Bijlage 1 Bestemmingsplan Kop van de Singel
Tekst van het document
Tevens kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een hoogwaardig voorzieningenniveau in de directe omgeving van het plangebied. Kantoor en horeca Het programma van het plan bestaat verder uit 240 m² horeca en 2.015 m² kantoor. Op een binnenstedelijke stationslocatie en OV-knooppunt is horeca een veelvoorkomende functie. Voorzien wordt in kleinschalige horecavoorzieningen c.q. verblijfsfuncties, gericht op de gebruikers van de woontoren en de passanten in het gebied die van en naar het station gaan alsook personen die via de Schie naar het centrum wandelen. Daarbij geldt dat het toevoegen van horeca op het Stationsplein een impuls geeft aan de ontwikkeling van de stad, zoals ook in de Stadsvisie Schiedam 2030 wordt nagestreefd. Onderdeel daarvan vormt het voornemen een struingebied te realiseren langs de Schie, zodat aansluiting wordt gevonden met het centrumgebied van Schiedam. Het realiseren van horeca op deze locatie draagt daaraan bij. Het toevoegen van horeca op deze locatie leidt niet tot leegstand elders in de omgeving of de stad. Voor het kantoorprogramma binnen het plan geldt dat deze kantoorlocatie bestemd is voor Woonplus. Woonplus maakt tot het moment van de planrealisatie gebruik van haar kantoorruimte aan de Valeriusstraat 3 te Schiedam. Zodra voorliggend plan ontwikkeld is zullen zij overgaan naar het kantoor waar voorliggend plan in voorziet.
De huidige locatie van het kantoor zal vervolgens worden herontwikkeld ten behoeve van woningbouw, zoals is vastgelegd in de afsprakenbrief van
70
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
22 december 2021. Het aantal vierkante meters aan kantoorfunctie neemt ten gevolge hiervan per saldo met circa 700 m² af. Aangezien sprake is van verplaatsing van een bestaand kantoor, waarbij tevens sprake is van het verminderen van de kantooroppervlakte, is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Besluit ruimtelijke ordening en de provinciale verordening. Daarnaast geldt voor kantoren dat vanuit het provinciaal beleid gestreefd wordt naar clustering binnen de grootstedelijke top- en centrumlocaties. Ook zijn kantoren mogelijk ter plaatse van OV-knooppuntlocaties, waar de locatie gezien de ligging direct bij het Station Centrum onderdeel van uitmaakt.
5.3.3 Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is doorlopen. Geconcludeerd kan worden dat het aanbod dat wordt gerealiseerd met voorliggend initiatief aansluit op de behoefte in de regio en de stad Schiedam zelf, dan wel dat de realisatie van de functies niet leidt tot leegstand elders binnen de gemeente of de regio.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
71
bestemmingsplan Kop van de Singel
72
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Hoofdstuk 6
Juridische aspecten
6.1 Algemene juridische opzet In dit bestemmingsplan wordt de planologisch-juridische basis gelegd voor de beoogde ontwikkeling. Het bestemmingsplan heeft een belangrijke functie als toetsingskader voor bouwaanvragen en het toekomstige gebruik van de gronden en gebouwen. Het plan is opgesteld op basis van de SVBP2012 en het IMRO 2012. Op de bijbehorende verbeelding (plankaart) is te zien waar en welke bestemmingen van toepassing zijn. Eveneens is op de verbeelding de exacte omvang en ligging van het plangebied vastgelegd. De regels behorende bij het bestemmingsplan zijn gebaseerd op standaardregels van de gemeente Schiedam. De standaardregels vormen de basis voor keuzes met betrekking tot gebruik van bestemmingen en aanduidingen in het bestemmingsplan. Wijzigingen ten opzichte van deze standaardregels vloeien voort uit bepaalde situaties die zich in het plangebied voordoen. De regels zijn als volgt gestructureerd: Hoofdstuk 1 van de regels geeft de algemene bepalingen weer. Het betreft de begripsbepalingen (artikel 1) waarin de in het plan voorkomende begrippen worden gedefinieerd. In artikel 2 (wijze van meten) wordt aangegeven hoe de voorgeschreven maatvoering (zoals goothoogte, bouwhoogte, inhoud en oppervlakte) in het plan gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn de in het plan voorkomende bestemmingen geregeld.
Per bestemming is bepaald welk gebruik van de gronden is toegestaan en welke bebouwingsregels gelden. Tevens zijn waar mogelijk flexibiliteitsbepalingen opgenomen. (zie paragraaf 6.2 en 6.3). In hoofdstuk 3 staan aanvullende bepalingen die, in aanvulling op de bestemmingsbepalingen, voor het hele plangebied gelden. Hierbij kan worden gedacht aan de algemene afwijkingsregeling, die het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om op ondergeschikte punten van de regels in hoofdstuk 2 af te wijken; Hoofdstuk 4 van de regels heeft betrekking op het overgangsrecht en de slotbepaling.
6.2 Bestemmingen 6.2.1 Gemengd Deze bestemming geldt voor het hele plangebied. Deze gronden zijn bestemd voor horeca in categorie 1, kantoor en wonen. Het plan biedt gelet op een concrete behoefte ook ruimte voor 1 atelier of galerie op de begane grond. Er gelden specifieke voorwaardelijke verplichtingen met betrekking tot geluidsafscherming door Schieveste, dove gevels, waterberging en het kantoor(programma). In het kader van een omgevingsvergunning wordt getoetst of hier aan wordt voldaan.
6.2.2 Waarde - Archeologie Voor het gehele plangebied geldt één archeologische (verwachtings)waarde (zie Archeologie). De archeologische waarden worden beschermd door de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Binnen deze dubbelbestemming is in de regels een bouwverbod en een vergunningplicht gegeven voor bouw- en graafwerkzaamheden welke de in de regels genoemde oppervlakte en dieptemaat overschrijden. Een omgevingsvergunning kan pas worden verleend nadat een archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Aan het verlenen van een omgevingsvergunning kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden. Aanvullend is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waardoor deze bij het verkrijgen van nadere informatie geheel of gedeeltelijk kan worden verwijderd.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
73
bestemmingsplan Kop van de Singel
6.3 Overige bepalingen 6.3.1 Algemene aanduidingen Het plangebied ligt binnen de geluidzone van meerdere wettelijke geluidsbronnen. Deze zones zijn op de verbeelding aangeduid als 'Geluidzone'. Binnen deze zone geldt dat, in overeenstemming met de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, geen (extra) woningen mogen worden gebouwd, tenzij wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor geluid of een verkregen hogere waarde (geluid). De aanvullende werking van deze bepaling is beperkt doordat in samenhang met dit bestemmingsplan, voor zover noodzakelijk, voor deze woningen reeds hogere waarden (geluid) zijn vastgesteld.
6.3.2 Algemene afwijkingsregels In het bestemmingsplan is zoveel mogelijk met recht bestemd. In aanvulling op de afwijkingsmogelijkheden bij de individuele bestemmingen is een aantal 'Algemene afwijkingsregels' opgenomen. Om te voorkomen dat kleine meetfouten tot grote gevolgen leiden en om enigszins flexibel met maatvoeringen om te kunnen gaan, zijn afwijkingsmogelijkheden opgenomen om in geringe mate te kunnen afwijken van genoemde maten, oppervlaktes enzovoorts. Daarnaast zijn afwijkingen opgenomen ten behoeve van het oprichten van openbare nutsdoeleinden en geluidwerende voorzieningen.
6.3.3 Algemene gebruiksregels Het toegelaten gebruik van de gronden is geregeld in de individuele bestemmingen. Een aantal zaken geldt uniform voor het gehele plangebied en zijn daarom benoemd in de 'Algemene gebruiksregels'. Voor het gehele plangebied geldt dat kelder en tussenverdiepingen mogen worden gebruikt voor alle in de bovenliggende verdiepingen toegelaten functies. Voor het wonen geldt daaronder ook moet worden verstaan het gebruik voor een aan-huis-verbonden bedrijf of beroep, alsmede het gebruik voor mantelzorg.
6.3.4 Parkeren, laden, lossen en stallen Parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt de vereiste dat, om parkeerproblemen te voorkomen, voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. De hoofdregel is dat deze parkeergelegenheid wordt gerealiseerd op eigen terrein. De parkeerbehoefte wordt bepaald op basis van de in de planregels vastgestelde parkeernormen. Daarnaast geldt dat de parkeerplaatsen qua aard, plaats en inrichting bruikbaar en bereikbaar moeten zijn. De voorschriften uit het Handboek Openbare Ruimte vormen hierbij het uitgangspunt. Het bestemmingsplan voorziet in een drietal situaties waarbij het mogelijk is om binnenplans af te wijken van de hoofdregel om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Dit betreft de volgende situaties: 1. gevallen waarbij het niet mogelijk of wenselijk is de parkeergelegenheid (volledig) op eigen terrein te realiseren, en op een 'andere wijze' hierin wordt voorzien door bijvoorbeeld gebruik te maken van bestaande parkeerplaatsen in het openbaar gebied of de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen in het openbaar gebied; 2. bij gevallen waar het niet mogelijk is om voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein te realiseren en ook op een 'andere wijze' niet in voldoende parkeergelegenheid kan worden voorzien bestaat de mogelijkheid dat sprake is van uitwisselbaarheid van of het afzien van parkeerplaatsen; 3.
situaties waarbij niet kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en geen sprake is van uitwisselbaarheid, maar naar het oordeel van het college sprake is van een ontwikkeling
74
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
met een bijzonder gemeentelijk of maatschappelijk belang. Fietsparkeren Het gebruik van de fiets maakt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen ook ruimte moet worden gereserveerd voor het stallen van fietsen. Deze vereiste gold voorheen op grond van het Bouwbesluit. Gelet op het hoge fietsgebruik en om wildparkeren van fietsen te voorkomen is het wenselijk dergelijke stallingsvoorzieningen te hebben. Om die reden zijn in de planregels minimale fietsparkeernormen opgenomen.
6.3.5 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen voor het in geringe mate, doch met niet meer dan 10,0 meter, afwijken van een bestemmingsgrens of van het profiel van een weg, voor zover dit noodzakelijk is om het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein aan te passen.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
75
bestemmingsplan Kop van de Singel
76
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van 79 woningen, circa 2.015 m² kantoor en 240 m² horeca. De gemeente heeft een gronduitgifteovereenkomst gesloten met Blauwhoed als ontwikkelaar van het plan. In deze gronduitgifteovereenkomst is de gronduitgifte en het commitment van gemeente en Blauwhoed om het ontwikkelplan te realiseren geborgd. Het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan met een planologische wijziging kan in beginsel aanleiding geven tot planschade. De kans op planschade wordt gering geacht maar kan nooit helemaal worden uitgesloten. Gelet hierop is er een planschadeovereenkomst (als onderdeel van de gronduitgifteovereenkomst) met de initiatiefnemer opgesteld. Dit betekent dat eventuele gegronde planschadeclaims niet door de gemeente Schiedam financieel afgehandeld worden, maar door de ontwikkelaar.
7.2 Exploitatieplan Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 6.2.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient, indien sprake is van één van de in artikel 6.2.1 van het Bro genoemde bouwactiviteiten, een exploitatieplan te worden vastgesteld. Een exploitatieplan heeft onder meer tot doel om te komen tot een adequaat publiekrechtelijk kostenverhaal, het realiseren van een goede inrichting van de openbare ruimte door middel van het stellen van locatie-eisen en het bieden van een goede grondslag om de verdeling van woningbouwcategorieën te ondersteunen. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is, staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Daar is hier sprake van. Indien een exploitatieplan vereist is moet de gemeenteraad het exploitatieplan tegelijk vaststellen met de planologische maatregel die het bouwen mogelijk maakt. Een gemeente behoeft geen exploitatieplan op te stellen indien het kostenverhaal al op een andere manier geregeld is ('anderszins verzekerd') en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn. Die laatste situatie kan zich voordoen wanneer met alle eigenaren een overeenkomst is gesloten waarin de inrichting van de locatie en het kostenverhaal is geregeld.
Er wordt een gronduitgifteovereenkomst gesloten over de verdeling van de kosten en opbrengsten, waardoor het kostenverhaal anderszins is geregeld. Daarmee bestaat er geen aanleiding meer tot het vaststellen van een exploitatieplan.
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
77
bestemmingsplan Kop van de Singel
78
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Participatie Omwonenden en overig betrokkenen zijn door de gemeenten of de ontwikkelaar op meerdere momenten bij de voorbereiding van de planontwikkeling betrokken. In de navolgende tabel is een overzicht gegeven van de verschillende bijeenkomsten en het niveau van participatie. Omdat de ontwikkeling van de locatie kop van de Singel niet de enige ontwikkeling binnen het stationsgebied betreft, heeft derhalve tevens nadere afstemming met omliggende ontwikkelingen en de gemeente plaats gevonden. Datu m Type bijeenkomst Niveau participatie Organisator e 5 maart 2020 1 informatieavond Informeren Gemeente 15 juli 2020 2 e informatieavond Informeren en Raadplegen Ontwikkelaar september 2020 Individuele gesprekken Informeren en Raadplegen Ontwikkelaar 11 november 2020 Thema: Mobiliteit en Parkeren Informeren en Raadplegen Ontwikkelaar 18 november 2020 Thema: Spelen en Ontmoeten Informeren en Raadplegen Ontwikkelaar 18 januari 2021 Ondernemersbijeenkomst Raadplegen Ontwikkelaar 26 januari 2021 1e co-creatie Adviseren Ontwikkelaar e 11 mei 2021 2 co-creatie Adviseren en Co-produceren Ontwikkelaar Tabel 10 - Overzicht participatie Kop van de Singel
8.2 Vooroverleg In het kader van het wettelijk verplicht vooroverleg op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerp-bestemmingsplan voorgelegd aan de gebruikelijke partners, waaronder de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Delfland en overige instanties. Tegelijkertijd is het voorontwerp-bestemmingsplan voor inspraak ter inzage gelegd. In totaal zijn negen reacties binnengekomen. De resultaten van het vooroverleg zijn verwerkt in de 'Reactienota vooroverleg bestemmingsplan Kop van de Singel'. Deze nota, is als bijlage 15 bij de toelichting gevoegd en vormt de basis voor de aanpassing van het voorontwerp bestemmingsplan naar het ontwerpbestemmingsplan.
8.3 Zienswijzen (invullen na volgende fase van de procedure) Het bestemmingsplan heeft vanaf <datum> gedurende zes weken als ontwerp ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gehad om zienswijzen tegen het plan in te dienen. Naar aanleiding hiervan zijn <aantal> zienswijzen ontvangen. De ingediende zienswijzen en de reactie hierop zijn opgenomen in de 'Nota van zienswijzen bestemmingsplan Kop van de Singel'.
8.4 Beroep (invullen na volgende fase van de procedure) De vaststelling van het bestemmingsplan is op de in artikel 3.8, derde lid van de Wro voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Belanghebbenden kunnen binnen de wettelijke beroepstermijn tegen het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan beroep instellen bij de
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
79
bestemmingsplan Kop van de Singel
Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
80
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
bestemmingsplan Kop van de Singel
Bijlagen bij de toelichting
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
81
bestemmingsplan Kop van de Singel
Bijlage 1 W atersleutel
82
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
3-3-2021
Watersleutel
Watersleutel
Versie 07-2020
Beweeg cursor over begrippen voor toelichting. Blauwe vakjes invullen. Druk vervolgens op update. Projectnaam & omschrijving 3-3-2021
Naam
19 115 0 0 44
SMAAK
Watersysteem polder Schiedam-oost
polder/boezem gemaalcapaciteit peilgebied
26.0
mm/etmaal
PRK2013SDO I
kaart
Oppervlakteverdeling plangebied
HUIDIG
TOEKOMSTIG
Stedelijk verhard infrastr./bebouwing
m²
1370
2142
onverhard stedelijk
m²
772
0
verhard glasgebied
m²
0
0
onverhard glasgebied
m²
0
0
Huidig, actueel klimaat, T100
Agrarisch glastuinbouw
Agrarisch gras, akkerbouw, natuur verhard landelijk
m²
0
0
onverhard landelijk
m²
0
0
huidig aanwezig water
m²
0
0
oppervlakte plangebied
m²
2142
Water
Totaal
Gebiedskenmerken
HUIDIG
2142 1
TOEKOMSTIG
gemiddeld maaiveld
NAP m
-0.43
-0.43
maatgevend peil
NAP m
-2.42
-2.42
m
1.99
1.99
gemiddelde drooglegging
Ontwikkeling, klimaat 2050, T100
Oppervlaktewater in m² Totaal extra te realiseren huidig aanwezig totaal te realiseren aandeel plangebied
Ontwikkeling
Klimaat 2050
151
116
0
0
35
151
116
35
7.0%
5.4%
1.6%
Waterberging in m³ Totaal
https://watertoetsportaal.hhdelfland.nl/watersleutel/index.htm
Ontwikkeling
Klimaat 2050
1/2
3-3-2021 extra te realiseren
Watersleutel 90.5
69.6
20.9
Grafieken dienen alleen ter verduidelijking van de principes
https://watertoetsportaal.hhdelfland.nl/watersleutel/index.htm
2/2
bestemmingsplan Kop van de Singel
Bijlage 2 Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan Kop van de Singel (vastgesteld)
85
RAPPORT C20-292-O
Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van de Kop van de Singel te Schiedam.
Capelle aan den IJssel, 10 augustus 2020
Opdrachtnemer: Arnicon B.V. Opdrachtgever: Contactpersoon : Boormeester: Protocol: Rapportage: Controle:
Gemeente Schiedam, Team Vergunning en Handhaving Postbus 1501 3100 EA Schiedam De heer A.G. Van Vliet F.E. Fierens, R.F. Engelse BRL SIKB 2000-2001/2002 B. Tokyay E. Schoen
CAPELLE A/D IJSSEL Molenbaan 7 2908 LL Capelle a/d IJssel T. 010 2582 300
APPINGEDAM Kanaalweg 1 9902 AX Appingedam T. 059 6693 600
www.arnicon.nl
INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK................................................................ 1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Doel van het onderzoek Kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid Rapportage
1 1 1 1
2. RESULTATEN VOORONDERZOEK ................................................................................ 2 2.1 2.2 2.3 2.4
Inleiding Resultaten Hypothese Onderzoeksstrategie
2 2 5 5
3. RESULTATEN BODEMONDERZOEK .............................................................................. 6 3.1 Veldwerk 3.2 Chemisch-analytisch onderzoek 3.3 Analyseresultaten
6 7 9
4. SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ...............................................12 4.1 Samenvatting 4.2 Conclusies 4.3 Aanbevelingen
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Regionale overzichtskaart Detailtekening Boorstaten Analysecertificaten grond Analysecertificaten grondwater Toetsing conform BoToVa en Toetsingswaarden Arnicon groep, kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
12 13 13
1. INLEIDING EN DOEL VAN HET ONDERZOEK 1.1
Inleiding
Door Gemeente Schiedam is aan Arnicon B.V. de opdracht verstrekt tot uitvoering van een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 ter plaatse van de Kop van de Singel te Schiedam. Voor de situering van de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de bijlagen 1 en 2. De locatie, met een totale oppervlakte van ca. 2.175 m², is momenteel in gebruik als parkeerterrein en trapveldje, met daartussen een grasstrook met voetpad. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door overdracht van het perceel en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woon/werkgebouw met parkeerkelder. 1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Het onderzoek wordt zodanig uitgevoerd, dat een milieuhygiënische beoordeling kan worden gegeven ten aanzien van het (toekomstige) gebruik van de locatie. Het onderzoek dient tevens om een indicatie te krijgen van de hergebruikmogelijkheden van grond die zal vrijkomen bij de nieuwbouw. Het bepalen van de omvang van een eventueel aan te treffen verontreiniging valt buiten het kader van het verkennend onderzoek. 1.3
Kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid
Kwaliteitswaarborg De Arnicon Groep en haar medewerkers zijn sinds 2007 door Rijkswaterstaat Leefomgeving/ Bodem+ (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) erkend voor het verrichten van diensten vallend onder diverse BRL SIKB protocollen waarmee wordt voldaan aan de wet en regelgeving KWALIBO. De Arnicon Groep is eveneens gecertificeerd voor de kwaliteits- en veiligheidsnormen zoals gesteld in de NEN-EN-ISO 9001:2015 en VCA**. Onafhankelijkheid De Arnicon Groep en haar medewerkers zijn op geen enkele wijze gelieerd aan de opdrachtgever en/of eigenaar van de onderzoekslocatie. De Arnicon Groep heeft geen enkel (financieel) belang bij het weergeven van de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie over de kwaliteitswaarborg en onafhankelijkheid wordt verwezen naar bijlage 7. 1.4
Rapportage
In dit rapport worden achtereenvolgens de resultaten van het vooronderzoek met hypothese en onderzoeksopzet (hoofdstuk 2) en de resultaten van het bodemonderzoek (hoofdstuk 3) beschreven. Het rapport wordt afgesloten met de conclusies van het onderzoek en de (eventuele) aanbevelingen, die daaruit voortvloeien (hoofdstuk 4).
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
1
2. RESULTATEN VOORONDERZOEK 2.1
Inleiding
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is informatie verzameld over het vroegere en huidige gebruik van de locatie en de directe omgeving. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse norm NEN 5725, "Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek", oktober 2017. 2.2
Resultaten
Locatiebeschrijving De locatie wordt kadastraal aangeduid als gemeente Schiedam, sectie I, nr. 6311 (gedeeltelijk). De locatie is gelegen aan de Kop van de Singel te Schiedam in het oude stadscentrum, schuin tegenover het Stationsplein (noordoost) en wordt begrensd door de Overschiesestraat (west), Overschieseweg (noord), Singel (oost) en Overschiesedwarsstraat (zuid). De locatie heeft een oppervlakte van circa 2.175 m². De locatie is onbebouwd en wordt momenteel grotendeels gebruikt als parkeerterrein en trapveldje, met daartussen een grasstrook met voetpad. Aan de westzijde van het parkeerterrein staat een trafohuis en aan de oostzijde bevinden zich ondergrondse vuilcontainers. Langs de zuid- en oostzijde van het trapveldje liggen dicht met lage struiken begroeide groenstroken.
Foto 1: parkeerterrein, blik in noordelijke richting
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
Foto 2: vuilcontainers, blik in zuidwestelijke richting
2
Foto 3: trapveldje, blik in zuidoostelijke richting
Foto 4: zuidelijke hoek van de locatie, blik in noordelijke richting
Historische ontwikkeling / voormalig gebruik Op topografische kaarten uit de periode 1850-1910 zijn kleine diverse (bedrijfs)panden zichtbaar. De omliggende percelen zijn gedeeltelijk bebouwd. Na 1910 tot omstreeks eind jaren ’60 van de vorige eeuw is op de gehele onderzoekslocatie woningen zichtbaar. Begin jaren ’70 is de onderzoekslocatie in gebruik genomen als parkeerterrein, waarna in 2007 het grasveldje zichtbaar wordt. Uit de DCMR site en de door de gemeente toegestuurde BIS-lijst blijkt dat op de locatie diverse historische verontreinigende activiteiten, waaronder een smederij (1888-…), golfkartonfabriek (1920-…), kistenfabriek (1924-…), glasfabriek (1925-…), chemische grondstoffen en chemicaliëngroothandel (1930-1979), dieselpompinstallatie (1930-…), autoreparatiebedrijf (1949-…), benzineservicestation (1949-…), metaalgieterij (1950-…), timmerwerkplaats (1953-…) en schroothandel (1961-…) hebben plaatsgevonden. Ten zuiden van de locatie, aan de overzijde van de Overschiesedwarsstraat, heeft zich in het verleden een benzine-servicestation en autoreparatiebedrijf bevonden (1938-1964). Brandstoftanks Op de website van de DCMR (www.dcmr.gisinternet.nl) is geen informatie aangetroffen waaruit blijkt dat er op de locatie ondergrondse tanks hebben gelegen.
Ten zuiden van de locatie, aan de overzijde van de Overschiesedwarsstraat, heeft zich in het verleden een benzine-servicestation bevonden. Kabels en leidingen Volgens de KLIC-melding met nr. 20G408888 zijn er op de onderzoekslocatie enkele kabels en leidingen aanwezig. Ophogingen/slootdempingen Uit bestudering van historische en recente topografische kaarten blijkt niet dat op de locatie een sloot heeft gelegen (www.topotijdreis.nl). In het kader van bouwrijp maken of verzakkingen is de omgeving en de locatie opgehoogd met stedelijk ophooglaag. Maaiveldverhardingen Het parkeerterrein is verhard met klinkers. Het maaiveld van het trapveldje bestaat uit kunstgras. Onder het kunstgras ligt lavalith met daaronder bodem. Het maaiveld ligt aan de Singel ongeveer een halve meter lager dan aan de Overschiesestraat.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
3
Terreininspectie Het hieraan voorafgaande is mede gebleken bij de visuele inspectie van de locatie d.d. 23 juli 2020. Voor het overige zijn geen bijzonderheden naar voren gekomen. Asbest Op basis van de verzamelde informatie valt op de locatie geen asbesthoudend materiaal op of in de bodem te verwachten. Eventueel aanwezige puinhoudende grond is in beginsel echter wel asbestverdacht. Actief bodembeheer De gemeente Schiedam heeft een bodembeheerplan (BBP) met bodemkwaliteitskaart opgesteld. De ontgravingskaart voor de bovengrond tot 0,5 m-mv geeft aan dat op en rond de locatie klasse ‘’Wonen’’ wordt verwacht. De ontgravingskaart van de ondergrond (0,5-2,0 m-mv) geeft aan deze grond naar verwachting ‘’niet toepasbaar’’ is. PFAS PFAS is in het Nederlandse milieubeleid opgenomen in de lijst met Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat alle bovengrond en geroerde grond diffuus belast kan zijn met PFAS. Met ingang van 8 juli 2019 dient bij elk grondverzet en alle partijkeuringen in Nederland rekening te worden gehouden met PFAS. Hiertoe is een advieslijst opgesteld met 30 verbindingen waarop onderzocht dient te worden.
Bodemonderzoek Uit www.dcmr.gisinternet.nl en de BIS-uitdraai van de gemeente Schiedam is gebleken dat in ter plaatse van de locatie (geregistreerd als Overschiesedwarsstraat 80) de volgende bodemonderzoeken zijn verricht: 1) Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overschiesestraat 80 te Schiedam, Lexmond B.V., rapport nr. 01.22710/PV, 1 oktober 2001; Tijdens het onderzoek (1) zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten aan olie gemeten. In de ondergrond zijn matig verhoogde gehalten aan koper en licht verhoogde gehalten aan lood, zink, kwik en PAK gemeten. In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten gemeten. 2) Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Overschiesestraat 80 te Schiedam, Mol Ingenieursbureau B.V., rapport nr. onbekend, 26 september 2005; Tijdens onderzoek (2) zijn in de grond licht bijmengingen met puin en/of kooltjes waargenomen. In de grond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PAK gemeten. Het grondwater is niet onderzocht. Ter plaatse van het voormalige benzinestation aan de Overschiesedwarsstraat 1-3 is in 1991 door Ramil een sterke grondwaterverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten aangetoond. Ook kwik werd boven de interventiewaarde gemeten. De grond was sterk verontreinigd met lood en koper en matig verontreinigd met minerale olie.
In 1993 is aanvullend onderzoek verricht door Ramil en is een saneringsplan opgesteld door Oranjewoud (ref. JN/BWM136/44007). De verontreiniging is in 1993 gesaneerd. Uit het evaluatierapport van Oranjewoud (ref. 4276-32879) blijkt dat 273 ton grond is ontgraven. In de putwand (buiten de locatie) zijn restverontreinigingen met lood en koper achtergebleven. In 2013 is vastgesteld dat geen nazorg nodig is (kenmerk 13uit092914). Verder is in de omgeving van de locatie (Oostsingel/Villastraat/Oosterstraat) een sterke verontreiniging met koper, lood en zink aangetroffen in een koolas-, slakken- en sintelshoudende laag (0,5-1,0 m-mv). Deze verontreiniging is gesaneerd d.m.v. ontgraving.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
4
Bodemopbouw Onder de ophooglaag van circa 1,5 meter bevindt zich de holocene deklaag met een dikte van 16 m, opgebouwd uit slecht doorlatende klei- en veenlagen. De freatische grondwaterspiegel kan worden aangetroffen vanaf een diepte van circa 1,5 m-mv. Het freatische grondwater is zoetwater. De stromingsrichting van het freatische grondwater wordt beïnvloed door lokale factoren, zoals oppervlaktewateren, de ligging van rioleringen, de aanwezigheid van zandlichamen (bijvoorbeeld kabel- en leidingtracés, funderingen) en drainage. Bovenstaande informatie is afkomstig uit TNO-grondwaterkaarten en www.dinoloket.nl. Toekomstig gebruik Op de locatie is de bouw van een nieuw markant stadsgezicht gepland (hoogbouw), met woon- en bedrijfsfuncties. Waarschijnlijk wordt het gebouw voorzien van een parkeerkelder tot circa 4,5 m-mv. 2.3
Hypothese
Op basis van de beschikbare informatie wordt de stedelijk ophooglaag ter plaatse van de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging beschouwd als verdacht voor diffuse bodemverontreiniging met heterogene verdeling. Te verwachten stoffen zijn zware metalen, PAK, PCB, minerale olie en asbest. De locatie wordt als niet-asbestverdacht aangemerkt. 2.4
Onderzoeksstrategie
Het onderzoek wordt uitgevoerd conform de strategie “verdacht heterogeen niet lijnvormig” (VED-HE-NL), zoals omschreven in de NEN 5740:2009 en NEN 5740/A1:2016 “Bodem – Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond”. In aanvulling op de norm en op verzoek van de opdrachtgever worden alle boringen doorgezet tot minimaal 1,5 m-mv en in verband met de aan te leggen kelder worden enkele boringen doorgezet tot 5 m-mv. In verband met de verwachte afvoer van grond worden tevens analyses op PFAS uitgevoerd. Indien tijdens het veldwerk puinbestanddelen worden aangetroffen in de bodem, wordt in aanvulling op het verkennend bodemonderzoek een indicatief asbestonderzoek verricht.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
5
3. RESULTATEN BODEMONDERZOEK 3.1
Veldwerk
Het veldwerk is op 23 juli 2020 uitgevoerd door F.E. Fierens en R.F. Engelse (erkend veldwerker SIKB 2000 – 2001) van Arnicon B.V. Daarbij zijn verspreid over de locatie handboringen verricht (de boringen nrs. 01 t/m 14). De boringen zijn uitgevoerd met een Edelmanboor. Voor de boringen ter plaatse van het trapveldje is het kunstgras plaatselijk uitgesneden. Het boorgat van boring 08 is benut voor de plaatsing van een peilbuis (peilbuis 08). Boring 01 is gestuit op puin op een diepte van 0,70 m-mv. De situering van de boringen is weergegeven op bijlage 2. Tijdens het veldwerk is gebleken dat de bovengrond tot 0,5 m-mv bestaat uit siltig zand. De ondergrond bestaat tot 1,5 à 2,0 m-mv uit siltig zand en daaronder tot de geboorde einddiepte uit siltige klei. De grondwaterstand is tijdens de uitvoering van de boringen waargenomen op een diepte van 1,5 m-mv. Voor een meer nauwkeurige weergave van het bodemprofiel wordt verwezen naar bijlage 3. Zintuiglijke waarnemingen grond Onder het kunstgras is als fundatiemateriaal een laagje van circa 8 cm lavalith aangetroffen. Dit materiaal wordt niet als verdacht beschouwd. In 8 van de 14 boringen zijn bij zintuiglijk onderzoek bijmengingen met baksteen, resten beton en resten slakken waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal.
De tijdens het veldwerk waargenomen afwijkingen en bijzonderheden zijn weergegeven in tabel 1. TABEL 1: ZINTUIGLIJK WAARGENOMEN BIJZONDERHEDEN Boring
Diepte boring (m-mv)
Traject (m-mv)
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
01 02 03 06
0,70 1,50 1,50 5,00 5,00 1,50 3,00 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50 1,50
0,50-0,70 0,80-1,20 1,00-1,50 1,00-1,50 1,50-2,00 1,00-1,50 1,00-1,50 0,02-0,10 1,30-1,50 0,02-0,10 0,02-0,10 1,30-1,60 1,60-,80 1,30-1,50
Zand Zand Klei Zand Zand Klei Zand Lavalith Klei Lavalith Lavalith Klei Klei Klei
Matig baksteenhoudend Resten baksteen, resten beton Resten baksteen Resten baksteen Resten baksteen Resten baksteen Resten baksteen Resten baksteen Resten baksteen, resten slakken Matig baksteenhoudend Zwak baksteenhoudend, resten slakken
07 08 11 12 13
14
Van de baksteenhoudende ondergrond is in het veld een mengmonster samengesteld ten behoeve van asbestonderzoek. Het monster is niet genomen conform NEN 5707. De resultaten van dit onderzoek dienen daarom als indicatief te worden beschouwd.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
6
Grondwater De bemonstering van het grondwater is uitgevoerd op 31 juli 2020 door R.F. Engelse van Arnicon B.V. (erkend veldwerker SIKB 2000 - 2002). In tabel 2 is een overzicht gegeven van de peilbuisgegevens en zintuiglijke waarnemingen en metingen aan het grondwater. TABEL 2: METINGEN GRONDWATER Peilbuis
Filterdiepte (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
Zuurgraad (pH)
Geleidbaarheid (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
08
2,00-3,00
0,86
6,7
1.861
9,8
Afwijkingen van de protocollen Het veldwerk is uitgevoerd onder procescertificaat van de BRL SIKB 2000. Er zijn geen afwijkingen. 3.2
Chemisch-analytisch onderzoek
Meng- en analyseprogramma Het meng- en analyseprogramma voor de onderzochte grond- en grondwatermonsters is weergegeven in tabel 3. In deze tabel corresponderen de monsternummers met de boringnummers en zijn de dieptetrajecten aangegeven, waaruit de monsters afkomstig zijn. Tevens is in deze tabel de samenstelling van de monsters vermeld. TABEL 3: (MENG-) EN ANALYSEPROGRAMMA GROND EN GRONDWATER (Meng-) monstercode MM1 MM2 MM3 MM4 MM5
MM6
PFAS-1
PFAS-2
MMasb
Boring / peilbuis nummers met (filter-) diepte in m-mv
Bodemmateriaal
Analyses grond
Analyses grondwater
01 (0,07-0,50), 02 (0,07-0,30) 03 (0,00-0,50), 04 (0,07-0,50) 05 (0,07-0,57), 06 (0,07-0,50) 07 (0,00-0,50), 08 (0,07-0,50) 09 (0,05-0,50), 11 (0,10-0,30) 13 (0,10-0,50), 14 (0,05-0,50) 01 (0,50-0,70), 02 (0,80-1,20) 06 (1,00-1,50), 06 (1,50-2,00) 08 (1,00-1,50) 04 (1,50-2,00), 04 (2,00-2,50) 04 (2,50-3,00), 06 (2,00-2,50) 06 (2,50-3,00), 10 (1,50-2,00) 10 (2,00-2,50), 10 (2,50-3,00) 13 (1,80-2,30), 13 (2,50-3,00) 04 (3,00-3,50), 04 (4,00-4,50) 04 (4,50-5,00), 06 (3,00-3,50) 06 (3,50-4,00), 06 (4,50-5,00) 10 (3,00-3,50), 10 (4,00-4,50) 10 (4,50-5,00), 13 (4,00-4,50) 01 (0,07-0,50), 02 (0,30-0,80) 04 (0,07-0,50), 06 (0,07-0,50) 08 (0,07-0,50), 08 (0,50-1,00) 09 (0,05-0,50), 12 (0,10-0,50) 13 (0,10-0,50), 14 (0,05-0,50) 02 (1,20-1,50), 03 (1,00-1,50) 04 (1,00-1,50), 07 (0,50-1,00) 07 (1,00-1,50), 10 (1,00-1,50) 12 (0,50-1,00), 13 (0,50-1,00) 14 (0,50-1,00), 14 (1,30-1,50) MMasb (1,00-1,50) boring 03, 06, 07, 08, 11, 13, 14
Zand, zwak siltig
STAP-1
-
Zand, zwak siltig
STAP-1
-
Zand, zwak siltig
STAP-1
-
Zand, zwak siltig, baksteenhoudend
STAP-1
-
Klei, matig siltig
STAP-1
-
Klei, matig siltig
STAP-1
-
Zand, zwak siltig
PFAS
-
Klei, matig siltig
PFAS
-
Klei, zand, baksteenhoudend
Asbest-G
-
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
7
STAP-1=
standaardpakket grond inclusief organische stof en lutum: 9 zware metalen, PAK (10 VROM), PCB (som 7) en minerale olie (C10-C40) STAP-W= standaardpakket grondwater: 9 zware metalen, vluchtige aromaten (BTEXN+styreen), vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen (VOCl; 16 st. inclusief vinylchloride), chloorbenzenen, bromoform en minerale olie
Het chemisch-analytisch onderzoek is uitgevoerd door SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam en de analysecertificaten zijn bijgevoegd als bijlage 4 (grond) en 5 (grondwater). SYNLAB is geaccrediteerd volgens de door de Raad van Accreditatie gestelde criteria voor testlaboratoria conform ISO/IEC 17025:2005 en erkend door Rijkswaterstaat Leefomgeving/ Bodem+ (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) voor 'Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek' (AS3000). Toetsingskader De analyseresultaten zijn conform BoToVa voor de interventiewaarde getoetst aan de toetsingswaarden zoals vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (Staatscourant 27 juni 2013, nr. 16675) en voor de achtergrondwaarde aan het Besluit bodemkwaliteit (Staatscourant 20 december 2007, nr. 247). In bijlage 6 zijn de toetsingswaarden weergegeven voor standaardbodem (10% organische stof, 25% lutum).
Om de mate van verontreiniging aan te geven, wordt de volgende terminologie gehanteerd: niet verhoogd: gehalte lager dan of gelijk aan de Achtergrondwaarde (AW) of de Streefwaarde (S) licht verhoogd: gehalte hoger dan de Achtergrondwaarde of de Streefwaarde, maar lager dan of gelijk aan de tussenwaarde (½{AW+I} of ½{S+I}) matig verhoogd: gehalte hoger dan de tussenwaarde, maar lager dan of gelijk aan de Interventiewaarde (I) sterk verhoogd: gehalte hoger dan de Interventiewaarde Saneren Bodemverontreiniging veroorzaakt na 1987 dient volgens het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming zo spoedig mogelijk en zo volledig mogelijk ongedaan te worden gemaakt. De mate van verontreiniging is in deze gevallen niet zo zeer van belang. Het tijdstip van veroorzaken is bepalend voor de verplichting tot saneren. Bodemverontreiniging die geheel of grotendeels is veroorzaakt voor 1987 wordt in het kader van de Wet bodembescherming beschouwd als “historisch”. Voor een historisch geval wordt de saneringsnoodzaak beoordeeld aan de hand van het volumecriterium. Wanneer in een bodemvolume van meer dan 25 m3 of 100 m3 grondwater de interventiewaarde wordt overschreden voor één of meer stoffen is volgens de Wet bodembescherming sprake van een geval van ernstige verontreiniging. Indien er sprake is van onaanvaardbare risico’s dient de verontreiniging met spoed te worden gesaneerd.
Ernstige verontreinigingen die niet met spoed hoeven te worden gesaneerd, dienen op enig moment te worden gesaneerd, meestal in het kader van herinrichting. Asbest Sinds 1 januari 2003 is de interventiewaarde voor asbest van kracht. Het is een gewogen norm van 100 mg/kg (de serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). Er bestaat geen achtergrondwaarde voor asbest in grond. De restconcentratie- of hergebruiknorm is per 1 maart 2003 eveneens vastgesteld op 100 mg/kg d.s. (gewogen concentratie).
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
8
Voor 1 januari 2003 werd bij beoordelen van de verontreinigingsgraad onderscheid gemaakt tussen hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest. Hier is vanaf gestapt omdat hechtgebonden asbest door bewerking, verwering e.d. kan worden omgezet in niethechtgebonden asbest. Voor het beoordelen van actuele gezondheidsrisico's blijft het onderscheid wél van belang. PFAS Op 8 juli 2019 is het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” verschenen waarin voorlopige toepassingsnormen voor PFOS en PFOA zijn gegeven. In de geactualiseerde versie van het Tijdelijk handelingskader van 29 november 2019 is het toetsingskader uitgebreid met tijdelijke landelijke achtergrondwaarden, welke op 2 juli 2020 naar boven zijn bijgesteld. Het betreft hier voorlopige toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem. Voor de definitieve normstelling moeten ook de resultaten bekend zijn van nog lopend onderzoek naar de mobiliteit, uitloging, bio-accumulatie en het gedrag van PFAS in grondwater. Voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem zijn de toepassingsnormen afgeleid van een rapportage van het RIVM over de risicogrenzen van de tot de PFAS-stofgroep behorende stoffen PFOA, PFOS, GenX en “andere PFAS” voor de bodemfuncties landbouw/natuur, wonen en industrie. 3.3
Analyseresultaten
Aan de hand van de analyseresultaten (zie bijlagen 4 en 5 voor de certificaten) en de voor grond omgerekende gehalten zijn overschrijdingstabellen samengesteld. In deze tabellen zijn per monster de overschrijdingen van de achtergrondwaarde (AW), de streefwaarde (S), de interventiewaarde (I) of de toetsingswaarde voor nader onderzoek aangegeven. Voor de toetsingstabellen conform BoToVa wordt verwezen naar bijlage 6. TABEL 4: OVERSCHRIJDINGSTABEL GROND Analysemonster
Traject (m -mv)
> AW (+index)
> T (+index)
> I (+index)
Toetsing Bbk / LMW
MM1
01 (0,07-0,50), 02 (0,07-0,30) 03 (0,00-0,50), 04 (0,07-0,50) 05 (0,07-0,57), 06 (0,07-0,50) 07 (0,00-0,50), 08 (0,07-0,50) 09 (0,05-0,50), 11 (0,10-0,30) 13 (0,10-0,50), 14 (0,05-0,50) 01 (0,50-0,70), 02 (0,80-1,20) 06 (1,00-1,50), 06 (1,50-2,00) 08 (1,00-1,50) 04 (1,50-2,00), 04 (2,00-2,50) 04 (2,50-3,00), 06 (2,00-2,50) 06 (2,50-3,00), 10 (1,50-2,00) 10 (2,00-2,50), 10 (2,50-3,00) 13 (1,80-2,30), 13 (2,50-3,00) 04 (3,00-3,50), 04 (4,00-4,50) 04 (4,50-5,00), 06 (3,00-3,50) 06 (3,50-4,00), 06 (4,50-5,00) 10 (3,00-3,50), 10 (4,00-4,50) 10 (4,50-5,00), 13 (4,00-4,50)
Cadmium (0,02) Kobalt (0,03) PCB (0,02) -
-
-
WO / WONEN
-
-
AW / NATUUR
PCB (0,01)
-
-
AW / NATUUR
Koper (0,22) Kwik (0,00) Lood (0,45) Zink (0,17) PCB (0,05) Koper (0,01) Lood (0,03)
-
-
IND / WONEN
-
-
AW / NATUUR
Nikkel (0,08)
-
-
AW / NATUUR
MM2 MM3 MM4 MM5
MM6
> AW >T >I index LMW
: > Achtergrondwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (GSSD - AW) / (I - AW); GSSD = gestandaardiseerde meetwaarde (voor 10% o.s. en 25% lutum) Lokale Maximale Waarden Schiedam
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
9
TABEL 5: TOETSING PFAS Monstercode
PFAS-1 gehalte in µg/kg ds
SOM PFOA
0,14
AW
0,26
AW
SOM PFOS
0,49
AW
0,73
AW
Overige PFAS
<d
AW
<d
AW
AW = WO = <d =
PFAS-2 gehalte in µg/kg ds
voldoet aan de toepassingsnorm voor de functie landbouw/natuur voldoet aan de toepassingsnorm voor de functie wonen/industrie gehalte(n) lager dan detectiegrens
TABEL 6: ASBEST IN GRONDMONSTERS (gehalten in mg/kg d.s.) Monster
concentratie serpentijnasbest
concentratie amfiboolasbest
gewogen concentratie
toetsing aan de interventiewaarde
hechtgebonden J/N
MMasb
5,9
<2
5,9
-
J
TOETSING: de gewogen concentratie is kleiner of gelijk aan de interventiewaarde >I de gewogen concentratie is groter dan de interventiewaarde
TABEL 7: OVERSCHRIJDINGSTABEL GRONDWATER Grondwatermonster
Filterdiepte (m -mv)
> S (+index)
> T (+index)
> I (+index)
08-1-1
2,00-3,00
Barium (0,31) Naftaleen (0,00)
-
-
>S >T >I index
: > Streefwaarde : > Tussenwaarde : > Interventiewaarde : (MW - S) / (I - S); MW = meetwaarde
Interpretatie Uit tabel 4 blijkt dat in de zintuiglijk schone zandige bovengrond (MM1, MM2 en MM3) licht verhoogde gehalten aan cadmium, kobalt en PCB zijn gemeten. In de baksteenhoudende zandige ondergrond (MM4) zijn licht verhoogde gehalten aan koper, kwik, lood, zink en PCB gemeten. In de kleiige ondergrondmengmonsters (MM5 en MM6) zijn licht verhoogde gehalten aan koper, lood en nikkel gemeten. De aangetoonde lichte verontreinigingen zijn waarschijnlijk het gevolg van een diffuse bodembelasting, wat dikwijls voorkomt in stedelijk gebied. Bij toetsing aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is de zandige bovengrond tenminste toepasbaar als klasse ‘’wonen’’. De zandige ondergrond (baksteenhoudend) is toepasbaar als klasse ‘’industrie’’ en de kleiige ondergrond is ‘’altijd toepasbaar’’. Bij toetsing aan de Schiedamse Lokale Maximale Waarden voldoen de mengmonsters MM1 en MM4 aan klasse ‘’wonen’’ en alle overige aan klasse ‘’natuur’’.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
10
Uit tabel 5 blijkt dat in het mengmonster gehalten PFOA (som) en PFOS (som) zijn aangetoond die voldoen aan de geactualiseerde Tijdelijke Landelijke Achtergrondwaarden van2 juli 2020. De toepasbaarheid van de grond wordt derhalve niet beïnvloed door PFAS. Voor bijzonderheden ten aanzien van de toepassing van PFAS-houdende grond wordt verwezen naar het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” (geactualiseerde versie van 2 juli 2020). Uit tabel 6 en het analysecertificaat in bijlage 4 blijkt dat in het mengmonster van de baksteenhoudende bodemlagen 1 fragment hechtgebonden plaatmateriaal is aangetroffen. Het betreft chrysotiel asbest. Het gewogen gehalte aan asbest is 5,9 mg/ kg d.s. Dit gehalte ligt ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/ kg d.s. en tevens beneden de lokale maximale waarde voor natuur en volkstuinen (10 mg/kg d.s.). Het gewogen gehalten aan asbest geeft geen aanleiding voor nader onderzoek. Op de locatie of in de omgeving is geen sprake geweest van asbesthoudende toepassingen. De voormalige woningen op de locatie en in de omgeving dateren niet uit de periode 1955-1990, waarbij asbest werd toegepast. Uit tabel 7 blijkt dat in het grondwater licht verhoogde gehalten aan barium en naftaleen zijn gemeten.
Het verhoogde gehalte aan barium in het grondwater is niet te relateren aan (voormalige) activiteiten op de locatie. Barium komt in heel Nederland dikwijls in verhoogde gehalten voor in het grondwater zonder duidelijke oorzaak. Het verhoogde gehalte aan naftaleen betreft een marginale overschrijding van de streefwaarde en komt voor in het grondwater zonder aanwijsbare bron of oorzaak.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
11
4. SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 4.1
Samenvatting
Aanleiding en doel Door Gemeente Schiedam is aan Arnicon B.V. de opdracht verstrekt tot uitvoering van een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 ter plaatse van de Kop van de Singel te Schiedam. De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door overdracht van het perceel en de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woon/werkgebouw met parkeerkelder. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is inzicht te verkrijgen of en in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de locatie geleid kan hebben tot verontreiniging van de bodem. Tevens dient inzicht te worden verkregen in de kwaliteit van de bij de bouw vrijkomende grond. Vooronderzoek en hypothese Op basis van de beschikbare informatie wordt de stedelijk ophooglaag ter plaatse van de locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging beschouwd als verdacht voor diffuse bodemverontreiniging met heterogene verdeling. Te verwachten stoffen zijn zware metalen, PAK, PCB, minerale olie en asbest. Verkennend bodemonderzoek Tijdens het veldwerk is gebleken dat de bovengrond tot 0,5 m-mv bestaat uit siltig zand. De ondergrond bestaat tot 1,5 à 2,0 m-mv uit siltig zand en daaronder tot de geboorde einddiepte uit siltige klei. De grondwaterstand is waargenomen op een diepte van 0,86 m-mv. De fundatie onder het kunstgrasveld bestaat uit een laagje van ongeveer 8 cm lavalith.
Dit materiaal is niet als verdacht aangemerkt en derhalve (in overleg met de opdrachtgever) niet onderzocht. Bij zintuiglijk onderzoek zijn in 8 van de 14 boringen bijmengingen met baksteen, resten beton en resten slakken waargenomen aan het opgeboorde bodemmateriaal tot een diepte van maximaal 2,0 m-mv. Uit laboratoriumonderzoek is gebleken dat in zowel boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten aan diverse zware metalen en PCB’s zijn gemeten. Bij toetsing aan de normen van het Besluit Bodemkwaliteit voldoen de grondmonsters aan klasse industrie (puinhoudend zand uit de ondergrond), klasse wonen (zintuiglijk schoon zand bovengrond) en klasse achtergrondwaarde (zintuiglijk schoon zand bovengrond en schone klei ondergrond). Getoetst aan de Schiedamse Lokale Maximale Waarden voldoen twee mengmonsters aan klasse Wonen en de vier overige mengmonsters aan klasse Natuur. In het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en naftaleen gemeten. Er is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen in het opgeboorde bodemmateriaal. Van de baksteenhoudende grond is in het veld een mengmonster samengesteld ten behoeve van asbestonderzoek. Het monster is niet genomen conform NEN 5707. De resultaten van dit onderzoek dienen daarom als indicatief te worden beschouwd. In het mengmonster is 1 fragment hechtgebonden plaatmateriaal aangetroffen. Het betreft chrysotiel asbest.
Het gewogen gehalte aan asbest is 5,9 mg/ kg d.s. Dit gehalte ligt ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/ kg d.s. en tevens beneden de Lokale Maximale Waarde voor natuur en voor volkstuinen (10 mg/kg d.s.). Betrouwbaarheid De onderzoeksresultaten worden representatief geacht voor de bodemkwaliteit van de locatie. Voor de betrouwbaarheid van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
12
4.2
Conclusies
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd, dat de hypothese "verdacht" voor bodemverontreiniging wordt bevestigd. De gemeten licht verhoogde gehalten aan zware metalen en PCB’s waren te verwachten en geven geen aanleiding tot het verrichten van een nader onderzoek of het nemen van saneringsmaatregelen. De locatie wordt geschikt geacht voor de beoogde bestemming (combinatie wonen en bedrijven). Onder het kunstgrasveld ligt circa 8 cm lavalith. Dit materiaal wordt als niet verdacht aangemerkt. De geringe concentratie asbest (5,9 mg/kg d.s.) in de puinhoudende ondergrond ligt beneden de Lokale Maximale Waarde voor natuur en voor volkstuinen (10 mg/kg d.s.) en geeft geen aanleiding tot nader onderzoek. 4.3
Aanbevelingen
Aan hergebruik van licht verontreinigde grond zijn beperkingen verbonden. Dit geldt met name voor hergebruik buiten de onderzoekslocatie in een hoeveelheid groter dan 50 m3. Wanneer bij de bouw- en/of herinrichting meer dan 50 m3 grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, dient in principe te worden gehandeld conform het Besluit bodemkwaliteit. De gemeente waar de grond wordt toegepast is hierbij het bevoegd gezag. Op basis van het Schiedamse bodembeleid is alle van de locatie vrijkomende grond in Schiedam tenminste als klasse wonen toepasbaar.
Rapport C20-292-O / 10-08-20 / Kop van de Singel te Schiedam
13