de turbojets en grote turboprops. De maximale geluidniveaus bedragen vanwege de activiteiten buiten de luchthaven ten hoogste 67 dB(A) in de dagperiode ter plaatse van de woning Landscheiding 107. De maximale geluidsniveaus (LAmax) bij de omliggende woningen zijn getoetst aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (1998) en voldoen, met uitzondering tijdens een calamiteit, aan de grenswaarden. De indirecte hinder vanwege het verkeer van en naar een inrichting op het gezoneerde industrieterrein wordt conform jurisprudentie niet getoetst en maakt daarom geen onderdeel uit van onze beoordeling.

Blad 40 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Externe veiligheid Zoals vermeld in de aanvraag zijn binnen de inrichting gevaarlijke stoffen aanwezig. De processen, de aard en hoeveelheid van deze gebruikte gevaarlijke stoffen kunnen effecten veroorzaken naar de omgeving. Daarom worden de activiteiten van de inrichting opgenomen in het Registratiebesluit externe veiligheid (REV). Het Registratiebesluit externe veiligheid geeft aan welke inrichtingen en welke informatie opgenomen moet worden in het Risicoregister. Daarnaast moeten ook inrichtingen die vallen onder de reikwijdte van de Regeling provinciale risicokaart worden opgenomen in het register. De criteria van het besluit en de regeling zijn samengevoegd in de drempelwaardentabel die is opgenomen in de Leidraad Risico Inventarisatie. De inrichting valt onder de criteria van het Registratiebesluit en/of de Regeling; na afronding van de vergunningprocedure worden de gegevens in het risicoregister geactualiseerd. De inrichting valt niet onder het besluit externe veiligheid inrichting (BEVI). De effecten naar de omgeving worden afgedekt door het voldoen aan het activiteitenbesluit (en het Bal wat nu rechtstreeks werkend is) en de van toepassing zijnde richtlijnen PGS 15, PGS 19, PGS 28, PGS 30 en PGS 35. Gebruik waterstof Het externe veiligheidsbeleid in Nederland is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van activiteiten voor de omgeving (mens en milieu).

Het gaat hierbij onder meer om de risico's die verbonden zijn aan de opslag en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Zoals in het NMP 4 (Vierde Nationaal Milieubeleidsplan) is aangegeven, is de basis van het huidige risicobeleid dat het gevaar van een activiteit acceptabel is wanneer: - Het plaatsgebonden risico niet hoger is dan is genormeerd; - De kans op een groot ongeluk met veel slachtoffers kan worden verantwoord (het groepsrisico). Het plaatsgebonden risico (PR) is een maatstaf om te bepalen welke afstand nodig is tussen de risicodragende activiteit en de bebouwde omgeving. Het PR is de kans dat zich op een bepaalde plaats over een periode van één jaar een dodelijk ongeval voordoet als direct gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen, indien zich op die plaats 24 uur per dag en onbeschermd een persoon zou bevinden. De gehanteerde norm voor het PR in Nederland is in beginsel 10-6 per jaar (d.w.z. een kans van 1 op de miljoen per jaar). Deze norm is opgenomen in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi is aangegeven in welke gevallen hiervan (tijdelijk) kan worden afgeweken. Het groepsrisico (GR) voegt daar als maatstaf aan toe de verwachte omvang van een ongeval uitgedrukt in het aantal dodelijke slachtoffers, gegeven de kans op dat ongeval. Het GR geeft

Blad 41 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

de kans aan dat in een keer een groep personen die zich in de omgeving van de risicosituatie bevindt, overlijdt vanwege een ongeval met gevaarlijke stoffen. Met de grootheid GR is getracht een maat voor maatschappelijke ontwrichting te creëren. In het Bevi is een niet-normatieve benadering van het groepsrisico neergelegd. Het groepsrisico moet altijd verantwoord worden. Bij de beoordeling van het GR is de vraag aan de orde welke omvang van een ramp, gegeven de kans daarop, maatschappelijk aanvaardbaar is. De inrichting valt niet onder het Bevi, maar gezien het feit dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour buiten de inrichting ligt en er mogelijk dodelijke slachtoffers buiten de inrichting kunnen vallen sluiten wij in onze beoordeling aan bij het Bevi. (toelichting: deze contour valt buiten de inrichting door de activiteiten die reeds zijn vergund. Deze risico’s ontstaan door het eventueel neerstorten van vliegtuigen en het gecombineerde risico van het neerstorten van vliegtuigen en de locatie van de vloeibare waterstoftank. De PRcontour gecreëerd door de waterstofopslag zelf valt binnen de inrichtingsgrenzen.) Dit betekent dat voor de activiteiten een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) moet worden uitgevoerd waarmee het PR en GR berekend kunnen worden.

In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) is aangegeven dat de daarin voorgeschreven Rekenmethodiek Bevi moet worden gebruikt voor het berekenen van deze risico’s met toepassing van het softwareprogramma Safeti-NL en de Handleiding Risicoberekeningen Bevi. In de Handleiding Risicoberekeningen Bevi is vastgelegd op welke wijze het PR (middels een kaart met contouren) en GR (een FN-curve) dienen te worden gepresenteerd. De toetsing van de QRA aan het Bevi wordt hierna beschreven. Toetsing plaatsgebonden risico (PR) De toegestane grenswaarde voor het PR ter plaatse van een (geprojecteerd) kwetsbaar object is 10-6 per jaar. Dit is eveneens de richtwaarde voor een (geprojecteerd) beperkt kwetsbaar object. Binnen de PR 10-6 contour komen geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten voor. Daarmee voldoet het risico van de aangevraagde activiteit aan de grens- en richtwaarde van het Bevi. Conclusie PR Op basis van bovenstaande vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering voor het verlenen van de vergunning. Scenario’s uit de QRA Uit de QRA blijkt dat de volgende scenario’s bepalend zijn voor het plaatsgebonden risico: - Het instantaan falen van de tankwagen als gevolg van vliegtuigimpact;

Blad 42 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

-

Het instantaan falen van de tankwagen met vloeibare waterstof als gevolg van externe impact; - Vrijkomen van vloeibare waterstof uit de grootste aansluiting van de tankwagen. Omdat de PR 10-6 contour geheel binnen de inrichting ligt, is het niet noodzakelijk om hiervoor specifieke voorschriften voor op te nemen. Aftanken van vliegtuigen en stalling van tankwagens Binnen de inrichting worden vliegtuigen vanuit een tankwagen afgetankt. De tankwagens staan op een vaste plek binnen de inrichting op een vloeistofdichte vloer. Ten behoeve van deze activiteiten zijn voorschriften in deze beschikking opgenomen om dit te reguleren. Brandweer oefenplaats Op de brandweer oefenplaats worden brandweeroefeningen gehouden door brand te stoken en te blussen in zeecontainers. De stoffen die hierbij gebruikt worden zijn propaan voor het stoken en leidingwater voor het blussen. De propaantank is uitgevoerd conform PGS 19. De gastank wordt bijgevuld vanuit een tankwagen. Sinds 2005 wordt er geen gebruik meer gemaakt van blusschuim of schuimvormend middel. Er zal dus ook geen sprake zijn van het gebruik van PFAS-houdend blusmiddel. Al het vrijgekomen bluswater wordt via een OBAS geloosd op de riolering. Ten behoeve van activiteiten op de brandweeroefenplaats zijn voorschriften aan deze beschikking verbonden.

Overgang PGS-richtlijnen Ten behoeve van op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Deze richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over de BBT in de bijlage behorende bij artikel 9.2 van de Mor. Voor de beoordeling van de aanvraag zijn de volgende PGS-richtlijnen relevant: - PGS 15:2016: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen - PGS 19:2013: Propaan en butaan: opslag - PGS 28:2011: Vloeibare brandstoffen - ondergrondse installaties en afleverinstallaties - PGS 30:2011: Vloeibare brandstoffen - bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties - PGS 35:2021: Waterstofinstallaties voor het afleveren van waterstof aan voertuigen en werktuigen Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (en hiermee ook het Besluit Activiteiten Leefomgeving en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving) in werking getreden. Sinds het in werking treden van de Omgevingswet zijn een aantal PGS-richtlijnen direct werkend. Bij de beoordeling van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen moeten wij hiermee rekening houden. Dit betekent dat voor elke van toepassing zijnde PGS-richtlijn is gekeken naar de verschillen tussen de PGS-richtlijn opgenomen in het Mor en de PGS-richtlijn opgenomen in het Bal en het Bkl.

Onderstaand is voor elke PGS-richtlijn een onderscheid gemaakt tussen de toepassing van de activiteit onder

Blad 43 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

de Wabo en de Omgevingswet. Waar nodig zijn er voorschriften opgenomen in deze beschikking. PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen Binnen de inrichting worden diverse verpakte gevaarlijke stoffen opgeslagen. Het betreft de opslag van gasflessen, gevaarlijk afval, gevaarlijke stoffen in emballage en brandstoffen in emballage. Alle opslagen zijn kleiner dan 10 ton. De maximale opslag van klein gevaarlijke afval bedraagt maximaal 2500 kg. De maximale opslag van gasflessen bedraagt 180 liter. Op beide opslagen is de PGS 15 van toepassing. Hierdoor schrijven wij PGS 15:2016 voor in deze beschikking. Momenteel is de PGS 15:2023 in concept klaar. Hierin zijn overgangstermijnen opgenomen waarop bestaande PGS 15 voorzieningen moeten voldoen aan de nieuwe PGS 15 richtlijn (2023) conform de rechtstreekse werking van het Bal. Als de nieuwe versie van de PGS 15 van kracht wordt en als BBT document wordt aangehouden, moet RTHA voldoen aan deze overgangstermijnen om te voldoen aan de meest recente PGS 15 richtlijn. Verder is er de opslag van koelvloeistof (2x 60 liter), smeerolie (720 liter in vaten) en diesel brandstof (30 liter in een jerrycan). Deze opslagen worden door RTHA opgeslagen in PGS15 voorzieningen. Wij schrijven voor deze opslagen de PGS 15:2016 voor in deze beschikking. PGS 19: Propaan – opslag Ten behoeve van brandweeroefeningen is er een propaantank aanwezig.

Voor deze opslag zijn in deze beschikking geen voorschriften opgenomen. Deze activiteit valt onder hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit (paragraaf 3.4.1, Opslaan van propaan). Hoofdstuk 3 van het activiteitenbesluit was rechtstreeks werkend. Op dit moment is het Bal rechtstreeks werkend. Deze activiteit van onder paragraaf 3.2.7 van het Bal en is op zichzelf niet aangewezen als vergunningplichtig. Dit betekent dat de algemene regels uit paragraaf 4.91 van toepassing zijn. Deze algemene regels zijn ook rechtstreeks werkend. De PGS 19:2021 wijkt beperkt af van de PGS 19:2013. Het is gezien de beperkte afwijking niet nodig om hierover extra (maatwerk)voorschriften voor op te nemen. PGS 28: Vloeibare brandstoffen in ondergrondse installaties en aflevertoestellen & PGS 30: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties Voor het tanken van kleine luchtvaart is er een ondergrondse tank met Aviation Gas (Avgas) aanwezig. Deze tank moet voldoen aan de PGS 28. RTHA valt onder andere onder paragraaf 3.8.10 van het Bal. Hierdoor moet rechtstreeks worden voldaan aan de algemene regels van deze milieubelastende activiteit. Deze algemene regels stellen onder andere dat er voldaan moet worden aan de PGS 28.

Blad 44 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

De PGS 28:2021 wijkt beperkt af van de PGS 28:2011. Het is gezien de beperkte afwijking niet nodig om hierover extra voorschriften op te nemen. Wel wordt er geattendeerd op eventueel van toepassing zijnde overgangstermijnen in bijlage H van de PGS 28:2021. Dit geldt ook voor de bovengrondse HVO100 diesel tank en de bovengrondse dieselolie tank. Deze moet voldoen aan de PGS 30:2021. Deze wijkt beperkt af van de voorgaande PGS 30:2011. De PGS 30 wordt rechtstreeks voorgeschreven vanuit paragraaf 3.8.10 van het Bal. Het is gezien de beperkte afwijking niet nodig om hierover extra voorschriften op te nemen. Ook hier moet rekening gehouden worden met de eventueel van toepassing zijnde overgangstermijnen in bijlage G van de PGS 30:2021. PGS 35: Waterstofinstallaties voor het afleveren van waterstof aan voertuigen en werktuigen Voor het testen van vliegen op waterstof is er een vloeibare waterstof tank aanwezig. Hiermee worden kleine vliegtuigen getankt. Voor deze activiteit hebben wij de PGS 35 als uitgangspunt gehanteerd en als BBT document beschouwd. In principe is het tanken van waterstof zoals bedoeld in de PGS 35 bedoeld voor voertuigen over de weg en niet voor luchtvaart. Echter, omdat dit het meest toepasselijke en beschikbare document is, hebben wij voorschriften ontleend aan de PGS 35 en voorgeschreven in deze beschikking.

Omdat RTHA heeft aangegeven te kunnen voldoen aan de nieuwste versie van PGS 35, is deze PGS 35:2021 richtlijn voorgeschreven. Opslag munitie Bij RTHA is een kleine hoeveelheid munitie aanwezig ten behoeve van faunabeheer en vogelafweer. Rechtstreeks zijn er geen regels van toepassing voor de opslag van deze kleine hoeveelheid onder de Wabo. De algemene regels van het Bal paragraaf 3.2.11 zijn niet toereikend voor deze activiteit. Om het veilig opslaan van deze munitie te borgen zijn voorschriften opgenomen in deze beschikking. Energie Als wordt gesproken over energiebesparende maatregelen worden daar ook maatregelen ter verduurzaming van het eigen energieverbruik mee bedoeld. Dus ook voor maatregelen die een verduurzaming van het eigen energiegebruik tot gevolg hebben, geldt de verplichting deze uit te voeren als de maatregel zich binnen de vijf jaar terugverdient. Reductie van de CO2-emissie gaat hierbij boven energiebesparing, dus als de besparing op het primair energieverbruik gelijk is dan moet de maatregel met de grootste CO2-reductie worden gekozen. Bij RTHA is er sprake van een MBA die is aangewezen in afdeling 3.2 t/m 3.11 van het Bal. In dit geval zijn onder andere paragraaf 3.7.10 en 3.8.8 van toepassing. De algemene regels uit het Bal zijn rechtstreeks werkend.

Er wordt in de algemene regels van deze MBA’s verwezen naar paragraaf 5.4.1 Verduurzaming van het energieverbruik.

Blad 45 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

RTHA wordt gezien als een groot verbruiker, met een jaarlijks verbruik tussen 50.000 kWh en 10.000.000 kWh elektriciteit of tussen 25.000 m3 en 170.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen en warmte. Hierdoor moet er voldaan worden aan de maatregelen ter verduurzaming van het energiegebruik uit artikel 5.15 en de informatieplicht uit artikel 5.15a van het Bal en er is maatwerk mogelijk volgens artikel 5.16 van het Bal. Vandaar dat er geen voorschriften zijn opgenomen in de vergunning. De verplichting om maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder uit te voeren is niet als voorschrift opgenomen in deze vergunning, aangezien deze vereiste voor de van toepassing zijnde MBA’s in het Bal staat en er door het bevoegd gezag ook op kan worden gehandhaafd. Lucht Luchtkwaliteit In Titel 5.2 Wet milieubeheer en de bijbehorende bijlage 2 bij de Wet milieubeheer zijn grensen richtwaarden gesteld aan de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht op leefniveau, die wij als toetsingscriteria moeten hanteren. Op grond van artikel 5.16, eerste lid van de Wet milieubeheer kan de vergunning alleen worden verleend, als aannemelijk gemaakt kan worden dat voldaan wordt aan (minimaal) één van de volgende criteria: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b.

Er is – al dan niet per saldo – geen verslechtering van de luchtkwaliteit; c. De bijdrage aan de concentratie van een stof is ‘niet in betekenende mate’ (NIBM); d. Het project is genoemd of past binnen het NSL of binnen een regionaal programma maatregelen. Daarbij geldt dat primair aan de grenswaarde moet worden getoetst. De inrichting emitteert een aantal stoffen waarvoor deze grenswaarden gelden, waaronder stikstofdioxide en zwevende deeltjes (PM2,5 en PM10). Let op: Op basis van deze aanvraag worden niet de vliegtuigbewegingen naar de luchthaven vergund. Uitsluitend de volgende activiteiten worden vergund: - Een toename in aantal passagiers en bezoekers van 1,84 miljoen per jaar naar 3,24 miljoen per jaar; - Een toename in aantal tankwagens voor vliegtuigbrandstof naar maximaal 6 stuks, doordat 2 tankwagens met biokerosine gevuld gaan worden; - Een toename in aantallen grote vliegtuigen en helikopterbewegingen die proefdraaien voor vertrek (vliegbewegingen zelf worden niet vergund met dit besluit); - Een aanpassing aan diverse voorzieningen welke niet gaan leiden tot een toename in fijn stof en NOx-emissies.

Blad 46 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Door de aanvrager is een beschrijving geleverd waaruit blijkt dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit beperkt zijn. Deze gegevens worden gevonden in bijlage 8 van de aanvraag. We hebben hierop zelf een beoordeling uitgevoerd met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Het totaal aantal verkeerbewegingen naar de luchthaven als genoemd in de aanvraag is al in de verkeercijfers van de CIMLK opgenomen. Gelet op de lage concentraties NO2 en fijn stof (alle fracties) in het gebied is het ons inziens aannemelijk dat dit initiatief niet zal leiden tot een grenswaarde overschrijding. Geur Landelijk beleid Het Nederlandse geurbeleid is opgenomen in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit en in de Handleiding geur: bepalen van het aanvaardbaar hinderniveau van industrie en bedrijven (niet veehouderijen). Als algemene doelstelling geldt het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij staat het afwegingsproces voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau centraal. Het aanvaardbaar hinderniveau wordt per situatie vastgesteld en zo nodig op grond van het Activiteitenbesluit als maatwerk vastgesteld. Alleen als de emissies van de inrichting in het Activiteitenbesluit uitgezonderd zijn, worden de geuremissies in de vergunning beoordeeld.

Het bevoegd gezag bepaalt welke mate van hinder als aanvaardbaar wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt, geldt de hindersystematiek Geur. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de Handleiding geur, benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau. De aspecten die bij het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau worden meegewogen, zijn eveneens opgenomen in het derde lid van artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit. Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (de Beste Beschikbare Technieken moeten worden toegepast). Voor een aantal activiteiten zijn in het Activiteitenbesluit (en het Bal) voorschriften opgenomen. Gemeentelijk beleid Er is geen provinciaal of gemeentelijk beleid van toepassing. Bij het beoordelen van de aanvraag is wel de beleidsnota geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland toegepast. Beoordeling geurhindersituatie Een belangrijk deel van de klachten die over Rotterdam Airport worden ingediend hebben betrekking op overlast als gevolg van het stijgen en landen van de vliegtuigen. Deze activiteit valt helaas buiten de scope van dit besluit.

De gemeente Rotterdam heeft geen bevoegdheid om voorwaarden of voorschriften te stellen aan deze activiteit.

Blad 47 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Omschrijving aangevraagde situatie Binnen de inrichting vinden de volgende geurrelevante processen en activiteiten plaats: - Proefdraaien van vliegtuigmotoren; - Aftanken van vliegtuigen met tankwagens; - Opslag van kerosine, bio-kerosine en diesel. Geurbronnen De volgende potentiële geurbronnen zijn binnen de inrichting aanwezig en geduid in de aanvraag, zie hiervoor ook tabel 6 in bijlage 7 van de aanvraag: - Starten - Landen - Taxiën - Gebruik van alternatieve power unit (APU) - Proefdraaien van vliegtuigmotoren (en helikopters) - Emissies afkomstig van het vliegtuigplatform zelf (opstelplaats tankwagens e.d.) Uit de aanvraag blijkt dat het stijgen, landen en taxiën van de vliegtuigen en helikopters verreweg de meeste geuremissies oplevert. In de scenario’s uit de MER-studie (aangeleverd en beoordeeld bij het luchthavenbesluit), deelrapport luchtkwaliteit tabel 18, blijkt het merendeel van de geuremissies hiervan afkomstig te zijn. De geuremissie die via deze vergunning wordt gereguleerd betreft het platform gebonden verkeer uit de betreffende tabel. De geuremissies van het vliegverkeer worden niet gereguleerd door deze vergunning. Het is ons niet toegestaan hier voorschriften aan te verbinden, met uitzondering van het proefdraaien van motoren. Geurreducerende maatregelen In de aanvraag zijn enkele maatregelen genoemd om nader te onderzoeken.

Het betreft de volgende maatregelen: - (verdere) elektrificatie van het platformverkeer. Rotterdam The Hague Airport is hier momenteel volop mee bezig. - Verminderen/voorkomen van het APU-gebruik van de vliegtuigen, bijvoorbeeld door het gebruiken van elektrische GPU’s of het aanleggen van walstroom. Dat laatste zal wel significante kosten met zich meebrengen. - Toepassen van elektrisch taxiën. Op luchthaven Schiphol worden momenteel testen uitgevoerd met een ‘Taxibot’. Dit is een speciaal sleepvoertuig welke geschikt is om vliegtuigen van/naar de start- en landingsbaan te slepen met een hoge snelheid. Het is momenteel de enige gecertificeerde technologie voor het duurzaam taxiën op de markt. De Taxibot kan worden gebruikt om de meest voorkomende vliegtuigtypes de slepen: de Boeing 737 en de Airbus A320. Dit zijn ook de meest voorkomende vliegtuigtypes op

Blad 48 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

-

Rotterdam The Hague Airport. Het is onbekend welke kosten er aan het aanschaffen en het gebruiken van een dergelijk apparaat verbonden zijn. Terughoudend zijn met het proefdraaien van vliegtuigen wanneer de windrichting dusdanig is dat de luchtstroom achter de motoren in de richting van de meest nabijgelegen woningen gaat. Aangezien het proefdraaien al op de locatie gebeurt die het verst van de woningen af ligt kan hier niet direct verder iets aan gedaan worden.

Waar dat juridisch mogelijk is, zijn deze maatregelen voorgeschreven. Er ontbreekt verder nog een vaste maatregel die geldt voor de opslag van brandstofproducten zoals kerosine. Bij het stellen van de voorschriften is hier rekening mee gehouden. Via deze aanvraag wordt ook het gebruik van biobrandstof aangevraagd, afkomstig van de raffinaderij van Shell. Shell heeft in 2022 een milieuvergunning ontvangen voor de productie van biobrandstof voor onder andere de luchtvaart. Uit het geurrapport bij die aanvraag blijkt dat de mate waarin geur vrijkomt uit deze brandstof gering is. Dit komt omdat de gebruikte olie een voorbehandeling krijgt waarbij ook de geurende componenten grotendeels verwijderd worden. De verwachting is dat het gebruik van die brandstof niet tot meer of minder geurhinder zal leiden. Er zijn enkele geurmaatregelen mogelijk, welke op grond van deze vergunning redelijkerwijs verwacht mogen worden van de aanvrager. Het betreft de volgende geurreducerende maatregelen, die zullen worden voorgeschreven: - Er moet waar mogelijk gebruik gemaakt worden van dampretour, bijvoorbeeld bij het vullen van opslagtanks met kerosine.

Op de opslagtanks moet de ontluchting zijn voorzien van een waterslot; - Het verdergaand elektrificeren van de installaties in de inrichting, indien mogelijk dienen elektrische GPU’s gebruikt te worden; - Het proefdraaien dient plaats te vinden op de in de aanvraag genoemde locaties. Het gebruik van walstroom of een elektrische Taxibot wordt niet direct voorgeschreven. De haalbaarheid is (nog) niet zeker. Verdergaand elektrificeren wordt wel voorgeschreven in algemene bewoording. Vluchtige organische stoffen (VOS) De volgende bronnen van VOS emissies zijn op het luchtvaartterrein aanwezig: - Emissies van onverbrande brandstof uit de vliegtuigmotoren; - Emissies van VOS als gevolg van de opslag, kleinschalig intern transport en het aftanken van voertuigen en vliegtuigen met diesel of vliegtuigbrandstof.

Blad 49 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

De emissies van onverbrande brandstof uit de vliegtuigmotoren kan door Rotterdam The Hague Airport niet met een maatregel worden bestreden. Hieraan worden voor zover mogelijk reeds voorschriften gesteld ter bestrijding van geurhinder. Ten behoeve van de activiteiten wordt op de locatie zelf en bij een inrichting/MBA van BP op een naastgelegen terrein brandstof (diesel en kerosine/jet fuel) opgeslagen in vaten en in bovengrondse en ondergrondse opslagtanks. Deze opslag valt niet onder deze vergunning. Waar mogelijk moet bij het aftanken op Rotterdam The Hague Airport dampretour worden toegepast. Om geurhinder te bestrijden loopt er een vervangingsprogramma om het eigen materieel zoveel mogelijk te elektrificeren. Dit zal ook de VOS-emissies helpen bestrijden. Voor opslag in vaten gelden geen eisen ter voorkoming van emissies naar de lucht, behalve dat de vaten gesloten worden gehouden zolang geen brandstof wordt getapt. Dat laatste wordt niet voorgeschreven want dat valt onder de minimalisatieplicht uit artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit, thans de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) De in de inrichting getankte brandstoffen bevatten diverse stoffen die worden aangemerkt als een zeer zorgwekkende stof (ZZS).

Er is ten tijde van het nemen van dit besluit geen informatie beschikbaar dat er ook potentiële zeer zorgwekkende stoffen (pZZS) in de brandstof zitten. Op de emissies van ZZS naar de lucht is afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit (thans: paragraaf 5.4.3 van het BAL) van toepassing. Daarbij is de minimalisatieverplichting gereguleerd via artikel 2.4 van het Activiteitenbesluit en uitgewerkt in afdeling 2.6 van de Activiteitenregeling (thans: artikel 2.11 BAL en uitgewerkt in paragraaf 5.4.3 BAL). Minimalisatieverplichting houdt in dat de emissies van deze stoffen moeten worden voorkomen dan wel zo veel als mogelijk worden beperkt. Daarvoor moeten bedrijven een vermijdings- en reductieprogramma (VRP) opstellen en uitvoeren. Dit laatste volgt uit afdeling 2.6 van de Activiteitenregeling (thans: paragraaf 5.4.3 BAL). Voor potentieel zeer zorgwekkende stoffen geldt dat deze door de provincie Zuid-Holland worden behandeld als ZZS. Echter, de gemeente Rotterdam is het bevoegd gezag voor de beschikking en heeft een dergelijk beleid niet. De aanvrager heeft wel de emissies van pZZS mede onderzocht. Deze blijken niet aanwezig te zijn.

De aanvrager heeft inzicht gegeven over de aanwezigheid, herkomst en omvang van emissies van ZZS, de methoden die worden toegepast om deze emissies te bestrijden en de maatregelen die via het vermijdings- en reductieprogramma nog doorgevoerd gaan worden. Ook is geprobeerd om inzichtelijk te maken in welke mate de diffuse emissies van ZZS een immissie (blootstelling) veroorzaken buiten de terreingrens.

Blad 50 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Uit het VRP blijkt dat de luchthaven een substitutiebeleid volgt voor fossiele brandstoffen. Hiermee worden op termijn ook de emissies van ZZS beperkt. Daarnaast wordt het eigen materieel waar mogelijk elektrisch uitgevoerd en wordt waar mogelijk dampretour toegepast. Het toepassen van additionele (nageschakelde) technieken om de emissies van ZZS te beperken is geen optie omdat deze stoffen voornamelijk vrijkomen uit verbrandings- en turbinemotoren van vliegtuigen. Dampretour is niet mogelijk bij het tanken van een vliegtuig. Naar aanleiding van de ingediende immissietoetsen concluderen wij dat de op te leggen emissiegrenswaarde niet leidt tot een overschrijding of benadering van het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR) van de immissieconcentratie van de getoetste stoffen. Een VRP is reeds verplicht op grond van het BAL. Het VRP is daarbij voldoende toereikend om de emissie van ZZS te beperken. Er is geen aanleiding tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Bodem Nulsituatie onderzoeken Het preventieve bodembeschermingbeleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een verontreiniging of aantasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd een nulsituatieonderzoek naar de kwaliteit van de bodem noodzakelijk. Het nulsituatieonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de daar gebruikte stoffen.

Het nulsituatieonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan de start van de betreffende activiteit(en). Na het beëindigen van de betreffende activiteit(en) dient een vergelijkbaar eindsituatie-onderzoek te worden uitgevoerd. De in het nulsituatieonderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten verontreiniging of aantasting van de bodem heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Op de airside van Rotterdam The Hague Airport zijn verschillende bodembedreigende activiteiten. Hiervan is een overzicht gemaakt door de activiteiten op te delen in 12 deellocaties. Onderstaand de locaties: Deellocatie 1, hangar 1 Ter plaatse van deellocatie Hangar 1 is sprake van de volgende bodembedreigende stoffen: motor- en smeeroliën, koelvloeistoffen, ontvettingsmiddelen en schoonmaakmiddelen. Er is sprake van een dikke vloer (> 40 cm). Het onderzoek is daardoor buiten het pand uitgevoerd. Na analyse van grond en grondwater blijkt dat er geen verhoogde concentratie van de onderzochte stoffen zijn gemeten. De nulsituatie van de bodem is hier vastgesteld.

Blad 51 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Deellocatie 2 Opslag Glycol Ter plaatse van deellocatie 2 heeft op 22 januari 2023 een incident plaatsgevonden. Het vrijgekomen product betreft Ecowing AD-2.dit product wordt gebruikt als een antivries- en ontdooimiddel op vliegtuigen. De lekkage is ontstaan na het uitvoeren van het (nulsituatie) bodemonderzoek maar voor het bemonsteren van de peilbuizen op de locatie. Het incident heeft gezorgd voor een verontreiniging met glycol in twee van de geplaatste peilbuizen. De verontreiniging betreft 1,2propyleenglycol in het grondwater. Wegens het bovenstaande is er nogmaals een bodemonderzoek uitgevoerd op 11 mei 2023. Na analyse blijkt dat de eerdere concentraties uit voorgaand onderzoek niet meer worden aangetoond. Er wordt geconcludeerd dat het incident niet heeft geleid tot bodemverontreiniging. Dit komt omdat glycol biologisch afbreekbaar is. Met dit bodemonderzoek is de nulsituatie ter plaatse van deellocatie 2 vastgesteld. Tevens is de mogelijkheid aangevraagd de glycoltank tijdelijk te verplaatsen naar een nabijgelegen locatie op de Arlandabaan Platformzijde. Voor deze locatie is ook een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd. Met dit onderzoek is de nulsituatie voor de tijdelijke locatie ook vastgesteld. De nulsituatie van de “initiële” opslagplaats (deellocatie 2) blijft geldig tenzij deze definitief niet meer in gebruik wordt genomen.

Wanneer de opslagplaats (tijdelijk of initieel) definitief niet meer in gebruik wordt genomen dient er een eindsituatieonderzoek uitgevoerd te worden. Hiertoe zijn voorschriften opgenomen in deze beschikking. Deellocatie 3, opslag kaliumacetaat Ter plaatse van deze deellocatie is sprake van kaliumacetaat. Deze stof wordt gebruikt bij het bestrijden van gladheid op de taxi- en landingsbanen. Na analyse van grond en grondwater blijkt dat er geen verhoogde concentratie met de onderzochte stoffen zijn gemeten. De nulsituatie van de bodem is hier vastgesteld. Deellocatie 4, dieselaggregaat Op deze locatie wordt een noodstroomaggregaat aangedreven op diesel opgeslagen. Het opslaan van diesel is een bodembedreigende activiteit. Hiervoor is een nulsituatieonderzoek uitgevoerd. Na analyse van de grond en het grondwater blijkt dat er geen verhoogde concentratie van de onderzochte stoffen zijn gemeten. De nulsituatie is hier vastgesteld.

Blad 52 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Deellocatie 5, opstelplaats Shell Op deze deellocatie vindt incidenteel overslag van brandstoffen (Jet fuel) plaats. Na analyse van grond en grondwater blijkt dat er geen verhoogde concentratie van de onderzochte stoffen zijn gemeten. De nulsituatie van de bodem is hier vastgesteld. Deellocatie 6, opstelplaats Avgas In verband met de bedrijfsvoering van RTHA ter plaatse van deze deellocatie, zijn direct na plaatsing de peilbuizen bemonsterd. De peilbuizen zijn na bemonstering verwijderd en de verharding is hier direct in originele staat hersteld. Na analyse van grond en grondwater blijkt dat er geen verhoogde concentratie met de onderzochte stoffen zijn gemeten. De nulsituatie van de bodem is hier vastgesteld. Deellocatie 7, wasplaats 1 Het nulsituatie bodemonderzoek voor deellocatie 7 is gecombineerd uitgevoerd met deellocatie 5. De nulsituatie voor deellocatie 7 is vastgesteld met dit onderzoek. Deellocatie 8, wasplaats 2 De nulsituatie is eerder bepaald met verkennend bodemonderzoek van wasplaats Foxtrot Rotterdam met projectnummer 15663 d.d. 10 juni 2014. Met dit onderzoek is de nulsituatie voor deellocatie 8 vastgelegd. Deellocatie 9, vliegveld platform De nulsituatie voor deellocatie 9 is vastgelegd met de nulsituatie van de platforms en taxibanen. Met nader bodemonderzoek (9999635763) en een addendum (9999378865) is dit door het bevoegd gezag goedgekeurd.

Deellocatie 10, platform jet aviation Op deze deellocatie is per aanvullingen van 17 december 2024 een nulsituatiebodemonderzoek voorgelegd aan het bevoegd gezag. Deze deellocatie is 3.000 m2 groot, voorzien van een betonvloer. Deze deellocatie worden vliegtuigen voorzien van kerosine. Dit betreft een bodembedreigende activiteit. Tevens zijn de peilbuizen gelijk na het veldwerk bemonsterd. In totaal zijn 15 boringen uitgevoerd waarvan er 5 zijn afgewerkt als peilbuis. Door de hoge grondwaterstand in combinatie met de puinfundering was het niet altijd mogelijk de filters van de peilbuizen snijdend met de grondwaterstand te plaatsen. Tien grondmonsters zijn met een steekbus genomen. Direct na het uitvoeren van het veldwerk zijn de peilbuizen bemonsterd. Dit in het kader van de veiligheid op het vliegveld. De nulsituatie ter plaatse van het platform jet aviation is vastgelegd. Deellocatie 11, noodstroomaggregaat (NSA) Voor deze deellocatie wordt er opgemerkt dat er geen inpandige boring of peilbuis kan worden geplaatst. Er is sprake van grondwater dicht onder de verharding in de kruipruimte. Wegens de

Blad 53 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

aanwezigheid van dit grondwater vormt dit een gevaar, omdat er diverse hoogspanningskabels aanwezig zijn. Dit biedt aanzienlijk risico voor de veldwerker en is het niet verantwoord om hier een boring of peilbuis te plaatsen. Uitsparingen (dus boringen) waardoor water kan binnendringen zijn ook niet wenselijk. Hierom zijn de boringen en pijlbuizen buiten het gebouw geplaatst. De peilbuizen zijn direct na het veldwerk bemonsterd vanwege de toegankelijkheid en veiligheid op het vliegveld. In totaal zijn er 4 boringen uitgevoerd waarvan er 2 zijn afgewerkt als peilbuis. Door de hoge grondwaterstand in combinatie met de puinfundering was het niet mogelijk de filters van de peilbuizen snijdend met de grondwaterstand te plaatsen. Uit analyse blijkt dat de bovengrond, ondergrond en het grondwater niet te zijn verontreinigd met minerale olie. De nulsituatie onderzoek is hiermee ook uitgevoerd, vastgelegd en goedgekeurd. Deellocatie 12, KGA opslag De nulsituatie is bepaald met Verkennend bodemonderzoek Arlandabaan (Platformzijde) Rotterdam met projectnummer 15476 d.d. 9 april 2014. Hiermee is de nulsituatie voor deellocatie 12 vastgesteld. Eindsituatie onderzoek Na het beëindigen van de bodembedreigende activiteiten (of een deel van deze activiteiten) op bovengenoemde deellocaties moet een eindsituatie onderzoek naar de kwaliteit van de bodem worden uitgevoerd.

Als blijkt dat sprake is van bodemverontreiniging als gevolg van de activiteiten, zal de bodemkwaliteit hersteld moeten worden naar de kwaliteit vastgelegd in het nulsituatie bodemonderzoek. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning opgenomen. Afvalwater Vanuit RTHA zijn verschillende punten met verschillende lozingen aanwezig. Onderstaand per lozingspunt de soort lozing. Wasplaats 1 voor voertuigen Op wasplaats 1 worden voertuigen gewassen, getankt met dieselolie en tankwagens opgesteld. Wasplaats 1 heeft een OBAS conform NEN-EN 858-1 en 2 en er is een vloeistofdichte vloer aanwezig. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3.23c van het Activiteitenbesluit. Er wordt ook voldaan aan het minimale beschermingsniveau van het BB-CVM. Wasplaats 2 voor kleine luchtvaart Op wasplaats 2 worden kleine vliegtuigen gereinigd. Ook bij wasplaats 2 is een OBAS conform NEN-EN 858-1 en 2 en een vloeistofdichte vloer aanwezig. Hiermee wordt voldaan aan artikel 3.23c van het Activiteitenbesluit en er wordt voldaan aan het minimale beschermingsniveau uit het BB-CVM.

Blad 54 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Sanitair vliegtuig De vliegtuigen zijn uitgerust met een gesloten toiletsysteem welke regelmatig geleegd wordt. Het legen gebeurt met een voertuig ontworpen om de toiletten leeg te zuigen. Het leegzuigen wordt gedaan door Aviapartner, een derde partij, waarna het in een fecaliënput in beheer van dezelfde partij komt. Na de fecaliënput gaat het afvalwater naar het gemeentelijk riool. RTHA is de verantwoordelijke partij in het geval van calamiteiten omwille van de fecaliënput. Horeca Binnen de inrichting zijn diverse horecagelegenheden aanwezig. Het mogelijk vethoudende afvalwater afkomstig van deze gelegenheden worden gescheiden met behulp van een vetafscheider en wordt periodiek leeggepompt door een afvalverwerker. Brandweer oefenplaats Op de brandweer oefenplaats worden brandoefeningen gehouden waarbij uitsluitend propaangas en leidingwater wordt gebruikt. De propaantank wordt gevuld vanuit een tankwagen. Het bluswater wordt via een OBAS afgevoerd naar het riool. Volgens artikel 3.6g van het Activiteitenbesluit is het lozen van dit type afvalwater toegestaan. Conclusie Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de aangevraagde revisievergunning zien wij geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn voor de relevante activiteiten voorschriften opgenomen.

Blad 55 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

BIJLAGE 1: BEGRIPPENLIJST EN LIJST VAN AFKORTINGEN Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NENISO-, NVN-norm, AI-blad, BRL, CPR, PGS of NPR, wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties is de norm, BRL, CPR, PGS, NPR of het AI-blad van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen, aangevuld met, dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering, Algemene termen en definities) en de NEN 5884 (Afval en afvalverwerking, termen en definities voor bouw- en sloopafval) gegeven verklaringen en definities. Voor de begrippen die niet in deze lijst zijn opgenomen refereren wij naar de definities zoals die zijn opgenomen in de geldende wet- en regelgeving (zoals het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling, het Besluit omgevingsrecht, het Besluit externe veiligheid inrichtingen, de Wet geurhinder en veehouderij etc.

Besteladressen, Publicaties zijn in ieder geval verkrijgbaar bij de onderstaande instanties: AI-bladen: SDU Service, afdeling Verkoop Postbus 20025 2500 EA DEN HAAG Telefoon : 070 - 378 98 80 Fax : 070 - 378 97 83 Internet : www.sdu.nl. PGS-richtlijnen zijn digitaal verkrijgbaar via: www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. DIN, DIN-ISO, NEN, NEN-EN, NEN-ISO, NVN-normen en NPR-richtlijnen: Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), Afdeling verkoop Postbus 5059 2600 GB DELFT Telefoon : 015 - 269 04 35 Internet : www.nen.nl. BRL-richtlijnen: KIWA Certificatie en Keuringen

Blad 56 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Postbus 70 2280 EA RIJSWIJK Telefoon : 070 - 414 44 00 Fax : 070 - 414 44 20 Internet : www.kiwa.nl.

Aanvaardbaar hinderniveau (met betrekking tot geur) Uitkomst van het afwegingsproces van onder andere de volgende aspecten: - toetsingskader; - geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten; - aard en waardering van de geur (hedonische waarde); - klachtenpatroon, huidige en verwachte hinder; - technische en financiële consequenties van maatregelen en gevolgen daarvan voor andere emissies; - de mate waarin getroffen maatregelen ter beperking van luchtemissies overeenstemmen met BBT uit BREF’s en nationale BBT-documenten; - lokale situatie (onder meer planologische ruimte, sociaaleconomische aspecten en andere lokale afwegingen); - historie van het bedrijf in zijn omgeving. Opmerking: Het aanvaardbaar hinderniveau voor veehouderijen verschilt met het bovenstaande en is geregeld via de Wet geurhinder en veehouderijen/Activiteitenbesluit milieubeheer. Accreditatie-instantie Nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218). ADR Accord européen relatif au transport international des marchandises Dangereuses par Route.

Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. ADR-klasse Classificatie als bedoeld in de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Afgas Gasvormige drager van de emissie.

Blad 57 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Afvalstoffen Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Afvalwater Alle water waarvan de houder zich, met het oog op de verwijdering daarvan, ontdoet, voornemens is zich te ontdoen, of moet ontdoen. Andere hernieuwbare brandstoffen. Andere hernieuwbare brandstoffen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel c, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer. AS SIKB 6700 Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement, versie 3.0, februari 2018. Atmosferische opslag Opslag waarbij de absolute druk boven de vloeistof bij de opslag temperatuur beneden 1,06 bar ligt. Avgas Aviation gas BAT Best Available Techniques/BBT. BB-CVM Bodembescherming – combinatie van voorzieningen en maatregelen BBT Beste Beschikbare Techniek genoemd in een BBT document. BBT-conclusies Document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies. Bedrijfsafvalwater Afvalwater (inclusief verontreinigd hemelwater), niet zijnde huishoudelijk afvalwater.

Blad 58 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Bedrijfsbrandweer Een bedrijfsbrandweer conform de aanwijzingsbeschikking artikel 31 van de Wet veiligheidsregio's dan wel een bedrijfsbrandweer welke is vastgesteld op basis van een goedgekeurd bedrijfsbrandweerrapport met daarin de informatie zoals gesteld onder artikel 7.2, eerste lid, van het Besluit veiligheidsregio's. Bedrijfsduurcorrectie (met betrekking tot geluid) Correctie als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, zijnde de logaritmische verhouding tussen de tijdsduur dat de geluidsbron gedurende de beoordelingstijd in werking is, en de duur van die beoordelingsperiode. Bedrijfsriolering Een stelsel van buizen, verbindingstukken en elementen, zoals straat- en trottoirkolken, gootelementen, verzamelputten, en installaties, zoals slibvangputten, olie-waterscheiders en controleputten, voor de opvang en afvoer van bedrijfsafvalwater. Beperkt kwetsbaar object (met betrekking tot externe veiligheid) Beperkt kwetsbaar object als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Beste beschikbare technieken Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn. Daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld. Bevoegd gezag Bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, p/a DCMR Milieudienst Rijnmond. Bevi Besluit externe veiligheid inrichtingen. BLEVE Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion.

Blad 59 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Bodem Het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen. Bodembedreigende activiteit Bedrijfsmatige activiteit die gepaard gaat met het gebruik, de productie of de emissie van een bodembedreigende stof overeenkomstig de definitie van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bodembedreigende stof Stof die blijkens het stoffenschema, bedoeld in bijlage 2, bij deel 3, van de NRB, de bodem kan verontreinigen. Bodembeschermende maatregel Op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden beheermaatregel gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht, ter voorkoming van immissies in de bodem of herstel van de effecten van zulke immissies op de bodemkwaliteit, waarvan de uitvoering is gewaarborgd. Bodembeschermende voorziening Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening ter voorkoming van immissies in de bodem. Bodemincident Een incident waarvan op voorhand een redelijk vermoeden bestaat dat vrijgekomen stoffen de bodem zullen verontreinigen, dan wel een incident waarna door middel van lekdetectie of anderszins is vastgesteld dat bodemverontreiniging is opgetreden. Bodemrisicodocument Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging.

Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de NRB bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. Bor Besluit omgevingsrecht.

Blad 60 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Brandbare (vloei)stof Een vloeistof die zelf brandbaar is of waaruit onder voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbaar gas, brandbare damp of brandbare nevel kan ontstaan (EN-IEC 60079-10). Een vaste stof vallend onder klasse 4.1 van het ADR. Een vloeistof die, in verpakte vorm, conform het ADR het etiket model nr. 3 draagt. Brandbestrijdingssystemen De repressieve middelen ter bestrijding van brand, zoals brandkranen (blusbootaansluitingen), handblusmiddelen (haspels en poederblussers), sprinklers, deluge, blusgasinstallaties etc. Brandbeveiligingssystemen Alle brandveiligheidsvoorzieningen, zoals de brandbestrijdingssystemen en de branddetectie en doormelding. Brandgevaarlijke stof Vaste, vloeibare of gasvormige stof die brandbaar of brandbevorderend is, of bij brand gevaar oplevert, in de zin van de ADR-klassen 2 t/m 5. Brandveiligheidsplan Het brandveiligheidsplan beschrijft in feite het geheel aan maatregelen omtrent het brandveiligheidsbeleid van de inrichting en de getroffen organisatorische en technische maatregelen. Voor bedrijven die beschikken over een veiligheidsbeheerssysteem geldt dat zij in een brandveiligheidsplan kunnen verwijzen naar de van toepassing zijnde onderdelen / procedures van dit veiligheidsbeheerssysteem.

Indien punten uit bovenstaand voorschrift zijn beschreven in de aanvraag voor een omgevingsvergunning, kan in het brandveiligheidsplan specifiek hiernaar worden verwezen. De brandweer kan aanvullende eisen stellen aan de inhoud van het brandveiligheidsplan. Brandweer Overheidsbrandweer; Repressieve dienst van de brandweer (in geval van brandbestrijding). BREF BAT Reference document. Een in Europees verband vastgesteld document waarin de BBT worden beschreven die specifiek zijn voor een bepaalde branche of activiteit. Cryogene gassen Tot vloeistof gecondenseerde gassen met zeer lage temperaturen. Cvm Combinatie van voorzieningen en maatregelen.

Blad 61 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Dampdruk Absolute druk in bar, bepaald volgens NEN-EN 12 met het toestel van Reid. Dampretoursysteem Systeem bedoeld om dampen die anders in de atmosfeer zouden vrijkomen ten gevolge van verdringingsverliezen af te vangen en zonder verwerking terug te voeren naar de tank van waaruit wordt gepompt. DCMR DCMR Milieudienst Rijnmond Parallelweg 1, 3112 NA Schiedam Postbus 843, 3100 AV Schiedam Telefoon : 010 - 246 80 00 Fax : 010 – 246 82 83 E-mail : info@dcmr.nl. Diameter bij tankafstanden Indien de diameter (D) van een tank gebruikt wordt voor het aangeven van onderlinge afstanden van tanks, wordt hiermee de diameter van de grootste tank bedoeld, tenzij anders aangegeven. Diffuse bron Emissie in een andere vorm dan vanuit een puntbron. De emissie kan zijn naar de lucht, bodem of water of in enig product. Diffuse emissies Emissies door lekverliezen; Emissies van oppervlaktebronnen. EBP Energiebesparingsplan. EED Energie-efficiëntie richtlijn. EEP Energie-efficiencyplan.

Blad 62 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Emballage Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en Intermediate Bulk Containers (IBC's). Emissie De uitstoot van één of meer verontreinigende stoffen naar de lucht. Emissiegrenswaarde De emissiegrenswaarde bestaat uit: - de concentratie en/of - de vracht van een emissie, De emissie mag de emissiegrenswaarde tijdens één of meer vastgestelde perioden niet overschrijden. Energie-audit (bij EED) Een energieonderzoek zoals bedoeld in de Tijdelijke regeling implementatie artikelen 8 en 14 Richtlijn energie-efficiëntie of de AMvB/Wet die de Tijdelijke regeling opvolgt. Een systematische procedure met als doel toereikende informatie te verzamelen over het huidige energieverbruiksprofiel van een gebouw of groep gebouwen, van een industriële of commerciële activiteit of installatie of van private of publieke diensten, mogelijkheden voor kosteneffectieve energiebesparing te signaleren en kwantificeren en verslag uit te brengen van de resultaten.

Energiekosten Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen. Voor aardgas moeten met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en BTW. Voor elektriciteit moeten met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW. Energieplan Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarin zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting. Wanneer er sprake is van voorwaardelijke maatregelen, is in dit plan onderbouwd waarom deze maatregelen als voorwaardelijk zijn gekenmerkt.

Blad 63 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Energie relevante investeringsbeslissing Een investeringsbeslissing vinden wij energierelevant wanneer deze een effect heeft op het jaarlijkse energieverbruik binnen de inrichting van meer dan meer dan 5.000 kWh en / of meer dan 2.500 m3 aardgasequivalenten. Hieronder vallen onder meer aanschaf, renoveren of grootschalig onderhouden van verwarmingstoestellen, machines en apparaten, maar bijvoorbeeld ook het vervangen van verlichting. Energie uitvoeringsplan Het plan van aanpak waarin de drijver van de inrichting de termijn aangeeft waarbinnen zij de rendabele maatregelen toe zal passen binnen de inrichting. Equivalent geluidsniveau (LAEQ) Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode, optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai", uitgegeven door het Ministerie van VROM. E-PRTR European Pollutant Release and Transfer Register. ERP's Emissierelevante parameters. Meetbare of berekenbare grootheden die in directe of indirecte relatie staan met de te beoordelen emissies. ERP’s bestaan uit de categorieën A en B. Een categorie A ERP geeft, zo nodig na kalibratie, een kwantitatief beeld van de emissie. Een categorie A ERP kan de meting van een stof vereenvoudigen of zelfs geheel vervangen. Een categorie B ERP geeft een indruk van de werking van techniek/proces.

Daarmee geeft de categorie B ERP een kwalitatief beeld van de emissie. ESD Emergency Shut Down. Europese geureenheid (ouE) Eén Europese geureenheid is de hoeveelheid geurstoffen die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaard condities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens) gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 μg n-butanol (CAS-Nr. 71-36-3) in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 μmol/mol).

Blad 64 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

EU-richtlijn industriële emissies Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334). Exploitant Degene die de inrichting drijft of degene die aansprakelijk is voor het drijven van de inrichting. Meestal is dit de houder van de Wabo-vergunning. Falen Beëindiging van de mogelijkheid van een hardware element in een beschermende maatregel om de functie uit te voeren waarvoor deze ontworpen is. Fail safe Het fail safe uitvoeren van installatie onderdelen houdt in dat wanneer het aansturingsysteem wegvalt (perslucht en/of elektriciteit) de kleppen en afsluiters terugvallen in hun veilige stand. Deze veilige stand houdt in dat de installatie zonder of met minimaal gevaar voor de externe veiligheid en een minimale belasting van het milieu uit bedrijf kan worden genomen. Feestdagen Feestdagen zoals gedefinieerd in de Algemene termijnenwet Full Power Onderdeel van proefdraaien waarbij vliegtuigmotoren op het hoogste niveau draaien. Fundering Ondergrond waarop de tank rust, bijvoorbeeld tankterp. Gas Een stof, die bij 50°C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar) of bij 20°C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is. Gasfles (gascilinder) Een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15241751/1