Bijlage 4 Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit Peperklip
Tekst van het document
Het nadeel van een hoge geluidsbelasting kan middels een goede ruimtelijke ontwikkeling gecompenseerd worden door maatregelen die als positief worden ervaren ten aanzien van de leefomgevings-kwaliteit. Deze compenserende factoren kunnen leiden tot een lagere hinderbeleving (of anders gezegd: tot een grotere acceptatie van geluid). Geluidcompenserende maatregelen kunnen in de akoestische sfeer liggen, echter kunnen het ook andere elementen in de leefomgeving betreffen die positief gewaardeerd worden. Adromi B.V.
R202362
Pagina 54 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bij akoestische compensatie kan gedacht worden aan zaken als zwevende vloeren, ankerloze spouwmuren, een (ruim) 'privégebied' (een tuin of balkon) aan de geluidluwe kant van het huis, aangepaste indeling van de woning en een gemeenschappelijke binnentuin. Bij niet-akoestische compensatie gaat het om positieve omgevingselementen zoals veel groen, aanwezigheid van een park en voorzieningen in de nabijheid. − Vermindering contactgeluid Als compenserende maatregel kan tevens het verminderen van het contactgeluid tussen de woningen worden aangemerkt. In het plan wordt gebruik gemaakt van zwevende vloeren om de geluidsisolatie te verbeteren en het wooncomfort te verhogen. Een zwevende vloer bestaat uit een afwerklaag die los ligt van de onderliggende constructie, meestal gescheiden door een laag veerkrachtig materiaal. Deze constructie zorgt ervoor dat contactgeluiden, zoals voetstappen en verschuivende meubels, niet direct doorgegeven worden aan de onderliggende ruimtes. De toepassing van zwevende vloeren in de ontwikkeling draagt bij aan een aanzienlijke geluidreductie in het kader van contactgeluid. Gemiddeld kan met deze techniek een geluidreductie van 10 tot 20 decibel worden bereikt. Dit betekent dat de hinder van contactgeluiden merkbaar wordt verminderd, waardoor bewoners in een rustiger en aangenamer leefklimaat verkeren.
Naast de reductie van contactgeluid helpt de zwevende vloer ook bij het dempen van omgevingsgeluiden. − Toepassing vloerverwarming/koeling Als compensatie voor het niet geluidsluw kunnen openen van ramen en/of deuren wordt gebruik gemaakt van een in elk appartement aan te brengen vloerverwarmingsinstallatie waarmee warme en/of gekoelde lucht kan worden ingeblazen. Dit stelt bewoners in staat om ramen en deuren gesloten te houden, zelfs tijdens warme periodes, waardoor de geluidbelasting binnenshuis aanzienlijk wordt verminderd. − Geluidluwe gemeenschappelijke buitenruimte Niet alle appartementen kunnen voorzien worden van een geluidluwe gevel en/of geluidluwe buitenruimte. In dat geval kan gecompenseerd worden middels een gemakkelijk bereikbare gemeenschappelijke geluidsluwe buitenruimte of dient er sprake te zijn van een aantoonbaar compensatie in de vorm van andere woonkwaliteiten. Hierbij kan gedacht worden aan de te realiseren maatschappelijke/overige functies in het gebouw, de school en sportfunctie en het plaatsen van dak- en gevelgroen. Het plan beschikt over gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimten. Tot deze gemeenschappelijke buitenruimten behoort in ieder geval het zogenoemde middengebied (tussen het Noorden Zuidblok) met een buitenruimte met groen en speelruimte.
Dit biedt bewoners een plek waar zij buiten kunnen ontspannen zonder blootgesteld te worden aan hoge geluidswaarden. Daarnaast behoort voor het zuidelijk blok tot de mogelijkheden dat er een gemeenschappelijke ‘huiskamer’ en/of gemeenschappelijke buitenruimten (dakterras met lounge faciliteiten) wordt gerealiseerd. Adromi B.V.
R202362
Pagina 55 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Naast de verschillende buitenruimten, zullen er binnen het sociaal-maatschappelijk cluster functies worden samengevoegd, waarbij het gebruik multifunctioneel kan worden, denk aan bibliotheekfunctie, vergaderen, keuken, lichte ‘horeca’ en sportzaal. Ook deze voorzieningen betreffen positieve omgevingselementen die bijdragen aan een goed woonklimaat en kunnen om die reden worden aangemerkt als compenserende maatregelen. Om voornoemde redenen wordt afwijking van het geluidbeleid zoals vastgesteld door de gemeente Schiedam gerechtvaardigd. Zie ook bijlage 13. 5.7. Omgevingsveiligheid Toetsingskader Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, Adromi B.V.
R202362
Pagina 56 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Beoordeling Risicovolle bedrijven Uit het REV blijkt dat het projectgebied niet binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting ligt. Het tankstation ten noorden van het projectgebied bevat geen LPG, waardoor er geen risicocontour is. Wel is het projectgebied binnen diverse gifwolkaandachtsgebieden van Seveso-locaties gelegen. Vanwege de ligging in het aandachtsgebied is een beknopte verantwoording noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen Over de Nieuwe Maas vindt transport van gevaarlijke stoffen in binnenvaart- en zeeschepen plaats. Gezien de afstand van het projectgebied tot de Nieuwe Maas (> 200 m) zal de beoogde transformatie geen gevolgen hebben voor de hoogte van het groepsrisico. Over de A20 vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het projectgebied valt buiten het brandaandachtsgebied (30 m) en explosieaandachtsgebied (200 m). Het noordelijk deel van het projectgebied is binnen een gifwolkaandachtsgebied gelegen. Vanwege de ligging in het aandachtsgebied is een beknopte verantwoording noodzakelijk.
Op circa 280 meter ten noorden van het projectgebied ligt een hogedruk aardgasleiding. Het betreft een buisleiding in beheer van de Gasunie met een grootte van 16 inch en een maximale werkdruk van 40 bar. Het bijbehorende aandachtsgebied is 170 meter. Het projectgebied ligt hier buiten. Beknopte verantwoording groepsrisico Afstand houden binnen het aandachtsgebied De ontwikkeling bevindt zich binnen een gifwolkaandachtsgebied. Afstand houden is binnen aandachtsgebieden een effectief middel, omdat op een grote afstand over het algemeen minder aanvullende bescherming nodig is dan dicht bij de risicobron. Zowel de kans dat een plek wordt getroffen als de impact van de calamiteit nemen immers af wanneer de afstand vanaf de risicobron toeneemt. Daarnaast biedt een grotere afstand vaak meer tijd om te vluchten of een schuilplaats te zoeken. Afstand houden binnen een aandachtsgebied biedt op zichzelf geen volledige bescherming, aangezien mensen nog steeds in het aandachtsgebied verblijven. Om de aanwezige mensen te
Adromi B.V.
R202362
Pagina 57 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
beschermen zijn aanvullende beschermingsmaatregelen nodig, bijvoorbeeld aanvullende risicocommunicatie gecombineerd met het voldoende vluchtroutes of schuilplaatsen. Aanvullende risicocommunicatie De standaard risicocommunicatie (artikel 46 Wet veiligheidsregio's) biedt mensen in een aandachtsgebied onvoldoende bescherming tegen de gevaren van brand, explosie en gifwolk. Daarom is het nodig dat binnen aandachtsgebieden aanvullende risico- en crisiscommunicatie wordt georganiseerd. Deze aanvullende communicatie is nodig om ervoor te zorgen dat reeds bestaande beschermingsmaatregelen en/of nieuw te treffen beschermingsmaatregelen (beperken personendichtheid, vlucht- en schuilmogelijkheden, omgevingsmaatregelen en aanvullende bouwkundige maatregelen) ook toegepast kunnen worden. Met andere woorden, aanvullende beschermingsmaatregelen kunnen alleen bescherming bieden als mensen ook geïnformeerd zijn over de optredende gevaren binnen het aandachtsgebied, de maatregelen die getroffen zijn en hun handelingsperspectieven in geval van een ongeval. Er moet daarbij zowel aandacht zijn voor communicatie voorafgaand aan een mogelijk ongeval (risicocommunicatie), alsook voor communicatie tijdens een ongeval (crisiscommunicatie).
Vlucht- en schuilmogelijkheden Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen (Handleiding advies bluswater en bereikbaarheid VRR, 2019). Het projectgebied wordt ontsloten via de Fahrenheitstraat op de Lorentzlaan. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Schiedam. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Bij schuilen is er een onderscheid tussen schuilen op een langdurig veilige plaats (safe haven) of het snel kunnen schuilen/dekking zoeken op een tijdelijke veilige plaats (shelter in place). De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen.
Bij deze groepen wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de verzorgers/ouders de kinderen en ouderen zullen begeleiden. Om de zelfredzaamheid van de aanwezigen te vergroten, is in de gebouwontwerpen voorzien in maatregelen die schuilen mogelijk maken. De mechanische ventilatiesystemen zijn afsluitbaar gemaakt, zodat bij een calamiteit, zoals een toxische wolk, de toevoer van gevaarlijke stoffen naar binnen kan worden gestopt. Daarnaast zijn ramen en deuren Adromi B.V.
R202362
Pagina 58 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
ontworpen om volledig afsluitbaar te zijn, zodat het binnendringen van schadelijke stoffen of rook wordt beperkt. Deze maatregelen dragen bij aan het creëren van een veilige tijdelijke schuilplaats binnen het gebouw. Ook is goede voorlichting en instructie van aanwezige personen van belang, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand.' De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) heeft op 21 juni 2024 advies uitgebracht over de geplande nieuwbouwontwikkeling. Dit advies richt zich op fysieke veiligheid, zelfredzaamheid, en de mogelijkheden voor effectieve hulpverlening. De VRR benadrukt dat deze aspecten cruciaal zijn gezien de aanwezigheid van zeer kwetsbare gebouwen, zoals een basisschool en een kinderdagverblijf, binnen het projectgebied. Om de veiligheid te waarborgen, heeft de VRR geadviseerd om rondom de nieuwbouw zorg te dragen voor goede bereikbaarheid en voldoende bluswatervoorzieningen, zodat hulpdiensten bij incidenten snel en adequaat kunnen handelen. Verder is geadviseerd om bouwkundige maatregelen te treffen die de brandveiligheid verhogen, zoals het gebruik van brandveilige materialen en een dakconstructie die voldoet aan een WBDBO van 30 minuten.
Ook moeten de gebouwen geschikt worden gemaakt om tijdelijk in te schuilen bij calamiteiten, bijvoorbeeld door afsluitbare deuren en ramen en uitschakelbare ventilatiesystemen te installeren. Daarnaast is de VRR van mening dat de BHV-organisatie goed voorbereid moet zijn op mogelijke incidenten. Zij moeten weten hoe te handelen, bijvoorbeeld door ramen en deuren te sluiten en mensen naar veilige delen van het gebouw te begeleiden. Bij toekomstige ontwikkelingen in het plangebied, zoals de integratie van nieuwe energiebronnen, wordt geadviseerd de VRR te betrekken vanwege mogelijke veiligheidsrisico’s. Aan deze adviezen is voldaan door de ontwerpplannen hierop aan te passen, zodat de bouwkundige en installatietechnische maatregelen aansluiten bij de aanbevelingen. Er is tevens rekening gehouden met de hulpdiensten die kunnen beschikken over voldoende bluswater en goede bereikbaarheid van de locatie. Tot slot heeft ook de Gasunie aangegeven in te kunnen stemmen met het project. 5.8. Archeologie en cultuurhistorie Toetsingskader archeologie en cultuurhistorie De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl).
Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in Adromi B.V.
R202362
Pagina 59 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is, indien aanwezig, opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal door vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Beoordeling Omdat er sprake is van herontwikkeling van het projectgebied is een bureauonderzoek archeologie uitgevoerd (Bijlage 15 - BOOR, Schiedam plangebied Peperkliplocatie, 2023). Op basis van het bureauonderzoek kan gesteld worden dat er in het projectgebied op verschillende dieptes in de bodem archeologische waarden aanwezig kunnen zijn. Aangezien de geplande werkzaamheden gepaard zullen gaan met grondroerende activiteiten, kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden aangetast of vernietigd. Op basis van bovenstaande conclusie is een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Bijlage 14 - 23070037, d.d. 16 november 2023, Transect BV).
Gesteld kan worden dat eventuele resten, indien aanwezig, als gevolg van de ophoging dusdanig zijn samengedrukt dat de mate van intactheid en conservering ervan naar verwachting gering is. Gezien de resultaten van het veldonderzoek kan de archeologische verwachting in het plangebied naar laag worden bijgesteld. Uit dit onderzoek blijkt dat voor het projectgebied in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig zijn. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. Beoordeling cultuurhistorie Op de locatie zijn geen cultuurhistorische waardevolle elementen aanwezig. 5.9. Bodem Toetsingskader Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Adromi B.V.
R202362
Pagina 60 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Beoordeling Vanwege de functiewijziging naar een bodemgevoeliger gebruik is een bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 6). De resultaten van het onderhavige verkennend bodemonderzoek geven geen aanleiding voor het uitvoeren van nader bodemonderzoek. In de grond en/of in het grondwater zijn geen overschrijdingen van de desbetreffende interventiewaarde aangetoond. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat op de onderzoekslocatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Verwacht wordt dat de aangetoonde bodemkwaliteit is geen belemmering zal vormen bij grondwerkzaamheden. Tevens is het de verwachting dat de onderzoekslocatie op basis van dit (deel)onderzoek geschikt zal zijn voor het beoogde doel (woonbestemming). Hierbij dient nog wel een kanttekening geplaatst te worden dat een groot deel van de onderzoekslocatie ten tijde van het onderzoek bebouwd en in gebruik was (viertal panden). Op dit deel van de locatie dient na de sloop van de bebouwing een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Na de sloop wordt een aanvullend onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de (voormalige) bebouwing. Indien uit dit onderzoek blijkt dat mitigerende maatregelen nodig zijn, worden deze opgevolgd. Het aspect bodem vormt op basis van het uitgevoerde onderzoek geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling. 5.10.
Weging van het waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang (voorheen: watertoets). Waterschapsbeleid Adromi B.V.
R202362
Pagina 61 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Waterbeheerprogramma Delfland In het Waterbeheerprogramma 2022-2027, vastgesteld door het algemeen bestuur op 10 maart 2022, legt het hoogheemraadschap de ambities voor de komende jaren vast. De centraal gestelde missie van het Hoogheemraadschap omvat: • Droge voeten • Voldoende water • Schoon water • Gezuiverd afvalwater De missie van het Hoogheemraadschap richt zich op het waarborgen van droge voeten, voldoende water, schoon water en gezuiverd afvalwater. Het werk van Delfland draagt bij aan de veiligheid en volksgezondheid, onder andere door het beheer van waterkeringen, het verbeteren van de waterkwaliteit en het reinigen van afvalwater. Bovendien wordt er aandacht besteed aan biodiversiteit en recreatie, die bijdragen aan het welzijn van de omgeving. Het Hoogheemraadschap houdt voortdurend rekening met de effecten van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, droogte en wateroverlast, die de komende jaren grote impact zullen hebben op het watersysteem. Bij de ruimtelijke inrichting wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheden voor het vasthouden en infiltreren van regenwater, alsmede het beperken van verdere verharding van de oppervlakte, om wateroverlast te voorkomen. Dit vormt een prioriteit binnen het watersysteem van Delfland. De Handreiking weging van het waterbelang voor gemeenten speelt hierin een sleutelrol.
Deze handreiking biedt gemeenten en andere betrokkenen richtlijnen voor het onderbouwen van waterbeheer in de fysieke leefomgeving en is de leidraad voor een goede afweging van het waterbelang bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het doel is om de waterhuishouding in balans te houden en bij te dragen aan de duurzaamheidsdoelen van het Hoogheemraadschap. Waterschapsverordening Delfland Voor werkzaamheden en activiteiten aan het water of aan waterkeringen gelden regels die zijn vastgelegd in de Waterschapsverordening Delfland, die per 1 januari 2024 de Delflands Algemene Keur heeft vervangen. In deze verordening staan gedoogplichten, geboden en verboden met betrekking tot watergangen en waterkeringen. De verordening regelt dat kernen beschermingszones voor waterkeringen (en watergangen) in acht moeten worden genomen. Concreet houdt dit in dat binnen de beschermingszone van waterkeringen en wateren niet zomaar gebouwd of opgeslagen mag worden, terwijl voor de kernzone geldt dat bouwen daar niet is toegestaan. Dit strengere regime is bedoeld om te voorkomen dat de stabiliteit van de waterkering en/of de veiligheid ervan wordt aangetast, evenals het onderhoud van de waterkering of het water. De breedte en maatvoeringen van deze beschermingszones zijn vastgelegd in de Legger.
Adromi B.V.
R202362
Pagina 62 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Gemeentelijk beleid Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan Het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan beschrijft voor de periode 2019-2023 de doelen en eisen die worden gesteld aan de riolering en het beheer, zodat een goede invulling gegeven wordt aan de gemeentelijke watertaak van afvalwater, hemelwater en grondwater. In vergelijking met het voorgaande plan voor de periode 2014-2018 zijn de ambitieniveaus voor het onderwerp klimaatadaptatie verhoogd (van basis naar ambitieus). In lijn met het door het Rijk opgestelde Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie heeft de gemeente als doel om de stad klimaatbestendig en water robuust in te richten. Om deze reden is het klimaatadaptatieplan ontwikkeld, waarin wordt ingegaan op ruimtelijke adaptatie en de omgang met weersextremen. Met dit vGRP worden de klimaatambities vertaald in concreet beleid voor stedelijk water. De belangrijkste aandachtspunten zijn: • aanpak van droogte (aandacht voor bodemdaling en kwetsbare funderingen); • wateroverlast door hevige neerslag; • actief betrekken van bewoners bij het klimaatadaptief inrichten van de stad. Met de rioleringszorg in Schiedam worden doelen nagestreefd. De doelen voor de rioleringszorg zijn aangepast aan de nieuwe rol ten aanzien van het hemelwater en grondwater en sluiten goed aan bij het gedachtegoed van de invoering van de verbrede watertaken.
De rioleringszorg in Schiedam dient de volgende doelen: zorgplichten op orde, klaar voor de toekomst, maatwerk en innovatie, meten en leren in de praktijk en samenwerken op alle niveaus. In het vGRP wordt extra aandacht besteed aan het toetsbaar maken van doelen aan de hand van prestatie indicatoren. In het vGRP is een toelichting gegeven op hoe de doelen meetbaar zijn gemaakt. Klimaatadaptatieplan Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat de stad een extreme bui kan verwerken. Om in tijden van droogte het uitdrogen van de bodem en het 'uitzakken' van de grondwaterstand tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen, vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Om de opwarming van de stad in tijden van een hittegolf te beperken, is de doelstelling dat de stad hooguit 2 °C meer opwarmt dan het omliggende landelijke gebied. Doelstelling voor overstromingen is dat Schiedammers beschikken over een handelingsperspectief voor de overstromingsgevoelige gebieden. Een ander gevolg van klimaatverandering is de wereldwijde afname van biodiversiteit. Om verschillende redenen wil Schiedam het groen in de stad versterken. Er is een samenhang met klimaatadaptatie, omdat vergroening ook een rol speelt in met name de aanpak van hittestress. Adromi B.V.
R202362
Pagina 63 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Door een goede groeninrichting van de buitenruimte en door in en rond bebouwing natuurinclusieve maatregelen te nemen, wordt (mede) een belangrijke bijdrage geleverd aan het versterken van de biodiversiteit in de stad. Beoordeling Er bevinden zich geen oppervlaktewateren op het projectgebied. Evenmin is sprake van de aanwezigheid van waterkeringen. Waterkwantiteit Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van het Watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m2 in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied is een Watervergunning nodig. Hiervan is geen sprake (zie ook Watersleutel Delfland, bijlage 17). Voor verharde oppervlakten geldt dat, indien mogelijk, waterstromen gescheiden worden ingezameld.
Voor de verwerking van (particulier) hemelwater wordt de volgende voorkeurs volgorde gehanteerd: • Maatregelen op eigen terrein (infiltratie); • Hergebruik van hemelwater op openbaar terrein; • Afvoer van overtollig hemelwater naar oppervlaktewater; • Afvoer naar de RWZI. In het ontwikkelplan zijn verschillende duurzaamheidsambities opgenomen. De ambitie voor de waterberging betreft het zorgen voor een goede opvang van regenwater tijdens extreme neerslag. Vasthouden van water voor bewatering van groen en bodeminfiltratie om droogte te voorkomen. Klimaatadaptatie De inrichting van de buitenruimte wordt klimaatadaptief gerealiseerd. Schiedam heeft de ambitie om de stad bestand te laten zijn tegen extreme buien dus tegen ‘te veel’ en ‘te weinig’ water. Hierin is de 70mm/uur bui maatgevend. Hemelwater wordt daarom in het projectgebied gebufferd waardoor het water stapsgewijs en vertraagd wordt afgevoerd. Een belangrijke ambitie is het voorkomen van wateroverlast. In het ontwerp is een systeem van groene daken en retentiekratten geïntegreerd. Deze groene daken vangen regenwater op,
Adromi B.V.
R202362
Pagina 64 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
slaan een deel op in een waterreservoir voor hergebruik (ten behoeve voor het groen) en voeren het resterende teveel aan regenwater vertraagd af naar de groenvlakken naast de gebouwen door tijdelijke opslag in retentiekratten. Hierdoor fungeren de kratten als buffer voor hevige buien (minimaal 70mm) en wordt wateroverlast voorkomen. Er is sprake van een gescheiden rioleringsstelsel. Advies Hoogheemraadschap van Delfland Het Hoogheemraadschap van Delfland heeft een advies uitgebracht op basis van de conceptaanvraag voor het Project Peperklip in Schiedam, waarin zij aandacht vragen voor het borgen van het waterbelang conform de Handreiking weging waterbelang voor gemeenten. Belangrijke punten uit het advies omvatten de correcte toepassing van de Waterschapsverordening, het beschrijven en onderbouwen van relevante waterthema's zoals schoon water, gezuiverd afvalwater en het voorkomen van wateroverlast, en het waarborgen van de waterbergingsopgave door vasthoudmaatregelen of het graven van oppervlaktewater. In het plan zijn verschillende maatregelen opgenomen die direct inspelen op de wensen van Delfland. Zo is er in het plan een nadrukkelijke focus op het standstill-beginsel, wat betekent dat de waterhuishouding niet mag verslechteren.
Het plan voorziet in het gebruik van klimaatadaptieve oplossingen, zoals groene daken en retentiekratten, die regenwater opvangen, tijdelijk opslaan en vertraagd afvoeren naar de omliggende groenvlakken, waardoor wateroverlast door het opvangen van hevige regenbuien wordt voorkomen, conform de richtlijnen van Delfland. Daarnaast is er gezorgd voor een gescheiden rioleringsstelsel, wat betekent dat hemelwater op een verantwoorde manier wordt afgevoerd. Dit sluit aan bij de voorkeursvolgorde voor de verwerking van hemelwater, waarbij de eerste voorkeur uitgaat naar maatregelen op het eigen terrein, zoals infiltratie van water. Het gebruik van groene daken om regenwater op te vangen en hergebruik mogelijk te maken, is een belangrijk onderdeel van de strategie om de waterhuishouding duurzaam in te richten. Verder speelt het plan in op de biodiversiteit door het creëren van natuurinclusief groen. Het ontwerp biedt ruimte voor variatie in beplanting en beschutting, wat de biodiversiteit bevordert en het gebied aantrekkelijk maakt voor flora en fauna. Deze benadering versterkt de natuurlijke waarden van het projectgebied en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Het ontwikkelplan toont daarmee aan dat het advies van Delfland op een zorgvuldige manier is opgevolgd.
Er is voldoende aandacht besteed aan de waterhuishouding en klimaatadaptatie, en de maatregelen die zijn genomen dragen bij aan een duurzame en biodiverse leefomgeving. Tevens wordt door het plan de waterhuishouding verbeterd ten opzichte van de bestaande situatie. Adromi B.V.
R202362
Pagina 65 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
5.11. Windhinder Toetsingskader Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt. Beoordeling Omdat de toekomstige bebouwing hoger is dan 30 meter is een windklimaatonderzoek uitgevoerd conform NEN8100. Zie ook bijlage 7. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden: • Rond een groot deel van de planlocatie is sprake van een goed windklimaat voor de activiteit van doorlopen.
Rondom het Noordblok zijn een aantal gebieden met een lokaal matig windklimaat voor doorlopen vastgesteld. Nergens is risico op windgevaar of windgevaar vastgesteld. • Voor de gevels van het plan is bijna overal sprake van een goed windklimaat voor de activiteit slenteren. De hoofdentree aan de westkant van het Noordblok grenst direct aan het gebied met een mindere kwaliteitsklasse. Het wordt daarom aangeraden deze ingang wat af te schermen, bijvoorbeeld met windschermen, of door de ingang wat meer in het gebouw te plaatsen. • Bij de gevels van omliggende panden is een goed klimaat voor windgevoelige functies vastgesteld. Voor eventuele geplande terrassen aan de westzijde van het Noordblok is het windklimaat op dit moment nog ongeschikt. Als op deze locatie terrassen geplaatst worden is het noodzakelijk dat het windklimaat wordt verbeterd. Dit kan gedaan
Adromi B.V.
R202362
Pagina 66 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
worden door het toevoegen van windafschermende elementen, zoals bijvoorbeeld extra begroeiing of windschermen. De mitigerende maatregelen die worden geadviseerd in het onderzoek worden opgevolgd. Zo worden aan de noordzijde meer bomen gepland dan in het onderzoek rekening mee gehouden. De hoofdentree aan de westkant van het Noordblok, die oorspronkelijk direct aan een gebied met een mindere kwaliteitsklasse grenst, is aangepast. De ingang is iets meer naar binnen geplaatst, waardoor de windimpact wordt geminimaliseerd en het comfort voor de bezoekers wordt verhoogd. Het aspect windhinder staat de ontwikkeling niet in de weg. 5.12. Bezonning Toetsingskader Het onafhankelijke onderzoeksinstituut TNO heeft een norm voor bezonning: De bezonningsliniaal – Een nieuw eenvoudig hulpmiddel voor de beoordeling van de bezonning en de dag verlichting. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.
De wet stelt de TNO-norm niet verplicht, maar veel gemeenten hanteren hem. Een aantal gemeenten heeft beleid gebaseerd op deze norm. De gemeente kan er eventueel voor kiezen om een verplichting voor een onderzoek volgens deze TNO-norm in het omgevingsplan op te nemen. Beoordeling Om de mogelijke invloed van de herontwikkeling op de bezonning van omliggende bestaande woonbebouwing vast te stellen is een bezonningsonderzoek uitgevoerd (bijlage 8).
Adromi B.V.
R202362
Pagina 67 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Figuur 9: Model bezonningsonderzoek (Peutz)
Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat bij praktisch alle gevels aan de oost- en westkant van het herontwikkelingsgebied een afname in zonuren te zien is. Zowel aan de oost- als west kant ontstaan hierdoor gevels met minder dan 2 zonuren op 21 oktober, wat de meest kritische datum voor zonuren is binnen de toetsingsperiode van de lichte TNO-norm. Bij de woningen aan de Fahrenheitstraat lijken de woonkamers veelal aan de straatkant, en dus de beschaduwde zijde van de woning gepositioneerd te zijn. Deze woningen hebben echter wel nog zoninstraling aan de achterzijde. Aan de westkant van De Peperklip zijn er ook meerdere gevels met weinig zonuren, waardoor ze onder de lichte TNO-norm vallen. De woningen aan de Reaumurstraat hebben nog wel zonuren aan de westkant van het appartement, bij deze appartementen hangt het van de indeling van de appartementen af of de normoverschrijding acceptabel is of niet. Met name de huizen op de Celciusstraat 36A t/m 42A en de appartementen op de hoek van de Stationstraat ondervinden een verandering in zonuren. Door de nabijgelegen huizen is het aantal zonuren beperkt aan de achterkant van de gebouwen, de geplande herontwikkeling heeft voor deze bebouwing qua zonuren nadelige gevolgen. Naar aanleiding van dit onderzoek is gekozen om de grote volumes te realiseren op de locaties waar de effecten het kleinst zijn.
Hierdoor blijven er slechts enkele woningen over, waarbij niet kan worden voldaan aan de TNO-norm van 2 uur zonlicht per dag.
Adromi B.V.
R202362
Pagina 68 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Het niet voldoen aan de TNO-norm van 2 uur zonlicht per dag voor enkele woningen kan in dit geval als acceptabel worden beschouwd, omdat de ontwikkeling van de Peperklip bijdraagt aan bredere maatschappelijke en ruimtelijke doelen die als belangrijk worden beschouwd. Bovendien biedt de stedenbouwkundige structuur van het gebied beperkte mogelijkheden om het ontwerp zodanig aan te passen dat aan deze norm wordt voldaan. De ontwikkeling draagt bij aan de revitalisatie van het gebied en voorziet in belangrijke functies die het hart van de wijk versterken. Het creëren van een levendig en toekomstbestendig stedelijk gebied is een prioriteit, waarbij naast woonfunctie ook ruimte wordt geboden voor werkgelegenheid, openbare voorzieningen en voorzieningen voor de lokale gemeenschap. De Peperklip is bedoeld om een centraal knooppunt te worden in de wijk. Het vormt een belangrijke impuls voor de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de wijk, met nieuwe mogelijkheden voor zowel bewoners als bezoekers. Daarbij komt dat het gebied strategisch is gepositioneerd, met goede verbindingen naar andere delen van Schiedam, waardoor het een breed scala aan maatschappelijke voordelen biedt. Hoewel het belangrijk is om te streven naar voldoende zonlicht in woonomgevingen, wordt in dit geval een genuanceerde afweging van belangen gemaakt.
Het openbaar belang van het verbeteren van de stedelijke structuur en het versterken van de wijkcommunicatie is groter dan het effect van het beperkte verlies van zonlicht voor enkele woningen. Daarbij wordt het welzijn van de bewoners zorgvuldig in de gaten gehouden door het nemen van maatregelen die andere aspecten van de woonkwaliteit, zoals de algemene omgeving, verbeteren. 5.13. Trillinghinder Toetsingskader Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Beoordeling Voor het project De Peperklip in Schiedam is een quickscan trillingen uitgevoerd (zie bijlage 9). In deze quickscan is een beoordeling van de trillingsrisico’s voor het project gemaakt op basis van de projectinvulling, de bodemgesteldheid op de kavel en de spooruitvoering en spoorgebruik van de nabije sporen. Deze beoordeling richt zich op het risico van de meest nabije treinsporen.
In de referentiesituatie blijft bij alle rijsnelheden de trillingsopwekking van reizigerstreinen significant lager dan die van goederentreinen en zeker in het geval de
Adromi B.V.
R202362
Pagina 69 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
rijsnelheid, zoals hier, beperkt is tot maximaal 90 km/u. Reizigerstreinen vormen voor dit project dan ook geen risico. De metro is in dit verband niet relevant. De geplande bebouwing is voor trillingen ten gevolge van passerende treinen gunstig vormgegeven. De woontoren aan de noordzijde is een groot en hoog volume waardoor de noordzijde veel weerstand biedt tegen trillingen. Qua gebouwconstructie is het van belang dat vloeren niet gevoelig zijn voor de door treinen opgewekte dominante frequenties. Dit is mogelijk door voor de laagste buig-eigenfrequentie van vloeren van appartementen een ondergrens van 8 Hz aan te houden. Dit geldt alleen voor bouwdeel noord. De afstand die bouwdeel zuid heeft tot het spoor is meer dan voldoende om geen aanvullende eisen te stellen. Met dit onderzoek is voldoende aangetoond dat in het ruimtelijk spoor het aspect trillingen geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Adromi B.V.
R202362
Pagina 70 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
6.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1. Algemeen In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid is er bijzondere aandacht besteed aan de participatie van de bewoners en andere belanghebbenden. Volgens de bepalingen van de Omgevingswet is verplichte participatie van belanghebbenden noodzakelijk wanneer een plan significant invloed heeft op de fysieke en maatschappelijke omgeving. In dit geval is het belang van de Peperklip voor de wijk groot en dus is de participatie van de lokale gemeenschap essentieel. Dit zorgt ervoor dat de plannen draagvlak hebben en dat de meningen en wensen van de bewoners daadwerkelijk worden meegenomen in de ontwikkeling van het project. Vanaf mei 2023 zijn er gesprekken gehouden met 33 stakeholders, waaronder bewoners, ondernemers en andere betrokkenen bij de wijk. Deze gesprekken vonden plaats in diverse werkvormen, zoals wandelingen, fietstochten, telefoongesprekken, Teamsoverleggen en bijeenkomsten. De uitkomsten van deze gesprekken hebben waardevolle inzichten opgeleverd over de identiteit van de wijk en de wensen die men heeft voor de functies van De Peperklip. Zo werd er aandacht gevraagd voor het behoud van groen, het verbeteren van de bereikbaarheid, en de wens voor een gemengd gebruik van de ruimte, met een focus op werkgelegenheid, wonen en openbare voorzieningen. De resultaten van de workshops en excursies zijn vervolgens verwerkt in het ontwikkelkader van het project.
De participatie heeft bijgedragen aan een gedegen afstemming van het project op de behoeften en wensen van de lokale gemeenschap en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan versterkt. 6.2. Participatie Er zijn verschillende bijeenkomsten georganiseerd voor de plannen van de locatie De Peperklip. In de periode tussen december 2023 en november 2024 heeft Ballast Nedam Development tezamen met het team het plan Peperklip Schiedam uitgewerkt naar een Voorlopig Ontwerp, waar de input vanuit het participatietraject is meegenomen. Hieronder worden enkele oplossingsrichtingen beschreven naar aanleiding van de suggesties uit het participatietraject. Het project De Peperklip voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor de gebruikers en bewoners, waardoor er geen beroep wordt gedaan op de openbare parkeerplaatsen. De gemeente onderzoekt momenteel of het betaald parkeren moet worden aangepast. Daarnaast vindt er nog overleg plaats tussen de ontwikkelende partij en de gemeente over de inrichting van de Celsiusstraat.
Adromi B.V.
R202362
Pagina 71 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Voor het bezoekersfietsparkeren wordt in overleg met de gemeente een oplossing gezocht in het openbaar gebied nabij de entree van de woongebouwen. Ook wordt onderzocht hoe bewoners gestimuleerd kunnen worden om meer gebruik te maken van het openbaar vervoer. Er wordt overwogen om de Fahrenheitstraat doodlopend te maken of deze niet langer als doorgaande autoroute in te richten. Dit zal de straat beperken tot bestemmingsverkeer, waardoor naar verwachting minder hard wordt gereden. Het middengebied tussen het Noordblok en het Zuidblok wordt zodanig ingericht dat er een openbare verbinding ontstaat tussen oost en west. De wens van kinderen voor een glijbaan wordt meegenomen en afgestemd op de wensen van de school. Veel van de aangeleverde suggesties uit het participatietraject worden verder uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunning bouwen. Sommige suggesties zijn echter te gedetailleerd om nu al te behandelen in de procedure voor afwijking van het omgevingsplan. Zowel de ontwikkelaar als de gemeente heeft toegezegd dat omwonenden betrokken en geïnformeerd blijven naarmate het project verder richting uitvoering gaat. In 2025 zal een definitief ontwerp worden gerealiseerd, waarin de verdere detaillering wordt uitgewerkt. Een uitgebreid participatieverslag is te vinden in bijlage 10.
7.
Financiële haalbaarheid
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt en de situatie waarin er een gewijzigd omgevingsplan vigeert wat voldoet aan de wettelijke vereisten van de Omgevingswet (inclusief regels over kostenverhaal). De initiatiefnemer sluit een overeenkomst met de gemeente voor wat betreft vergoeding van de gemeentelijke exploitatiekosten. Een ander aspect dat in het kader van de economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld, is de vraag of er aanleiding bestaat voor omwonenden om vergoeding te vragen van schade. Een schadevergoedingsovereenkomst als bedoeld in artikel 13.3 van de Ow vormt onderdeel van de met de initiatiefnemer te sluiten anterieure overeenkomst.
Adromi B.V.
R202362
Pagina 72 van 73
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA)
Bijlagen Bijlage 1 – Mobiliteitsplan, Spark, d.d. 16 januari 2025 Bijlage 2 - Eco-effectscan, 23131/AQT301FF/MA, Aqua-Terra Nova, d.d. 22 juni 2023 Bijlage 3a – Notitie stikstofdepositie Peperklip, Adromi BV, d.d. 22 februari 2024 Bijlage 3b – Stikstofberekeningen, AERIUS, Bouwfase 1, 2 en gebruiksfase, d.d. 22 februari 2024 Bijlage 4 – Luchtkwaliteitsonderzoek, Adromi BV, d.d. 21 mei 2024 Bijlage 5 – Akoestisch onderzoek weg- en railverkeer De Peperklip, Adromi BV, d.d. 22 november 2024 Bijlage 6 – Verkennend bodemonderzoek, RSK Netherlands, d.d. 7 juni 2023 Bijlage 7 – Windklimaatonderzoek, Peutz, d.d. 16 januari 2025 Bijlage 8 – Onderzoek bezonning, Peutz, d.d. 30 mei 2024 Bijlage 9 – Quickscan trillingen De Peperklip, dGmr, d.d. 17 januari 2024 Bijlage 10 – Participatieverslag, d.d. 22 november 2024 Bijlage 11 – Memo Duurzaamheid, Ballast Nedam, d.d. 8 november 2024 Bijlage 12- Soortgericht onderzoek, Aqua-Terra, Nova, d.d. 12 september 2024 Bijlage 13 – Afwijking gemeentelijk geluidbeleid, Adromi B.V., d.d. 29-05-2024 Bijlage 14 - Inventariserend Veldonderzoek Archeologie, Transect, d.d. 16 november 2023 Bijlage 15 – Bureauonderzoek Archeologie, BOOR, d.d. juni 2023 Bijlage 16 – Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, Adromi, d.d. 21 november 2024 Bijlage 17 – Watersleutel Delfland
Adromi B.V.
R202362
Pagina 73 van 73