GoFlo_V4
Tekst van het document
P240019
Woning Jewelweg 8c, Callantsoog Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo)
Versie 2.0
P240764
Wijziging Grote Sloot 8, Burgerbrug Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo)
opdrachtgever document
M. Nanne & G. Bruni P240764_GoFlo
versie
2.0
datum
10 juli 2025
auteur
M. Tas
controle
E. van IJzerloo, BSc.
vrijgave
P. Wiebes
P240764
Wijziging Grote Sloot 8, Burgerbrug Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo)
Figuur 1 | Projectlocatie bij rode punt (Bron: Google Earth)
Figuur 2 | Projectlocatie binnen rode contour gelegen aan de Grote Sloot 8, te Burgerbrug (Bron: Google Earth)
P240764
Wijziging Grote Sloot 8, Burgerbrug Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo)
1 Aanleiding en doel
5
2 Projectvoornemen
8
3 Beleid en regelgeving
10
4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
18
5 Uitvoerbaarheid
35
6 Belangenafweging en conclusie
37
Bijlagen
38
1.1 1.2 1.3 1.4
2.1 2.2 2.3
3.1 3.2 3.3 3.4
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15 4.16 5.1 5.2
6.1 6.2
Aanleiding en doel ............................................................................................................................................................... 5 Ligging van de projectlocatie .......................................................................................................................................5 Planologische regelgeving ............................................................................................................................................ 6 Leeswijzer ...................................................................................................................................................................................7 Historische context ............................................................................................................................................................. 8 Huidige situatie ..................................................................................................................................................................... 8 Projectvoornemen .............................................................................................................................................................. 9
Rijksbeleid en Rijksregels ............................................................................................................................................. 10 Provinciaal beleid en provinciale regels ............................................................................................................... 11 Regionaal beleid en regionale regels .................................................................................................................... 13 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................................... 13 Milieueffectrapportage ...................................................................................................................................................18 Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................................................ 19 Cultuurhistorie ......................................................................................................................................................................
19 Landschappelijke inpassing .......................................................................................................................................20 Archeologie ............................................................................................................................................................................. 21 Bedrijfsmatige activiteiten .......................................................................................................................................... 22 Gezondheid ............................................................................................................................................................................ 23 Geluid ......................................................................................................................................................................................... 23 Verkeer en parkeren ........................................................................................................................................................24 Luchtkwaliteit .......................................................................................................................................................................
25 Geur ............................................................................................................................................................................................. 26 Bodem ....................................................................................................................................................................................... 27 Omgevingsveiligheid ...................................................................................................................................................... 28 Natuur ........................................................................................................................................................................................ 29 Weging van het waterbelang.................................................................................................................................... 33 Trillingen .................................................................................................................................................................................. 33 Economische uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................
35 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ........................................................................................................................ 35
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties ...................................................................................... 37 Conclusie.................................................................................................................................................................................. 37
Bijlage I – Tekeningen .........................................................................................................................................................................38 Bijlage II – Quickscan Archeologie en Cultuurhistorie ...................................................................................................38 Bijlage III – Landschappelijke inpassing ...................................................................................................................................38 Bijlage IV– Omgevingsscan Flora & Fauna ............................................................................................................................. 38 Bijlage V – Watertoets ..........................................................................................................................................................................38
1.1
Aanleiding en doel
De initiatiefnemers zijn voornemens om op het perceel aan de Grote Sloot 8 te Burgerbrug een pensionstalling voor paarden te starten (figuur 1). De projectlocatie staat kadastraal bekend onder gemeente Zijpe, sectie E, nummer 1131. De locatie valt onder het ‘Omgevingsplan gemeente Schagen’ van rechtswege, waarbij de regels van het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zijpe’ (vastgesteld op 18-05-2016) van toepassing zijn. Het vestigen van een pensionstalling voor paarden op de aangewezen locatie is in strijd met de regels, omdat een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij’ toegestaan is. Om de pensionstalling te realiseren, dient er afgeweken te worden van het omgevingsplan. Vanwege de strijdigheid met het omgevingsplan dient er een omgevingsvergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit’ (BOPA) aangevraagd te worden. Dit document betreft de Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GoFlo).
1.2
Ligging van de projectlocatie
De projectlocatie staat kadastraal bekend onder gemeente Zijpe (ZPE00), sectie E, nummer 1131. Het perceel is in eigendom van initiatiefnemers en heeft een oppervlakte van 13.500 m 2. Het agrarische perceel ten noorden en oosten van de projectlocatie (ZPE00-E-1348) is ook in eigendom van de initiatiefnemers. Aan de zuidzijde grenst het perceel aan de Grote Sloot 6 en aan de westzijde grenst het perceel aan de Grote Sloot (Figuur 3).
Figuur 3 | Bovenaanzicht projectlocatie vanuit het oosten (Bron: cyclomedia.nl)
Pagina 5 van 39
1.3
Planologische regelgeving
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Schagen’ van rechtswege, bestaande uit een tijdelijk en een nieuw deel. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit ruimtelijke regels, volgend uit een aantal vervallen instrumenten waaronder bestemmingplannen en rijksregels over activiteiten (de bruidsschat). Ook zit in het tijdelijk deel van het omgevingsplan het ‘Bestemmingsplan Buitengebied Zijpe’ (vastgesteld 18 mei 2016). Hieronder valt de projectlocatie. Op het perceel rust de enkelbestemming ‘Agrarisch’ en het westelijke gedeelte van de projectlocatie valt onder ‘Waarde – Archeologie 3’ en het oostelijke deel valt onder ‘Waarde – Archeologie 4’. (Figuur 4). De functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – veehouderij’ is van toepassing op deze bestemming. Daarnaast zit er een bouwvlak op het perceel en bevindt het zich in een weidevogelleefgebied. Onder strijdig gebruik met de bestemming valt het realiseren van een pensionstalling voor paarden.
Figuur 4 | Uitsnede geldend ruimtelijk plan (Bron: omgevingswet.overheid.nl)
De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat: a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - veehouderij', uitsluitend bestaande veehouderijbedrijven zijn toegestaan; b. maximaal 1 bouwlaag van gebouwen mag worden gebruikt voor het houden van dieren; c. uitbreiding of nieuwbouw van dierverblijven, dan wel het realiseren van nieuwe dierplaatsen in bestaande dierverblijven niet is toegestaan; b. […] c. een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij'; d. […] Voor het bouwen gelden de volgende algemene bouwregels: a. de bebouwing mag alleen binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht; b. […] De voor ‘waarde – archeologie-4’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden; b. de overige bestemmingen die op basis van het plan aan de gronden zijn toegewezen. Zonder omgevingsvergunning is het verboden om de volgende werkzaamheden uit te voeren: a. het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen; b. het rooien of vellen van houtopstanden; c. de aanleg van verhardingen met een groter oppervlak dan 500 m² en op een grotere diepte dan 0,50 m; d.
het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
Pagina 6 van 39
e. f. g. h.
het graven, verbreden of dempen van sloten alsmede het aanleggen en intensiveren van drainage; het in de grond brengen van voorwerpen op een grotere diepte dan 0,50 m en met een oppervlakte van meer dan 500 m² ; het verrichten van graafwerkzaamheden dieper dan 0,50 m en met een oppervlakte van meer dan 500 m²; het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
Uitzonderingen hierop zijn: a. voor werken en/of werkzaamheden die het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen het vervangen van drainagewerken; b. voor werken en/of werkzaamheden die mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning; c. voor werken waarbij geen grondroerende werkzaamheden groter dan 500 m² plaatsvinden, dan wel werken waarbij grondroerende werkzaamheden plaatsvinden groter dan 500 m² maar niet dieper dan 0,50 m; d. indien kan worden aangetoond dat de gronden in het verleden dusdanig zijn geroerd dat geen archeologische waarden meer kunnen worden verwacht. De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden; b. de overige bestemmingen die op basis van het plan aan de gronden zijn toegewezen. In afwijking van het bepaalde in de aangegeven andere bestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid; b.
bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met meer dan 100 m² wordt uitgebreid, maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,35 m onder het maaiveld; c. bouwwerken met een oppervlakte van 100 m² of minder; d. bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m² maar waarbij geen grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan 0,35 m onder het maaiveld; e. gronden waarvan kan worden aangetoond dat deze in het verleden dusdanig zijn geroerd dat geen archeologische waarden meer kunnen worden verwacht. Het bovengenoemde verbod is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de gronden in het verleden dusdanig zijn geroerd dat geen archeologische waarden meer kunnen worden verwacht. Het vestigen van een pensionstalling voor paarden op de aangewezen locatie is in strijd met de regels, omdat een gebruiksgerichte paardenhouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - gebruiksgerichte paardenhouderij’ toegestaan is.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze GoFlo wordt een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie van de projectlocatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante beleid en de regelgeving op verschillende bestuursniveaus. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu, waarna in hoofdstuk 5 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project worden toegelicht. Hoofdstuk 6 sluit af met een belangenafweging en conclusie.
Pagina 7 van 39
2.1
Historische context
De projectlocatie ligt in de Zijpe- en Hazepolder nabij Burgerbrug. Het ensemble Zijpe- en Hazepolder wordt ook wel De Zijpe genoemd en is gelegen in de kop van Noord-Holland aan de Noordzeekust. De Zijpe is ontstaan als gevolg van een bedijking van een stuk buitendijkse wadgrond die vervolgens droog is gevallen. De locatie lag voorheen in een veengebied. Als gevolg van veenontginning vond bodemdaling en erosie vanuit de kust plaats, dit leidde ertoe dat het gebied onder water kwam te staan. Tussen Callantsoog en Huisduinen lag een smalle strandwal die boven water bleef, met op drie plekken zeegaten; het Marsdiep, het Heersdiep en de Zijpe. De zeegaten in de Zijpe verzandde in de 15e en 16e eeuw langzaam. Vanaf de 16e eeuw werden diverse pogingen gedaan om de Zijpe droog te leggen. Onder andere door stormvloeden lukte het droogleggen pas in 1597 toen er een zanddijk werd aangelegd ter hoogte van de Hondsbosche- en Pettemer Zeewering. Het droogleggen gebeurde door het aanleggen van dijken en het gebied werd drooggehouden met behulp van molens. De opzet van de Zijpepolder bestaat uit drie assen in de lengterichting die de vorm van de polder volgen. De assen bestaan uit twee wegen, de Belkmerweg en de Ruigeweg en één vaart, de Groote Sloot. Tussen de assen liggen twee kleinere vaarten, de Ooster- en Middel-Egalementsloot.
De polder wordt op enkele plaatsen doorkruist door dwarswegen, op deze kruispunten zijn vervolgens kernen van bebouwing ontstaan (Figuur 5). Tot aan de 19e eeuw deden zich geen grote veranderingen voor in de structuur van Zijpepolder. De projectlocatie is gesitueerd ten zuiden van de Zijper- en Hazepolder (Figuur 5). De afgelopen 20 jaar is het bedrijf een melkveehouderij geweest. De stal gelegen achter het woonhuis is gebouwd in 1996 en in 2005 is de opslagloods gebouwd. Sinds 2019 zijn er ongeveer 100 zonnepanelen op het dak van de loods gelegd.
Figuur 5 | Projectlocatie binnen rode contour omstreeks 1822, 1950 en 2010 (bron: Topotijdreis.nl)
2.2
Huidige situatie
De projectlocatie ligt binnen het kadastrale perceel ZPE00-E-1131 met een totaal oppervlakte van 13.500 m2. Op de projectlocatie zijn agrarische opstallen ten behoeve van een melkveebedrijf aanwezig, een mestsilo, koeienstallen en een opslagloods ten behoeve van het melkveebedrijf (Figuur 6). Het woonhuis is omringd door beplanting en de rest van het erf is grotendeels verhard. De projectlocatie ligt langs één van de polderlinten, de Grote Sloot. Daarnaast ligt op geringe afstand ten oosten van de projectlocatie de Westfriese Omringdijk. Daarnaast bevindt zich aan de zuidzijde van de projectlocatie een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning. De noord- en oostzijde van het perceel grenzen aan agrarische grond, in eigendom van initiatiefnemers.
Pagina 8 van 39
Figuur 6 | Luchtfoto projectlocatie (Bron: cyclomedia.nl)
2.3
Projectvoornemen
In de toekomstige situatie bestaat het erf uit een paardenstal met binnenbak en een opslagloods ten behoeve van materiaal. Hierbij wordt de bestaande stal uitgebreid in de lengte, hoogte en de breedte (Figuur 7). De verharde ondergrond, mestsilo en open frontstal worden weggehaald. De loods zal worden behouden en gebruikt worden voor de opslag van materieel ten behoeve van de paardenstal.
Figuur 7 | Toekomstige situatie Grote Sloot 8 te Burgerbrug (Bron: Architectenburo Jan Kramer)
Pagina 9 van 39
3.1
Rijksbeleid en Rijksregels
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Omgevingswet is 1 januari 2024 in werking getreden. Het Rijk heeft een Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Het Ontwerp van deze Nationale Omgevingsvisie is in juni 2019 verschenen en op 11 september 2020 is deze definitief vastgesteld. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven en zorgen voor grote uitdagingen in Nederland die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Deze uitdagingen vragen om een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De NOVI heeft de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervangen. De NOVI richt zich op nationale belangen en de nationale belangen opgenomen in de SVIR maken onderdeel uit van de NOVI. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de "Ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd, en dit instrument, betreffende een behoeftetoetsing van een plan, maakt ook onderdeel uit van het beleid van de NOVI. De Nationale Omgevingsvisie richt zich op vier prioriteiten.
Deze hebben onderling veel met elkaar te maken en op deze prioriteiten geeft de NOVI richting aan hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten: • Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie • De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden • Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken • Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen De vier prioriteiten zijn vertaald naar een Uitvoeringsagenda, die concrete invulling geeft aan de richtingen, zowel vanuit de rol van het Rijk als in samenwerkingsverband. Het Rijk kiest hierbij voor de inzet van algemene rijksregels, bestaande financiële middelen en kennisontwikkeling. Het Rijk zal in samenspraak met medeoverheden en maatschappelijke partijen bestuurlijke afspraken maken. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Om beleidskeuzes te helpen maken zijn er drie afwegingsprincipes geformuleerd: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Conclusie Hoewel het rijksbeleid de overkoepelende rijksbelangen beschermt en zodoende weinig specifieke regels stelt aan omgevingsplannen kunnen de afwegingsprincipes wel worden toegepast.
In hoofdstuk 4 worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld, waarbij ingegaan zal worden op duurzaamheid en klimaatadaptatie alsook een onderbouwing van de ladder. Hiermee wordt aangetoond dat het projectvoornemen in overeenstemming is met de uitgangspunten van het NOVI. 3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan in hoofdstuk 5 instructieregels van het rijk voor het omgevingsplan. Afdeling 5.1 stelt instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De instructieregels gaan over het volgende: • Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1); • Waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2); • Beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3); • Beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4);
Pagina 10 van 39
• Beschermen van de landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5); • Behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6); • Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7); • Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving • Voorkomen van belemmeringen voor gebruik en beheer van de hoofdspoorweginfrastructuur en van rijkswegen; • Lokale spoorwegen binnen vervoerregio's; • Lozen van industrieel afvalwater in het openbaar vuilwaterriool; • Bebouwingscontour jacht; • Bebouwingscontour houtkap. Afdeling 5.3 bevat regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. In hoofdstuk 8 staan instructieregels van het rijk voor omgevingsvergunningen. Afdeling 8.1 bevat instructieregels over een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit van het rijk voor omgevingsvergunningen. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) gelden de beoordelingsregels van afdeling 8.1 Bkl.
Op grond van deze regels wordt een omgevingsvergunning slechts verleend: • met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) • als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. Uit het tweede lid van artikel 8.0b Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een BOPA geweigerd wordt als: • de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; • de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan; • de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. Conclusie Het projectvoornemen is in lijn met het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In hoofdstuk 4 gaan we in op de voor deze locatie van toepassing zijnde instructieregels van het rijk.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1 Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid De omgevingsvisie is hét beleidsinstrument voor de fysieke leefomgeving. De omgevingsvisie is het richtinggevende beleidsinstrument van de Omgevingswet: het benoemt ambities, centrale opgaven en strategie vanuit een samenhangend perspectief op ruimte, milieu, natuur en landschap, water, verkeer en vervoer en cultureel erfgoed. Vanuit deze samenhang zet een omgevingsvisie ook de koers uit voor ontwikkelingen op het gebied van wonen, werken, voorzieningen en recreatie in de provincie. Een belangrijke trend is de toenemende aandacht voor nieuwe thema’s zoals veiligheid, gezondheid en duurzaamheid. Op 19 november 2018 is de ‘Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid’ vastgesteld door Provinciale Staten (PS). Provincie Noord-Holland wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. In de visie staan 5 bewegingen die laten zien hoe omgegaan wordt met opgaven die op de samenleving afkomen en gefaciliteerd worden.
Aan de bewegingen zijn diverse randvoorwaarden en ontwikkelprincipes meegegeven. Het betreft de volgende bewegingen:
Pagina 11 van 39
• dynamisch schiereiland: de unieke ligging wordt benut waarbij kustverdediging voorop staat, toeristische en recreatieve kansen benut worden en natuurwaarden worden toegevoegd; • metropool in ontwikkeling: Metropoolregio Amsterdam gaat steeds meer als één stad functioneren en de reikwijdte wordt groter; • sterke kernen, sterke regio’s: ontwikkeling van centrumgemeenten om daarmee het voorzieningenniveau in de regio vitaal te houden en tegelijkertijd hun herkenbare identiteit behouden; • nieuwe energie: het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie; • natuurlijk en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden en versterken van de duurzame agrifoodsector. Conclusie De ontwikkeling sluit aan bij het ontwikkelprincipe sterke kernen, sterke regio’s. De ontwikkeling draagt bij aan het opschalen van het voorzieningenniveau in de regio, omdat in de kop van NoordHolland grote vraag is naar een pensionstalling met binnenbak voor paarden, met zelfs wachtlijsten als gevolg. Daarnaast leidt de ontwikkeling tot het versterken van de identiteit van het gebied, doordat een paardenhouderij niet ongebruikelijk is in de regio. Het zorgt tevens voor het versterken van het bebouwingsbeeld door de afname in verharding.
Het advies van de provincie over de voorgenomen ontwikkelingen was positief, mits er sprake is van een landschappelijke kwaliteitsverbetering. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan dit advies. 3.2.2 Omgevingsverordening NH2022 De Omgevingsverordening NH2022 stelt regels aan ruimtelijke plannen. De inhoud is van toepassing op de fysieke leefomgeving en activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving, waarbij de provincie belang heeft. De provincie heeft in de Omgevingsverordening NH2022 onder meer regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving, zoals Natuurnetwerk Nederland, water, energie en landschap.
Figuur 8 | Uitsnede van de Omgevingsverordening NH2022 (Bron: omgevingswet.overheid.nl)
Conclusie De projectlocatie ligt in een Natura2000-bufferzone (Figuur 8). In de paragraaf ‘natuur’ is dit aspect verder toegelicht. Voor de realisatie van de ontwikkeling dient sprake te zijn van een landschappelijke kwaliteitsverbetering. Om deze reden is er een landschappelijke inpassing opgesteld, deze is als bijlage III toegevoegd aan deze GoFlo. In paragraaf 4.4 wordt verder ingegaan op de landschappelijke inpassing van het project. 3.2.3 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland (2018) In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt de ambitie genoemd om ruimtelijke ontwikkelingen bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek, het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Volgens de omgevingsverordening NH2022 artikel 6.69 beschrijft de
Pagina 12 van 39
Leidraad Landschap en Cultuurhistorie de provinciale belangen ten aanzien van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Conclusie De projectlocatie maakt onderdeel uit van het landelijk gebied. Het is echter niet ongebruikelijk dat paarden worden gehouden in het agrarisch gebied. Daarnaast betreft de ontwikkeling een afname in de verharding wat bijdraagt aan het verbeteren van het straat- en bebouwingsbeeld (bijlage III). De ontwikkeling doet dus geen afbreuk aan de landschappelijke karakteristieken benoemd in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Noord-Holland.
3.3
Regionaal beleid en regionale regels
3.3.1 Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier De Waterschapsverordening bevat regels die het waterschap hanteert om haar watergangen, waterkeringen en wegen te beschermen. Rond de sloten, dijken en wegen zijn verschillende zones gedefinieerd en voor elke zone gelden andere regels. De Waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. Conclusie In paragraaf 4.15 wordt ingegaan op de invulling van het aspect water binnen het project. 3.3.2 Waterplan HHNK Het Waterplan geeft de koers van het HHNK op hoofdlijnen weer voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het HHNK bouwt voort op de regionale Deltavisie (2012), het Waterprogramma 20162021 (WBP5) en het Collegeprogramma 2019-2023. Het Waterplan is het zesde Waterbeheerprogramma (WBP6). Als basis voor het Waterplan is het WBP5 tussentijds geëvalueerd en een langetermijnverkenning gedaan naar wat het HHNK kan verwachten. Het Waterplan houdt rekening met het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 en het Regionaal Waterprogramma NoordHolland 2022-2027. Het Waterplan is ingedeeld in effecten, thema’s en gebieden. Het HHNK wil gebiedsgericht samenwerken.
Brede maatschappelijke vraagstukken zoals klimaatverandering, stikstofemissies, bodemdaling en verzilting houden geen rekening met bestaande regelgeving, bestuurlijke structuren en geografische grenzen. Daarnaast vragen gebiedseigen kenmerken om lokale aanpak. Het HHNK is verantwoordelijk voor verschillende taken. De taken worden beschreven vanuit de doelstelling (het effect) dat ze willen bereiken op het onderwerp. Het HHNK onderscheidt 7 effecten: • Waterveiligheid; • Voldoende water; • Gezond water; • Schoon water; • Veilige (vaar)wegen; • Crisisbeheersing; • Bestuur en organisatie. Daarnaast draagt het HHNK bij aan een aantal bredere maatschappelijke thema’s. Het zijn onderwerpen die meerdere van de maatschappelijke effecten raken. Het HHNK heeft de op dit moment 5 meest relevante maatschappelijke opgaven (thema’s) beschreven waaraan zij bijdragen: • Ruimtelijke adaptatie; • Omgevingswet; • Duurzaamheid; • Biodiversiteit; • Datagedreven werken. Conclusie Het projectvoornemen raakt het thema ruimtelijke adaptatie, omdat invulling gegeven moet worden aan een gezonde en veilige leefomgeving. In paragraaf 4.15 wordt ingegaan op de invulling van het aspect water binnen het project.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Schagen De omgevingsvisie van gemeente Schagen is op 14 december 2021 vastgesteld. In de visie laat de
Pagina 13 van 39
gemeente zien wat zij belangrijk vinden voor de omgeving waarin wordt gewoond, gewerkt en waarin de bevolking haar vrije tijd doorbrengt. De visie bestaat uit acht speerpunten, een visiekaart en een waardenkaart. Om te laten zien wat de gemeente Schagen wil in de toekomst, wordt er gekeken naar 2040. De gestelde speerpunten luiden als volgt. In 2040 is gemeente Schagen: 1. Een gezinsvriendelijke gemeente met een stad die belangrijk is voor de regio. Met sterke dorpen en een gemeente die aantrekkelijk is voor ondernemers; 2. Een gemeente die nationaal en internationaal meedoet op het gebied van toerisme en recreatie, wetenschap en (nieuwe vormen van) landbouw; 3. Een gemeente die aansluit bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en bijdragen aan sterke kernen; 4. Een gemeente waar iedereen mee kan doen; 5. Een gemeente waar kernen, voorzieningen, onderwijs en werk goed bereikbaar zijn; 6. Een veilige, gezonde en sportieve gemeente; 7. Een duurzame gemeente; 8. Een gemeente waarin bewoners en bezoekers de omgeving waardevol vinden. In bovenstaande speerpunten worden belangrijke doelen samengevat. De voorgenomen ontwikkeling betreft het wijzigen van de huidige aanduiding naar de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - veehouderij. Conclusie De gemeente Schagen geeft ruimte aan ondernemers en ruimte voor nieuwe bedrijven.
Dit gebeurt op plekken in en bij kernen en in het buitengebied. Het planvoornemen is hierbij passend. Verder past het planvoornemen binnen de omgevingsvisie, omdat het agrarisch bedrijf een andere functie krijgt. De gemeente wilt ook andere functies een plek geven in het buitengebied. Het is gewenst dat plannen in dit gebied aansluiten op de waarden genoemd in de ‘Omgevingsvisie gemeente Schagen’. Het plan draagt bij aan het versterken van de natuurwaarden, door het uitbreiden van de bestaande groen strook tussen de weg en de bebouwing. De groenstrook wordt uitgebreid tot op het perceel van Grote Sloot 8. Daarnaast wordt het uitzicht op de open polder behouden. De ruimtelijke wijziging past binnen het bouwvlak. Het projectvoornemen is besproken in de Raad van de gemeente Schagen en alle partijen waren akkoord. Gemeente Schagen heeft in de reactie op de conceptaanvraag aangegeven dat het houden van paarden binnen het agrarische landschap in de regio niet ongebruikelijk is. De ontwikkeling past dus binnen de omgevingsvisie van de Gemeente Schagen. 3.4.2 Beleidskaart Archeologie en Cultuurhistorische Elementenkaart gemeente Schagen Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 (vanaf 2016 overgegaan in de Erfgoedwet en vanaf 1 januari 2024 in de Omgevingswet) ligt deze verantwoordelijkheid voor erfgoed bij de gemeenten.
Door middel van het omgevingsplan kan dit worden geborgd, met de beleidskaart archeologie als instrument. Op basis van historische, bodemkundige en archeologische bronnen kan de onderbouwing worden gemaakt welke archeologische gebieden beschermd dienen te worden en op welke wijze. De gemeente Schagen heeft de archeologische beleidskaart en onderbouwing geactualiseerd, waardoor deze verantwoordelijkheid nagekomen wordt. De kaart vervangt de oude beleidskaarten archeologie. De oude kaarten van de voormalige gemeenten zijn geborgd in bestemmingsplannen en vormen samen met het provinciaal beleid de onderlegger voor het geactualiseerde beleid. De vigerende bestemmingsplannen hebben zeer uiteenlopende regels en geven in sommige gevallen onvoldoende bescherming voor het archeologisch erfgoed. De nieuwe beleidskaart kan door middel van een parapluplan zorgen voor een integrale en eenduidige omgang met het bodemarchief. De kaart is Omgevingswetwaardig en voldoet daarmee aan de Omgevingswet.
Pagina 14 van 39
Figuur 9 | Ligging projectlocatie binnen de beleidskaart Archeologie gemeente Schagen (Bron: Archeologie West-Friesland)
Conclusie Voor het westelijke deel van de projectlocatie geldt een vrijstellingsgrens van 500 m2 en voor het oostelijke deel wordt een vrijstellingsgrens van 1.000 m 2 aangehouden (Figuur 9). De beoogde bodemingrepen overschrijden de vrijstellingsgrens voor archeologisch onderzoek niet. In paragraaf 4.5 wordt het aspect archeologie verder toegelicht, en in paragraaf 4.3 wordt cultuurhistorie verder toegelicht. Het projectvoornemen is in lijn met de Beleidskaart Archeologie en Cultuurhistorische Elementenkaart gemeente Schagen. 3.4.3 Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit 2019 Gemeente Schagen heeft de regels met betrekking tot welstand verwerkt in de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit 2019. In de Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit staat aangegeven of voor een gebied een bijzonder of soepel welstandsniveau geldt. In gemeente Schagen geldt voor de meeste bouwwerken een normaal, soepel welstandsniveau. Dit geldt voor bouwwerken in het buitengebied, komgebied, werkgebied, en recreatiegebied, met uitzondering van bijzondere gebouwen, complexen en ontwikkelingen. Voor de bouwwerken waarvoor een soepel welstandsniveau geldt, worden de algemene en gebiedsgerichte welstandscriteria gebruikt. In de criteria staat in algemene bewoordingen waaraan een bouwwerk moet voldoen.
Voor het bijzonder welstandsniveau geeft de gemeentelijke adviescommissie erfgoed en ruimtelijke kwaliteit Schagen advies over bouwplannen. Bijzonder welstandsniveau geldt voor binnenstad, dorpscentra, historische linten, monumenten, grotere complexen zoals met meer dan 12 woningen, uitbreidingen van een gebouw groter dan 500 m2 en gebiedsontwikkelingen. Conclusie De projectlocatie ligt in het buitengebied, voor de ontwikkeling geldt daarom de gebiedsgerichte welstandscriteria. Om deze reden zal het plan ook worden voorgelegd aan de welstandscommissie.
Pagina 15 van 39
Figuur 11 | Gebiedsgerichte welstandscriteria voor werkgebied (Bron: Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit 2019)
De locatie betreft enkele agrarische opstallen gevestigd achter het woonhuis dat aan de straatzijde staat en georiënteerd is naar de weg. Er is een landschappelijke inpassing gemaakt voor de ontwikkeling (bijlage III). De huidige stal wordt uitgebreid en de mestsilo en de open frontstal worden verwijderd, zie hiervoor paragraaf 2.3. Door de uitbouw van de stal blijft de helderheid van het hoofdgebouw zichtbaar (Figuur 10). De aanbouw wordt afgestemd op de huidige bebouwing en past binnen het landschap. Er zullen geen (geluid producerende) reclame-uitingen of bewegende lichtreclames gevestigd worden op de projectlocatie. De ontwikkeling voldoet daarom aan de gebiedsgerichte criteria van een werkgebied.
Figuur 10 | Architectonische tekening voorgevel en achtergevel van de ontwikkeling (architectenburo Jan Kramer)
Pagina 16 van 39
3.4.4 Nota Parkeernormen Schagen 2016 De Nota Parkeernormen Schagen 2016 is vastgesteld op 1 maart 2016 door het college van de burgemeester en wethouders. In dit beleid zijn de parkeernormen gebaseerd op de parkeerkencijfers van CROW (CROW kencijfers, publicatie 744 – Basis voor parkeernormering). De regelingen en normen die hierin zijn opgenomen bepalen of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Het uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein wordt opgelost. Conclusie Binnen het beoogde projectvoornemen zal voorzien worden in de parkeerbehoefte. In paragraaf 4.9 wordt dit nader toegelicht.
Pagina 17 van 39
In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor milieu- en omgevingsaspecten aangetoond te worden dat het project uitvoerbaar is en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling is inzicht nodig of er op basis van milieu- of omgevingsaspecten belemmeringen/ beperkingen zijn voor de directe omgeving en de ontwikkeling zelf. Omgevingswaarden Een omgevingswaarde is een van de instrumenten om beleid door te laten werken vanuit het Rijk en provincie. Maar ook van de gemeente zelf. Omgevingswaarden zijn maatstaven voor de fysieke leefomgeving voor: • de gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; • de toelaatbare belasting door activiteiten; • de toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. De omgevingswaarde moet worden uitgedrukt in meetbare of berekenbare eenheden of anderszins in objectieve termen. Tenzij het vaststellen van een omgevingswaarde verplicht is, staat het de gemeente vrij om af te zien van het vaststellen van een omgevingswaarde, maar te kiezen voor directe normstelling (artikel 2.9, tweede lid OW). De gemeente kan omgevingswaarden vaststellen in het omgevingsplan. Gemeente Schagen heeft nog geen omgevingswaarden vastgesteld.
4.1
Milieueffectrapportage
4.1.1 Wettelijk kader De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: • De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; • De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s. Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: • Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd. • Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-merbeoordeling is aan de orde indien: o Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; o Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. 4.1.2 Toetsing Het projectvoornemen valt onder een omgevingsplanactiviteit uit categorie J uit bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit ‘Infrastructuur en ruimte’. Echter valt de ontwikkeling niet onder een van de
Pagina 18 van 39
categorieën onder J. Een m.e.r.-(beoordelings)plicht is op dit projectvoornemen daarom niet van toepassing. Dat het gebruik van een perceel verandert, betekent niet dat de wijziging van het gebruik moet worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in categorie J uit bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit. Het is hierbij van belang dat het ruimtebeslag van de bestaande bebouwing beperkt is en de functiewijziging niet gepaard gaat met een uitbreiding van de bebouwing op het perceel1. Binnen deze ontwikkeling is sprake van een netto afname in bebouwing door het slopen van de mestsilo, en de open frontstal. De functiewijziging gaat niet gepaard met een toename in bebouwing, hieruit wordt afgeleid dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject op basis van de omvang. 4.1.3 Conclusie Het projectvoornemen wordt niet als stedelijk ontwikkelingsproject beschouwd. Een m.e.r.(beoordeling) is daarom niet nodig.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1 Wettelijk kader Artikel 5.129g van het Bkl schrijft voor dat, voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met: • De behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling; • Als de stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van een stedelijk gebied, aangetoond is dat er geen mogelijkheden zijn voor realisatie van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling binnen dat stedelijk gebied of stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van dat stedelijk gebied. In artikel 5.129g van het Bkl wordt onder lid 1 het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ gedefinieerd: • Stedelijke ontwikkeling: uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 4.2.2 Toetsing Eerst wordt getoetst of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij nieuwbouw en uitbreiding van overige stedelijke functies ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto vloeroppervlak van 500 m2. De uitbreiding van de paardenstal betreft 669 m2.
De open frontstal en de mestsilo worden echter verwijderd, wat een gezamenlijk oppervlakte heeft van 1.167 m2. Het totale vloeroppervlak op het perceel zal dus niet toenemen, maar juist afnemen. Daarmee blijft de oppervlakte onder de 500 m2 en is er geen sprake van nieuwbouw. Dit houdt in dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. 4.2.3 Conclusie Het aspect ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1 Wettelijk kader De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat in aanmerking komt voor bescherming een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen). Gelijktijdig met de update van de beleidskaart archeologie is een cultuurhistorische inventarisatiekaart vervaardigd. Deze inventarisatiekaart is te vertalen naar gebieden met een dubbelbestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ of kunnen in de toekomst in het Omgevingsplan als werkingsgebied worden opgenomen. Momenteel zijn de cultuurhistorische waarden voor een deel 1
ECLI:NL:RVS:2019:1253
Pagina 19 van 39
op verschillende wijzen geborgd in bestemmingsplannen. In de oude bestemmingsplannen hadden waardevolle gebieden de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Deze term zorgde voor onduidelijkheid over de mate van bescherming. Ook de enkelbestemming ‘Water’ werd soms gehanteerd om de cultuurhistorie van het landschap te beschermen. 4.3.2 Toetsing Het landschap van de gemeente Schagen is vooral gestructureerd door lijnelementen, zoals dijken, historische waterlopen en wegen en tram- en spoorlijnen (Figuur 11 en Bijlage II). Daarnaast bevinden zich rondom de projectlocatie historische waterlopen, waaronder de Grote Sloot (Figuur 11). De projectlocatie valt tevens onder het ensemble van de Grote Sloot. Ten noorden bevindt zich een vrijwaringszone van de molenbiotoop, de projectlocatie valt hier net buiten, waardoor dit niet van toepassing is.
Figuur 11 | Ligging projectlocatie binnen de cultuurhistorische elementenkaart (Bron: Archeologie West-Friesland)
De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van een pensionstalling voor paarden. Het aanzicht van de stal verandert minimaal door de uitbouw van de stal in de lengte, hoogte- en breedterichting. Het verwijderen van de overige agrarische opstallen en verharding draagt bij aan het bevorderen van het landelijke aanzicht en voorkomt verrommeling van het landelijk gebied. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische lijnelementen. 4.3.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Landschappelijke inpassing
Om te kijken of de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op de juiste wijze landschappelijk wordt ingepast, wordt aan de hand van de landschappelijke kenmerken van de omgeving getoetst of het projectvoornemen de omliggende landschap niet schaadt. Door nieuwe ontwikkelingen goed aan te laten sluiten bij de kernkwaliteiten van het landschap wordt de identiteit van de plek behouden of versterkt. De projectlocatie is gelegen in de Zijpe- en Hazepolder nabij Burgerbrug. Het ensemble Zijpe- en Hazepolder, ook wel de Zijpe genoemd, ligt in de kop van Noord-Holland, aan de Noordzeekust. Zoals eerder beschreven in paragraaf 3.2.3.
Pagina 20 van 39
Het erf is direct gelegen aan de Grote Sloot. Het projectvoornemen heeft echter beperkt effect op deze ruimtelijke drager, omdat er geen panden worden gesloopt aan de voorzijde van het erg en de bestaande beplanting intact blijft. De uitbreiding van de stal zorgt er ook niet voor dat de zichtlijnen vanaf de Grote Sloot op het landschap verloren gaan. Het erf ligt buiten de kwaliteitszone van de Westfriese Omringdijk, wel heeft het erg een visueel-ruimtelijke relatie met de dijk (Figuur 12). De relatie is weliswaar beperkt, maar door het slopen van de opstallen aan de achterzijde ontstaat er een ‘rustiger’ beeld vanaf de dijk.
Figuur 12 | Landschappelijke inpassing
Het slopen van de opstallen aan de achterzijde van het erf zorgt er eveneens voor dat de open ruimte tussen de dijk en het lange polderlint, de Grote Sloot, wordt vergroot. Zo doet projectvoornemen in zijn totaliteit geen afbreuk aan de landschappelijke waarden van het gebied, maar versterkt het deze zelfs.
4.5
Archeologie
4.5.1 Wettelijk kader De gemeente houdt bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten (artikel 5.130 lid 1 Bkl). De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. 4.5.2 Toetsing Het oostelijke deel van de projectlocatie ligt conform de Beleidskaart Archeologie (Figuur 9) in de beleidscategorie waarvoor geldt dat bij bodemingrepen van 1.000 m2 of meer en een ontgravingsdiepte van 40 cm of dieper, archeologisch onderzoek nodig is. Voor het westelijke deel van de projectlocatie geldt dat vanaf 100 m2 archeologisch onderzoek nodig is. Bij de ontwikkeling is sprake van grondroerende werkzaamheden, omdat de stal wordt uitgebreid. De uitbreiding bedraagt minder dan 1000 m2, waardoor archeologisch onderzoek niet nodig is. 4.5.3 Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat de bodem niet geroerd zal worden.
Pagina 21 van 39
4.6 Bedrijfsmatige activiteiten 4.6.1 Wettelijk kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De doelen van milieuzonering zijn: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; • het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Systematiek Handreiking Bedrijven en milieuzonering Bedrijven in de omgeving kunnen hinder opleveren voor (hinder)gevoelige functies, zoals woningen. Bedrijven en functies kunnen geluidhinder, geurhinder, stofhinder of veiligheidsrisico's (externe veiligheid) veroorzaken. Om mogelijke hinder van bedrijven goed in beeld te kunnen brengen heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" opgesteld. In deze Handreiking, ook wel de VNG-publicatie genoemd, is voor bedrijven en inrichtingen aangegeven welke richtafstand aangehouden dient te worden.
In de Handreiking worden bedrijven ingedeeld op basis van de te verwachten milieuhinder (geur, geluid, stof en externe veiligheid). Per milieuonderdeel leidt dat tot een afstand die minimaal moet worden aangehouden tot gevoelige functies. Dit leidt tot een indeling in verschillende milieucategorieën, toenemend geschaald naar hinder. 4.6.2 Toetsing De VNG-publicatie kent twee typen omgeving de ‘rustige woonwijk en rustig buitengebied’. De bedrijfswoning is geen gevoelige functie, echter is er wel getoetst op geur en geluid. Tabel 1 | Uitsnede richtafstanden (Bron: VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ Richtafstandenlijst)
Het projectvoornemen betreft het wijzigen van de aanduiding naar ‘specifieke vorm van agrarisch – gebruiksgerichte paardenhouderij’. In de VNG-publicatie zijn geen richtafstanden voor een pensionstalling voor paarden opgenomen. Om die reden is de omschrijving die er het dichtstbij in de buurt komt aangehouden, namelijk een paardenfokkerij (Tabel 1). Voor de paardenfokkerij is een richtafstand van 50 meter voor geur en 30 meter voor geluid (Tabel 1). De dichtstbijzijnde gevoelige functie is Grote Sloot 6, gelegen ten zuiden van de projectlocatie. Een bedrijfswoning wordt niet aangewezen als geluidsgevoelig. In artikel 222.58 van de bruidsschat, staat echter wel dat bedrijfswoningen die bij een ander bedrijf horen wel beschermd zijn tegen geluid van het bedrijf. De afstand van de stal tot de gevel van de woning van Grote Sloot 6 bedraagt 52 meter, daarmee voldoet het zowel aan geur (50 m) als aan geluid (30 m). De volgende gevoelige woning is Grote Sloot 10. Er is gemeten van de rand van het perceel van Grote Sloot 8 tot de woonbestemming van Grote Sloot 10, deze afstand bedraagt 66 meter. Hiermee voldoet het aan de eisen betreft geur, stof en geluid. De ontwikkeling voldoet aan de richtafstanden van de VNG. 4.6.3 Conclusie Het aspect ‘bedrijfsmatige activiteiten’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 22 van 39
4.7 Gezondheid 4.7.1 Wettelijk kader De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, zowel positief als negatief. Zo draagt een groene en beweegvriendelijke omgeving bij aan goede gezondheid, maar een matige luchtkwaliteit of luide omgeving kan ongezond zijn. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving, die door bewoners als prettig wordt ervaren en uitnodigt tot gezond gedrag, maar ook bescherming biedt tegen negatieve omgevingsinvloeden. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen afweegt en wat dit betekent in het omgevingsplan. 4.7.2 Toetsing Gemeente Schagen heeft zoals eerder aangegeven in paragraaf 3.4.1 hun visie op gezondheid opgenomen in de omgevingsvisie onder speerpunt 6 ‘een veilige, gezonde en sportieve gemeente’. Binnen het onderdeel gezond en sportief doet de gemeente het volgende: • We werken aan een steeds gezondere omgeving; • We helpen boeren om hun producten gezond te laten groeien. Een goed voorbeeld is Bio Valley, een project voor biologische landbouw in Noord-Holland. En het project Vitale Teelt. Dit project heeft als doel om de teelt van bloembollen en bolbloemen duurzamer te maken; • We werken aan een omgeving die uitnodigt tot bewegen, sport en gezond gedrag; • We werken aan een rookvrije samenleving.
En een samenleving waarin met mate alcohol wordt gebruikt. We maken onder andere afspraken met verschillende ondernemers en instellingen om dit stap voor stap te bereiken. Ook praten we hierover met de organisaties van evenementen. De realisatie van een pensionstalling voor paarden met binnenbak nodigt inwoners van de gemeente Schagen uit tot bewegen, sport en gezond gedrag. Daarnaast is de pensionstalling makkelijk bereikbaar per fiets vanuit omliggende dorpen, waardoor zij middels de fiets naar de locatie kunnen komen in plaats van met de auto. Dit draagt ook bij aan de fysieke gezondheid van de inwoners. In de in dit hoofdstuk behandelde paragrafen is onderzocht welke effecten het projectvoornemen heeft op aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de VNG-richtafstanden en dat een gezonde leefomgeving gewaarborgd kan worden. 4.7.3 Conclusie Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Geluid 4.8.1 Wettelijk kader Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. 4.8.2 Toetsing Door de ontwikkeling ontstaat een nieuwe geluidsbron. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid door een geluidsbron op een geluidsgevoelig gebouw. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. Deze geluidsbron is getest aan de hand van de VNG-richtafstanden, zoals benoemd in paragraaf 4.6. De dichtstbijzijnde gevoelige functie is Grote Sloot 6, gelegen ten zuiden van de projectlocatie. De afstand van de stal tot de gevel van de woning van Grote Sloot 6 bedraagt 52 meter, daarmee voldoet het aan de richtafstand voor geluid (30 m). De volgende geluidsgevoelige woning is Grote Sloot 10. Er is gemeten van de rand van het perceel van Grote Sloot 6 tot de woonbestemming van Grote Sloot 10, deze afstand bedraagt 66 meter.
De nieuwe geluidsbron voldoet aan de VNG-richtafstanden en voldoet dus ook aan de eisen van geluid. 4.8.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Pagina 23 van 39
4.9 Verkeer en parkeren 4.9.1 Wettelijk kader Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ook aangetoond worden dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van verkeer en parkeren. Ten aanzien van verkeer is het van belang dat de nieuwe functie aantoonbaar geen onevenredige verkeeraantrekkende werking heeft en dat er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie. Daarnaast dienen er voldoende parkeerplaatsen voor de functies van de beoogde ontwikkeling aanwezig te zijn. 4.9.2 Verkeer Om te onderzoeken of het aantal ingetekende parkeerplaatsen voldoende is wordt gerekend met behulp van het CROW. Bij het opstellen van de parkeerregels is er vanuit de ‘Nota Parkeernormen Schagen 2016’ voor gekozen om uit te gaan van het gemiddelde van de minimale en maximale parkeerkencijfers (afgerond naar boven). Voor de adressendichtheid wordt ‘niet stedelijk’ aangehouden (<500 adressen per km2) en ‘buitengebied’. In Tabel 2 staat de toekomstige verkeersgeneratie uitgeschreven. Tabel 2 | Verkeersgeneratie toekomstige situatie Functie Verkeersgeneratie per box Paardenhouderij 4,0
Aantal 11
Totale verkeergeneratie 44,0
In de toekomstige situatie is sprake van een verkeersgeneratie van 44,0 voertuigbewegingen. De Grote Sloot is een 60 km/u weg. Deze is zo ingericht dat het de extra 44 voertuigbewegingen kan opvangen. 4.9.3 Parkeren Gemeente Schagen hanteert voor het aspect parkeren de Nota Parkeernormen Schagen 2016. In deze nota wordt voor de parkeernormen verwezen naar de CROW-publicatie 744: ‘Basis voor parkeernormering’ uit 2024, waarbij de gemiddelde waarde van het minimale en maximale kengetal uit de CROW-publicatie wordt gehanteerd. In Tabel 3 staat de toekomstige parkeerbehoefte uitgeschreven. Tabel 3 | Parkeerbehoefte toekomstige situatie Functie Parkeernorm per box Paardenhouderij 0,4
Aantal 11
Totale parkeerbehoefte 4,4
In de toekomstige situatie is sprake van een parkeerbehoefte van vijf parkeerplekken. De gemeente heeft geadviseerd om één parkeerplek per paardenbox aan te houden. Daarnaast zullen er eventueel werknemers en eigenaren aanwezig zijn, waardoor de gemeente geadviseerd heeft om 12 parkeerplekken aan te houden. Deze parkeerplekken worden op het terrein gerealiseerd, zoals zichtbaar in Figuur 13. Hierdoor wordt voldaan aan de parkeerbehoefte.
Pagina 24 van 39
Figuur 13 | Toekomstige erfinrichting inclusief parkeerplaatsen
4.9.4 Conclusie Vanuit verkeerskundige aspecten bestaan er naar verwachting geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. De verkeersgeneratie kan worden opgevangen en aan de parkeerbehoeften kan eveneens worden voldaan. Het aspect ‘Verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.