CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Lijst met wijzigingen (ter toelichting)

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente SchiedamBij agendapunt: Bespreekstuk: Raadsvoorstel Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Schiedam 202511.050 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Lijst met nieuwe artikelen en inhoudelijk gewijzigde artikelen Opmerking vooraf: Deze lijst dient enkel om de inhoudelijke verschillen met de huidige APV 2013 te duiden. Deze lijst dient niet gezien te worden als een wijzigingsbesluit en deze lijst behoort evenmin tot de besluitvormingsdocumenten.

Huidige tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: …..

Voorgestelde tekst Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: …..

e. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; …..

e. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schiedam; f. gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; …..

Toelichting op de wijziging Het begrip ‘college’ toegevoegd en de definiëring van het begrip ‘gebouw’ aangepast conform de Model-APV van de VNG.

Huidige tekst Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen e.a. op openbare plaatsen 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt; b. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing; c. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; d.de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; f. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van

Voorgestelde tekst Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen en anderen op openbare plaatsen 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam, adres, telefoonnummer en emailadres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt; b. het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing; c. de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van

godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Indien het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. 6. Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing.

godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld; 4. Als het uiterste tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Toelichting op de wijziging In de gehele APV is in het kader van genderneutraliteit ‘hij’ vervangen door ‘degene’. Dat is in het eerste lid van dit artikel ook gewijzigd. In het tweede lid in de verplichting opgenomen tot het verstrekken van aanvullende contactgegevens bij de kennisgeving, zodat er contact opgenomen kan worden met kennisgever. In de gehele APV is in het kader van begrijpelijker lezen en om aan te sluiten bij de Model-APV van de VNG, waar mogelijk ‘indien’ vervangen door ‘als’. In het vierde lid van dit artikel is dit ook gewijzigd.

Huidige tekst Artikel 2:23a Verboden slaapverblijf Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden.

Voorgestelde tekst Artikel 2:23a Verboden slaapverblijf [vervallen]

Toelichting op de wijziging In overeenstemming met de motie ‘Stop beboeten buitenslapen’ d.d. 8 juli 2025 is dit artikel vervallen verklaard.

Huidige tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A, B of C-evenement te organiseren. 2. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu kan worden voorkomen. b. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit zijn inziens een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet.

3. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als: a. de aanvraag om de vergunning , als het een Aevenement betreft, korter dan vier weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd; b. de aanvraag om de vergunning , als het een Bevenement betreft, korter dan acht weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd; c. de aanvraag om de vergunning , als het een Cevenement betreft, korter dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd. 4. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Voorgestelde tekst Artikel 2:25 Evenementenvergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een A, B of C-evenement te organiseren. 2. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a. naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu kan worden voorkomen. b. de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit zijn inziens een onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet. c. het B- of C-evenement niet voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenement plaatsvindt, is aangemeld voor de regionale evenementenkalender. 3. Onverminderd het bepaald in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning weigeren als: a. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een A-evenement betreft, korter dan vier weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd; b. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een B-evenement betreft, korter dan acht weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd; c. de volledige aanvraag om de vergunning , als het een C-evenement betreft, korter dan twaalf weken vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is, is aangevraagd. 4.

Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting op de wijziging De voorgestelde wijziging in het tweede lid onder c vindt in de praktijk al plaats. Op deze manier is het ook wettelijk geborgd. In het derde lid is het woord ‘volledig’ toegevoegd om het vergunningenproces te waarborgen. Op deze manier kan het aantal genoemde weken volledig worden benut voor het beoordelen van de volledige aanvraag en niet deels op het wachten op aanvulling van de stukken/informatie.

Huidige tekst Artikel 2:25a Vrijstelling vergunningplicht, melding evenement 1. Geen vergunning is vereist voor evenementen, als: a. er niet meer dan 300 personen (medewerkers, deelnemers en bezoekers) tegelijkertijd aanwezig zijn; b. die plaatsvinden tussen 08.00 uur en 24.00 uur of op zondag, indien het een evenement op een openbare plaats betreft, tussen 13.00 uur en 24.00 uur; c. eventueel muziekgeluid op een openbare plaats, zondag tot en met donderdag niet later dan 22:00 uur en vrijdag en zaterdag niet tot later dan 23:00 uur ten gehore wordt gebracht; d. die niet langer dan zeven aaneengesloten dagen duren; e. die niet plaatsvinden op een rijbaan, (brom)fietspad of op een andere manier een belemmering vormen voor het verkeer, de hulpdiensten of lijndiensten van het openbaar vervoer; f. slechts kleine objecten, met een totale oppervlakte van 25m2 worden geplaatst. Onder kleine objecten worden geen (party)tenten verstaan die worden gehuurd van een verhuurbedrijf. Podiumblokken mogen niet hoger zijn dan 1 meter;

Voorgestelde tekst Artikel 2:25a Meldingsplichtig evenement 1. Geen vergunning is vereist voor evenementen, als: a. er niet meer dan 300 personen (medewerkers, deelnemers en bezoekers) tegelijkertijd aanwezig zijn; b. die plaatsvinden tussen 08.00 uur en 24.00 uur of op zondag, indien het een evenement op een openbare plaats betreft, tussen 13.00 uur en 24.00 uur; c. eventueel (muziek)geluid op een openbare plaats, zondag tot en met donderdag niet later dan 22:00 uur en vrijdag en zaterdag niet tot later dan 23:00 uur ten gehore wordt gebracht; d. die niet langer dan zeven aaneengesloten dagen duren; e. die niet plaatsvinden op een rijbaan, (brom)fietspad of op een andere manier een belemmering vormen voor het verkeer, de hulpdiensten of lijndiensten van het openbaar vervoer; f. slechts kleine objecten, met een totale oppervlakte van 25m2 worden geplaatst. Podiumblokken mogen niet hoger zijn dan 1 meter.

g. er geen toestellen of geluidsapparaten in werking worden gebracht of handelingen worden verricht waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

g. met de onder c bedoelde (muziek)geluid wordt in ieder geval bedoeld: akoestisch, onversterkt (muziek)geluid waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geen geluidhinder wordt veroorzaakt.

2. De vrijstelling van de vergunningsplicht als bedoeld in lid 1 geldt niet voor: a. braderieën en markten als bedoeld in artikel 2:24 lid 3 onder b; b. optochten in de Binnenstad; c. evenementen die plaatsvinden op Koningsdag, tijdens de Brandersfeesten of andere Cevenementen en op 31 december, tenzij deze evenementen niet in de directe omgeving van voornoemde evenementen plaatsvinden; d. evenementen die plaatsvinden op 4 mei na 18.00 uur, behalve herdenkingen in het kader van de nationale dodenherdenking; en e. evenementen die plaatsvinden op de locatie Grote Markt, met uitzondering van kleinschalige activiteiten bij trouwerijen.

2. De vrijstelling van de vergunningsplicht als bedoeld in lid 1 geldt niet voor: a. braderieën en markten als bedoeld in artikel 2:24 lid 3 onder b; b. optochten in de Binnenstad; c. evenementen die plaatsvinden op Koningsdag, tijdens de Brandersfeesten of andere Cevenementen en op 31 december, tenzij deze evenementen niet in de directe omgeving van voornoemde evenementen plaatsvinden; d. evenementen die plaatsvinden op 4 mei na 18.00 uur, behalve herdenkingen in het kader van de nationale dodenherdenking; en e. evenementen die plaatsvinden op de locatie Grote Markt, met uitzondering van kleinschalige activiteiten bij trouwerijen.

3. Het is verboden om een vergunningvrij evenement te organiseren indien niet minimaal 14 dagen voorafgaand aan het evenement een schriftelijke melding is gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan het organiseren van een gemeld evenement als bedoeld in het eerste lid verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

3. Het is verboden om een meldingsplichtig evenement te organiseren als niet minimaal 14 dagen voorafgaand aan het evenement een schriftelijke melding is gedaan aan de burgemeester. 4. De burgemeester kan het organiseren van een meldingsplichtig evenement als bedoeld in het eerste lid verbieden, als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Toelichting op de wijziging In het eerste lid onder c is het woord ‘muziekgeluid’ toegevoegd voor nadere duiding. Het eerste lid onder g geeft nu een verduidelijking van welk soort geluid is toegestaan. In de derde en vierde leden is de term vergunningvrij gewijzigd in meldingsplichtig. Hiermee is het duidelijker dat er voor evenementen waar een vrijstelling van de vergunningplicht geldt, wel een plicht is om deze evenementen te melden.

Huidige tekst Afdeling 8 Toezicht op Openbare Inrichtingen

Voorgestelde tekst Afdeling 8 Openbare Inrichtingen

Toelichting op de wijziging Deze afdeling omvat meer dan alleen de toezicht op openbare inrichtingen, daarom verwijderd.

Huidige tekst Artikel 2:27 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. openbare inrichting: a. horecabedrijven, inhoudende de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder horecabedrijf wordt mede verstaan een bij het horecabedrijf behorend terras en andere aanhorigheden. b. voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

Voorgestelde tekst Artikel 2:27 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van: a. de exploitant(en) en de levenspartner en kinderen van de exploitant(en) van het horecabedrijf; b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van strafrecht; c. de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens dringende omstandigheden vereist wordt; d. leidinggevenden/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, in verband met (schoonmaak)werkzaamheden. 2. Centrum: het gebied dat op de in bijlage 1 opgenomen kaart is aangegeven. 3. Coffeeshop: een openbare inrichting primair gericht op verstrekking van cannabisproducten; 4. Exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of,

- amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal of een gamecenter, of - voorstellingen of vertoningen van pornoerotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven. 2. Restaurant: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking van driecomponentenmaaltijden. 3. Coffeeshop: een horecabedrijf primair gericht op verstrekking van cannabisproducten. 4. Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een horecabedrijf, waar sta- en/of zitgelegenheid wordt geboden om tegen vergoeding dranken en/of spijzen voor directe consumptie ter plaatse te nuttigen. 5. Terrasmeubilair: alle attributen die in de openbare ruimte worden geplaatst ten behoeve van de exploitatie van het terras, waaronder in ieder geval: stoelen, krukken, banken, tafels, statafels, tonnen, parasols, terrasafscherming zoals schermen, hekwerk en plantenbakken, staande asbakken, menuborden, uitklapborden, overig reclame- en displaymateriaal, vrijstaande terrasverwarming 6. Exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens rekening en risico het horecabedrijf wordt geëxploiteerd. 7.

Leidinggevende: a.de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt geëxploiteerd; b.de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het horecabedrijf. 8. Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van: a. de exploitant(en) en de levenspartner en kinderen van de exploitant(en) van het horecabedrijf; b. de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van strafrecht; c. de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens dringende omstandigheden vereist wordt; d. leidinggevenden/werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf of een schoonmaakbedrijf, in verband met (schoonmaak)werkzaamheden. 9. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op

indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; 5. Exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid; 6. Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 7. Leidinggevende: a. de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin het horecabedrijf wordt geëxploiteerd; b. de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van het horecabedrijf. 8. Openbare inrichting: a. horecabedrijven, inhoudende de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder horecabedrijf wordt mede verstaan een bij het horecabedrijf behorend terras en andere aanhorigheden; b. voor publiek openstaande lokaliteiten, die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden: - amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van een speelautomatenhal of een gamecenter. 9.

Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet. 10. Restaurant: een openbare inrichting primair gericht op verstrekking van driecomponentenmaaltijden. 11. Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een horecabedrijf, waar sta- of zitgelegenheid wordt geboden om tegen vergoeding dranken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse te nuttigen. 12. Terrasmeubilair: alle attributen die in de openbare ruimte worden geplaatst ten behoeve van de exploitatie van het terras, waaronder in ieder geval: stoelen, krukken, banken, tafels,

grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 10. Centrum: het gebied dat op de in bijlage 1 opgenomen kaart is aangegeven. 11. Stationsgebied: het gebied dat op de in bijlage 2 opgenomen kaart is aangegeven. 12. Paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet. 13. Exploitatievergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid

statafels, tonnen, parasols, terrasafscherming zoals schermen, hekwerk en plantenbakken, staande asbakken, menuborden, uitklapborden, overig reclame- en displaymateriaal, vrijstaande terrasverwarming 13. Stationsgebied: het gebied dat op de in bijlage 2 opgenomen kaart is aangegeven.

Toelichting op de wijziging De definitie van een openbare inrichting is gewijzigd om meer aansluiting te zoeken met de ModelAPV en de regiogemeenten. Deze wijziging in de definitie van openbare inrichting heeft geleid tot meerdere tekstuele wijzigingen in de APV. Overal waar de term horecabedrijf opgenomen stond is deze nu vervangen door openbare inrichting. Dit heeft soms geleid tot meerdere tekstuele wijzigingen in een artikel. Verder is de definitie van exploitant gewijzigd en daarmee in overeenstemming met de definitie van exploitant in de Model-APV van de VNG. In de gehele APV is deze term gewijzigd.

Huidige tekst Artikel 2:28a Weigeringsgronden exploitatievergunning …. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en lid 2 van dit artikel, kan de burgemeester indien de vergunningaanvraag (tevens) een terras betreft, de hiertoe benodigde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan.

Voorgestelde tekst Artikel 2:28a Weigeringsgronden exploitatievergunning …. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 en lid 2 van dit artikel, kan de burgemeester als de vergunningaanvraag (tevens) een terras betreft, de hiertoe benodigde ingebruikneming van de openbare plaats weigeren: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. c. wanneer er al een exploitatievergunning is verleend voor een terras op de aangevraagde locatie.

Toelichting op de wijziging De toevoeging van het derde lid onder c geeft de burgemeester de mogelijkheid een vergunningaanvraag waar er ook een terras betreft te weigeren, wanneer er al een vergunning verleend is voor een terras op dezelfde locatie aan de aangevraagde terras.

Huidige tekst Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht 1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin een of meer van de volgende categorieën horecabedrijven wordt vrijgesteld van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2:28: a. horecabedrijven behorende bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, religieuze instellingen, verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover: - deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering; - deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; en - geen terras wordt geëxploiteerd. b. horecabedrijven behorende bij niet commerciële verenigingen en stichtingen voor sport en recreatie, voor zover: - deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting; - deze zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten; en - een eventueel terras is gelegen aan of nabij het (kantine-)gebouw en binnen het complex waarop de betreffende statutaire doelstelling wordt uitgeoefend, niet zijnde de openbare weg. c.

horecabedrijven behorende bij commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover: - deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering; - deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; - geen sterke drank wordt geschonken; en - geen terras wordt geëxploiteerd. d. horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover: - het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort; - de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en

Voorgestelde tekst Artikel 2:28b Vrijstelling vergunningplicht 1. De burgemeester kan gebieden aanwijzen waarin een of meer van de volgende categorieën horecabedrijven wordt vrijgesteld van de vergunningplicht, bedoeld in artikel 2:28: a. horecabedrijven behorende bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, religieuze instellingen, verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover: - deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering; - deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; en - geen terras wordt geëxploiteerd. b. horecabedrijven behorende bij niet commerciële verenigingen en stichtingen voor sport en recreatie, voor zover: - deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting; - deze zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten; en - een eventueel terras is gelegen aan of nabij het (kantine-)gebouw en binnen het complex waarop de betreffende statutaire doelstelling wordt uitgeoefend, niet zijnde de openbare weg. c.

horecabedrijven behorende bij commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover: - deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering; - deze zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken; - geen sterke drank wordt geschonken; en - geen terras wordt geëxploiteerd. d. horecabedrijven behorende bij winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet, voor zover: - het verkopen van etenswaren of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort; - de horeca-activiteiten naar hun aard en omvang ondergeschikt zijn aan en

overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten; - de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet worden verstrekt; en - een eventueel terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en 3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria. e. overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover : - zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet wordt verstrekt; en - een terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen en 2 tafels van maximaal één meter bij één meter; en 3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria. 2. De exploitant van een horecabedrijf, bedoeld in het eerste lid onder d en e , meldt uiterlijk 14 dagen voor aanvang van exploitatie bij de burgemeester dat hij voornemens is een horecabedrijf te exploiteren. 3.

Het is verboden om zonder of in afwijking van een melding zoals bedoeld in het tweede lid een horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid onder d en e te exploiteren. 4. De burgemeester kan een horecabedrijf aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld in artikel 2:28b eerste lid niet geldt. 5. Artikel 2:28a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde horecabedrijven.

overeenkomen met de in de onder a genoemde activiteiten; - de openingstijden van het horecabedrijf of de horeca-activiteiten gelijk zijn aan de openingstijden van de winkel; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet worden verstrekt; en - een eventueel terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen met een diepte van maximaal 1m vanaf de gevel; en 3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria. e. overige horecabedrijven, niet zijnde coffeeshops, voor zover : - zij gesloten zijn voor bezoekers tussen 22:00 uur en 07:00 uur noch gedurende deze periode bezoekers in het horecabedrijf laten verblijven; - er geen sterke drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Alcoholwet wordt verstrekt; en - een terras: 1⁰ is gesitueerd direct aan of langs de voorgevel van het bedrijfspand; 2⁰ bestaat uit niet meer dan 4 zitplaatsen met een diepte van maximaal 1m vanaf de gevel; en 3⁰ het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan door de burgemeester vastgestelde criteria. 2. De exploitant van een horecabedrijf, bedoeld in het eerste lid onder d en e , meldt uiterlijk 14 dagen voor aanvang van exploitatie bij de burgemeester dat hij voornemens is een horecabedrijf te exploiteren. 3.

Het is verboden om zonder of in afwijking van een melding zoals bedoeld in het tweede lid een horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid onder d en e te exploiteren. 4. De burgemeester kan een horecabedrijf aanwijzen waar de vrijstelling bedoeld in artikel 2:28b eerste lid niet geldt. 5. Artikel 2:28a, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de in dit artikel bedoelde horecabedrijven. 6. Het in het eerste lid onder e gestelde, is niet van toepassing op horecabedrijven waarvan de aanvraag om een exploitatievergunning is geweigerd

wegens het niet voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 2:28a. Toelichting op de wijziging De wijzigingen onder subs d en e met betrekking tot een terras, is een verruiming. Op deze manier zijn alleen de zitplaatsen bepaald en is men niet gebonden aan het aantal tafels. Het zesde lid is aan dit artikel toegevoegd om ervoor te zorgen dat een weigering van een aanvraag van een exploitatievergunning niet kan worden ‘omzeild’, door vergunningvrij (alszijnde meldingsplichtig) alsnog te kunnen exploiteren. Het is onwenselijk dat een exploitant kan exploiteren, als deze niet voldoet aan de eisen zoals opgenomen in artikel 2:28a waaronder goed levens- en zedelijk gedrag.

Huidige tekst Artikel 2:28c Vergunning aanvraag en verlening 1.Per openbare inrichting wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in behandeling genomen.

2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning voor een openbare inrichting alleen verleend aan de exploitant van de inrichting. 3. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

Voorgestelde tekst Artikel 2:28c Vergunning aanvraag en verlening 1. Per openbare inrichting wordt maximaal één aanvraag om een exploitatievergunning tegelijk in behandeling genomen. Nieuwe aanvragen worden na afronding van de lopende procedure in behandeling genomen. 2. De in het eerste lid genoemde procedure omvat ook de aanvraag om een vergunning zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Alcoholwet en een vergunning zoals bedoeld in artikel 2:40a van deze verordening. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 wordt een vergunning voor een openbare inrichting alleen verleend aan de exploitant van de inrichting. 4. Een afschrift van de exploitatievergunning is in de openbare inrichting aanwezig.

Toelichting op de wijziging Door deze toevoeging is het duidelijker weergegeven wat er wordt bedoeld met ‘één aanvraag’ in het eerste lid.

Huidige tekst Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden 1. Horecabedrijven, niet zijnde een coffeeshop, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 07:00 uur. 2. In afwijking van het eerste lid zijn horecabedrijven (niet zijnde een coffeeshop, een horecabedrijf primair gericht op de verstrekking van driecomponentenmaaltijden of een paracommercieel rechtspersoon) op vrijdag en zaterdag: a. in het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 04:00 uur en 07:00 uur.

Voorgestelde tekst Artikel 2:29 Openings- en sluitingstijden 1. Openbare inrichtingen, niet zijnde coffeeshops, zijn gesloten op maandag tot en met zondag tussen 01:00 uur en 07:00 uur. 2.In afwijking van het eerste lid zijn openbare inrichtingen (niet zijnde een coffeeshop, een restaurant of een paracommercieel rechtspersoon) op vrijdag en zaterdag:

a. in het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 04:00 uur en 07:00 uur.

b .buiten het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 02:00 uur en 07:00 uur. 3. Coffeeshops zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 22:00 en 10:00 uur. 4. Terrassen behorende bij horecabedrijven zijn gesloten: a. in het Centrum en het Stationsgebied tussen 01:00 uur en 07:00 uur; b. buiten het Centrum en het Stationsgebied tussen 22:00 uur en 07:00 uur. 5. Het is verboden een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste, tweede en vierde lid genoemde openings- en sluitingstijden en daarbij voorwaarden stellen aan: a. de gebieden waarvoor de ontheffing geldt; b. de periode; of c. de categorieën horecabedrijven waarvoor de ontheffing geldt. 7. De burgemeester kan het aantal aan een horecabedrijf verleende ontheffingen als bedoeld in het zesde lid beperken. 8. De ontheffing bedoeld in het zesde lid kan zowel collectief als individueel worden verleend. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de burgemeester de ontheffing, bedoeld in het zesde lid, weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien zich een situatie voordoet als bedoeld in 2:28a, eerste en tweede lid. 10.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

b. buiten het Centrum en het Stationsgebied gesloten tussen 02:00 uur en 07:00 uur. 3. Coffeeshops zijn gesloten van maandag tot en met zondag tussen 22:00 en 10:00 uur. 4. Terrassen behorende bij horecabedrijven zijn gesloten: a. in het Centrum en het Stationsgebied tussen 01:00 uur en 07:00 uur; b. buiten het Centrum en het Stationsgebied tussen 22:00 uur en 07:00 uur. 5. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 6. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste, tweede en vierde lid genoemde openings- en sluitingstijden en daarbij voorwaarden stellen aan: a. de gebieden waarvoor de ontheffing geldt; b. de periode; of c. de categorieën openbare inrichtingen waarvoor de ontheffing geldt.

7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, kan de burgemeester de ontheffing, bedoeld in het zesde lid, weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, als zich een situatie voordoet als bedoeld in 2:28a, eerste en tweede lid. 8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Toelichting op de wijziging Tekstuele wijziging door middel van aanpassing definitie restaurant.

Huidige tekst Artikel 2:31 Verboden gedragingen 1. Het is verboden in en om een openbare inrichting de orde te verstoren. 2. Het is verboden zich als bezoeker in een openbare inrichting te bevinden op tijden waarop de openbare inrichting voor het publiek gesloten moet zijn. 3. Het is verboden een vergunningplichtige openbare inrichting voor bezoekers geopend te

Voorgestelde tekst Artikel 2:31 Verboden gedragingen 1. Het is verboden in en om een openbare inrichting de orde te verstoren. 2. Het is verboden zich als bezoeker in een openbare inrichting te bevinden op tijden waarop de openbare inrichting voor het publiek gesloten moet zijn. 3. Het is verboden een vergunningplichtige openbare inrichting voor bezoekers geopend te

hebben dan wel bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven zonder dat een exploitant of een leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is. 4. Het is verboden dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten een terras waarvan exploitatie is toegestaan dan wel vergund. 5. Het is verboden om op een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras toegestane dan wel vergunde sta- en/of zitplaatsen. 6. Het is een exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting verboden na het van kracht worden van een sluiting als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28f, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 7. Het is verboden om als bezoeker in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting te verblijven. 8. Het is verboden, om als exploitant, leidinggevende en bezoeker, in en om een openbare inrichting lachgas voor recreatief gebruik te verkopen, aanwezig te hebben en te gebruiken.

hebben dan wel bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven zonder dat een exploitant of een leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is. 4. Het is verboden dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken buiten de grenzen van een terras waarvan exploitatie is toegestaan dan wel vergund. 5. Het is verboden om op een terras dranken of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras toegestane dan wel vergunde sta- of zitplaatsen. 6. Het is een exploitant of leidinggevende van een openbare inrichting verboden na het van kracht worden van een sluiting als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28f, bezoekers tot de openbare inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 7. Het is verboden om als bezoeker in een bij besluit van de burgemeester gesloten openbare inrichting te verblijven.

Toelichting op de wijziging Naast de tekstuele wijzigingen in de vierde en vijfde leden om aan te sluiten bij de Model APV van den VNG en de ‘100 ideeen van de gemeentelijke regelgever (ook van de VNG), is het achtste lid verwijderd i.v.m. het landelijk lasgasverbod.

Huidige tekst

Voorgestelde tekst

Afdeling 8A Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet

Afdeling 8A Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet

Toelichting op de wijziging Tekstuele wijziging titel, definities komen zo overeen met de Alcoholwet.

Huidige tekst Artikel 2:34b regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van maandag tot en met zaterdag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur en op zondag vanaf 11.00 uur tot 01.00 uur.

Voorgestelde tekst Artikel 2:34b Regulering paracommerciële rechtspersonen 1. Een paracommercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken van maandag tot en met zaterdag vanaf 12.00 uur tot 01.00 uur en op zondag vanaf 11.00 uur tot 01.00 uur.

2. Per kalenderjaar kan een paracommercieel rechtspersoon alcoholhoudende drank verstrekken tijdens in totaal ten hoogste 12 bijeenkomsten: a. die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken; of b. die gericht zijn op leden of andere personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon, wanneer deze bijeenkomsten geen verband houden met de doelstellingen van de rechtspersoon. 3. Het is een paracommercieel rechtspersoon niet toegestaan bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bedoeld in de Alcoholwet, te organiseren. 4. Dit verbod is niet van toepassing op ontmoetingscentra in de wijken. 5. Bij fusies van meerdere paracommerciële rechtspersonen kan van het maximum aantal bijeenkomsten genoemd in het tweede lid, worden afgeweken tot 2 jaar na de fusiedatum. 6. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk drie werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.

2. Per kalenderjaar kan een paracommercieel rechtspersoon alcoholhoudende drank verstrekken tijdens in totaal ten hoogste 12 bijeenkomsten: a. die gericht zijn op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon zijn betrokken; of b. die gericht zijn op leden of andere personen die rechtstreeks betrokken zijn bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon, wanneer deze bijeenkomsten geen verband houden met de doelstellingen van de rechtspersoon. 3. Het is een paracommercieel rechtspersoon niet toegestaan bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bedoeld in de Alcoholwet, te organiseren. 4. Dit verbod is niet van toepassing op ontmoetingscentra in de wijken. 5. Bij fusies van meerdere paracommerciële rechtspersonen kan van het maximum aantal bijeenkomsten genoemd in het tweede lid, worden afgeweken tot 2 jaar na de fusiedatum. 6. Een paracommercieel rechtspersoon doet uiterlijk 14 werkdagen voor een bijeenkomst als bedoeld in het tweede lid hiervan melding aan de burgemeester.

Toelichting op de wijziging De termijn in het zesde lid is gelijk getrokken met de termijn die geldt voor meldingen, die niet door paracommercie wordt gedaan.

Huidige tekst Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: a. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. b. exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd.

Voorgestelde tekst Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft

Toelichting op de wijziging De definitie van exploitant is gewijzigd en daarmee in overeenstemming met de definitie van exploitant in de Model-APV van de VNG.

Huidige tekst Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is.

4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid bedoeld verbod ontheffing te verlenen.

Voorgestelde tekst Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid bedoeld verbod ontheffing te verlenen.

Toelichting op de wijziging De zinsnede ‘of een daarbij behorend erf’ uit lid 1 en lid 2 ontbrak in lid 3. Deze is nu toegevoegd.

Huidige tekst Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan derden van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.

2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Voorgestelde tekst Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1. Het is verboden: a. op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op een openbare plaats op te houden op een wijze die voor weggebruikers of bewoners en gebruikers van nabij de weg gelegen woningen of andere gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Toelichting op de wijziging Door het toepassingsbereik van dit artikel iets ruimer te maken kan effectiever worden opgetreden tegen straatoverlast.

Huidige tekst Artikel 2:47a Messen en andere steekwapens 1. Het is verboden op de weg of in voor publiek toegankelijke gebouwen messen of andere steekwapens bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Voorgestelde tekst Artikel 2:47a Voorwerpen die de openbare orde verstoren of bedreigen 1. Het is verboden op een openbare plaats of in voor het publiek toegankelijke gebouwen overlast te veroorzaken, de openbare orde te verstoren, het woon- en leefklimaat nadelig te beïnvloeden of anderszins hinder te veroorzaken door een voorwerp of stof bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren waarvan aannemelijk is dat deze is meegebracht of aanwezig is om de openbare orde of veiligheid te verstoren of waarvan de aanwezigheid ernstige vrees voor het ontstaan van een zodanige verstoring oplevert. 2. Het bij zich hebben van een mes of steekwapen, dat niet zodanig verpakt is dat het niet voor dadelijk gebruik gereed is, wordt in ieder geval aangemerkt als een omstandigheid die ernstige vrees voor het ontstaan van een verstoring zoals genoemd in het eerste lid oplevert.

Toelichting op de wijziging Met de wijziging van dit artikel worden 2 bestaande wensen gecombineerd: 1.

In de aanloop naar de jaarwisseling is de wens uitgesproken door de politie om te kunnen handhaven op gezichtsbedekkende kleding, zoals bivakmutsen of maskers. De gewijzigde tekst van dit artikel maakt dit mogelijk. 2. In Schiedam wordt sinds 2019 op grond van dit artikel bestuurlijk gehandhaafd op het bezit van steekwapens middels het opleggen van een last onder dwangsom. In 2023 heeft de Rechtbank Rotterdam een uitspraak gedaan inzake het messenverbod uit de APV van Rotterdam en bepaald dat dit artikel strijdig is met de bepalingen uit de Wet wapens en munitie. Omdat het APV-artikel van de gemeente Schiedam grotendeels gelijkluidend is, is besloten om ook in Schiedam vooralsnog niet meer te handhaven op dit artikel. Wel is de bestuurlijke wens uitgesproken om te onderzoeken of er een juridisch houdbare mogelijkheid is te bedenken om alsnog bestuurlijk op te treden tegen het probleem van messengeweld en – bezit (veelal onder jongeren). Na veel onderzoek en overleg met andere gemeenten is hiertoe dit artikel opgesteld. Door niet langer te handhaven op het bezit van een steekwapen, maar op het veroorzaken van een verstoring van de openbare orde door een wapen mee te dragen, zijn wij van mening dat er niet langer sprake van strijdigheid met de Wwm is.

Huidige tekst Artikel 2:48a Verbod gebruik lachgas [vervallen]

Voorgestelde tekst Artikel 2:48a Mosquito 1. In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats. 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht. 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten. 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen. Toelichting op de wijziging Het artikel m.b.t. het verbod op gebruik van lachgas is in een eerdere wijzigingsbesluit al vervallen verklaard en is in het huidige APV 2013 een ‘lege’ artikel. Het artikel Mosquito is nu verplaatst naar artikelnummer 2:48a, omdat het artikel Mosquito qua inhoud beter past in deze afdeling.

Huidige tekst Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen openbare plaats; c. op de openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het verbod genoemd in het eerste lid onder b geldt niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.

Voorgestelde tekst Artikel 2:57 Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. zowel binnen als buiten de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; b. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen openbare plaats; c. op de openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het bepaalde in het eerste lid onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. Het verbod genoemd in het eerste lid onder b geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Toelichting op de wijziging Het eerste lid onder a is aangevuld met ‘buiten’ de bebouwde kom om ook de natuurgebieden binnen de grenzen van de gemeente Schiedam onder dit artikel te laten vallen. Hiermee sluiten wij aan bij de gemeente Vlaardingen en de gevoerde overleggen met Staatsbosbeheer in het kader van de CBG. In het derde lid is naast de al opgenomen ‘geleidehond’ ook ‘sociale hulphond’ opgenomen om aan te sluiten bij de Model-APV van de VNG.

Huidige tekst Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4. Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Voorgestelde tekst Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan de burgemeester de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod, een muilkorfgebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4.Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Toelichting op de wijziging Met deze wijziging kan niet langer alleen voor een aanlijngebod, of een gecombineerd aanlijn- en muilkorfgebod worden gekozen, maar kan, indien gewenst en noodzakelijk, ook voor een muilkorfgebod worden gekozen.

Huidige tekst Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden of op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Voorgestelde tekst Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.

Toelichting op de wijziging Dit artikel verbiedt het om te bedelen op openbare plaatsen of in voor publiek toegankelijke gebouwen. De zinsnede ‘in door het college aangewezen gebieden of’ voegt derhalve niets toe, het verbod geldt immers ook in deze aan te wijzen gebieden reeds.

Huidige tekst Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk; b. exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon, voor wiens rekening en risico het vuurwerkverkooppunt wordt geëxploiteerd;

c. leidinggevende: o de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de vuurwerkverkooppunt wordt geëxploiteerd; of o de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de vuurwerkverkooppunt. d. fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit.

Voorgestelde tekst Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik, niet zijnde fop- en schertsvuurwerk; b. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. fop- en schertsvuurwerk: fop- en schertsvuurwerk als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit. d. leidinggevende: o de natuurlijke persoon die algemene leiding geeft aan een onderneming waarin de vuurwerkverkooppunt wordt geëxploiteerd; of o de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de vuurwerkverkooppunt.

Toelichting op de wijziging De definitie van exploitant is gewijzigd en daarmee in overeenstemming met de definitie van exploitant in de Model-APV van de VNG.

Huidige tekst Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter

Voorgestelde tekst Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter

beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester verleent ten hoogste acht vergunningen, als bedoeld in het eerste lid. 3. Onverminderd de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken, tijdelijk opschorten of wijzigen, indien: a. in of vanuit het vuurwerkverkooppunt zich een feit voordoet of zich feiten hebben voorgedaan of aannemelijk is dat in de toekomst zich een feit of feiten gaan voordoen waardoor de openbare orde en veiligheid of het woon- of leefklimaat in de omgeving van het vuurwerkverkooppunt nadelig zal worden beïnvloed; b. de exploitant of de beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het vuurwerkverkooppunt, dan wel toestaat of gedoogt dat in het vuurwerkverkooppunt strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd, waarmee de openbare orde of het woon- en leefklimaat nadelig wordt beïnvloed; c. de exploitant of de beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. de vestiging of de exploitatie van het vuurwerkverkooppunt in strijd is met het omgevingsplan of andere bij of krachtens de Omgevingswet gestelde regels; e. de exploitatie een aantasting van het woon- en leefklimaat kan zijn; f.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16045301/1