CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 CE Delft 230280 Monitoring klimaatbeleid Schiedam Achtergrondrapport

Gemeenteraad 26 mei 2026, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsinformatiebrieven van het college van burgemeester en wethouders, dan wel de burgemeester, dan wel collegeleden:12.882 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam Achtergrondrapport

CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam Achtergrondrapport

Dit rapport is geschreven door: Suzanne Breman, Marijke Meyer, Sander Raphaël en Simone Tanis Delft, CE Delft, april 2024 Publicatienummer: 24.230280.056b Opdrachtgever: Gemeente Schiedam Alle openbare publicaties van CE Delft zijn verkrijgbaar via www.ce.nl Meer informatie over de studie is te verkrijgen bij de projectleider Suzanne Breman (CE Delft) © copyright, CE Delft, Delft

CE Delft Committed to the Environment CE Delft draagt met onafhankelijk onderzoek en advies bij aan een duurzame samenleving. Wij zijn toon– aangevend op het gebied van energie, transport en grondstoffen. Met onze kennis van techniek, beleid en economie helpen we overheden, NGO’s en bedrijven structurele veranderingen te realiseren. Al sinds 1978 werken betrokken en kundige medewerkers bij CE Delft om dit waar te maken.

1

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Inhoud 1

Inleiding

3

2

Methode 2.1 Over het CEGEM-model 2.2 Huidige emissies 2.3 Basispad 2.4 Maatregelen

4 4 5 8 15

3

Ontwikkeling CO2-uitstoot 3.1 Gehele gemeente 3.2 Sector Industrie 3.3 Sector Gebouwde Omgeving 3.4 Sector Mobiliteit 3.5 Sector Landbouw

30 30 31 32 35 38

Literatuur

40

A

Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2023

42

2

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

1 Inleiding Dit achtergrondrapport is een bijlage bij het rapport ‘Monitoring klimaatbeleid Schiedam’, dat CE Delft voor de gemeente Schiedam heeft opgesteld. Dat rapport presenteert de resultaten en aanbevelingen van ons onderzoek naar de CO 2-effecten van het klimaatbeleid van de gemeente Schiedam. In dit rapport geven we extra achtergrondinformatie: — Hoofdstuk 2 beschrijft de methode waarmee we tot de resultaten zijn gekomen. — In Hoofdstuk 3 presenteren we aanvullende grafieken en tabellen, zodat alle resultaten van de doorrekening beschikbaar zijn. Het hoofdrapport toont immers alleen de belangrijkste grafieken.

3

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

2 Methode Dit hoofdstuk gaat in op de methode die we hebben gebruikt om tot de resultaten te komen. We gaan allereerst in op het CEGEM-model. Vervolgens bespreken we hoe we de huidige emissies hebben bepaald en hoe we de CO2-impact van het basispad en gemeentelijke maatregelen hebben berekend. Tot slot gaan we in op de methode omtrent de opwek van hernieuwbare elektriciteit.

2.1

Over het CEGEM-model CE Delft heeft het Gemeentelijk Emissiereductie Model (CEGEM) ontwikkeld om gemeentelijk klimaatbeleid te monitoren. Met het model kunnen we het klimaatbeleid van gemeenten doorrekenen en een prognose maken van de broeikasgasemissies in de toekomst. Het CEGEM-model sluit aan bij de landelijke monitoring door het PBL in de Klimaat- en Energieverkenning (KEV).

Een onderzoek in drie stappen Het CEGEM-model is opgebouwd aan de hand van drie stappen, zie Figuur 1. De eerste stap is het in kaart brengen van de huidige emissies, zodat we weten wat het startpunt is. Ook bepalen we de emissies in 1990, omdat de doelstelling van 49% CO 2-reductie is geformuleerd ten opzichte van de emissies in het jaar 1990. Vervolgens bepalen we het basispad. Dit geeft inzicht in wat de emissies in 2030 en 2050 zullen zijn als de gemeente geen beleidsmaatregelen zou nemen. In de derde stap bekijken we wat het effect is van beleidsmaatregelen die de gemeente heeft genomen of van plan is om te nemen. Figuur 1 - Overzicht van de gemaakte stappen in de doorrekening

4

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Sectoren In dit onderzoek presenteren we de CO2-emissies voor verschillende sectoren. Voor wat betreft de sectorindeling sluiten we aan bij de Regionale klimaatmonitor. De Regionale klimaatmonitor presenteert in opdracht van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat cijfers en trends in de energietransitie. Het gaat om de volgende vier sectoren: 1. Gebouwde omgeving. 2. Industrie; 3. Mobiliteit. 4. Landbouw. De KEV van het PBL presenteert naast deze vier sectoren ook emissies voor de sectoren Elektriciteit en Landgebruik. In tegenstelling tot de KEV (en het nationale Klimaatakkoord) presenteren wij elektriciteit niet als aparte sector, maar nemen we de emissies mee in de sectoren die deze elektriciteit verbruiken. De emissies van landgebruik waren voorheen geen onderdeel van het oorspronkelijke nationale streefdoel van 49% CO 2-reductie in 2030. Met de aanscherping in het coalitieakkoord van het nationale streefdoel naar 55% reductie, zijn deze emissies wel een integraal onderdeel geworden van het nationale streefdoel (PBL, 2022b). CO2-emissies gerelateerd aan landgebruik zijn echter niet op gemeenteniveau beschikbaar. Daarom laten we deze emissies in dit onderzoek buiten beschouwing.

Broeikasgasemissies uit bunkerbrandstoffen voor de internationale lucht- en scheepvaart worden beleidsmatig niet aan Nederland toegerekend en tellen niet mee voor de Nederlandse emissiedoelen (PBL, 2022b). Deze emissies laten we in dit onderzoek (net zoals in de KEV) dan ook buiten beschouwing.

2.2

Huidige emissies In deze paragraaf beschrijven we hoe we de huidige emissies en de emissies in 1990 bepalen.

Keuze van het basisjaar De meest recent beschikbare emissiecijfers zijn die van 2021. De CO 2-emissies in 2030 en 2050 zijn altijd berekend op basis van de emissiereductie ten opzichte van het basisjaar 2021. In 2021 waren er een aantal ontwikkelingen die van invloed zijn geweest op het energiegebruik en daarmee op de CO2-emissies: — er waren nog enkele coronamaatregelen van kracht; — sinds eind 2021 zijn de energieprijzen sterk toegenomen. Door deze ontwikkelingen werd minder energie gebruikt. We weten niet of deze energiebesparing ook op langere termijn standhoudt.

CO2-emissies: verbruiksbenadering Om de CO2-emissies van de gemeente te bepalen, hebben we de gegevens over het energiegebruik (gas, elektriciteit, warmte en voertuigbrandstoffen) van de verschillende sectoren gebruikt uit de Regionale klimaatmonitor. In lijn met de Regionale klimaatmonitor zijn wij voor het berekenen van CO 2-emissies uitgegaan van de verbruiksbenadering. De verbruiksbenadering, in tegenstelling tot de

5

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

bronbenadering, wijst de emissies toe aan de locatie waar energie wordt gebruikt, in plaats van waar deze wordt geproduceerd. De verbruiksbenadering neemt dus de emissies van warmte en elektriciteit die in de gemeente verbruikt wordt mee, en laat eventuele CO2-emissies van elektriciteits- en warmteproductie op grondgebied van de gemeente (de zogenaamde puntbronemissies) buiten beschouwing (Rijksoverheid, lopend). Met behulp van CO2-emissiefactoren (verkregen uit de Regionale klimaatmonitor) hebben we het verbruik van gas, elektriciteit, warmte en voertuigbrandstoffen omgerekend naar CO2-emissies.

Emissies overige broeikasgassen: bronbenadering We hebben ook de overige broeikasgassen uit de Regionale klimaatmonitor gebruikt. De Regionale klimaatmonitor ontvangt deze gegevens via de Emissieregistratie. Emissieregistratie rapporteert enkel over de puntbronemissies (en dus niet over emissies gerelateerd aan bijvoorbeeld elektriciteitsverbruik). De puntbronemissies zijn emissies naar de lucht, die plaatsvinden op het grondgebied van de gemeente. We hebben de emissies van overige broeikasgassen met de Global Warming Potentials uit het Fifth Assessment Report (AR5) van het IPCC (IPCC, 2014) omgerekend naar CO2equivalenten. Daarmee zijn deze emissies vergelijkbaar en optelbaar met de emissies van CO2.

Emissies in 1990 De gemeente heeft als doel om in 2030 49% minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990. Daarom moeten we ook weten wat de emissies van de gemeente waren in 1990. De Emissieregistratie geeft inzicht in gemeentelijke emissies van 1990 op een dataportaal (Rijksoverheid, 2021a). Echter volgt de rapportagemethode van de Emissieregistratie de bronbenadering. Omdat we de verbruiksbenadering hanteren bij het bepalen van de gemeentelijke emissies, is een bewerkingstap nodig. Een correctie is met name nodig voor de emissies van elektriciteitsproductie. Zonder correctie is de uitstoot van gemeenten met een elektriciteitscentrale op het grondgebied namelijk onevenredig hoog. Daarom bepalen we eerst hoeveel procent van de Nederlandse emissies in 1990 in de gemeente werd uitgestoten, exclusief emissies gerelateerd aan de productie van elektriciteit. Dit aandeel gebruiken we als verdeelsleutel voor de totale Nederlandse emissies voor elektriciteitsverbruik in 1990. Deze uitstoot tellen we weer op bij de uitstoot in de gemeente. In Figuur 2 geven we de methode weer. Figuur 2 - Methode voor bepalen van gemeentelijke emissies in 1990

6

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Naast de elektriciteitsbewerking filteren we enkele categorieën zoals landgebruik, zeescheepvaart en luchtvaart uit de data van de Emissieregistratie. Omdat hiervoor op nationaal en internationaal niveau andere boekhoudings- en emissiereductieafspraken zijn gemaakt, rekenen we dit niet toe aan de gemeente zelf. Tot slot hebben we de HFK-23-emissies uit de data van de Emissieregistratie gefilterd. De Emissieregistratie heeft aangegeven dat het broeikasgas HFK-23 in 1990 alleen door het bedrijf Chemours in Dordrecht werd uitgestoten en deze emissies onterecht over heel Nederland werden verdeeld.

Emissies industrie De energieverbruiks- en emissiegegevens van de sector Industrie op gemeenteniveau zijn een inschatting en kunnen onvolledig zijn. Ze zijn vooral bedoeld als indicatie. De gegevens kunnen niet één-op-één worden overgenomen in gemeentelijke doelstellingen. Voor meer zekerheid over de gegevens is nader onderzoek nodig over of de gegevens compleet zijn. CBS publiceert de aardgas- en elektriciteitslevering per bedrijfstak (SBI). In sommige gevallen mag CBS de aardgas- of elektriciteitslevering aan een bedrijfstak in een gemeente niet publiceren, omdat dit herleidbaar kan zijn naar individuele afnemers. Dit is bijvoorbeeld het geval als het aantal bedrijven in een bedrijfstak zeer laag is (kleiner dan tien) of als één dominante afnemer (verantwoordelijk voor meer dan 80% van het verbruik) in die bedrijfstak aanwezig is. Zowel op provinciaal als op gemeentelijk niveau komt dit regelmatig voor. Voor meer informatie hierover, zie www.klimaatmonitor.databank.nl/content/co2-uitstoot, Paragraaf B3.

Databronnen Tabel 1 geeft de uitgangspunten en de informatiebronnen per sector weer. In het geval dat bepaalde data niet bekend waren, hebben we geïnterpoleerd op basis van de jaren waarover de data wel beschikbaar waren. Tabel 1 - Uitgangspunten en informatiebronnen per sector voor het bepalen van de huidige emissies Sector

CO2

Gebouwde omgeving

Overige broeikasgassen

Categorie uit de Regionale klimaatmonitor

Opmerkingen/correcties

Categorie uit Emissieregistratie

—

Gecorrigeerd met CO2-emissies van elektrisch vervoer: 1

Consumenten

Woningen

— — —

Commerciële dienstverlening: • handel (SBI G); • vervoer en opslag (SBI H); • horeca (SBI I); • informatie en communicatie (J); • financiële dienstverlening (K); • verhuur en handel van onroerend goed (SBI L);

personenauto’s; tweewielers en brommobielen.

Gecorrigeerd met CO2-emissies van elektrisch vervoer: — autobussen; — bestelauto’s; — zware bedrijfsvoertuigen, excl. bestelbussen; — binnenvaart; — recreatievaart;

Handel, diensten en overheid

________________________________ 1

7

Deze correctie hebben we gedaan om dubbeltelling met de sector Mobiliteit te voorkomen.

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Sector

CO2 Categorie uit de Regionale klimaatmonitor • specialistische zakelijke diensten (SBI M); • verhuur en overige zakelijke diensten (SBI N).

Overige broeikasgassen Opmerkingen/correcties — —

Categorie uit Emissieregistratie

spoorvervoer; mobiele werktuigen.

—

Publieke dienstverlening: • openbaar bestuur en overheidsdiensten (SBI O); • onderwijs (SBI P); • gezondheids- en welzijnszorg (SBI Q); • cultuur, sport en recreatie (SBI R); • overige dienstverlening (SBI S); • extraterritoriale organisaties (SBI U).

—

— — — —

Wegverkeer: • personenauto’s; • bestelauto’s; • zware bedrijfsvoertuigen excl. autobussen • autobussen; • tweewielers en brommobielen. Mobiele werktuigen Binnenvaart Recreatievaart Railverkeer

Industrie

— — — — —

delfstoffenwinning (SBI B); industrie (SBI C); energievoorziening (SBI D); waterbedrijven en afvalbeheer (SBI E); bouwnijverheid (SBI F).

Afvalverwijdering, bouw, chemische industrie, drinkwatervoorziening, energiesector, overige industrie, raffinaderijen, en riolering en waterzuiveringsinstallaties

Landbouw

—

landbouw, bosbouw en visserij (SBI A).

Landbouw, natuur

Mobiliteit

2.3

Aangevuld met CO2-emissies van elektrisch vervoer (berekend op basis van Klimaaten Energieverkenning 2021)

Verkeer en vervoer

Basispad Ook zonder gemeentelijk beleid blijven de emissies in Schiedam niet constant. Nationaal beleid en autonome ontwikkelingen zorgen voor een afname van de jaarlijkse emissies, terwijl groei van het aantal inwoners en gebouwen zorgt voor een toename. In deze paragraaf laten we zien hoe de emissies in Schiedam richting 2030 en 2050 ontwikkelen zonder gemeentelijke inspanningen. Dit noemen we het basispad. De gemeente heeft geen of zeer beperkt invloed op het basispad. In het basispad onderscheiden we drie typen oorzaken: 1) nationaal beleid, 2) autonome ontwikkelingen en 3) bevolkingsontwikkeling van de gemeente. Een overzicht van de ontwikkelingen in het basispad staat in Tabel 2.

8

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Tabel 2 - Overzicht van ontwikkelingen die worden meegenomen in het basispad Sector

Nationaal beleid

Alle sectoren

—

Daling emissiefactor elektriciteit

Gebouwde omgeving

—

Energiebesparingsplicht bedrijven en instellingen Label C-verplichting kantoren

Industrie

—

—

—

Autonome ontwikkelingen

Bevolkingsontwikkeling

— —

Afname aantal graaddagen Elektriciteitsverbruik huishoudens

—

Nieuwbouwwoningen en dienstensector

Autonome ontwikkelingen conform de aannames van de KEV maken onderdeel uit van het basispad. Dit houdt bijvoorbeeld in: — veranderende verkeersvolumes door demografische en sociaaleconomische ontwikkelingen; — verjonging wagenpark.

—

Bevolkingsontwikkeling

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik KEV-trend ontwikkeling overige broeikasgassen

Mobiliteit

Al het nationale en Europese mobiliteitsbeleid dat in de KEV als ‘vastgesteld’ of ‘voorgenomen’ was bestempeld, nemen we mee. Bijvoorbeeld: — subsidies elektrisch rijden; — Europese voertuignormeringen; — ZE-zones stadslogistiek.

Landbouw

—

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik en nietenergiegerelateerde emissies

Tekstbox 1 - Nationaal beleid gebaseerd op Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2022 Om de CO2-effecten van nationaal beleid en autonome ontwikkelingen op de toekomstige emissies in Schiedam in te schatten, baseren we ons primair op de Klimaat- en Energieverkenning 2022 (PBL, 2022b). De KEV geeft inzicht in de ontwikkelingen van de broeikasgasemissies in Nederland en de bijdrage van het nationale klimaat- en energiebeleid hieraan. De KEV 2022 is in november 2022 gepubliceerd. Hierin is het vastgestelde en voorgenomen beleid meegenomen dat op 1 mei 2022 beschikbaar was, officieel was medegedeeld en concreet genoeg uitgewerkt. Dit zijn bijvoorbeeld de BENG-bouweisen, de SDE++-subsidieregeling, de uitfasering van alle E-, F- en G-labels van sociale huurwoningen en CO2minimumprijzen in de industrie en elektriciteitssector. KEV 2023 Eind oktober 2023 heeft het PBL de KEV 2023 (PBL, 2023a) gepubliceerd. Echter, door beperkte uitvoerende capaciteit bij het PBL en meewerkende organisaties, is de versie van 2023 beperkt ten opzichte de KEV 2022: de KEV 2023 maakt gebruik van de KEV 2022, met daarbovenop enkele recente beleidswijzigingen (peildatum 1 mei 2023).

Twee belangrijke beperkingen van de KEV 2023 ten opzichte van de versie uit 2022, zijn: (1) de KEV 2023 presenteert ramingen van broeikasgasemissies enkel op hoofdlijnen en bevat daarom resultaten voor individuele maatregelen of gedetailleerde getallenbijlagen, en (2) de KEV 2023 maakt geen onderscheid in ‘vastgesteld’, ‘voorgenomen’ en ‘geagendeerd’ beleid. Dit betekent dat ook beleid waarvan de uitvoering nog (zeer) onzeker is, door PBL is meegenomen in de prognose. Vanwege deze beperkingen baseren we ons in deze studie op de KEV 2022. Bijlage A gaat uitgebreider in op de belangrijkste verschillen tussen de KEV 2022 en 2023. Rond november 2024 geeft het PBL de KEV weer een uitgebreide update. KEV geeft inzicht in de ontwikkeling van emissies tot 2030 De KEV geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van broeikasgasemissies in Nederland tot 2030, dus niet tot 2050. Voor enkele ontwikkelingen geeft de KEV ook een prognose tot of kentallen voor 2050. Zo niet, dan hanteren we voor 2050 dezelfde gegevens als voor 2030 of doen we een (onderbouwde) aanname over de ontwikkeling richting 2050. In alle gevallen nemen we in dit rapport op welke keuze we hebben gemaakt en op welke informatiebronnen deze keuze is gebaseerd. De prognose tot 2050 heeft daarom een grotere onzekerheid dan de prognose tot 2030.

9

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

In de volgende paragrafen beschrijven we per sector welke ontwikkelingen meegenomen worden in het basispad.

2.3.1 Alle sectoren Een ontwikkeling die voor alle sectoren van belang is, is de daling van de emissiefactor van elektriciteit. Dat lichten we hieronder toe.

Daling emissiefactor elektriciteit De nationale CO2-emissiefactor van elektriciteit is aan het dalen door onder meer de afspraken in het Klimaatakkoord. In de KEV heeft het PBL berekend wat de emissiefactor zal zijn in 2030 (zie Tabel 3). Tabel 3 - Emissiefactor elektriciteit (kg/kWh) Jaar

Emissiefactor (kg CO2/kWh)

Bron

2021

0,3

(CBS, 2023a)

2030

0,07

(PBL, 2022b)

2050

0

Aanname CE Delft (landelijke doelstelling CO2-neutrale energievoorziening in 2050)

We vermenigvuldigen deze emissiefactor met de prognose van de elektriciteitsvraag in 2030 en 2050, waarbij we rekening hebben gehouden met autonome besparing. In 2030 leiden de ontwikkelingen op de elektriciteitsvraag en de daling van de emissiefactor van elektriciteit tot een CO2-besparing van 52 kton ten opzichte van 2021. Dit komt overeen met een reductie van 17% van de totale emissies van de gemeente Schiedam. Het terugdringen van de emissiefactor van het elektriciteitsnet is een nationale ontwikkeling, waar de gemeente Schiedam ook een verantwoordelijkheid in heeft. Met gemeentelijke of regionale inspanningen (bijvoorbeeld de Regionale Energiestrategie) draagt Schiedam bij aan het CO2-neutraal maken van elektriciteit.

2.3.2 Gebouwde Omgeving In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector Gebouwde Omgeving.

Energiebesparingsplicht bedrijven en instellingen Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) verplicht bedrijven en instellingen om alle energiebesparende maatregelen te nemen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder: de energiebesparingsplicht. De energiebesparingsplicht geldt voor locaties van bedrijven en instellingen met een jaarlijks verbruik vanaf 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas (of een equivalent daarvan) (RVO, 2023). TNO (2021) heeft de verwachte effecten van de energiebesparingsplicht in beeld gebracht. Uit deze studie blijkt dat 89% van de dienstensector behoort tot de doelgroep van de energiebesparingsplicht. Het gemiddelde besparingspotentieel voor gas bedraagt 14% en het gemiddelde besparingspotentieel voor elektriciteit bedraagt 6% in 2030 ten opzichte van 2020.

10

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Sinds 1 juli 2023 is de energiebesparingsplicht uitgebreid en valt een bredere groep bedrijven hieronder. De verplichting heet nu ‘Verduurzaming van het energiegebruik’ en geldt nu ook voor vergunningsplichtige inrichtingen, bedrijven die meedoen met CO2emissiehandel (EU ETS) en glastuinbouwinrichtingen (deze waren voorheen uitgezonderd van verplichtingen).2 Er zijn echter nog geen studies gedaan naar het effect hiervan op het energiegebruik of de CO2-emissies.

Afname aantal graaddagen Het wordt steeds warmer in Nederland. Gemiddeld zijn de winters in de periode 1906-2020 1,8 °C warmer geworden. Deze temperatuurstijging heeft een effect op de warmtebehoefte. De warmtebehoefte kan beschreven worden aan de hand van het aantal graaddagen.3 Het gemiddeld aantal graaddagen daalde in de periode 2000-2020 met 6% en deze trend zal zich voortzetten. Alleen al hierdoor is in Nederland het energiegebruik voor ruimteverwarming in 2030 9% lager dan in 2000, oplopend naar 15% in 2050 (PBL, 2022a). Een afname in het aantal graaddagen zorgt voor een afname van de warmtebehoefte voor ruimteverwarming, niet voor een afname van de warmtebehoefte voor warm tapwater. Gemiddeld wordt 79% van de warmtevraag van woningen gebruikt voor ruimteverwarming, de overige 21% gaat naar warm tapwater. We doen de aanname dat deze verhouding in de dienstensector gelijk is. We hebben berekend dat de warmtevraag van gebouwen ten behoeve van ruimteverwarming in 2030 afneemt met 3,5% en in 2050 met 10% ten opzichte van 2020 (PBL, 2022a). Door de stijgende temperaturen, zal ook de vraag naar koeling toenemen en daarmee de elektriciteitsvraag. Deze ontwikkeling wordt echter gecompenseerd doordat elektrische apparaten steeds efficiënter worden. Deze tegengestelde ontwikkelingen heffen elkaar op, waardoor de elektriciteitsvraag volgens PBL stabiliseert (PBL, 2022a).

Elektriciteitsverbruik huishoudens Door Europese Ecodesign-wetgeving worden elektrische apparaten steeds zuiniger. We verwachten daarom dat door natuurlijke vervanging van apparaten de elektriciteitsvraag van huishoudens jaar-op-jaar daalt. Aan de andere kant zien we dat door het stijgen van de welvaart huishoudens gemiddeld meer apparaten hebben, en dus meer verbruiken. De besparing in de periode 2016-2020 is 1,5% per jaar. Daarna is de besparing 0%. De toename in elektriciteitsvraag door elektrische warmtepompen en auto’s nemen we hier niet mee. Deze toename berekenen we bij respectievelijk de Transitievisie Warmte (TVW) en nieuwbouwwoningen en bij mobiliteit. De Ecodesign-wetgeving zorgt niet alleen voor energiebesparing bij huishoudens, maar ook bij diensten. Echter, doordat deze besparing overlapt met de besparing door de energiebesparingsplicht, laten we diensten hier buiten beschouwing.

________________________________ 2 3

www.zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2023-111.html Het aantal graaddagen is een maat voor uren dat gestookt moet worden. Het aantal graaddagen is de som per jaar van de daggemiddelde buitentemperatuur beneden de stookgrens van 18 oC. Een daggemiddelde temperatuur van 10 oC levert dus 18-10 = 8 graaddagen op voor die ene dag (PBL, 2022a).

11

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Nieuwbouwwoningen en dienstensector In 2021 bedroeg het aantal inwoners van Schiedam 79.342. Het inwoneraantal zal in 2030 naar verwachting zijn toegenomen tot 84.192 en in 2050 tot 84.841 (Gemeente Schiedam, 2023a). Als gevolg van de bevolkingsgroei komen er de komende jaren in de gemeente nieuwbouwwoningen bij. Bevolkingsgroei en uitbreiding van de woningvoorraad zorgen voor een stijging van het energiegebruik, en daarmee van de emissies in de gemeente. Deze uitstoot is beperkt, vanwege nationale energieprestatie-eisen (de BENG-norm). Tabel 4 geeft de verwachte ontwikkeling van de bevolking en woningvoorraad in Schiedam weer. Tabel 4 – Aantal inwoners en woningvoorraad in Schiedam in 2021, 2030 en 2050 Jaar

Aantal inwoners

Woningvoorraad

2021

79.342

35.566

2030

84.192

37.662

2050

84.841

38.537

Bron aantal inwoners in 2021: (Gemeente Schiedam, 2023a). Bron woningvoorraad in 2021: (Gemeente Schiedam, 2023a). Bron aantal inwoners en woningvoorraad in 2030 en 2050: (Gemeente Schiedam, 2023a).

Naast de groei in de woningvoorraad verwachten we ook een toename in de oppervlakte van gebouwen die worden gebruikt voor utiliteitsfuncties. We hebben de aanname gedaan dat de groei van utiliteitsgebouwen evenredig loopt met de groei van woningen. De nieuwe gebouwen zorgen voor groei in de energievraag en veroorzaken daarmee CO 2uitstoot. Sinds 2018 wordt nieuwbouw aardgasvrij gebouwd. In onze berekening doen we de aanname dat de nieuw te bouwen gebouwen met een warmtenet worden verwarmd. Figuur 12 in de TVW toont locaties in Schiedam waar nieuwbouw aardgasvrij wordt gerealiseerd. Deze liggen allen in de buurt van een toekomstig warmtenet (Gemeente Schiedam, 2020), waardoor de keuze voor een warmtenet voor nieuwbouw een logische aanname is. We gebruiken nationale bouwnormen om de elektriciteits- en warmtevraag te bepalen, zie Tabel 5. Tabel 5 - Kentallen voor het berekenen van de elektriciteits- en warmtevraag van nieuwbouw Gebruikte gegevens

Bron

Woningen

12

Maximale warmtebehoefte nieuwbouwwoning

65

kWh/m2/jaar

(Ministerie van BZK, 2022)

Gemiddeld oppervlakte van woningen in Schiedam in 2021, bouwjaarklasse vanaf 2015

130

m2

(CBS, lopend-b)

Gemiddelde warmtapwatervraag

856

kWh/persoon/jaar

(ECW, 2022)

Aantal personen per woning

2,15 2,16

# in 2030 # in 2050

Berekend op basis van gegevens van PBL and CBS (2022)

Gemiddelde elektriciteitsvraag woningen in Schiedam in 2021

2.530

kWh/jaar

Regionale klimaatmonitor

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Gebruikte gegevens

Bron

Utiliteitsgebouwen Maximale warmtebehoefte nieuwbouw Gemiddelde warmtapwatervraag Gemiddelde elektriciteitsvraag apparaten

Kantoren

90

Onderwijs

190

Gezondheidszorg

350

Overige utiliteit

50

Kantoren

1,0

Onderwijs

1,3

Gezondheidszorg

10,6

Overige utiliteit

1,0

Kantoren

126

Onderwijs

42

Gezondheidszorg

64

Overige utiliteit

36

(Ministerie van BZK, 2022)

(PBL, 2021) kWh/m2/jaar

2.3.3 Industrie In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector Industrie.

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik We passen de ontwikkeling van het elektriciteits- en gasverbruik in de industrie uit de KEV 2022 toe op Schiedam. Daarin maken we onderscheid in de trends voor industriële installaties die onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) vallen, en overige industrie (de ESR-sectoren). Op basis van gegevens uit de KEV 2022 hebben we berekend dat het totale energiegebruik van de sector Industrie met 3% stijgt in de periode van 2020 tot 2030. Het elektriciteitsverbruik stijgt in die periode met 17%, terwijl verbruik van brandstoffen voor warmte juist daalt. De uitstoot daalt echter met 22%, onder andere doordat de elektriciteit duurzamer wordt opgewekt, de CO2-heffing op de industrie en de energiebesparingsplicht. In 2040 ligt het totale energiegebruik volgens de KEV weer hoger dan in 2021. Bij gebrek aan informatie over 2050 gaan we uit van het energiegebruik in 2040.

KEV-trend ontwikkeling overige broeikasgassen We passen de industrieontwikkeling van overige broeikasgassen (methaan, lachgas en fluorhoudende gassen) uit de KEV 2022 toe op Schiedam. Volgens de KEV 2022 nemen de emissies van deze broeikasgassen in de periode van 2021 tot 2030 af met 28% en tot 2050 met 38%. Doordat de verhoudingen tussen sectoren in Schiedam anders zijn dan voor heel Nederland, vallen de uiteindelijke reductiepercentages in de gemeente anders uit.

2.3.4 Mobiliteit In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector Mobiliteit.

KEV-trend emissies van verkeer De emissies voor de sector Mobiliteit zijn gebaseerd op het CEREM-model (CE Delft, lopend). In het CEREM-model baseren wij de nationale trends tot 2040 grotendeels op de

13

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

KEV. De nationale ontwikkelingen tot 2050 hebben wij ingeschat door extrapolatie. Deze nationale ontwikkelingen passen we, gecorrigeerd voor lokale verschillen in bevolkingsgroei en werkgelegenheid, als groeivoeten toe op de lokale cijfers uit de Regionale klimaatmonitor. De KEV-raming houdt rekening met verschillende autonome trends en Europees en nationaal bestaand en voorgenomen beleid. Hierna beschrijven we enkele van de belangrijkste trends binnen de verduurzaming van mobiliteit: — Verschoning wagenpark: door Europese emissienormen voor het wegverkeer stoten nieuwe auto’s gemiddeld steeds minder broeikasgassen uit. Door het proces van wagenparkvernieuwing zullen de emissies per gereden kilometer tot 2030 dus vanzelf afnemen. — Elektrisch vervoer: de verkoop van elektrische personenauto’s stijgt snel. Dit is voor een groot deel een gevolg van de landelijke subsidieregeling voor nulemissiepersonenauto’s. Deze toename in elektrische auto’s zet naar verwachting door richting 2030. Het aandeel elektrische bestel- en vrachtauto’s is nog beperkt vergeleken met de personenauto’s, maar de KEV geeft aan dat dit de komende jaren waarschijnlijk snel zal stijgen. Vooral door de invoering van zero-emissie (ZE-)zones voor stadslogistiek is de verwachting dat ook het aantal elektrische bestelauto’s de komende jaren flink zal stijgen.

Elektrisch vervoer zorgt voor CO2-reductie door minder brandstofverbruik, maar hier komt elektriciteitsverbruik voor in de plaats. Doordat de landelijke CO 2emissiefactor van elektriciteit daalt, nemen ook de emissies van elektrisch vervoer steeds verder af. — Bijmenging biobrandstoffen: het kabinet heeft in 2021 een wetsvoorstel ingediend om de minimale inzet van geavanceerde biobrandstoffen te verhogen naar 7% in 2030. Hiermee geeft de Nederlandse overheid invulling aan de EU-verplichtingen voor hernieuwbare energie. Het verduurzamen van de brandstofmix zorgt voor een CO 2reductie in de hele mobiliteitssector. — Nulemissie (ZE-)bussen en -doelgroepenvervoer: in het ‘Bestuursakkoord Zero-Emissie Regionaal Openbaar Vervoer per Bus’ is afgesproken dat in 2030 alle bussen die voor het stedelijk en regionale openbaar vervoer worden ingezet, zonder emissies zijn. In het bestuursakkoord ‘Zero-Emissie Doelgroepenvervoer’ is afgesproken dat in 2025 al het doelgroepenverkeer emissievrij is. De KEV neemt echter geen effect mee voor de maatregel ZE-doelgroepenvervoer. — Groei van verkeersvolumes: volgens de KEV neemt het aantal gereden kilometers van personenauto’s licht toe. Ook de vervoersvolumes in de binnenvaart nemen tot 2030 naar verwachting toe.

Volgens de KEV zijn de emissies van broeikasgassen in 2030 vergelijkbaar met de emissies in 2021, ondanks de verwachting dat de vloot efficiënter wordt en er meer biobrandstoffen worden ingezet.

Correctie verkeersvolumes op basis van bevolkingsgroei De bevolking van de gemeente Schiedam neemt toe van 79.342 in 2021 tot 84.192 in 2030 en 84.841 in 2050 (Gemeente Schiedam, 2023a). Het CBS verwacht dat de Nederlandse bevolking als geheel toeneemt tot 18,59 miljoen in 2030 (CBS, lopend-a). De groei in Schiedam is dus naar verwachting ongeveer gelijk aan het Nederlandse gemiddelde. Daarom hebben we de KEV-prognose voor verkeersvolume hierop gecorrigeerd.

2.3.5 Landbouw In deze paragraaf beschrijven we welke ontwikkelingen we meenemen in het basispad in de sector Landbouw.

14

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

KEV-trend ontwikkeling elektriciteits- en gasverbruik en nietenergiegerelateerde emissies In de KEV 2022 staat dat het elektriciteit- en gasverbruik in de landbouw ten opzichte van 2021 naar verwachting zal dalen met 5% richting 2030, maar juist 2% hoger ligt richting 2050. De uitstoot van overige broeikasgassen (methaan, lachgas), die vrijkomen bij onder andere de veeteelt, daalt naar verwachting met 5% in 2030, oplopend tot 13% richting 2050. Recente beleidsontwikkelingen rond het stikstofdossier en het Landbouwakkoord, waaronder de aangekondigde uitkoopregelingen van piekbelasters, neemt het PBL in deze trend dus niet mee.

2.4

Maatregelen In deze paragaaf beschrijven we per sector welke gemeentelijke beleidsmaatregelen we hebben doorgerekend en hoe we dat hebben aangepakt. Tabel 6 - Overzicht van de doorgerekende maatregelen per sector Sector

Maatregelen

Gebouwde omgeving

Huidige maatregelen: — Warmtenet Groenoord; — concept-isolatieprogramma; — Sveaparken individuele elektrische oplossingen; — corporatiewoningen naar Label C; — verduurzaming openbare verlichting; — Nieuwland: isolatie naar Label C. Aanvullende maatregelen: — Nieuwland op warmtenet; — hogetemperatuuropslag bij Warmtenet Groenoord; — naoorlogse corporatiewoningen naar Label B; — verduurzaming maatschappelijk vastgoed.

Mobiliteit

Huidige maatregelen: — bouwen rondom ov-locaties; — parkeertarieven; — parkeernormen; — modal shift korte ritten; — deelmobiliteit; — metropolitane fietsroutes; — werkgeversaanpak; — zero-emissie (ZE) stadslogistiek in de binnenstad; — zero-emissie (ZE) eigen wagenpark. Aanvullende maatregelen: — ZE-stadslogistiek binnen de ring; — lokale beprijzing verkeer; — ZE-zones tweewielers; — logistieke hubs; — 80 km/uur op de ring.

15

Industrie

Geen maatregelen doorgerekend

Landbouw

Geen maatregelen doorgerekend

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

2.4.1 Gebouwde Omgeving Warmtenet Groenoord (uit de Transitievisie Warmte) In de Transitievisie Warmte (TVW) (Gemeente Schiedam, 2020) staat hoe de gebouwde omgeving in Schiedam over kan gaan op verwarmen zonder aardgas. De TVW geeft per buurt aan welke warmtetechniek een kansrijke oplossing is voor aardgasvrij, zie Figuur 3. Figuur 3 - Visie van de gemeente Schiedam om de woningen en gebouwen van het aardgas af te krijgen

Bron: (Gemeente Schiedam, 2020).

De TVW geeft een inschatting van het tempo waarop woningen de komende decennia van het aardgas afgehaald worden: — Korte/middellange termijn: in de wijk Groenoord wordt voor 2030 een warmtenet aangelegd. Dit hebben wij doorgerekend als een huidige beleidsmaatregel. Er zijn ook ambities voor een warmtenet in Nieuwland voor 2035 en elektrificatie in Sveaparken. Dit hebben wij doorgerekend als aanvullende beleidsmaatregelen. In deze drie wijken staan circa 12.000 woningen, 33% van het totaal aantal woningen (Gemeente Schiedam, 2020). — Lange termijn: de rest van de gebouwen in de gemeente Schiedam wordt op een later tijdstip voor 2050 verduurzaamd (Gemeente Schiedam, 2020). Dit hebben wij niet doorgerekend.

16

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Tekstbox 2 - Haalbaarheid van het aardgasvrij maken van buurten en wijken vóór 2030 Een aantal kritische succesfactoren spelen een rol bij de vraag of de gemeente Schiedam vóór 2030 buurten en wijken van het aardgas af kan helpen: — Ten eerste: krijgen gemeenten de bevoegdheid om wijken van het gas af te sluiten, onder welke voorwaarden en wanneer? De Wet gemeentelijke instrumenten (Wgiw) moet gemeenten deze bevoegdheid geven. In het voorstel voor deze wet staat dat gemeenten, indien er een goed en betaalbaar duurzaam alternatief is, kunnen bepalen dat de netbeheerder na een bepaalde datum geen aardgas meer transporteert naar een bepaalde wijk. De planning is dat de Wgiw op 1 januari 2024 in werking treedt (Rijksoverheid, 2021b). Een aandachtspunt is dat in het Klimaatakkoord (Rijksoverheid, 2019) een termijn van acht jaar is genoemd tussen het besluit van de gemeente om de aardgaslevering in een bepaalde wijk te stoppen en de daadwerkelijke overstap op een duurzaam alternatief. Tot 2030 rest de gemeente nog zeven jaar, wat betekent dat de eerste buurten in 2030 mogelijk nog niet in van het aardgasnet zijn afgesloten.

— Ten tweede: in hoeverre is het (financieel) aantrekkelijk voor bewoners om van het gas af te gaan? De gasprijs voor de consument, de kosten van nieuwe installaties of van warmtelevering, lening en de informatievoorziening zullen in sterke mate het succes van de maatregelen voor de gebouwde omgeving bepalen. Dit ligt niet geheel in de hand van de gemeente, maar zeker ook bij het Rijk.

Om de CO2-reductie van de overstap op het warmtenet in de wijk Groenoord te bepalen, hebben we enkele aannames gedaan: — In het basisjaar worden alle gebouwen met aardgas verwarmd. — De participatiegraad is 100%. Mogelijk is dit een overschatting. In de businesscase wordt uitgegaan van een volloop van 80%. — Zowel de woningen als utiliteitsgebouwen worden aangesloten. — Gebouwen worden niet verder geïsoleerd voordat ze op een warmtenet overstappen. — Het warmtenet wordt gevoed vanuit de leiding over Noord van Eneco. — Er wordt geen koeling geleverd. — De warmtapwatervraag verandert niet met de tijd. Tabel 7 - CO2-effect Warmtenet Groenoord Omschrijving

Waarde

Status

Huidig beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

7,2 kton CO2

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

9,5 kton CO2

Isolatieprogramma We hebben onze berekeningen gebaseerd op het concept-isolatieprogramma van Schiedam uit 2023 (Gemeente Schiedam, 2023b). Sindsdien is het isolatieprogramma verder uitgewerkt en definitief geworden. De berekeningen van het concept-isolatieprogramma geven echter een goed orde grootte beeld van het effect van het definitieve programma. We hebbenvier trajecten uit het concept-isolatieprogramma meegenomen: 1. Isoleren kan je leren — Doelgroep: 623 grondgebonden eigenaar-bewoners die liever zelf de handen uit de mouwen steken. — Programma: de grondgebonden eigenaar-bewoners ontvangen een informatiepakket met onder andere een aanbod voor een warmtescan, doe-het-zelfworkshops en een voucher voor de aanschaf van isolatiemateriaal of de huur van apparaten voor

17

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

relatief eenvoudige isolatieklussen. Ook bevat het pakket informatie over de Stimuleringslening van Servicepunt Woningverbetering en andere informatie en tips over zelf je huis isoleren. Servicepunt Woningverbetering biedt een uitleenservice aan, die voor dit programma ook online inzichtelijk wordt gemaakt. — Doorrekening: het concept-isolatieprogramma geeft ook aan om ten minste 431 woningen naar energielabel B te krijgen met een beroep op de NIP-gelden. Om dubbeltelling met de effecten van de vier trajecten te beperken, hebben we aangenomen dat het traject ‘Isoleren kan je leren’ leidt tot 431 woningen naar energielabel B, waarbij we uitgaan van gemiddeld huidig Label D. De energiebesparing die hiermee wordt behaald, halen we uit de VIVET-databestanden ‘Referentieverbruik warmte woningen’ (PBL, 2023b). 2. Iedereen energie — Doelgroep: bewoners waarbij de huiselijke leefomgeving het dagelijks leven vermoeilijkt en mogelijkheden om de woning aan te pakken nihil lijken. — Programma: niet-grondgebonden woningeigenaren die een VvE delen in Groenoord en te kampen hebben met energiearmoede, ontvangen de mogelijkheid aanspraak te maken op een fonds vanuit de gemeente Schiedam om één energiebesparende maatregel uit te voeren. Hierbij is de keuze door de VvE te maken uit het installeren van waterzijdig inregelen of het installeren van dubbele beglazing het gehele pand.

— Doorrekening: het aantal gestapelde woningen (koop en particuliere huur) in Groenoord met huidig Label D of slechter is 984 op basis van de VIVET-databestanden ‘Referentieverbruik warmte woningen’. We nemen aan dat de helft van deze woningen gebruik maakt van de regeling, waarbij de helft kiest voor dubbele beglazing en de andere heft voor waterzijdig inregelen. Voor waterzijdig inregelen nemen we een besparing aan van gemiddeld 15 m3 per woning en voor dubbele beglazing een gemiddelde van 162,5 m3 per woning. 4 3. Buren bouwen beter — Doelgroep: 1.822 niet-grondgebonden eigenaar-bewoners die het binnen hun VvE’s eens moeten worden over het treffen van isolerende maatregelen. — Programma: de gemeente wil kleine en grote VvE’s in kaart brengen, actief met ze in gesprek gaan, hun knelpunten inventariseren, ondersteunen bij de aanpak daarvan en eventueel op basis daarvan aanvullend beleid ontwikkelen. Vroegtijdig ontvangen alle bewoners van VvE’s een brief dat met het NIP er een subsidie vanuit de gemeente gestapeld kan worden met de subsidies van het Rijk. — Doorrekening: de maatregelen zijn nog niet concreet genoeg om te kunnen doorrekenen. 4. Langer verhuren — Doelgroep: verhuurders (minus Woonplus) van 231 grondgebonden en 2.794 nietgrondgebonden woningen. — Programma: de gemeente Schiedam wil middels het huidige programma de verhuurders al informeren.

Hierbij zal zij geen maatregelen aanbieden, behalve dat de kleine verhuurders worden geïnformeerd over SVOH en aanstaande regelgeving waaraan zij hebben te voldoen indien zij langer willen verhuren. — Doorrekening: de maatregelen zijn nog niet concreet genoeg om te kunnen doorrekenen. Naast de vier trajecten is in het concept-isolatieprogramma ook de toepassing van de RREregeling en het Servicepunt Woningverbetering omschreven in de afgelopen jaren. Omdat we uitgaan van referentiejaar 2021, ontbreekt een deel van de besparingen die hieruit zijn voortgekomen in het referentiejaar. ________________________________ 4

18

www.milieucentraal.nl/energie-besparen/isoleren-en-besparen/alles-over-isoleren

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

RRE-regeling —

—

Programma: van de woningeigenaren in Schiedam heeft 52,1% in de afgelopen vijf jaar energiebesparende maatregelen genomen, die grotendeels bestonden uit kleine aanpassingen, zoals waterbesparende kranen, tochtstrippen, ledlampen en radiatorfolie. Een groot deel hiervan is uitgevoerd via de Regeling Reductie Energieverbruik (RRE), waarbij 13.000 Schiedamse woningeigenaren zijn bereikt. Doorrekening: het aantal koopwoningen dat in de periode 2018-2023 maatregelen heeft getroffen, is 9.637. De woningen die tussen 2018 en 2021 maatregelen hebben getroffen zitten al in de klimaatmonitordata. Voor de prognose na 2021 nemen we een lineaire ontwikkeling aan. Dat betekent dat er nog 1.927 woningen bijkomen die maatregelen hebben genomen in de periode 2021-2023, gedurende de looptijd van de RRE-regeling. We nemen aan dat de besparing van de maatregelen gemiddeld 80 m 3/woning bedraagt.5

Servicepunt Woningverbetering —

—

Programma: een relatief kleinere groep (35,1%) heeft de isolatie van dak, muur, vloer of wanden verbeterd. Deze groep woningeigenaren heeft het Servicepunt Woningverbetering als aanspreekpunt voor kennis, advies en financieringsmogelijkheden. Doorrekening: het aantal koopwoningen dat in de periode 2018-2023 maatregelen heeft getroffen, is 6.492. Op basis van een lineaire ontwikkeling zijn dit 1.298 woningen na 2021. We nemen aan dat de besparing van de maatregelen gemiddeld 217 m 3/woning bedraagt bij de aanpak van gemiddeld 1,2 bouwdelen per woning. 6

Tabel 8 geeft de emissiereducties van het concept-isolatieprogramma weer. Voor 2050 hebben we geen emissiereductie toegekend aan deze maatregel, omdat de emissiereductie van deze maatregel volledig overlapt met de emissiereductie van de Transitievisie Warmte. Alle emissiereductie is aan de Transitievisie Warmte toegekend. Tabel 8 - CO2-effect concept-isolatieprogramma Omschrijving Status

Waarde Huidig beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

1 kton CO2

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

0 kton CO2

Sveaparken individuele elektrische oplossingen Om de CO2-reductie van de overstap op individuele elektrische oplossingen in de wijk Sveaparken te bepalen, hebben we enkele aannames gedaan: — In het basisjaar worden alle gebouwen met aardgas verwarmd. — In 2030 is 80% van de gebouwen overgestapt, in 2050 100%. — Zowel de woningen als utiliteitsgebouwen stappen over. — We zijn uitgegaan van een elektrische luchtwarmtepomp voor de doorrekening. — De warmtapwatervraag verandert niet met de tijd.

________________________________ 5 6

19

www.milieucentraal.nl/energie-besparen/duurzaam-verwarmen-en-koelen/bespaartips-verwarming www.milieucentraal.nl/energie-besparen/isoleren-en-besparen/alles-over-isoleren

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Tabel 9 - CO2-effect Sveaparken individuele elektrische oplossingen Omschrijving Status

Waarde Huidig beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

11,5 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

15,5 kton

Corporatiewoningen naar Label C De gemeente Schiedam heeft woningcorporatie Woonplus verplicht gesteld hun woningen met label D of slechter voor 2028 te isoleren naar Label C. Dit zijn omstreeks 5.000 sociale huurwoningen (Gemeente Schiedam, 2023c). Om de CO2-reductie van de isolatiemaatregelen te berekenen, hebben we de VIVETdatabestanden ‘Referentieverbruik warmte woningen’(PBL, 2023b) gebruikt. Hierbij hebben we aangenomen dat de woningen van Woonplus eenzelfde warmtevraag hebben als vergelijkbare woningen in particulier bezit. Tabel 10 - CO2-effect isoleren corporatiewoningen Omschrijving

Waarde

Status

Huidig beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

1,2 kton CO2

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

1,2 kton CO2

Verduurzaming openbare verlichting De gemeente gaat de openbare verlichting verduurzamen. Conventionele armaturen en verlichting worden vervangen door LED wanneer deze einde levensduur zijn of het gebied breder wordt aangepakt. Wij hebben het CO2-effect van deze maatregel berekend op basis van de energiebesparing die de gemeente verwacht te realiseren. Tabel 11 - CO2-effect verduurzaming maatschappelijk vastgoed Omschrijving Status

Waarde Huidig beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

0,05 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

0 kton

Scenario’s Nieuwland Voor de wijk Nieuwland hebben wij drie scenario’s doorgerekend: 1. Nieuwland naar Label C (deze is meegenomen in de prognose). 2. Nieuwland op een warmtenet. 3. Geen aanpak. Om de CO2-reductie van Nieuwland naar Label C te bepalen, hebben wij energieverbruiken voor woningen uit ons model CEGOIA gehaald. Wij hebben energieverbruiken voor utiliteiten gebaseerd op kentallen voor kantoren van het TNO. CEGOIA kan het energieverbruik van gebouwen met verschillende warmtetechnieken en isolatieniveaus op buurtniveau berekenen. Daarnaast hebben wij de volgende aannames gedaan:

20

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

— —

— — —

De woningen worden geïsoleerd naar temperatuurniveau MT70. Dit is vergelijkbaar met Label C. Er worden 3.034 woningen geïsoleerd. Dit zijn de woningen in Nieuwland min een aantal woningen dat al isolatiemaatregelen treft vanwege het isolatieprogramma en de verduurzaming van corporatiewoningen. Energieverbruik van andere utiliteiten is vergelijkbaar met energieverbruik van kantoren. De isolatiemaatregelen zijn in 2030 voltooid.

Tabel 12 - CO2-effect Nieuwland naar Label C Omschrijving

Waarde

Status

Huidig beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

1,3 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

1,3 kton

Om de CO2-reductie van de overstap op het warmtenet in de wijk Nieuwland te bepalen, hebben we enkele aannames gedaan: — in het basisjaar worden alle gebouwen met aardgas verwarmd; — in 2030 is 50% van de gebouwen aangesloten op het warmtenet, in 2050 100%; — zowel de woningen als utiliteitsgebouwen worden aangesloten; — gebouwen worden niet verder geïsoleerd voor ze op een warmtenet overstappen; — we gebruiken een emissiefactor van de warmte, vergelijkbaar met WarmtelinQ; — er wordt geen koeling geleverd; — de warmtapwatervraag verandert niet met de tijd. Tabel 13 – CO2-effect Warmtenet Nieuwland Omschrijving

Waarde

Status

Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

6,0 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

15,1 kton

Er is geen CO2-reductie als de gemeente niets doet. De CO2-effecten van de verschillende scenario’s en het effect op het doelbereik van de gemeente is weergegeven in Tabel 14. Tabel 14 – Ontwikkeling emissies met verschillende scenario’s voor Nieuwland in 2030 Scenario

Isolatie naar Label C

Warmtenet

Geen aanpak

Beschrijving scenario

Alle gebouwen in Nieuwland met Label EFG naar Label C. Waar er overlap is met het isolatieprogramma en corporatiewoningen naar Label C, hebben we het effect bij die maatregelen meegenomen, en dus niet hier.

50% van de gebouwen gaat over op een warmtenet.

De situatie in Nieuwland blijft zoals hij nu is.

CO2-reductie Nieuwland 2030:

1,3 kton

6,0 kton

0 kton

CO2-emissie Gebouwde Omgeving 2030

85,9 kton

81,2 kton

87,2 kton

CO2-emissie Schiedam totaal 2030

198,5 kton

193,9 kton

199,8 kton

-59,1%

-60,0%

-58,8%

Emissiereductie in Schiedam in 2030 ten opzichte van 1990 (doelbereik)

21

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Hogetemperatuuropslag bij warmtenet Groenoord Het huidige warmtenet in Groenoord heeft nog een relatief grote emissiefactor, omdat in de winter gas moet worden bijgestookt om voldoende warmte te kunnen leveren. Door in de zomer ondergronds warmte op te slaan, hoeft er in de winter minder gas bijgestookt te worden. Als aanvullend beleid hebben wij de extra CO 2-reductie bepaald, die kan worden gerealiseerd als een hogetemperatuuropslag (HTO) wordt toegevoegd aan het warmtenet in Groenoord. Dat levert in 2030 1,8 kton besparing op en in 2050 geen besparing, omdat warmte dan een emissievrije energiebron is. Hiervoor is aangenomen dat het percentage bijstook daalt van 18% naar 1,5%. Tabel 15 - CO2-effect hogetemperatuuropslag bij warmtenet Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

1,8

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

0,0

Naoorlogse corporatiewoningen naar Label B De huidige afspraken met corporaties zijn om naar Label C te isoleren. Dat is het minimale niveau dat nodig is bij het geplande warmtenet. Het potentieel van verder isoleren is beperkt, maar is wel van belang om energiearmoede terug te dringen. Daarom hebben we als aanvullende maatregel het isoleren van naoorlogse corporatiewoningen naar Label B doorgerekend. Voor deze berekening hebben we dezelfde methode gebruikt als voor de maatregel ‘Corporatiewoningen naar Label C’. Tabel 16 - CO2-effect naoorlogse corporatiewoningen naar Label B Omschrijving

Waarde

Status

Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

0,8 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

0,8 kton

Verduurzaming maatschappelijk vastgoed Door het maatschappelijk vastgoed vergaand te isoleren, kan aanzienlijk worden bespaard op de warmtevraag van deze gebouwen. Voor het bepalen van de warmte- en gasbesparing van de gebouwen gebruiken we getallen in lijn met het Vesta MAIS Functioneel Ontwerp 5.0 (PBL, 2021). Tabel 17 – CO2-effect verduurzaming maatschappelijk vastgoed Omschrijving Status

22

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030 (ten opzichte van 2021)

6,7 kton

CO2-reductie 2050 (ten opzichte van 2021)

6,2 kton

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

2.4.2 Mobiliteit Vastgesteld beleid Bouwen rondom ov-locaties Volgens de gemeente Schiedam worden in 2030 4.000 woningen gebouwd rondom ovlocaties. Voor deze maatregel hebben wij enkele aannames gedaan: — De netto uitbreiding van het aantal woningen voor Zuid-Holland tussen 2022 en 2030 is circa 6000. — De gemiddelde ritlengte per auto is gelijkgesteld aan de gemiddelde ritlengte per auto voor Zuid-Holland. — De vermindering in autobezit door woningen te bouwen in de buurt van ov-locaties is overgenomen van het rapport van Provincie Noord-Holland (2019). — Het aandeel van autokilometers dat wordt vervangen door ov-gebruik komt voort uit CE Delft (2023a). — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Tabel 18 - CO2-effect bouwen rondom ov-locaties Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

1,1 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

Parkeertarieven Op basis van informatie die is aangeleverd voor het eerdere onderzoek uitgevoerd door CE Delft voor de MRDH regio, is berekend hoeveel procent de parkeertarieven gemiddeld zullen stijgen en welk percentage van het wagenpark hiermee geconfronteerd zal worden (CE Delft, 2023a). Voor deze maatregel zijn enkele aannames gedaan: — Voor de berekening van het effect van het uitbreiden van betaald parkeren zijn aannames voor het effect van betaald parkeren op autogebruik en het percentage verplaatsingen dat overstapt op het ov uit CE Delft (2023a) overgenomen. — Het aantal minder autokilometers bij een prijsstijging van de parkeertarieven is gebaseerd op CE Delft and PBL (2010). — De stijging in procentuele vraag naar ritkilometers met het ov per gereduceerde procentuele vraag voor ritkilometers met de auto en de verhouding van ov-emissies ten opzichte van emissies voor een personenauto in 2030, zijn gebaseerd op het CEREMmodel (CE Delft, lopend). — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is.

23

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Tabel 19 - CO2-effect parkeertarieven Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

0,04 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

Parkeernormen De gemeente Schiedam heeft aangegeven dat er voor nieuwbouwwoningen lagere parkeernormen zullen gelden, waardoor het lastiger zal worden voor bewoners om hun auto te kunnen parkeren. Voor de berekening van het CO2-effect zijn de volgende aannames gedaan: — Uit het meest recente MRDH project is de default waarde van een daling van de parkeernormen met 10% aangehouden, omdat er niet voldoende informatie was om de procentuele daling van de parkeernormen te berekenen (CE Delft, 2023b). — Tevens is uit een vorige MRDH studie het geschatte percentage autogebruikers dat overstapt naar het OV door de maatregel overgenomen en de effecten van een 10% lagere parkeernorm op het autogebruik (CE Delft, 2023a). — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Tabel 20 - CO2-effect parkeernormen Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

3,5 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

Modal shift korte ritten De gemeente Schiedam heeft aangegeven in te zetten op een modal shift van korte ritten van autogebruik naar ov, fietsgebruik en/of lopen. Het CO2-effect is berekend aan de hand van de volgende aannames: — De gemeente Schiedam heeft geen concreet doel voor 2030 voor een modal shift opgesteld. Om deze reden is de defaultwaarde gehanteerd vanuit het project voor de MRDH (CE Delft, 2023b). — Het percentage korte ritten <15km is berekend aan de hand van CBS (2023b). — Het aandeel autogebruikers dat binnen deze maatregel zal kiezen voor het ov of voor fietsen/lopen, is vanuit CE Delft (2023a) op 50% ov en 50% fietsen/lopen gezet. — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Tabel 21 - CO2-effect modal shift korte ritten Omschrijving Status

24

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

0,9 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Deelmobiliteit De gemeente Schiedam heeft aangegeven in te zetten op een toename van deelmobiliteit binnen de gemeente. Het CO2-effect is berekend aan de hand van de volgende aannames: — De gemeente Schiedam gaf aan in te zetten op deelmobiliteit, maar een concreet doel is nog niet bekend voor 2030. Om deze reden zijn wij uitgegaan van het defaultpercentage van 2,8%, dat is opgesteld aan de hand van de prognose vanuit MuConsult (2021). — Voor de meeste parameters, zoals het gemiddeld aantal delers per auto en de reductie CO2-uitstoot per autodeler per jaar, zijn wij bij deze maatregelberekening uitgegaan van de studie ‘Deelauto- en deelfietsmobiliteit in Nederland’, opgesteld door het KiM (2021). — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Er zal nauwelijks een verschil zijn of een eigen voertuig, of een deelauto zal worden gebruikt. Tabel 22 - CO2-effect deelmobiliteit Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

0,1 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

Metropolitane fietsroutes Metropolitane fietsroutes betreffen fietspaden met als voornaamste doel het verbinden van woongebieden met locaties met een veel bedrijvigheid en/of waar veel mensen werken, om zo de fiets een efficiënt alternatief te maken voor de auto. Bij de berekening van het CO2-effect zijn wij van de volgende aannames uitgegaan: — De gemeente Schiedam geeft aan in te zetten op metropolitane fietsroutes. Echter zijn er geen doelen opgesteld naar 2030 toe. Om deze reden zijn wij uitgegaan van de doelstelling uit de defaultberekening, gebaseerd op onze eerdere studie CE Delft (2023a). — De verdeling aan bespaarde reizigerskilometers voor overige modaliteiten per bespaarde reizigerskilometers van een fietser zijn opgesteld aan de hand van expert judgement en betreffen 30% voor de auto, 25% voor bus/trein/metro, 25% voor trein en 20% voor lopend. — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Tabel 23 – CO2-effect metropolitane fietsroutes Omschrijving Status

25

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

0,3 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

Werkgeversaanpak Werkgeversaanpak behelst een breed scala aan maatregelen, die gericht zijn op het woonwerkverkeer en zakelijk verkeer duurzamer te laten verlopen. Bij de berekening van de maatregel zijn de volgende aannames gedaan: — De gemeente Schiedam heeft aangegeven in te zetten op werkgeversaanpak, echter zijn de doelen voor 2030 nog niet concreet. Wij zijn uitgegaan van de defaultwaardes uit het MRDH onderzoek, waarin 10% van de werkgevers onder de werkgeversaanpak zal vallen en gemikt wordt op 50% zero-emissie reizen in 2030 (CE Delft, 2023b). — De percentages van de ritten met als motief woon-werkverkeer en zakelijk verkeer, zijn overgenomen vanuit CBS (2023b). Er is aangenomen dat deze percentages voor Schiedam gelijk zijn aan Zuid-Holland. — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Elektrische auto’s zullen op grote schaal zijn uitgerold en vergelijkbaar zijn met het openbaar vervoer qua emissies. Tabel 24 - CO2-effect werkgeversaanpak Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

1,1 kton

CO2-reductie 2050

~0 kton

Zero-emissie (ZE) stadslogistiek in de binnenstad ZE-zones dragen bij aan het verduurzamen van de logistiek binnen gemeentes. De omvang van de meeste ZE-zones betreffen de stadskern. De gemeente Schiedam heeft aangegeven een ZE-zone te implementeren vanaf 2026 in de stadskern. De methodiek van het MRDHmodel wijkt af van het CEREM-model op basis van de berekening (CEREM hanteert effect op brandstofverbruik, MRDH effect op CO2-emissies. Ook gebruikt CEREM recent een nieuwe referentieprognose voor ZE stadslogistiek, die in het MRDH-model nog niet is gehanteerd). Voor de berekening van het CO2-effect zijn vrijwel geen noemenswaardige aannames gedaan. Alleen de uitstralingsfactor is een expert judgement. De uitstralingsfactor houdt in wat de invloed van de ZE-zone is op logistiek vervoer buiten de ZE-zone om, ofwel buiten het focusgebied. In 2050 zal het effect drastisch gereduceerd zijn, doordat het grootste gedeelte van het logistieke wagenpark binnen deze tijdsspanne autonoom zero-emissie zal zijn. Dit effect is gebaseerd op een schatting vanuit het CEREM-model. Tabel 25 - CO2-effect zero-emissie stadslogistiek binnenstad Omschrijving Status

Waarde Aanvullend beleid

CO2-reductie 2030

3,5 kton

CO2-reductie 2050

~1,5 kton

Zero-emissie (ZE) eigen wagenpark ZE eigen wagenpark betreft het verduurzamen (zero-emissie maken) van het wagenpark van de gemeente. De gemeente Schiedam heeft aangegeven te streven naar een 100% ZE eigen wagenpark in 2030.

26

230280 - CO2-effecten klimaatbeleid Schiedam – April 2024

De volgende aannames zijn gedaan bij de doorrekening: — Er is aangenomen dat het eigen wagenpark van de gemeente gemiddeld 0,7% betreft van het totale wagenpark in de gemeente. De berekening van de emissie-effecten zijn gebaseerd op CE Delft (2023c). — In 2050 zal volgens onze aannames het wagenpark dermate geëlektrificeerd zijn en zal de gebruikte stroommix volledig groen zijn, waardoor het CO 2-effect verwaarloosbaar is. Het eigen wagenpark van de gemeente Schiedam zal dus autonoom ook verduurzamen. Tabel 26 - CO2-effect zero-emissie eigen wagenpark Omschrijving Status

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16807073/1