CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Nota Verbonden Partijen 2025

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Hamerstuk: Raadsvoorstel Herziene nota verbonden partijen 20258.854 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota Verbonden Partijen 2025

Inhoudsopgave 1 De basis van samenwerkingsverbanden 1.1 1.1.1 1.1.2 1.1.3 1.2 1.2.1 1.2.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.3.4 1.4 1.4.1 1.4.2 1.4.3 1.5 1.6 1.7

Definities Verbonden partij Bestuurlijk belang Financieel belang Vormen van samenwerkingen Publiekrechtelijke samenwerking Privaatrechtelijke samenwerking Relevante wet- en regelgeving Gemeentewet Wet Gemeenschappelijke Regelingen BBV Boek 2 Burgerlijk Wetboek Rolverdeling college Publiekrecht Verantwoordelijkheden Privaatrecht Rol van de gemeenteraad Ambtelijke rollen Bevoegdheidsverdeling

2 Aangaan en wijzigen van een verbonden partij 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.3 2.4 2.4.1 2.5 2.6 2.7 2.7.1 2.7.2 2.8

Inleiding Aangaan nieuwe verbonden partij Aangaan nieuw samenwerkingsverband Aangaan publiekrechtelijke samenwerking Aangaan privaatrechtelijke samenwerking Rol van de gemeenteraad bij besluitvormingstraject Het wijzigen van een verbonden partij Uitvoering beheeractiviteiten Risicoprofielen Vaststelling en onderhoud risicoprofielen Beheersmaatregelen op grond van hoogte risicoprofiel Rol van de gemeenteraad Publiekrechtelijke samenwerking: Privaatrechtelijke samenwerking De update- en terugkoppelingsbrief aan de gemeenteraad

3 Evaluatie en uittreding 3.1 3.2 3.2.1

3 3 3 3 3 3 4 4 4 4 5 5 5 5 5 5 6 6 6 6

7 7 7 9 9 10 11 11 12 12 15 16 17 17 18 19

20

Evaluatie Uittreding Uittreden uit een gemeenschappelijke regeling

Pagina 2 van 27

20 20 20

1

De basis van samenwerkingsverbanden

De gemeente kan de uitvoering van taken op verschillende manieren organiseren: zelf doen, inkopen, uitbesteden of samen met andere gemeenten uitvoeren. Er kan voor worden gekozen om bepaalde taken op afstand te laten uitvoeren, in de vorm van gemeenschappelijke regelingen of bijvoorbeeld door een vennootschap. Dit soort samenwerkingen noemen we verbonden partijen. De Nota Verbonden Partijen geeft kaders voor de samenwerking met verbonden partijen. Bij verbonden partijen is sprake van verlengd lokaal bestuur. In dit document zijn de wettelijke basis, de beleidsuitgangspunten en het proces rondom het aangaan, wijzigen, beheren van en uittreden uit verbonden partijen op hoofdlijnen beschreven. Ook is de taakverdeling tussen de raad en het college en de manier van informeren en verantwoorden richting de gemeenteraad in beeld gebracht. Aanleiding voor het nieuwe beleidskader is enerzijds de wijziging van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen (hierna: Wgr) per 1 juli 2022 en anderzijds de periodieke herziening van vorige Nota Verbonden Partijen (deze dateert uit 2018). Daarnaast worden de aanbevelingen van de Commissie BBV uit de notitie verbonden partijen 2025 overgenomen. Dit moment biedt dan ook de mogelijkheid om de inhoud te actualiseren en in te spelen op nieuwe ontwikkelingen.

1.1 Definities 1.1.1 Verbonden partij Op grond van het BBV (Besluit Begroten en Verantwoorden) is er sprake van een verbonden partij als de gemeente een financieel belang én een bestuurlijk belang heeft. Het gaat daarbij om twee type rechtspersonen: o Publiekrechtelijke rechtspersonen (gemeenschappelijke regelingen); o Privaatrechtelijke rechtspersonen (deelnemingen, vennootschappen, stichtingen en verenigingen).

1.1.2 Bestuurlijk belang Er is sprake van een bestuurlijk belang als de gemeente zeggenschap heeft in de rechtspersoon. Dit kan zijn op basis van stemrecht als aandeelhouder in een vennootschap, maar ook op basis van vertegenwoordiging in het dagelijks of algemeen bestuur bij bijvoorbeeld gemeenschappelijke regelingen.

1.1.3 Financieel belang Er is sprake van een financieel belang als de gemeente financiële middelen beschikbaar heeft gesteld die ze kwijt is als sprake is van faillissement van de verbonden partij. Ook kan er sprake zijn van een financieel belang als de gemeente aansprakelijk is wanneer een verbonden partij haar verplichtingen niet nakomt. Uitzondering hierop is subsidieverlening.

1.2 Vormen van samenwerkingen Als wordt gekozen voor het uitvoeren van taken in samenwerking met anderen, bestaan er verschillende mogelijkheden om de samenwerking vorm en inhoud te geven. In principe zijn er twee vormen te onderscheiden: de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke samenwerking. Pagina 3 van 27

Een publiekrechtelijke samenwerking heeft altijd de voorkeur boven privaatrechtelijke samenwerking, vanwege het feit dat de gemeente een overheidsorgaan is met publiek belang. In bijlage 3 is een overzicht opgenomen van alle vormen van samenwerking.

1.2.1 Publiekrechtelijke samenwerking De Wgr kent vijf soorten gemeenschappelijke regelingen: een openbaar lichaam, bedrijfsvoering organisatie, gemeenschappelijk orgaan, centrumregeling en de regeling zonder meer. De meest gebruikte vorm is die van openbaar lichaam. Een openbaar lichaam heeft rechtspersoonlijkheid zodat het zelfstandig kan optreden in het maatschappelijk verkeer. Een openbaar lichaam kan contracten en convenanten aangaan, eigen personeel in dienst nemen, fondsen beheren en zelfs een eigen publiek of privaat samenwerkingsverband oprichten. In bijlage 2 is een toelichting opgenomen op de verschillende publiekrechtelijke samenwerkingsvormen naast het openbaar lichaam. Er kan sprake zijn van collegeregelingen, burgemeestersregelingen of raadsregelingen, afhankelijk van welk orgaan bevoegdheden heeft overgedragen aan de gemeenschappelijke regeling. Zijn er alleen collegebevoegdheden overgedragen, dan is er sprake van een collegeregeling. Bij overdracht van raadsbevoegdheden is er sprake van een raadsregeling. Op basis van artikel 13 lid 6 Wgr kan een algemeen bestuur van een collegeregeling ook alleen maar uit collegeleden bestaan. In Schiedam nemen in principe alleen collegeleden deel aan het bestuur van een publiekrechtelijke samenwerking De bestuurders van de regeling dienen vervolgens inlichtingen te verschaffen en verantwoording af te leggen aan het college.

Het college is vervolgens verantwoording schuldig aan de gemeenteraad over het door haar gevoerde bestuur. In sommige gemeenschappelijke regelingen moet de gemeente verplicht deelnemen op basis van de wet, zoals in de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond en de milieudienst DCMR.

1.2.2 Privaatrechtelijke samenwerking De privaatrechtelijke samenwerking bestaat uit meerdere mogelijkheden: o Deelneming in een Naamloze Vennootschap (N.V.) of Besloten Vennootschap (B.V.) waar de gemeente haar invloed uitoefent via aandeelhouderschap; o Deelneming in een stichting, vereniging, coöperatie of onderling waarborgmaatschappij, waar de gemeente haar invloed uitoefent door deelname in het bestuur. In beginsel wordt er in Schiedam niet voor gekozen om samen te werken in het privaatrecht in de vorm van een stichting of vereniging. Dit heeft niet de voorkeur omdat een dilemma ontstaat op grond van artikel 291 lid 3 jo. Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (Wbtr). Dit artikel regelt de wettelijke verplichting dat de bestuurders van een stichting of vereniging handelen in het belang van de stichting. Daarmee ontstaat een dilemma voor de bestuurder, omdat het belang van de gemeente daarmee ondergeschikt is aan dat van de stichting of vereniging. Indien wel wordt gekozen voor een stichting of vereniging dient met argumenten te worden onderbouwd hoe wordt omgegaan met de belangenproblematiek.

1.3 Relevante wet- en regelgeving 1.3.1 Gemeentewet Op grond van artikel 160 Gemeentewet is samenwerking in een verbonden partij mogelijk ter behartiging van een publiek belang. De gemeentewet bevat ook voorschriften over de verhoudingen tussen het college en de raad. In artikel 169 Gemeentewet staat bijvoorbeeld dat het college verplicht is zich te verantwoorden richting de gemeenteraad en om de gemeenteraad actief van informatie te voorzien. Pagina 4 van 27

1.3.2 Wet Gemeenschappelijke Regelingen Op grond van de Gemeentewet en Wet Gemeenschappelijke Regelingen (Wgr) is het mogelijk om een gemeenschappelijke regeling aan te gaan ter behartiging van belangen van de gemeente. In de Wgr zijn daarnaast allerlei bepalingen opgenomen over de verplichtingen van de gemeenschappelijke regeling, termijnen waar aan voldaan moet worden en bepalingen omtrent invulling van het bestuur.

1.3.3 BBV Het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV) geeft wettelijke eisen waarover de gemeente in haar begroting en jaarstukken moet rapporteren ten aanzien van haar verbonden partijen, dit ziet met name op een vast onderdeel, de paragraaf verbonden partijen. Daarnaast is een GR ook gebonden aan deze regelgeving voor haar begroting en jaarstukken. De financiële effecten voor de gemeente van de door het algemeen bestuur vastgestelde begroting van de GR moeten één op één worden verwerkt in de begroting van de gemeente.

1.3.4 Boek 2 Burgerlijk Wetboek Voor private rechtspersonen zoals B.V. ’s en N.V. ’s geldt Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, hierin staan bepalingen over oprichting, fusie, splitsing, ontbinding en de werkwijze van de rechtspersonen. In Boek 2 staan tevens de verschillende organen binnen rechtspersonen benoemd, alsook hun taken en bevoegdheden. Er zijn wettelijke regels die zien op de bevoegdheden tussen de Algemene Vergadering van Aandeelhouders en Raad van Commissarissen of Raad van Toezicht. Daarnaast moeten private rechtspersonen voldoen aan de financiële verslagleggingsregels die blijken uit Boek 2.

1.4 Rolverdeling college 1.4.1 Publiekrecht De collegeleden nemen bij collegeregelingen deel aan de besturen van de gemeenschappelijke regelingen van de gemeente. Aan het begin van de bestuursperiode worden zij benoemd tot lid van het dagelijks of algemeen bestuur door de gemeenteraad. Bij gemeenschappelijke regelingen zijn twee rollen te onderscheiden: die van eigenaar en die van opdrachtgever. Gemeenten die deelnemen in een gemeenschappelijke regeling zijn mede-eigenaar en dragen bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid. De rol van eigenaar richt zich vooral op het formuleren van het te voeren beleid, bewaken van rendement en continuïteit en het voorbereiden van en deelnemen aan vergaderingen uit het algemeen bestuur (AB) en dagelijks bestuur (DB). De rol van opdrachtgever richt zich vooral op het contracteren van de te realiseren producten, het bewaken van de prestatielevering en het beoordelen van de prijs. Doorgaans heeft het AB als doel de belangen van de deelnemers te behartigen (opdrachtgeversrol) en het DB als doel de belangen van de GR te behartigen (eigenaarsrol). Een duidelijke scheiding van rollen, heldere afspraken over prestaties en een goed ingerichte governancestructuur zijn daarbij essentieel om belangenconflicten te voorkomen en samenwerking effectief te laten verlopen.

1.4.2 Verantwoordelijkheden Artikel 19a van de Wgr regelt de verantwoording en informatieplicht van het DB aan het AB binnen een gemeenschappelijke regeling. Het DB als zodanig en elk afzonderlijk lid is verantwoording schuldig aan het AB over het gevoerde bestuur. De leden van het AB zijn vervolgens verantwoording schuldig aan het college van B&W. Het handelen van een lid van het algemeen bestuur bij een collegeregeling valt aan te merken als door het college gevoerd bestuur, waardoor het college daarover verantwoording schuldig is aan de gemeenteraad op grond van artikel 169 Gemeentewet.

Pagina 5 van 27

Concreet betekent dit dat de DB-leden dus verantwoording moeten afleggen aan het AB, dat de individuele AB-leden verantwoording moeten afleggen aan hun individuele colleges van B&W en dat het college aan de gemeenteraad verantwoording moet afleggen voor het door haar gevoerde bestuur. Er is dus geen directe verantwoordingsrelatie tussen AB/DB-leden en de gemeenteraad.

1.4.3 Privaatrecht Voor vennootschappen waarin de gemeente aandelen heeft, is de vertegenwoordiging geregeld via zeggenschapsrecht in de aandeelhoudersvergadering. De gemeente Schiedam is aandeelhouder en bevoegd tot het uitoefenen van stemrecht in algemene vergaderingen van aandeelhouders. Op grond van artikel 160 lid 1 onderdeel e van de Gemeentewet besluit het college hoe gestemd mag worden tijdens de aandeelhoudersvergadering. In beginsel ligt de bevoegdheid om de gemeente te vertegenwoordigen bij de burgemeester, maar in de praktijk wordt deze rol vaak uitgeoefend door de wethouder financiën, tenzij de wethouder ook tevens beleidsinhoudelijk verantwoordelijk is. Het kan voorkomen dat de gemeente niet alleen aandeelhouder, maar ook opdrachtgever is van een deelneming. In dat geval worden de rollen gescheiden door per rol in beginsel verschillende portefeuillehouders te benoemen.

1.5 Rol van de gemeenteraad Bij het aantreden van een nieuwe gemeenteraad en college wordt een training in governance rondom verbonden partijen gegeven. De gemeenteraad heeft een controlerende en kaderstellende rol, die in de hoofdstukken hierna nader wordt toegelicht.

1.6 Ambtelijke rollen Elke verbonden partij heeft een accounthouder. De accounthouder is een belangrijke schakel tussen de verbonden partij en de gemeente. Daarmee is de accounthouder ook het eerste aanspreekpunt. De accounthouder verzorgt de advisering richting bestuurders over de verbonden partij en wordt door de verbonden partij geïnformeerd over de ontwikkelingen. Ook andersom adviseert de accounthouder de verbonden partij over gemeentelijke ontwikkelingen. Naast een accounthouder kijken er bij bestuurlijke stukken ook een financieel en juridisch adviseur mee.

1.7 Bevoegdheidsverdeling De verdeling van de taken en bevoegdheden tussen de gemeenteraad en het college ziet er schematisch als volgt uit: Gemeenteraad

College B&W

Kaderstelling - Budgetrecht - Verordenende bevoegdheid - Initiatiefrecht - Amendementen en moties - Kaderstellende plannen - Toestemming - Zienswijzen Controle op uitvoering van beleid door college B&W

Uitwerking beleid - Nadere (uitvoerings)regels - Beleidsregels - Interne regels Actieve informatieplicht

Volksvertegenwoordiging

Uitvoering beleid

Voorbereiding beleid

Pagina 6 van 27

2 Aangaan en wijzigen van een verbonden partij 2.1 Inleiding De keuze voor het aangaan van een nieuwe verbonden partij is een politiek-bestuurlijke keuze. De gemeente is in beginsel terughoudend met het aangaan van nieuwe verbonden partijen, omdat het altijd in zijn algemeenheid start met het feit dat publiek belang hierbij gebaad moet zijn. Voor samenwerking in een verbonden partij kan worden gekozen om verschillende redenen: o Vergroten van ambitieniveau/bundelen van krachten; o Regievoeren of juist regie uit handen geven; o Voorkomen van hinder; o Bundelen van expertise; o Efficiënter werken; o Minder kosten; o Organisatorische voordelen.

2.2 Aangaan nieuwe verbonden partij Bij het aangaan van een nieuwe verbonden partij wordt het volgende afwegingskader doorlopen:

Pagina 7 van 27

Is de conclusie van het afwegingskader om deel te nemen in een nieuwe verbonden partij, dan worden de stappen in het volgende hoofdstuk doorlopen, afhankelijk van de vorm van de verbonden partij.

Pagina 8 van 27

2.2.1 Aangaan nieuw samenwerkingsverband Voordat een nieuw samenwerkingsverband wordt aangegaan is een proces vereist waarin de gemeenteraad wordt gehoord over de voorgenomen deelname. In het te lopen proces wordt onderscheid gemaakt in het aangaan van een publiekrechtelijke of privaatrechtelijke samenwerking. Worden er gemeentelijke bevoegdheden overgedragen? Dan kan er in beginsel alleen gebruik worden gemaakt van een publiekrechtelijke samenwerking. In de volgende paragrafen is per samenwerkingsvorm opgenomen welke informatie inzichtelijk gemaakt moet worden in het besluitvormingsproces. Uitgangspunten Bij het aangaan van een nieuwe samenwerking, zowel privaat- als publiekrechtelijk, gelden de volgende uitgangspunten: Financieel: o Er wordt een conceptbegroting en meerjarenraming opgesteld. o De gemeenschappelijke regeling wordt geacht zelf adequate risicobeheersing vorm te geven. De te hanteren methodiek wordt overeengekomen bij het aangaan van de verbonden partij. o Een positief jaarresultaat wordt – indien nodig- ingezet ter versterking van het noodzakelijke eigen vermogen. Wat daarboven niet nodig is, vloeit terug naar de deelnemende gemeenten via dividend of verlaging van de deelnemersbijdrage aan de gemeenschappelijke regeling.

Taakoverdracht en bevoegdheidsverdeling o De gezamenlijke uitvoering van taken wordt beperkt tot de noodzakelijke activiteiten en de onderbouwing hiervan wordt beschreven; o De producten en kosten van de uit te voeren bevoegdheden/diensten/producten zijn duidelijk omschreven; o Per taak/belang worden kritische prestatie-indicatoren vastgesteld en de concreet te bereiken resultaten worden SMART geformuleerd en opgenomen in overeenkomsten; o De wijze waarop het interne toezicht bij de verbonden partij is georganiseerd en de gemeente controle uitoefent wordt beschreven in de besluitvormingsstukken. Archivering o In overleg met de gemeentearchivaris wordt aandacht besteed aan invulling en naleving van de geldende wet- en regelgeving op het gebied van archivering. Uittreding o Er wordt een voorstel op hoofdlijnen opgenomen voor een exit-regeling uit de gemeenschappelijke regeling, waarin minimaal de volgende informatie is opgenomen: o De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden; o De gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband; o De gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittreder als de overblijvende gemeenten). o Voor privaatrechtelijke partijen wordt opgenomen hoe de samenwerking kan worden opgeheven en met welke effecten rekening gehouden moet worden.

Aan bovengenoemde punten dient expliciet aandacht te worden besteed in de bestuurlijke besluitvormingsstukken.

2.2.2 Aangaan publiekrechtelijke samenwerking Voor het aangaan van een publiekrechtelijke regeling wordt voor alle vormen aangesloten bij artikel 1 van de Wgr, waarin staat vermeld dat het ontwerp van de regeling van de verbonden partij aan de gemeenteraad wordt toegezonden voor zienswijze. Pagina 9 van 27

Het college legt in een raadsvoorstel het voornemen tot het aangaan van een nieuwe samenwerking voor, inclusief het ontwerp van de regeling en de bijbehorende zienswijzeprocedure. In dit voorstel worden tevens de onderstaande inhoudelijke vragen beantwoord: 1. Welk publiek belang wordt behartigd? Wat is het gemeenschappelijk belang en wat gaan we nu eigenlijk samen doen? 2. Waarom is betrokkenheid van de gemeente noodzakelijk? 3. Waarom kan niet worden volstaan met een rol als facilitator, subsidieverstrekker of opdrachtgever? 4. Wat zijn de voor- en nadelen van het aangaan van de verbonden partij? 5. Welke taken worden overgedragen en op welke wijze (delegatie of mandaat)? 6. Wat is de hoogte van het financieel belang en hoe lopen de financieringsstromen? 7. Hoe is de bestuurlijke invloed geborgd? 8. Welke risico’s zijn aan de deelname verbonden? 9. Waarom is voor deze specifieke organisatievorm gekozen? 10. Op welke wijze wordt verantwoording afgelegd aan het college en de gemeenteraad? Na afronding van de zienswijzeprocedure kan het college overgaan tot het aangaan van de samenwerking, waarvoor is vereist dat de gemeenteraad toestemming geeft via een raadsvoorstel. Deze toestemming kan op grond van artikel 1 Wgr alleen worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Mandaat of delegatie Bij de keuze voor een gemeenschappelijke regeling moet worden bepaald of een taak in delegatie of in mandaat wordt overgedragen, waarbij van belang is dat de Wgr uitgaat van delegatie. Het kenmerkende verschil tussen delegatie en mandaat is dat een bestuursorgaan na delegatie niet meer de verantwoordelijkheid draagt voor de uitoefening van de bevoegdheid, terwijl die verantwoordelijkheid na mandaat blijft bestaan. De gemeenschappelijke regeling heeft in het geval van mandaat de bevoegdheid om in naam van de gemeente een besluit te nemen, maar de gemeente behoudt de verantwoordelijkheid en zeggenschap behorende bij de gemandateerde taak. In Schiedam sluiten wij aan bij de intentie van de Wgr en wordt uitgegaan van taakoverdracht via delegatie. Dit is mede ingegeven door artikel 10:16 Awb op grond waarvan over het delegatiebesluit beleidsregels kunnen worden opgesteld. De deelnemers kunnen daardoor blijven sturen op hoe van gedelegeerde bevoegdheden gebruik wordt gemaakt. Alleen indien er sprake is van zwaarwegende redenen kan ervoor worden gekozen om gebruik te maken van mandaat. Dit dient dan onderbouwd te worden in de besluitvormingsstukken.

2.2.3 Aangaan privaatrechtelijke samenwerking Op grond van artikel 160 lid 2 Gemeentewet kan het college pas deelnemen in privaatrechtelijke samenwerkingen nadat de gemeenteraad een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen kenbaar te maken. In beginsel wordt er in Schiedam niet voor gekozen om samen te werken in het privaatrecht in de vorm van een stichting of vereniging. Dit heeft niet de voorkeur omdat een dilemma ontstaat op grond van artikel 291 lid 3 jo. Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (Wbtr). Dit artikel regelt de wettelijke verplichting dat de bestuurders van een stichting of vereniging handelen in het belang van de stichting.

Pagina 10 van 27

Daarmee ontstaat een dilemma voor de bestuurder, omdat het belang van de gemeente daarmee ondergeschikt is aan dat van de stichting of vereniging. Indien wel wordt gekozen voor een stichting of vereniging dient met argumenten te worden onderbouwd hoe wordt omgegaan met de belangenproblematiek. Bij de toezending van het ontwerpbesluit voor wensen- en bedenkingen wordt het antwoord op de volgende punten inzichtelijk gemaakt in een raadsvoorstel: 1. Welk publiek belang wordt behartigd? Wat is het gemeenschappelijk belang en wat gaan we nu eigenlijk samen doen? 2. Waarom is betrokkenheid van de gemeente noodzakelijk? 3. Waarom kan niet worden volstaan met een rol als facilitator, subsidieverstrekker of opdrachtgever? 4. Wat zijn de voor- en nadelen van het aangaan van de verbonden partij? 5. Welke taak van publiek belang wordt uitgevoerd door de verbonden partij? 6. Wat is de hoogte van de gemoeide kosten en wat zijn de verwachtingen omtrent dividend? 7. Hoe hoog is het aandelenpercentage? 8. Welke risico’s zijn aan de deelname verbonden? 9. Waarom is voor deze specifieke organisatievorm gekozen? 10. Op welke wijze wordt verantwoording afgelegd aan het college en de gemeenteraad? Na afronding van de wensen- en bedenkingenprocedure kan het college overgaan tot het aangaan van de samenwerking.

2.2.4 Rol van de gemeenteraad bij besluitvormingstraject Na afronding van de zienswijzeprocedure of wensen- en bedenkingenprocedure is het aan de college om een definitief besluit te nemen over de deelname in een verbonden partij. Het college kan echter geen publiekrechtelijke samenwerking aangaan zonder expliciete toestemming van de gemeenteraad op grond van de Wgr. Deze toestemming kan op grond van de wet alleen worden worden onthouden indien sprake is van strijd met de wet of met het algemeen belang. Naast deze formele toestemming heeft de raad de mogelijkheid om een inhoudelijke afweging te maken, waarbij de volgende aspecten van belang zijn bij het aangaan van een nieuwe verbonden partij: o De gemeenteraad wordt in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen op de ontwerpregeling of ontwerpbesluit tot deelname in de nieuwe verbonden partij; o De gemeenteraad beoordeeld de meerwaarde van de voorgestelde samenwerking; o De gemeenteraad bepaalt eventueel aanvullende voorwaarden aan de deelname.

2.3 Het wijzigen van een verbonden partij Gemeenschappelijke regeling Het kan voorkomen dat een gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd. Bijvoorbeeld omdat een extra taak wordt overgedragen of omdat de regeling aangepast moet worden aan nieuwe wetgeving. In het geval van wijziging van een gemeenschappelijke regeling wordt op grond van artikel 1 Wgr dezelfde procedure gevoerd als voor het aangaan van een gemeenschappelijke regeling. Het college stuurt het ontwerp van de wijziging van de regeling toe aan de gemeenteraad voor zienswijze. Na zienswijze en verkregen toestemming van de gemeenteraad wordt de gemeenschappelijke regeling aangepast.

Pagina 11 van 27

Privaatrechtelijke organisatie Bij een privaatrechtelijke organisatie is het lastiger voor te stellen dat de verbonden partij wordt gewijzigd. De situatie kan zich wel voordoen dat aan de privaatrechtelijke rechtspersoon publiekrechtelijke taken zijn overgedragen via mandaatbesluit en dat daarin iets gewijzigd moet worden. In dat geval moet het mandaatbesluit worden aangepast, daarbij is geen raadsbesluit nodig. Wat ook kan voorkomen is dat er bijvoorbeeld wordt gekozen voor het verkrijgen of verkopen van (extra) aandelen. In dat geval is er vanwege het financiële effect een raadsbesluit nodig. Het beheer van verbonden partijen Het beheer van de verbonden partijen heeft als doel: 1. Het borgen van het Schiedamse belang nu en in de toekomst; 2. Het behouden van de regie en sturing op de verbonden partij; 3. Het streven naar financiële continuïteit van de verbonden partij; 4. Het beheersen van de risico’s die kleven aan het deelnemen in een verbonden partij. Om deze doelen te bereiken maakt de gemeente gebruik van verschillende wettelijke en statutaire bevoegdheden en onderhoudt via accounthouderschap een directe lijn met de verbonden partij. Bij het beheer van verbonden partijen stelt de gemeente zich actief en betrokken op.

2.4 Uitvoering beheeractiviteiten In eerste instantie worden de beheeractiviteiten door de gemeente uitgevoerd door de aandeelhoudersbevoegdheden of statutaire rechten te gebruiken. Feitelijk betekent dit dat de gemeente besluiten neemt in aandeelhoudersvergaderingen of deelnemersvergaderingen (DB/AB) die via bestuurlijke besluiten moeten worden genomen. Het bestuur van een rechtspersoon is verantwoordelijk voor het dagelijks bestuur binnen de verbonden partij. Bij belangrijke stukken moet de gemeente in de rol als aandeelhouder of bestuurder goedkeuren, instemmen of besluiten nemen. Denk hierbij aan stukken zoals beslissingen omtrent strategie, investeringsbeslissingen, jaarstukken, benoemingen, statutenwijzigingen en dividendbeleid. Om de beheerdoelen te behalen, grip te houden op de (financiële) risico’s die de gemeente loopt, op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen en om te kunnen beoordelen of taken juist worden uitgevoerd, hanteert de gemeente een beheerbeleid op de verbonden partijen. De mate waarin actief en betrokken beheer moet worden uitgevoerd verschilt per verbonden partij. De verbonden partijen worden om die reden gekwalificeerd via risicoprofielen, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen financiële en bestuurlijke risico’s.

2.4.1 Risicoprofielen De gemeente hanteert risicoprofielen om de financiële en bestuurlijke risico’s in kaart te brengen. Een risicoprofiel bestaat uit een stoplichtkleur, groen, oranje of rood, afhankelijk van de hoogte van de risico’s.

Pagina 12 van 27

Risicoprofiel bij gemeenschappelijke regelingen Onderdeel bestuurlijk: Toetsingscriteria Laag risico Consistentie belang Belang valt samen gemeenschappelijke regeling met gemeentelijk belang Bestuurlijke Portefeuillehouder in vertegenwoordiging in dagelijks bestuur gemeenschappelijke regeling Duidelijke afspraken over Prestatiedoelstellingen doelen en te leveren vallen samen met die prestaties programma’s van de gemeente begroting Invloed op realisatie Maximale invloed door gemeentelijke de gemeente prestatiedoelstellingen programma’s begroting Duidelijke afspraken over Ja informatievoorziening programma’s begroting Kwaliteit van de Goed samenwerkingsrelatie

Gemiddeld risico Belang valt gedeeltelijk samen

Hoog risico Belang valt nauwelijks samen

Alleen portefeuillehouder in algemeen bestuur Prestatiedoelstellingen vallen gedeeltelijk samen met die van de gemeente. Gedeeltelijke invloed door de gemeente

Geen vertegenwoordiging

Gedeeltelijk

Nee

Gemiddeld

Moeizaam

Prestatiedoelstellingen vallen nauwelijks samen met die van de gemeente. Minimale invloed door de gemeente

Worden stukken ambtelijk afgestemd?

Ja

Soms

Niet

Maatschappelijk risico

N.V.T./laag

Gemiddeld

Hoog

Ontwikkeling klachten en bezwaarprocedures

Neemt af/N.V.T.

Blijft gelijk

Neemt toe

Conclusie: Onderdeel financieel: Toetsingscriteria

Laag risico

Gemiddeld risico

Hoog risico

Omvang financiële bijdrage

€ 0 - € 500.000

€ 500.000 - € 1.000.000

> € 1.000.000

Toereikendheid weerstandsvermogen gemeenschappelijke regeling

Volledig

Deels

Niet

Benodigd gemeentelijk weerstandsvermogen

< € 100.000

€ 100.000 - € 500.000

> € 500.000

Hoe is de verhouding van de Schiedamse bijdrage tot andere deelnemers?

Naar rato

Licht uit balans

Onredelijk

Pagina 13 van 27

Hoe ontwikkelde de financiële bijdrage zich de afgelopen 4 jaar?

Minimaal

Licht stijgend effect

Stijgt harder dan verwachting

Worden financiële stukken ambtelijk afgestemd?

Ja

Soms

Nee

Hoe reageert de gemeenschappelijke regeling op financiële bijsturing? Kwaliteit bedrijfsvoering

Goed

Middelmatig

Onvoldoende

Goed op orde

Gedeeltelijk op orde

Onvoldoende op orde

Mate van transparantie en onderbouwing in financiële stukken Conclusie:

Goed

Gemiddeld

Onvoldoende

Risicoprofiel bij een privaatrechtelijke samenwerking Bestuurlijk: Toetsingscriteria Laag risico Gemiddeld risico Consistentie belang Belang valt samen Belang valt gedeeltelijk vennootschap met samen gemeentelijk belang Aandeelhoudersbelang > 50% 20% - 50%

Hoog risico Belang valt nauwelijks samen < 20%

Worden stukken ambtelijk afgestemd?

Ja

Beperkt

Niet

Maatschappelijk risico

Niet aan de orde

Beperkt sprake van

Ja

Kwaliteit van de samenwerkingsrelatie

Goed

Gemiddeld

Moeizaam

Conclusie:

Pagina 14 van 27

Financieel: Toetsingscriteria

Laag risico

Gemiddeld risico

Hoog risico

Omvang dividenduitkering

< € 150.000

€ 150.000 - € 500.000

> € 500.000

Stabiliteit van de dividenduitkering

Stabiel

Licht afwijkend

Grote afwijkingen

Heeft de gemeente in de afgelopen 2 jaar bijgedragen aan een kapitaalinjectie?

Nee

Ja, maar op eigen initiatief

Ja, op aandringen van de deelneming

Financiële bijsturing

Volledig

Deels

Niet

Worden financiële stukken ambtelijk afgestemd?

Ja

Beperkt

Nee

Kwaliteit bedrijfsvoering

Goed op orde

Gedeeltelijk op orde

Onvoldoende op orde

Mate van transparantie en onderbouwing in financiële stukken

Goed

Gemiddeld

Onvoldoende

Conclusie:

De indeling van het risicoprofiel is vervolgens als volgt:

2.5 Vaststelling en onderhoud risicoprofielen De risicoprofielen worden opgesteld bij het aangaan van de verbonden partij en worden steeds aangepast wanneer daar aanleiding toe is. Dit kan zijn doordat de financiële situatie verslechterd of verbeterd wat aanpassing van de financiële maatstaven rechtvaardigt, maar het kan ook dat er een maatschappelijke ontwikkeling is die ervoor zorgt dat het risicoprofiel moet worden bijgesteld. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de coronapandemie, vluchtelingencrisis of drinkwaterbesmettingen.

Pagina 15 van 27

De risicoprofielen worden vastgesteld door de gemeenteraad. Het is de verantwoordelijkheid van de accounthouder van elke verbonden partij om te zorgen dat risicoprofielen actueel zijn. Risicoprofielen van gemeenschappelijke regelingen De risicoprofielen worden gekoppeld aan de ontwerpbegrotingen van de gemeenschappelijke regelingen. Op het moment dat de ontwerpbegroting voorligt voor zienswijze wordt de afhandeling hiervan via raadsbesluit aan de gemeenteraad voorgelegd. Bij de ontvangst van de ontwerpbegrotingen wordt nagegaan of de risicoprofielen gewijzigd moeten worden. Is dit het geval, dan wordt een beslispunt toegevoegd ter vaststelling van de risicoprofielen bij het raadsbesluit voor de zienswijze op de ontwerpbegroting van de gemeenschappelijke regeling. Wijzigt er niets in het risicoprofiel? Dan wordt de ongewijzigde versie ter informatie meegezonden. Risicoprofielen van deelnemingen De risicoprofielen van de deelnemingen worden gekoppeld aan de update- en terugkoppelingsbrief. Eenmaal per jaar krijgen de raadsleden als onderdeel van de terugkoppelingsbrief de risicoprofielen toegezonden. Bij wijzigingen dienen deze met een raadsbesluit te worden vastgesteld, bij ongewijzigde profielen kunnen deze ter kennisname worden bijgevoegd.

2.6 Beheersmaatregelen op grond van hoogte risicoprofiel Standaard beheersmaatregelen Over elke verbonden partij wordt ieder half jaar een update opgesteld over de ontwikkelingen bij de betreffende verbonden partij via de update- en terugkoppelingsbrief aan de gemeenteraad. Daarnaast wordt in de begroting en jaarstukken van de gemeente algemene informatie verstrekt in de paragraaf verbonden partijen. Daarnaast is het college van B&W als zodanig verantwoording schuldig aan de gemeenteraad over het door haar gevoerde bestuur, op grond van artikel 169 Gemeentewet. Zoals beschreven onder 1.7 is er geen directe verantwoordingsrelatie tussen bestuursleden van de verbonden partij en de gemeenteraad. Laag tot laag/gemiddeld risicoprofiel Bij een laag of laag/gemiddeld risicoprofiel is er sprake van beperkt beheer; de gemeente monitort de financiële, operationele en politieke risico’s op basis van de rapportages (jaarverslag, jaarstukken, managementrapportages, begroting, e.d.) van de verbonden partij. De verbonden partij heeft een accounthouder die de ambtelijke schakel is tussen de verbonden partij en de gemeente. Gemiddeld tot gemiddeld/hoog risicoprofiel Regulier beheer: de gemeente monitort de financiële, operationele en politieke risico’s op basis van de rapportages van de verbonden partij.

Daarnaast toetst de gemeente actief op de realisatie van gemeentelijke doelstellingen (onder andere via kpi’s) en voert regelmatig overleg met de verbonden partij over de risicovolle indicaties. Gemeentelijk is per verbonden partij een accountteam ingericht die de ambtelijke schakel is tussen de verbonden partij en de gemeente. Het accountteam bestaat uit de accounthouder, een financieel medewerker en een juridisch medewerker. Hoog risicoprofiel Versterkt beheer: er is in aanvulling op het regulier beheer sprake van bredere aandacht binnen de gemeente en zijn meerdere afdelingen betrokken bij het monitoren en toetsen. Ambtelijke overleggen vinden frequenter plaats, waarbij focus zit op het rapporteren van de risico’s die de gemeente loopt, financieel en inhoudelijk. De gemeenteraad wordt over deze risico’s geïnformeerd bij de P&C producten zoals de begroting en de jaarstukken. Ook hier is sprake van een ambtelijk accountteam, bestaande uit de accounthouder, financieel medewerker en een juridisch medewerker. Bij vennootschappen kan het college besluiten dat stukken voor aandeelhoudersvergaderingen (tijdelijk) worden behandeld in het college in plaats van alleen door de portefeuillehouder. Pagina 16 van 27

Flexibele beheersmaatregel In het geval dat er een specifieke reden is tot het aanpassen van het risicoprofiel (zoals een pandemie of andere tijdelijke crisis) kan worden gekozen voor een flexibele beheersmaatregel. Het is aan het college om te bepalen hoe deze maatregel eruit komt te zien, omdat deze samenhangt met de oorzaak van de opschaling van het risicoprofiel.

2.7 Rol van de gemeenteraad De gemeenteraad is het hoogste bestuursorgaan van de gemeente en stelt de hoofdlijnen van het beleid van de gemeente vast en controleert de uitvoering daarvan door het college. De gemeenteraad vervult dus een kaderstellende en controlerende rol. Onder de kaderstellende rol valt de vaststelling van beleidsmatige en financiële kaders. In het geval van verbonden partijen is de invloed hierop afhankelijk van de afspraken tussen deelnemende gemeenten, omdat beslissingen gezamenlijk worden genomen met andere gemeenten. De raad heeft daarnaast de taak toezicht te houden op de uitvoering van beleid. Bij verbonden partijen verloopt dit doorgaans via het college, die de gemeente vertegenwoordigt in bestuurlijke overleggen. Op grond van de Wgr geeft het bestuur van een GR alle inlichtingen die de gemeenteraad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taken, de gemeenteraad mag het bestuur zelf ook om (specifieke) inlichtingen vragen. In onderstaande overzicht staat per soort verbonden partij aangegeven welke instrumenten de gemeenteraad heeft.

2.7.1 Publiekrechtelijke samenwerking: Gemeenschappelijke regelingen hebben op basis van de Wet Gemeenschappelijke Regelingen verschillende verplichtingen gedurende het jaar: o Het aanleveren van een kadernota; o Het indienen van een ontwerpbegroting; o Het indienen van begrotingswijzigingen; o Het indienen van de jaarstukken; o Actieve informatieplicht. Hieronder worden de verschillende instrumenten nader toegelicht. Kadernota De kadernota bevat de algemene financiële en beleidsmatige kaders voor het komende jaar. Deze moet tezamen met de voorlopige jaarstukken van de gemeenschappelijke regeling aan de raden van de deelnemende gemeenten worden toegezonden op uiterlijk 30 april. Om de kadernota’s door te nemen wordt een bijeenkomst georganiseerd met de gemeenteraad waarin de kadernota’s van de gemeenschappelijke regelingen met een hoog risico worden besproken. De kadernota’s van de overige gemeenschappelijke regelingen worden ter informatie aan de gemeenteraad toegestuurd. De begeleidende raadsinformatiebrief bevat een politieke samenvatting van de kaderbrief: welke beleidswijzigingen zijn er, welke financiële wijzigingen zijn er, aan welke knoppen wordt gedraaid, enz. Het kadernota-proces is de stap voorafgaand aan het begrotingsproces waarbij een zienswijzeprocedure geldt.

De bijeenkomst om de kadernota’s te bespreken dient mede ter voorbereiding op de ontvangst van de ontwerpbegrotingen. Dit is het moment waarop de gemeenteraad aan de portefeuillehouder richting kan meegeven of kan vragen om verduidelijking of onderbouwing van bepaalde onderwerpen.

Pagina 17 van 27

Ontwerpbegroting De volgende stap in de begrotingscyclus is het toezenden aan de gemeenteraad van de ontwerpbegroting. Op de ontwerpbegroting is een zienswijzeprocedure van toepassing. Dit betekent dat het college een raadsvoorstel aan de raad toestuurt met daarin een voorstel tot het wel of niet indienen van zienswijze. Vervolgens maakt het college een concept-zienswijze en zendt deze met de ontwerpbegroting aan de gemeenteraad. Voor de zienswijzeprocedure geldt een termijn van 12 weken. Na het indienen van een zienswijze moet het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling schriftelijk én gemotiveerd aan de gemeenteraden laten weten wat het van de zienswijzen vindt en tot welke conclusie dat heeft geleid. Die ‘terugkoppeling’ moet aan de raden worden gegeven vóórdat het algemeen bestuur de begroting vaststelt. Tot slot wordt de conceptbegroting definitief door vaststelling in het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling. De vastgestelde begroting moet uiterlijk 15 september zijn ingediend bij Gedeputeerde Staten, de toezichthouder. De definitieve versie wordt vervolgens toegezonden aan de deelnemers. Begrotingswijzigingen Indien er sprake is van een afwijking van de begroting, moet de gemeenschappelijke regeling de begrotingswijziging aan de gemeenteraden van de deelnemers voorleggen voor zienswijze.

In de gemeenschappelijke regeling zelf kan echter op grond van artikel 35 lid 6 Wgr worden bepaald dat ten aanzien van bepaalde begrotingswijzigingen hiervan kan worden afgeweken. Er kan bijvoorbeeld in de gemeenschappelijke regeling worden bepaald dat in het geval van een begrotingswijziging van administratieve aard, waarbij het niveau van de dienstverlening voor deelnemers gelijk blijft en die tevens geen directe financiële consequenties impliceren, geen zienswijzeprocedure doorlopen hoeft te worden. Jaarstukken De jaarstukken wordt ter kennisgeving toegezonden aan de deelnemers van de gemeenschappelijke regeling. Op de jaarstukken is geen zienswijze of ander instrument van toepassing. De cijfers uit de jaarstukken worden verwerkt in de P&C-stukken van de gemeente. Actieve informatieplicht Het college moet de raad actief informeren over alles wat in het algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling gebeurt voor zover het college dit van belang acht voor de gemeenteraad en voor zover het een collegeregeling betreft. Aan deze verplichting wordt invulling gegeven door ieder half jaar een update- en terugkoppelingsbrief op te stellen en te versturen aan de gemeenteraad. Daarnaast hebben de gemeenschappelijke regelingen ook een eigen actieve informatieplicht op grond van artikel 17 lid 2 en 3 Wgr.

2.7.2 Privaatrechtelijke samenwerking Vennootschappen kennen een eigen bestuur dat bevoegd is om besluiten te nemen over de dagelijkse gang van zaken. Bepaalde besluiten, zoals het goedkeuren van jaarstukken en het benoemen en ontslaan van bestuurders, moeten aan de aandeelhouders voorgelegd worden ter goedkeuring. Bij deelneming in vennootschappen heeft de gemeenteraad in beginsel geen periodieke instrumenten zoals een begroting of begrotingswijzigingen waar een zienswijzeprocedure op van toepassing is. Wel wordt de gemeenteraad regelmatig geïnformeerd over de ontwikkelingen binnen de verbonden partijen. In het geval van het oprichten van een vennootschap of kopen of (ver)kopen van aandelen is vanwege het financiële effect altijd een raadsbesluit nodig. Pagina 18 van 27

2.8 De update- en terugkoppelingsbrief aan de gemeenteraad Het college stelt de gemeenteraad via een de update- en terugkoppelingsbrief halfjaarlijks op de hoogte van de ontwikkelingen bij gemeenschappelijke regelingen. Ongeacht het risicoprofiel wordt per verbonden partij aandacht besteed aan de volgende onderdelen: o Terugkoppeling over de ontwikkeling binnen de verbonden partij in het afgelopen halfjaar; o Een overzicht van de P&C-planning en een indicatie welke stukken komende periode worden verwacht; Bij een gemiddeld tot gemiddeld/hoog risicoprofiel worden hier de volgende onderdelen aan toegevoegd: o Een toetsing op de realisatie van gemeentelijke doelstelling (indien van toepassing via kpi’s); o Een overzicht van de risicovolle indicaties uit het risicoprofiel en de eventuele ontwikkeling; Bij een hoog risicoprofiel worden hier de volgende onderdelen aan toegevoegd: o Een overzicht van de financiële en inhoudelijke risico’s die de gemeente loopt, welke stappen worden ondernomen om de risico’s te mitigeren en de ontwikkeling van de risico’s.

Schematisch ziet de informatievoorziening richting de raad er als volgt uit:

uiterlijk 30 april: kadernota's

uiterlijk eind maart: update- en terugkoppelingsbrief

uiterlijk juli: aanleveren jaarrekening

informatie in jaarlijkse P&Cstukken gemeente

uiterlijk 12 weken voor 15 september: aanleveren ontwerpbegroting voor zienswijze

uiterlijk eind november: update-en terugkoppelingsbrief

Naast deze vastgelegde momenten verzenden verbonden partijen regelmatig relevante informatie aan de gemeenteraden in de vorm van informatiebrieven, bestuursrapportages en begrotingswijzigingen (eventueel met zienswijzeprocedure).

Pagina 19 van 27

3 Evaluatie en uittreding Er kunnen omstandigheden zijn die vragen om een fundamentele evaluatie of het heroverwegen van de samenwerking. Om die reden wordt gekozen voor een periodieke evaluatie die kan leiden tot het besluit tot uittreding.

3.1 Evaluatie Er kan een concrete aanleiding zijn zoals dat er geen publiek belang meer is bij de samenwerking of disfunctioneren1 van de verbonden partij, maar ook zonder concrete aanleiding worden de verbonden partijen in elk geval elke vier jaar geëvalueerd. Bij de evaluatie worden minimaal de volgende punten uitgewerkt: o Welke invloed heeft de gemeente daadwerkelijk op de verbonden partij? o Is de verbonden partij effectief en doelmatig in het uitoefenen van invloed gericht op het behalen van de gemeentelijke doelstellingen en het borgen van gemeentelijke belangen? o Is de verbonden partij voldoende ‘in control’? o Kan de deelname worden beëindigd in verband met gewijzigde omstandigheden? Het college geeft jaarlijks in de paragraaf verbonden partijen in de begroting aan welke verbonden partijen geëvalueerd zullen worden. Daarbij wordt ook gekeken naar het risicoprofiel en de actuele ontwikkelingen van de verbonden partij. De concerncontroller speelt een essentiële rol in de evaluatie van gemeenschappelijke regelingen. Vanuit een onafhankelijke positie voert de concerncontroller gesprekken met betrokkenen binnen de gemeente en draagt daarmee bij aan een objectieve en zorgvuldige beoordeling.

Het resultaat van de evaluatie kan leiden tot een formulering van nieuwe aanwijzingen en opdrachten richting de verbonden partij, of zelfs het voornemen om de samenwerking te beëindigen. De gemeenteraad wordt schriftelijk geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie en kan het stuk agenderen indien behoefte is aan nadere bespreking.

3.2 Uittreding 3.2.1 Uittreden uit een gemeenschappelijke regeling Als een of meer deelnemers besluit tot uittreding uit een gemeenschappelijke regeling, blijft de regeling bestaan. Dit is anders als gekozen wordt voor opheffing van de gemeenschappelijke regeling. In dat geval houdt de regeling op te bestaan en wordt het openbaar lichaam ontbonden. Op grond van artikel 9 lid 1 van de Wgr moet de regeling van de gemeenschappelijke regeling ‘bepalingen inhouden omtrent de wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding, waaronder bepalingen omtrent de gevolgen voor het vermogen van de rechtspersoon’. De kleine lettertjes in Gemeenschappelijke Regelingen bepalen in de regel dat de kosten van uittreding voor rekening komen van de vertrekkende gemeente. Om die reden moet in de tekst van nieuwe regelingen de volgende informatie zijn opgenomen: o De voorwaarden waaronder kan worden uitgetreden; o De gevolgen voor het vermogen van het samenwerkingsverband; o De gevolgen voor het vermogen van de deelnemende gemeenten (zowel de uittreder als de overblijvende gemeenten).

1

Bij geschillen geldt de geschillenregeling uit artikel 28 Wgr. Daarnaast is in sommige regelingen opgenomen dat mediation moet plaatsvinden.

Pagina 20 van 27

Aan de hand van deze voorwaarden kan de gemeente bepalen wat de (financiële) gevolgen zijn van uittreding. Het college is – bij collegeregelingen - bevoegd om het besluit te nemen tot uittreding, maar hiervoor is conform artikel 1 lid 4 en 5 van de Wgr eerst een zienswijzeproces van toepassing en vervolgens toestemming nodig van de gemeenteraad. Die toestemming kan wederom alleen worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang. Het college maakt de gemeenteraad haar voornemen tot uittreden uit een verbonden partij kenbaar middels een raadsbesluit waarin in ieder geval de volgende punten inzichtelijk worden gemaakt: o De reden van uittreding; o Hoe de gemeentelijke taak na uittreding uitgevoerd gaat worden; o Wat de financiële gevolgen zijn van uittreding. Na instemming van de gemeenteraad kan het college overgaan tot uittreding uit de gemeenschappelijke regeling en verwerking van het financieel effect.

Pagina 21 van 27

Bijlage I – afwegingskader

Afwegingskader

Uitkomst

Nee

Niets doen en overlaten aan de markt

Wil de gemeente zelf de regie houden en zelf deze taak uitvoeren?

Ja

Uitvoering door de gemeente zelf

Ja Nee

Ja

Is er sprake van een publiek belang?

Ja

Zelf uitvoeren op basis van regelgeving, subsidie, inkoop of toezicht door de markt laten uitvoeren

Nee

Kan de gemeente het publiek belang voldoende behartigen als facilitator, subsidieverstrekker of opdrachtgever?

Nee

Uitvoering door de gemeente zelf

Ja

Zijn er voldoende voordelen om een verbonden partij aan te gaan?

Is een publiekrechtelijke vorm het meest geschikt?

Nee

Privaatrechtelijke samenwerking zoals aandeelhouder van een vennootschap

Aangaan van een publiekrechtelijke samenwerking zoals gemeenschappelijke regeling

Ja

Pagina 22 van 27

Bijlage 2 - de verschillende publiekrechtelijke samenwerkingsvormen [Ook vindbaar in de notitie Verbonden Partijen 2025 van de Commissie BBV] De wettelijke regels voor de verantwoordelijkheden en bevoegdheden en voor de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd, inclusief die in het BBV, zijn gericht op de goede werking van het openbaar bestuur inclusief de toezichthoudende functie. Bij gemeenschappelijke regeling kunnen verschillende samenwerkingsverbanden worden ingesteld. De Wgr kent vijf (publiekrechtelijke) samenwerkingsverbanden: o o o o o

Openbaar lichaam; Bedrijfsvoeringsorganisatie; Gemeenschappelijk orgaan; Centrumgemeente (hierna: centrumregeling); Regeling zonder meer.

De Wgr bevat regels voor de inrichting en het functioneren van deze gemeenschappelijke regelingen. Openbaar lichaam Een openbaar lichaam is de meest uitgebreide en toegankelijke samenwerkingsvorm op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) en wordt vaak gebruikt voor publiekrechtelijke samenwerking tussen overheden. Het onderscheidt zich van de andere samenwerkingsvormen binnen de Wgr door zijn rechtspersoonlijkheid, die het mogelijk maakt om zelfstandig op te treden in het maatschappelijk verkeer. Kenmerken van een Openbaar Lichaam Door zijn rechtspersoonlijkheid kan een openbaar lichaam zelfstandig contracten sluiten, convenanten aangaan, personeel in dienst nemen, eigen fondsen beheren en zelfs publiek- of privaatrechtelijke samenwerkingsverbanden oprichten. Een belangrijk kenmerk is dat personeel dat overgaat van een deelnemende gemeente naar het openbaar lichaam zijn ambtenarenstatus behoudt. Dit biedt een zekere mate van continuïteit en bescherming voor het personeel. Daarnaast heeft een openbaar lichaam een bestuurlijke structuur die bestaat uit een Algemeen Bestuur (AB) en een Dagelijks Bestuur (DB). Deze bestuursstructuur is essentieel voor de besluitvorming en uitvoering van taken die aan het lichaam zijn gedelegeerd.

De leden van het bestuur worden vaak aangewezen uit de gemeentelijke besturen, waarbij raadsleden, collegeleden en burgemeesters zitting kunnen nemen in het bestuur, mits de gemeenteraden zelf een Gemeenschappelijke Regeling (GR) aangaan. Delegeren en Mandateren Een van de belangrijkste mogelijkheden die een openbaar lichaam biedt, is de delegatie van bevoegdheden door deelnemende gemeenten. Gemeenten kunnen zowel raadstaken als collegetaken delegeren aan een openbaar lichaam. Delegeren heeft tot gevolg dat het openbaar lichaam zelfstandig beslissingen kan nemen, zonder dat de gemeente deze besluiten hoeft te ratificeren, in tegenstelling tot mandaatverlening. Mandaat is een lichtere vorm van overdracht waarbij de mandaatgever uiteindelijk verantwoordelijk blijft voor de besluitvorming, zelfs als een ander de uitvoering uitvoert. Bij mandaatverlening is de regeling geregeld in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikel onderscheidt twee belangrijke bepalingen: - Lid 1: Indien de gemandateerde niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van de mandaatgever, is instemming van de gemandateerde nodig om de mandaatverlening rechtsgeldig te maken. - Lid 2: Deze instemming is niet vereist als de bevoegdheid tot mandatering bij wettelijk voorschrift is geregeld.

Pagina 23 van 27

De praktische implicatie van deze regeling is dat een gemeente bij mandaatverlening altijd het recht heeft om een besluit opnieuw te nemen als zij het niet eens is met de uitvoering door het gemandateerde lichaam. Bij delegatie echter, is dit recht niet aanwezig, aangezien het openbaar lichaam volledig verantwoordelijk is voor het genomen besluit. Voor- en Nadelen van een Openbaar Lichaam De keuze om een openbaar lichaam in te stellen is niet altijd zonder gevolgen. De rechtspersoonlijkheid biedt weliswaar voordelen in termen van zelfstandigheid en juridische flexibiliteit, maar kan ook als een relatief zware bestuursstructuur worden ervaren, vooral wanneer de samenwerking zich richt op uitvoerende taken. Dit kan als een nadeel worden gezien, aangezien de oprichting en het beheer van een openbaar lichaam kosten en administratieve lasten met zich meebrengen. Toch is het vanwege de rechtspersoonlijkheid vaak noodzakelijk om deze vorm van samenwerking te kiezen, bijvoorbeeld voor de uitvoering van gezamenlijke beleids- en uitvoeringsopdrachten. In de praktijk wordt de constructie van het openbaar lichaam vaak gebruikt voor regionale samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van jeugdzorg, veiligheid, of milieu en infrastructuurbeheer.

Het is daarnaast een keuze voor het uitvoeren van politiek gevoelige taken, waarbij de decentralisatie van bevoegdheden via een openbaar lichaam zorgt voor een onafhankelijke en minder politieke uitvoering van beleid. Ook voor complexe uitvoerende taken kan een openbaar lichaam noodzakelijk zijn om de benodigde juridische en administratieve kaders te bieden. Bedrijfsvoeringsorganisatie De bedrijfsvoeringsorganisatie is een relatief lichtere samenwerkingsvorm onder de Wgr. Het belangrijkste kenmerk van deze samenwerkingsvorm is de introductie van een enkelvoudig bestuur in plaats van het traditionele geledingenbestuur. Dit vereenvoudigt de bestuurlijke structuur, vermindert bestuurlijke drukte en maakt de aansturing van de organisatie efficiënter. Dit biedt gemeenten de mogelijkheid om bestuurlijke complexiteit te vermijden en tegelijkertijd de noodzakelijke uitvoerende taken te centraliseren zonder te vervallen in een privaatrechtelijke structuur. De privaatrechtelijke samenwerking wordt immers vaak als suboptimaal beschouwd op het gebied van sturing en verantwoording.

Afbakening van de Bedrijfsvoeringsorganisatie De bedrijfsvoeringsorganisatie kan uitsluitend worden ingesteld binnen het kader van collegeregelingen, waarbij alleen de colleges van burgemeester en wethouders (of in het geval van waterschappen, gedeputeerde staten of het dagelijks bestuur van het waterschap) deelnemen. Hierdoor is de samenwerking van een bedrijfsvoeringsorganisatie beperkt tot uitvoerende en bedrijfsvoerende taken die vallen onder de wettelijke verantwoordelijkheden van het betreffende college. De bedrijfsvoeringsorganisatie is dus bedoeld als een uitvoeringsstructuur en is niet bedoeld voor beleidsontwikkeling. In tegenstelling tot een openbaar lichaam, waarbij sprake kan zijn van delegatie van bevoegdheden, blijft bij een bedrijfsvoeringsorganisatie de verantwoordelijkheid voor de taken volledig liggen bij de deelnemende colleges van burgemeester en wethouders. De organisatie voert werkzaamheden uit namens de colleges, maar neemt zelf geen zelfstandige besluiten die rechtsgevolgen hebben. Een bedrijfsvoeringsorganisatie is niet geschikt voor organisaties die een ruime beleidsvrijheid hebben. De organisatie moet functioneel worden ingericht als een intergemeentelijke uitvoeringsdienst die zich richt op de uitvoering van taken die anders per gemeente afzonderlijk zouden worden verricht.

Het doel is de concentratie van uitvoerende taken op regionaal niveau, als tegenhanger van deconcentratie, zonder dat daarbij beleidsruimte of autonomie in de uitvoering verloren gaat. Functionele Rol en Beperkingen De bedrijfsvoeringsorganisatie is in de eerste plaats bedoeld als een concentratie van uitvoerende taken, die zorgt voor schaalvoordelen en efficiëntie. Het beheer en de uitvoering van de taken blijft onder de directe verantwoordelijkheid van de deelnemende colleges. Er is dan ook geen sprake van delegatie, maar van mandaat of ondermandaat. Het college blijft formeel besluitvormingsbevoegd en draagt via mandaat alleen de feitelijke uitvoering van de taak over. Pagina 24 van 27

De colleges moeten dus altijd toezicht kunnen houden op de wijze van uitvoering en behouden de mogelijkheid om in te grijpen of zelf besluiten te nemen. In de praktijk betekent dit dat de deelnemende colleges eindverantwoordelijk zijn voor het handelen van de organisatie, zowel bestuurlijk als juridisch. De afbakening van de rol van de bedrijfsvoeringsorganisatie voorkomt dat deze te veel beleidsvrijheid krijgt, en garandeert dat de organisatiestructuur enkel gericht is op de uitvoering en bedrijfsvoering. Deze structuur kan met name nuttig zijn in situaties waarin gemeenten samen willen werken op uitvoerend niveau, maar waar beleidsbeslissingen blijven liggen bij de individuele gemeenten of het gezamenlijke college. Dit voorkomt de noodzaak voor privaatrechtelijke samenwerking die, gezien de complexiteit van verantwoording en sturing, vaak als minder efficiënt en transparant wordt ervaren. Gemeenschappelijk orgaan Het gemeenschappelijk orgaan is een lichtere vorm van samenwerking onder de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr), gekarakteriseerd door een beperkte rechtspersoonlijkheid. In tegenstelling tot zwaardere samenwerkingsvormen, zoals het openbaar lichaam, heeft het gemeenschappelijk orgaan geen volledige zelfstandigheid.

Het personeel is altijd in dienst van een of meer van de deelnemende gemeenten, wat betekent dat de organisatorische autonomie in dit opzicht beperkt is. Bestuurlijke Structuur en Bevoegdheden Een belangrijk kenmerk van het gemeenschappelijk orgaan is de aanwezigheid van alleen een Dagelijks Bestuur (DB). Deze eenvoudige bestuursstructuur betekent dat er een sterkere sturing vanuit de deelnemende gemeenten vereist is dan bij meer zelfstandige vormen van samenwerking. De deelnemende gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om strategische beslissingen te nemen en toezicht te houden op de uitvoering van de werkzaamheden. Het gemeenschappelijk orgaan heeft echter een beperkte set aan bevoegdheden. Zo kunnen aan het orgaan geen regelgevende bevoegdheden worden gedelegeerd. Dit houdt in dat het gemeenschappelijk orgaan geen bevoegdheid heeft om bijvoorbeeld algemeen verbindende voorschriften op te stellen of belastingen te heffen. Wel kunnen gemeenten beschikkingsbevoegdheden overdragen, wat betekent dat het orgaan in staat is om individuele beslissingen te nemen op basis van de door de gemeenten gedelegeerde bevoegdheden, maar deze bevoegdheden zijn strikt afgebakend. Toepassing en Praktische Relevantie De gemeenschappelijke regeling (GR) op basis van een gemeenschappelijk orgaan wordt vaak toegepast voor enkelvoudige samenwerking of afstemming op specifieke beleidsgebieden.

Het doel is doorgaans coördinatie en samenwerking, zonder dat er sprake is van een diepgaande gedelegeerde autonomie. Voorbeelden van beleidsterreinen waar een gemeenschappelijk orgaan effectief kan functioneren, zijn bijvoorbeeld welzijn of huisvesting. Ondanks de voordelen van eenvoud en beperkte juridische structuur, komt de vorm van het gemeenschappelijk orgaan in de praktijk relatief minder vaak voor, vooral omdat het meer omvangrijke en zelfstandige samenwerkingsvormen zoals het openbaar lichaam vaak praktischer zijn voor meer complexe intergemeentelijke taken. Centrumregeling De centrumgemeente is een samenwerkingsvorm binnen de Wgr waarbij geen nieuw orgaan wordt ingesteld, zoals bij een openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijk orgaan. In plaats daarvan wordt één gemeente aangewezen die bestuursbevoegdheden uitoefent namens de andere deelnemende gemeenten. De uitvoering van deze bevoegdheden kan zowel door bestuursorganen als door ambtenaren van de centrumgemeente gebeuren. Een centrumregeling betreft het mandateren van bestuursbevoegdheden van het ene gemeentebestuur aan het gemeentebestuur van een andere gemeente. Dit betekent dat de centrumgemeente bevoegdheden uitvoert namens de andere gemeenten, zonder dat er sprake is van delegatie. Pagina 25 van 27

Er is dus geen verzelfstandiging van de samenwerking, en de centrumgemeente heeft geen eigen rechtspersoonlijkheid. Enkelvoudige versus Meervoudige Centrumgemeente Er zijn twee varianten van de centrumgemeente-constructie: o Bij de enkelvoudige constructie worden alle bevoegdheden bij de centrumgemeente geconcentreerd, wat vaak voorkomt wanneer een grotere gemeente samenwerkt met kleinere omliggende gemeenten. o Bij de meervoudige constructie worden de beleidsterreinen verdeeld over de deelnemende gemeenten, waarbij elke gemeente de uitvoering van een specifiek beleidsterrein verzorgt. Deze variant komt vaak voor bij gemeenten van vergelijkbare omvang. Mandatering van Bevoegdheden Een belangrijk verschil tussen de centrumgemeente en andere samenwerkingsvormen is dat bij de centrumgemeente uitsluitend sprake is van mandatering van bevoegdheden, niet van delegatie. Dit betekent dat de centrumgemeente de bevoegdheden uitvoert namens de andere deelnemende gemeenten, maar deze bevoegdheden blijven formeel bij de betreffende gemeenten. Omdat bij de centrumgemeente-constructie geen nieuw orgaan met rechtspersoonlijkheid wordt opgericht en geen delegatie van bevoegdheden plaatsvindt, stelt de Wgr minder strenge eisen aan deze samenwerkingsvorm. Er is geen sprake van verzelfstandiging of eigen rechtspersoonlijkheid, wat de administratieve lasten verlaagt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16043421/1