CConstaterende datSchiedam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt-West

Gemeenteraad 10 december 2024, gemeente SchiedamBij agendapunt: Raadsbesluit herstelbesluit bestemmingsplan Nieuw-Mathenesse Glasbuurt West48.047 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

meegenomen in de Milieueffectrapportage en vervolgens in het geluidsrapport van Peutz behorende bij het bestemmingsplan. In paragraaf 5.4 is het aspect geluid reeds toegelicht en gemotiveerd. Voor het aspect stof is een nader onderzoek verricht naar de emissie en depositie van stof als gevolg van de bedrijfsvoering van BSR Van Uden. Dit onderzoek is als bijlage 16 bij de toelichting gevoegd, vanwege de technische aard van het onderzoek wordt volledigheidshalve naar deze bijlage verwezen. In het stofdepositieonderzoek is rekening gehouden met de vergunde situatie ten aanzien van de bedrijfsvoering van BSR Van Uden, waarbij een belangrijk aspect is dat in de vigerende milieuvergunning diverse maatregelen zijn opgenomen die er toe moeten leiden dat een onaanvaardbare hinder door stofemissie op de omgeving wordt voorkomen. Voor de relevante voorschriften uit de in basis relevante milieuvergunning wordt verwezen naar deze vergunning zelf (6 maart 2019, 999965641_9999570588 OMV.17.11.00308). De milieuvergunning bevat meerdere bepalingen die waarborgen dat stofemissie vanuit het bedrijf naar de omgeving niet mag plaatsvinden, althans zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Voorschrift 9.1.1 bepaalt dat bij handelingen met niet-inerte goederen zoveel mogelijk moet worden voorkomen dat stofverspreiding optreedt. Voorschrift 9.1.2 schrijft daartoe diverse

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 81

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

maatregelen voor. Voorschrift 9.1.3 bepaalt uitdrukkelijk dat handelingen met stoffen die leiden tot visueel waarneembare stofverspreiding niet mogen worden uitgevoerd. Voorschrift 9.1.4 stelt dat de buitenopslag niet tot emissie buiten het terrein van de inrichting mag leiden. Verder geldt als eis dat de storthoogte bij het overslaan van stuifgevoelige stoffen maximaal één meter is, ter voorkoming van stofemissies. Ook gelden er beperkingen voor activiteiten met stuifgevoelige stoffen in geval van bepaalde windomstandigheden (voorschrift 9.1.7-9.1.9), moeten stuifgevoelige stoffen in stuifklasse S1 of S3 in gesloten ruimtes worden opgeslagen en moet gebruik worden gemaakt van (gesloten) transportbanden. Daarnaast gelden ingevolge de milieuvergunning de voorschriften voor de op- en overslag van zogenaamde inerte goederen uit het Activiteitenbesluit. Daarin zijn eveneens voorschriften opgenomen die waarborgen dat geen onaanvaardbare stofemissie kan optreden. Zo geldt dat op grond van artikel 3.32, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit zoveel mogelijk wordt voorkomen dat stofverspreiding optreedt die op een afstand van meer dan 2 meter van de bron met het blote oog waarneembaar is. In artikel 3.37 van het Activiteitenbesluit worden beperkingen aan activiteiten met stuifgevoelige goederen gesteld afhankelijk van de windsnelheid.

Artikel 3.38 van het Activiteitenbesluit bepaalt dat opslaan en mengen van goederen behorend tot stuifklassen S1 of S3 van bijlage 3 plaatsvindt in gesloten ruimtes. Het tweede lid stelt grenzen aan de emissieconcentraties. Reeds op grond van deze voorschriften die BSR Van Uden in acht dient te nemen, kan worden uitgesloten dat onaanvaardbare emissiehinder optreedt buiten het bedrijf. Onaanvaardbare emissiehinder voorbij de plangrens van het voorliggend bestemmingsplan, op meer dan 200 meter afstand van de inrichting, is des te meer uitgesloten. Het bovenstaand benoemde wordt door het nader onderzoek bevestigd. Dit onderzoek gaat uit van een theoretische mogelijkheid van stofverspreiding in de situatie dat appellant in strijd met de geldende voorschriften niet iedere stofemissie voorkomt. Uit het onderzoek blijkt dat het theoretisch depositiemodel een situatie laat zien waarbij wel sprake kan zijn van waarneembare stofdepositie buiten de inrichtingsgrens, zij het dat deze hinder aanvaardbaar wordt geacht. Voor de duidelijkheid: de berekende verspreiding berust op een theoretisch model dat het effect van de maatregelen die BSR Van Uden op grond van haar vergunning moet nemen ter voorkoming van stofemissie, onderschat. Deze situatie komt dan ook niet overeen met de in de praktijk werkelijke ervaren stofhinder.

Uit registraties bij de DCMR, blijkt dat de afgelopen jaren slechts enkele malen per jaar melding is gedaan van stofhinder. Onduidelijk is of en in hoeverre het hier gaat om stof afkomstig van de bedrijfsvoering van appellant en zo ja, of appellant zich daarbij aan de toepasselijke voorschriften heeft gehouden. Feit is wel, dat geen sprake is van een substantieel klachtenpatroon met betrekking tot stofdepositie in het gebied rondom het bedrijf van appellant. Aantal Jaar meldingen 2024 1 2023 6 2022 4 2021 2 2020 3 Tabel 2 Aantal meldingen op jaarbasis van stofhinder in Schiedam In de geldende vergunning is het BSR Van Uden toegestaan om jaarlijks 3,5 miljoen ton product door te zetten. Hiervan wordt 20.000 ton per gesloten transportband verplaatst en is 10.000 ton van de verplaatste goederen stukgoed. In het onderzoek is geen onderscheidt gemaakt tussen rechtstreekse overslag (boord naar boord) en overslag in twee stappen (boord naar wal naar

82 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

boord/vrachtwagen). Daarom is in het onderzoek behorende bij de omgevingsvergunning gerekend met een doorzet van 4,03 miljoen ton verstuifbaar materiaal per jaar. In het onderzoek is gerekend met de TNO 1987 methode stofemissies stuifgevoelige bulkgoederen en de NTA8029 methode stofemissies stuifgevoelige bulkgoederen. Ten opzichte van de TNO-methode is de methode van NTA 8029 anders opgezet. In het onderzoek zijn de verschillen tussen beide methodes nader toegelicht. De TNO methode wordt door de raad aangenomen als meest gangbaar model. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat uit het onderzoek blijkt dat de emissiecontouren bij toepassing van de NTA methode minder ver uitstrekken over de omgeving dan uit de berekeningen volgens de TNO methode. In het onderzoek is gekozen om te berekenen wat de verwachte stofdepositie over een jaar is met behulp van het OPS-verspreidingsmodel. De jaargemiddelde stofdepositie die is uitgedrukt als het voorkomen van zichtbaar stof in de omgeving op tijdsbasis (bijvoorbeeld wekelijks zichtbaar stof).

Op basis van het TNO 1987 model is het volgende effect door stofdepositie in de richting van het plangebied Nieuw-Mathenesse Noord berekend: - Tot ongeveer maximaal 1 7 5 meter is er dagelijks tot wekelijks zichtbaar stof in de directe omgeving van BSR van Uden (de oranje lijn op afbeelding 18); - Tot een afstand van ongeveer maximaal 500 meter van het bedrijf is wekelijks tot maandelijks stof zichtbaar (de gele lijn op afbeelding 18).

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 83

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

Afbeelding 18 Stofdepositie rondom BSR Van Uden contourenkaart op basis van TNO 1987 De precieze berekening van de verspreiding is weergegeven door middel van contouren rondom de bronnen die binnen de inrichtingsgrens van appellant zorgen voor stofemissie. Daarbij wordt opgemerkt dat de afstanden zijn berekend vanaf de bronnen, en dat de hierboven genoemde afstanden dus niet afstanden zijn die gemeten zijn vanaf de inrichtingsgrens. Binnen de contouren is er verschil tussen de frequentie waarmee stof zichtbaar is. Hoe verder een locatie binnen een contour van het bedrijf van appellant is gelegen, des te lager is de kans op zichtbaar stof. Afbeelding 18 geeft weer dat de contour met dagelijks tot wekelijks zichtbare stofdepositie (de oranje lijn) niet over Nieuw-Mathenesse Noord valt. De contour met wekelijks tot maandelijkse zichtbare stofdepositie ligt over Glasbuurt- Oost en voor een klein gedeelte over Glasbuurt-West (de gele lijn). Een groot deel van het betreffende gebied in Glasbuurt-West wordt ingericht als park, en kent beperkt bouwmogelijkheden voor woningen. Tevens moet worden opgemerkt dat de ontvangsthoogte maaiveldhoogte is. Naar alle waarschijnlijkheid is de overlast op balkons op hoogbouw minder dan nu is weergegeven in het onderzoek.

Dit omdat de depositie van stof op grotere hoogte minder is dan op maaiveldhoogte, omdat stof in de lucht naar mate de afgelegde afstand groter is zich op steeds lagere hoogte bevindt.

84 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

Afbeelding 19 Stofdepositie contourenkaart ingezoomd op Nieuw-Mathenesse Noord Er gelden geen harde grenswaarden voor zichtbaar stof. Bij het voldoen aan de voorschriften uit de omgevingsvergunning en het Activiteitenbesluit, hetgeen feitelijk een verplichting is voor BSR Van Uden, kan zichtbaar (totaal) stof buiten de inrichting en buiten de 1 7 5 meter vanaf de stofverspreidende bronnen binnen de inrichting, niet worden verwacht. Ondanks alle maatregelen blijft een zekere mate van stofverspreiding in de directe omgeving van de inrichting mogelijk. De feitelijk stofuitstoot is afhankelijk van de hoeveelheid doorzet, de productmix en de kwaliteit van werken binnen het bedrijf. Dat zijn veel uiteenlopende variabelen. Op basis van het OPS-verspreidingsmodel is vanwege de uiteenlopende producten een worst case benadering uitgewerkt. Uitgaande van de berekende stofdepositie op basis van de TNO 1987-methode ligt een groot deel van Schiedam Oost, Schiedam Zuid en een deel van de Plantage binnen de contour: wekelijks tot maandelijks stof zichtbaar. De dichtstbijzijnde bestaande woningen liggen op circa 1 7 5 meter van het bedrijf, en op circa 350 meter afstand van de stofemitterende bronnen binnen het bedrijf.

Het voorliggend bestemmingsplan maakt op circa 225 meter afstand van de inrichtingsgrens van appellant woningbouw op mogelijk, op circa 350 meter afstand van de stofemitterende bronnen binnen het bedrijf. Ten aanzien van de aanvaardbaarheid van nieuwe woningbouw in relatie tot de bedrijfsvoering van BSR Van Uden heeft een nadere afweging plaatsgevonden in relatie tot de verwachte stofhinder. Daarbij is allereerst nogmaals van belang te duiden dat slechts een klein deel van het plangebied binnen de contour ligt waarbij in een worst case scenario wekelijks tot maandelijks stofhinder is te verwachten. Voor de plandelen die buiten die contour (dus buiten de gele lijn) liggen, is sprake van minder dan maandelijks sprake van stofhinder. Dit wordt generiek als aanvaardbaar geacht gelet op de stedelijke context waarbinnen het plangebied wordt ontwikkeld. Enige vorm van stofhinder is in de dichtbebouwde stedelijke omgeving van de Zuidelijke Randstad inherent aan de omgeving en niet te voorkomen. Een worst case situatie waarin toekomstige bewoners wekelijks tot maandelijks stofhinder kunnen verwachten is suboptimaal, maar wordt wel aanvaardbaar geacht. Vooropgesteld is het belangrijk om te noemen dat zichtbaar stof hinderlijk is, maar geen gezondheidseffecten heeft, zoals fijnstof. Dit maakt dat enige hinder, nu geen sprake is van gezondheidsrisico's, als aanvaardbaar wordt gezien.

Een relevante omstandigheid is ook de tijdelijkheid van de eventuele stofhinder: uiterlijk 31 juli 2032 dient BSR Van Uden haar activiteiten te hebben gestaakt en haar bedrijfspercelen gesaneerd en leeg te hebben opgeleverd. Dit betekent dat voor die datum de eventuele stofhinder als gevolg van de bedrijfsvoering zal verdwijnen. De eerste start bouw b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 85

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

binnen het plangebied van het voorliggend bestemmingsplan is beoogd voor medio 2025. Het gaat hier om woningen op ruim 500 meter afstand van de inrichting van BSR Van Uden. Beoogd wordt deze woningen medio 2026 op te leveren. Nadien zal het plangebied gefaseerd worden bebouwd, waarbij denkbaar is dat het merendeel van de woningen in het plangebied mogelijk in 2029 of 2030 wordt opgeleverd. De periode met verwachte stofhinder is dus beperkt. De oplevering van de woningen op de locatie die het dichtstbij BSR Van Uden is gelegen, is pas voorzien na 31 juli 2032, wanneer de bedrijfsvoering reeds moet zijn gestaakt. Dit wordt bovendien geborgd in de planregels vanwege de geluidsbelasting (zie 5.4). Het aspect stof is voor deze woningen dus in het geheel niet relevant. Verder zullen toekomstige bewoners in het plangebied volledigheidshalve op de hoogte worden gesteld van de mogelijk te verwachten stofhinder. Zo kunnen zij zelf de keuze maken of dit voor hen aanvaardbaar is of niet. Daarbij zal voor veel toekomstige (vroege) bewoners ook meespelen dat zij nog enkele jaren in een gebied in transformatie zullen wonen. Naar huidig inzicht zal rond 2030 een groot deel van Nieuw-Mathenesse herontwikkeld zijn, en zal pas nadien het eindbeeld van de beoogde Glasbuurt duidelijker zichtbaar zijn.

Rond die tijd zal BSR Van Uden reeds substantieel haar bedrijfsvoering moeten gaan afbouwen, wil zij uiterlijk 31 juli 2032 haar terreinen leeg en gesaneerd kunnen terugleveren. Tot slot speelt hier ook het belang van de woningbouwopgave. De gemeente Schiedam heeft immers afspraken gemaakt op Rijks-, provinciaal en regionaal niveau over het aantal en de locatie van binnenstedelijk te realiseren woningen tot 2030. Op grond van diverse Rijkssubsidies voor versnelling van de woningbouw, zijn er ook voorwaarden gesteld door het Rijk over de termijn waarbinnen met die woningbouw moet worden gestart. Het gedurende enige tijd aanvaarden van een mogelijke beperkte vorm van stofhinder is passend bij die bouwopgave, uitstel van alle woningbouwontwikkelingen in de ruime omgeving van BSR Van Uden tot zij haar bedrijfsvoering heeft gestaakt, is geen optie. Hoewel er in de tijdelijke situatie sprake in een worst case situatie sprake kan zijn van stofhinder in het toekomstige woongebied, wordt dit op basis van bovenstaande afweging aanvaardbaar geacht. Dit onderschrijft de bestemmingslegging zoals die met dit bestemmingsplan is vastgesteld. Van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal dan ook geen sprake zijn. Evenmin is sprake van een belemmering van de bedrijfsvoering van BSR Van Uden.

Concluderend Nu zowel de maatgevende aspecten stof als geluid zijn beschouwd, wordt concluderend gesteld dat gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstanden uit de VNG-brochure. Beschrijving relevante aspecten binnen het plangebied Binnen het bestemmingsplan worden naast woningen ook bedrijven en commerciële functies toegestaan. Beoogd wordt een gemengd woon-werkgebied te realiseren. Binnen het plangebied is dus sprake van functiemenging. De systematiek voor het bepalen van welke typologie aan bedrijvigheid is toegestaan wordt nader geduid in bijlage 2 bij de regels. In algemene zin gaat het qua bedrijvigheid om activiteiten die goed inpasbaar zijn in gemengde woon-werkgebieden, waar het mengen van functies bijdraagt aan het creëren van een levendig stedelijk interactiemilieu. Couwenhovenstraat (diverse bedrijvigheid) Aan de Couwenhovenstraat zijn bedrijven uit ten hoogste categorie B toegestaan, aangevuld met bestaande garagebedrijven. Deze bestemmingslegging is conserverend van aard. Voor dit type bedrijf geldt dat het toelaatbaar is als het bouwkundig afgeschermd is van woningen. Omdat deze bebouwingsstrook op enige afstand van het te transformeren plangebied staat, onder andere door de Couwenhovenstraat zelf, is geen sprake van belemmeringen voor de nieuwe

86 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

ontwikkeling. Hierbij is ook relevant dat aan de noordzijde op korte afstand (minder dan 10 meter) reeds woonbebouwing aanwezig is. Buitenhavenweg 132 (Onder de Boompjes) Aan de Buitenhavenweg 132 bevindt zich het distilleerbedrijf Onder de Boompjes. Op deze locatie rust een omgevingsvergunning uit 2017 voor oprichting van de huidige distilleerderij. Deze inrichting is volgens de aanvraag en de vergunning geen inrichtingen die valt onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) of het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO). Dat betekent dat er geen externe plaatsgebonden risicocontouren gelden. Er ligt dus rondom deze locatie geen risicocontour. Verder is de schaal en de milieubelasting van de brouwerij/stokerij op deze locatie, niet te vergelijken met een bedrijf dat gericht is op de productie van grote hoeveelheden alcohol. De grootschalige bedrijfsactiviteiten vindt plaats op Nieuwsticht 1 7 . Op korte afstand van de locatie Buitenhavenweg 132 zijn nieuwe woningen geprojecteerd. Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd om de gevolgen inzake een goede ruimtelijke ordening te beoordelen. De woningen liggen binnen de afstanden volgens de VNG brochure voor gemengd gebied. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsvoorschriften uit de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit milieu ter plaatse van de nieuw voorziene woningen niet wordt gehaald.

Bij de woningen in de omringende blokken moeten noodzakelijke geluidwerende voorzieningen zoals bedoeld in een bijlage bij het onderzoek worden gerealiseerd en in stand gehouden, of moeten maatregelen bij distilleerderij Onder de Boompjes worden getroffen. Primair uitgangspunt is planaanpassing voor wat betreft de nieuwe woningen. Om die reden is in de regels aanvullend geborgd dat bij de nieuwe woningen extra geluidwerende voorzieningen moeten worden getroffen, waarmee is geborgd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat zodat dat de bedrijfsvoering van Onder de Boompjes wordt beperkt. Buitenhavenweg 140 (diverse bedrijvigheid) Aan de Buitenhavenweg 140 bevindt zich ambachtelijke bedrijvigheid. Het betreft onder andere een koffiebranderij en een smederij. Binnen het plangebied wordt beoogd deze te verplaatsen naar de zuidwestzijde van het plangebied, tegen de bedrijfslocatie van De Kuyper. In de regels van onderhavig plan is ter plaatse de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd – 2' opgenomen, waar ook een koffiebranderij met SBI-code 1083 is toegestaan. De bedrijfsfuncties zijn beperkt tot maximaal 200 m2 BVO. Volgens de publicatie Bedrijven en milieuzonering is een koffiebranderij een categorie 5.1 bedrijf.

De koffiebranderij is ter plaatse toegestaan als sprake is van maximale milieu-impact vergelijkbaar met een categorie B bedrijf volgens de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Volgens de genoemde publicatie zijn de aspecten geur en geluid bepalend. Om te kunnen voldoen aan de geurnormen moet de koffiebrander technische maatregelen treffen om geen overlast te veroorzaken bij de woningen. Voor het aspect geluid zijn geen nadere maatregelen nodig. De koffiebranderij en andere bedrijfsmatige functies zijn ruimtelijk aanvaardbaar in een functioneel gemengd gebied.

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 8 7

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

5.7.3 Conclusie Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat geen sprake is van beperkingen voor de planrealisatie als gevolg van bedrijvigheid in de omgeving. Met de vergunde activiteiten en planologisch mogelijke uitbreidingsmogelijkheden voor De Kuyper is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat aannemelijk voor het aspect geur. De geurhinderafstand van 50 meter is voldoende om geuroverlast bij de geprojecteerde woningen te voorkomen. Evenmin is de beoogde ontwikkeling beperkend voor de overige bestaande bedrijvigheid rondom het plangebied. Indien nodig of wenselijk is de bestemmingslegging voor de bedrijven in het plangebied nader geduid in de regels, zodat duidelijk is welke situatie wordt beoogd en er geen sprake is van een onevenredige impact op de omgeving. Ook is hiermee het goede woon- en leefklimaat binnen het plangebied zelf geborgd. Daarbij wordt benadrukt dat sprake is van een gemengd woon-werkgebied, waar de functies wonen en werken naast en door elkaar worden beoogd. De regels zijn hierop afgestemd. Specifiek rondom het pand van Onder de Boompjes aan de Buitenhavenweg 132 is met het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd dat de nieuwe woningen extra geluidwerende maatregelen op de gevel moeten treffen.

5.8 Luchtkwaliteit 5.8.1 Algemeen De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in de Wet luchtkwaliteit (hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer). De wet bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor NO2 en PM1 0 geldt een grenswaarde van maximaal 40 µg/m² als jaargemiddelde concentratie. Voor PM2,5 geldt een maximale grenswaarde van 25,0 µg/m². Centraal staat een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Deze programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen, zodat de luchtkwaliteit verbetert en gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening door kunnen gaan. In de NSL zijn de meeste projecten opgenomen die "in betekende mate" (ibm) bijdragen. Het NSL is er op gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daartoe is een pakket aan maatregelen opgenomen in het NSL, zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies.

Dit pakket aan maatregelen zorgt er voor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in AMvB's en ministeriële regelingen. Op grond van artikel 5.16 van de Wet luchtkwaliteit kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, zoals de vaststelling van een bestemmingsplan, uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden; de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft; bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht; het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het NSL of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden. 88 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Indien een project een effect heeft van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2, PM1 0 (= 1,2 µg/m³) en PM2,5 (= 0,75 µg/m³) of een project valt in een categorie welke is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden, een project doorgang kan vinden zonder nadere toetsing aan de grenswaarden. De reden hiervoor is dat in het NSL voldoende maatregelen zijn genomen om de bijdrage van deze projecten aan verslechtering van de luchtkwaliteit te compenseren. De definitie van 'niet in betekenende mate' is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM1 0. De 3% komt overeen met 1,2 microgram/m³ (µg/m³). Als een project voor één stof de 3%-grens overschrijdt, dan verslechtert het project 'in betekenende mate' de luchtkwaliteit. De 3%-norm is in de Regeling NIBM uitgewerkt in concrete voorbeelden, waaronder: woningbouw: 1.500 woningen netto bij één ontsluitende weg en 3.000 woningen bij twee ontsluitende wegen; kantoorlocaties: 100.000 m² brutovloeroppervlak bij één ontsluitende weg en 200.000 m² brutovloeroppervlak bij twee ontsluitende wegen. Actieplan Lucht & Geluid In 2019 heeft de gemeente het Actieplan Lucht & Geluid (2019-2022) vastgesteld.

Met de maatregelen in dit actieplan wordt mede een bijdrage geleverd aan het realiseren van de ambities van het college: Schiedam als een gezonde, aantrekkelijke, leefbare, groene en bereikbare stad, waar het prettig wonen, werken, ondernemen en recreëren is. Duurzaamheid is daarin het fundament voor alle acties in de komende periode, en vormt samen met stedelijke ontwikkeling, mobiliteit en gezondheid de rode draad door dit actieplan. Schiedam voldoet momenteel overal aan de Europese, en dus ook Nederlandse, normen voor fijnstof (PM1 0 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2). Daarentegen is er sprake van een overschrijding van de WHO-advieswaarde voor roet (EC, de belangrijkste gezondheids-indicator). Met het oog op de lagere grenswaarden die door vele instanties wordt aanbevolen voor een gezonde leefomgeving (WHO, GGD, Gezondheidsraad) kiest Schiedam voor de volgende doelstelling, aangevuld met een onderzoek naar hoe Schiedam in 2030 aan de WHO-normen kan gaan voldoen: "Schiedam kiest voor gezonde lucht voor iedere Schiedammer. Binnen vijf jaar (2022) is het doel daarom om de in het actieplan genoemde (jaargemiddelde) waardes te halen."

5.8.2 Relatie tot ontwikkeling Het plan voorziet in de realisatie van maximaal 738 woningen en is daarmee dusdanig beperkt in omvang dat geconcludeerd mag worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een goed woon- en leefklimaat te worden gewaarborgd. Op basis van de NSL Monitoringstool kan worden beoordeeld wat de huidige grootschalige achtergrondconcentratie voor een bepaald jaar is ter plaatse van een specifieke locatie. Aan de hand daarvan kan worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de projectlocatie. De grenswaarden voor toetsing van deze jaargemiddelde concentraties zijn: 40 µg/m³ voor stikstofdioxide NO2, 40 µg/m³ voor fijnstof PM1 0 en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5. Te zien is dat ter plaatse van het plangebied de grootschalige achtergrondconcentraties in 2020 van stikstofdioxide NO2 28,3 µg/m³ , van fijnstof PM1 0 19,9 µg/m³ en van fijnstof PM2,5 12 µg/m³ waren. In 2030 betreft dit voor NO2 20,8 µg/m³ , van fijnstof PM1 0 17,1 µg/v en van fijnstof PM2,5 9.6 µg/m³ (zie tabel 2).

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 89

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

Jaar

GCN-achtergrondconcentratie rekenpunt: 15939425

2020 2030 Grenswaarden

NO2 (µg/m3) 28,3 20,8 40

PM1 0 (µg/m3) 19,9 17,1 40

PM2,5 (µg/m3) 12 9,6 25

Tabel 3 Achtergrondconcentraties stikstofdioxide en fijnstof ter plaatse van het plangebied De grenswaarde voor toetsing voor stikstofdioxide NO2 is 40 µg/m3, voor fijnstof PM1 0 is 40 µg/m³ en voor fijnstof PM2,5 is 25 µg/m³ de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie. Wanneer de maximale bijdrage van het extra verkeer hierbij wordt opgeteld, zullen de concentraties van zowel fijnstof als stikstofdioxide ruim onder de grenswaarden blijven.

5.8.3 Conclusie Gelet op bovenstaande toelichting wordt geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het onderhavige plan.

5.9 Bodem 5.9.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient een bodemanalyse te worden verricht met het oog op de beoordeling van de realiseerbaarheid van bepaalde bestemmingen of bestemmingswijziging. De ontwikkeling omvat de realisatie van woningen. Woningen betreffen gevoelige functies in het kader van de Wet bodembescherming, waarvan de gebruikers beschermd dienen te worden tegen onacceptabele verontreinigen in de bodem waarmee zij in aanraking kunnen komen. Ten behoeve van de planrealisatie zijn diverse (verkennende) bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn als bijlagen bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. In deze paragraaf wordt kort samengevat ingegaan op de conclusies en aanbevelingen uit deze onderzoeken. Ook wordt ingegaan op de specifieke maatregelen die naar aanleiding van de onderzoeken zijn of worden genomen en hoe deze, in voorkomende gevallen, doorwerking hebben gekregen in de planregels van dit bestemmingsplan.

5.9.2 Relatie tot de ontwikkeling De milieukundige bodemsituatie ter plaatse van de glasfabriek is vanwege het staken van de bedrijfsactiviteiten door de voormalige eigenaar O-I Manufacturing Schiedam, als eindsituatie vastgesteld. Ook voor het VROM-terrein zijn diverse onderzoeken bekend en zijn saneringsrapportages opgesteld. Op de locatie Buitenhavenweg 114-120 (voormalige glasfabriek) zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: historisch onderzoek glasfabrieksterrein (Tukkers, kenmerk 43100787-3, 19 december 1994); verkennend bodemonderzoek bedrijfsterrein van de Verenigde Glasfabrieken te Schiedam (NBM, kenmerk 62.024, 8 juli 1997); historisch onderzoek in het kader van het Landsdekkend Beeld in de gemeente Schiedam, locatie Buitenhavenweg 114-120 (Geofox-Lexmond, AA060600034, 30 oktober 2008); eindsituatie bodemonderzoek O-I Manufacturing Schiedam, Buitenhavenweg 114-116 Schiedam (Tebodin, kenmerk 48368, november 2016); eindsituatie bodemonderzoek O-I Manufacturing Schiedam, Buitenhavenweg 114-116 Schiedam (Tebodin, kenmerk 52151, juli 2018). 90 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

Van de locatie Buitenhavenweg 154-176 (VROM-terrein) zijn de volgende onderzoeken en saneringsrapportages bekend: nader bodemonderzoek Buitenhavenweg te Schiedam (Milieu Adviesbureau Interproject, kenmerk 5088.10.02, 2 7 oktober 1995); aanvullend bodemonderzoek voormalig VROM-terrein, Buitenhavenweg te Schiedam (Milieu Adviesbureau Adverbo, kenmerk 99.10.0196.170, 1 7 april 2000); saneringsplan voormalig VROM-terrein, Buitenhavenweg te Schiedam (Milieu Adviesbureau Adverbo, kenmerk 03.10.0989.170, 12 juni 2003); milieukundig Bodemonderzoek terrein aan de Buitenhavenweg (voormalig VROM-terrein) te Schiedam (Adverbo, kenmerk 07.10.2203.170, 5 december 2007); evaluatie saneringswerkzaamheden Buitenhavenweg 154-176 te Schiedam (Milieu Adviesbureau Adverbo, kenmerk 08.20.2456.170, 16 april 2009); beschikking instemming evaluatieverslag locatie Buitenhavenweg 154-176 te Schiedam (gemeente Schiedam, kenmerk SC060600247, d.d. 23 juni 2009). Uit de onderzoeken verricht ter plaatse van de Buitenhavenweg 114-120 komt naar voren dat ter plaatse een ophooglaag aanwezig is bestaande uit een mengsel van zand, puin, kolengruis, verbrandingsresten en glas. De laag is naar verwachting deels aangebracht bij ingebruikname van de terreinen om de onderliggende bodemlagen te verstevigen en de bodem begaan te maken voor materieel.

Verwacht wordt dat als gevolg van verzakkingen er in de loop der jaren extra lagen zijn aangebracht waardoor uiteindelijk een ophooglaag is ontstaan met een dikte van 1,0 à 1,5 meter. Door de bijmengingen met verbrandingsresten maar ook omdat in oude bouwmaterialen zware metalen werden toegepast om ze beter weerbestendig te maken is de laag verontreinigd met zware metalen en PAK's. Naast deze integraal aanwezige verontreinigde laag zijn lokaal ook spots met minerale olie aanwezig. Deze hangen samen met de opslag en het gebruik van brandstoffen en smeerolie, één spot is naar verwachting het gevolg van een morsing. Ter plaatse van de Buitenhavenweg 154-176, het VROM-terrein, zijn als het gevolg van het bedrijfsmatige gebruik van de locatie alsmede stort (ophoging) en verbranding van huisvuil en veegafval verontreinigingen ontstaan. Tijdens een sanering in 2008 zijn resterende tanks en mobiele verontreinigingen verwijderd en is ook het asbesthoudende deel van de ophooglaag van de locatie afgevoerd. In de eindsituatie resteert een ophooglaag bestaande uit zand vermengd met puin en verbrandingsresten met een dikte van 1,0 à 1,5 meter die matig tot sterk verontreinigd is met zware metalen en PAK. In de ophooglaag zijn schone sleuven aangelegd ten behoeve van kabels en leidingen.

De verontreinigde laag is geïsoleerd door het aanbrengen van een gesloten verharding (10 cm schoon zand en stelconplaten). In het grondwater zijn bij de voorgaande onderzoeken licht verhoogde gehalten aan arseen, vluchtige aromaten en cyanide aangetoond. De uitgevoerde sanering is goedgekeurd door de gemeente Schiedam. Als nazorgverplichting geldt dat de aanwezige verharding in stand dient te worden gehouden. Naar aanleiding van de diverse onderzoeken is de noodzaak tot sanering van enkele delen van het terrein vastgesteld. Ook is geconcludeerd dat bij de beoogde herontwikkeling tot gemengd woon-werkgebied het aanbrengen van een leeflaag wenselijk is, om zodoende een geschikte bodemkwaliteit te kunnen garanderen. In het door Antea Group uitgevoerde cq. opgestelde nader onderzoek en raamsaneringsplan voor de locatie, zijn de diverse maatregelen uitgewerkt en vastgelegd (d.d. 6 juni 2023, kenmerk 0466025, revisieversie 3). Op 23 november 2023 is een beschikking Wet bodembescherming afgegeven (kenmerk 1982019_4805105), waarmee is vastgelegd dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied geschikt is cq. gemaakt wordt voor het beoogde gebruik. In de regels van het bestemmingsplan is verder een voorwaardelijke verplichting opgenomen dat de geschikte bodemkwaliteit in stand

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 9 1

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

moet worden gehouden. Hiermee is de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan voor dit aspect geborgd. PFAS en asbest Specifiek naar het voorkomen van PFAS en asbest in de bodem is afzonderlijk onderzoek uitgevoerd door Antea Nederland BV (project nr. 0472110.100, d.d. 14 september 2021). Onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van de te saneren perceeldelen, door monsterneming in de ontgravingsvlakken. Ter plaatse bestaat de mogelijkheid dat de bodem door atmosferische depositie met PFAS is verontreinigd. Onderzoek naar PFAS is van toepassing wanneer grond vrijkomt welke niet eerder op deze stofgroep is onderzocht en elders dient te worden toegepast of wordt aangeboden aan een erkend verwerker. Gezien de aard van de beoogde werkzaamheden (sanering) is het aannemelijk dat bij de saneringswerkzaamheden grond vrijkomt en dat deze moet worden afgevoerd. Om die reden is onderzoek naar het voorkomen van PFAS uitgevoerd, conform NEN5740. Omdat de onderzoeksaanleiding ligt in de bodemsanering, en dus de afvoer van grond, is geen grondwateronderzoek uitgevoerd. Voor asbest is relevant dat glasfabrieken voor zover bekend niet bijzonder verdacht zijn voor wat betreft de aanwezigheid van asbest in de bodem.

Gezien de historische aanwezigheid van glasfabricage op het terrein zijn er geen andere bedrijfsmatige activiteiten die de aanname dat sprake is van een onverdachte situatie in de weg staan. Voor zover bekend is de locatie niet eerder op asbest onderzocht. In juli en september 2021 zijn veldwerkzaamheden ter plaatse uitgevoerd, waarbij diverse grondboringen zijn gezet. Naast de boringen is ook een fysieke inspectie op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen uitgevoerd. Er zijn geen aanwijzigingen van bodemverontreiniging geconstateerd. Wel zijn verspreid over het terrein in verschillende gradaties kolengruis, olie-water reacties, teergeuren, baksteen, glas, metselpuin en beton aangetroffen. De grondboringen zijn vervolgens geanalyseerd op het voorkomen van PFAS en asbest. Uit de analyseresultaten blijkt dat geen sprake is van verhoogde gehalten aan PFAS in de bodem. De geanalyseerde monsters vallen voor wat betreft PFAS onder de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. Dit betekent dat er wat betreft PFAS geen belemmeringen zijn voor de af te voeren vrijkomende grond tijdens de saneringswerkzaamheden. In de geanalyseerde monsters is voor asbest geen overschrijding van de actiewaarde aangetroffen. Bij het als worst-case aan te merken bodemmonster is sprake van 1/3 van de actiewaarde.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt geconcludeerd dat de grond ter plaatse van de verschillende deellocaties als niet-PFAS-houdend en niet-asbesthoudend kan worden aangemerkt (indicatief). Nader onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen is niet noodzakelijk, de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt door dit aspect niet in de weg gestaan. Verspreide percelen Voor de diverse verspreide percelen waar geen herontwikkeling wordt voorgestaan is sprake van een conserverende bestemminsgslegging. Ten opzichte van het voorheen geldende planologisch regime is geen sprake van substantiële wijzigingen in gebruiksmogelijkheden of een verandering van bouwmogelijkheden. Het bestaande gebruik op deze locaties wordt voortgezet. Nader onderzoek naar de bodemgesteldheid is in het kader van het bestemmingsplan niet noodzakelijk.

92 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

5.9.3 Conclusie Op grond van de uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd dat de bodemkwaliteit in voldoende mate is vastgesteld en dat, in de huidige situatie, de aanwezige bodemverontreiniging in principe een belemmering vormt voor de voorgenomen herontwikkeling. Deze belemmering kan worden weggenomen door saneringsmaatregelen te nemen die er voor zorgen dat toekomstige gebruikers niet worden blootgesteld aan de aanwezige verontreiniging. De maatregelen dienen zo te worden vormgegeven dat de risico's worden weggenomen en dat de nazorg wordt geminimaliseerd. Vanwege de omvang en de aard van de aanwezige verontreiniging is het niet noodzakelijk de verontreiniging volledig te verwijderen. De verontreiniging mag geïsoleerd worden onder toekomstige bebouwing en verhardingen of het aanbrengen van leeflagen. De saneringsmaatregelen zijn uitgewerkt in samenhang met de geplande ontwikkeling en vastgelegd in een raamsaneringsplan dat door de gemeente is goedgekeurd via een beschikking Wet bodembescherming (kenmerk 1982019_4805105, d.d. 23 november 2023). Op basis van het vastgestelde saneringsplan wordt toegewerkt naar een situatie waarbij de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functies die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

De instandhouding van de bodemkwaliteit is planologisch geborgd door opname van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan.

5.10

Niet gesprongen explosieven

5.10.1

Algemeen

Door Saricon is gemeentebreed een vooronderzoek naar niet-gesprongen explosieven uitgevoerd (kenmerk 16S134, d.d. 6 maart 2018). In dit vooronderzoek zijn onder meer de volgende gebeurtenissen en omstandigheden in kaart gebracht: Grondgevechten tussen Nederlandse en Duitse eenheden in mei 1940; Luchtaanvallen door Duitse en geallieerde luchtstrijdkrachten; De aanwezigheid van mijnenvelden; De aanwezigheid van militaire verdedigingswerken; Vliegtuigcrashes; Munitievondsten. Bij de beoordeling van de gebeurtenissen zijn verspreid over het grondgebied van de gemeente diverse gebieden aangemerkt welke verdacht zijn voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Deze verdachte gebieden zijn opgenomen op een CE-bodembelastingskaart.

5.10.2

Relatie tot ontwikkeling

Uit de CE-bodembelastingkaart van de gemeente blijkt dat het plangebied ter plaatse van de voormalige glasfabriek en het VROM-terrein geheel onverdacht zijn. Ten aanzien van het plangebied is door Saricon een briefrapportage opgesteld die gebaseerd is op de resultaten van het vooronderzoek Conventionele Explosieven (CE). Op grond van de rapportage (kenmerk 20S096-BR-01, d.d. 2 november 2020) kan geconcludeerd worden dat er geen aanleiding is om een verdacht gebied aan te merken binnen het plangebied. Het plangebied is onverdacht op de aanwezigheid van conventionele explosieven.

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 93

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

5.10.3

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde onderzoeken is er geen aanleiding om op voorhand gebieden als verdacht te markeren voor de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven. Indien bij werkzaamheden binnen het plangebied onverhoopt toch explosieven worden aangetroffen dan dienen de geldende procedures te worden opgevolgd. Risico's moeten worden vermeden, en na inschakeling van de relevante hulpdiensten zal de EOD van de vondst in kennis worden gesteld.

5.11

Kabels en leidingen

5.11.1

Algemeen

In paragraaf 5.6 zijn de relevante buisleidingen voor externe veiligheid reeds beschouwd. Hieruit is gebleken dat deze leidingen geen belemmeringen vormen voor het plan. Naast de planologisch relevante kabels en leidingen zijn er ook andere kabels leidingen aanwezig in de ondergrond.

5.11.2

Relatie tot de ontwikkeling

De aanwezige kabels en leidingen zijn geïnventariseerd en zullen waar nodig worden verlegd of aangepast aan de voorgenomen transformatie van het gebied. De aanwezige kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor uitvoering van het plan. Belangrijk daarbij is dat sprake is van een nagenoeg totale herontwikkeling van het plangebied. Zowel op gebouwniveau als voor wat betreft het stratenpatroon en de openbare ruimte gaat het gebied grotendeels op de schop. De transformatie van industrieterrein naar gemengd woon-werkgebied betekent dat bestaande kabels en leidingen worden verlegd en aangepast aan de beoogde nieuwe situatie. In overleg met de betrokken nutsbedrijven zal de concrete uitvoering van deze aanpassingen nader worden vormgegeven.

5.11.3

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.

5.12

Archeologie

5.12.1

Algemeen

De gemeente Schiedam heeft archeologisch beleid, met bijbehorende beleidsinstrumenten ontwikkeld, waaronder de beleidsnota 'Archeologische Monumentenzorg gemeente Schiedam' en de 'Archeologische Waardenkaart Schiedam' (januari 2008). Hiermee is een tijdige en volwaardige inbreng van archeologische belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen gewaarborgd. Het beleid sluit aan op en komt mede voort uit het Rijksbeleid en het provinciale beleid dat naar aanleiding van het Europese 'Verdrag van Malta' is ontwikkeld. Meer specifiek is het doel van het voorgenomen archeologisch beleid te zorgen voor het behoud van archeologische waarden ter plaatse in de bodem, voor documentatie van archeologische waarden indien behoud ter plaatse niet mogelijk is en dat de resultaten van het archeologisch onderzoek bereikbaar en kenbaar zijn voor derden. Het vaststellen, waarderen en documenteren van archeologische waarden vindt binnen de archeologische monumentenzorg gefaseerd plaats. Na een bureauonderzoek kan het nodig zijn een archeologische inventarisatie in het veld uit te voeren. De resultaten van de inventarisatie kunnen vervolgens leiden tot een aanvullend archeologisch onderzoek. De resultaten van laatstgenoemd onderzoek vormen het uitgangspunt bij de keuze om een vindplaats te behouden, op te graven, waarnemingen uit te voeren tijdens het bouwproject of geen verdere stappen te ondernemen.

94 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

De locatie is zowel vanuit vigerend gemeentelijk beleid, waaronder het voorheen geldende bestemmingsplan, als op basis van archeologisch inhoudelijke bronnen verdacht op de aanwezigheid van archeologische resten.

5.12.2

Relatie tot ontwikkeling

Gelet op de voorgenomen transformatie van het plangebied, en de bouwvolumes die er al staan, zullen bodemingrepen in dit gebied op basis van het voorliggende bestemmingsplan meestal groter zijn dan 200 m2. Op basis van de voorheen geldende dubbelbestemming voor bescherming van archeologische waarden was dan nader archeologisch onderzoek noodzakelijk. In het plangebied is door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (kenmerk 466025, d.d. 6 november 2020, zie bijlage 10). Op grond van het onderzoek wordt geconcludeerd dat voor het plangebied een brede archeologische verwachting geldt. Wel kan deze, zeker voor de periode van de late middeleeuwen en nieuwe tijd, nader geconcretiseerd worden . De aanwezigheid van oudere resten is sterk afhankelijk van de aard van de bodemopbouw (die nog niet of enkel (te) grof bekend is). Er kunnen archeologische resten worden aangetroffen uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd, afhankelijk van de bodemopbouw in het plangebied. De hoogste verwachting geldt echter op het aantreffen van resten uit de nieuwe tijd, gebaseerd op de historische kaarten uit het gebied. De stroomrug langs de Schie, die aan de westkant van het plangebied ligt, vormde mogelijk een gunstige vestigingslocatie tussen de ijzertijd en de vroege middeleeuwen.

Deze verwachting is vervolgens alleen van toepassing indien de bodemopbouw niet geroerd is geraakt en alle lagen nog intact aanwezig zijn. De locatie is zowel vanuit vigerend gemeentelijk beleid als op basis van archeologisch inhoudelijke bronnen verdacht op de aanwezigheid van archeologische resten. Archeologie zal verder in de planvorming als één van de te onderzoeken aspecten moeten worden meegenomen. Pas wanneer kan worden aangetoond dat het plangebied tot voorbij de archeologisch relevante niveaus reeds verstoord is óf middels een waarderend archeologisch veldonderzoek er geen behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied wordt aangetroffen, kan de gemeente Schiedam het plangebied vrijgegeven voor wat betreft het aspect archeologie binnen het ruimtelijk domein. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodemopbouw in het plangebied verstoord is geraakt door bebouwing of andere grondwerkzaamheden. Dit kan niet worden bepaald door een archeologisch bureauonderzoek alleen. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren om de mate van intactheid van de bodemopbouw en eventueel aanwezige archeologische lagen te bepalen.

Op die manier kan een gefundeerd advies worden gegeven over de impact van de herinrichting van het plangebied en de noodzakelijke archeologische onderzoeken die daarvoor moeten worden uitgevoerd. De gemeente Schiedam heeft het onderzoeksrapport laten beoordelen door haar vaste adviseur, de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam, en besloten het advies van de afdeling Archeologie van de gemeente Rotterdam uit haar brief van 11 november 2022 (kenmerk AS22/12186-22/9022806) over te nemen. Het onderzoeksrapport is goedgekeurd. Verder wordt de in het rapport geformuleerde aanbeveling opgevolgd, namelijk om in het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren maar de insteek hiervan te laten afhangen van de concrete bouw- en inrichtingsplannen. Een archeologische planbeoordeling moet, zodra deze plannen definitief zijn, nog worden uitgevoerd. Pas dan wordt bepaald of een veldonderzoek nodig zal zijn en, zo ja, of dit voor het gehele plangebied geldt of voor delen ervan. Ook kan op dat moment b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 9 5

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

worden bekeken welke vorm van onderzoek het meest geschikt is om de archeologische verwachting te toetsen. Omdat in dit geval een projectbestemmingsplan voor het plan wordt opgesteld, voldoet het om de regels uit het voorheen geldende bestemmingsplan en de daarin opgenomen archeologische dubbelbestemming(en) over te nemen. Hiermee is afdoende geborgd dat bij de nadere uitvoer van bouwplannen de archeologische onderzoeksplicht moet worden nagekomen, en kan de opzet van het onderzoek worden afgestemd op de concreet voorliggende bouwplannen. Verspreide percelen Ten aanzien van de diverse verspreide percelen is het beschermingsregime uit het voorgaande bestemmingsplan overgenomen. Omdat op deze locaties geen nieuwe ontwikkelingen worden voorgestaan is nader onderzoek niet nodig. Indien zich ontwikkelingen voordoen biedt het opgenomen archeologisch beschermingsregime voldoende handvaten om de eventuele archeologische waarde nader te bepalen.

5.12.3

Conclusie

Uit oogpunt van de bescherming van archeologische waarden geldt voor het gehele plangebied een archeologische dubbelbestemming. Belemmeringen voor de uitvoering worden niet verwacht.

5.13

Duurzaamheid

5.13.1

Algemeen

Het gemeentelijke beleid ten aanzien van duurzaamheid is neergelegd in het Klimaatbeleidsplan (gericht op klimaatmitigatie: aanpakken van de oorzaken van klimaatverandering) en het Klimaatadaptatieplan (gericht op adaptatie: aanpassen van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering). Het nieuwe Klimaatbeleidsplan 'Een wereld te winnen' is op 3 november 2020 door de gemeenteraad vastgesteld. Dit klimaatbeleidsplan is aangepast, geactualiseerd en aangevuld en bouwt voort op de weg die is ingeslagen met het Programma Duurzaamheid (2016-2018) en het Klimaatbeleidsplan 2016-2020. Het Klimaatadaptatieplan Schiedam en het verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2019 tot en met 2023 zijn op 12 maart 2019 vastgesteld door de gemeenteraad. Het Klimaatadaptatieplan gaat in op vier thema's: wateroverlast, droogte, hitte en overstromingsrisico's.

5.13.2

Klimaatadaptatie

Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Ingezet wordt op het hebben van voldoende mogelijkheden voor waterberging in geval van wateroverlast door overvloedige regen, alsmede het beperken van her risico op instabiliteit van kaden en verzakkingen ten gevolge van droogte. Om wateroverlast te voorkomen, is uitgangspunt dat de stad een extreme bui (waarbij 60 mm neerslag valt in een uur tijd) kan verwerken. Om in tijden van droogte het uitdrogen van de bodem en het 'uitzakken' van de grondwaterstand tegen te gaan, wordt zoveel mogelijk water opgevangen, vastgehouden en geïnfiltreerd in de bodem. Met het beleid wordt ingezet op een aanpassing van de stad aan de gevolgen van klimaatverandering. Uitgangspunt is dat het stedelijk gebied bij hittegolven niet meer dan 2 graden Celsius opwarmt ten opzichte van het omliggende gebied. Om die reden is het wenselijk dat maatregelen worden getroffen die extreme opwarming tegengaan, zoals het toepassen van 'vergroenende' maatregelen. In het algemeen geldt dat indien 40% van de planlocatie wordt vergroend, een daling van 2 graden Celcius optreedt. Naast 'vergroenende' maatregelen is het 96 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

ook belangrijk om bouwtechnische voorzieningen te treffen. De transformatie van het Glasfabriek terrein te Schiedam vindt plaats in meerdere fasen, waarbij het terrein transformeert van bedrijvigheid naar een combinatie van gemengd wonen en werken. De concrete uitwerking van maatregelen vindt gefaseerd plaats. Het gaat daarbij om het zoeken van een combinatie van maatregelen die enerzijds bijdragen aan een aantrekkelijk woon- en leefgebied, en die anderzijds soms nodig zijn om aan bepaalde wettelijke eisen te voldoen. Uitwerking VROM-locatie als voorbeeld In samenhang met de uitwerking van het (ontwerp)bestemmingsplan is ook een (ontwerp)omgevingsvergunning voor bebouwing van het VROM-terrein uitgewerkt. Het bouwplan voor het VROM-terrein kan als voorbeeld dienen voor de wijze waarop diverse maatregelen binnen het plangebied worden uitgewerkt. Door Laneco is in samenwerking met VOIDS, ten behoeve van de vergunningaanvraag, een Memo natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen uitgewerkt (d.d. 15 augustus 2023). De memo is onderdeel van het vergunningdossier. In de memo zijn de ambities voor vergroening en natuurinclusief bouwen beschreven. Omdat de gemeente Schiedam geen eigenstandig systeem heeft, is bij de uitwerking het puntensysteem Groen en Natuurinclusief Bouwen van de gemeente Den Haag als basis genomen.

De transformatie van de voormalige glasfabriek en omgeving vergroot het aandeel (oppervlakte)groen fors, en daarmee de ecologische- en natuurlijke waarde van het terrein. Het VROM-terrein als voorbeeld bestaat uit een bouwblok met een drietal (afsluitbare) openingen. Aan de binnenzijde van het bouwblok komt een centrale binnentuin voor alle bewoners van de VROM-locatie. Wateropgave Om wateroverlast te voorkomen zorgt de ontwikkelaar voor de mogelijkheid tot infiltratie op zowel de daken van de bebouwing als in de binnentuin. Uitgangspunt is dat de VROM-locatie een piekbui van 60 mm/uur kan verwerken. Als principe wordt er gehanteerd dat het hemelwater wordt opgevangen, vastgehouden/ geïnfiltreerd (minimaal 24 uur) en vervolgens (vertraagd) wordt afgevoerd naar de Schie. Naast de privéterrassen bij de woningen bestaat de binnentuin uit 90% onverharde materialen. Ook wordt gedacht aan extra waterberging in de vorm van een wadi, wat ook bijdraagt aan de biodiversiteit. Hittestress Hittestress is gelet op de klimaatverandering een steeds urgentere opgave, voornamelijk in het stedelijk gebied. Als uitgangspunt voor het VROM-terrein is gekozen zoveel mogelijk warmte absorberende materialen in de buitenruimte te gebruiken. Meer dan 30% van de schil wordt warmtewerend of verkoelend ingericht.

Alle daken worden uitgevoerd als groendaken en de binnentuin bestaat voor 90% uit groen en halfverharding. Alleen de privéterrassen en de toegangen hier naar toe vanuit de binnentuin, worden uitgevoerd in klinkers. Daarnaast wordt de beplanting in de binnentuin niet alleen benut voor biodiversiteit, maar geeft deze ook schaduw in de binnentuin. Vergroening binnentuin Voor de inrichting van de binnentuin is gekeken naar soorten die van nature in de omgeving voorkomen, en soorten die naar verwachting de meeste kans hebben om een meerwaarde voor biodiversiteit te bieden. In de planvorming zijn slechts beperkt doelsoorten voor fauna opgenomen. Door gelegenheid te bieden aan een breed spectrum van diersoorten is de verwachting dat van nature voorkomende dieren het gebied uit zichzelf zullen koloniseren. Enkel voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw zijn specifieke eisen opgenomen.

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 9 7

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

Qua bomen is de keuze gemaakt om in ieder geval één grote volwassen boom te plaatsen die direct meerwaarde kan bieden voor onder meer vogels en insecten. Er wordt gekozen voor een inheemse boom, bij voorkeur een die een lange levensverwachting heeft en hiermee voor meerdere jaren een rol in het ecosysteem kan vervullen (bijvoorbeeld zomerlinde of zomereik). Daken en gevels De gevels en daken worden gezien als verlengde van de binnentuin, met specifieke eigenschappen en mogelijkheden voor zowel het versterken van de biodiversiteit als de woonkwaliteit. Voor het VROM-terrein wordt gekozen voor klimplanten, met een afwisseling in groei- en bloeiperiodes, en bij voorkeur ook enkele geurende soorten. Hierdoor wordt een zo lang mogelijke periode gerealiseerd waarin insecten en vlinders nectar kunnen verzamelen, en is ook sprake van een aantrekkelijke omgeving voor de bewoners. Het gevelgroen biedt ook ruimte aan (broed)vogels voor nestplaatsen, beschutting en mogelijke voedselbronnen. Alle daken worden vergroend. Op enkele daken gaat dit samen met de plaatsing van zonnepanelen. De combinatie van zonnepanelen met een groen dak zorgt voor een minder sterke opwarming van de omgeving, een verbeterde waterbuffering van hemelwater en een betere opbrengst van de PV-panelen. De groene daken worden deels afgewisseld met faunavoorzieningen door delen te bedekken met kiezels.

Er worden 50 nestkasten gerealiseerd in het bouwblok op het VROM-terrein. De nestkasten worden geclusterd in de drie doorgangen van het bouwblok. Door aanbod van een diversiteit aan nestgelegenheden met wisselende materialen en groottes van invliegopeningen, wordt voor verschillende soorten de gelegenheid geboden om van het terrein gebruik te maken. Denk hierbij aan algemene broedvogels, vlinders, bijen en overige insecten. Bij de plaatsing van de nestkasten wordt rekening gehouden met de specifieke condities die nodig zijn om de kans voor een succesvol gebruik van de nestkasten te vergroten.

5.13.3

Klimaatmitigatie

Energie Het beoogde energieconcept voor het project De Glasfabriek is een collectief bodemenergiesysteem. Bij dit systeem worden zes warme en koude bronnen gekoppeld worden aan een ringleidingnet. Dit systeem wordt vervolgens gekoppeld aan één of meerdere collectieve centrales in het gebied waarmee het systeem goed gefaseerd kan worden aangelegd. Het energieconcept staat voor een hoog energierendement en een lage CO2-uitstoot. Bovendien zijn de onderhoudskosten voor de eindgebruikers laag en kan er vanuit dit systeem zowel warmte als koude worden geleverd.

98 t (vastgesteld)

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

Afbeelding 20 Indicatieve aanduiding warmte- en koudebronnen Voor de ten gunste van dit systeem te boren bronnen is door de ontwikkelaar een waterwetvergunning aangevraagd, deze is inmiddels ook verleend (kenmerk ODH955217, d.d. 22 februari 2024). Op de bovenstaande afbeelding zijn de (indicatieve) locaties voor de warmte- en koudebronnen aangegeven, in overeenstemming met de aan de ontwikkelaar verleende waterwetvergunning.

5.13.4

Conclusie

Binnen de kaders van het bestemmingsplan is een verdere uitwerking van de concrete plannen mogelijk, en zijn eventuele verdere duurzaamheidsmaatregelen uit te werken.

5.14

Windhinder

5.14.1

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ontwikkeling is het wenselijk om te kunnen vaststellen of er een aanvaardbaar windklimaat optreedt na voltooiing van het plan, zodat duidelijk is dat geen windgevaarlijke situaties kunnen ontstaan. Windhinder op een bepaalde plek is het aantal uur per jaar dat het op deze plek harder waait dan de gestelde grens van 20 km/h. In de NEN8100 zijn hiervoor kwaliteitsklassen opgenomen. Hoe iemand het windklimaat ervaart hangt af van zijn activiteit. In een park of speeltuin is meer behoefte aan een rustiger windklimaat dan op een parkeerplaats. De norm beschrijft daarom drie activiteitsklassen. De waardering van het lokale windklimaat wordt gekwalificeerd met goed, matig of slecht. Het plangebied kent een omvang van circa vijftien hectare, en beoogd onder andere in beperkte mate vormen van hoogbouw te realiseren. Daarbij ligt het plangebied nabij de gebiedsontwikkeling Merwe-/Vierhavens, waar eveneens sprake is van ontwikkelingen met hoogbouw. Op enige afstand ten zuiden en oosten van het plangebied ligt voorts het open water b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t ( v a s t g e s t e l d ) 99

b e s t e m m i n g s p l a n Nieuw-Mathenesse G l a s b u u r t - W e s t

van de Nieuwe Maas en het havenbekken van de Merwehaven. Hoewel op enige afstand, wordt het plangebied vooralsnog niet door substantiële hoogbouw of opgaande beplanting van deze open gebieden gescheiden.

5.14.2

Relatie tot ontwikkeling

Ter onderbouwing van het bestemmingsplan en de ontwikkeling is een windhinderonderzoek uitgevoerd door Peutz (d.d. 10 november 2023, kenmerk O 16860-7-RA-003 ). Het gaat om een theoretische beschouwing van het windklimaat. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Met behulp van het Computational Fluid Dynamics (CFD) model is onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom het terrein van de voormalige glasfabriek. Deze beoordeling geeft een eerste inzicht in het te verwachten windklimaat rond de beoogde gebiedsontwikkeling. Aan de hand van onderstaande tabel 4, afkomstig uit de NEN 8100, wordt een beoordeling gegeven van de te verwachten mate van windhinder.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14773381/1