CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

GoFlo_V4

Gemeenteraad 4 november 2025, gemeente SchagenBij agendapunt: Omgevingsvergunning gebruiksgerichte paardenhouderij Grote Sloot 8 in Burgerbrug12.169 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.10 Luchtkwaliteit 4.10.1 Wettelijk kader Om schade aan de volksgezondheid te beperken, moet de kwaliteit van de lucht voldoen aan Europese normen. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; • woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Pagina 25 van 39

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.10.2 Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een paardenpension en het uitbreiden van de schuur. Deze ontwikkeling past niet binnen de lijst met categorieën die vallen onder NIBM zoals in artikel 5.54 Bkl. Daarom is de NIBM-tool ingevuld. De NIBM-tool is ingevuld voor een gemiddelde verkeersgeneratie van een worstcase schatting van 44 extra voertuigbewegingen (Figuur 14). Voor het jaar van realisatie is 2025 genomen. Voor het aandeel van vrachtverkeer is een percentage van 1,0 meegenomen voor bevoorrading van de stal. Dit zorgt ervoor dat de bijdrage van extra verkeer nietin-bekende-mate is.

Figuur 14 | Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit (Bron: GCN2023 NIBM-tool)

4.10.3 Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van dit project.

4.11 Geur 4.11.1 Wettelijk kader De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geur veroorzakende bedrijven. Conform artikel 5.92 lid 2 van het Bkl moet de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn. Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vindt. 4.11.2 Toetsing In het geval sprake is van een bedrijfswoning is artikel 22.93 van het omgevingsplan van belang. Hierin is gesteld dat de waarden en afstanden ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s niet van toepassing zijn als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit. De pensionstal betreft een geurgevoelige functie en heeft een functionele

Pagina 26 van 39

binding met het bedrijf. Daarom wordt er getoetst aan artikel 22.93 ‘Geur: functionele binding’ van het omgevingsplan. Voor de Grote Sloot 6 en Grote Sloot 10, de dichtstbijzijnde gevoelige functies, moet er rekening gehouden worden met de afstanden die voor de toekomstige pensionstalling gelden. Zoals in artikel 22.92 lid b ‘Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden’ gelden de waarden en afstanden voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen. Deze waarden en afstanden zijn genoemd in de volgende artikelen van het omgevingsplan: • Artikel 22.1.01 ‘Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand’: De afstand, gemeten vanaf emissiepunt dierenverblijf tot een geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom is niet kleiner 50 meter; • Artikel 22.103 ‘Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf’: De afstand vanaf de gevel dierenverblijf tot geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom is niet kleiner dan 25 m; De afstand gemeten vanaf de gevel van de paardenstal tot de Grote Sloot 6 betreft 52 meter en tot de Grote Sloot 10 betreft 163 meter (Figuur 15). Deze afstanden voldoen aan bovengenoemde eisen.

Daarnaast voldoen de afstanden aan de richtafstand van de VNG-richtlijn van 50 meter voor het aspect geur.

Figuur 15 | Afstanden dierenverblijf ten opzichte van Grote Sloot 6 en 10 (Bron: Cyclomedia)

4.11.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12 Bodem 4.12.1 Wettelijk kader Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in de planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen en bouwwerken pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het doel. Om die reden dient bij veel (nieuw)bouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld.

Pagina 27 van 39

4.12.2 Toetsing Uit het digitale archief van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN) volgt dat er geen bodemonderzoeken bekend zijn op de locatie. Uit de bodemkwaliteitskaart van OD NHN volgt dat de projectlocatie ligt in een zone waar de verwachte ontgravingsklasse van zowel de boven- als ondergrond is gesteld op ‘Landbouw/natuur’. Het is bekend dat voor de voorgenomen werkzaamheden slechts minimale graafwerkzaamheden plaatsvinden en ook zal er geen grond worden afgevoerd. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de eisen ten behoeve van een vrijstelling voor bodemonderzoek aangezien er geen sprake is van een wijziging naar een gevoeligere functie (bestaand bouwwerk). 4.12.3 Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er zullen zeer beperkte graafwerkzaamheden plaatsvinden en er zal geen grond afgevoerd worden.

4.13 Omgevingsveiligheid 4.13.1 Wettelijk kader Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Paragrafen 5.1.2.2 t/m 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Binnen de externe veiligheid worden twee normstellingen gehanteerd; het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Het plaatsgebonden risico (PR) risico gaat over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger. Dit is de overlijdenskans voor een persoon die op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent (onbeschermd) aanwezig is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans dat een groep, met een bepaalde grootte, het slachtoffer kan worden van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Er wordt hierbij getoetst aan de risicokaart, die gevaarlijke inrichtingen, transportroutes en leidingen weergeeft. 4.13.2 Toetsing Het oostelijke deel van de paardenstal zal zich na de uitbreiding in het brandaandachtsgebied bevinden van een gasleiding.

Het hart van deze leiding ligt op 429 meter ten oosten van de projectlocatie (Figuur 16). Vanwege de ontwikkeling moet het externe risico worden verantwoord van de nabijgelegen gastransportleiding. Hierbij wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

Figuur 16 | Uitsnede risicokaart met projectlocatie binnen de rode contour (Bron: Atlasleefomgeving)

Pagina 28 van 39

Bestrijdbaarheid De voorgenomen ontwikkeling zelf, betreft geen externe risicobron. Ook leidt de realisatie van het plan niet tot een mindere bereikbaarheid en daarmee mindere bestrijdbaarheid van een calamiteit aan de gasleiding ten opzichte van de huidige situatie, de bebouwing is reeds aanwezig. Zelfredzaamheid De pensionstalling voor paarden is niet specifiek voor minder zelfredzame individuen bedoeld, maar minder zelfredzame individuen zijn niet uitgesloten. Externe risico’s kunnen ontstaan in de vorm van een fakkelbrand. Een fakkelbrand kan optreden als gevolg van een leidingbreuk. Het blussen van een fakkelbrand is niet mogelijk, de brand wordt bestreden door de toevoer af te sluiten. Afhankelijk van de situatie kan het handelingsperspectief verschillen. Het gewenste handelingsperspectief betreft schuilen, tenzij de pensionstalling getroffen wordt door een secundaire brand. In dat geval is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Er kan gevlucht worden in noordelijke en zuidelijke richting, over de Grote Sloot. Dat de pensionstelling wordt geraakt als gevolg van een brand in de gasleiding is onwaarschijnlijk, vanwege de afstand van 429 meter van de leiding tot de paardenstal. Mocht er een brand ontstaan, dan is in de omgeving van het erf voldoende (open water) bluswater aanwezig ten noorden en westen van de projectlocatie.

Het aspect externe veiligheid staat de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling niet in de weg. 4.13.3 Conclusie Het oostelijke deel van de paardenstal ligt in een brandaandachtsgebied van een gastransportleiding. Brand op de projectlocatie wordt als onwaarschijnlijk beschouwd door de afstand van 429 meter tot de gastransportleiding. De bestrijdbaarheid van de toekomstige situatie blijft gelijk aan de huidige situatie, waardoor dit geen belemmering vormt. Ook de zelfredzaamheid wordt gewaarborgd. Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.14 Natuur 4.14.1 Wettelijk kader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld. Flora- en Fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als ‘activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. Indien een projectlocatie in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000 De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet.

Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit: in Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Pagina 29 van 39

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee; De projectlocatie ligt op 270 meter ten noordoosten van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het betreft de ‘Nollen Kooibosch Luttickduin’. 4.14.2 Toetsing flora & fauna Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Smit Groenadvies B.V. een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plaatse van de huidige woning. De volledige rapportage is als bijlage IV bij de GoFlo opgenomen. Uit de quickscan flora & fauna blijkt dat er geen potenties waargenomen zijn voor beschermde soorten. De projectlocatie beschikt niet over geschikte elementen die waardevol kunnen zijn voor beschermde flora en fauna. Nader onderzoek is niet nodig. 4.14.3 Toetsing stikstofdepositie De Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor de bescherming van enkele stikstofgevoelige habitats.

Ontwikkelingen dragen mogelijk bij aan een toename van stikstofemissie en daarmee van extra stikstofdepositie op de stikstofgevoelige habitats. De projectlocatie ligt op 2,5 kilometer afstand ten noordoosten van het Natura 2000-gebied ‘Schoorlse Duinen’ (Figuur 17). Vanuit de Omgevingswet (OW) is het noodzakelijk om uit te sluiten dat er door het projectvoornemen sprake is van significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. AERIUS is het voorgeschreven rekeninstrument dat wordt gebruikt om stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats te berekenen.

Figuur 17 | Uitsnede Natura 2000-gebieden met projectlocatie binnen de rode contour (Bron: Atlasleefomgeving)

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, de resultaten hiervan zijn hieronder uitgewerkt. In de berekening zijn de aanlegfase en gebruiksfase in één jaar berekend, uitgaande van een worstcase scenario.

Pagina 30 van 39

Aanlegfase De in te voeren parameters voor de aanlegfase zijn bepaald aan de hand van het ingeschatte aantal benodigde vrachtwagens en overig verkeer voor de aan- en afvoer van materiaal en een schatting van het soort mobiele werktuig en haar geschatte draaiuren (Figuur 18).

Figuur 18 | Uitsnede ingevoerde emissies machines

Voor de aan- en afvoerroute van materiaal en personeel moet rekening gehouden worden met de plaats waar de transportstromen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Hiervoor is de Sint Maartensweg ten noorden van de projectlocatie aangehouden (Figuur 19).

Figuur 19 | Uitsnede ingevoerde emissies bouwverkeer

Gebruiksfase In de gebruiksfase is er sprake van emissie door verkeersstromen van de stal, emissie door de dieren en door koude start van voertuigen.

Pagina 31 van 39

Voor het verkeer is er voor de beoogde situatie uitgegaan van 44 lichte motorvoertuigbewegingen per dag. De gegevens zijn op basis van cijfers van het CROW berekend (Tabel 4). Voor de route van de verkeersstromen is de Sint Maartensweg ten noorden van de projectlocatie aangehouden (Figuur 20 ). Tabel 4: Verkeersgeneratie

Typologie

Hoeveelheid

Verkeersgeneratie

Totale verkeersgeneratie per jaar

Paardenhouderij

11

4,0

44,0

Figuur 20 | Ingevoerde emissie verkeersstromen

Figuur 21 | Ingevoerde emissie dieren

De beoogde gebruiksfase en de aanlegfase samen zorgen voor een grootste toename van stikstofdepositie van 0,06 mol N/ha/jr op diverse natuurgebieden. Het aspect stikstof dient nader onderzocht te worden door de depositie. Het is mogelijk om intern te salderen met de referentiefase

Pagina 32 van 39

van 17 koeien en 150 schapen. Echter mag de referentiefase niet meer worden meegenomen in de voortoets, dit dient door middel van een passende beoordeling plaats te vinden. Gezien de omvang van de referentiefase is het aannemelijk dat het aspect stikstof uiteindelijk geen belemmering zal vormen. 4.14.4 Conclusie Uit de quickscan flora & fauna blijkt dat er geen potenties waargenomen zijn voor beschermde soorten. De projectlocatie beschikt niet over geschikte elementen die waardevol kunnen zijn voor beschermde flora en fauna. Nader onderzoek is niet nodig. Het aspect stikstof dient nader onderzocht te worden door de depositie. Het is mogelijk om intern te salderen met de referentiefase van 17 koeien en 150 schapen. Echter mag de referentiefase niet meer worden meegenomen in de voortoets, dit dient door middel van een passende beoordeling plaats te vinden. Gezien de omvang van de referentiefase is het aannemelijk dat het aspect stikstof uiteindelijk geen belemmering zal vormen.

4.15 Weging van het waterbelang 4.15.1 Wettelijk kader In de waterparagraaf komen de relevante wateraspecten aan bod die van belang zijn in de projectlocatie. De projectlocatie ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer in de projectlocatie. Tevens is het hoogheemraadschap in het kader van het vooroverleg betrokken bij het tot stand komen van ruimtelijke plannen. 4.15.2 Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen buitenplanse omgevingsplanactiviteit is de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl) doorlopen. Op basis van de ingevoerde gegevens wordt geconcludeerd dat er geen waterschapsbelang is bij deze ruimtelijke activiteit, omdat er geen toename in verharding of uitbreiding in bebouwing plaatsvindt. Verder overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is niet nodig. De watertoets is opgenomen als bijlage V bij de GoFlo. Verharding Het projectvoornemen betreft het uitbreiden van de bestaande stal met 669 m2 en het verwijderen van de open frontstal en mestsilo. Dit gaat om 1.167 m2 aan verhard oppervlakte dat verdwijnt, daarnaast wordt ook nog erfverharding verwijderd. Er is daarom sprake van een verhardingstoename van minder dan 800 m2, in tegenstelling het verhard oppervlakte neemt zelfs af.

De uitbreiding van de stal heeft een beperkt effect op de waterhuishoudkundige situatie. Er zijn geen compenserende maatregelen nodig. Gemeente Schagen geeft aan dat het bij nieuwe uitbreidingen met een oppervlakte groter dan 50m2 verplicht is om een waterberging voor regenwater aan te leggen. De ontwikkeling betreft een toename van 669 m2. Daarom is er aan de oostzijde van de stal ruimte gereserveerd voor een waterberging. Uit de watertoets volgt dat de projectlocatie is gelegen in het invloedsgebied van een regionale waterkering en een primaire waterloop. Dit gaat om de Grote Sloot. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen 5 meter van deze watergang. De dichtstbijzijnde werkzaamheid bij de Grote Sloot is het verwijderen van verharding. De ontwikkeling heeft daarom geen invloed op de Grote Sloot. 4.15.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.16 Trillingen 4.16.1 Wettelijk kader Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 van de Bruidsschat en artikel 5.87 Bkl. 4.16.2 Toetsing Er zijn in de omgeving van de projectlocatie geen bronnen aanwezig die mogelijk trillinghinder kunnen veroorzaken, zoals spoorlijnen. De voorgenomen werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit lichte sloop- en bouwwerkzaamheden. De relatief zware werkzaamheden zijn van korte duur, en lokaal van aard. Trillingen blijven daarmee onder de grenswaarden van de SBR-richtlijn B (schade aan

Pagina 33 van 39

gebouwen). De afstand tot omliggende (gevoelige) functies, zoals nabijgelegen woningen of dierenverblijven, is zodanig dat geen schade of hinder wordt verwacht. 4.16.3 Conclusie Het aspect 'trillingen' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Pagina 34 van 39

5.1

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Financieel economische haalbaarheid In deze GoFlo is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Op basis hiervan kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. 5.1.2 Kostenverhaal Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit. Dit betekent dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De projectkosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van nadeelcompensatie. Hiervoor zal een overeenkomst opgesteld worden tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

Het kostenverhaal is hiermee gedekt.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De procedure voor vaststelling van omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) geldt meestal de reguliere procedure. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is er bezwaar en beroep mogelijk. In sommige gevallen geldt voor de BOPA de uitgebreide procedure: • als dit is aangewezen in de Omgevingswet en/of het Omgevingsbesluit; • op verzoek van de aanvrager; • als het bevoegd gezag deze van toepassing verklaart. Het bevoegd gezag kan de uitgebreide procedure van toepassing verklaren op de BOPA (artikel 16.65, lid 4, Omgevingswet). In de uitgebreide procedure beslist het bevoegd gezag binnen 6 maanden na een aanvraag. In dit geval zal de reguliere procedure aangehouden worden. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om een raadsbesluit te nemen over het bindend adviesrecht bij een aanvraag voor een BOPA. Wanneer de gemeenteraad gebruik maakt van deze bevoegdheid, worden aangewezen aanvragen voor BOPA’s door het college van Burgemeester & wethouders ter advisering aan de gemeenteraad voorgelegd. Dit advies moet het college van B&W dan opvolgen.

Deze ontwikkeling valt onder artikel 1, lid g van het ‘Besluit van de raad van de gemeente Schagen houdende regels tot aanwijzing van gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten waarvoor de raad adviseur is’. De raad geeft in dit geval een gemotiveerd advies over het wel of niet verlenen van die omgevingsvergunningaanvraag. Het plan is 21 januari in de raad besproken en zij hebben aangegeven akkoord te zijn met het planvoornemen. 5.2.1 Participatie Gemeente Schagen heeft in april 2024 de ‘Participatiehandleiding Omgevingswet: Betrek uw omgeving’ gepubliceerd. Bij een BOPA gaat het vaak om grotere plannen of ontwikkelingen, daarom

Pagina 35 van 39

kan er in sommige gevallen sprake zijn van een adviesrecht van de gemeenteraad en verplichte participatie. In deze handleiding is een lijst opgenomen met gevallen van verplichte participatie. In dit geval is er sprake van verplichte participatie. Initiatiefnemers hebben reeds aan de participatieplicht voldaan. In Tabel 5 is het participatieverslag uitgeschreven. Tabel 5 | Participatieverslag Naam initiatiefnemer Adres locatie initiatief Benaderde personen/doelgroepen Manier van participatie Beschrijf wie er uiteindelijk aan de participatie hebben meegedaan Zijn er personen/doelgroepen gemist en wat is er aan gedaan om die alsnog te bereiken? Beschrijving van de inhoudelijke resultaten van het participatieproces Is voor alle betrokkenen duidelijk hoe het traject van het initiatief verder verloopt?

M. Nanne & G. Bruni Grote Sloot 8, Burgerbrug Bewoners Grote Sloot 6 en Grote Sloot 10 Persoonlijk langsgeweest (met tekeningen) Bewoners Grote Sloot 6 en Grote Sloot 10 Nee Omwonenden zijn positief, zij zijn blij dat het vervallen achtererf opgeknapt en opgeruimd wordt. Ja

5.2.2 Bezwaar De omgevingsvergunning wordt aangevraagd en gepubliceerd in een zelf uitgegeven elektronische publicatie zoals het gemeenteblad, waarna binnen maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken een besluit genomen moet worden. Na deze beslistermijn is bezwaar en beroep mogelijk.

Pagina 36 van 39

6.1

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

6.2

Conclusie

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels. In hoofdstukken 3 en 4 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking tot het toestaan van een gebruiksgerichte paardenhouderij ter plaatse van het agrarische perceel Grote Sloot 8 te Burgerbrug. De huidige stal wordt in de lengte, hoogte- en breedterichting uitgebreid. Daarnaast wordt de open frontstal en de mestsilo verwijderd. De impact van de beoogde ontwikkeling op de omgevingsaspecten is beperkt van aard en er treden geen nadelige gevolgen voor het milieu op. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Pagina 37 van 39

Bijlage I

– Tekeningen

Bijlage II

– Quickscan Archeologie en Cultuurhistorie

Bijlage III

– Landschappelijke inpassing

Bijlage IV

– Omgevingsscan Flora & Fauna

Bijlage V

– Watertoets

Harmenkaag 11 1741 LA SCHAGEN 0224 – 299346 info@prommenz.nl www.prommenz.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15987081/1