Bijlage 6 Ruimtelijke onderbouwing - Terras aan de Schie
Tekst van het document
Ruimtelijke onderbouwing Project Status Projectnummer Datum Auteur
Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer info@meesruimteenmilieu.nl | www.meesruimteenmilieu.nl | | IBAN NL94ABNA0587770562 | KvK 34237628
Terras aan de Schie Definitief 5.1 19134 18 mei 2021 R. Droogendijk LLB
COLOFON Mees Ruimte & Milieu | Postbus 854 | 2700 AW Zoetermeer 085 – 744 08 38
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 2
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Planologische procedure 1.3 leeswijzer
4 4 4 4
Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1 Projectlocatie 2.2 Projectplan 2.3 Vigerend bestemmingsplan
5 5 5 13
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
16 16 17 26 28
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking 4.2 Verkeer en parkeren 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Water 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Externe veiligheid 4.7 Geluid 4.8 Bodem 4.9 Luchtkwaliteit 4.10 Natuur 4.11 Besluit M.e.r.
36 36 38 42 44 46 47 53 57 58 59 60
Hoofdstuk 5 Beschrijving uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
62 62 62
Hoofdstuk 6 Conclusie ruimtelijke en functionele inpasbaarheid
64
Bijlagen
Advies BOOR, d.d. 20 september 2020 Beoordeling akoestisch onderzoek, DCMR, 27 november 2020 Akoestisch onderzoek, Wolf+Dikken Adviseurs, 29 mei 2020 Ecologische quickscan, Bureau Maerlant, september 2020 Stikstofdepositieberekening, Wolf+Dikken Adviseurs, december 2020
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 AANLEIDING In opdracht van Ultee Bouw en Management BV heeft Mees Ruimte & Milieu een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de gewenste ontwikkeling van een woongebouw met commerciële ruimten en horeca in de plint en eerste bouwlaag. De projectlocatie is gelegen aan het Stationsplein te Schiedam, waar ter plaatse een bestaand kantoorgebouw aanwezig is, het voormalige AMEC-gebouw. De bestaande bebouwing is momenteel in gebruik als tijdelijke woningbouwlocatie. De wens bestaat echter dit tijdelijke gebruik om te zetten naar permanent gebruik als woontoren en commerciële functies. Daarnaast wordt middels een optopping van het hoofdgebouw met een aantal bouwlagen, voorzien in een vergroting van het aantal woningen. Omdat de ontwikkeling niet mogelijk is op basis van het vigerende bestemmingsplan, dient een planologische procedure te worden doorlopen.
1.2 PLANOLOGISCHE PROCEDURE De planologische procedure zal worden doorlopen aan de hand van de omgevingsvergunning ‘planologisch strijdig gebruik’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Aan de hand van die omgevingsvergunning kan van het vigerende regime worden afgeweken. Op grond van art. 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o van de Wabo dient de motivering van het besluit een Goede Ruimtelijke Onderbouwing (GRO) te bevatten. Voorliggend document vormt deze GRO.
1.3 LEESWIJZER In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de projectbeschrijving. Hoofdstuk 3 voorziet vervolgens in de beleidskaders van de verschillende bestuurslagen. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de relevante omgevingsaspecten, beschouwingen van de aspecten worden waar nodig voorzien van een onderbouwing aan de hand van sectoraal onderzoek. Hoofdstuk 5 gaat in op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 6 tot slot, geeft een algehele conclusie op de ruimtelijke en functionele inpasbaarheid van het plan.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 4
Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving 2.1 PROJECTLOCATIE Het projectgebied is gelegen in het oosten van Schiedam, op korte afstand van de binnenstad. In de directe nabijheid van de locatie is station Schiedam Centrum gelegen. De locatie wordt aan de noordzijde begrenst door de Brandersbrug. Ten oosten ligt het Stationsplein, aan de zuidzijde wordt het projectgebied begrenst door de Overschieseweg. De Schiedamse Schie vormt tot slot de westelijke zijde van de planlocatie. figuur 1. luchtfoto projectlocatie
2.2 PROJECTPLAN 2.2.1
Huidige situatie
In de huidige situatie is een gebouw aanwezig dat voorheen in gebruik is geweest als kantoorlocatie. Na de beëindiging van het gebruik als kantoor is het pand leeg komen te staan. In het kader van het Convenant aanpak leegstand kantoren (ook wel bekend als de Transformatiewet) is door gemeente Schiedam een tijdelijke vergunning (geldig tot 2025) verleend ten behoeve van het gebruik als woningen, momenteel in gebruik door studenten.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 5
figuur 2. Bestaande situatie AMEC-gebouw (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Het AMEC-gebouw betreft in de huidige situatie een ‘opgetild’ gebouw, gepositioneerd op palen en met een enigszins gedrukt volume. De horizontale geleding is bepalend in het bestaande gevelbeeld. De invulling van de plint is daarnaast secundair en lijkt los te staan van de hoofdopzet van het gebouw. figuur 3. Analyse bestaand AMEC-gebouw (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Rondom het bestaande gebouw is sprake van een enigszins rommelige situatie met veel gesloten gevels rondom in de plint. Een verbinding met het gebouw vanaf het Stationsplein en het viaduct aan de noordzijde ontbreekt. De trap naar de Horvarthweg kent bovendien een matige kwaliteit. De voorgestelde herontwikkeling van de locatie biedt dan ook kansen om de ruimtelijke uitstraling van het gebouw en de locatie te verbeteren.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 6
figuur 4. Bestaande uitstraling locatie en omgeving (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
2.2.2
Toekomstige situatie
De herontwikkeling van het AMEC-gebouw resulteert in de beoogde nieuwe woontoren ‘Terras aan de Schie’. Een woontoren waarbij een gewenste uitbreiding met nieuwe bouwlagen de zichtbaarheid verbetert en de verhouding tot het volume meer in balans wordt gebracht. De uitbreiding vindt plaats met houtskeletbebouwing (HSB). De gevels van de nieuwe woontoren krijgen een eigen karakter, waarbinnen accenten worden aangebracht door middel van kaders. Daarnaast wordt groen toegevoegd door de toepassing van sedum-dakbedekking en beplanting aan de gevels. De commerciële functies in de plint worden toegankelijk gemaakt door toegang vanaf het Stationsplein (maaiveld) en vanaf de Horvarthweg. De gemeente verzorgt daarnaast de herinrichting van het omliggende openbaar gebied en de vernieuwing van de trap richting de Horvathweg (viaduct). Initiatiefnemer draagt zorg van de aansluiting van het openbaar gebied op ‘Terras aan de Schie (inclusief oplossing oost-west hoogteverschil), waarbij de materialisering wordt afgestemd op het herinrichtingsplan van de gemeente. De herinrichting van het openbaar gebied en de trap, valt verder buiten de strekking van voorliggende aanvraag.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 7
Figuur 5 brengt de bovenstaande basisprincipes in beeld. Hierna wordt het programma en het bouwplan per onderdeel nader toegelicht. figuur 5. Concept van de beoogde transformatie (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Bouwplan Het projectplan bestaat uit de gedeeltelijke sloop van het bestaande bouwwerk, waarna de resterende verdiepingen worden opgetopt met acht nieuwe bouwlagen en een dakopbouw. Een en ander is afgebeeld in figuur 5. De bouwhoogte bedraagt in de toekomstige situatie ca. 52 meter. Inclusief dakopbouw bedraagt de totale bouwhoogte ca. 55,5 meter. figuur 6. Verbeelding bouwlagen bestaande tot en met nieuwe situatie (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Een impressie van de toekomstige situatie is opgenomen in figuur 7, waarop de toekomstige bebouwing en de uitstraling daarvan is opgenomen vanaf resp. het Stationsplein, de Schie en de Horvathweg.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 8
figuur 7. Impressie toekomstige situatie (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Programma Het beoogde programma bestaat uit gezamenlijke (berg)ruimten in de kelder, commerciële ruimten en een fietsenstalling op de begane grond, commerciële voorzieningen op de eerste verdieping en 130 woningen op de daarboven gelegen etages. De commerciële voorzieningen op de eerste verdieping staan nog niet vast. Op dit moment wordt uitgegaan van een invulling met kantoorruimten. Het gebouw wordt afgerond met de dakopbouw, waarvan de gevel terug ligt ten opzichte van het geheel en daarmee niet zichtbaar is vanuit de omliggende openbare ruimte. De dakopbouw krijgt de functie ‘paviljoen’, de gronden daaromheen worden ingericht als daktuin. De indeling van de bouwlagen is als volgt: Tabel 1. Programmering (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Verdieping Kelder
Functies
Omvang (ca./ m2 bvo)
Individuele bergruimten Fietsenstalling
563,5 91
Detailhandel Horeca 1 Horeca 2 Fietsenstalling Algemene ruimten
350 77 237,5 201,5 185,5
Commercieel (kantoor) Algemene ruimten Expeditie
641,5 61,5 20
130 woningen
70 - 76
Paviljoen Daktuin
301 567
Begane grond
Eerste verdieping
Tweede t/m veertiende verdieping Vijftiende verdieping
* Afgerond naar hele of halve waarden
Entree en aansluiting Horvathweg Afhankelijk van de functie zijn er diverse toegangen tot het gebouw. Voor de toegang tot de woningen, wordt op begane grondniveau een entree gerealiseerd aan het Stationsplein. Daarnaast is er een toegangsmogelijkheid via de fietsvoorziening welke aan zal sluiten op de bestaande fietsenstalling onder het viaduct aan de Horvathweg aan de noordzijde.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 9
figuur 8. Begane grond in omgeving (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
figuur 9. Aansluiting Horvathweg (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 10
Via het viaduct wordt tevens een aansluiting gecreëerd op de eerste verdieping van het gebouw. Daardoor ontstaat de mogelijkheid een toegang te creëren voor de commerciële voorziening op de eerste verdieping, met mogelijk een gecombineerde extra toegang voor de bewoners van de woningen. Ter hoogte van de eerste verdieping is daarnaast sprake van een expeditieruimte met een goederenlift naar de begane grond, een en ander ten behoeve van de bevoorrading van de supermarkt. Ook het laden en lossen van de commerciële ruimten op de eerste verdieping vindt plaats via de ontsluiting op de Horvathweg. Laden en lossen ten behoeve van woningen kan eveneens via de ontsluiting op de Horvathweg worden verzorgd. Dit is nodig omdat het parkeren niet op eigen terrein plaatsvindt, maar in een bestaande parkeergelegenheid op korte afstand tot de projectlocatie. Voor pakketbezorges/verhuizers blijft het noodzakelijk de locatie direct te kunnen bereiken, wat via de ontsluiting op de Horvarthweg kan worden verzorgd. De horecavoorzieningen en supermarkt op de begane grond, krijgen elk een eigen toegang voor publiek. De toegangen tot deze voorzieningen en tot de woningen zijn daarmee van elkaar gescheiden. Het bevoorraden van de horecavoorzieningen zal kleinschalig zijn, zodat bestelbusjes de locatie kunnen bereiken via het Stationsplein.
Afvalinzameling In overleg met de gemeente Schiedam is ervoor gekozen de afvalinzameling centraal via ondergrondse afvalcontainers plaats te laten vinden. Deze containers zullen gesitueerd worden in de Overschiesestraat of de Overschiesedwarsstraat. De gemeente Schiedam draagt hier zorg voor. Groen en biodiversiteit Om een bijdrage te leveren aan een vergroening van het stationsgebied en de waterbergingsopgave binnen Schiedam Oost, worden groenvoorzieningen geïntegreerd in het gebouw. Deze maatregelen zijn drieledig: - Woningen langs zuidzijde krijgen plantenbakken met kleine boompjes, ter vergroening van de gevel (zie figuur 8 ter illustratie). - Daktuin 15e verdieping (zie figuur 9, sedum-dakbedekking) - Groene luifel met terras 1e verdieping (zie figuur 9, sedum-dakbedekking) figuur 10. Referentiebeeld begroeide gevels (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Een evidente meerwaarde is een positieve impuls op de omgeving van het projectgebied, maar daarnaast vergroot het in belangrijke mate ook de leefbaarheid voor de toekomstige bewoners van Terras aan de Schie. Daarnaast heeft het aan te brengen groen ook een waterbergende functie, zodat een bijdrage kan worden geleverd aan het oplossen van de bestaande problematiek ten aanzien van waterkwantiteit in Schiedam Oost. Met de voorgestelde toepassing kan daarnaast een belangrijke bijdrage worden geleverd aan het vergroten van de biodiversiteit ter plaatse en heeft het een positief effect op het voorkomen van hittestres. Om ook daadwerkelijk groen te realiseren dat het beoogde effect op biodiversiteit teweeg kan brengen, wordt in overleg met de stadsecoloog onder meer bepaald welke soorten dienen te worden aangeplant en hoe deze doelmatig kunnen worden beheerd. Op die manier wordt niet alleen zorg gedragen voor de aanleg, maar ook voor de intstandhouding ervan. Uit de resultaten van de ecologische quickscan (zie paragraaf 4.11) is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op het gebruik van de stationsomgeving door de vleermuis. Op verzoek van de Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 11
gemeente Schiedam is onderzocht in hoeverre het nieuwe gebouw ‘Terras aan de Schie’ mogelijkheden bevat voor het realiseren van gevelopeningen, zodat het gebouw in de toekomst kan worden benut als verblijfplaats voor de soort. Door de gekozen vormgeving, waarbij nagenoeg overal toepassing wordt gegeven aan glazen gevels en aluminium dakstukken, is het niet mogelijk gebleken invulling te geven aan deze wens. Van negatieve effecten is evenwel geen sprake en met de toepassingen zoals hierboven omschreven wordt ook zonder dat ruimte is voor verblijfsplaatsen voor vleermuizen, een belangrijke bijdrage geleverd aan de versterking van het stedelijk groen en biodiversiteit in de omgeving van het stationsgebied. figuur 11. Groene luifel (links) en daktuin (rechts) (bron: DO Van Wilsum Van Loon, d.d. 23 april 2021)
Duurzaamheid en klimaatadaptie Bij de herontwikkeling worden een aantal maatregelen getroffen die een bijdrage leveren aan duurzaamheid en klimaatadaptiviteit van het beoogde woongebouw ‘Terras aan de Schie’. Hieronder wordt ingegaan op de diverse toepassingen.
Isolatie: De gevels en de daken zullen worden geïsoleerd overeenkomstig de in het Bouwbesluit gestelde eisen. Ook de nieuw te plaatsen (thermisch geïsoleerde) kozijnen zullen allen worden voorzien van thermisch geïsoleerd HR++glas. Fossielvrij bouwen: Het gebouw zal worden voorzien van een all-electric installatie en voldoet daarmee aan het uitgangspunt van fossielvrij bouwen. Ten behoeve van verwarming en warm tapwater wordt het gebouw niet meer voorzien van een gasaansluiting. Ook de horeca en de supermarkt worden niet meer voorzien van een gasaansluiting. WKO-installatie: Door het toepassen van een WKO installatie zullen alle woningen en de commerciële ruimten een zeer laag energieverbruik hebben en tevens worden voorzien van koeling om in de zomerperiode extra comfort te bieden. Circulair bouwen: Het handhaven van het bestaande casco past goed in het kader van de ’Circulaire economie’. Door de optopping uit te voeren in hout (HSB) wordt veel extra gewicht voorkomen waardoor extra constructieve ingrepen met het daarbij behorende materiaalverbruik en logistieke bewegingen worden vermeden. Houtskeletbebouwing staart er bovendien om bekend dat het een bijdrage levert aan de CO2-reductie, enerzijds door minder uitstoot en anderzijds door opslag van uitstoot in het verwerkte hout.
Sedum-dakbedekking en overig groen: De luifel op de eerste verdieping en het dak worden bekleed met sedum-dakbedekking. Hierdoor ontstaan groene daktuinen, die een waterbergende functie kennen een bijdrage leveren aan de groenbeleving op en rond de locatie. Ook wordt daarmee een bijdrage geleverd aan het voorkomen van hittestress, en kan het een meerwaarde betekenen voor
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 12
biodiversiteit. Langs de gevels worden balkons voorzien met plantenbakken waarin kleine boompjes worden aangeplant, zodat de gevels een groene uitstraling krijgen. Ter plaatse van de daktuin op de 15e verdieping, worden eveneens kleine boompjes/beschoeiing aangeplant. Deze ingrepen hebben eveneens een waterbergend effect. Daarmee kan worden geconcludeerd dat sprake is van klimaatadaptief bouwen.
2.2.3
Stedenbouwkundige motivering
Anticiperend op de nieuwe ontwikkelingen, “Kop van de Singel” en “Schieveste” moet het gebouw “Terras aan de Schie” in massa/uitstraling en functie een prominente plek innemen. Levendigheid op het niveau van het Stationsplein en toegankelijkheid op het niveau van de Horvathweg en wonen op de verdiepingen daarboven. Voor het goed functioneren van het gebied is een goede verticale verbinding tussen de niveaus van het Stationsplein en de Horvathweg nodig. De huidige verbinding, de trap, verstopt achter het gebouw, nodigt niet uit. Visueel niet aanwezig en in vorm/afmeting niet passend en daardoor niet “toegankelijk”. De locatie van een nieuw te ontwerpen trap in relatie tot de nieuwe inrichting van het Stationsplein en de Horvathweg zal door de Gemeente ter hand genomen worden. De ruimte die door het verplaatsen van de trap vrijkomt, tussen het gebouw en de ruimte onder de Horvathweg/viaduct, wordt bij het gebouw betrokken. In relatie tot de nieuwe ontwikkelingen is het van belang dat het gebouw meer massa/hoogte krijgt en zich manifesteert in het geheel. Hiervoor worden netto 5 verdiepingen met een terugliggende verdieping toegevoegd. De hoofdmassa wordt ca. 52 m hoog, vergelijkbaar met de aangrenzende nieuwe ontwikkeling “Kop van de Singel. Ook wordt een schil voor o.a. terrassen toegevoegd. Zo krijgt het gebouw meer “body”.
Met een alzijdig gelijke uitstraling, geen voor- en achterkant, wordt het een oriëntatiepunt, passend bij de prominentie locatie. In de kelder is ruimte gereserveerd voor bergruimte t.b.v. de appartementen. Parkeren t.b.v. de appartementen is extern in voorzien. Op de begane grond, grenzend aan het Stationsplein en de Overschiesestraat zijn toegangen voor de ontsluiting van de appartementen, de commerciële ruimten en de fietsenstalling voor de appartementen. De commerciële functies op de eerste verdieping worden hoofdzakelijk ontsloten vanaf de Horvathweg. Tevens zijn hier de toegangen voor de ontsluiting van de appartementen en de expeditie t.b.v. de commerciële functies op de begane grond gesitueerd. Verdieping 2 t/m 14 zijn woonverdiepingen met rondom terrassen. In de terugliggende dakopbouw wordt de uitloop lift/installatie opgenomen met rondom een algemene functie. Op de wat grotere overstekende delen, o.a. de eerste verdieping en dak wordt “groen” verwerkt. Tevens wordt groen verwerkt in verticaal opgaande stroken langs alle gevel van de appartementen. Kleurstelling en verhouding open/dicht zijn herkenbare eigenschappen die refereren aan het oorspronkelijke AMEC-gebouw.
De oorspronkelijke horizontale belijning wordt onderbroken en met de stapeling van witte kaders en “losse” open hoeken met witte kaders manifesteert het gebouw zich nog sterker in elke richting afzonderlijk. De kleuren wit, grijs en het van nature donkere glas komen terug in het nieuwe gebouw in hedendaagse materialisering. Een baken en visueel verbindend element tussen het oude Schiedam en het toekomstige “Schieveste”. Samengevat schikt deze ontwikkeling zich qua maat/schaal en functie goed in zijn omgeving en sluit aan op de omliggende ontwikkelingen met een voor deze locatie markant karakter (architectuur) met afleesbare functies in de gevel.
2.3 VIGEREND BESTEMMINGSPLAN Het vigerend planologisch regime bestaat uit een aantal regelingen, te weten:
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 13
Bestemmingsplan “Oost”, vastgesteld op 27 oktober 2011” Paraplubestemmingplan “Wonen”, vastgesteld op 4 mei 2015 Paraplubestemmingsplan “Parkeren”, vastgesteld op 5 juni 2018
Op basis van bestemmingsplan “Oost” kent de locatie de bestemming ‘Gemengd – 3’. Het grootste deel van de projectlocatie kent daarnaast de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’, een beperkt deel aan de noordzijde is bestemd als ‘Waarde – Archeologie 3’. Er geldt een bouwvlak en een maximale bouwhoogte van 5 en 42 meter. Langs de westelijke zijde van de locatie loopt tevens de dubbelbestemming ‘Waterstaat’ en een functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – trambaan’. De ontwikkeling betreft voor een groot deel transformatie van de bestaande bebouwing, waardoor de contouren van het huidige bouwwerk worden gevolgd en de bebouwing niet binnen laatstgenoemde dubbelbestemming en functieaanduiding wordt opgericht. Het parapluplan “Parkeren” geeft regels ten aanzien van parkeernormen voor het hele grondgebied van Schiedam. Op parkeren en de daartoe geldende regels wordt in paragraaf 4.2 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing ingegaan. Parapluplan “Wonen” is louter opgesteld om eenduidigheid te brengen in de begripsbepalingen voor woningen en heeft in principe geen directe invloed op voorliggende rapportage. Figuur 12 toont een uitsnede van verbeelding behorende bij het bestemmingsplan “Oost”. De projectlocatie is globaal aangeduid in het rood. De van toepassing zijnde artikel(led)en worden hierna besproken, voor zover relevant en daarmee niet limitatief. figuur 12.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Oost” (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Artikel 9 – Gemengd - 3 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd – 3’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. dienstverlening , uitsluitend op de begane grond; b. detailhandel, uitsluitend op de begane grond; c. horeca 1, uitsluitend op de begane grond; d. maatschappelijke voorzieningen, waarbij een kinderdagverblijf / buitenschoolse opvang is uitgesloten; e. kantoren. met daarbij behorende: f. tuinen en erven;
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 14
g. h. i.
ontsluitingswegen en parkeervoorzieningen; groenvoorzieningen; waterlopen en waterhuishoudkundige voorzieningen.
9.2 Bouwregels Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels: a. regels ten aanzien van hoofdgebouwen 1. de gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; 2. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd; 3. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangeduid; Artikel 22 – Waarde – Archeologie – 2 en 3 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde – archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a. de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden. 22.2 Bouwregels In het belang van de archeologische monumentenzorg mogen, in afwijking van het bepaalde bij de andere met de bestemming ‘Waarde – archeologie’ samenvallende bestemming(en): a. ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde - archeologie 2’ geen bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) worden gebouwd waarvan het gezamenlijk oppervlak groter is dan 100 m2 en die dieper reiken dan 0,5 meter beneden het maaiveld; b.
ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde - archeologie 3’ geen bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) worden gebouwd waarvan het gezamenlijk oppervlak groter is dan 200 m2 en die dieper reiken dan 1,0 meter beneden het maaiveld.
Toets aan bestemmingsplan Op basis van bestemmingsplan “Oost” is de realisatie van woonobjecten ter plaatse van de projectlocatie niet toegestaan. Voorts wordt ook horeca op de eerste verdieping beoogd, hetgeen eveneens een strijdigheid oplevert. Naast deze strijdigheden ten aanzien van het gebruik, zijn er ook een aantal strijdigheden met de bouwregels te benoemen. Daarin worden de volgende strijdigheden geconstateerd:
het gebouw overschrijdt van de maximaal toegelaten bouwhoogte (42,0 meter) tot 52,15 meter; de toevoeging van een nieuwe ruimere ‘buitenschil’ heeft tot gevolg dat een deel van het gebouw buiten het bouwvlak valt; de voorziene uitkraging op de tweede verdieping als aansluiting op de Horvathweg is gelegen buiten het bouwvlak; de voorziene uitkraging op de tweede verdieping overschrijdt de ter plekke toegelaten bouwhoogte (5,0 meter) tot 7,9 meter.
Voor het overschrijden van de maximale bouwhoogte bestaan algemene bouw- en afwijkingsregels. De bouwhoogte mag met maximaal 10% worden verhoogd middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. De overschrijding van de bouwhoogte betreft in dit geval meer dan 10% van de maximaal toegestane bouwhoogte. Daarnaast bestaan voor de overige strijdigheden geen (toereikende) binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. De combinatie van strijdigheden zorgt er bovendien voor dat geen gebruik kan worden gemaakt van de Kruimelgevallenregeling zoals opgenomen in artikel 4 van Bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht. Om de genoemde strijdigheden weg te nemen wordt daarom de uitgebreide procedure doorlopen. Bij het doorlopen van de planologische procedure dient tevens rekening te worden gehouden met bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in het gebied. Op dit aspect wordt nader ingegaan in paragraaf 4.3 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 15
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 RIJKSBELEID 3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, vastgesteld 13 maart 2012) is een structuurvisie van het Rijk, waarin zij ambities schetst voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor Nederland in 2040. De SVIR bundelt alle infrastructurele en ruimtelijke onderwerpen in één structuurvisie voor Nederland. Met de SVIR is een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het Rijk in de eerste plaats verantwoordelijkheden over heeft gedragen aan provincies, gemeenten en waterschappen. Op die manier is de decentralisatie ingezet en brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat. Het Rijk zit daarmee zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten en richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de belangen voor Nederland als geheel. Door te kiezen voor de selectieve inzet van het Rijksbeleid op 13 nationale belangen, krijgt de overheid de ruimte om haar hoofddoelstelling na te streven: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Die nationale belangen betreffen de internationale concurrentiepositie, het gebruik van de ondergrond, het behouden en versterken van vervoer- en transportsystemen, de milieukwaliteit, de waterveiligheid en zoetwatervoorziening en behoud en versterken van natuur en cultuurhistorische waarden.
Verder blijft het Rijk uiteraard verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Voor het juridisch borgen van de nationale belangen uit de SVIR heeft het Rijk, op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), twee besluiten waarmee dat mogelijk is. Het gaat om het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Relatie tot ontwikkeling De ontwikkeling voorziet in de gebruikswijziging en optopping van de bestaande kantoorlocatie, waarmee een woongebouw mogelijk wordt gemaakt op het Stationsplein te Schiedam. De ontwikkeling raakt niet aan één van de genoemde nationale belangen die middels de SVIR worden gediend. Het beleid hierover wordt daarom overgelaten aan de provincie en gemeente.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk rijksbeleid te borgen en legt daarmee nationale ruimtelijke belangen vast. De ruimtelijke onderwerpen van nationaal belang zijn daardoor beperkt. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. In hoofdstuk 2 van het Barro is, om de nationale belangen te beschermen per onderwerp (één onderwerp per titel) aangegeven welke beperkingen er per welk (ruimtelijk) gebied gelden. Conclusie In het Barro zijn geen onderwerpen opgenomen die een raakvlak kennen met het projectgebied. Het Barro legt derhalve geen restricties op aan deze specifieke ontwikkeling en het projectgebied waarbinnen de ontwikkeling plaatsvindt. Het Barro vormt dan ook geen belemmering voor de realisatie van de woontoren met commerciële voorzieningen.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 16
3.1.3
Besluit ruimtelijke ordening (Bro)
Het Bro stelt vanuit de Rijksverantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening juridische kaders aan de processen van ruimtelijke belangenafweging en besluitvorming bij de verschillende overheden. Onderwerpen zoals Ladder voor duurzame verstedelijking en de proceseisen voor goed ontwerp, aandacht voor de waterhuishouding (watertoets), het milieu en het cultureel erfgoed zijn allen geborgd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De relevante onderwerpen voor onderhavig project worden behandeld in hoofdstuk 4, waarin de diverse omgevingsaspecten worden behandeld.
3.2 PROVINCIAAL BELEID Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kader stellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma's en –plannen, zoals het Programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hieraan geven zij richting door het maken van samenhangende beleidskeuzes, die volgen uit de provinciale opgaven. Deze beleidskeuzes werken door naar uitvoeringsprogramma's en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma's en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Voor het Programma Ruimte geldt dat delen van de voorgaande versie thans zijn opgegaan in de Omgevingsvisie. Het resterende deel van het Programma Ruimte maakt onderdeel uit van het Omgevingsbeleid.
Omdat de relevante onderdelen voor voorliggend bestemmingsplan zijn overgegaan naar de Omgevingsvisie, wordt het Programma Ruimte in deze provinciale beleidsparagraaf niet nader besproken. In de navolgende paragrafen wordt daarom enkel ingegaan op de Omgevingsvisie Zuid-Holland en de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.2.1
Omgevingsvisie Zuid-Holland
De Omgevingsvisie Zuid-Holland (hierna: Omgevingsvisie) is per 1 april 2019 in werking getreden en laatst gewijzigd per 1 juli 2020. Zoals eerder aangegeven is het centrale doel van het integrale omgevingsbeleid het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het samenvoegen van al het bestaande beleid voor de fysieke leefomgeving heeft de provincie een eerste stap gezet richting een meer integrale sturing op omgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Met het oog op de invoering van de Omgevingswet in 2021 wordt dit verder ontwikkeld. De basis hiervoor is gelegd in de volgende onderdelen van 'omgevingskwaliteit': 1. Een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken. 2.
Een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, waarin ook aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. De leefomgevingstoets is agenderend voor verdere beleidsontwikkeling. Hiertoe implementeert de provincie een integrale beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit voor toekomstige kwaliteitsverbetering. 3. Een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. De provincie beschikt al enige tijd over de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit', behorende bij zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 17
Provinciaal beleid en opgaven Omgevingskwaliteit Voor het realiseren van een goede Omgevingskwaliteit werkt de provincie vanuit twaalf provinciale 'Opgaven Omgevingskwaliteit'. De daarmee samenhangende provinciale beleidskeuzes zijn in die opgaven geclusterd. De twaalf opgaven zijn:
Landschap en cultuurhistorie; gezondheid en veiligheid; natuur en recreatie; ruimte en verstedelijking; wonen; bodem en ondergrond;
cultuurparticipatie en bibliotheken; klimaatadaptie; zoetwater en drinkwater; bereikbaarheid; regionale economie; energievoorziening.
Relatie tot ontwikkeling Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn een aantal beleidskeuzes zoals genoemd in de Omgevingsvisie van belang. Het betreft de volgende beleidskeuzes: 1. behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit; 2. energietransitie binnen de bebouwde omgeving; 3. stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied; 4. verstedelijking en wonen. 1. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een ‘ja, mits-beleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Voor dit onderdeel is de toetsing aan de kwaliteitskaart van belang. Nadere toelichting hierop en toetsing aan de kwaliteitskaart vindt plaats verderop in de provinciale beleidsparagraaf. 2. Energietransitie binnen de bebouwde omgeving Het doel is op termijn een duurzame en CO2-neutrale samenleving en voorziening in de energiebehoefte. Voor nieuwbouw van woningen en andere gebouwen geldt daarom dat deze energie neutraal of energieleverend worden uitgevoerd. Bestaande bebouwing wordt gereed gemaakt voor de energietransitie.
In voorliggend geval betreft de ontwikkeling hoofdzakelijk transformatie van een bestaand gebouw. Daarbij gelden andere eisen ten aanzien van duurzaamheid. Niettemin wordt het gebouw ‘all electric’ uitgevoerd en wordt voorzien in luchtwarmtepompen. Daarnaast wordt uiteraard voldaan aan de eisen zoals verwoord in het Bouwbesluit. 3. Stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand Stads- of dorpsgebied In lijn met de maatschappelijke behoefte zet de provincie in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Indien een gemeente een ruimtelijke ontwikkeling wil realiseren, wordt de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 18
figuur 13. Situering projectgebied (rood omrand) binnen bestaand stadsgebied
Het plangebied is volledig gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Door herontwikkeling van de voormalige kantoorlocatie wordt de bebouwde ruimte goed benut. Omdat wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen te worden. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van voorliggende ruimtelijke onderbouwing. 4. Verstedelijking en wonen De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gerealiseerd waar de behoefte zich manifesteert. Het uitgangspunt daarbij is dat de juiste woning op de juiste plek (op juiste moment) wordt gerealiseerd. Dat gaat allereerst over dat gebouwd wordt naar behoefte. De bouw van nieuwe woningen moet bijdragen aan de bestaande woningvoorraad, de (sub)regionale schaal van woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend. Daarnaast gaat het over woningen zo te bouwen, in samenhang met investeringen in infrastructuur, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving dat dit bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waar de provincie voor staat. Er dient dus te worden gebouwd naar behoefte.
Daarnaast wordt primair ingezet op bouwen binnen bestaand Stads- en dorpsgebied (zie ook de toelichting onder ad 3) en dient bouw bij voorkeur georiënteerd te zijn op hoogwaardig openbaar vervoer en dient de potentie van energietransitie en klimaatadaptie te worden benut. Ook komt hier de toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking weer aan bod. Regionale woonvisie Gemeenten stellen in regionaal verband woonvisies vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Een regionale woonvisie vormt het kader voor en dient de onderbouwing te geven van het regionale woningbouwprogramma. Voor de provincie is de Woningmarktverkenning Zuid-Holland het uitgangspunt voor gesprek over de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte met de regio's. Dit woningbehoefteonderzoek wordt iedere drie jaar geactualiseerd. De laatste actualisatie vond plaats in 2019. Begin 2019 hebben 14 gemeenten en 25 woningcorporaties uit de Regio Rijnmond het 'Regioakkoord Nieuwe Woningmarktafspraken Regio Rotterdam 2018-2030' vastgesteld. Op basis van dit akkoord maken de betrokken gemeenten zich samen sterk om het aantal woningen in de regio Rotterdam met 54.000 woningen uit te breiden. Daarnaast zetten de gemeenten en woningcorporaties zich in voor een betere
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 19
balans van het sociale woningaanbod in de regio. In het Regioakkoord is vastgelegd welke bijdrage iedere gemeente levert aan het behalen van de regionale doelen. In dat kader is afgesproken dat de totale woningvoorraad in Schiedam wordt uitgebreid tot een totaal 40.609 woningen in 2030. Om dit doel te realiseren zullen tot 2030 in Schiedam in totaal 5.062 nieuwe woningen gebouwd worden. Met de uitbreiding van het aantal woningen wordt gestreefd een meer evenwichtige bevolkingssamenstelling te realiseren. Om daarnaast een meer evenwichtige bevolkingssamenstelling te creëren, zal de sociale voorraad de komende jaren in absolute aantallen gelijk blijven, maar zal het aandeel afnemen van 64% naar 56% van de totale voorraad. Deze afname is mogelijk doordat in andere regiogemeenten sprake zal zijn van een relatieve toename, waardoor een betere verdeling van de sociale voorraad over de regio ontstaat. De provincie Zuid-Holland heeft op 19 maart 2019 ingestemd met het Schiedamse bod als onderdeel van de regionale woningmarktafspraken. De netto toevoeging van 130 woningen draagt bij aan het kwantitatieve doel. Voor de kwalitatieve behoefte geldt dat vooral behoefte bestaat aan woningen in het betaalbare en middeldure segment.
De ontwikkeling gaat uit van woningen in het genoemde segment, zodat ook een bijdrage wordt geleverd aan het verwezenlijken van de gewenste balans in de bevolkingssamenstelling. De ontwikkeling is daarmee in lijn met het regionaal woonbeleid. 3.2.1.1
Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland
De essentie van 'verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit' is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten aan toevoegen die te maken hebben met de samenleving van vandaag. De provincie Zuid-Holland beschikt al enige tijd over een kwaliteitskaart, die van belang is voor de derde rode draad (verbeteren ruimtelijke kwaliteit). De kwaliteitskaart is voor de provincie een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De kaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De uitwerking hiervan op kaart is niet uitputtend, noch uitsluitend. De kaart biedt hiermee geen oplossingen, maar is een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. De kaart biedt inzicht in de bestaande ruimtelijke kwaliteiten; het toevoegen van nieuwe kwaliteiten kan een verrijking zijn van de ZuidHollandse ruimte.
Zuid-Holland bestaat uit een scala aan gebieden en kenmerken. Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen: 1. 2. 3. 4.
Laag van de ondergrond Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Laag van de stedelijke occupatie Laag van de beleving
Voor iedere plek is een aantal lagen van toepassing. Het is dan ook van belang die lagen en de bijbehorende richtpunten in samenhang te beschouwen. Kwaliteitskaart en richtpunten vormen een belangrijk en richtinggevend onderdeel van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen worden getypeerd als inpassing, aanpassing of transformatie. Inpassing, aanpassing of transformatie De provincie maakt onderscheid in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing of transformatie. De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt betreft woningbouw in het bestaande centrum van Schiedam. Het plan kan daarom worden getypeerd als inpassing, een ontwikkeling die sterk
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 20
aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten. Toets aan de kaartlagen Op het projectgebied is een tweetal kaartlagen van toepassing. Het gaat om de laag van de ondergrond (kaartlaag I) en de laag van de stedelijke occupatie (kaartlaag III). Hieronder wordt per kaartlaag in kaart gebracht welke onderdelen en richtpunten van toepassing zijn. Per kaartlaag vindt een toetsing plaats aan de richtpunten. Niet alle richtpunten zijn van toepassing op de projectlocatie in relatie tot de ontwikkeling. Enkel de relevante richtpunten worden behandeld in de toetsing. I Laag van de ondergrond Deze laag (figuur 10) gaat over de grondslag van de provincie en natuurlijke (landschapsvormende) processen. De laag bestaat uit de bodem, de geomorfologische kenmerken en het water.
Binnen ZuidHolland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten hiervan en de kleicomplexen en wateren van de delta. figuur 14. Uitsnede Kaart I Laag van de ondergrond
Ter plaatse van de projectlocatie komen twee onderdelen naar voren: 1. Bijzonder reliëf – oude stroomgordels en geulafzettingen. 2. Rivierdeltacomplex – jonge zeeklei. Bijzonder reliëf Zuid-Holland is, uitgezonderd de duinen en de dijken, relatief plat. Binnen dit platte land is nog een aantal bijzondere, natuurlijke hoogteverschillen te vinden. Het betreft strandwallen in de kustzone, oude stroomruggen, kreken en geulafzettingen, rivierduinen met donken en oude bovenlanden met restveen. Vanwege de hogere ligging waren deze plekken aantrekkelijk voor (pre)historische bewoning. Het zijn vaak plekken van grote archeologische en aardkundige waarde. Behoud van dit reliëf houdt de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het gebied in stand. Op de Kwaliteitskaart zijn de genoemde aardkundige structuren met archeologische waarde globaal aangegeven.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 21
De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Richtpunten: Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Rivierdeltacomplex Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. Jonge zeeklei De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.
Richtpunt: Ontwikkelingen dragen bij aan het behoud van ruimte voor dynamische natuurlijke processen en zoetzoutovergangen in de Deltawateren en natuurlijke buitendijkse gebieden. Toetsing kaartlaag De ontwikkeling betreft de renovatie en transformatie van bestaand vastgoed in een stedelijke omgeving. Bijzondere structuren die nog zichtbaar zijn in de omgeving van het projectgebied en de ontstaansgeschiedenis aftekenen, worden derhalve niet aangetast door de beoogde ontwikkeling. De aard van de ontwikkeling maakt tegelijkertijd dat het meer herkenbaar maken van genoemde structuren niet tot de mogelijkheden behoort, daar het plangebied zich enkel beperkt tot de bestaande bebouwing. Ten westen van het projectgebied is de Schiedame Schie gelegen, die uiteindelijk richting het zuiden uitmondt in de Nieuwe Maas. Rivierdeltacomplexen in de omgeving van de projectlocatie of in de omgeving van Schiedam als geheel, ondervinden geen hinder van de voorgenomen ontwikkeling. De richtpunten die voor dergelijke gebieden gelden, gelden daarom niet voor deze ontwikkeling. III Laag van de stedelijke occupatie Zuid-Holland is een dynamisch gebied met veel steden en dorpen. Ook de bebouwde ruimte en de wijze waarop deze is ontstaan en gegroeid zijn zichtbaar geënt op de drie deltalandschappen.
Dit heeft geleid tot specifieke kwaliteiten (bijvoorbeeld Den Haag als herkenbare kuststad en Rotterdam als karakteristieke rivierstad). Het voortbouwen op de eigen identiteit van steden en dorpen, in relatie tot het landschap, zorgt voor herkenbare en onderscheidende woon- en werkmilieus. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. Zo kunnen ontwikkelingen bijdragen aan versterking van levendige centra en interactiemilieus.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 22
figuur 15. Uitsnede kaart III Laag van de stedelijke occupatie
Binnen deze kaartlaag is ter plaatse van het projectgebied onderdeel 'Steden en dorpen' van toepassing. Hierbinnen wordt onderscheid gemaakt tussen Steden, Dorpen, Hoogbouw, Historische kernen en Bedrijventerreinen. Voor voorliggende ontwikkeling is het gestelde ten aanzien van steden van belang. Steden Kenmerken als de identiteit van de plek (historische, culturele, toeristische en ruimtelijke kenmerken), de geografische strategische ligging in het stedelijk netwerk en de aanwezige en nieuwe economische dragers maken van iedere stad en ieder centrum in het systeem een unieke plek met een eigen (ruimtelijke) karakteristiek. Een brede waaier aan woon- en werkmilieus is een belangrijke voorwaarde voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Als herstructurering, transformatie of verdichting plaatsvindt binnen de stad, dan draagt dit bij aan de versterking van de ruimtelijke karakteristiek. Bij nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de groen- en waterstructuur als onderdeel van het stads- en dorpsontwerp. De hoogstedelijke centrumgebieden kennen een hoge bereikbaarheid en sterke identiteit. Ze bieden plaats aan (inter)nationale voorzieningen en bijzondere stedelijke woonmilieus. Richtpunten Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.
Hoogteaccenten (waaronder hoogbouw) vallen zoveel mogelijk samen met centra (zwaartepunten) en interactiemilieus in de stedelijke structuur. Daar waar hoogbouw niet samenvalt met “zwaartepunten” in de stedelijke structuur geeft een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht in de effecten, invloed en aanvaardbaarheid van hoogbouw op de (wijde) omgeving. Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Een nieuwe uitbreidingswijk bouwt voort op het bestaande stads- en dorpsgebied en versterkt de overgangskwaliteit van de stadsrand (zie stads- en dorpsranden). Cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en stedenbouwkundige patronen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd. Het eigen karakter van het historisch centrum wordt versterkt. Historische centra en kernen blijven ervaarbaar vanuit het omringende gebied. Bij bedrijventerreinen krijgt de beeldkwaliteit van de randen, een goede ontsluiting en de samenhang met de omgeving extra aandacht.
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 23
Toetsing kaartlaag De projectlocatie maakt onderdeel uit van de stad Schiedam en is gelegen naast NS station Schiedam Centrum. De beoogde ontwikkeling voorziet in renovatie en transformatie van de bestaande bebouwing ter plaatse van het projectgebied. Het gebouw is een belangrijke markering van het stationsgebied aan de looproute langs de Schie. De uitstraling van het bouwwerk en de directe omgeving verbetert door de voorgenomen ontwikkeling en brengt daarmee meer kwaliteit in het gebied. Waar nu een enigszins verouderd bouwwerk staat, is in de toekomst sprake van een woongebouw gecombineerd met een aantal andere functies dat beantwoord aan de eisen van deze tijd. Van een cultuurhistorisch waardevolle bebouwing is geen sprake. Gelet op de aard van de ontwikkeling vindt ook geen wijziging plaats in de stedenbouwkundige patronen en structuren.
3.2.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Onderdeel van het provinciale omgevingsbeleid is ook de Omgevingsverordening, eveneens in werking getreden in april 2019. De verordening is vastgesteld met het oogmerk van juridische doorwerking van een deel van het omgevingsbeleid en bevat daarom regels voor bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening gaat geeft de regels voor bestemmingsplannen, waarbij art. 6.9 ingaat op de ruimtelijke kwaliteit en art. 6.10 op stedelijke ontwikkelingen. Voor de mogelijke kantoorfunctie in het plan wordt bovendien ingegaan op art. 6.11. De artikelen (dan wel artikelleden) uit de Omgevingsverordening die van belang zijn voor de voorgenomen ontwikkeling, worden achtereenvolgens behandeld. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit Lid 1 Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: 1. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); 2.
als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: a. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en; b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; 3. als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: a. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en b. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid. Artikel 6.10 Ladder voor duurzame verstedelijking Lid 1 Ladder voor duurzame verstedelijking Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: 1. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; 2.
in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of 3. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen
Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 24
4.
van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.1 van toepassing is, en zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare.
Artikel 6.11 Kantoren 1. Een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe kantoren op gronden: a. binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II; b. binnen de OV-knooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de plaats indicatief geometrisch en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op de desbetreffende locatie; c. binnen de bijzondere locaties, waarbij de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 10 in bijlage II, mits passend in het profiel van deze locaties. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met een actuele regionale visie die is aanvaard door gedeputeerde staten; b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m² per vestiging; c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto vloeroppervlak dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling
Hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening gaat in op de begrenzing en aanwijzing van de fysieke leefomgeving. Onder andere regels ten aanzien van water(veiligheid) zijn daarin opgenomen. Artikel 2.2 wijst de regionale waterkeringen aan, zoals verbeeld op kaart 3 bij de Omgevingsverordening en nader uitgewerkt in de Legger van het Hoogheemraadschap van Delfland. Hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening gaat in op de leefomgevingskwaliteit en geeft de van toepassing zijnde (veiligheids)normen voor de waterkeringen in beheer van het Hoogheemraadschap. Gemeenten dienen op grond van afdeling 6.2 in bestemmingsplannen de waterkeringen en bijbehorende beschermingszones te duiden. Indien sprake is van een mogelijke invloed op de waterkeringen, dient een verantwoording te worden opgenomen. Artikel 2.2 Aanwijzing regionale waterkeringen Regionale waterkeringen zijn gebieden waarvan de plaats indicatief is verbeeld op kaart 3 in bijlage II en die nader zijn bepaald in de legger, bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet.
Artikel 6.22 Regionale waterkeringen 1. Een bestemmingsplan voor gronden waarop een regionale waterkering ligt als bedoeld in artikel 2.2, bestemt die waterkering als zodanig. Mees Ruimte & Milieu | 19295
Pagina | 25
2. 3. 4.
5.
Een bestemmingsplan voor gronden die deel uitmaken van een beschermingszone langs een regionale waterkering, bestemt die beschermingszone als zodanig of duidt die als zodanig aan. Voor het bepalen van de omvang van de gronden, bedoeld in het eerste lid en in het tweede lid, wordt uitgegaan van de door de beheerder van de waterkering vastgestelde legger. Met betrekking tot de gronden waarop een regionale waterkering of een beschermingszone ligt, kan een bestemmingsplan worden vastgesteld dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt voor zover bij de verwezenlijking daarvan geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het onderhoud, de veiligheid of de mogelijkheden voor versterking van de regionale waterkering. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het vierde lid wordt advies gevraagd aan de beheerder van de waterkering.
Relatie tot de voorgenomen ontwikkeling Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit, geldt het project aan te merken is als 'inpassen'. Er wordt immers niet voorzien in een wijziging op structuurniveau, de ontwikkeling past bovendien binnen de aard en schaal van het gebied en in paragraaf 3.2.1.1 heeft toetsing plaatsgevonden aan de kwaliteitskaart, waaruit is gebleken dat het project voldoet aan de relevante richtpunten. Voor de ontwikkeling geldt verder dat de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen dient te worden. Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 4.1 van voorliggende onderbouwing. Daarin wordt de behoefte aan de diverse functies te worden aangetoond, waarbij voor de mogelijke kantoorfunctie binnen het plan artikel 6.11, tweede lid, onder b van de verordening van belang is. Voorzien wordt in commerciële ruimten op de eerste verdieping van het woongebouw, waarbij gedacht wordt aan een invulling als kleinschalige kantoorlocatie. In totaal is ruimte voor ca. 650 m2 bvo. Kleinschalige zelfstandige kantoren tot een bruto vloeroppervlak van 1.000 m2 is toegestaan, zonder dat daartoe de behoefte ten opzichte van de beschikbare plancapaciteit hoeft te worden aangetoond. Het projectgebied is tot slot gelegen in de nabijheid van de regionale waterkering langs de westelijk gelegen Schie.
Voor onderhavig project geldt echter in de eerste plaats dat de bebouwing niet gelegen is binnen de beschermingszone. Daarnaast is van belang dat de ontwikkeling uitgaat van de herontwikkeling van bestaande bebouwing. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee geen negatieve invloed op de waterkering en bijkomende veiligheidsaspecten. Conclusie De Omgevingsverordening vormt gelet op het bovenstaande geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.3 REGIONAAL BELEID 3.3.1
Woondeal Zuidelijke Randstad
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de provincie Zuid-Holland, de gemeenten Den Haag, Rotterdam, Leiden, Dordrecht en de gemeenten van de Bestuurlijke Tafel Wonen Haaglanden en het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam (waaronder de gemeente Schiedam) hebben de Woondeal Zuidelijke Randstad gesloten. De woondeal is een wederzijdse erkenning van de kwantitatieve én kwalitatieve opgaven in de zuidelijke randstad; een gebied waar de spanning op de woningmarkt het grootst is. In de woondeal zijn, als startpunt voor een meerjarig samenwerkingstraject, de wederzijdse verantwoordelijkheden en inspanningen voor die opgaven vastgelegd. Doel van de woondeal is om op korte termijn tot doorbraken te komen voor de kwantitatieve én kwalitatieve opgaven in de gebieden waar de spanning op de woningmarkt het grootst is. Gemeenten en provincie zetten zich in voor: