CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ontwerpbeschikking RTHA

Gemeenteraad 15 april 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Brieven en documenten van derden:22.530 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerpbeschikking

Rotterdam The Hague Airport Rotterdam Airportplein 60 3045 AP Rotterdam

Parallelweg 1 Postbus 843 3100 AV Schiedam T 010 – 246 80 00 F 010 – 246 82 83 E info@dcmr.nl W www.dcmr.nl

Ons kenmerk

Uw kenmerk

Datum

2322886_6124884

OLO 7795805

24 februari 2025

Contact

Afdeling

Bijlagen

info@dcmr.nl

Reguleren Advies en Omgeving

-

Onderwerp

Ontwerpbeschikking

BESLUIT van burgemeester en wethouders van Rotterdam Onderwerp Op 25 oktober 2023 hebben wij van Rho Adviseurs B.V., namens Rotterdam Airport B.V. handelend onder de naam Rotterdam The Hague Airport, een aanvraag ontvangen om een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag gaat over de locatie Rotterdam Airportplein te Rotterdam en is geregistreerd onder OLO-nummer 7795805. De aanvraag bevat het onderdeel milieu. De aanvraag betreft een revisie van de grondgebonden activiteiten van de airside van de inrichting. De inrichting betreft een luchthaven. Besluit Wij besluiten, gelet op de aanvraag en de hierop gebaseerde overwegingen die zijn opgenomen in deze vergunning en gelet op het gestelde in de Wabo: 1. de omgevingsvergunning te verlenen voor een revisievergunning (artikel 2.1, eerste lid, onder e, in samenhang gelezen met artikel 2.6 van de Wabo); 2. maatwerkvoorschriften te stellen op basis van artikel 8.40 en 8.42 eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto 2.11, tweede lid van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Aan deze vergunning zijn (maatwerk)voorschriften verbonden.

Blad 1 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

De aanvraag en alle daarbij ingediende stukken maken onderdeel uit van deze vergunning, tenzij de aan de vergunning verbonden voorschriften anders bepalen. Deze omgevingsvergunning is geen toestemming op grond van de Wet natuurbescherming. De beschikking in het kader van de Wet Natuurbescherming, opgesteld in een afzonderlijke procedure, is bekend onder kenmerk DGNV/38275654 en opgesteld door Omgevingsdienst Haaglanden namens het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 17 juni 2024. Het besluit op de aanvraag betreft een positieve weigering. Verder zijn er maatwerkvoorschriften opgelegd in de beschikking bekend onder kenmerk DGNVNV/47411162.

college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, namens dezen, D.R. van Bloppoel teammanager afdeling Reguleren, Advies en Omgeving DCMR Milieudienst Rijnmond DCMR maakt gebruik van digitaal vaststellen, daarom ontbreekt een zichtbare handtekening

Blad 2 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Inwerkingtreding en rechtsmiddelen Dit besluit treedt in werking nadat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is verstreken. Zienswijze De aanvraag en de ontwerpbeschikking met bijbehorende stukken worden op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegd. Eenieder kan binnen zes weken na de start van de terinzagelegging eventuele zienswijzen tegen de ontwerpbeschikking indienen. Deze moeten worden gericht aan burgemeester en wethouders van Rotterdam, p/a DCMR Milieudienst Rijnmond. Dit kan per e-mail via info@dcmr.nl of per post via Postbus 843, 3100 AV Schiedam. Vermeld altijd het zaaknummer en dat het om een zienswijze op een omgevingsvergunning gaat. Beroep De termijn voor het indienen van een beroepschrift vangt aan met ingang van de dag na de dag dat het besluit ter inzage is gelegd en duurt zes weken. Indien belanghebbenden, of indieners van een zienswijze, beroep willen aantekenen, dient hun beroepschrift in tweevoud te worden ingediend bij de Sectie Bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam, Postbus 50951, 3007 BM Rotterdam. Het beroepschrift heeft geen schorsende werking.

Voorlopige voorziening Indien u, indieners van een zienswijze of derde belanghebbenden er tevens veel belang bij hebben dat dit besluit niet in werking treedt, dan kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de Sectie Bestuursrecht van de Rechtbank Rotterdam, Postbus 50951, 3007 BM Rotterdam. Het verzoek om voorlopige voorziening schorst de werking van dit besluit. U kunt ook digitaal een verzoek om een voorlopige voorziening en/of beroepschrift indienen bij bovengenoemde rechtbank via http://loket.rechtspraak.nl/bestuursrecht. Daarvoor moet u wel beschikken over een elektronische handtekening (DigiD). Kijk op de genoemde site voor de voorwaarden.

Verzonden op: 4 maart 2025

Blad 3 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

INHOUDSOPGAVE

1.0

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN ....................................................................................... 5

2.0

AFVALSTOFFEN ............................................................................................................. 12

3.0

BRANDVEILIGHEID ........................................................................................................ 14

4.0

EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................... 17

5.0

GELUID ............................................................................................................................ 21

6.0

LUCHT ............................................................................................................................. 26

7.0

BODEM ............................................................................................................................ 27

8.0

TANKACTIVITEITEN ....................................................................................................... 28

9.0

BRANDWEEROEFENPLAATS ....................................................................................... 30

PROCEDURELE OVERWEGINGEN .......................................................................................... 31 INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU ................................................ 36

Blad 4 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

1.0

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

1.1

Algemeen

1.1.1 Ten minste één maal per dag moeten alle in bedrijf zijnde installaties op lekkage worden gecontroleerd. Onder controle wordt hierbij verstaan de routinematige controlerondes die door het personeel worden gelopen. 1.1.2 Alle werkzaamheden die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, mogen uitsluitend worden verricht door daartoe opgeleid en ter zake kundig personeel volgens daartoe door de verantwoordelijke bedrijfsleiding verstrekte werkinstructies, procedures en voorschriften (onder andere laad- en losprocedures, opstart- en stopprocedures). 1.1.3 De brandstoftoevoer naar een stookinstallatie moet bij een incident, zoals een brand, vanaf een veilige locatie kunnen worden afgesloten. 1.1.4 De verlichting moet zodanig zijn dat een behoorlijke oriëntatie mogelijk is en bij duisternis werkzaamheden kunnen worden verricht. Voor de verlichting, noodzakelijk voor de veiligheid, moet steeds een reserve energiebron, onafhankelijk van de normale stroomvoorziening, beschikbaar zijn. 1.2

Terrein van de inrichting en toegankelijkheid

1.2.1 Op het terrein van de inrichting moet een zodanige afscheiding aanwezig zijn dat de toegang tot de inrichting voor onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is. 1.2.2 De inrichting moet schoon worden gehouden en in goede staat van onderhoud verkeren. 1.2.3 Gebouwen, installaties en opslagvoorzieningen moeten altijd goed bereikbaar zijn voor alle voertuigen die in geval van calamiteiten toegang tot de inrichting/installatie moeten hebben. Binnen of nabij de installaties mogen geen andere goederen of stoffen worden opgeslagen dan die welke voor het proces nodig zijn of daardoor zijn verkregen, met uitzondering van brandbestrijdingsmiddelen.

Blad 5 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

1.2.4 Herstelwerkzaamheden aan en tijdelijke blokkeringen van het wegennet moeten zo kort mogelijk duren. De plaatsen waar tijdelijke blokkering optreedt, bijvoorbeeld ten gevolge van herstelwerkzaamheden, moeten bij een centraal punt binnen de inrichting of bij de voor de begeleiding van de hulpdiensten verantwoordelijke bekend zijn. 1.2.5 De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting (met uitzondering van de verlichting ten bate van de start- en landingsbaan) moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is. 1.3

Instructies

1.3.1 Indien in deze vergunning de verplichting geldt met betrekking tot het opstellen van procedures of instructies, dan: a. moeten deze binnen de inrichting bewaard worden; b. moet de vergunninghouder er zorg voor dragen dat de medewerkers, die binnen de inrichting volgens deze procedures of instructies moeten werken, hiervan op de hoogte zijn en dat deze worden nageleefd. 1.3.2 De vergunninghouder moet de binnen de inrichting (tijdelijk) werkzame personen instrueren over de voor hen van toepassing zijnde voorschriften van deze vergunning en de van toepassing zijnde veiligheidsmaatregelen. Tijdens het in bedrijf zijn van installaties, die in geval van storingen of onregelmatigheden kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu, moet steeds voldoende, kundig personeel aanwezig zijn om in voorkomende gevallen te kunnen ingrijpen. 1.3.3 De vergunninghouder moet één of meer ter zake kundige personen aanwijzen die in het bijzonder belast zijn met de zorg voor de naleving van de in deze vergunning opgenomen voorschriften. 1.4

Melding contactpersoon en wijzigen vergunninghouder

1.4.1 De vergunninghouder moet in het geval van wijzigen van contactpersoon (voor spoedeisende gevallen), de naam van deze contactpersoon schriftelijk melden aan het bevoegd gezag.

Blad 6 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

1.5

Registratie en bewaren van documenten

1.5.1 Binnen de inrichting moeten de volgende documenten aanwezig zijn: a. de voor de inrichting geldende omgevingsvergunning(en) en meldingen (inclusief aanvragen); b. een overzichtelijke en actuele plattegrondtekening, waar ten minste de volgende aspecten op zijn aangegeven: i. alle gebouwen en installaties met hun functies; ii. alle opslagen van stoffen die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid; c. de veiligheidsinformatiebladen die behoren bij de in de inrichting aanwezige gevaarlijke stoffen; d. de bewijzen, resultaten en/of bevindingen van de in deze vergunning voorgeschreven inspecties, onderzoeken, keuringen, onderhoud en/of metingen; e. de registratie van het jaarlijkse elektriciteit-, water- en gasverbruik; f. de schriftelijke instructies voor het personeel; g. meldingen van ongewone voorvallen die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van datum, tijdstip en de genomen maatregelen; h. de registratie van klachten van derden omtrent milieu-aspecten (met uitzondering van vliegtuiggeluid) en de daarop ondernomen acties; i. het logboek waarin van de ongediertebestrijding per bestrijding de gebruikte middelen en de hoeveelheden zijn bijgehouden. Hierbij moet worden aangegeven of men de ongediertebestrijding zelf heeft uitgevoerd of dat dit is gedaan door een extern bedrijf; j.

een logboek van het gebruik van de faunabeheersystemen waarin het moment, de locatie, frequentie en reden van gebruik worden vastgelegd;. k. de registratie van het proefdraaien van vliegtuigmotoren waarin de tijd, plaats, tijdsduur en soort motor wordt vastgelegd; l. Binnen de inrichting moet een logboek aanwezig zijn waarin de tijd, tijdsduur, datum en eventuele bijzonderheden van de brandweeroefening worden geregistreerd. 1.5.2 Indien bij deze vergunning verplichtingen gelden met betrekking tot: a. het uitvoeren van metingen, keuringen, inspecties, onderhoud, controles en/of beoordelingen, dan moeten de resultaten, de bewijzen en/of bevindingen daarvan ten minste gedurende vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard; b. het registeren van het jaarlijkse elektriciteit-, water- en gasverbruik, dan moeten deze gegevens ten minste gedurende vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard; c. het aanleggen of installeren van voorzieningen of installaties onder certificaat, dan moeten de bewijzen van certificering binnen de inrichting worden bewaard;

Blad 7 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

d. e.

1.6

het opstellen van plannen, dan moeten deze plannen binnen de inrichting worden bewaard; het uitvoeren van bodem- en grondwateronderzoek, dan moeten de resultaten van dat onderzoek binnen de inrichting worden bewaard. Meldingen

1.6.1 Van elk ongewoon voorval dat zich voordoet of heeft voorgedaan binnen de inrichting en dat (mogelijk) een gevaarlijke situatie buiten de inrichting, grotere overlast buiten de inrichting of grotere milieugevolgen kan veroorzaken, moet zo spoedig mogelijk melding worden gedaan bij de Meldkamer van DCMR Milieudienst Rijnmond (010-2468686). Toelichting: Het gaat hier om bijvoorbeeld (de dreiging van) brand, explosie, gasontsnapping, aanzienlijke geluidsoverlast buiten reguliere bedrijfsomstandigheden, starten van het bedrijfsnoodplan. 1.6.2 Van elk ongewoon voorval dat zich voordoet of heeft voorgedaan binnen de inrichting met (mogelijk) kleinere/beperkte overlast buiten de inrichting of kleinere/beperkte milieugevolgen moet zo spoedig mogelijk, bij voorkeur binnen vijftien minuten, melding worden gedaan bij de Meldkamer DCMR. Toelichting: Het gaat hier om bijvoorbeeld kleine bedrijfsstoring, beperkte emissie van stankverwekkende stoffen, bodemverontreiniging t.g.v. vloeistoflekkages/morsingen. 1.6.3 De buurbedrijven waarvoor de gevolgen genoemd in de voorschriften 1.6.1 en 1.6.2 van belang zouden kunnen zijn, moeten zo spoedig mogelijk worden gewaarschuwd.

Indien brandbare, explosieve en/of giftige stoffen vrijkomen, die aannemelijke gevaar buiten de inrichting kunnen veroorzaken, moeten concentratiemetingen worden verricht om vast te stellen of er gevaar voor de buurbedrijven bestaat. Er moeten onmiddellijk maatregelen worden getroffen die het gevaar opheffen of, voor zover dit niet mogelijk is, het gevaar zoveel mogelijk beperken. Met de buurbedrijven die gevaar lopen, alsmede met de Meldkamer DCMR, moet gedurende het voorval regelmatig contact worden gehouden zolang het gevaar bestaat.

Blad 8 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

1.6.4 Van elke voorzienbare, niet reguliere bedrijfsactiviteit die (mogelijk) overlast buiten de inrichting of nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, moet vooraf melding worden gedaan bij de Meldkamer DCMR. Toelichting: Het gaat hier bijvoorbeeld om brandweeroefening, onderhouds- en schoonmaakwerkzaamheden, in- en uitbedrijfname van installaties en/of voorgeschreven reinigings- of registratie-apparatuur, testen van akoestische alarmsystemen. 1.6.5 De vergunninghouder moet de bepalingen van de voorgaande meldingsvoorschriften verwerken in interne bedrijfsinstructies. Deze bedrijfsinstructies moeten binnen twee maanden na in werking treden van het voorschrift ter beoordeling worden overgelegd aan het bevoegd gezag. Omtrent de typen te melden voorvallen kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen. Wijzigingen in de bedrijfsinstructies moeten binnen een maand aan het bevoegd gezag worden overgelegd. 1.6.6 Onverminderd het gestelde in andere voorschriften moet iedere brand onmiddellijk worden gemeld aan de brandweer via het alarmnummer.

1.6.7 Onderhoudswerkzaamheden, waarvan redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat deze buiten de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, dan wel dat hiervan in de omgeving meer nadelige gevolgen voor het milieu worden ondervonden dan uit de normale bedrijfsvoering voortvloeit, moeten ten minste 14 dagen voor de aanvang van de uitvoering aan het bevoegd gezag worden gemeld. 1.6.8 Indien uit de inhoud van keurings- en inspectierapporten blijkt dat gevaar voor verontreiniging dreigt, moet direct het bevoegd gezag daarvan in kennis worden gesteld. 1.7

Bedrijfsbeëindiging

1.7.1 Bij het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de activiteiten binnen de inrichting moeten alle aanwezige stoffen en materialen, die uitsluitend aanwezig zijn vanwege de (te beëindigen) activiteiten, door of namens vergunninghouder op milieuhygiënisch verantwoorde wijze in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd.

Blad 9 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

1.7.2 Van het structureel buiten werking stellen van (delen van) installaties en/of beëindigen van (één van de) activiteiten moet het bevoegd gezag zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld. Installaties of delen van installaties die structureel buiten werking zijn gesteld en nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, moeten in overleg met het bevoegd gezag worden verwijderd, tenzij (delen van) de installaties in een zodanige staat van onderhoud worden gehouden dat de nadelige gevolgen niet kunnen optreden. 1.8

Proefnemingen

1.8.1 De vergunninghouder mag - mits hiervoor vooraf schriftelijk goedkeuring is verleend door het bevoegd gezag en bij wijze van proef - andere dan in deze vergunning opgenomen technische installaties en/of alternatieve grond-, hulp-, of brandstoffen toepassen dan wel andere afvalstoffen verwerken. Goedkeuring voor de onderzoeksopzet wordt slechts verleend indien de proefneming noodzakelijk is om informatie te vergaren over de technische haalbaarheid van de andere toepassing en deze informatie niet op een andere wijze kan worden verkregen. 1.8.2 Voordat goedkeuring kan worden verleend voor een proef als bedoeld in voorschrift 1.8.1, moeten, minimaal zes weken voor aanvang van de proef de volgende gegevens schriftelijk aan het bevoegd gezag worden verstrekt: a. het doel en de noodzaak van de proefneming; b. een beschrijving van de alternatieve stof, van de alternatieve techniek of het alternatieve proces, met vermelding van de capaciteit inclusief eventuele wijzigingen in installaties en procesvoeringen; c. de te verwachten wijziging in emissies en verbruiken, aangegeven met behulp van massabalansen en de verwachte wijziging in gevolgen voor het milieu; d. de wijze waarop tijdens de proefneming processen en emissies, gevolgen voor het milieu en de verbruiken zullen worden beheerd en geregistreerd; e. de hoeveelheid in te zetten materiaal; f.

de duur van de proef (maximaal negen maanden). 1.8.3 Het bevoegd gezag kan naar aanleiding van een onderzoeksopzet, als bedoeld in voorschrift 1.8.1, goedkeuring onthouden dan wel nadere eisen stellen aan de proefneming. Deze nadere eisen kunnen een beperking van duur of een beperking van de bij de proefnemingen te verwerken hoeveelheid materiaal betekenen. Tevens kunnen nadere eisen gesteld worden aan de milieuhygiënische randvoorwaarden van de proefnemingen.

Blad 10 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

1.8.4 De proefneming mag uitsluitend worden uitgevoerd binnen de aan de goedkeuring verbonden voorwaarden. Zodra blijkt dat deze randvoorwaarden niet in acht genomen (kunnen) worden of dat de gevolgen voor het milieu groter zijn dan voorzien, dan moet de proef onmiddellijk gestopt worden. 1.8.5 De resultaten van de proefneming moeten uiterlijk drie maanden na beëindiging van de proefneming aan het bevoegd gezag worden overgelegd.

Blad 11 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

2.0

AFVALSTOFFEN

2.1

Afvalscheiding

2.1.1 De vergunninghouder is verplicht de volgende afvalstromen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden voor afvoer dan wel zelf gescheiden af te voeren: a. Verschillende categorieën gevaarlijke afvalstoffen; b. Papier en karton; c. Elektrische en elektronische apparatuur; d. Houtafval; e. Afgewerkte olie; f. Poetsdoeken; g. Oliefilters; h. Metaalafval; i. Kunststoffen; j. Restafval; k. Glasafval; l. Plastic; m. GFT; n. Slib; o. Slib uit de olie-water afscheider; p. Olieresten uit de olie-waterafscheider; q. Frituurvet; r. Schoon puin. 2.2

Opslag van afvalstoffen

2.2.1 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 2.2.2 De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn, dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c. deze tegen normale behandeling bestand is;

Blad 12 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

d.

deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.

2.2.3 Afvalstoffen moeten zodanig gescheiden van elkaar worden opgeslagen dat de verschillende soorten afvalstoffen ten opzichte van elkaar geen reactiviteit kunnen veroorzaken. 2.2.4 Afval moet op een centrale plek in de inrichting worden opgeslagen in de daartoe bestemde voorzieningen. 2.2.5 De termijn van opslag van afvalstoffen mag maximaal één jaar bedragen. In afwijking hiervan mag de termijn van opslag van afvalstoffen maximaal drie jaar bedragen indien de vergunninghouder aan het bevoegd gezag heeft aangetoond dat de opslag van afvalstoffen gevolgd wordt door nuttige toepassing van afvalstoffen.

Blad 13 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

3.0

BRANDVEILIGHEID

3.1

Brandveiligheid algemeen

3.1.1 Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en brandbeveiligingssystemen moeten steeds: a. b. c. d. e. f.

bedrijfszeker zijn; voor onmiddellijk gebruik gereed zijn; goed bereikbaar zijn; als zodanig herkenbaar zijn; geschikt zijn voor de beheersing of de blussing van een bepaald type brand; en waar van toepassing tegen aanrijden beschermd zijn.

Toelichting: Hiermee wordt ook bedoeld dat elektrische, hydraulische en pneumatische stuurleidingen voor de bediening en het functioneren van stationaire blus- en koelvoorzieningen zodanig moeten zijn uitgevoerd dat deze bij blootstelling aan stalingswarmte en/of contact met lekvloeistof blijven functioneren. 3.1.2 In de inrichting mag, behoudens in de daarvoor ingerichte installaties of in de daarvoor ingerichte ruimten, geen open vuur aanwezig zijn en mag niet worden gerookt. Deze bepaling voor wat betreft open vuur is niet van toepassing indien werkzaamheden moeten worden verricht waarbij open vuur noodzakelijk is. Vergunninghouder moet zich er van hebben overtuigd dat deze werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder gevaar. Op een centrale plaats voor de uitgave van (werk-) vergunningen en ter plaatse moet een schriftelijk bewijs aanwezig zijn dat bedoelde werkzaamheden zijn toegestaan. 3.1.3 Het terrein en het wegenstelsel moeten zodanig zijn ingericht en de toegankelijkheid moet zodanig zijn bewaakt, dat elk deel van de inrichting te allen tijde vanuit ten minste twee richtingen te bereiken is. 3.1.4 Bij de (brandweer)ingangen moet een sleutelkluis zijn aangebracht die kan worden geopend met de generale hoofdsleutel die in gebruik is bij de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

Blad 14 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

3.1.5 Binnen de inrichting moeten windvanen of gelijkwaardige technische voorzieningen zijn aangebracht. De windvanen moeten zodanig gepositioneerd (aantal/locatie) zijn dat direct zichtbaar is wat de heersende windrichting is. 3.1.6 De primaire bluswatercapaciteit moet minimaal 90 m 3 per uur zijn bij een dynamische druk van tenminste 100 kPa. De voordruk van het deel van het bluswaternet waarop de brandkraan is aangesloten mag niet meer bedragen dan 500 kPa. De capaciteit van 90 m3 per uur moet, ongeacht reparatie, storing of onderhoud, te allen tijde gegarandeerd zijn. Toelichting: de verantwoordelijkheid van de beschikbaarheid van een voldoende capaciteit bluswater ligt bij de vergunninghouder. Indien de capaciteit die gegarandeerd wordt door de beheerder van de brandkranen minder is dan in het geëiste voorschrift, moet de vergunninghouder ervoor zorgen dat de beschikbare bluswatercapaciteit wordt aangevuld door het realiseren van bluswatervoorzieningen op het eigen terrein. 3.2

Procedures en instructies

3.2.1 Binnen de inrichting moet een actuele beschrijving van de denkbare incidenten en de mogelijke effecten daarvan op het milieu onder maatgevende meteorologische omstandigheden aanwezig zijn. In de beschrijving moet aandacht geschonken zijn aan de organisatorische en uitvoeringstechnische maatregelen die zijn vastgelegd voor het geval dat er incidenten plaatsvinden met stoffen waarbij mogelijk nadelige milieugevolgen te verwachten zijn. Ten minste eenmaal per jaar moet het bovenstaande op doelmatigheid en bruikbaarheid worden getest. Bij relevante wijzigingen van de inrichting dient, direct na de wijziging, de beschrijving te worden aangepast. 3.2.2 In de inrichting moet te allen tijde ten minste één bevoegd persoon aanwezig zijn, die ter zake kundig is om in geval van een onveilige situatie direct de vereiste maatregelen te treffen. 3.2.3 Op een centraal punt binnen de inrichting moeten de volgende actuele gegevens beschikbaar zijn: a. Een overzichtstekening van de inrichting met noordpijl, schaal, de aanwezige gebouwen, het wegennet, procesinstallaties, opslageenheden, laad- en losplaatsen, relevante leidingen en het bluswatersysteem (incl. locatie brandkranen, afsluiters en/of aansluitpunten stationaire blusvoorzieningen en brandbeveiligings- en koelsystemen);

Blad 15 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

b. Een opgave van de grootte en de actuele hoeveelheden stoffen, de actuele temperaturen en drukken in de opslageenheden; c. Een overzicht van de in de opslagtanks en loodsen aanwezige stoffen met de actuele stofgegevens (CAS-nummer of VN-nummer en GI-nummer); d. Een actueel intern noodplan; In het geval van een noodsituatie moet de brandweer bij aankomst onmiddellijk in bezit gesteld worden van de bovenstaande gegevens. 3.2.4 Bij aankomst van de brandweer moet een begeleider of andere gelijkwaardige voorziening beschikbaar zijn om de brandweer de plaats van het incident op een snelle en veilige wijze te laten bereiken. 3.2.5 Bij onderhoud of buiten bedrijfsstelling van (delen van) de brandbeveiligingsinstallatie moet vergunninghouder vervangende en gelijkwaardige maatregelen nemen dan wel aantoonbaar de procesvoering aanpassen aan het gewijzigde veiligheidsniveau. Tevens moet deze buiten bedrijfstelling, voorzien van een beschrijving van de gebeurtenis alsmede de te nemen maatregelen, schriftelijk gemeld worden bij het bevoegd gezag alsmede de VRR. Bij geplande buiten bedrijfstelling moet minimaal drie werkdagen voorafgaande hieraan schriftelijk het bevoegd gezag en de VRR worden geïnformeerd. In andere gevallen moet deze melding onverwijld plaats vinden.

Blad 16 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

4.0 4.1

EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Gasflessen

4.1.1 De binnen de inrichting aanwezige gasflessen dienen te worden opgeslagen overeenkomstig paragraaf 6.1 en 6.2 van de PGS 15:2016 (met uitzondering van voorschrift 6.2.3 en 6.2.4). Klein gevaarlijk afval 4.1.2 De opslag van verpakte gevaarlijke afvalstoffen die vallen onder de ADR-klassen, zoals genoemd in de richtlijn PGS 15 moet in de speciaal daarvoor bestemde gevaarlijke stoffen opslagplaats plaatsvinden en moet voldoen aan de volgende voorschriften van de PGS 15:2016: a. 3.1.1; b. 3.2.1 tot en met 3.2.3; c. 3.2.6; d. 3.4.8 tot en met 3.4.11; e. 3.5.1 tot en met 3.5.3; f. 3.6.1; g. 3.7.6 en 3.7.7; h. 3.10.1; i. 3.11.1 tot en 3.11.3; j. 3.12.1; k. 3.13.1 en 3.13.3; l. 3.14.1 en 3.14.2; m. 3.15.1; n. 3.16.1; o. 3.19.3 tot en met 3.19.5. Opslag koelvloeistof, ruitenvloeistof, smeerolie en diesel 4.1.3 De opslag van koelvloeistof, ruitenvloeistof, smeerolie en diesel moet in de speciaal daarvoor bestemde gevaarlijke stoffen voorziening opgeslagen worden en moeten voldoen aan de in voorschrift 4.1.2 genoemde voorschriften van de PGS:2016.

Blad 17 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Afleverinstallatie voor waterstof 4.1.4 De afleverinstallatie voor waterstof en de hierbij horende installatie-onderdelen moeten voldoen aan de onderstaande voorschriften in de PGS 35:2021: a. M1; b. M7, M8, M9, M11, M14, M15; c. M31 t/m M36, M40, M45 t/m M48; d. M49, M52, M55; e. M58, M59, M60, M62, M63, M64; f. M70 t/m M75, M77; g. M80 t/m 84.

4.2

Voorschriften kaliumacetaat en glycol (niet ADR geclassificeerde chemicaliën in tanks)

4.2.1 De tankinstallatie inclusief leidingen en appendages is zodanig ontworpen, vervaardigd en geïnstalleerd dat deze bij gebruik geen gevaar oplevert voor mens en milieu. Dat betekent tenminste dat de gehele installatie: - chemisch resistent is voor de stoffen die zijn opgeslagen; - voldoende sterk is, rekening houdend met de condities die zich bij gebruik kunnen voordoen; - toegerust is om het vrijkomen van vloeistoffen en de eventuele schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. 4.2.2 Indien de zuigleiding en/of het afleverpunt zich onder het hoogste productniveau van de opslagtank bevindt/bevinden (dit geldt ook bij alle tankaansluitingen aan de bovenzijde van de opslagtank), zal een antihevelbeveiliging in de zuigleiding zo dicht mogelijk bij de opslagtank moeten worden geplaatst. Dit ter voorkoming dat de opslagtank zich leeg hevelt bij leidingbreuk/pompdefect. Verder moet de antihevelbeveiliging het product in de zuigleiding indien nodig terug naar de opslagtank laten stromen. 4.2.3 De tankinstallaties zijn voorzien van een doelmatige technische overvulbeveiliging. 4.2.4 Op plaatsen waar kans op verzakking bestaat, moet onder een bovengrondse opslagtank en opvangbak een doelmatige fundering zijn aangebracht.

Blad 18 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

4.2.5 De draagconstructie van de bovengrondse opslagtanks moet voldoende sterk zijn om het totale gewicht van de desbetreffende tank met inhoud te dragen. 4.2.6 De opslagtank is voorzien van een mogelijkheid om het vloeistofniveau te kunnen bepalen. 4.2.7 Een bovengrondse tankinstallatie moet voor onderhoud en ten tijde van inspectie aan alle zijden bereikbaar zijn of bereikbaar worden gemaakt. 4.2.8 Een enkelwandige opslagtank moet zijn omgeven door een vloeistofkerende opvangvoorziening. Deze opvangvoorziening moet 110% van het werkvolume van een opslagtank kunnen bevatten. De opvangvoorziening moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk en het soort vloeistof. 4.2.9 De vulpunten en aftappunten/monsterafnamepunten zijn geplaatst boven een bodembeschermende voorziening waarbij vervuiling van de bodem uitgesloten kan worden. Bij afwezigheid van een aaneengesloten bodemvoorziening of opvangvoorziening worden de vulpunten en aftappunten/monsterafnamepunten uitgevoerd met een productbestendige en vloeistofdichte vulpuntmorsbak. 4.2.10 Aan de buitenzijde van een opslagtank voor de opslag van vloeibare chemicaliën moet de inhoud van de opslagtank en de benaming van de opgeslagen stof goed zichtbaar zijn aangegeven.

4.2.11 Het vulpunt moet zijn voorzien van etikettering waaruit blijkt voor welke stof het vulpunt is bedoeld en wat de (eventuele) gevaarsaspecten van deze stof zijn. 4.2.12 Een opslagtank wordt niet boven de maximale vullingsgraad gevuld. Voor een bovengrondse opslagtank is dat 95% van de maximale inhoud.

Blad 19 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

4.3

Munitie

4.3.1 De aanwezige munitie moet worden opgeslagen in een daarvoor bestemde munitiekluis. 4.3.2 Binnen de inrichting mag niet meer worden opgeslagen dan de hoeveelheden genoemd in de aanvraag. 4.3.3 De aanwezigheid van munitie en de hoogst aanwezige gevarensubklasse moet door middel van de in bijlage 4 (van document MP-40-21) afgebeelde oranje brandklasseborden worden aangegeven, waarbij het te plaatsen brandklassebord moet worden bepaald met gebruikmaking van de samenlegbaarheidstabel in bijlage 5 (van document MP-40-21). 4.3.4 De loopafstand vanaf elk willekeurig punt van de opslaglocatie van munitie tot aan een blustoestel mag maximaal 20 meter bedragen.

Blad 20 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

5.0

GELUID

5.1

Algemeen

5.1.1 Het meten en berekenen van geluidniveaus en het beoordelen van meetresultaten moet plaatsvinden in overeenstemming met de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (1999) met inachtneming van de akoestische modelleerregels van de DCMR Milieudienst Rijnmond. Representatieve bedrijfssituatie op het industrieterrein 5.1.2 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L ar,LT), veroorzaakt door de toestellen en installaties en door de verrichte werkzaamheden en/of activiteiten op het industrieterrein, exclusief het geluid vanwege een calamiteit (het proefdraaien van turbojets en turbo props), mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in onderstaande tabel niet meer bedragen dan: (Vergunning-)Immissiepunt Nr Omschrijving X

Y

WaarneemHoogte [m]

Dag 07.0019.00 [dB(A)]

Avond 19.0023.00 [dB(A)]

ZP 1 Zonepunt 1 90324 441257 5 50 24 ZP 11 Zonepunt 11 88931 441463 5 49 22 ZP 4 Zonepunt 4 90051 440462 5 49 29 ZP 12 Zonepunt 12 89513 441768 5 49 21 ZP 13 Zonepunt 13 90087 441646 5 49 21 ZP 6 Zonepunt 6 89820 440064 5 48 22 ZP 10 Zonepunt 10 88798 440950 5 47 25 ZP 5 Zonepunt 5 89870 440229 5 47 27 Tabel 1: voorschrift 5.1.2 (zie bijlage 2 voor kaart met (vergunning-)immissiepunten)

Nacht 23.0007.00 [dB(A)] 20 17 27 17 17 19 20 23

Blad 21 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Representatieve bedrijfssituatie buiten het industrieterrein 5.1.3 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT), veroorzaakt door de toestellen en installaties en door de verrichte werkzaamheden en/of activiteiten buiten het industrieterrein mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in onderstaande tabel niet meer bedragen dan: (Vergunning-)Immissiepunt Nr Omschrijving OB 209

X

Y

Waarneem Hoogte [m]

Dag 07.0019.00 [dB(A)]

Avond 19.0023.00 [dB(A)]

Oude Bovendijk 90218 442083 4,5 36 209 OB 208 Oude Bovendijk 90273 442099 4,5 36 208 SS 42 Soesterbergstra 90994 441328 1,5 35 at 42 KL 11-19 Klaprooslaan 91486 441653 4,5 34 11-19 KL 51-59 Klaprooslaan 91487 441550 4,5 34 51-59 VDMW Van der Duin 90641 440411 4,5 33 436 van Maasdamweg 436-458 EL 2-30 Edelweisslaan 91559 441775 1,5 33 2-30 LS 118Lindesingel 118- 91635 441897 4,5 33 134 134 WS 13 Weegbreestraat 91589 442282 4,5 33 13 VDMW Van der Duijn 90520 440335 4,5 32 480 van Maasdamweg 480 Tabel 2: Voorschrift 5.1.3 (zie bijlage 3 voor kaart met (vergunning-)immissiepunten)

Nacht 23.0007.00 [dB(A)]

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

--

Blad 22 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Incidentele bedrijfssituatie op het industrieterrein – proefdraaien turbojets zoals type B737 5.1.4 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT), veroorzaakt door het full power (proef)draaien van turbojets, zoals type B737, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in onderstaande tabel niet meer bedragen dan: (Vergunning-)Immissiepunt Nr Omschrijving SS 1 ZP 4 VDMW 578 VDMW 578

Schipholstraat 1 Zonepunt 4 Van der Duijn van Maasdamweg 578596 Van der Duijn van Maasdamweg 578596

X

Y

WaarneemHoogte [m]

Dag 07.0019.00 [dB(A)]

Avond 19.0023.00 [dB(A)]

Nacht 23.0007.00 [dB(A)]

89530 90051 90151

440101 440462 440102

4,5 5 7,5

56 54 51

----

----

90151

440102

4,5

51

--

--

----

----

X1 90078 440218 5 51 LS 2 Landzichtstraat 2 89330 440109 4,5 50 X9 90291 440352 5 50 Tabel 3: voorschrift 5.1.4 (zie bijlage 4 voor kaart met (vergunning-)immissiepunten)

Het full power proefdraaien van dit soort turbojets mag alleen op locatie A3 in de dagperiode plaatsvinden en mag niet langer dan 5 minuten duren. Dit proefdraaien dient vooraf gemeld te worden aan het bevoegd gezag.

Blad 23 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Incidentele bedrijfssituatie op het industrieterrein – proefdraaien turboprops, zoals type Fokker F50 5.1.5 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lar,LT) veroorzaakt door het ground idle en full power draaien van turboprops, zoals type Fokker F50, mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in onderstaande tabel niet meer bedragen dan: (Vergunning-)Immissiepunt Nr Omschrijving SS 1 LS 2 VDMW 578

Schipholstraat 1 Landzichtstraat 2 Van der Duijn van Maasdamweg 578596 Achterdijk 5

X

Y

WaarneemHoogte [m]

Dag 07.0019.00 [dB(A)]

Avond 19.0023.00 [dB(A)]

Nacht 23.0007.00 [dB(A)]

89530 89330 90151

440101,2 440109 110404,6

4,5 1,5 7,5

46 46 46

----

----

----

----

AD 5 88870 440409 4,5 45 X1 90078 440218 5 44 X9 90291 440352 5 44 Tabel 4: voorschrift 5.1.5 (zie bijlage 5 voor kaart met (vergunning-)immissiepunten)

Het ground idle en full power proefdraaien van turboprops, zoals type Fokker F50 mag alleen op locatie N in de dagperiode plaatsvinden. Het ground idle proefdraaien mag niet langer dan 25 minuten duren en het full power draaien mag niet langer dan 1 minuut duren. Dit proefdraaien dient vooraf gemeld te worden aan het bevoegd gezag. Representatieve bedrijfssituatie 5.1.6 Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door de toestellen en installaties en door de verrichte werkzaamheden en/of activiteiten, waarvoor vergunning is aangevraagd, mag, met uitzondering van de calamiteiten, op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan: - 70 dB(A) over de beoordelingsperiode van 07:00 tot 19:00 uur; - 65 dB(A) over de beoordelingsperiode van 19:00 tot 23:00 uur; - 60 dB(A) over de beoordelingsperiode van 23:00 tot 07:00 uur.

Blad 24 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Incidentele bedrijfssituatie 5.1.7 Het maximale geluidsniveau (LAmax) veroorzaakt door het ground idle en full power draaien van turboprops en het full power draaien van turbojets mag ter plaatse van de immissiepunten die zijn aangegeven in de onderstaande tabel niet meer bedragen dan: (Vergunning-)Immissiepunt Nr Omschrijving

X

Y

WaarneemHoogte [m]

Dag 07.0019.00 [dB(A)]

LS 2 Landzichtstraat 2 89330 440109 1,5 80 AD 5 Achterdijk 5 88870 440409 4,5 77 VW 41 Vliegveldweg 41 88977 440265 4,5 70 ZP 10 Zonepunt 10 88798 440950 5 75 DW Delftweg 122A 88157 440424 1,5 70 122A Tabel 5: voorschrift 5.1.7 (zie bijlage 6 voor kaart met (vergunning-)immissiepunten)

Avond 19.0023.00 [dB(A)]

Nacht 23.0007.00 [dB(A)]

------

------

Blad 25 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

6.0

LUCHT

6.1

Geurhinder

6.1.1 De volgende maatregelen dienen overeenkomstig de aanvraag binnen de inrichting getroffen en in stand gehouden te worden: - Het platformverkeer moet, waar redelijkerwijs mogelijk, duurzaam worden uitgevoerd op het moment dat een installatie vervangen dient te worden. Toelichting: Duurzame uitvoering kan bijvoorbeeld gedaan worden met installaties draaiend op elektriciteit, waterstof, of een ander soort niet gasgedreven alternatief. - Er dienen elektrische GPU’s gebruikt te worden om de vliegtuigmotoren te starten, tenzij dit niet goed uitvoerbaar is; - Het proefdraaien van de vliegtuigmotoren dient plaats te vinden op de in de aanvraag genoemde locaties. Toelichting: Voor de locaties waar proefdraaien wordt aangevraagd, zie afbeelding 1 uit bijlage 7 van de aanvraag. Met vliegtuigmotoren worden ook de motoren van de helikopters bedoeld. Deze maatregelen dienen ook ter beperking van emissies van VOS. 6.2

Kleinschalig afleveren van brandstof aan vliegtuigen

6.2.1 Bij het kleinschalig afleveren van brandstof aan vliegtuigen en helikopters (aviation fuel) moet dampretour worden toegepast, tenzij dit technisch niet kan worden gerealiseerd. Daarbij moet, zodra dit vanuit luchtvaart regelgeving is toegestaan, loodvrije vliegtuigbrandstof worden aangeboden in plaats van brandstof met tetra-ethyllood.

Blad 26 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

7.0

BODEM

7.1

Onderzoeken

7.1.1 Binnen drie maanden na beëindigen van een bodembedreigende activiteit moet ter vaststelling van de kwaliteit van de bodem een bodembelastingonderzoek naar de eindsituatie zijn uitgevoerd. De resultaten moeten uiterlijk één maand nadat dit onderzoek is uitgevoerd aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Ter plaatse van de onderzochte deellocaties moet het eindonderzoek dezelfde opzet en intensiteit hebben als het correct nulsituatie onderzoek en goedgekeurd zijn door DCMR. 7.1.2 Het onderzoek moet gebaseerd zijn op de NEN 5740 ‘Onderzoekstrategie vaststelling nulsituatie bij een toekomstige bodembelasting’ en afgestemd zijn op de toegepaste stoffen. 7.1.3 Indien uit het eindonderzoek blijkt dat als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat ze spoedig mogelijk na toezending van dat rapport dan wel binnen een met het bevoegd gezag nader overeengekomen termijn, de bodemkwaliteit is hersteld tot de nulsituatie zoals vastgelegd in de bodemonderzoeken behorend bij de desbetreffende deellocatie.

Blad 27 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

8.0 8.1

TANKACTIVITEITEN Tankwagens en het afleveren van brandstof aan vliegtuigen

8.1.1 Vulpunten van te tanken vliegtuigen moeten zodanig zijn geplaatst dat deze te allen tijde gemakkelijk bereikbaar zijn voor de tankwagens. Een vulpunt moet voorzien zijn van een lekbak of dergelijke voorziening die eventuele lekkages op kan vangen. 8.1.2 Alvorens met vullen wordt begonnen, moet de mate van vulling nauwkeurig worden vastgesteld. 8.1.3 Het vullen van een vliegtuig moet plaats vinden middels een losslang gekoppeld aan de aanvoerende tankwagen en het vulpunt dan wel het te vullen vliegtuig. De lengte van de losslang moet zo kort mogelijk worden gehouden. De vulslang en de bijbehorende koppelingen moeten deugdelijk zijn en bestand tegen het product. 8.1.4 De tankwagen moet tijdens het lossen in de open lucht zijn opgesteld en op zodanige wijze dat deze te allen tijde kan wegrijden. De motor van de tankwagen mag gedurende het aan en afkoppelen van de losslang(en) niet in werking zijn. 8.1.5 Bij het vullen van een vliegtuig moeten maatregelen tot het afvoeren van statische elektriciteit worden getroffen. Hiertoe moet de tankwagen elektrisch geleidend worden verbonden met de vulleiding. Een stalen kabel met een doorsnede van tenminste 20 mm is hiertoe voldoende. Een dergelijke kabel moet tevens de nodige mechanische sterkte hebben.

De elektrische verbinding moet tot stand worden gebracht voordat de losslang wordt aangesloten en mag slechts worden verbroken nadat de losslang is afgekoppeld. Minimaal 1 maal per maand dient deze aarding te worden gecontroleerd. Hiervan dient een schriftelijk bewijs aanwezig te zijn binnen de inrichting. 8.1.6 De vulvoorziening ten behoeve van (kleine) luchtvaart moet voorzien zijn van automatische afslagvoorziening om overvullen te voorkomen. 8.1.7 Voor het bedienen van de installatie en voor het toezicht tijdens het vullen van vliegtuigen moet(en) één of meer personen zijn aangewezen die geïnstrueerd zijn omtrent de bediening onder normale omstandigheden en de te treffen maatregelen bij bijzondere omstandigheden.

Blad 28 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

8.1.8 Wanneer geen bevoorrading plaatsvindt moet de tankauto in de nachtperiode, tussen 23.00 uur en 7.00 uur, op de opstelplaats aangegeven in aanvraag, geplaatst zijn. 8.1.9 Tijdens de bevoorrading van de tankwagen mogen binnen 15 meter van de tankwagen geen andere werkzaamheden plaatsvinden. 8.1.10 Gemorste vloeistoffen moeten direct worden geabsorbeerd. Hiertoe moeten in de vliegveldtankauto voldoende absorptiemiddelen voor onmiddellijk gebruik aanwezig zijn. De gebruikte absorptiemiddelen moeten als gevaarlijke afvalstof worden behandeld. 8.1.11 Tijdens het tanken van een vliegtuig mogen er geen passagiers in het vliegtuig aanwezig zijn. 8.1.12 Opleggers voor de opslag van brandstof voor vliegtuigen moeten zijn opgesteld op de in de aanvraag beschreven opstelplaats. De opvangcapaciteit van de opstelplaats moet minimaal de inhoud van 1 oplegger kunnen opvangen.

Blad 29 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

9.0

BRANDWEEROEFENPLAATS

9.1

Activiteiten op de brandweeroefenplaats

9.1.1 De brandblusoefeningen mogen uitsluitend plaatsvinden op het speciaal hiervoor ingerichte terreingedeelte (hierna: brandweeroefenplaats). 9.1.2 Verbodsbepalingen in deze beschikking ten aanzien van brand en open vuur gelden niet voor het onder gecontroleerde omstandigheden oefenen van brandbestrijdingstechnieken. 9.1.3 De activiteiten uitgevoerd op de brandweeroefenplaats moeten op zodanige wijze plaatsvinden dat het verspreiden van brand of gevaarlijke stoffen wordt voorkomen. Een brand en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. 9.1.4 Wanneer tijdens een brandweeroefening rook- of roethinder buiten de inrichting ontstaat, moet het oefenen direct worden gestaakt. 9.1.5 Het is verboden om: - Als oefenbrandstof een andere brandstof dan propaan te gebruiken; - Als oefenbrandblusmiddel een ander blusmiddel dan water te gebruiken. 9.1.6 In de gasinstallatie bestemd voor de brandblusoefeningen in de container, moet een herkenbare noodstopschakelaar zijn aangebracht. Een noodstopschakelaar moet zodanig zijn gesitueerd dat deze altijd kan worden bediend. Bij activering van een noodstopscenario moet een akoestisch en lichtsignaal worden gegeven en tegelijkertijd moet een directe signalering naar de beheerder van de inrichting plaatsvinden.

9.1.7 Brandweeroefeningen op de brandweeroefenplaats mogen alleen plaatsvinden als er een voldoende gekwalificeerd persoon aanwezig is. Toelichting: een voldoende gekwalificeerd persoon betreft een medewerker die aan kan tonen veilig te kunnen werken met de propaaninstallatie en op de hoogte is van de daartoe door de verantwoordelijke bedrijfsleiding verstrekte werkinstructies, procedures en voorschriften, waaronder Bedrijfshandboek Brandweer RTHA.

Blad 30 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

PROCEDURELE OVERWEGINGEN Projectbeschrijving Het project waarvoor vergunning wordt gevraagd is als volgt te omschrijven: een revisie van het luchtzijdige deel van de luchthaven Rotterdam The Hague Airport. Huidige vergunningsituatie Voor de inrichting zijn eerder de onderstaande vergunningen en/of ontheffingen verleend dan wel meldingen geaccepteerd: Soort vergunning/melding Revisievergunning Melding 8.19 Wm Veranderingsvergunning

Datum 02-08-1994 07-11-1996 24-12-1996

Kenmerk 310698 310698

Wijziging voorschriften

18-05-1999

310698

Veranderingsvergunning

08-04-2003

310698

Veranderingsvergunning

16-12-2003

310698

Melding 8.19 Wm Ontheffing 10.63

27-04-2004 04-08-2006

20296561/310698

Ontheffing 10.63 Veranderingsvergunning

11-06-2007 28-08-2007

310698/20358775

Veranderingsvergunning

24-10-2012

21467830/310698

Veranderingsvergunning

25-11-2015

22053948/310698

Onderwerp Revisievergunning Uitbreiding vertrekhal Verandering WKK en centrale verwarmingsketel Aanvullen voorschriften proefdraaien van vliegtuigen Wijzigen vloeistofdichte vloer en vulstang tankstation Brandstoflevering van Avgas 100LL aan kleinere vliegtuigen Uitbreiding tankvloot Lozen op bemalingswater Wijziging brandweeroefenplaats, uitbreiding opslag kaliumacetaat Uitbreiding opslag kaliumacetaat ten behoeve van sneeuw en gladheidspreventie Bouw nieuwe aankomsthal

Blad 31 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Milieuneutrale verandering

08-02-2016

22077358/310698

Maatwerk Blbi

23-03-2016

22114639/310698

Milieuneutrale verandering Milieuneutrale verandering Milieuneutrale verandering Veranderingsvergunning

25-04-2017

999938451_9999287168

Vervangen hoofdplatform en bijbehorende hemelwaterafvoer Maatwerk besluit lozen buiten inrichtingen Nieuw regelstation

04-05-2017

999938452_9999287432

Nieuwe bagagehal

27-09-2017

999953377_9999338577

Vergroten vertrekhal

19-06-2024

2278375_5968389

Vliegen op waterstof, plaatsen waterstof tank Alle hierboven genoemde beschikkingen en meldingen komen met het inwerkingtreding van deze revisievergunning te vervallen. Bevoegd gezag De inrichting valt onder meer onder categorie 1.4d, 4.4l, 13.4a, 26.1 en 26.2 van bijlage I, onderdeel C, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Gezien artikel 2.4 van de Wabo en hoofdstuk 3 van het Bor zijn wij het bevoegd gezag om de omgevingsvergunning te verlenen. Procedure Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en zijn de Wabo en het Activiteitenbesluit milieubeheer niet meer van kracht. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt het daarin opgenomen overgangsrecht van de Omgevingswet. Dit houdt in dat aanvragen die ingediend zijn vóór 1 januari 2024 volgens de oude wetgeving (Wabo) afgehandeld worden. De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 3.3 van de Wabo, de uitgebreide voorbereidingsprocedure. Volledigheid en ontvankelijkheid Volgens artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo dient de aanvrager er voor zorg te dragen dat de aanvraag betrekking heeft op alle activiteiten die onlosmakelijk met elkaar samenhangen. Gebleken is dat geen onlosmakelijke onderdelen van toepassing zijn.

Blad 32 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid aan de indieningsvereisten uit de ministeriële Regeling omgevingsrecht (Mor) en op inhoud beoordeeld. Daarbij is gebleken dat een aantal gegevens ontbrak. Wij hebben de aanvrager per brief van 31 januari 2024 in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren. Hierna hebben wij de aanvrager per brief van 22 juli 2024 nogmaals in de gelegenheid gesteld om aanvullende gegevens te leveren. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 16 april 2024, 28 augustus 2024 en 17 december 2024. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanvraag opnieuw getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag samen met de aanvullingen volledig is en voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is zowel volledig als ontvankelijk en daarom in behandeling genomen. De termijn voor het nemen van het besluit is in totaal met 224 dagen opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld. Adviezen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur.

Gelet op het bepaalde in artikel 2.26, eerste en derde lid, van de Wabo, alsmede de artikelen in § 6.1 van het Bor, hebben wij burgemeester en wethouders van gemeente Rotterdam, Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, Veiligheidsregio RotterdamRijnmond en Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) de gelegenheid geboden om te adviseren op de aanvraag. Daarnaast hebben wij de aanvraag ter kennisname doorgestuurd naar de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA). Naar aanleiding hiervan hebben wij de volgende adviezen ontvangen. De adviezen luiden als volgt: Advies Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Wij verwachten dat de activiteit geen nadelige invloed heeft op de doelmatige werking van onze rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) en/of op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Wij hebben daarom geen bezwaren tegen het verlenen van de omgevingsvergunning. Advies Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Met betrekking tot het bluswater het volgende. Er wordt aangegeven dat er gebruik wordt gemaakt van drinkwater van DWL Rotterdam. De bluswatercapaciteit bedraagt nu ca. 90 m3/uur per brandkraan. Omdat het bluswater afkomstig is van DWL adviseren wij om alsnog een voorschrift op te nemen voor de bluswatercapaciteit, mede omdat er in de aanvraag ook

Blad 33 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

aangegeven is dat er opslag plaatsvindt van gevaarlijke stoffen. Er is nu geen borging dat de bluswatercapaciteit van DWL hetzelfde blijft. Tenzij RTHA hiervoor een contract heeft afgesloten met DWL. Na aanleiding van het advies van de VRR is een extra voorschrift opgenomen om dit bovenstaande advies te borgen. Adviezen en zienswijzen naar aanleiding van de aanvraag en de ontwerpbeschikking PM Milieueffectrapportage Het Besluit milieueffectrapportage is niet van toepassing. De activiteit betreft wel een luchthaven als besproken in categorie C6.1 van het besluit. Echter, er wordt gesproken over “De aanleg, de inrichting of het gebruik van een luchthaven als bedoeld in de Wet Luchtvaart.” In kolom 3 en 4 van deze categorie wordt een milieueffectrapportage verplicht als het gaat om een wijziging aan de structuurvisie of een luchthavebesluit als bedoeld in de Wet luchtvaart. In deze aanvraag wordt niks aan de structuurvisie veranderd en er wordt geen luchthavenbesluit genomen. Tevens is dit geen aanvraag op basis van de Wet Luchtvaart. Er is dus geen verplichting tot het maken van een milieueffectrapportage. Activiteitenbesluit milieubeheer In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn voor bepaalde activiteiten, die binnen inrichtingen plaats kunnen vinden, algemene regels opgenomen.

Op vergunningplichtige (type C) inrichtingen kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. In de omgevingsvergunning kan van het Activiteitenbesluit worden afgeweken voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven. De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, wordt aangemerkt als een type-C inrichting. In de aanvraag zijn activiteiten opgenomen zoals genoemd in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 5 van het Activiteitenbesluit en daarin uitputtend geregeld zijn. De voorschriften die in deze beschikking zijn opgenomen, zijn voorschriften voor aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. Op basis van artikel 1.9b en 1.10 van het Activiteitenbesluit geldt een meldingsplicht bij vergunningplichtige (type C) inrichtingen voor het verandering van activiteiten waarop

Blad 34 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. De aanvraag wordt ten aanzien van de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen aangemerkt als melding. Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de betreffende artikelen uit de volgende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling: - § 3.1.9 Lozen van afvalwater ten gevolge van calamiteitenoefeningen; - § 3.2.1 Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof; - § 3.3.1 Afleveren van vloeibare brandstof of gecomprimeerd aardgas aan motorvoertuigen voor het wegverkeer of afleveren van vloeibare brandstof aan spoorvoertuigen; - § 3.3.2 Het uitwendig wassen en stallen van motorvoertuigen of werktuigen of van spoorvoertuigen; - § 3.4.1 Opslaan van propaan; - § 3.4.2 Opslaan in ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstof, afgewerkte olie, bepaalde organische oplosmiddelen of vloeibare bodembedreigende stoffen die geen gevaarlijke stoffen of CMR stoffen zijn; - § 3.4.3 Opslaan en overslaan van goederen; - § 3.4.9 Opslaan van gasolie, smeerolie of afgewerkte olie in een bovengrondse opslagtank; - § 3.6.1 Bereiden van voedingsmiddelen.

Voor het overige is in het Activiteitenbesluit per hoofdstuk, dan wel per afdeling, aangegeven of deze op een type C inrichting van toepassing is. Dit betekent dat ook hoofdstuk 1, afdeling 2.1 tot en met 2.4, 2.6, artikel 2.12, afdeling 2.10 en 2.11 van hoofdstuk 2 en de overgangsbepalingen uit hoofdstuk 6 van het Activiteitenbesluit van toepassing kunnen zijn. Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen naast de vergunning uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden opgenomen ten aanzien van deze activiteiten voor zover dat in het Activiteitenbesluit is aangegeven. Voor de aspecten bodem en geur zijn maatwerkvoorschriften gesteld.

Blad 35 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

INHOUDELIJKE OVERWEGINGEN EN TOETSINGEN MILIEU Toetsingskader Inleiding De aanvraag heeft betrekking op het in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieuhygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing revisie Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a, van de Wabo betrokken; - met de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder b, van de Wabo rekening gehouden; - de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder c, van de Wabo in acht genomen. In de onderstaande hoofdstukken lichten wij dit nader toe, waarbij wij ons beperken tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Beste beschikbare technieken BBT In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk – bij voorkeur bij de bron – te beperken en ongedaan te maken.

Daarbij wordt er van uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van BBT rekening worden gehouden met BBTconclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid, van de Richtlijn industriële emissies (definitie in artikel 1.1, eerste lid, van het Bor): - het vijfde lid verwijst naar BBT-conclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE; - het zevende lid verwijst naar bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF’s waarin de beste beschikbare technieken (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen geldt als BBT-conclusies totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.

Blad 36 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie, dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart aangewezen in de Regeling omgevingsrecht. Concrete bepaling BBT Bij het bepalen van de BBT hebben wij rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over BBT, als aangewezen van de Regeling omgevingsrecht (Mor): - PGS 15:2016: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen - PGS 19:2013: Propaan en butaan: opslag - PGS 28:2011: Vloeibare brandstoffen - ondergrondse installaties en afleverinstallaties - PGS 30:2011: Vloeibare brandstoffen - bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties - PGS 35:2021: Waterstofinstallaties voor het afleveren van waterstof aan voertuigen en werktuigen - Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012) Wij bepalen dat in het belang van het bereiken van het hoogste niveau van het beschermen van het milieu en rekening houdend met de omgevingswet, dat wij afwijken van het aangewezen BBT-document in het Mor. Omdat RTHA heeft aangegeven hieraan te kunnen voldoen en bij de installatie van de PGS 35 voorziening hiermee rekening heeft gehouden schrijven wij in plaats van PGS 35:2015, de PGS 35:2021 voor, zoals aangewezen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl).

Conclusies BBT De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de BBT ter voorkoming van geluidemissies, emissies naar de lucht, de bodem en het water en aan BBT op het gebied van afvalpreventie, externe veiligheid en energiebesparing. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. Afvalstoffen Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk afvalbeheerplan 2017-2029, hierna aangeduid als het LAP, is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een afvalpreventieprogramma vastgesteld. Afvalpreventie is ook onderdeel van het programma Van Afval naar Grondstof (VANG). Met het uitvoeren van het programma VANG is de uitvoering van het afvalpreventieprogramma voor een belangrijk deel geborgd. Zowel het LAP als de genoemde programma’s bevatten geen kwantitatieve doelstellingen voor afvalpreventie bij bedrijven. Om invulling te geven aan dit aspect is de handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ (Infomil 2005) als toetsingskader gebruikt. Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt.

Blad 37 van 89

Ons kenmerk

2322886_6124884

De totale hoeveelheid afval die binnen de inrichting vrijkomt bedraagt ongeveer dan 400 ton afval; daarvan is 1.100 kg gevaarlijk afval. De handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ hanteert ondergrenzen die de relevantie van afvalpreventie bepalen. Hierin wordt gesteld dat afvalpreventie relevant is wanneer er jaarlijks meer dan 25 ton niet gevaarlijk bedrijfsafval en/of meer dan 2,5 ton gevaarlijk afval binnen de inrichting vrijkomt. De totale hoeveelheid niet gevaarlijk afval ligt boven de gehanteerde ondergrenzen. Gezien de getroffen maatregelen zijn wij van mening dat verdere preventiemaatregelen niet mogelijk zijn. Tevens ontstaat het grootste deel van deze afvalstroom ook door bezoekers en niet alleen door de werkzaamheden of activiteiten van RTHA zelf (totaal 230 ton restafval en 70 ton groenafval). Wij vinden het daarom niet nodig om een preventieonderzoek dan wel aanvullende maatregelen voor te schrijven. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B3.5 specifiek ingaat op afvalscheiding door bedrijven. Daarbij is aangegeven dat het voor bedrijfsafval niet goed mogelijk is een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moet worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15241751/1