CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing - Terras aan de Schie

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning herbestemmen Stationsplein 235.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Voldoende plancapaciteit voor de bouwproductie van 230.000 woningen tot 2040, aansluitend op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. De productie van ruim 100.000 woningen in de periode 2018-2025, waarvan: o bijna de helft in de gemeenten Den Haag en Rotterdam;

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 26

3.3.2

o een aanzienlijk deel in het betaalbare segment. Evenwichtige verdeling onder doelgroepen en bevordering van spreiding van betaalbare woningen voor lagere en middeninkomens.

Verstedelijkingsalliantie

De gemeenten Rotterdam, Leiden, Zoetermeer, Den Haag, Rijswijk, Delft, Schiedam en Dordrecht hebben zich sinds eind 2017, met het oog op de woningbouwopgave, verenigd in de ‘Verstedelijkingsalliantie’. Deze alliantie is een samenwerkingsverband met de provincie Zuid-Holland en de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. Begin 2018 heeft deze alliantie een pamflet opgesteld, waarin wordt geschetst op welke wijze deze gemeenten de verstedelijkingsopgave (versneld) op zich willen nemen. Gekozen wordt voor een geconcentreerde verstedelijking langs de bestaande infrastructuur; de spoorlijn Dordrecht-Leiden. De woningbouwopgave en de versterking van de economische toplocaties worden in samenhang met investeringen in hoogwaardig openbaar vervoer op een integrale wijze uitgevoerd. Deze aanpak moet er toe leiden dat in deze gemeenten tot 2040 in totaal 170.000 extra woningen worden gerealiseerd, waarvan 150.000 in een (centrum)stedelijk milieu en waarvan 75.000 in de directe nabijheid van treinstations.

3.3.3

Woningmarktafspraken Regio Rotterdam

Begin 2019 hebben 14 gemeenten en 25 woningcorporaties uit de Regio Rijnmond het 'Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030' vastgesteld. Op basis van dit akkoord maken de betrokken gemeenten zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 woningen uit te breiden. Daarnaast zetten de gemeenten en woningcorporaties zich in voor een betere balans van het sociale woningaanbod in de regio. In het Regioakkoord is vastgelegd welke bijdrage iedere gemeente levert aan het behalen van de regionale doelen. In dat kader is afgesproken dat de totale woningvoorraad in Schiedam wordt uitgebreid tot een totaal 40.609 woningen in 2030. Om dit doel te realiseren zullen tot 2030, rekening houdend met de sloop van circa 1.200 verouderde woningen, in Schiedam in totaal 5.062 nieuwe woningen gebouwd worden. Aanvullend wordt, gezien de ambities van de Verstedelijkingsalliantie, bij een tweetal projecten de mogelijkheid gezien voor versnelling (van de laatste fasen), waarmee maximaal 2.200 woningen extra kunnen worden gerealiseerd en de woningvoorraad groeit tot 42.809 woningen. Met de uitbreiding van het aantal woningen wordt gestreefd een meer evenwichtige bevolkingssamenstelling te realiseren.

Om dit doel te bereiken zal de sociale voorraad de komende jaren in absolute aantallen gelijk blijven, maar zal het aandeel afnemen van 64% naar 56% van de totale voorraad. Deze afname is mogelijk doordat in andere regiogemeenten sprake zal zijn van een relatieve toename, waardoor een betere verdeling van de sociale voorraad over de regio ontstaat. De provincie Zuid-Holland heeft op 19 maart 2019 (gedeeltelijk) ingestemd met de regionale woningmarktafspraken en geheel met het Schiedamse bod dat daar onderdeel van is. Relatie tot ontwikkeling Voor de gemeente Schiedam ligt er de komende jaren een stevige opgave om te voorzien in de woonbehoefte. Ruim 5.000 woningen dienen te worden gerealiseerd om aan de afspraken te voldoen. De netto toevoeging van 130 woningen draagt bij aan dit kwantitatieve doel. Voor de kwalitatieve behoefte geldt dat vooral behoefte bestaat aan woningen in het betaalbare en middeldure segment. Aan sociale woningbouw is beperkt behoefte. Hiervoor geldt dat deze behoefte in de regio kan worden opgevangen, waardoor samen met de bestaande goedkope woningen in Schiedam een goede balans in de woningbouw voorraad ontstaat. Hete toevoegen van de beoogde woningen voor het betaalbare en middeldure segment draagt bij aan het creëren van die balans.

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 27

3.4 GEMEENTELIJK BELEID 3.4.1

Stadsvisie Schiedam 2030

Op 28 september 2009 heeft de raad de 'Stadsvisie Schiedam 2030' vastgesteld. Deze Stadsvisie geldt als een structuurvisie als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. De Stadsvisie is tot stand gekomen in samenspraak met veel partijen uit de stad. In dit kader is van december 2008 tot en met april 2009 een interactief traject uitgevoerd met een grote betrokkenheid van burgers, partners, ondernemers en raadsleden. De uitkomsten van dit traject zijn opgenomen in de Stadsvisie. In de Stadsvisie wordt ingezet op het verbeteren van de bestaande woningvoorraad. De woningvoorraad dient te worden verbreed naar doelgroepen die kapitaalkrachtiger zijn en een vergroting van de marktsector mogelijk maken. Hierdoor kan beter worden voldaan aan de vraag van midden- en hogere inkomensgroepen naar een wooncarrière in de stad, wordt de ruimte geboden voor sociale stijging en wordt een impuls gegeven voor een breed en aantrekkelijk voorzieningenniveau.

3.4.2

Woonvisie ‘Groei als kans voor de stad’

Op 29 september 2020 is de woonvisie ‘Groei als kans voor de stad’ vastgesteld. De Woonvisie geeft een actuele kijk op het wonen in Schiedam en beschrijft de koers die de gemeente de komende 20 jaar wil volgen. De belangrijkste ambities van de Woonvisie zijn: groei als kans voor de stad, wooncarrière voor alle Schiedammers, passende en herkenbare woonmilieus, passende woningen, groei van de kwaliteit van de woningvoorraad en de leefomgeving, een veilige en leefbare woonomgeving en verduurzaming van de bestaande bouw en nieuwbouw. Om deze ambities te realiseren gaat de Woonvisie uit van:    

het toevoegen van 6.000 woningen en het vervangen van 1.000 woningen tot 2030; het realiseren van 2.000 passende woningen voor senioren; het gelijk houden van de sociale woningvoorraad (niveau 2018); versterken particuliere woningverbetering, inclusief verduurzamen bestaande woningen.

Schiedam heeft de ambitie om de komende jaren belangrijke tekorten aan passende woningen aan te vullen en daarnaast de sociale voorraad in absolute aantallen gelijk te houden. Het doel is dat er voldoende passende woningen beschikbaar komen om een wooncarrière in Schiedam te kunnen maken. De behoefte bestaat met name uit meer verschillende typen woningen voor Schiedammers die willen doorstromen binnen Schiedam, maar ook het toevoegen van woningtypen die momenteel nog ontbreken in Schiedam. Om in deze behoefte te voorzien zullen binnen de stad aantrekkelijke nieuwe woongebieden worden ontwikkeld, waardoor het woningaanbod afwisselender wordt en de kwaliteit van de leefomgeving stijgt. Relatie tot de ontwikkeling Een van de speerpunten in het gemeentelijk woonbeleid realiseren van een woonvoorraad die de wooncarrière van Schiedammers faciliteert: een markt die aantrekkelijk is voor iedereen van binnen en buiten stad en die aansluit op de behoefte een wooncarrière in Schiedam te kunnen maken. Door extra woningen te realiseren voor (toekomstige) bewoners uit midden en hoge inkomensgroepen, kan de doorstroming op de woningmarkt op gang worden gebracht en worden alle inkomensgroepen bediend. Het omzetten van een tijdelijke naar een permanente woonbestemming en het toevoegen van extra woonlagen heeft een positief effect op de woningvoorraad: er worden netto 130 woningen toegevoegd.

De woningen zijn zelfstandig en bevatten oppervlaktes groter dan 70 m2. Dit zorgt ervoor dat de woningen een zekere kwaliteitsniveau hebben, wat bijdraagt aan een voldoende gedifferentieerde woningmarkt. De woningen worden gerealiseerd in de betaalbare en middeldure klasse en zijn daarmee geschikt voor diverse doelgroepen binnen de genoemde inkomensgroepen. De directe ligging nabij het Station Schiedam draagt daaraan bij, wat de woningen bijzonder geschikt maakt voor bijvoorbeeld jonge starters en ouderen die zijn aangewezen op het openbaar vervoer, terwijl tegelijkertijd geen sprake is van uitsluiting van overige doelgroepen. Zodoende ontstaat gemêleerde samenstelling, wat de levendigheid in de stad en woonkwaliteit Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 28

in de omgeving vergroot. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan op en past binnen de beleidsuitgangspunten zoals opgenomen in de nieuwe woonvisie ‘Groei als kans voor de stad’.

3.4.3

Mobiliteitsvisie ‘Op weg naar de toekomst’

De mobiliteitsvisie ‘Op weg naar de toekomst’ is op 3 november 2020 vastgesteld. De Mobiliteitsvisie heeft als ambitie om bij te dragen aan het realiseren van een leefbare en bereikbare stad, een gezonde en duurzame stad en een sociale en veilige stad. Een aantrekkelijke stad is een stad waar ruimte is voor wonen, ontmoeten, werken en recreëren. Mobiliteit zorgt voor verbinding en kan ontwikkelingen aanjagen. Mobiliteit heeft ook een keerzijde; hoge parkeerdruk, toenemende overlast van binnenstadslogistiek en een groeiend aantal files in en rondom de stad, die de leefbaarheid en bereikbaarheid van de stad onder druk zetten. Tegelijkertijd heeft een goede bereikbaarheid van bedrijven voor werknemers, werkgevers en leveranciers een directe invloed op het vestigingsklimaat en de concurrentiepositie van Schiedam in de regio. De Mobiliteitsvisie geeft een andere, vernieuwende kijk op mobiliteit, met een juiste balans als uitgangspunt. Keuzes die verblijfkwaliteit toevoegen en er tegelijkertijd voor zorgen dat mensen en plekken verbonden blijven. Daarbij wordt meer ingezet op duurzame en ruimteefficiënte vervoersmiddelen, zoals lopen, fietsen en een kwalitatief hoogwaardig OV en worden auto’s en vrachtverkeer zoveel als mogelijk geweerd uit de drukke binnenstad. Tegelijkertijd wordt het eenvoudiger en aantrekkelijker om te kiezen voor alternatieven.

Transportmiddelen zijn verantwoordelijk voor bijna een derde van alle CO2 uitstoot door verkeer en voor meer dan 60 procent van de uitstoot van stikstofdioxide (NO2). De bijdrage hiervan aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en daarmee ook de gezondheid is aanzienlijk. De ambitie is om deze uitstoot terug te dringen, met een sterkere inzet op duurzame en groene alternatieven voor met name het auto- en vrachtverkeer. Bij de sociale component van mobiliteit wordt ingezet op ‘inclusiviteit’: iedereen moet van het mobiliteitsaanbod gebruik kunnen maken. Relatie tot ontwikkeling De nieuwe woontoren Terras aan de Schie wordt gerealiseerd in het centrum van Schiedam, direct naast het station Schiedam Centraal. De situering van de woontoren op deze locatie zorgt voor een uitstekende bereikbaarheid per openbaar vervoer. Tegelijkertijd zorgt de locatie bij het station voor de mogelijkheden de parkeernormen en daarmee het autogebruik van de toekomstige gebruikers te verlagen. De verkeersaantrekkende werking wordt immers voor een deel bepaald door de beschikbaarheid van parkeergelegenheid en alternatieve vervoersopties. Door de ligging direct naast station Schiedam Centrum, is het gebied uitstekend ontsloten middels openbaar vervoer. Het betreft een OV-knooppunt met diverse trein-, bus-, tram- en metroverbindingen. De binnenstad is op 15 minuten lopen en ca.

5 minuten fietsen gelegen. De nabijheid van het OV-knooppunt zorgt ervoor dat forenzen gemakkelijk van A naar B kunnen komen en dat men zich gemakkelijk door en rondom de stad beweegt, zonder daartoe aangewezen te zijn op de auto. Met de mogelijkheid tot het verlagen van de parkeernorm voor deze locatie (zie paragraaf 4.2 van voorliggende rapportage) wordt het gebruik van alternatieve vervoersmiddelen gestimuleerd. Deze stimulans vindt, naast voldoende OV-mogelijkheden, ook plaats door te voorzien in voldoende en geschikte stallingsruimte voor de fiets. In het project is ruimte voor het stallen van in totaal 390 fietsparkeerplekken. Voor 130 woningen betekent dit dat ruimte is voor het stallen van 3 fietsen per woning. Dit omvat een surplus van 1 fietsparkeerplek per woning (norm is 2 pp per woning >50 m2) en dient als compensatie voor het verlagen van de autoparkeernorm. De auto zal echter nooit helemaal uit het straatbeeld verdwijnen, waardoor de bereikbaarheid van de locatie ook per auto belangrijk blijft. In samenwerking met de gemeente wordt onderzocht hoe gedeeltelijk kan worden voorzien in deelmobiliteit. Voor het verwachtte incidentele gebruik van de auto door bewoners en bezoekers richting het centrum geldt dat de locatie ontsloten wordt op de Overschieseweg en de Professor

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 29

Kamerlingh Onneslaan, te bereiken via de aanpalende straten Overschiesestraat, Singel en de Spoorstraat. Voor andere richtingen geldt dat de parkeergarage ontsloten wordt op de Horvarthweg en Brandersbrug. In de nabijheid kunnen gebruikers tevens gemakkelijk de Rijksweg A20 bereiken. Conclusie Het realiseren van de woontoren in de directe nabijheid van station Schiedam Centrum levert een positieve bijdrage aan het stimuleren van alternatief vervoer. Deze stimulans wordt versterkt doordat ter compensatie van het verlagen van de autoparkeernorm, per woning een extra fietsparkeerplek wordt gerealiseerd bovenop de twee parkeerplekken per woning die volgens de reguliere norm nodig zijn. Daarmee wordt een positieve bijdrage geleverd aan het voornemen het autogebruik drastisch te verminderen. Tegelijkertijd is de locatie vanwege de nabijheid van de hoofdinfrastructuur en de aansluiting op de A20 ook goed ontsloten voor toekomstige gebruikers die wel gebruik maken van de auto. De ontwikkeling van woontoren Terras aan de Schie is daarmee in lijn met het gemeentelijk mobiliteitsbeleid.

3.4.4

Ontwikkelingsvisie Stad aan de Schie

De Ontwikkelingsvisie voor de binnenstad is in juni 2012 vastgesteld. Het doel van de visie is het opstellen van een leidraad voor de ontwikkeling van de Schiedamse binnenstad. Omdat het een integrale visie betreft, gaat het niet alleen om ruimtelijke ontwikkelingen, maar ook om de sociale, culturele en economische ontwikkelingen die daarmee samenhangen. De ontwikkelingsvisie biedt heldere kaders, is een inspirerend startpunt en daarmee een uitnodiging van de gemeente richting haar partners om in gesprek te gaan over de verdere ontwikkeling van de binnenstad. In de ontwikkelingsvisie is geconstateerd dat Schiedam goud in handen heeft. In de binnenstad zijn alle randvoorwaarden aanwezig om uit te groeien tot een zeer aantrekkelijk stadscentrum. De basisvoorwaarden daarbij zijn natuurlijk de historische setting, maar ook de vele culturele instellingen, de goede bereikbaarheid, de rijke (branders)geschiedenis en de hoogste molens in de wereld. Het goud van Schiedam is echter voor velen een onontdekte of ondergewaardeerde schat. Daardoor zijn er te weinig mensen in het centrum voor de levendigheid die een aangename binnenstad nodig heeft. De ambitie van de visie is om het aantal mensen in de binnenstad te verhogen. De ontwikkelingsvisie stelt de Schie centraal bij de transformatie van de binnenstad.

De opgave is om de binnenstad weer te koppelen aan de rivier waaraan zij haar ontstaan te danken heeft. In de visie wordt een onderscheid gemaakt naar winkelgebied, gemengd gebied en woongebied. Relatie tot de ontwikkeling De projectlocatie ligt in Schiedam oost en betreft de schil om de binnenstad. Direct ten westen van het projectgebied is de Schie gelegen. In de visie wordt onder meer aangegeven dat het doel is een koppeling te leggen tussen de Overschiesestraat en de Schie, waardoor bezoekers automatisch via deze route de binnenstad in struinen. Het aantrekkelijk maken van het stationsgebied draagt daaraan bij. Het te herontwikkelen gebouw vormt een belangrijke markering van dit gebied aan de looproute langs de Schie. De plint van het gebouw bevindt zich bovendien aan de Schieoever. Daar waar in de huidige situatie nog een onaantrekkelijke restruimte aanwezig is, kan kwaliteit worden toegevoegd door deze ruimte in te richten als buitengebied voor de gebruikers van de woontoren. Het toevoegen van personen in het gebied is eveneens een doel vanuit de visie en levert een bijdrage aan de levendigheid en aantrekkelijkheid van het gebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de ambities zoals gesteld in de Ontwikkelvisie voor de binnenstad. Ontwerpen dragen zorg voor de toevoeging van kwaliteit, zeker met het oog op de westelijk gelegen Schie.

3.4.5

Groenvisie ‘Buitengewoon groen’

De groenvisie ‘Buitengewoon groen’ is op 2 februari 2021 vastgesteld. De Groenvisie sluit aan op de GroenBlauwe Structuurvisie uit 2015 en de daarin gegeven beschrijving van de aanwezige groenstructuren en bijbehorende doelstellingen. Aanvullend op de GroenBlauwe Structuurvisie gaat de Groenvisie dieper in op de waarde van het groen in de leefomgeving. Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 30

Schiedam beschikt over een groot aantal mooie, groene voorzieningen, zoals parken, groene- en blauwe verbindingszones, boomstructuren en groene gebieden in de wijken. Tegen de achtergrond van alle stedelijke ontwikkelingen wordt dit bestaande groen gekoesterd. Verspreid over de stad liggen tal van kansen om het groen als belangrijke pijler voor een aantrekkelijke woon- en leefomgeving niet alleen te handhaven, maar vooral te versterken, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Het ‘groen’ vormt een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke kwaliteit van de stad. Schiedam wil haar kwaliteiten als aantrekkelijke, groene stad beter presenteren en verder uitbouwen. De komende jaren wil de stad werken aan het versterken van de kwaliteit en toekomstbestendigheid van de openbare ruimte. Groen is van groot belang voor de kwaliteit van de openbare ruimte en het tegengaan van wateroverlast en hittestress. Daarnaast draagt groen bij aan het versterken van de ecologische waarde en de biodiversiteit. De kwaliteit en belevingswaarde van het groen wordt uitgebreid door het toevoegen en versterken van groene, ecologische verbindingen tussen de grotere groengebieden. De Groenvisie kent vijf belangrijke pijlers.

Drie pijlers gaan vooral over de kwaliteit van het groen: het behouden en verbeteren van de kwaliteit van het groen, het ontwikkelen van natuur in de stad, zodat de soortenrijkdom van flora en fauna in de stad toeneemt, en de toekomst- en klimaatbestendigheid van het groen. Als gevolg van klimaatverandering is het nodig om kansen te creëren voor waterberging en het tegengaan van hittestress. De twee andere pijlers gaan over het gebruik van groen en de participatie daarin: de waarde van groen voor de stad en het betrekken van inwoners bij het groen. Het gaat hier in de eerste plaats om het versterken van de gebruiksmogelijkheden van groen, zoals spelen, sporten, wandelen, fietsen, ontmoeten en recreëren. Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling van Terras aan de Schie vindt plaats ter plaatse van het bestaande stationsgebied van Schiedam. Direct ten westen van het te herontwikkelen gebouw is de Schieveste gelegen. Voor het overig omliggende gebied geldt dat sprake is een bestaande stedelijke omgeving, met het gebruikelijke stedelijk groen. Dit maakt de ontwikkelmogelijkheden voor groenvoorzieningen in de reguliere vorm beperkt, maar niet onmogelijk. Belangrijk onderdeel van het voorliggende initiatief omvat dan ook het toevoegen van groen op en aan het gebouw, om op die manier een bijdrage te kunnen leveren aan het vergroenen van het gebied.

De voorgestelde maatregelen zijn drieledig: - Begroeide gevels rondom; - Daktuin 15e verdieping - Groene luifel met terras 1e verdieping figuur 16. Groene luifel (links) en daktuin (rechts) (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 31

figuur 17. Groene gevels – impressie vanaf de Schie (DO Van Wilsum Van Loon januari 2021)

Naast dat de voorgestelde maatregelen een positieve impuls op de omgeving van het projectgebied teweeg brengen, vergroot het in belangrijke mate ook de leefbaarheid voor de toekomstige bewoners van Terras aan de Schie. Daarnaast heeft het aan te brengen groen ook een waterbergende functie, zodat een bijdrage kan worden geleverd aan het oplossen van de bestaande problematiek ten aanzien van waterkwantiteit in Schiedam Oost. Tevens kan hiermee een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het vergroten van de biodiversiteit ter plaatse en heeft het een positief effect op het voorkomen van hittestres. Om ook daadwerkelijk groen te realiseren dat het beoogde effect op biodiversiteit teweeg kan brengen, wordt in overleg met de stadsecoloog onder meer bepaald welke soorten dienen te worden aangeplant en hoe deze doelmatig kunnen worden beheerd. Op die manier wordt gewaarborgd dat de inpassing van het groen in dit plan niet alleen wordt gerealiseerd, maar ook in stand wordt gehouden. Conclusie Door groen integraal onderdeel te maken van de planontwikkeling, wordt op diverse vlakken een positief effect gecreëerd als gevolg van de ontwikkeling. Het voorgestelde ontwerp leidt tot een bijdrage aan Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 32

doelstellingen op het gebied van natuurinclusiviteit, waterberging, leefbaarheid en klimaatadaptiviteit. Het plan is derhalve in lijn met de gemeentelijke groenvisie ‘Buitengewoon groen’.

3.4.6

Milieu- en Klimaatbeleid

Op basis van het gemeentelijk milieubeleid wordt gestreefd naar het beperken van de milieuhinder en het verkleinen van de 'milieuruimte' in de stad. De ambitie is daarbij om de in gang gezette milieuverbeteringen minimaal vast te houden en te versterken, een goede balans te vinden en vast te houden tussen verstedelijking en de kwaliteit van de leefomgeving en leefbaarheid en duurzaamheid. Bij de uitwerking van het milieubeleid worden leefbaarheid (gericht op de directe leefomgeving, lokaal), duurzaamheid (gericht op de wereld, mondiaal) en cradle-to-cradle (alle gebruikte materialen kunnen na hun leven in het ene product nuttig worden ingezet in een ander product) als leidende principes gehanteerd. Op 3 november 2020 heeft de gemeenteraad het klimaatbeleid ‘Een wereld te winnen’ vastgesteld. Het Klimaatbeleid bouwt voort op de weg die is ingeslagen met het Programma Duurzaamheid, het Klimaatbeleidsplan 2016-2020 en het Klimaatadaptatieplan. De ambitie is om de uitstoot van broeikasgassen verder te verminderen en te anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering.

Daarbij gelden als belangrijkste doelstellingen:  49% minder uitstaat van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990; in 2050 is Schiedam CO2-neutraal;  iedereen kan meedoen in de energietransitie;  Schiedam is voorbereid op extreme weersomstandigheden;  het vergroten van de biodiversiteit ven het versterken van de ecologische waarde in en buiten Schiedam. Om deze doelstellingen te bereiken wordt verder ingezet op de toepassing van zonne-energie, met als ambitie om in 2030 op 40% van de daken zonnepanelen te hebben. Ook is er ruimte voor andere vormen van hernieuwbare energie-voorziening, zoals windenergie, warmtepompen en warmte-koude opslag. De ambities zijn er op gericht om in 2050 voor wat betreft de woningen volledig aardgasvrij te zijn. Voor nieuwbouw en bij herstructurering geldt daarbij dat voldaan moet worden aan de wettelijke BENG-normen ten aanzien van energiezuinigheid en dat zoveel mogelijk gebruikt wordt van duurzame en/of herbruikbare materialen. Een tweede belangrijke pijler van het Klimaatbeleid is de klimaatadaptatie. Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Ingezet wordt op het hebben van voldoende mogelijkheden voor waterberging in geval van wateroverlast door overvloedige regen, alsmede het beperken van her risico op instabiliteit van kaden en verzakkingen ten gevolge van droogte.

Daarnaast wordt ook gekeken naar ‘vergroenende’ maatregelen om de gevolgen van hittestress bij extreem hoge temperaturen tegen te gaan. Dit laatste draagt, samen met natuurinclusieve maatregelen in de bebouwing, eveneens bij aan het versterken van de biodiversiteit in de stad. Relatie tot ontwikkeling Zoals uit de behandeling van de gemeentelijke groenvisie ‘Buitengewoon groen’ is gebleken, vormt een belangrijk onderdeel van de planontwikkeling het voorzien in voldoende groen. Een groene daktuin, groene luifels en groene gevels rondom, leiden tezamen tot genoemde positieve effecten ten aanzien van hittestress, isolatie, biodiversiteit en waterberging. Met het oog op milieu en klimaat is in aanvulling daarop van belang dat de ontwikkeling uitgaat van de herontwikkeling van bestaande bebouwing, waarbij zoveel mogelijk wordt gezocht naar mogelijkheden voor hergebruik van bestaande materialen. Ook in de nieuw toe te passen materialen zal waar mogelijk worden gekozen voor gebruik van materiaal en/of grondstoffen die in de toekomst hergebruikt kunnen worden. Het handhaven van het bestaande casco past goed in het kader van de ‘’Circulaire economie’’. Door de optopping uit te voeren in houtskeletbebouwing wordt veel extra gewicht voorkomen waardoor extra constructieve ingrepen met het daarbij horende materiaal verbruik wordt vermeden. Door de toepassing van

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 33

hout draagt het gebouw bij aan stikstofreductie, als gevolg van de stikstofopslag in het verwerkte hout alsook een verminderde uitstoot richting de omgeving. De gevels en de daken zullen worden geïsoleerd overeenkomstig de in het Bouwbesluit gestelde eisen. Ook de nieuw te plaatsen (thermisch geïsoleerde) kozijnen zullen allen worden voorzien van thermisch geïsoleerd HR++glas. Het gebouw zal worden voorzien van een all-electric installatie en voldoet daarmee aan het uitgangspunt van fossielvrij bouwen. Ten behoeve van verwarming en warm tapwater wordt het gebouw niet meer voorzien van een gasaansluiting. Ook de horeca en de supermarkt worden niet meer voorzien van een gasaansluiting. Door het toepassen van een WKO installatie zullen alle woningen en de commerciële ruimten een zeer laag energieverbruik hebben en tevens worden voorzien van koeling om in de zomerperiode extra comfort te bieden. Voor het realiseren van de WKO-installatie is gelet op het open systeem geen grondwateronttrekking noodzakelijk. De WKO-installatie valt verder buiten onderhavige procedure. Conclusie Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het project bijdraagt aan de verwezenlijking van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de gemeente Schiedam. Het project is daarmee in lijn met het relevante beleid ter zake.

3.4.7

Nota Horecabeleid Schiedam

In juli 2013 is de 'Nota Horecabeleid Schiedam 2013-2017' vastgesteld. Het uitgangspunt van deze nota is om horecaondernemers zoveel mogelijk ruimte te bieden om hun activiteiten te ontplooien. Zeker nu het economische klimaat minder goed is, wil de gemeente er alles aan doen om horecaondernemers te faciliteren. Waar het kan, zijn er ruimere mogelijkheden en minder regels. Dit draagt bij aan het algemeen streven om een boeiende en bloeiende horeca in Schiedam te hebben, die gericht is op zowel de inwoners van Schiedam als op bezoekers van de stad, en zowel overdag als 's avonds. Dit streven wordt gespecificeerd door in te zetten op diversiteit in soorten horeca, versteviging van het imago van Schiedam als horecastad van formaat en het bevorderen van de 'unique selling points' van Schiedam, zoals het historische centrum. Relatie tot ontwikkeling Het gebiedsgerichte beleid uit de horecanota, welke de leidraad vormt bij de vestiging van nieuwe horecabedrijven, omschrijft op welke locaties de vestiging van nieuwe horeca is toegestaan. Alleen op de plekken die specifiek zijn genoemd in de tabel in bijlage 2 van de Nota is de vestiging van nieuwe horeca toegestaan. In enkele gevallen kan hiervan worden afgeweken. In de tabel is opgenomen dat uitbreiding van horeca ter plaatse het Stationsplein is toegestaan.

Daarbij geldt dat de uitbreiding met horecazaken in de categorie B, C, D1 en E onbeperkt is toegestaan. Welk soort horecabedrijf dat is, is weergegeven in onderstaande uitsnede van tabel 2. Tabel 2. Uitsnede tabel bijlage 2 Schiedams Horacabeleid

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 34

De uitbreiding van horeca op de locatie is toegestaan conform bovenstaande tabel. Daarbij geldt dat het toevoegen van horeca op het Stationsplein een impuls geeft aan de ontwikkeling van de stad, zoals ook in de Stadsvisie Schiedam 2030 (zie paragraaf 3.4.1) wordt nagestreefd. Onderdeel daarvan vormt het voornemen een struingebied te realiseren langs de Schie, zodat aansluiting wordt gevonden met het centrumgebied van Schiedam. Het realiseren van horeca op deze locatie draagt daaraan bij. De combinatie met woningen versterkt dit geheel. Bovendien geldt dat de twee functies niet enkel het struingebied, maar ook elkaar versterken. Zodoende is de horecafunctie niet enkel een waardevolle toevoeging voor bewoners van de woontoren maar ook voor passanten in de omgeving van het stationsgebied. Tegelijkertijd vormt de realisatie van horeca een waardevol element voor het bewerkstellingen van het beoogde struingebied langs de Schie richting het centrum. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met het Schiedams Horecabeleid. Daarnaast leidt de toevoeging van horeca op deze locatie tot een extra impuls in het kader van de Stadsvisie Schiedam 2030.

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 35

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De Ladder voor duurzame verstedelijking is voor het eerst geïntroduceerd in de SVIR en is als motiveringseis verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. Wettelijk kader De Ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in het Bro. Artikel 1.1.1. definieert relevante begrippen:  Bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;  Stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6 van het Bro:  Lid 2: de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Toelichting op gebruik De Ladder is in de Nota van Toelichting (Stb. 2017, 182) gemotiveerd: “Zowel voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen binnen als buiten bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. Uitgangspunt is dat met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, een nieuwe stedelijke ontwikkeling in beginsel in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient dat nadrukkelijk te worden gemotiveerd in de toelichting. Provinciale uitgangspunten De uitgangspunten van duurzame verstedelijking zijn tevens onderdeel van de provinciale Omgevingsverordening. De vereisten wijken echter af van de vereisten uit het Besluit ruimtelijke ordening. De provinciale ladder vereist dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet voorzien in een actuele regionale behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd, en welke plaatsvindt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied.

Ontwikkeling buiten het bestaand stads- en dorpsgezicht is alleen toegelaten in de in de verordening genoemde gevallen en op de genoemde locaties.

Relatie tot ontwikkeling De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 130 appartementen binnen stedelijk gebied. Daarnaast voorziet het plan in commerciële ruimten in de plint en eerste verdieping. Dit programma is voor een deel reeds ingevuld door de bestaande Spar, die in de toekomstige situatie behouden blijft. Voor de woningen en het toe te voegen commerciële programma dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen, omdat de ontwikkeling te typeren is als stedelijke ontwikkeling in de zin van het Bro en de provinciale Omgevingsvisie. Daarbij dient te worden aangetoond dat met de ontwikkeling wordt voorzien in een actuele behoefte, die zo

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 36

nodig regionaal is afgestemd. Daarnaast dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling binnenstedelijk plaatsvindt en zo niet, of de locatie op passende wijze wordt ontsloten. Wonen De projectlocatie is gelegen aan het Stationsplein te Schiedam. De locatie is daarmee gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat enkel de behoefte aan de ontwikkeling hoeft te worden aangetoond, waarbij gelet op het provinciale beleid tevens de regionale afstemming bij de beoordeling dient te worden betrokken. Voor het bepalen van de behoefte is gebruik gemaakt van beschikbaar provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Uit recentelijk gepubliceerde cijfers vanuit de provincie blijkt dat in de regio Rotterdam tot en met 2030 nog ruim 51.000 woningen dienen te worden gerealiseerd om in de (cijfermatige) woonbehoefte te kunnen voorzien. Daarbij is uiteraard ook van belang dat wordt gebouwd conform de behoefte van de eindgebruikers. Aan welk woningtype behoefte bestaat, verschilt per regio. De projectlocatie maakt onderdeel uit van de Samenwerkingsverband Regio Rotterdam. Vanuit dit samenwerkingsverband zijn woningmarktafspraken gemaakt en ondertekend door de 14 regiogemeenten. In dat kader is afgesproken dat de totale woningvoorraad in Schiedam wordt uitgebreid tot een totaal 40.609 woningen in 2030.

Om dit doel te realiseren zullen tot 2030, rekening houdend met de sloop van circa 1.200 verouderde woningen, in Schiedam in totaal 5.062 nieuwe woningen gebouwd worden. Om ten aanzien van de kwalitatieve behoefte een goede balans in de woningvoorraad te creëren is daarbij tevens besloten dat binnen Schiedam het aantal sociale woningen gelijk blijft. De toe te voegen woningen worden hoofdzakelijk in het betaalbare en middeldure segment voorzien, zodat sprake is van een evenwichtige voorraad met voldoende ruimte voor doelgroepen met een hoog sociaal inkomen en middeninkomens. Een van de speerpunten in het gemeentelijk woonbeleid het realiseren van een kwalitatief goede, gedifferentieerde en evenwichtige woningvoorraad die de wooncarrière van Schiedammers faciliteert: een wooncarrière die aantrekkelijk is voor hogere en midden inkomensgroepen van binnen en buiten stad, en die daarmee de doorstroming op de woningmarkt mogelijk maakt. Zodoende bestaat behoefte aan een gevarieerd woningaanbod, zodat bewoners zich kunnen binden en verbonden kunnen blijven voelen aan de stad doordat er goede mogelijkheden bestaan in de wooncarrière, aansluitend op de verschillende behoeftes per levensfase. Daar levert de voorgenomen ontwikkeling een bijdrage aan. Er wordt voorzien in woningen in het betaalbare en middeldure segment in een hoogstedelijke omgeving.

Jonge starters en ouderen die aangewezen zijn op het openbaar vervoer kunnen hier landen. Tegelijkertijd blijven de woningen ook voor andere doelgroepen van diverse huishoudensgrootten interessant. Met de beoogde ontwikkeling wordt dan ook gebouwd naar behoefte. Commercieel programma Het programma bestaat verder uit het toevoegen van ca. 315 m2 horeca en ca. 641 m2 commercieel, waarbij voor de laatste functie gedacht wordt aan een invulling als kleinschalige kantoorlocatie. Op een binnenstedelijke stationslocatie en OV-knooppunt is horeca een veelvoorkomende functie. Voorzien wordt in een tweetal kleinschalige horecavoorzieningen, gericht op de gebruikers van de woontoren en de passanten in het gebied die van en naar het station gaan alsook personen die via de Schie naar het centrum wandelen. Daarbij geldt dat het toevoegen van horeca op het Stationsplein een impuls geeft aan de ontwikkeling van de stad, zoals ook in de Stadsvisie Schiedam 2030 wordt nagestreefd. Onderdeel daarvan vormt het voornemen een struingebied te realiseren langs de Schie, zodat aansluiting wordt gevonden met het centrumgebied van Schiedam. Het realiseren van horeca op deze locatie draagt daaraan bij. Het toevoegen van horeca op deze locatie leidt niet tot leegstand elders in de omgeving of de stad.

Voor kantoren wordt vanuit provinciaal beleid gestreefd naar clustering van kantoren binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties. Daarnaast zijn kantoren mogelijk ter plaatse van OVknooppuntlocaties, waar de locatie gezien de ligging direct bij het station Schiedam Centrum onderdeel van uitmaakt. In principe dient voor de laatste categorie aangetoond te worden dat er behoefte aan het Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 37

toevoegen van een dergelijke functie bestaat, gelet op de beschikbare plancapaciteit in de omgeving. Deze voorwaarde is niet van toepassing op kleinschalige zelfstandige kantoorvoorzieningen tot een maximum van 1.000 m2 bvo. Aangezien voorliggend plan ruimte biedt voor 641 m2 commercieel (mogelijk in te vullen als kantoorlocatie), wordt de voorziening gezien als kleinschalig en hoeft de plancapaciteit in de omgeving niet nader beschouwd te worden. Ook regionale afstemming is niet noodzakelijk. Voor het toevoegen van een dergelijke kleine vestiging wordt aangenomen dat realisatie ervan niet tot leegstand elders in de omgeving leidt. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen. Geconcludeerd kan worden dat het aanbod dat wordt gerealiseerd met voorliggend initiatief aansluit op de behoefte in de regio en de stad Schiedam zelf, dan wel dat de realisatie van de functies niet leidt tot leegstand elders binnen de gemeente of de regio.

4.2 VERKEER EN PARKEREN 4.2.1

Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

4.2.2

Relatie tot ontwikkeling

Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte heeft de gemeente in 2018 het bestemmingsplan “Parkeren” vastgesteld. Door vaststelling van dit bestemmingsplan ontstaat voor de gemeente de mogelijkheid een initiatief of bouwaanvraag te toetsen aan de geldende parkeernormen. De grondslag voor deze toetsmogelijkheid was voorheen opgenomen in de gemeentelijke bouwverordeningen. Deze grondslag is sinds 2018 echter komen te vervallen. Door de parkeernormen te reguleren middels een paraplubestemmingsplan, geeft de gemeente zich de juridische mogelijkheid nieuwe initiatieven aan de parkeernormen te toetsen. Het bestemmingsplan “Parkeren” legt de koppeling met de gemeentelijke Nota Parkeernormen en Mobiliteitsmanagement uit 2017. Aan de hand daarvan kan de parkeerbehoefte voor een nieuwe ontwikkeling worden vastgesteld. In de basis geldt dat dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en dat in deze behoefte dient te worden voorzien op eigen terrein. Autoparkeren Binnen deze ontwikkeling wordt voorzien in een programma voor wonen en commerciële voorzieningen. In totaal wordt voorzien in 130 woningen in het betaalbare (60%) en midden/dure (40%) segment. De commerciële voorzieningen bestaat deels uit een detailhandelsvoorziening (bestaande Spar, ca. 350 m2 winkelvloeroppervlak), horeca (ca. 315 m2 bvo) en kantoor (ca. 641 m2 bvo). tabel 4.

Parkeerbehoefte op basis van gemeentelijke Nota Parkeernormen 2017

Functie

Norm

Aantal

Parkeervraag

Wonen, goedkoop Wonen, midden/duur Detailhandel Café/bar/cafetaria Bedrijfsverzamelgebouw (kantoor) Totaal

0,6 0,7 0,2 0,4 0,9

78 52 350 m2 315 m2 641 m2

46,8 36,4 0,7 1,3 5,8

Mees Ruimte & Milieu | 19295

91

Parkeervraag (dag) 23,4 18,2 0,5 0,5 5,8

Parkeervraag (avond) 42,1 32,8 0,7 1,2 0,0

Parkeervraag (nacht) 46,8 36,4 0,0 1,3 0,3 84,8

Pagina | 38

De totale parkeerbehoefte komt op basis van bovenstaande gegevens op 91 parkeerplaatsen. In deze berekening is rekening gehouden met dubbelgebruik (parkeervraag nacht) van de parkeerplaatsen die ter beschikking moeten worden gesteld aan de kantoren, waarbij in de avondperiode een bezettingsgraad van 5% geldt. Voor horeca kan geen dubbelgebruik worden toegepast. In de berekening is nog geen rekening gehouden met salderen. Wanneer daar rekening mee wordt gehouden, is sprake van een resterende behoefte van 84 (83,7) pp. Dit wordt hieronder toegelicht. Salderen Voor bestaande gebruiksfuncties is in de huidige situatie al sprake van een parkeerbehoefte. Deze parkeerbehoefte kan in mindering worden gebracht op de totale behoefte. Volgens de BAG omvat het huidige gebouw 395 m2 detailhandel, 105 m2 kantoor, en 5.582 m2 wonen. Voor de woonfunctie geldt dat het gebouw wordt gebruikt voor studentenhuisvesting, waar geen parkeernorm voor geldt. Met de woonfunctie kan daarom niet gesaldeerd worden. Voor de detailhandels- en kantoorfunctie geldt het volgende:  

Detailhandel: Kantoor:

395 / 100 * 0,2 = 0,79 105 / 100 * 0,9 = 0,95

Gelet op het bovenstaande kunnen in totaal nog 1,75 parkeerplaatsen in mindering worden gebracht op de parkeervraag als gevolg van salderen met bestaand gebruik. De resterende behoefte bedraagt 84 parkeerplaatsen (83,7). Parkeren op eigen terrein In beginsel dient de parkeerbehoefte te worden opgelost op eigen terrein. In bepaalde situaties is dit echter niet mogelijk. Voor enkele uitzonderingsgevallen heeft de gemeente Schiedam daarom in haar parkeerbeleid afwijkingsmogelijkheden opgenomen. Eén van deze mogelijkheden bestaat op het moment dat binnen 300 meter vanaf de projectlocatie gebruik kan worden gemaakt van een overschot in een naburige parkeergarage. Op 150 meter vanaf de projectlocatie is een bestaande parkeergarage gesitueerd, de ontwikkelaar van onderhavig project is tevens de eigenaar van deze garage. Middels een privaatrechtelijke overeenkomst wordt geborgd dat de benodigde 84 parkeerplekken beschikbaar worden gesteld en ook beschikbaar blijven aan de toekomstige gebruikers. Omdat vanuit de Mobiliteitsvisie ‘Op weg naar de toekomst’ echter ook behoefte bestaat en het verminderen van de vervoersbewegingen in en rondom de stad, wordt er belang aan gehecht waar mogelijk een lagere parkeernorm toe te passen. Het aantal vervoersbewegingen hangt immers voor een groot deel samen met de beschikbare parkeercapaciteit.

Om de parkeernorm omlaag te brengen, dient in voldoende mate te worden voorzien in alternatief vervoer. Voor dit plan kan dat tot uiting komen in optelsom van de volgende alternatieven: 1) Toereikend en hoogwaardig OV, in dit geval direct aansluitend op het projectgebied. De locatie is immers direct naast station Schiedam Centraal gelegen. 2) Het voorzien in extra stallingsruimte voor de fiets, bovenop de reguliere norm. In dit geval wordt voorzien in drie stallingsplekken per appartement. Op fietsparkeren wordt hierna ingegaan. 3) Deelmobiliteit, waarvoor de mogelijkheden momenteel worden onderzocht en besproken met de gemeente. Samenvattend geldt dat middels private afspraken voldaan kan worden aan de berekende parkeernorm (84) voor dit plan. Om de parkeernorm omlaag te brengen, wordt echter gestreefd naar een gecombineerde inzet van alternatieve vervoersmogelijkheden. In overleg met de gemeente zal worden bepaald hoe, met name deelmobiliteit, dit kan worden vormgegeven en wat de invloed daarvan is op de parkeernorm. Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 39

Fietsparkeren De aantrekkelijkheid van deze locatie voor diverse doelgroepen is mede te danken aan de goede bereikbaarheid per openbaar vervoer. Het voorzien in voldoende en veilige gelegenheid voor het stallen fiets, draagt daar nog verder aan bij. Daarnaast is voldoende fietsparkeergelegenheid van belang in verband met de lagere parkeernorm die wordt gehanteerd. Gebruikers van de toren dienen immers over voldoende alternatieven te beschikken. Gelet op deze noodzaak wordt in de kelder en op begane grondniveau voorzien in een fietsenstalling die zal aansluiten op de bestaande fietsenstalling onder het viaduct bij de Horvathweg. De fietsenstalling op eigen terrein voorziet in 390 parkeerplekken voor de fiets, wat neerkomt op 3 parkeerplekken per woning. Dit vormt een surplus van één fietsparkeerplek per woning ten opzichte van de norm (2 parkeerplekken per woning van >50 m2) en dient als compensatie voor het toepassen van een lagere parkeernorm. figuur 18. Fietsparkeren in kelder (links) en BG (rechts)

Laden en lossen Naast het voorzien in voldoende parkeergelegenheid, dient op basis van het Parapluplan “Parkeren” tevens aandacht te zijn voor toereikende laad- en losvoorzieningen. Laden en lossen is binnen dit project aan de orde voor de detailhandels- en horecafunctie. Daarnaast zal laden en lossen ook in beperkte make plaatsvinden voor de kantoorfunctie. Afhankelijk van de functie, vindt laden en lossen plaats via: 

De Horvathweg, waar een verbinding wordt gemaakt met de eerste verdieping van de woontoren. Via deze ontsluiting bereikt men de expeditieruimte voor detailhandel, waar goederen middels een lift naar de begane grond worden gebracht. Ook laden en lossen ten behoeve van de kantoren kan via deze entree plaatsvinden. Voor de woningen kan eveneens gebruik worden gemaakt van deze ontsluitingsoptie. Dit is nodig in verband met laden/lossen pakketdiensten, verhuisdiensten en bezorgdiensten. Het Stationsplein, voor zover het gaat om de horecavoorzieningen. De beoogde horecafuncties in het plan zijn kleinschalig van aard, en kunnen volstaan met levering middels (bestel)busjes. Deze busjes kunnen de vestigingen bereiken over het Stationsplein.

Verkeersgeneratie Voor de berekening van de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie, is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren’ (publicatie 381) van het CROW. Net als bij het bepalen van de

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 40

parkeerbehoefte, kan ook voor het berekenen van de verkeersgeneratie de toekomstige situatie worden afgezet tegen de huidige situatie. Verder dient rekening te worden gehouden met een aantal uitgangspunten voor de berekening, afhankelijk van de functie, de locatie en de stedelijkheidsgraad. De projectlocatie is gelegen aan het Stationsplein in Schiedam. Het gebied ter hoogte van het Stationsplein behoort tot de schil van het centrum. Schiedam betreft, gelet op de omgevingsadressendichtheid, een zeer sterk stedelijk gebied. Per functie is daarom uitgegaan van de verkeersgeneratie binnen de schil van een zeer sterk stedelijke omgeving. tabel 5. Verkeersgeneratie huidige en toekomstige situatie (bron: parkeernormen CROW publicatie 381)

Functie Wonen (gemiddeld) Detailhandel (buurtsuper) Café/bar/cafetaria Kantoor Totaal

Huidige situatie (mvt/e) 104,6 – 309,7 4,2 – 5,9 108,8 – 315,6

Toekomstige situatie (mvt/e) 357,5 – 463,5 116,6 - 344,9 26,0 – 37,0 500,1 – 845,4

Verschil 357,5 – 463,5 12 – 35,2 21,8 – 31,1 391,3 – 529,8

Bovenstaande tabel tonen de aantallen in de huidige en toekomstige situatie. Daarbij wordt opgemerkt dat de gehanteerde publicatie van het CROW geen verkeersgeneratie rekent voor de beoogde horecafunctie in de toekomstige situatie. Voor wonen in de huidige situatie geldt dat sprake is van studentenhuisvesting, waarvoor geen verkeersgeneratie wordt gerekend. Voor de toekomstige situatie is uitgegaan van een gemiddelde van de categorie ‘huur, appartement, duur’ en ‘huur, appartement, midden/goedkoop’. Op basis van de berekeningen neemt de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie toe met minimaal 391,3 en maximaal 529,9 voertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie is echter ook ten dele afhankelijk van de parkeergelegenheid. In verband met de ligging aan het Stationsplein (schil centrum) geldt een relatief beperkte aantal parkeernorm ten opzichte van het programma. Daarnaast dient in aanmerking te worden genomen dat het station Schiedam Centrum in de directe nabijheid gelegen is, waardoor naar verwachting veelvuldig gebruik zal worden gemaakt van het openbaar vervoer. Vermoedelijk zal de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie dan ook lager uitvallen dan nu is berekend.

Op basis van de berekende toename, wordt er echter vanuit gegaan dat de omliggende verkeersinfrastructuur deze toename goed kan afwikkelen en dat deze nauwelijks waarneembaar is door het opgaan in de bestaande verkeersstromen in de omgeving. De parkeergarage ontsluit op de Horvarthweg en de Brandersbrug (50 km/u-wegen), met in de nabijheid tevens de Rijksweg A20. Ontsluiting Door de ligging direct naast station Schiedam Centrum, is het gebied uitstekend ontsloten middels openbaar vervoer. Het betreft een OV-knooppunt met diverse trein-, bus-, tram- en metroverbindingen. De binnenstad is op 15 minuten lopen en ca. 5 minuten fietsen gelegen. Voor het verwachtte incidentele gebruik van de auto door bewoners en bezoekers richting het centrum geldt dat de locatie ontsloten wordt op de Overschieseweg en de Professor Kamerlingh Onneslaan, te bereiken via de aanpalende straten Overschiesestraat, Singel en de Spoorstraat. Voor andere richtingen geldt dat de parkeergarage ontsloten wordt op de Horvarthweg en Brandersbrug. In de nabijheid kunnen gebruikers tevens gemakkelijk de Rijksweg A20 bereiken.

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 41

figuur 19. Ontsluiting projectgebied

4.2.3

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig project.

4.3 ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 4.3.1

Algemeen

Erfgoedwet De Erfgoedwet bevat de geldende wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. De wet regelt tevens de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. De uitvoering van de Erfgoedwet en de integratie van archeologie en ruimtelijke ordening is primair een gemeentelijke opgave. De gemeente is verplicht om in nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Dit volgt uit een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg. De Erfgoedwet is een voorloper op de Omgevingswet, welke naar verwachting in 2021 in werking treedt. Nota Belvedère (1999) Vanuit een ontwikkelingsgerichte visie op de omgang met cultuurhistorie worden in de Nota Belvedère beleidsmaatregelen voorgesteld die tot een kwaliteitsimpuls bij de toekomstige inrichting van Nederland zouden moeten leiden. Doelstelling van de nota is om de alom aanwezige cultuurhistorische waarden sterker richtinggevend te laten zijn bij de inrichting van Nederland. Dit met als doel het aanzien van Nederland aan kwaliteit te laten winnen en tegelijkertijd de onderlinge samenhang van cultuurhistorische waarden op het terrein van de archeologie, gebouwde monumenten en historische cultuurlandschap te versterken.

4.3.2

Relatie tot ontwikkeling

Situatie plangebied archeologie De projectlocatie kent op basis van het vigerende bestemmingsplan grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie -2’ en voor een (zeer) beperkt deel ‘Waarde – Archeologie - 3’. Hiervoor geldt dat archeologisch onderzoek nodig is wanneer grondroerende werkzaamheden plaatsvinden die:

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 42

 

Meer dan 100 m2 beslaan en die dieper reiken dan 0,5 m beneden maaiveld (archeologie 2); Meer dan 200 m2 beslaan en die dieper reiken dan 1,0 m beneden maaiveld (archeologie 3).

De beoogde ontwikkeling betreft in hoofdzaak renovatie en transformatie van de bestaande bebouwing ter plaatse. Voor een beperkt deel wordt buiten de contouren van de bestaande bebouwing getreden. Om een vergelijking te maken van de reeds aanwezige grondroering (incl. kelder) ten opzichte van de nieuwe situatie, is door de architect een vergelijking van de bestaande en nieuwe situatie opgesteld. Deze vergelijking is weergegeven in figuur 16 en toont dat ca. 300 m2 buiten de bestaande grondroering wordt getreden. figuur 20. Oppervlakte grondroering buiten bestaande bebouwing (bron: Van Wilsum Van Loon Architecten)

Gelet op de geplande grondroering buiten de bestaande footprint van het AMEC-gebouw, is met Archeologie van de gemeente Rotterdam (BOOR) de noodzakelijkheid en diepgang van een archeologisch onderzoek op deze locatie afgestemd. Bij brief van 30 september 2020, hebben zij geadviseerd het gebied vrij te geven zonder nadere acties ten aanzien van archeologie. De grondroerende werkzaamheden bestaan uit de herontwikkeling van de bestaande bebouwing, waarbij de bestaande funderingen worden gebruikt. De ingreep overschrijdt bovengenoemde marges van toegestane verstoringsdiepte en verstoringsoppervlakte, maar aangezien er geen nieuw grondverzet plaats vindt, wordt een onderzoek op de planlocatie in het kader van de nieuwbouw niet noodzakelijk geacht. Het advies van BOOR is opgenomen in de bijlage 1 bij voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Situatie plangebied cultuurhistorie Ten aanzien van cultuurhistorie geldt dat het projectgebied niet is aangewezen als beschermd stadsgebied. Het te herontwikkelen gebouw betreft daarnaast geen gemeentelijk- of rijksmonument. Eventuele objecten met cultuurhistorische of monumentale waarden in de (directe) omgeving van de projectlocatie worden door de ontwikkeling niet aangetast. Ook ten aanzien van cultuurhistorie treden derhalve geen belemmeringen op.

4.3.3

Conclusie

Gelet op de benodigde grondroerende werkzaamheden, is archeologisch onderzoek benodigd. Dit onderzoek wordt in gang gezet. Belemmeringen worden vooralsnog niet verwacht. Binnen het projectgebied gelden

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 43

geen bijzondere cultuurhistorische waarden die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling of vice versa. Cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.4 WATER 4.4.1

Algemeen

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het doorlopen van de watertoets verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is, om in overleg tussen de initiatiefnemer en de waterbeheerder aandacht te besteden aan de waterhuishoudkundige aspecten, zodat de waterhuishoudkundige doelstellingen worden gewaarborgd. De uitgangspunten voor het watersysteem dienen op een juiste wijze in het plan te worden verwerkt. Dit betekent voor het waterkwantiteitsaspect dat niet meer water wordt afgevoerd uit het plangebied dan in de situatie voor de ruimtelijke ingreep. Voor de waterkwaliteit betekent dit in ieder geval dat de waterkwaliteit in en om het gebied niet mag verslechteren. Bovendien mogen plannen de grondwatersituatie buiten het plangebied niet negatief beïnvloeden. De projectlocatie is gelegen binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland. Beleid Hoogheemraadschap van Delfland In het Waterbeheerplan 2016-2021 (WBP5) heeft Delfland de lijnen voor de midden en lange termijn vastgelegd. Het is de leidraad voor het handelen van Delfland in de planperiode 2016-2021. Bij de uitvoering van het WBP5 staan de kerntaken voorop: de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater.

Voor deze zorgplicht voor ‘droge voeten’, ‘stevige dijken’ en ‘schoon water’ zijn meerjarenprogramma’s opgesteld die doorlopen in de planperiode tot 2021Delfland voert zijn kerntaken uit ten behoeve van het behouden en verbeteren van de leefomgeving voor inwoners, medeoverheden, bedrijven en de natuurwaarden in het beheergebied. Samen met de gemeenten en andere partners werkt Delfland aan klimaatadaptatie. Een duurzaam en toekomstbestendig watersysteem is vertaald naar zelfvoorzienendheid door het sluiten van kringlopen van water, energie en grondstoffen. Delfland werkt daarnaast ook aan het waterbewustzijn om de kosten van het waterbeheer waar mogelijk te verlagen en het draagvlak te vergroten voor het zelf nemen van maatregelen. Handreiking watertoets In 2012 heeft het Hoogheemraadschap de Handreiking watertoets voor gemeenten vastgesteld en daarna regelmatig geactualiseerd. De Handreiking watertoets geeft inzicht in hoe Delfland de watertoets procedureel en inhoudelijk invult en is bedoeld voor initiatiefnemers (gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars) van een ruimtelijke ontwikkeling op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de landelijke en provinciale regelgeving. Voorkomen moet worden, dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen negatieve effecten hebben op het watersysteem.

Waar mogelijk moeten kansen worden benut om het watersysteem te verbeteren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. Daarnaast vindt Delfland het belangrijk dat bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden met hevigere neerslag door klimaatverandering. De vernieuwde watersleutel van juni 2020 berekent daarom de benodigde waterberging, zowel voor het compenseren van verharding als om gevolgen van klimaatverandering op te vangen. De toets berust op twee uitgangspunten: 1. Standstill-beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Conform het standstill-beginsel mag de kans op wateroverlast niet toenemen als gevolg van het ruimtelijk plan. De initiatiefnemer moet ervoor zorgen, dat de negatieve gevolgen van het ruimtelijk plan worden gecompenseerd. Compensatie moet worden gerealiseerd door middel van bergen óf in het onderdeel van het principe vasthouden-bergen-afvoeren, waarin de verslechtering optreedt. 2. Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.

Mees Ruimte & Milieu | 19295

Pagina | 44

4.4.2

Relatie tot ontwikkeling

De relevante wateronderdelen worden hieronder besproken. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van het vuilwaterriool en wordt afgevoerd naar de Schie. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Met het oog op de waterkwaliteit wordt het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink daarnaast zoveel mogelijk te voorkomen. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Waterkwantiteit De projectlocatie is in de huidige situatie reeds volledig verhard. Van een toename van het verhard oppervlak is dan ook geen sprake. De kans op wateroverlast neemt ten opzichte van de huidige situatie niet toe en er is geen sprake van een verslechtering ten opzichte van de huidige situatie. Een compensatieopgave in verband met een toename van het verhard oppervlak is dan ook niet nodig. Dit betekent dat wordt voldaan aan het leidende ‘Standstill-beginsel’.

Watercompensatie is echter ook van belang met het oog op het ondervangen van het veranderende klimaat, zoals de te verwachten toename van perioden waarin zware regenval plaatsvindt. Vanuit het principe van klimaatadaptie dient dan ook oog te zijn voor waterberging. Een en ander in lijn met het principe ‘Verbeteren’. In voorliggende situatie is van belang dat sprake is van de herontwikkeling (transformatie en optopping) van het bestaande AMEC-gebouw. In dergelijke situaties is, anders dan bij nieuwbouw, geen harde voorwaarde te stellen aan de maatregelen in het kader van klimaatadaptie. Dat neemt niet weg dat initiatiefnemer de nodige inspanningen levert om het maximaal haalbare te realiseren en zo een bijdrage te kunnen leveren aan de klimaatadaptie. Het plan voorziet dan ook in de integratie van groen in de bebouwing, namelijk door het aanleggen van een groene daktuin en groene luifels. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van sedumdakbedekking. Daarbij zijn ook de mogelijkheden onderzocht te werken met grindbakken onder de sedumdakbedekking, zodat met hetzelfde oppervlak meer water kan worden vastgehouden. Gelet op het bijkomende extra gewicht in relatie tot de constructie en de gewenste houtskeletbouw ter plaatse van de opbouw, echter geen mogelijkheid. In aanvulling op de groene daken, wordt waar mogelijk ook groen geïntegreerd in de gevels rondom.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10613420/1