Transitievisie Warmte Schagen
Tekst van het document
• Stap 1: Buurt- of wijkanalyse
De eerste stap bestaat uit een analyse van de bestuurlijke, financiële en technische kaders en de fysieke en sociale kenmerken van de buurt of wijk. Het vormt de onderbouwing voor een bestuurlijke opdracht om een uitvoeringsplan op te stellen voor een buurt of wijk.
• Stap 2: Projectplan
Op basis van de wijkanalyse kan een projectplan, startnotitie of principenota worden opgesteld. In het projectplan wordt het proces vastgelegd om tot een uitvoeringsplan te komen.
Pagina 27 van 62
• Stap 3: Opstellen uitvoeringsplan
Vervolgens kan het uitvoeringsplan worden opgesteld. Het opstellen van een uitvoeringsplan vraagt om keuzes langs verschillende sporen: bestuurlijk, juridisch, ruimtelijk, communicatief, technisch, financieel. Voor elk van deze sporen zijn in dit stappenplan nuttige bronnen opgenomen die meer informatie geven.
• Stap 4: Vaststellen
De laatste stap is het vaststellen van het uitvoeringsplan als programma onder de Omgevingswet door het college van burgemeester en wethouders.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat het uitvoeringsplan wordt opgesteld in samenspraak met betrokken stakeholders en de inwoners. Gedurende alle fases vindt dus participatie plaats. Verder is het van belang ook de interne organisatie goed op orde te hebben.
7.3
Wat kunnen woningeigenaren nu al doen?
Woningeigenaren kunnen nu al veel doen om hun woning te isoleren en klaar te maken voor een aardgasvrije toekomst. Daarmee levert de woningeigenaar niet alleen een bijdrage aan het milieu, maar krijgt deze ook een comfortabelere woning, een lagere energierekening en een beter verkoopbaar pand. Er bestaat al een scala aan mogelijkheden voor technische hulp, bijvoorbeeld via het Duurzaam Bouwloket, en financiële ondersteuning, bijvoorbeeld via duurzaamheidsleningen of subsidies. Ook marktpartijen benaderen regelmatig particuliere woningeigenaren met bijvoorbeeld installatiediensten. Toch blijft het voor woningeigenaren vaak lastig om een goed plan te maken voor de benodigde maatregelen, een goede aannemer of installateur te vinden en de financiering te regelen. In BIJLAGE 2 is een kort overzicht opgenomen van de maatregelen die particuliere woningeigenaren nu al kunnen treffen. Voor een uitgebreid overzicht zie www.milieucentraal.nl.
Figuur 8-2
7.4
Milieu Centraal heeft onder meer een stappenplan gemaakt om toe te werken naar aardgasvrij wonen (bron: milieucentraal.nl).
Communicatie en participatie
Als onderdeel van de uitvoeringsplannen stellen we een communicatie- en participatieplan op. Hierin beschrijven we hoe we inwoners, ondernemers en betrokken partijen informeren en betrekken. We verwachten in ieder geval de volgende middelen in te zetten:
• Website van de gemeente: via de website houden we de inwoners en andere partijen onder meer op de hoogte van de voortgang van de warmtetransitie, de buurtaanpak en de mogelijkheden om zelf stappen te zetten.
• Participatieplatform SamenSchagen.nl: op SamenSchagen.nl kunnen inwoners en ondernemers hun ideeën delen en actief samenwerking met elkaar zoeken.
Pagina 28 van 62
• Klankbordgroepen: bij het opstellen van de uitvoeringsplannen richten we klankbordgroepen van inwoners en
ondernemers in. Daarbij streven we naar een zo representatief mogelijke vertegenwoordiging van de buurten.
• Enquêtes: we gebruiken enquêtes om de standpunten en ideeën van inwoners en ondernemers op te halen. • Sociale media, nieuwsbrieven en informatiekranten: we informeren inwoners en ondernemers regelmatig via de reguliere mediakanalen.
7.5
Financiering en betaalbaarheid
Op dit moment worden subsidieregelingen en een groot aantal wetten herzien die van grote invloed zijn op de warmtetransitie (onder meer de Warmtewet, Elektriciteitswet, Wet markt en overheid, Wet toezicht financiële markten en diverse belastingwetten). Dit kan gevolgen hebben voor de rol als gemeente in de warmtetransitie en voor de betaalbaarheid van maatregelen. Voor eigenaren van woningen en gebouwen zullen er de komende jaren andere vormen van financiering beschikbaar komen. Voor woning- en gebouweigenaren bestaan er nu al verschillende mogelijkheden voor financiële ondersteuning, zowel in de vorm van subsidies als duurzaamheidsleningen. Dit zijn onder andere:
• ISDE-regeling (particuliere woningeigenaren): subsidie voor het treffen van isolatiemaatregelen of de aanschaf van installaties.
• SAH-regeling (woningcorporaties, particuliere verhuurders en institutionele beleggers): subsidie voor de aansluiting van huurwoningen op een extern warmtenet. De subsidie is zowel voor aanpassingen in de woningen als voor de aansluitkosten op het warmtenet.
• Nationaal Warmtefonds (particuliere woningeigenaren en vve’s): dit biedt langjarige financiering tegen een aantrekkelijke rente voor woningeigenaren en vve’s voor de verduurzaming van woningen.
7.6
Monitoring
Om te volgen of de warmtetransitie op schema ligt, hoeveel woningen al voldoende zijn geïsoleerd en aardgasvrij zijn gemaakt, maken we een dashboard dat we ontsluiten via de website van de gemeente. Iedereen kan hier zien welke woningen en gebouwen al zijn verduurzaamd en welke nog moeten.
Pagina 29 van 62
Bijlagen
Tabel A
asdfasdf
Technisch en financiële analyse
BIJLAGE 1
De technische en financiële analyse richt zich op het in beeld brengen van haalbare warmte-alternatieven voor de afzonderlijke buurten en op de volgorde waarin de buurten van het gas zouden kunnen gaan. In de analyse presenteren we de resultaten van warmtekansen en de kosten. Er is bekeken wat de meekoppelkansen zijn ten aanzien van kosten en warmtebronnen.
1.1
Warmtekansen
De warmte die normaal uit aardgas wordt gehaald, kan uit allerlei alternatieve bronnen worden gewonnen, bijvoorbeeld uit de lucht, de bodem, oppervlaktewater, biomassa en restwarmte uit de industrie. Daarnaast zou ook groen gas (biogas) en in een verdere toekomst mogelijk ook waterstofgas ingezet kunnen worden. In deze analyse is onderzocht welke alternatieven voor aardgas in de gemeente Schagen beschikbaar zijn. Daarbij is gekeken wat er nu al kan en welke technieken de komende tien jaar ingezet kunnen worden. Voor ieder warmtealternatief is bepaald of deze warmte van hoge temperatuur (hoger dan 80 °C), midden temperatuur (50 tot 70 °C) of lage temperatuur (lager dan 50 °C) kan leveren. Goed geïsoleerde woningen hebben bijvoorbeeld genoeg aan warmtevraag op lage temperatuur. Slechter geïsoleerde panden hebben een hoge warmtevraag, hier zijn alleen warmtealternatieven toepasbaar die een midden of hoge temperatuur kunnen leveren. Daarnaast is voor ieder warmtealternatief bepaald of de warmte via een collectieve voorziening, zoals een warmtenet, naar de panden moet worden gebracht, of dat ieder pand een eigen individuele voorziening kan krijgen. Sommige warmtealternatieven zijn zowel collectief als individueel toepasbaar.
De alternatieve warmtebronnen in Schagen zijn in BIJLAGE 1.A op zogenaamde warmtekansenkaarten gezet en tevens is een overzichtstabel toegevoegd met de potentie van de warmtebronnen. In TABEL A-1 is een samenvatting gegeven. Legenda Beschikbaar / technisch kansrijk Beperkt beschikbaar / technisch minder kansrijk Nauwelijks beschikbaar / niet kansrijk
Temperatuurniveau van de warmtebron
Warmtebronnen geschikt voor aansluiting op warmtenet (collectief)
Warmtebronnen zonder aansluiting op warmtenet (individueel)
Hogetemperatuurwarmte (HT)
Groen gas (in de toekomst mogelijk waterstof), biomassa (houtpellets, reststromen)
Groen gas (in de toekomst mogelijk waterstof), biomassa (houtpellets, reststromen)
Aardwarmte (geothermie) Middentemperatuurwarmte (MT)
Restwarmte van bedrijven
Zonnewarmte (met opslag)
Oppervlaktewater (aquathermie) Zonnewarmte (met opslag)
Lagetemperatuurwarmte (LT)
Tabel A-1
Restwarmte van bedrijven
Zonnewarmte (met opslag)
Zonnewarmte (met opslag)
Luchtwarmte
Bodemwarmte (WKO)
Bodemwarmte (WKO)
Oppervlaktewater (aquathermie)
Oppervlaktewater (voor appartementen, kantoren)
Afvalwater (riothermie)
Afvalwater (voor blokverwarming, kantoren)
Overzicht beschikbare alternatieve warmtebronnen in Schagen
Toelichting op de tabel:
• Biomassa en groen gas: onder biomassa worden snoeihout, bermmaaisel en groen afval uit de agrarische sector verstaan. Dit kan worden verstookt in een biomassaketel. Groen gas kan worden gemaakt uit bijvoorbeeld mest en kan direct als alternatief voor aardgas worden gebruikt. Biomassa en groen gas zien we alleen als geschikt alternatief als er lokale reststromen uit bosbeheer of de agrarische sector zijn en deze ook daadwerkelijk voor verwarming gebruikt kunnen worden.
Pagina 32 van 62
In Schagen is nauwelijks bos. De agrarische sector kan een aanzienlijke hoeveelheid groen gas produceren. De beschikbare agrarische reststromen worden meestal al voor andere doeleinden gebruikt en kunnen dan niet voor de verwarming van panden worden ingezet. Landelijk wordt de grootschalige inzet van biomassa en groen gas niet als haalbaar gezien in de periode tot 2030. Op lange termijn, vrijwel zeker niet voor 2030, is waterstof mogelijk een geschikt alternatief voor aardgas. Voor de korte termijn vallen waterstoftoepassingen echter nog in de categorie ‘niet kansrijk’.
• Aardwarmte (geothermie): dit is warmte die op een grote diepte (meerdere kilometers) uit de aarde wordt gewonnen.
Op basis van de huidige geologische gegevens lijkt de gemeente Schagen geschikt hiervoor. De rijksoverheid is op dit moment bezig met een grootschalig onderzoek naar aardwarmte en dit moet meer zicht geven op de werkelijke kansen. De ontwikkelkosten en risico’s voor geothermieprojecten zijn hoog en het gaat om grote collectieve projecten van vaak minimaal 5.000 woningen die op een warmtenet moeten worden aangesloten.
• Restwarmte: dit is warmte die overblijft bij bedrijfsmatige en industriële processen. De mogelijk beschikbare restwarmte is
in Schagen geconcentreerd bij het de asfaltcentrale Ooms Producten, het slachthuis en Blankendaal Coldstores. Deze kunnen mogelijk lagetemperatuurwarmte (20-40° C) leveren. Als alle bronnen operationeel kunnen worden gemaakt, kunnen deze ca. 200 woningen via een warmtenet verwarmen. De warmte die overige bronnen van restwarmte kunnen leveren, zoals supermarkten, is te klein om een rendabel project te maken.
• Aquathermie: dit is warmte die uit oppervlaktewater wordt gewonnen. Deze warmtebron is kansrijk, met name in de
buurten langs de kanalen, het Schagerwiel en het meer van Dirkshorn. Dit zijn de buurten Waldervaart, Groeneweg, Nesdijk, Nes-Noord, Hoep-Noord, Kolksluis, ’t Zand, Sint Maartensvlotbrug en Dirkshorn. In de bebouwde omgeving is aquathermie economisch haalbaar vanaf ca. 50 woningen of voor een groot kantoor of een bedrijfspand. Ook moet het oppervlaktewater op niet meer dan 500 à 1.000 meter afstand van de panden liggen, anders worden de kosten voor de warmteleiding te hoog. Een aquathermieproject is het meest rendabel als de warmte in lage temperatuur (maximaal 40° C) aan goed geïsoleerde panden wordt geleverd, zoals de meest recent gebouwde woningen met energielabel A of B. Met extra warmtepompen kan ook middentemperatuurwarmte (70° C) worden verkregen en zo kunnen ook minder geïsoleerde woningen worden verwarmd. Aquathermie gaat vrijwel altijd samen met een warmtekoudeopslag (WKO) in de bodem. Aquathermie heeft de potentie om ca. 4.000 woningen te verwarmen. Bij de ontwikkeling van aquathermie moeten de milieueffecten van met name de temperatuur van het retourwater op de ecologie worden getoetst.
• Riothermie: dit is warmte die met name bij gemalen en waterzuiveringen wordt gewonnen. Riothermie is in Schagen
beschikbaar bij het gemaal in Schagen-Noord dat het afvalwater naar de rioolwaterzuivering Stolpen pompt. De rioolwaterzuiveringen Stolpen en Geestemerambacht zijn zelf niet geschikt vanwege de te grote afstand tot de bebouwing in de gemeente Schagen. Met de warmte uit het gemaal kunnen ca. 100 woningen van warmte worden voorzien.
• Zonnewarmte: in zonnecollectoren op een dak of in een veld wordt water door de zon opgewarmd. Dit warme water
wordt opgeslagen in een zonneboiler, en om ook warm water in de winter te hebben, kan het warme water ondergronds worden opgeslagen in de bodem of in een vat. Vooral de opslag van de warmte in de winter is vaak nog een technisch en financieel struikelblok voor zonnewarmte.
• Bodem- en luchtwarmte: de warmte wordt uit de bodem of uit de lucht gewonnen en door middel van een elektrische
warmtepomp omgezet in warmte voor het pand. Luchtwarmtepompen zijn vooral voor individuele woningen geschikt en bodemwarmte-pompen kunnen voor individuele panden en clusters van panden worden ingezet.
1.2
Isolatie
Het isoleren van woningen en gebouwen is de eerste en meest cruciale stap in de warmtetransitie. Isolatie van de vloer, het dak en de gevel (spouwmuur), HR++-glas en het dichten van kieren leveren energiebesparing op. Idealiter wordt de isolatie conform de Standaard voor woningisolatie aangebracht (zie PARAGRAAF 3.1). Isolatie is niet alleen goed voor de portemonnee (lagere maandelijkse energielasten), maar draagt ook bij aan verlaging van de uitstoot van broeikasgassen. Daarnaast zorgt het voor een verbetering van het wooncomfort. Ook is isoleren voor veel woningen en gebouwen een voorwaarde om later de overstap naar een aardgasvrije warmteoplossing te kunnen maken. Voor een warmtepomp als alternatieve warmteoplossing (all-electric) moet het pand goed geïsoleerd zijn. Extra isolatie kan ook aan de orde zijn om oude en slecht geïsoleerde woningen op een warmtenet aan te sluiten. Soms is ook aanpassing van radiatoren nodig om op een aardgasvrije oplossing over te stappen. Tot slot betekent betere isolatie (o.a. kierdichting) dat inwoners voor een gezond binnenklimaat aandacht moeten besteden aan de wijze waarop de woning geventileerd wordt. Aanvullend op de isolatiemaatregelen gaat iedereen uiteindelijk elektrisch koken om aardgasvrij te worden. Ook daar moeten de woningen op worden voorbereid.
Pagina 33 van 62
Standaard en streefwaarden voor woningisolatie Als onderdeel van het Klimaatakkoord hebben overheidspartijen, de bouwsector en belangenorganisaties gezamenlijk de zogenaamde standaard voor woningisolatie opgesteld. Het rapport ‘Standaard en streefwaardes bestaande woningbouw’ heeft de minister van BZK op 18 maart 2021 aan de Tweede Kamer gepresenteerd . De Standaard voor woningisolatie is bedoeld om huiseigenaren (verhuurders en kopers) te laten weten hoe ze hun woningen kunnen isoleren. Idealiter wordt isolatie aangebracht conform de Standaard. De Standaard voor woningisolatie geeft aan wanneer een woning goed geïsoleerd is en hoeveel warmte dan nog nodig is om de woning te verwarmen. Daarbij is een niveau gekozen dat als toekomst-vast (en daarmee ‘no regret’) kan worden beschouwd, in die zin dat de betreffende woning later, bij aansluiting op duurzame bronnen met een lagere temperatuurwarmte, niet nogmaals voor 2050 geïsoleerd hoeft te worden en ingrijpende aanpassing van de warmteafgiftesystemen zoveel mogelijk wordt voorkomen. De Standaard is er voor naoorlogse woningen op gericht om de woningen met warmte van lage temperatuur (minder dan 50° Celsius) te verwarmen. Voor vooroorlogse woningen zijn de eisen minder streng en is de isolatie gericht op verwarming met middentemperatuurwarmte (ongeveer 70 °C).
Soms wordt een woning niet in één keer aangepakt, maar worden bijvoorbeeld alleen de ramen en kozijnen vervangen, of wordt alleen de vloer geïsoleerd. Daarom zijn er ook zogenaamde ‘streefwaarden’ afgesproken. De streefwaarde is de isolatie die je nodig hebt voor elk apart onderdeel van het huis: dak, vloer, gevels, ramen en deuren. Als elk deel apart is geïsoleerd, geeft dat samen ook voldoende isolatie om de woning aan te sluiten op een andere warmtebron.
1.3
Warmteoplossingen per buurt
Per buurt is bepaald welke warmteoplossing de laagst maatschappelijke kosten met zich meebrengt. De warmteoplossingen zijn afgeleid uit de strategieën in de startanalyse van PBL. Deze strategieën, S1 t/m S5, zijn in FIGUUR A-1 weergeven met een omschrijving van de strategie, de strategiecode, schillabel en omschrijving van de strategie. Een nadere beschrijving van de strategieën, inclusief een schematische conceptuele uitwerking, is te vinden in BIJLAGE 1.B. Voor de berekening van de kosten voor de inzet van een strategie hanteren we de uitgangspunten van VestaMais. Op basis van de warmtekansenkaart in BIJLAGE 1.C is bepaald welke strategieën per buurt (S1 t/m S3) haalbaar zijn. Alleen voor de technisch haalbare varianten zijn de kosten gepresenteerd. Voor de opties met restwarmte en aquathermie is een maximumafstand van 500 meter tussen de bron en de wijk aangehouden. De strategieën S4 (groen gas) en S5 (waterstof) zijn niet meegenomen, omdat de verwachting is dat deze niet voor 2030 zullen worden ingezet. De kosten zijn berekend voor de onderstaande drie varianten. Per variant is berekend wat de extra kosten zijn voor het duurzaam verwarmen van de panden ten opzichte van de kosten voor de huidige verwarming met gas (o.b.v. het prijspeil in 2030). Deze extra kosten betreffen de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om een buurt van duurzame
Pagina 34 van 62
Figuur A
Figuur A-1
Overige gebouwen in Schagen.
Overige gebouwen in Schagen.
warmte te voorzien, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Dit worden de totale maatschappelijke meerkosten genoemd. Daarbij is niet bekeken wie die kosten betaalt. Een deel van deze kosten komt ten laste van de bewoner of de eigenaar van een bedrijfspand en een ander deel dragen bijvoorbeeld netbeheerders en overheden. In de kostenkentallen zijn afschrijvingstermijnen voor bijvoorbeeld isolatiemaatregelen en netwerken verwerkt. In feite wordt ervan uitgegaan dat er ieder jaar een vast bedrag voor de nieuwe warmtevoorziening wordt betaald, bijvoorbeeld in de vorm van een extra hypotheek of een aflossing van een lening uit een warmtefonds.
Wat zeggen deze kostenberekeningen? De berekeningen zijn uitgevoerd om de buurten en verschillende varianten financieel met elkaar te vergelijken, als een van de indicatoren voor de uiteindelijke keuze van het meest geschikte warmtealternatief. Belangrijke kanttekening is dat opgevoerde bedragen niet te absoluut moeten worden genomen. De werkelijke kosten kunnen in de praktijk behoorlijk afwijken door lokale omstandigheden, zeker als op woningniveau wordt gekeken. Denk aan hogere aanlegkosten van warmtenetwerken als gevolg van beperkte ruimte in het openbare gebied of andere isolatiekosten als gevolg van afwijkende woningkarakteristieken.
De drie varianten zijn:
• Referentievariant zonder of met beperkte extra isolatie
Deze variant gaat uit van de huidige staat van de panden. Alleen de slechtst geïsoleerde panden worden geïsoleerd tot maximaal energielabel D. De panden worden aangesloten op een MT-warmtenet. Dit komt overeen met de VestaMais-strategieen S2d t/m S2f en S3f t/m S3h
• Collectieve variant na isolatie
Uitgangspunt is dat de panden eerst worden geïsoleerd tot label B en daarna worden aangesloten op een warmtenet. Dit komt overeen met de VestaMais-strategieen S2a t/m S2c en S3a t/m S3e.
Pagina 35 van 62
• Individuele variant na isolatie
Uitgangspunt is dat de panden eerst worden geïsoleerd tot minimaal label B. Daarna worden de panden voorzien van een eigen pandgebonden warmtevoorziening in de vorm van een luchtwarmtepomp of bodemwarmtepomp. Dit komt overeen met de VestaMais-strategieen S1a en S1b.
In het los meegeleverde Excel-bestand zijn alle strategieën en varianten berekend. In BIJLAGE 1 is een samenvatting gegeven en per variant de strategie met de laagste kosten gepresenteerd.
Conclusies
Uit de analyse komt het volgende beeld naar voren:
• Voor nagenoeg alle buurten komt de individuele all-electricvariant als het meest voordelig uit de bus, maar voor de meeste buurten geldt ook dat de collectieve variant (na isolatie) nauwelijks duurder is.
• Op basis van de technische en financiële criteria zijn de meest kansrijke startbuurten: Nes-Noord, Nolmerban, Hoep-
-Noord, Witte Paal en Warmenhuizen-Zuid eventueel aangevuld met Schagen-Centrum-Zuid en Hoep-Zuid. Ook voor deze buurten is de individuele all-electricvariant het meest voordelig, maar is de collectieve variant (na isolatie) met een warmtenet gevoed door een WKO en aquathermie niet veel duurder.
• In de bovengenoemde buurten, met uitzondering van Nolmerban, is ook de referentievariant nauwelijks duurder. Dat betekent dat de panden blijkbaar al voldoende geisoleerd zijn om van het gas af te gaan.
1.4
Prioritering buurten
In de Transitievisie Warmte wordt bepaald welke buurten het meest kansrijk zijn om als eerste aardgasvrij te maken en welke buurten volgen. Deze prioritering hoeft niet alleen op technische en financiële criteria te worden gebaseerd, ook andere factoren kunnen hierbij een rol spelen, zoals socio-economische factoren, het percentage huurwoningen, duurzaamheid, de aanwezigheid van actieve burgers of natuurlijke momenten zoals de vervanging van riolering of het gasnet. Door het CBS is een energiematrix opgesteld voor Schagen waarin verschillende socio-economische factoren zijn opgenomen. Daarnaast hebben de gemeente, Wooncompagnie en Liander informatie aangedragen over hun vervangings- en renovatieopgave. Al deze informatie is toegevoegd aan het Excel-bestand en voorzien van weegfactoren. Met alle partijen die aan het proces deelnemen, kan worden bepaald welke factoren het meeste gewicht krijgen. Uiteindelijk leidt dat tot een eindscore per buurt en een prioritering. Hieronder volgt een toelichting op drie factoren: de verduurzamingsopgave van Wooncompagnie, de vervangingsopgave van Liander en de nieuwbouwopgave. Daarnaast is een vergelijking met de studie van HVC-Greenvis gemaakt.
Verduurzamingsopgave Wooncompagnie
De panden van Wooncompagnie zijn een aantrekkelijk startpunt voor de ontwikkeling van de warmteoplossingen, zeker als de corporatie een groot aantal panden in bezit heeft in een bepaalde buurt. In totaal zijn er circa 3.700 Wooncompagniepanden, hiervan is 95% sociale huur en de overige 5% heeft een andere functie. De percentages huurwoningen per buurt zijn aangegeven in de Excel-tabel.
Figuur A-2
Verdeling energielabels pandenbestande gemeente Schagen.
De panden zijn vrijwel allemaal gevestigd in Schagen en omliggende dorpen, en niet in het buitengebied, zoals te zien in FIGUUR 2-1. Van de totale hoeveelheid panden heeft de meerderheid energielabel B, A, A+ en A++. Circa 40% van de panden beschikt nog over een label C of D. Wooncompagnie verwacht dat alle panden binnen enkele jaren aan energielabel B voldoen. Een klein deel van de woningen is al van het aardgas af. Dit betreft twintig woningen in een pilotproject in Warmenhuizen.
Pagina 36 van 62
Figuur A-3
Energielabels panden Wooncompagnie.
Vervangingsopgave Liander
Liander hanteert een flexibele planning voor het vervangen van de gasnetten. Als het gasnet in een bepaalde buurt economisch is afgeschreven, betekent dat niet dat het gelijk wordt vervangen. Dat gebeurt alleen als het net gevoelig is voor schade. Bij de vervanging van het gasnet zoekt Liander contact met de gemeente en wordt bekeken of er een alternatieve warmtevoorziening verwacht wordt en of het gasnet nog nodig is in de toekomst. In de Excel-tabel zal per buurt de gemiddelde ouderdom van het gasnet worden aangegeven. Dit geeft een indicatie wanneer het net economisch is afgeschreven en voor vervanging in aanmerking komt.
Nieuwbouwopgave
In Schagen staat een aantal kleinschalige nieuwbouwprojecten gepland. De woningen worden niet meer op het gas aangesloten en deze projecten kunnen een startpunt zijn voor de verduurzaming van de bestaande woningen in de omgeving. Voor de nieuwbouwwoningen kan bijvoorbeeld een collectief warmtenet aangelegd worden waarop ook omliggende woningen worden aangesloten. Dit vergroot de kans op een haalbare businesscase.
Pagina 37 van 62
Vergelijking onderzoek HVC-Greenvis
In 2018 heeft Greenvis in opdracht van HVC een onderzoek gedaan naar kansrijke clusters voor een collectieve warmtevoorziening. De twee kansgebieden staan in FIGUUR A-4. Het betreft 1) de buurt Nes-Noord en delen van Groenweg-Noord, Groeneweg-Zuid en Nesdijk, en 2) de buurt Schagen-Centrum-Zuid. De genoemde buurten komen ook uit de voorliggende technische en financiële analyse als kansrijk uit de bus voor een collectief warmtenet. Maar zoals aangegeven, is ook een individuele all-electricoplossing kansrijk.
Figuur A-4
Kansrijke clusters voor een collectieve warmtevoorziening (bron: Greenvis-HVC).
Pagina 38 van 62
BIJLAGE 1.A Analyse
warmtealternatieven
De kosten in de tabel op de volgende pagina’s betreffen de totale maatschappelijke meerkosten per woning per jaar. Per variant is berekend wat de extra kosten zijn voor het duurzaam verwarmen van de panden ten opzichte van de kosten voor de huidige verwarming met gas (o.b.v. het prijspeil in 2030). Deze extra kosten betreffen de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn om een buurt van duurzame warmte te voorzien, inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. De berekeningen zijn uitgevoerd om de buurten en verschillende varianten financieel met elkaar te vergelijken; als een van de indicatoren voor de uiteindelijke keuze van het meest geschikte warmtealternatief. Belangrijke kanttekening is dat opgevoerde bedragen niet te absoluut moeten worden genomen. De werkelijke kosten kunnen in de praktijk behoorlijk afwijken door lokale omstandigheden
Pagina 39 van 62
Pagina 40 van 62
Pagina 41 van 62
BIJLAGE 1.B Startanalyse
aardgasvrije buurten
Per buurt is bepaald welke warmteoplossing de laagst maatschappelijke kosten met zich meebrengt. De warmteoplossingen zijn afgeleid uit de strategieën in de startanalyse van PBL. Strategieën S1 t/m S3 zijn omschreven met een schematische conceptuele uitwerking.
S1
In variant 1a worden elektrische lucht/water-warmtepompen ingezet, bestaande uit een buitenunit met luchtcollector en een binnenunit met warmtepomp. De buitenunit is bevestigd aan het gebouw of staat nabij het gebouw. Buitenlucht is hier de belangrijkste warmtebron; de warmtepomp wordt aangedreven met elektriciteit. In variant 1b worden elektrische water/water-warmtepompen ingezet, bestaande uit een bodemcollector met warmtewisselaar en een binnenunit met warmtepomp. De bodemcollector wordt onder of nabij de woning aangebracht in de bodem. Bodemwarmte is hier de belangrijkste warmtebron; de warmtepomp wordt aangedreven met elektriciteit.
1a,b
S2
Voor buurten met een nabijgelegen bestaande (of geplande) warmtebron – bijvoorbeeld een industriële restwarmtebron – wordt in variant 2a berekend wat de kosten zouden zijn van het voeden van het warmtenet vanuit deze bron. De gemeente wordt geacht zelf na te gaan of dit een bron is die op lange termijn (verduurzaamd) warmte kan blijven leveren. Om de kosten te kunnen berekenen, wordt een aanname gedaan over de plek waar deze warmtebron wel en niet wordt ingezet. Deze aanname wordt onderbouwd met een rentabiliteitsafweging, waarbij wordt gestreefd naar zo laag mogelijke nationale kosten. In variant 2b en 2c wordt berekend wat de kosten zouden zijn van het voeden van een warmtenet met een nieuw te realiseren geothermie-installatie. Hierbij wordt in variant 2b gebruikgemaakt van de warmtekansenkaart, waarbij buurten in minder kansrijke gebieden transportkosten maken om vanuit kansrijke gebieden warmte te halen. In variant 2c worden de transportkosten en het gebruik van de kansenkaart buiten beschouwing gelaten. Ongeacht de positie van een gebied op de kansenkaart van bodemgeschiktheid voor geothermie, vereist een definitief oordeel over de werkelijke bodemgeschiktheid altijd nader onderzoek.
Er is op landelijk niveau momenteel onvoldoende informatie beschikbaar over bodemgeschiktheid om op basis van bureaustudie zonder meer te kunnen vaststellen in hoeverre geothermie op een bepaalde locatie haalbaar is. Om deze reden is ervoor gekozen een extra strategie met geothermie door te rekenen, waarbij de huidig beschikbare inschattingen over bodemgeschiktheid buiten beschouwing zijn gelaten. In variant 2d wordt berekend wat de kosten zouden zijn van het voeden van een warmtenet met een nieuw te realiseren bio-WKK-installatie. Hierbij worden voor warmte geen transportkosten gerekend, omdat wordt aangenomen dat de installatie in of bij de buurt kan worden geplaatst. Pagina 42 van 62
2a
2b,c
2d
Pagina 43 van 62
S3
Variant 3a is de laagtemperatuurwarmte afkomstig van een (industriële) restwarmtebron en wordt de warmte via een nieuw te ontwikkelen laagtemperatuurwarmtenet bij woningen en gebouwen afgeleverd op LT-niveau (30°C) en binnen woning en gebouw met een individuele combiwarmtepomp opgewaardeerd naar de juiste temperatuurniveaus voor ruimteverwarming (50°C) en warm tapwater. Plaatsing van individuele warmtepompen in alle woningen en gebouwen vereist een verzwaring van het elektriciteitsnet in de buurt. In variant 3b is laagtemperatuurwarmte afkomstig van een (industriële) restwarmtebron en wordt de warmte met een collectieve warmtepomp in temperatuurniveau verhoogd naar 70°C en via een nieuw te ontwikkelen laagtemperatuurwarmtenet bij woningen en gebouwen afgeleverd. Hiermee kan direct worden voorzien in ruimteverwarming en warm tapwater. Dankzij toepassing van de collectieve warmtepomp vereist deze variant geen verzwaring van het elektriciteitsnet in de buurt.
3a
3b
Voor variant 3c is de laagtemperatuurwarmte afkomstig van een (industriële) restwarmtebron en wordt de warmte met een collectieve warmtepomp in temperatuurniveau verhoogd en bij woningen en gebouwen afgeleverd op 50°C. De aanvoer van warmte is daarmee direct geschikt voor toepassing voor ruimteverwarming binnen woningen en gebouwen. Bestaande radiatoren worden vervangen door LT-radiatoren. Voor warm tapwater wordt een boosterwarmtepomp ingezet. Omdat het merendeel van de warmte op gecentraliseerd niveau in temperatuurniveau wordt verhoogd met een collectieve warmtepomp vereist deze variant geen verzwaring van het elektriciteitsnet in de buurt. In variant 3d is laagtemperatuurwarmte afkomstig uit een WKO-bron en wordt de warmte met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd naar een temperatuurniveau geschikt voor ruimteverwarming bij aflevering op 50°C en wordt deze via een nieuw te ontwikkelen warmtenet bij woningen en gebouwen afgeleverd. Bestaande radiatoren worden vervangen voor LT-radiatoren. Voor warm tapwater maken afnemers gebruik van individuele boosterwarmtepompen. Op collectief niveau wordt een droge koeler toegepast voor regeneratie van de WKO. Dankzij toepassing van de collectieve warmtepomp vereist deze variant geen verzwaring van het elektriciteitsnet in de buurt
Pagina 44 van 62
3c
3d
Varianten 3e,f,g,h zijn warmtenetten met een laagtemperatuurbron, WKO en in combinatie met thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) of enkel het gebruik van LT-warmtebron met aflevering op 70 °C. Laagtemperatuurwarmte afkomstig uit een WKO-bron wordt met een collectieve warmtepomp opgewaardeerd naar MT-niveau (70°C) en wordt via een nieuw te ontwikkelen warmtenet bij woningen en gebouwen afgeleverd. Hierdoor kunnen de bestaande radiatoren in gebruik blijven en kan direct in de vraag naar warm tapwater worden voorzien. Voor regeneratie van de WKO wordt omgevingswarmte uit oppervlaktewater gewonnen. Dankzij toepassing van de collectieve warmtepomp vereist deze variant geen verzwaring van het elektriciteitsnet in de buurt.
3e,f,g,h
Pagina 45 van 62
BIJLAGE 1.C Warmtekansenkaarten
Pagina 46 van 62
Warmtekansenkaarten: Aqua- en riothermie
Tweede Water
Noord-Hollands Kanaal Schagerwiel
Meer van Dirkshoorn
Abstkolk
Gemeentegrens Schagen
Riothermie Riool en Gemalen (TEA) (Warmteatlas)
Koude uit Gemalen/Stuwen (Warmteatlas) Aquathermie Open Water (TEO) (Warmteatlas) Riothermie RWZI (Warmteatlas) 0
Pagina 47 van 62
1
2
4 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Bodemenergie - Geothermie
0,3 - 0,5 PJ/km2
0,5 - 1 PJ/km2
0,1 - 0,3 PJ/km2
Gemeentegrens Schagen Technische potentie geothermie voor woningen (ThermoGis) 0 - 0,1 PJ/km2 0,1 - 0,3 PJ/km2 0,3 - 0,5 PJ/km2 0,5 - 1 PJ/km2 1 - 1,74 PJ/km2
Pagina 48 van 62
0
1
2
4 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Restwarmtebronnen
N99
Julianadorp
Breezand
40 - Maatschap N.Q. Laan en C.N. Laan-Baken
Anna Paulowna
N9
27 - G.P. Burger Bloembollen B.V.
20 Bungalowpark
- C.W. van 't Zand 30der Hulst
Callantsoog "de Korre"
Wieringerwaard
Bloembollen B.V.
11 - Van Vuure Retail BV
Oudesluis
29 - The Lily Shop.com 28 - Zabo Plant
22 - P. Nelis en Zoon's Bloembollenkwekerij 41 - Salsa B.V.
N9
31 - Fa. A. Sneekes en Zn.
17 - RWZI Stolpen 33 - Gebroeders Hulsebosch B.V.
Schagerbrug
35 - EKOVAR Wennekers 42 Ooms Producten B.V.
39 - Samen Koken B.V. 38 - Kinderdagverblijf 14 - VOMAR BV 't Hoepeltje 36 - Green Works Buitenschoolse Opvang International B.V. 4 - Albert 5 - Aldi 13 - VOMAR BV Heijn BV 9Schagen - Deka BV 7 - Deen Winkels BV
10 - Super aan Zee
12 - VOMAR BV
Kolhorn
Barsingerhorn
1 - Albert van Zoonen BV 15 Slachthuis
Sint Maarten
N9
Petten 21 - A.A. Duineveld & Zn.
24 - Fa. G.A. Goudsblom en Zonen 25 - V.O.F. Rotteveel Burgerbrug
34 - Coöperatieve Kwekersvereniging For Ever Dirkshorn
18 - Blankendaal Coldstores BV
't Veld
6 - Deen Tuitjenhorn Winkels BV 26 Gebakken Brood
37 - Bejo Zaden B.V.
Groet
Nieuwe Niedorp
23 - Campingpark de Bongerd B.V.
19 - Bakkerij Waarland BV Beemsterboer
8 - Deen Winkels BV
Warmenhuizen 3 - Triple Meat Specials BV
2Koninklijke Vezet BV
32 - Hazera Seeds B.V.
Oudkarspel
Schoorl Noord-Scharwoude 16 - RWZI Geestmerambacht
Zuid-Scharwoude
Gemeentegrens Schagen
N9
N245
Restwarmtebronnen (WarmteAtlas/Gemeente Schagen/Omgevingsdienst) Broek op Langedijk
0
1
Koedijk Bergen Heerhugowaard
Pagina 49 van 62
2
4 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Bodemenergie - Gesloten Koude Opslag
Gemeentegrens Schagen WKO potentie voor gesloten koude opslag (Warmteatlas)
WKO aandachtsgebieden natuur (Warmteatlas) 0
Pagina 50 van 62
1,5
3
6 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Bodemenergie - Gesloten Warmte Opslag
Gemeentegrens Schagen WKO potentie voor gesloten warmte opslag (Warmteatlas)
WKO aandachtsgebieden natuur (Warmteatlas)
Pagina 51 van 62
0
1,5
3
6 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Bodemenergie - Open Koude Opslag
Gemeentegrens Schagen WKO potentie voor open koude opslag (Warmteatlas)
WKO aandachtsgebieden natuur (Warmteatlas) 0
Pagina 52 van 62
1,5
3
6 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Bodemenergie - Open Warmte Opslag
Gemeentegrens Schagen WKO potentie voor open warmte opslag (Warmteatlas)
WKO aandachtsgebieden natuur (Warmteatlas) 0
Pagina 53 van 62
1,5
3
6 Kilometers
Warmtekansenkaarten: Zonthermie
Gemeentegrens Schagen Potentie zonthermie op velden (RVO)
Potentie zonthermie op daken (> 2.000 m2) (Antea Group)
0
Pagina 54 van 62
0,75
1,5
3 Kilometers
BIJLAGE 2
Handelingsperspectief voor woningeigenaren
Deze bijlage geeft een beeld van de ‘no-regret’-maatregelen per type woning en bouwjaar. Dit geeft een algemene richting. Voor meer informatie over deze maatregelen, kijk op www.milieucentraal.nl. Voor een individueel advies over passende maatregelen, kosten en opbrengsten kan een gebouweigenaar maatwerkadvies inwinnen en zich wenden tot het Duurzaam Bouwloket.
Meergezinswoningen gebouwd vóór 1990 Portiekflats, galerijflats, portiekwoningen Individueel per woning:
• Bij aankoop van huis nagaan welke delen van de gevel nog niet zijn geïsoleerd en of dit technisch mogelijk is (meenemen in bouwkundige rapportage), nagaan hoe er wordt gekookt en of woning voldoende wordt geventileerd.
• Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70 °C staat. • Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken of aanschaf nieuw fornuis. • Vervangen van enkele beglazing door isolatieglas bij schilderbeurt (eventueel via vve) • Bij cascorenovatie de woning, indien geen spouw aanwezig, woning aan binnenzijde isoleren. • Bij plaatsen van nieuwe radiatoren deze dimensioneren op een zo laag mogelijke aanvoertemperatuur. • Bij plaatsen van een aan- of uitbouw deze isoleren op nieuwbouwniveau. • Bij verbouwing van zolder naar slaapkamers of plaatsen van dakkapel ook dak aan binnenzijde isoleren. Vve:
• Isoleren van plat dak, beganegrondvloer en spouw in combinatie met natuurlijke momenten van onderhoud. Meenemen in de meerjarenonderhoudsplanning- en begroting. Indien van toepassing opdracht verlenen aan vve-beheerder.
• Bij aankoop van huis nagaan of de vve naast geld voor noodzakelijk onderhoud ook geld reserveert / een planning heeft voor isolatie.
Meergezinswoningen gebouwd na 1990 Portiekflats, galerijflats, portiekwoningen
• Bij aankoop van huis nagaan hoe er wordt gekookt. • Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70 °C staat. • Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken of aanschaf nieuw fornuis. Eengezinswoningen gebouwd vóór 1990
Rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen
• Bij aankoop van huis nagaan welke delen van de gevel nog niet zijn geïsoleerd en of dit technisch mogelijk is (meenemen in bouwkundige rapportage), nagaan hoe er wordt gekookt en of woning voldoende wordt geventileerd.
• Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70 °C staat. • Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken of aanschaf nieuw fornuis. • Isoleren van dak, beganegrondvloer en spouw indien aanwezig. • Vervangen van enkele beglazing door isolatieglas en daar waar mogelijk spouw isoleren en de beganegrondvloer. • Bij cascorenovatie de woning, indien geen spouw aanwezig, aan binnenzijde isoleren. • Bij verbouwing van zolder naar slaapkamers of plaatsen van dakkapel ook dak aan binnenzijde isoleren. • Als zolder weinig wordt gebruikt, dan zoldervloer isoleren tussen de bestaande balken. • Bij plaatsen van nieuwe radiatoren deze dimensioneren op een zo laag mogelijke aanvoertemperatuur. • Bij plaatsen van een aan- of uitbouw deze isoleren op nieuwbouwniveau.
Pagina 55 van 62
Eengezinswoningen gebouwd na 1990
Rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen
• Bij aankoop van huis nagaan hoe er wordt gekookt. • Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70 °C staat. Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken of aanschaf nieuw fornuis.
Wat te doen bij ketelvervanging?
• All-electric
Bij ketelvervanging overwegen om warmtepomp aan te schaffen. De woning moet dan wel voldoende geïsoleerd zijn. Houd er rekening mee dat in veel gevallen ook alle radiatoren vervangen moeten worden. Bij grotere complexen overwegen om voor collectieve oplossing te kiezen via de vve.
• Gasnet en hybride
Bij ketelvervanging overwegen om een hybride warmtepomp aan te schaffen. De woning moet dan wel voldoende geïsoleerd zijn. Volledig all-electric is in enkele gevallen ook mogelijk.
Pagina 56 van 62
BIJLAGE 3
Inbreng adviesraad
De adviesraad heeft een aantal operationele adviezen gegeven:
• Start met het handhaven van de trias energetica, dus met het isoleren van woningen. • De gemeente moet niet achterover leunen, maar de inwoners stap voor stap meenemen met een realistisch verhaal.
Mensen meenemen in de babystapjes: Hoe ziet een huis in 2050 eruit? Supergeïsoleerd en zonder aardgas. Wat kunnen mensen doen om dat eindplaatje te bereiken? Laten zien waar we als Schagen naar toe willen. Wat betekent dat dan? Bij kapotte cv-ketel eerst vervangen door warmtepomp en niet eerst isoleren. Gemeente moet laten zien waar ondersteuning is.
» Communicatie: wat kunnen we nu doen en wat later? » Er wordt al zo veel gecommuniceerd, waarom gebeurt het niet? --> de gemeente pakt niet door, de gemeente moet een duidelijk doel schetsen.
» Mensen hebben behoefte aan laagdrempelige onafhankelijke helpdesk; ze zijn zwervend --> er is al een Duurzaam Bouwloket --> dat weten te weinig mensen.
» Ga deur aan deur. » Gebruik het Schager Nieuwsblad, met gastschrijvers, maak een realistisch verhaal richting de burgers. Kweek eerst besef dat het echt gaat gebeuren, dan willen en dan kunnen (moeten, willen, kunnen).
» Laat het voelen; pas als het dichtbij komt met wat het gaat kosten en wat de consequentie is. » Vestig de aandacht juist op wat mensen zouden willen --> zoek de community op, bv. zakenclub ‘t Zand en laat hen het voortouw nemen in de communicatie. Laat andere partijen het werk voor je doen.
» Organiseer een wedstrijd. » Laat realistische opties zien.
• Rol energiecoöperatie: zij willen mensen ondersteunen met energiecoaches, bij voorkeur samen met de gemeente. • Zet energiecoaches van energiecoöperaties in. • Zet de early-adaptors nog meer in de schijnwerpers, zodat mensen zien dat het kan. • Kijk goed naar voorbeelden vanuit de proeftuinen voor het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) of van andere gemeentes om de isolatie-aanpak te versnellen.
• Maak gebruik van natuurlijke momenten en leg waar mogelijk verplichtingen op. • Pilot aardgasvrij: 1) maak op kleine schaal zou twee verschillende soorten woningen aardgasvrij. Deze zullen aanstekelijk werken voor soortgelijke woningen, en 2) maak de gemeentelijke gebouwen aardgasvrij en laat deze als voorbeeld dienen voor andere gebouwen en woningen.
• Gemeente kan een monitorsysteem (dashboard) opzetten, zodat duidelijk is hoeveel en hoe goed woningen in Schagen verduurzaamd zijn. Zodoende is inzichtelijk wat er nog moet gebeuren en wat er al is gedaan.
• Met woningbouwcorporaties kunnen koppelkansen gezocht worden om gezamenlijk wijken met gespikkeld bezit aan te pakken. Ontzorg particuliere eigenaren en biedt aan om mee te doen met isoleren bij verbouwingen van woningbouwbuurten.
Pagina 57 van 62
BIJLAGE 4
Raakvlak met beleidsopgaves en thema’s
Door de omvang en complexiteit van de opgave heeft de Transitievisie Warmte raakvlakken met verschillende opgaven en thema’s. Het is daarom noodzakelijk om actief te zoeken naar afstemming en waar mogelijk gedeelde opgaven en belangen te stapelen. In dit hoofdstuk noemen we de opvallendste/belangrijkste opgaven en thema’s en gaan we in op andere effecten op de korte, midden en lange termijn.
4.1 Klimaatakkoord De komende decennia gaat er veel veranderen in de Nederlandse warmtevoorziening: de 95% van de gebouwen die nu nog (in)direct met aardgas worden verwarmd, moeten allemaal een alternatieve warmtevoorziening krijgen. Het Klimaatakkoord is hét document dat de komende decennia de warmtetransitie gaat vormen. In het Klimaatakkoord is afgesproken om de CO2-uitstoot in 2050 met 95% terug te dringen ten opzichte van 1995. Om dit doel te bereiken, worden diverse instrumenten ingezet, zoals de Transitievisie Warmte. Deze visie is geen opzichzelfstaand document, maar is onderdeel van een breder traject gericht op het verduurzamen van de energievoorziening.
4.2 Regionale energiestrategie (RES) De RES is een regionaal samenwerkingsverband voor de ruimtelijke inpassing van de energietransitie. Nederland is opgedeeld in dertig regio’s en al deze regio’s moeten een regionale vertaling maken van de nationale afspraken uit het Klimaatakkoord voor elektriciteit en gebouwde omgeving. Elke gemeente, provincie en ook waterschap werkt op dit moment binnen deze regio’s samen met stakeholders aan een regionale energiestrategie (RES). De RES is een instrument om gezamenlijk te komen tot keuzes voor de opwekking van duurzame elektriciteit, de warmtetransitie in de gebouwde omgeving en de daarvoor benodigde opslag- en energie-infrastructuur. De eerste versie, de Concept-RES, wordt september 2020 vastgesteld.
Regionale structuurvisie warmte (RSW)
Het deel van de RES dat over de warmtetransitie gaat, is de Regionale structuurvisie warmte (RSW). De RSW geeft informatie over de invulling van de warmtestructuur over de gemeentegrenzen heen. Het gebruik van potentiële warmtebronnen is het best regionaal af te stemmen. De RSW zorgt voor vroegtijdig inzicht op regionaal niveau in de (ruimtelijke) beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen, de totale warmtevraag en de bestaande en geplande infrastructuur voor warmte. Door op regionaal niveau afspraken over, en een afwegingskader voor, de verdeling van warmte te maken, kan ondanks de schaarse bronnen, optimaal worden omgegaan met de warmtepotentie in een gebied. De RSW dient als voorbereiding op de Transitievisie Warmte.
4.3 Transitievisie Warmte (TVW) Gemeenten zijn volgens het ontwerp Klimaatakkoord de regisseurs van de warmtetransitie voor de gebouwde omgeving. Samen met vastgoedeigenaren, inwoners, netbeheerders en medeoverheden moeten zij eind 2021 een Transitievisie Warmte klaar hebben. Daarin staan voorstellen voor duurzaam aardgasvrij verwarmen en koken. De Transitievisie Warmte geeft richting in de aanpak. Het bevat ook een wijk-voor-wijkstappenplan die alle partijen houvast geeft voor de planning. Dit plan geeft aan in welke volgorde een gemeente haar wijken gaat verduurzamen en welke warmteoplossing het meest waarschijnlijk is. In de visie ligt de focus op de wijken en buurten waar voor 2030 gestart kan worden met de transitie. Door deze wijkgerichte aanpak kunnen warmtenetten op wijkniveau worden georganiseerd en kunnen bovendien andere opgaven in wijken gemakkelijker worden gekoppeld. In de Transitievisie Warmte is woonlastenneutraliteit een belangrijk uitgangspunt.
4.4 Wijkuitvoeringsplannen Een wijkuitvoeringsplan is een plan voor een wijk die helemaal overgaat naar een aardgasvrije energievoorziening. Op basis van het plan kan de overgang door de betrokkenen worden gestart. Het is een concreet plan, waarin keuzes en planningen worden opgenomen. De voorgenoemde documenten en processen zullen daarbij een groot deel van het
Pagina 58 van 62
toekomstbeeld gaan invullen. Voor de komende tien jaar worden hele concrete plannen ontwikkeld en ook naar 2050 zullen de eerste contouren worden geschetst. In ieder geval moeten de processen ertoe leiden dat de afspraken uit het Klimaatakkoord behaald gaan worden.
Startmotor huursector
Aangezien de wijkgerichte aanpak pas vorm zal krijgen met het vaststellen van de gemeentelijke Transitievisies Warmte in 2021, is besloten om een begin te maken met de warmtetransitie via de Startmotor huursector. Het doel hiervan is om in de periode 2019-2022 woningen aardgasvrij/aardgasvrij-ready te maken, aanvullend op de afspraken uit het Energieakkoord. Bovendien gaan woningcorporaties zich samen met lokale overheden inzetten om de warmtevraag te bundelen ten behoeve van de ontwikkeling van duurzame warmtebronnen en -netten.
4.5 Omgevingsvisie Kern van de Omgevingswet is een integrale afweging tussen alle belangen binnen de fysieke leefomgeving. Daarom zullen de Regionale energiestrategie (RES) en de Transitievisie Warmte aan de eisen van de Omgevingswet moeten voldoen. Een van de wetsinstrumenten is de omgevingswaarde. Omgevingswaarden leggen de kwaliteit vast die een gemeente, provincie of het Rijk voor de leefomgeving wil bereiken. De gemeente kan in de omgevingsvisie een doelwaarde voor de omgeving formuleren, bijvoorbeeld Klimaatneutraal of aardgasvrij. Een omgevingswaarde is een bindende beleidsopdracht. Middels een programma beschrijft een gemeente hoe zij de doelwaarde voor de omgevingswaarde gaat realiseren. De energietransitie zal ook de fysieke ruimte in Nederland veranderen. Productie, transport, opslag en distributie van duurzame energie hebben hun weerslag op de ruimte, boven en onder de grond. Voor elke gemeente en regio liggen de kansen en uitdagingen anders. In de omgevingsvisie worden de ruimtelijke consequenties in een gebied specifiek inzichtelijk gemaakt en in samenhang gezien met andere thema’s, zoals klimaatadaptatie, geluid en natuur. De visie wordt verder uitgewerkt en geconcretiseerd in omgevingsplannen, waar warmteplannen een onderdeel van zullen zijn.
4.6 Pragmatisch afstemming zoeken De omgevingsvisie, de RES en de Transitievisie Warmte hebben ieder hun eigen tijdspad. Deze tijdspaden koppelen, komt niet overeen met de termijnen die het Rijk voor de verschillende opdrachten heeft gesteld. Zo is de omgevingsvisie net als de Transitievisie Warmte in 2021 gereed. Daarom wordt binnen de ambtelijke organisatie op pragmatisch niveau afstemming gezocht tussen de verschillende opgaven en is de ambitie om waar mogelijk slim samen te werken. Hier vindt op regelmatige basis overleg plaats binnen de teams die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering.
Figuur A-5
Kansrijke clusters voor een collectieve warmtevoorziening (bron: Greenvis-HVC).
Pagina 59 van 62
Colofon Auteur
E-mail: info@anteagroup.nl Website: www.anteagroup.nl Opsteller rapport: G.W. Schuur Projectnummer: 466787 Definitief rapport, revisie 03 31 augustus 2021
Opdrachtgever Gemeente Schagen Laan 19 1741 EA SCHAGEN
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.