Toelichting
Tekst van het document
4.4.3
Houtopstanden
Toetsingskader Bomenbeleid gemeente Schagen De regels voor het kappen van bomen in de gemeente Schagen zijn vastgelegd in de Bomenverordening Schagen 2018. Uit artikel 3 van de Bomenverordening Schagen 2018 volgt dat het verboden is om binnen de gemeente Schagen een houtopstand te vellen of te doen vellen zonder vergunning van het bevoegd gezag indien deze: a opgenomen is op de ‘groene kaart’ behorende bij de Bomenverordening Schagen 2018; b onderdeel is van voorschriften/beperkingen conform artikel 7 of onderdeel is van herplantplicht/instandhoudingsplicht conform artikel 8 van de Bomenverordening Schagen, of; c is geplant op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijke rechtspersoon. Een vergunning kan worden geweigerd: · als wij het belang van de natuur belangrijker vinden; · als de boom landschappelijke waarde heeft; · als de boom waarde heeft voor het stads- en dorpsschoon; · als de boom beeldbepalend is; · als de boom cultuurhistorische waarde heeft; · als de boom waarde heeft voor de leefbaarheid. Onder een ‘boom’ wordt verstaan ‘een houtachtige, overblijvende gewassen met een dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam’.
Bescherming houtopstanden op grond van de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is van toepassing op bomen die gekapt worden en buiten de bebouwde kom liggen. De Wnb heeft betrekking op houtopstanden bomen of beplanting met een oppervlakte van meer dan 10 are (1.000 m²), of meer dan 20 bomen in rijbeplanting (gerekend over het totaalaantal rijen). Hierbij is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen. Indien toch gekapt wordt dient een kapmelding te worden ingediend bij de provincie. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming: houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed; uit populieren of wilgen bestaande: · wegbeplantingen; · beplantingen langs waterwegen, en; · eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand;
32 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
-
uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: · ten minste eens per tien jaar worden geoogst; bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter en zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit minstens één maand voorafgaand aan de kap melden bij de provincie en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten binnen 3 jaar na het vellen. Provincies kunnen bij verordening bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Resultaten Als gevolg van het planvoornemen moeten er verschillende bomen worden gekapt. Ten westen en ten oosten van de Stolperbrug dienen in totaal 50 bomen gekapt te worden (afbeelding 4.5). Deze bomen liggen buiten de bebouwde kom en staan niet op de bomenkaart van de gemeente Schagen, hierdoor is voor het kappen van deze bomen geen kapvergunning en geen melding Wet natuurbescherming (Wnb) nodig. De bomen welke worden gekapt worden gecompenseerd.
Afbeelding 4.5 Houtopstanden in onderzoeksgebied
Voor de houtopstand aan de westoever van het Noordhollandsch Kanaal ten noorden van de brug is wel een omgevingsvergunning kappen nodig. Deze houtopstand wordt door de gemeente Schagen aangeduid als een waardevolle houtopstand derden. Tevens is de houtopstand wegens de oppervlakte van 1.398 m2 beschermd onder de Wnb en moet er een melding Wet natuurbescherming (houtopstanden) gedaan worden bij de provincie Noord-Holland. De bomen welke worden gekapt worden gecompenseerd.
33 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Afbeelding 4.6 Bomenkaart gemeente Schagen met blauw omcirkeld de desbetreffende houtopstand
Conclusie Ten aanzien van het thema natuur onderdeel houtopstanden liggen bepaalde bomen binnen het beschermde gebied waardevolle bomen derden en geldt het beschermingsregime van de Wnb. Voor het kappen van deze bomen wordt een omgevingsvergunning kappen aangevraagd en wordt melding gedaan bij het bevoegde gezag. Gekapte bomen worden gecompenseerd. De compensatie wordt op een later stadium nader ingevuld. Het aspect houtopstanden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Water
De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. In Nederland is daarom de watertoets een verplicht onderdeel van elke ruimtelijke ontwikkeling. Het plangebied valt in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In dit geval is een watertoets uitgevoerd en afgestemd met het betreffende waterschap. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van ‘water’ een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen.
4.5.1
Wettelijke grondslag
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is in 2000 ingevoerd met als doelstelling het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (verbinding infiltratie- en kwelgebieden). Door de inrichting van watergangen af te stemmen op de ecologie kan de ecologische toestand verbeterd worden. De KRW heeft het streven om emissies naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast gaat het Europees beleid uit van het ‘standstill’ principe dat bij veranderingen de waterhuishoudkundige of ecologische situatie in een gebied enkel gelijk blijft of verbetert. Deze mag dus niet verslechteren.
34 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Nationaal beleid Het nationaal beleid is uiteengezet in het Nationaal Waterplan 2016-2021. Dit beleid vindt een verdere meer gebiedsgerichte uitwerking in het Deltaprogramma. Wet- en regelgeving op nationaal niveau ten behoeve van water is vastgelegd in de Waterwet. De Waterwet zal per 1 juli 2022 vallen onder de Omgevingswet en daarin worden opgenomen. Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 kent een beschouwing van waterkwaliteit, waterveiligheid en zoetwater met daarnaast een gebiedsgerichte uitwerking. Als gevolg van klimaatverandering krijgen we te maken met langere perioden van droogte en hevigere neerslag. In het Nationaal Waterplan wordt de ambitie uitgesproken om Nederland in 2050 zo goed mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig in te richten. Hierbij is klimaatbestendig en waterrobuust beleid en handelen uiterlijk in 2020 aan de orde. Stolpen is gelegen in de provincie Noord-Holland. De trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren’ wordt in het Nationaal Waterplan benoemd om afwenteling van het waterkwaliteitsprobleem te voorkomen en is daarom voor Stolpen van belang. Deltaprogramma 2020 In het Deltaprogramma worden de onderwerpen waterveiligheid, zoetwater en klimaatadaptatie besproken. Met het oog op waterveiligheid wordt niet alleen gekeken naar het versterken van waterkeringen ten behoeve van veranderende waterpeilen en langere droge perioden.
Er wordt ook gekeken naar risicovermindering bij overstroming, door de omgeving zo in te richten dat belangrijke routes bereikbaar blijven en concrete handelingsperspectieven met bewoners te bespreken. Verder is het van belang regenwater waar mogelijk vast te houden voor perioden met droogte. In het Deltaprogramma wordt het belang van het meekoppelen van klimaatadaptieve maatregelen benoemd, om toekomstige hevigere regenval en langere perioden van droogte te kunnen opvangen. Het lukt alleen om de ambitie voor een waterrobuust en klimaatadaptief Nederland te halen op het moment dat we lopende projecten waterrobuust en klimaatadaptief insteken. Waterwet De Waterwet beschrijft het functioneren van het watersysteem. Ook bepaalt de Waterwet wie verantwoordelijk is voor welk watersysteem en welke taken daarbij horen. In het kader van de Waterwet dient er een watertoets worden uitgevoerd. Wanneer er aanpassingen worden gedaan aan het watersysteem moet er een vergunning worden aangevraagd waarin is aangetoond dat het toekomstige systeem geen negatieve effecten heeft. Besluit lozen buiten inrichtingen Op nationaal niveau is daarnaast het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) van belang. Het Blbi bevat regels voor het lozen van water buiten inrichtingen zoals bedoeld in de Wet milieubeheer (Wm).
Hierbij geldt dat de regels voor: - indirecte lozingen en lozingen op rioolstelsels gebaseerd zijn op de Wm; - directe lozingen op of in de bodem gebaseerd zijn op de Wet bodembescherming; - directe lozingen op het oppervlaktewater gebaseerd zijn op de Waterwet. Voor de eerste twee categorieën is de gemeente het bevoegd gezag. Voor de laatste categorie is de waterbeheerder het bevoegd gezag. De afstroming van hemelwater van wegen betreft eveneens een lozing. Hierbij is met name de voorkeursvolgorde van lozen is van belang: 1 infiltratie in de bodem; 2 lozing in oppervlaktewaterlichamen die geen bijzondere bescherming behoeven; 3 lozing op regenwaterriolering; 4 lozing in oppervlaktewater die een bijzondere bescherming behoeven. Regionaal beleid Hieronder is het beleid uitgezet het betreft de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
35 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Provincie Noord-Holland De provincie Noord-Holland heeft het waterbeleid vastgelegd in de Watervisie 2021 en het Uitvoeringsprogramma watervisie 2016-2021. In de watervisie wordt met een gebiedsgerichte blik gekeken naar ruimtelijke adaptatie. Voor de kop van Noord-Holland betekend dat ruimtelijke adaptatie op het gebied van waterveiligheid, maar ook het vinden van toekomstgerichte oplossingen voor de schoon- en zoetwaterproblematiek die speelt in Noord-Holland. Waterveiligheid wordt benaderd van uit het principe meerlaagse veiligheid, daarnaast wordt er ingezet op ruimtelijke kwaliteit bij waterveiligheidsprojecten. Om zo ruimtelijke inpassing en een meerwaarde voor de omgeving te realiseren. In het uitvoeringsprogramma uit dit zich in het meekoppelen met ruimtelijke projecten die om de ruimtelijke inrichting zo aan te passen dat vitale functies en infrastructuur minder kwetsbaar zijn. Verder worden brug en sluitbedieningen op elkaar afgestemd voor doorstroom van het vaarverkeer. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier De regelgeving en het beleid van HHNK (Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) staat beschreven in de Keur met bijbehorende Legger en in de Beleidsregels watervergunningen. De beleidsregels zijn gebaseerd op het vastgestelde beleid (toebehorende wet- en regelgeving). De meest relevante punten zijn hieronder benoemd.
De volgende activiteiten zijn vergunningsplichtig: - gebruik maken van of werken aan een waterstaatswerk (lees: oppervlaktewaterlichaam of kunstwerk) of bijbehorende beschermingszone; - werken binnen het profiel van vrije ruimte voor de beschermingszone: · het verrichten van afgravingen en seismische onderzoeken; - werken of handelingen verrichten aan een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones; - het toevoegen van verhard oppervlak; - het plaatsen van een brug over oppervlaktewater; - onttrekken of inbrengen van water aan oppervlaktewaterlichamen. Hiervoor gelden de uitzonderingen genoemd in afbeelding 4.7. Aanvullend geldt: · dat onttrekking mag niet leiden tot onderschrijding van het laagst toegestane peil en inbrengen niet tot een overschrijding van het hoogst toegestane peil; · dat de onttrekking of het inbrengen van water niet tot schade mag leiden aan een waterstaatkundig werk of het watersysteem.
Afbeelding 4.7 Beperkingen betreft lozen en onttrekken van oppervlaktewater
Verhard oppervlak leidt tot de versnelde afstroming van hemelwater en daarmee mogelijk tot problemen voor het watersysteem. Als een verhardingstoename leidt tot versnelde afstroming richting het omliggende watersysteem, dient het toevoegen van verhard oppervlak gecompenseerd te worden. In afbeelding 4.8 is weergegeven welke eisen HHNK stelt aan de compensatie van verhard oppervlak. Daarbij wordt voor compensatie de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: - behoud van infiltratie; - compensatie door realisatie van extra oppervlaktewater; - compensatie door middel van alternatieve vormen van waterberging.
36 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Bovendien dient watercompensatie in principe aangelegd te worden in hetzelfde peilgebied als waar de verhardingstoename plaatsvindt. Watercompensatie dient gerealiseerd te zijn voordat de verhardingstoename heeft plaatsgevonden.
Afbeelding 4.8 Beperkingen en maatregelen betreft het aanleggen van extra verhard oppervlak
De vrijstelling voor vergunningplicht bij een verhardingstoename kleiner dan 800 m 2 geldt alleen als: - de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en; - de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10 % van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; - het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken. Lokaal beleid gemeente Schagen Lokaal beleid van de gemeente Schagen is beschreven in het Beheerplan Riolering en het Gezamenlijk gemeentelijk Rioleringsplan Noordkop. In het gemeentelijk rioleringsplan wordt aangegeven dat bij het ontwerp voor nieuwe riolering aan de eisen van de LIOR (Leidraad Inrichting Openbare Ruimte) en het moederbestek van de gemeente Schagen voldaan moet worden. De laagste onderhoudskosten voor de beheerfase zijn daarbij doorslaggevend voor de keuze voor een ontwerp. Daarbij wordt de voorkeursvolgorde: schoonhouden - scheiden - zuiveren meegenomen in de overweging voor een ontwerpkeuze.
4.5.2
Resultaten
Dit hoofdstuk beschrijft de effecten van het weg- en brugontwerp op de verschillende wateraspecten. Voor een bredere toelichting wordt verwezen naar bijlage V. Effecten op bodem en grondwater De effecten op de grondwatersituatie zijn in de gebruiksfase beperkt. De funderingsconstructie van de nieuwe brug bestaat uit palen. Hierdoor is de opstuwing van het grondwater zeer gering. In overleg met HHNK is vastgesteld dat het risico op piping en kwel klein is in dit gebied. Daarom is het toegestaan de funderingspalen van de oude brug in de grond te laten zitten. In verband met beheer en onderhoud dienen deze palen afgeknepen te worden tussen 0,50 m en 0,30 m onder de vaste waterbodem. Tijdens de realisatiefase is mogelijk bemaling noodzakelijk Het lozen van grondwater is eveneens gebonden aan regels. De voorkeursvolgorde hiervoor is als volgt: (1) lozen in de bodem, (2) lozen op het oppervlaktewater en (3) lozen op de riolering. Voor het lozen van het bemalen grondwater geldt eveneens een meldingsplicht en mogelijk een vergunningplicht. Indien bemaling plaatsvindt wordt een melding gemaakt/vergunning aangevraagd. Effecten op het watersysteem Het Noordhollandsch Kanaal is belangrijk voor de afvoer en aanvoer van water in de regio. Het is daarom belangrijk dat het doorstroomprofiel ter plaatse van de brug gewaarborgd blijft.
Dit geldt voor zowel de realisatie- als voor de gebruiksfase.
37 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Tijdens de realisatiefase wordt het doorstroomprofiel tijdelijk verkleind ten behoeve van de werkzaamheden. Deze beperking wordt gecompenseerd met pompen zodat de doorstroming gewaarborgd blijft. Het noodzakelijke debiet van de pompen is afhankelijk van de profielverkleining en is nader te bepalen tijdens de uitvoering. Watercompensatie De Keur van HHNK schrijft voor dat een verhardingstoename gecompenseerd dient te worden met de aanleg van open water, indien dit leidt tot versnelde afwatering van hemelwater naar het omliggend watersysteem. Aan de oostzijde is de verhardingstoename naar verwachting circa 1.000 m2 (exclusief het brugdek). Deze verharding watert volledig af in de naastgelegen bermen. Aan weerszijden van de weg bevinden zich braakliggende velden. Deze liggen circa 2 meter lager dan de weg, zie ook afbeelding 4.9. De velden hebben voldoende capaciteit om het hemelwater, dat op de weg valt, vast te houden. Er vindt daardoor geen versnelde afvoer van water richting het watersysteem plaats en het watersysteem wordt niet extra belast door het wegontwerp. Daarom is er geen watercompensatie vereist.
Afbeelding 4.9 Hoogteligging van het maaiveld rond de brug en de laaggelegen bermen
Aan de westzijde wordt de huidige rotonde vervangen door een nieuwe rotonde. Dit valt echter buiten het bestemmingsplan. Naar verwachting is er geen verhardingstoename of is deze gering (indicatief 100 m 2 exclusief het brugdek). Hemelwater dat ter plaatse valt, stroomt door het hoogteverschil af richting de ruime berm en het open water ten zuiden van de weg. Door de geringe verhardingstoename en grote bergingscapaciteit van de berm wordt het oppervlaktewater niet extra belast. Watercompensatie is hierom niet verplicht. In overleg met HHNK is besloten dat een verhardingstoename ter plaatse van het brugdek niet gecompenseerd hoeft te worden. Hemelwater watert af richting de bermen.
38 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Effecten op waterkeringen Het weg- en brugontwerp heeft in de gebruiksfase geen effect op de kerende functie van waterkeringen. In de realisatiefase vinden werkzaamheden plaats in de kern- en beschermingszones van verschillende keringen. Hiervoor is een vergunning van HHNK vereist. Het uitgangspunt is dat de waterveiligheid te allen tijde blijft gewaarborgd, ook tijdens de realisatiefase. Effecten op waterkwaliteit De effecten van het ontwerp op de waterkwaliteit zijn gering. Waar verhardingstoename plaatsvindt, watert de verharding af naar de berm. Afstromend hemelwater ondergaat daardoor een uitgebreide bermpassage voordat het oppervlakte- of grondwater bereikt. Eventuele verontreinigingen blijven hierdoor achter in de berm en bereiken en oppervlakte- en grondwater niet. Hemelwater dat op het brugdek valt, mag op basis van artikel 3.5 van het Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi) geloosd worden op of in de bodem. Zoals eerder beschreven hebben d e bermen in de omgeving voldoende capaciteit om afstromend hemelwater op te vangen. In het ontwerp dient rekening te worden gehouden met een afwateringsvoorziening dat hemelwater van het brugdek naar de omliggende bermen brengt. Het hemelwater ondergaat hier een bermpassage, waardoor verontreinigingen het water niet bereiken.
4.5.3
Conclusie
De aanleg van een nieuwe brug in het plangebied is op meerdere gronden vergunningsplichtig. Er dient in ieder geval een vergunning bij HHNK te worden aangevraagd voor het plaatsen van een brug en het werken in de kern- en beschermingszones van keringen. Indien bemaling en grondwater wordt geloosd in de realisatiefase is een vergunning nodig. De lokale verhardingstoename is niet vergunningsplichtig, omdat deze niet leidt tot een versnelde afstroming richting het oppervlaktewater. Indien er in de realisatiefase grondwater onttrokken en geloosd wordt, is een vergunning van HHNK vereist. Voor het werken rondom keringen is een vergunning van HHNK vereist. Het aspect water vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
4.6
(Water)bodem
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de (water)bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemming(en)/functie(s)? Als er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico’s, ecologische risico’s of verspreidingsrisico’s op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel.
4.6.1
Wettelijke grondslag
De Wet bodembescherming (Wbb) is gericht op het saneren van bestaande (risicovolle) verontreinigingen, het voorkomen van nieuwe verontreinigingen en het terugdringen van verontreinigingen door diffuse bronnen. In geval van ingrepen op of in de verontreinigde bodems, dient de aanwezige verontreiniging beheerst of gesaneerd te worden. Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is gericht op hergebruik van grond en baggerspecie en bouwstoffen, zodat minder primaire grondstoffen nodig zijn. Het bevat een toetsingskader gericht op toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen en regels ten aanzien van kwaliteitsborging voor de uitvoering. Bij toepassing van grond en baggerspecie dient rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit. Bij toepassing
39 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
op de landbodem en waterbodem dient de kwaliteit ook getoetst te worden aan eisen uit het gemeentelijk beleid (generiek of gebiedsspecifiek). Hierbij wordt rekening gehouden met de bodemfunctie, bestaande bodemkwaliteit en lokale of regionale situatie. Het Besluit lozen buiten inrichtingen bevat regels voor een groot aantal categorieën van lozingen die het gevolg zijn van activiteiten die plaatsvinden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer. Het Besluit bevat regels voor het lozen van grondwater die vrijkomt bij een eventuele bodemsaneringen en proefbronneringen. De Waterwet bevat de regels over het beheer en gebruik van het watersysteem. Onderdeel is ook de waterbodemkwaliteit. Een verontreinigde waterbodem die belemmerend werkt voor het watersysteem dient te worden aangepakt. Als in de waterbodem ingrepen plaatsvinden, is de Waterwet van toepassing.
4.6.2
Resultaten
In het kader van het project vinden er grondroerende werkzaamheden plaats in de landbodem en in de waterbodem. Ten behoeve van het planvoornemen zijn daarom een landbodem onderzoek (bijlage VI) en een waterbodemonderzoek uitgevoerd (bijlage VII). Resultaten landbodem onderzoek Uit het bodemonderzoek blijkt dat zowel de bovengrond als de ondergrond plaatselijk licht verontreinigd is met enkele zware metalen, PAK, PCB’s of minerale olie. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn geen vervolgstappen nodig in het kader van het bestemmingsplan. Resultaten waterbodem onderzoek Uit het waterbodemonderzoek blijkt dat de zandhoudende laag, 0 tot 0,5 m-waterbodem ‘Niet toepasbaar‘ is op basis van het gehalte aan PAK (10 VROM) en het gehalte PFOS lineair overschrijdt de bepalingsgrens. Waar nodig wordt er een melding in het kader van het Besluit lozen buiten inrichtingen ingediend. De overige waterbodem, 0,5-1,0 m- waterbodem, voldoet aan klasse B op basis van het gehalte aan PCB’s. De zandhoudende laag (sporen slib, antropogeen belaste laag, 0 tot 0,5 m-waterbodem) is niet asbesthoudend.
4.6.3
Conclusie
Op basis van de voorlopige onderzoeksresultaten vormt het onderdeel (water)bodem geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Ontplofbare oorlogsresten
Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (hierna: OO. voorheen: niet gesprongen explosieven)achtergebleven. Deze OO vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Voorafgaand aan deze bodemroerende werkzaamheden dient de aanwezigheid van deze OO uitgesloten te worden of dienen eventuele OO verwijderd te worden.
4.7.1
Resultaten
Ten behoeve van het planvoornemen is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar OO (zie bijlage VIII). Uit dit onderzoek zijn verdachte gebieden aangewezen welke binnen de werkgrenzen vallen van het project. De verdachte gebieden liggen echter buiten de plangrenzen van het bestemmingsplan.
40 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
4.7.2
Conclusie
Het plangebied van het bestemmingsplan is niet verdacht op de aanwezigheid van OO. Daarmee vormt dit aspect geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Archeologie
Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en of de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. Ten behoeve van het planvoornemen is archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek is toegevoegd als bijlage IX bij deze toelichting.
4.8.1
Wettelijke grondslag
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd. Ter plaatse van het planvoornemen geldt op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Zijpe de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 6 (artikel 42).
4.8.2
Resultaten
Voor de nieuwe brug zullen aan beide zijden van de watergang landhoofden worden gerealiseerd en zal het bestaande wegennet daarbij aansluiten. Vanwege de huidige brug, landhoofden en het onderliggende wegennet wordt de bodem geroerd. De wegen die zullen aansluiten op de nieuwe brug bevinden zich voor een belangrijk deel al in de geroerde bodem. Voor de opbouw van het wegcunet wordt maximaal 1 ,0 m onder het maaiveld ontgraven. Op basis van de geraadpleegde historische kaarten en het uitgevoerde archeologisch onderzoek geldt een zeer lage verwachting voor vindplaatsen binnen 2 m onder het maaiveld. Voor de bouw van de Stolperbrug vinden de meeste werkzaamheden echter plaats binnen 1m onder het maaiveld. Alhoewel de omvang van de geplande bodemingrepen nog niet bekend is, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Gezien de geringe verwachting van archeologische vondsten kan de dubbelbestemming Waarde - Archeologie komen te vervallen.
4.8.3
Conclusie
Het onderdeel archeologie vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan geen probleem.
41 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
4.9
Landschap en cultuurhistorie
In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet er rekening worden gehouden met cultuurhistorie en landschap. Cultuurhistorische waarden zijn sporen, objecten, patronen en structuren zichtbaar of niet zichtbaar onderdeel uitmaken van onze leefomgeving en positief gewaardeerd worden. Voorbeelden van cultuurhistorische waarden zijn gebouwd erfgoed, archeologische resten en cultuurlandschappen. Bij landschap gaat het onder andere om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving. Ten behoeve van de ruimtelijke en architectonische kwaliteit van dit planvoornemen heeft provincie NoordHolland een beeldkwaliteitsplan vastgesteld. De beeldkwaliteit is vastgesteld door middel van (beeld)criteria voor de landschappelijke inpassing en inrichting van de projectlocatie en inrichting/vormgeving van de nieuwe Stolperbrug. De beeldcriteria zijn nader uitgewerkt in concrete ontwerpeisen en kansen voor landschap en architectuur. Het beeldkwaliteitsplan is toegevoegd als bijlage X bij deze toelichting.
4.9.1
Wettelijke grondslag
De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016-2021 een overgangsregeling opgenomen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een plangebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Daarmee zijn gemeenten verplicht in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Dat betekent dat een analyse moet worden verricht naar de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en dat daar conclusies aan moeten worden verbonden die in een bestemmingsplan verankerd worden.
De bescherming van het landschap wordt geregeld in de Omgevingsverordening NH2020. Uit artikel 6.59 van de Omgevingsverordening NH2020 volgt dat bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied moet in een ruimtelijk plan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie rekening gehouden worden met: a de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.
4.9.2
Resultaten
Landschap De ontwikkeling bevindt zich in de Zijpe- en Hazepolder. Dit ensemble is een samenstel van de landschapstypen: jonge duinlandschap en aandijkingenlandschap. De grens tussen duin en polder is scherp. Aan de oostzijde vormt de Westfriese Omringdijk een markant landschappelijk element. De N248, N249, het Noordhollandsch Kanaal en kanaal Stolpen-Schagen zijn grotendeels onbeplant, wat past in dit open aandijkingenlandschap.
42 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
In het beeldkwaliteitsplan is rekening gehouden met kernkwaliteiten, ambities en ontwikkelprincipes van de Zijpe- en Hazepolder zoals beschreven in de Leidraad Landschap & Cultuurhistorie en Landschapsvisie provinciale wegen en vaarwegen - Regio Kop van Noord-Holland. De nieuwe brug wordt zo zorgvuldig mogelijk ingepast in het landschap. Waar mogelijk wordt de vervangingsopgave van de Stolperbrug gebruikt om verdere eenheid en samenhang te realiseren waarbij zorgvuldige inpassing wordt nagestreefd. In het beeldkwaliteitsplan is de landschappelijke en architectonische opgave voor de ruimtelijke beleving van de Stolperbrug beschreven op 2 schaalniveaus: reeks kunstwerken langs het Noordhollandsch Kanaal; kunstwerken, zichtlijnen en brugwachterswoning in de directe omgeving van de brug. De gewenste beeldkwaliteit is vertaald naar landschappelijke en architectonische beeldcriteria. Deze beeldcriteria zijn vervolgens uitgewerkt in vormgevingseisen. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de beeldcriteria die zijn opgesteld in het kader van het planvoornemen. In het beeldkwaliteitsplan worden de verschillende beeldcriteria nader toegelicht. Afbeelding 4.10 geeft een samenvattende kaart met de landschappelijke beeldcriteria weer.
Landschappelijke criteria 1 Versterk leesbaarheid en zichtbaarheid van cultuurhistorische waardevolle elementen: 1 behoud en versterk zichten op het open landschap met daarin de kenmerkende (stolp)bebouwing ; 2 waarborg zichtbaarheid en beleefbaarheid brugwachterswoning; 2 versterk ruimtelijke continuïteit van het Noordhollandsch Kanaal: 1 versterk de ruimtelijke groenbegeleiding langs het Noordhollandsch Kanaal; 2 kies inheemse en gebiedseigen boomsoorten; 3 versterk de dwarsverbinding - ‘Schagen aan Zee’: 1 inrichting van de rotonde sluit aan op de bermen en het omliggende landschap. Landschappelijke en architectonische criteria 1 onderbouw brug vormgeven met zorg voor het landschap: 1 beperk maatvoering en verzacht aanzichten van de bouwelementen; 2 werk de landhoofden weg in het landschap; 3 voeg een dubbelzijdige ecologische droge verbinding onderlangs toe; 4 toegang tot de machinekelder is met zorg voor het kanaalbeeld vormgegeven.
Architectonische criteria 1 een herkenbare ophaalbrugfamilie over het Noordhollandsch Kanaal: 1 een logische typologische ophaalbrugtoevoeging in de reeks Noord-Hollandsche kanaalbruggen; 2 een herkenbare bovenbouw uitgevoerd met een lichte tapse vormentaal; 2 architectonische verfijning door aansluiting op de omgeving: 1 samenhang realiseren met de overige kunstwerken door aan te sluiten op de architectonische detaillering en kleurstelling; 2 de bovenbouwconstructie wordt samengesteld uit gebroken vlakken als verwijzing naar de Twee Zwanen; 3 stem het kleurgebruik af op de kunstwerken in de omgeving; 4 werk draaipunten weg uit het zicht en draag daarmee bij aan eenduidige vormgeving van de bovenbouw; 5 leuningwerk is transparant uitgevoerd, borgt doorzichten op het kanaal en sluit aan op vormgevingsprincipes van andere leuningwerken in de omgeving; 6 integreer en cluster brug gerelateerde technische voorzieningen.
43 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Afbeelding 4.10 Samenvattende kaart met landschappelijke beeldcriteria
Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen provinciale of gemeentelijke (aardkundige) monumenten of aardkundige waardevolle gebieden aanwezig.
4.9.3
Conclusie
Het onderdeel landschap en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Bij de aanwezigheid van bedrijven is het van belang dat in de omgeving van milieugevoelige functies, zoals woningen: - ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; - rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
44 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
4.10.1 Wettelijke grondslag Voor milieuzonering is de VNG publicatie Bedrijven en Milieuzonering een belangrijk standaardwerk. Als gevolg van jurisprudentie heeft de publicatie bijna de status van 'pseudo-wetgeving' gekregen waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken. De publicatie geeft voor vele bedrijfstakken en installaties aan: - welke milieuonderwerpen een rol kunnen spelen; - welke gemiddelde afstanden tot de woonbebouwing 'passend' zijn. In de handreiking is een lijst opgenomen die inzichtelijk maakt welke milieuaspecten van belang zijn en in welke milieucategorie een bedrijf ingedeeld zou kunnen worden. Het instrument heeft een integrale benadering. Per bedrijf is in beeld gebracht welke richtafstand aan de orde is voor de aspecten geluid, geur, stof en externe veiligheid. De milieucategorie wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand. De VNG-publicatie is daarmee een onmisbaar hulpmiddel in de bestemmingsplanpraktijk.
4.10.2 Resultaten De bestemmingen van dit bestemmingsplan maken in de toekomst: - geen functies mogelijk die het aanvaardbaar woonklimaat in het gedrang brengen; - geen functies mogelijk die bedrijven gaan belemmeren in hun bedrijfsvoering. Omdat er geen woningen of bedrijven mogelijk worden gemaakt in het plangebied, hoeft er geen onderlinge belangenafweging tussen bedrijven en woningen plaats te vinden. De vervangingssopgave van de Stolperbrug vormt geen belemmering voor het aangename woonklimaat en belemmert bedrijven ook niet in hun bedrijfsvoering.
4.10.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Externe veiligheid
Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij externe veiligheid de risico’s volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens. Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel extern veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico’s, plaatsgebonden risico en groepsrisico. In deze paragraaf wordt eerst het toetsingskader beschreven met de daarbij behorende definities van het plaatsgebonden en groepsrisico. Daarna komen de risicobronnen die zich in het gebied bevinden aan de orde en is getoetst aan de geldende wet- en regelgeving.
1
In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt
kwetsbare objecten.
45 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
4.11.1 Wettelijke grondslag Externe veiligheid betreft de beheersing van de risico's en gaat om het gebruik, de opslag, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen. De gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen: - stationaire bronnen, zoals een fabriek of een LPG-vulpunt; - mobiele bronnen, zoals transport van gevaarlijke stoffen over wegen en door leidingen. Voor inrichtingen (bedrijven) zijn het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi) en de ‘Regeling externe veiligheid inrichtingen’ (Revi) van belang. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen wordt externe veiligheid omschreven als 'de kans om buiten een inrichting te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen de inrichting waar een gevaarlijke stof bij betrokken is'. De richtlijnen voor buisleidingen zijn weergegeven in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als ook de bijbehorende regeling (Revb). Voor transport is de 'Wet vervoer gevaarlijke stoffen' van belang. Daarnaast is er een aantal besluiten en regelingen vastgesteld waarin het beleid verder uitgewerkt is, waaronder het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij externe veiligheid wordt een onderscheid gemaakt tussen een plaatsgebonden risico en een groepsrisico.
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10 -5 (één op 100.000) en een contour waarbinnen deze kans 10 -6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Voor de contour van het groepsrisico geldt in ieder geval dat het niet wenselijk is om hier kwetsbare bestemmingen toe te staan. Het streven moet zijn om het aantal personen binnen het invloed gebied onder de oriëntatiewaarde en waar mogelijk zo laag mogelijk te houden.
4.11.2 Resultaten In het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan is met hulp van de risicokaart in beeld gebracht welke (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen in het plangebied aanwezig zijn. Afbeelding 4.11 geeft een uitsnede van de risicokaart weer.
46 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Afbeelding 4.11 Uitsnede risicokaart.nl (plangebied aangeduid met paars kader)
Aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen Afbeelding 4.11 geeft de aanwezigheid van kwetsbare objecten (aangeduide met groene stip), risicobronnen (aangeduid met rode stip en rood kader) en transport gevaarlijke stoffen weer (aangeduid met groene lijn). De zwarte onderbroken lijn in afbeelding 4.11 geeft de risicocontour van risicobronnen aan. Op afbeelding 4.11 is te zien dat binnen de grenzen van het plangebied geen kwetsbare objecten, risicobronnen en/of trajecten waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd aanwezig zijn. In de omgeving van plangebied zijn er wel kwetsbare objecten en risicobronnen aanwezig. Ten noorden van het plangebied is een pension (kwetsbaar object) aanwezig. Ten oosten bevindt zich een toeleverancier in gewasbeschermingsmiddelen, kunstmest, potgrond, veevoeders, compost, plastics, vermiculite, zaaizaden (risicobron) en ten westen van het plangebied ligt een benzinestation (risicobron). De N9 is een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De N248 en het Noordhollandsch Kanaal zijn ook aangemerkt als een transportroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, maar staan niet op de risicokaart. Toetsing Dit bestemmingsplan maakt geen kwetsbare objecten of bestemmingen mogelijk. Het planvoornemen heeft geen invloed op het dichtstbijzijnde (beperkt) kwetsbaar object, te weten: het pension.
Verder bevindt het plangebied zich op ruime afstand van de plaatsgebonden risicocontour van de risicobronnen. Tot slot leidt het verplaatsen van de Stolperbrug niet tot een verandering in de transportintensiteiten van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N9, de N248 en het Noordhollandsch Kanaal. Gezien de zeer beperkte wijziging van het tracé van de N248 (door de vervanging van de Stolperbrug) en de minimale bebouwing in de directe nabijheid van het plangebied heeft het planvoornemen geen effect op het groepsrisico. Samenvattend heeft het planvoornemen geen gevolgen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
4.11.3 Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een toename in het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten aanzien van het aspect externe veiligheid.
47 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
4.12
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen en verbindingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. De leidingen en verbindingen zijn te verdelen in drie typen: - buisleidingen met een externe veiligheidszone; - bovengrondse hoogspanningslijnen; - overige leidingen. De eerste twee type leidingen zijn in ieder geval planologisch relevant. Voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. In planologisch relevante leidingen worden bijvoorbeeld de navolgende producten vervoerd: - gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen en goederen; - aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch; - defensiebrandstoffen; - warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
4.12.1 Wettelijke grondslag Voor elk van de drie typen leidingen en verbindingen is het wettelijk gezien anders geregeld: 1 voor buisleidingen geldt een wettelijke verplichting. Voor buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van belang; 2 voor bovengrondse hoogspanningsleidingen geldt een advies van het Rijk. Hoe omgegaan moet worden met bovengrondse hoogspanningslijnen bij ruimtelijke plannen heeft het rijk aangegeven in haar ‘Advies met betrekking tot hoogspanningslijnen’ uit 2005 met kenmerk SAS/2005183118; 3 voor de overige leidingen bepaalt bevoegd gezag of deze planologisch relevant zijn. Gewone nutsleidingen zijn meestal niet relevant. Maar voor sommige leidingen is het toch wenselijk deze in het bestemmingsplan op te nemen. Bijvoorbeeld omdat ze van groot maatschappelijk belang zijn en er grote problemen ontstaan als de leiding niet meer werkt.
4.12.2 Resultaten De bestaande kabels en leidingen onder en nabij het plangebied zijn geïnventariseerd. Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen.
4.12.3 Conclusie Er bevinden zich binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen. Dit aspect vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Daarnaast zal voorafgaand aan de graafwerkzaamheden een KLIC-melding worden uitgevoerd.
4.13
M.e.r.-(beoordelings)plicht
Voor elk besluit dat betrekking heeft op een activiteit of activiteiten die voorkomen op de C of D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
48 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
4.13.1 Wettelijke grondslag Besluit milieueffectrapportage Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AmvB). Het Besluit m.e.r. is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 Wet milieubeheer (Wm). Passende beoordeling In het geval van een plan leidt tot significante negatieve effecten op één of meer Natura 2000-gebieden waardoor een ‘passende beoordeling’ nodig is, is een bestemmingsplan op grond van artikel 7.2a lid 1 Wm m.e.r.-plichtig.
4.13.2 Resultaten Voor activiteiten waarbij er geen sprake is van overschrijding van drempelwaarden geldt een ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. De toekomstige vervangingsopgave van de Stolperbrug betreft geen activiteit die voorkomt op de C of D-lijst van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Verder hoeft er voor dit plan geen passende beoordeling te worden opgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Een m.e.r.-(beoordelings)plicht is dus niet aan de orde.
4.13.3 Conclusie Er is geen sprake van een m.e.r.-(beoordelings)plicht.
49 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
5 JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels, toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels) en een toelichting op de verbeelding.
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan?
Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 2 het bebouwen van de gronden; 3 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.
Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen en aanduiden
Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de regels zijn opgenomen. De toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen met behulp van een aanduiding nader worden ingevuld. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur of een lettercode et cetera. Via een aanduidi ng wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben.
50 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
5.1.3
Hoofdstukopbouw van de regels
De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken: 1 inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2); 2 bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn, dan worden deze ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels en gebruiksregels opgenomen die specifieker ingaan op bijvoorbeeld de bouwhoogte, situering van gebouwen en de toegestane functies. Aansluitend worden afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels opgenomen. In een enkel geval worden ruimere mogelijkheden geboden door het toepassen van een wijzigingsbevoegdheid. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsplanbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld; 3 algemene regels. In de laatste twee hoofdstukken zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Deze bepalingen hebben betrekking op het gehele plan. Het betreffen achtereenvolgens algemene regels, zoals een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels; 4 overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. Een toelichting op de bestemmingen is hierna opgenomen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hierboven is beschreven. Tevens is aangesloten bij de meest actuele landelijke standaarden voor de regels en de verbeelding, te weten de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) en IMRO2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening 2012). Qua inhoud en opzet is aangesloten bij recente en vergelijkbare bestemmingsplannen van de gemeente.
5.3
Toelichting op de regels
5.3.1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen Begrippen die in de regels worden gebruikt en die uitleg behoeven, worden in dit artikel uitgelegd.
51 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel bevat technische regelingen om onder andere oppervlaktes, hoogtes, dieptes en breedtes te kunnen bepalen.
5.3.2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Verkeer Deze bestemming heeft betrekking op de wegen in het plangebied. Er zijn bouwregels opgenomen voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 4 Water Deze bestemming heeft betrekking op het water in het plangebied. De voor Water aangewezen gronden zijn bestemd voor de aanleg, het onderhoud en de instandhouding vaarwegen en de waterhuishouding. De vaarwegen zijn ook voorzien van de bestemming Water. Binnen deze bestemming zijn alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan ten behoeve van bovenstaande doeleinden. Artikel 4 Waterstaat-Waterkering Deze dubbelbestemming beschermt de waterkering en de waterbeheersing die in het plangebied aanwezig is. De bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.
5.3.3
Algemene regels
Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Deze regel dient te voorkomen dat situaties ontstaan welke niet in overeenstemming zijn met de bedoeling van het plan. Daar voor een gebouw een zeker open terrein is vereist, wordt via de anti-dubbeltelregel voorkomen dat eenzelfde terrein twee keer wordt ‘meegenomen’ bij de beoordeling van een bouwaanvraag. Grond die al eerder moest worden meegeteld bij de beoordeling van een bouwplan mag niet nog eens worden meegeteld bij een nieuwe bouwaanvraag. Artikel 7 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn afwijkingsbepalingen opgenomen, die betrekking hebben op alle bestemmingen. Deels betreft het, met het oog op de feitelijke situatie of een concreet bouwplan, een in beperkte mate kunnen aanpassen van de reeds gegeven regels met betrekking tot gebruik en/of bebouwing.
5.3.4
Overgangs- en slotregels
In artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. Artikel 8 Overgangsrecht Uit oogpunt van behoorlijk bestuur dienen bestaande bebouwing en bestaand gebruik, welke afwijken van de in het bestemmingsplan opgenomen regels, te kunnen worden voortgezet. In deze bepaling geldt dit niet voor reeds met de vorige bestemmingsplannen strijdige situaties. De tekst van de bepaling is voorgeschreven in artikel 3.2.2 van het Besluit ruimtelijke ordening . Artikel 9 Slotregel In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald. Deze regels kunnen worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Stolperbrug.
52 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
6 UITVOERBAARHEID In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en economische uitvoerbaarheid van het plan.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Een bestemmingsplan dient maatschappelijk uitvoerbaar te zijn. Dat wil zeggen dat de voorgenomen ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt in het bestemmingsplan zijn besproken met belanghebbenden. Provincie Noord-Holland vindt het belangrijk dat belanghebbenden goed geïnformeerd zijn over het project en kunnen meedenken over de inhoud en het proces. Via verschillende gesprekken, sessies en online tools is de omgeving betrokken bij het project. Zo zijn er 3 online bijeenkomsten geweest voor specifieke stakeholdergroepen zoals transport en landbouw, scheepvaart en omwonenden. Daarnaast is er online participatie uitgevoerd door middel van het online platform https://stolperbrug.inbeeld.app/. Tijdens de sessies zijn de plannen door middel van beeldmateriaal toegelicht. Tijdens de sessies, en op het online platform, zijn vragen, verzoeken en wensen aan het projectteam meegegeven. Het projectteam beoordeelt elke wens individueel op haalbaarheid en besluit vervolgens om de wens wel of niet op te nemen in het project. De stakeholders worden geïnformeerd of hun wens is opgenomen in het project en wat daarvoor de argumentatie is. Zo is het voor alle belanghebbenden duidelijk waarom hun wens wel, of niet is opgenomen.
De volgende partijen zijn onder andere gesproken: firma Spaansen (gelegen naast de Stolperbrug); LTO; Ondernemersfederatie Schagen; CDe umela; TLN; Fietsersbond; Omwonenden; Waterrecreatie Nederland; Koninklijke Schuttevaer; BBZ; Watersportverbond. Voor omwonenden en de fietsersbond was de noordelijke oversteek van de rotonde een aandachtspunt. Deze wordt in de huidige situatie als onveilig ervaren. De provincie heeft daarom een nieuw ontwerp van de oprit en oversteek gemaakt. De Stolperbrug is tevens een belangrijke verbinding over het Noordhollandsch Kanaal voor landbouw en transport. De belanghebbende stakeholders zij geraadpleegd tijdens een sessie. Het grootste belang van de stakeholders is de bereikbaarheid tijdens de uitvoering. Deze is afgestemd. Het Noordhollandsch Kanaal is een belangrijke vaarweg. De belanghebbende stakeholders zijn geraadpleegd tijdens een sessie over de
53 | 56
Witteveen+Bos | 119096/22-000.155 | Definitief
vaarweg. Doorvaartbreedte, doorvaarthoogte en hinder waren belangrijke uitgangspunten. Deze zijn meegenomen in het ontwerp en in het contract. Tijdens de realisatie van het project wordt de omgeving zorgvuldig geïnformeerd. Naar verwachting gebeurt dit via brieven, bouwborden en inloopmiddagen in de keet tijdens de uitvoering. Tijdens de uitvoering van het gehele project zal gedurende een periode van circa 8 maanden hinder voor verkeer en omgeving ontstaan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
6.2.1
Financiering en grondverwerving
Financiering Het project wordt gefinancierd door de provincie Noord-Holland. Er zijn voldoende middelen beschikbaar voor het vervangen van en onderhoud aan de bruggen, de aanleg van de openbare infrastructuur, de inrichting van het openbaar gebied en de inrichting van het groen die met dit project gemoeid zijn. Hierm ee is de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende verzekerd. Grondverwerving Ten behoeve van het planvoornemen verwerft provincie Noord-Holland van twee partijen grond: Rijkswaterstaat en het Hoogheemraadschap. De overname gesprekken zijn hiervoor in gang gezet. Beide partijen zijn bereid de grond te verkopen. Afbeelding 6.1 bevat de gronden te verwerven van Rijkswaterstaat. Er zijn 3 percelen te verwerven: C1805, C1829 en C1970. C1805 en C1970 worden conform huidige vorm overgenomen. Het percelen C1829 zijn ter plaatse van de rotonde iets vergroot richting het noorden omdat de nieuwe rotonde noordelijker komt dan de bestaande rotonde.