CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend RB Vaststellen bestemmingsplan Middenweg 9 tm 15a Dirkshorn

Gemeenteraad 11 juli 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Middenweg 9 t/m 15a Dirkshorn'13.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

391DC409-5007-4024-A888-02E34ED99E9D

GEMEENT

Stuknummer: 23.092685

14-7-2023 Document verwerkt.

Besluit Vergadering van 11 juli 2023 Vaststellen bestemmingsplan 'Middenweg 9 t/m 15a Dlrkshorn'

De Gemeenteraad van de gemeente Schagen, gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders d.d. 16 mei 2023 gelet op het bepaalde in artikel 3.1 en 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening.

besluit 1. Het bestemmingsplan 'Middenweg 9 t/m 15a Dirkshorn' zoals vervat in de bij dit besluit behorende bijlagen vast te stellen. 2. Geen exploitatieplan voor het plangebied van het bestemmingsplan vast te stellen, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

Aldus besloten in de vergadering van 11 juli 2023. De Gemeenteraad van de gemeente Schagen.

\ į DIGITAA [-ONDERTEKEND

griffier G.E.P. Meijer

voorzitter M.J.P. van Kampen

Bestemmingsplan Middenweg 9 t/m 15A Dirkshorn

Ontwerp

Regels

Bestemmingsplan Middenweg 9 t/m 15A Dirkshorn

Regels

28 februari 2023

Planstatus: Ontwerp Plan ID:NL.IMR0.0441.BPLGHMidweg9tml5a-on01

À

n

I GEMEENTE

behagen

Regels

ínhoud:

Hoofdstuk 1 Inleidende regels................................................................................................... 4 Artikel 1

Begrippen...........................................................................................................4

Artikel 2

Wijze van meten..................................................................................................5

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels................................................................................................ 6 Artikel 3

Agrarisch met waarden........................................................................................6

Artikel 4

Water................................................................................................................. 8

Artikel 5

Wonen..............................................................................................................10

Artikel 6

Waarde - Archeologie 5..................................................................................... 14

Hoofdstuk 3 Algemene regels.................................................................................................. 16 Artikel 7

Anti-dubbeltelregel............................................................................................16

Artikel 8

Algemene bouwregels........................................................................................ 17

Artikel 9

Algemene gebruiksregels................................................................................... 19

Artikel 10 Algemene afwijkingsregels..................................................................................21 Hoofdstuk 4 Overgang- en slotregels........................................................................................ 24 Artikel 11 Overgangsrecht................................................................................................. 24 Artikel 12 Slotregel............................................................................................................ 25

Bijlage: Bijlage 1: Bijlage 2:

Lijst met algemene begrippen Landschappelijke erfinrichting

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1. plan: het bestemmingsplan Middenweg 9 t/m 15A Dirkshorn van de gemeente Schagen; 2. het bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMR0.0441.BPLGHMİdweg9tml5a-on01 met de bijbehorende regels en bijlagen; 3. verbeelding: de verbeelding bestaande uit het blad, met het nummer NL.IMR0.0441.BPLGHMİdweg9tml5a-on01, van het bestemmingsplan Middenweg 9 t/m 15A Dirkshorn met bijbehorende verklaring waarop de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden zijn aangegeven. Alle verdere algemene begrippen zijn opgenomen in bijlage 1.

4

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens:

Tussen de (zijdelingse) grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend gebouw, waar die afstand het kortst is; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de dakhelling:

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 de goothoogte van een bouwwerk:

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijkte stellen constructiedeel; 2.5 de Ínhoud van een bouwwerk:

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de oppervlakte van een bouwwerk:

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

5

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3

Agrarisch met waarden

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. de uitoefening van volwaardige agrarische bedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering; b. behoud en versterking van aanwezige cultuurhistorische waarden in de vorm van waardevolle bestaande verkavelingspatronen, c. grasland; d. toegangsweg voor en naar woningen met opgaande laanbeplanting; e. groenvoorzieningen; f. waterlopen en waterpartijen; g. verkeersvoorzieningen; met de daarbij behorende: h. openbare nutsvoorzieningen; i. bouwwerken, geen gebouw zijnde. 3.2 Bouwregels

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt: a. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,5 m. 3.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving als bedoeld lid 3.1 wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruik en/of inrichten ten behoeve van exploratie en exploitatie van diepe delfstoffen (met uitzondering van seismologisch onderzoek); b. bodembewerkingen in de vorm van bezanden, omzetten en omspuiten; c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van stalling van voertuigen, vaartuigen of kampeermiddelen en het opslaan van goederen en/of materialen van niet-agrarische herkomst in vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen; d. het gebruik van gronden ten behoeve van kleinschalig kamperen; e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van dagrecreatie.

6

3.4 Omgevingsvergiinning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

a.

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergiinning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen van opgaande beplanting anders dan laanbeplanting langs een toegangsweg van/naar een woning en aanbrengen randbeplanting conform bijlage 2; 2. het afgraven, ophogen en/of egaliseren van gronden; 3. het aanleggen van verharding, anders dan de aangelegde verharding conform omgevingsvergunning 0-22-0164; 4. het aanleggen van voet- en fietspaden; 5. het aanleggen van dagrecreatieve voorzieningen. b. De onder sub a bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;

De onder sub a bedoelde omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt ten aanzien van cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatronen.

7

Artikel 4

Water

4.1 Besteminingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water en oeverstroken; b. scheepvaartverkeer; c. dag- en waterrecreatie; d. waterhuishouding, en tevens voor: e. behoud en versterking van de natuurlijke waarden van water, rietlanden en oevers. 4.2 Bouwregels

a. Op of in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen ten behoeve van de waterhuishouding toegestaan en gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; 2. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 75 m2. b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; 2. de bouw van steigers is verboden. 4.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.2 sub b onder 2 ten behoeve van de bouw van een steiger. De onder a genoemde omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: * de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; » het landschaps- en bebouwingsbeeld; * de natuurlijke waarden van water, rietlanden en oevers. 4.4 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving als bedoeld lid 4.1 wordt in ieder geval aangemerkt: a. het gebruik van de gronden ten behoeve van woonschepen; b. het aanbrengen van bruggen, dammen en duikers. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.4 sub b voor het aanbrengen van bruggen, dammen en duikers.

8

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanbrengen van walbeschoeiing, kaden en dijken; 2. het aanbrengen van opgaande beplanting; 3. het aanbrengen van ondergrondse en bovengrondse leidingen; 4. het aanleggen van dagrecreatieve voorzieningen. b. De onder a bedoelde omgevingsvergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: 1. het normale onderhoud en beheer betreffen; 2. in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan; 3. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning. c. De onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend indien uit een natuurtoets is gebleken dat de natuurwaarden die dit bestemmingsplan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden aangetast.

9

Artikel 5

Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen, al dan niet in combinatie met een beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis; b. bed 8í breakfast met dien verstande dat: 1. de bed 8t breakfast functie zowel in het hoofdgebouw als in bijgebouwen toegestaan; 2. gebruik als bed 8l breakfast is ondergeschikt aan de hoofdfunctie; 3. de gezamenlijke vloeroppervlakte van de bed and breakfastfunctie bedraagt niet meer dan 300Zo van het bruto vloeroppervlakte van de hoofdfunctie; 4. een bed 8t breakfast mag maximaal 9 slaapplaatsen aanbieden. c. een paardenbak; d. het hobbymatig houden van dieren; met de daarbij behorende: c. groenvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waterlopen- en partijen; f. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; g. waterlopen en -partijen; h. zonneweide. 5.2 Bouwregels

a. 1. 2. 3. 4.

5. 6.

7.

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: het aantal woningen per bestemmingsvlak mag niet meer bedragen dan het ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' aangegeven aantal; de oppervlakte van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 225 m2, dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt; de oppervlakte van het hoofdgebouw met de specifieke aanduiding 'samengevoegde woning' mag niet meer bedragen dan 570 m2; de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw, met uitzondering van stolpvormige woningen, mag niet meer bedragen dan 15 m dan wel de bestaande breedte indien deze meer bedraagt; de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw met de specifieke aanduiding 'samengevoegde woning' mag niet meer bedragen dan 35 meter. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3,5 m en 8 m m, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van stolpvormige woningen niet meer mag bedragen dan 11,5 m; de dakhelling mag niet minder bedragen dan 30o, dan wel ten minste het bestaande aantal graden indien dit minder is;

10

8. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder bedragen dan Ĵ.5% van de kavelbreedte, met dien verstande dat de minimale afstand niet minder mag bedragen dan 4 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder is; 9. de afstand van een hoofdgebouw tot de bestemming 'Verkeer' mag niet minder bedragen dan 4 m, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt. b. 1.

2.

3.

4. 5.

c.

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen dienen op ten minste 4 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw te worden gebouwd; de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing, met inbegrip van het hoofdgebouw, mag niet meer bedragen dan 300 m2 dan wel de bestaande oppervlakte indien deze meer bedraagt met dien verstande dat: * het bebouwingspercentage op een bouwperceel niet meer dan 50'^ van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen; » de totale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van het hoofdgebouw; de gezamenlijke oppervlakte aan bebouwing, met inbegrip van het hoofdgebouw met de specifieke aanduiding 'samengevoegde woning', mag niet meer bedragen dan 720 m2 met dien verstande dat: « het bebouwingspercentage op een bouwperceel niet meer dan S00Zo van de oppervlakte van het bouwperceel mag bedragen; * de totale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen niet meer mag bedragen dan de oppervlakte van het hoofdgebouw; de afstand van bijgebouwen tot het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 35 m, dan wel de bestaande afstand indien deze meer bedragen; de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 3 m en 6 m, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer

bedragen. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1. voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een paardenbak gelden de volgende regels: « de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 1200 m2; * de paardenbak niet verder mag strekken dan 100 meter, berekend vanaf de achterzijde van het hoofdgebouw; * de paardenbak is gelegen achter het hoofdgebouw, bezien vanaf de openbare weg, aansluitend aan het bouw- en/of bestemmingsvlak waarop het hoofdgebouw is gesitueerd; « de bouwhoogte van de terreinafscheiding mag niet meer bedragen dan 2,0 m; * de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 m; * de paardenbak moet worden gerealiseerd op een minimale afstand van 30 m tot de woning van een derde; 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 11

5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 5.2, sub a, onder 4 voor een hogere goothoogte, met dien verstande dat de goothoogte niet meer dan 6,5 m mag bedragen; b. lid 5.2, sub a, onder 5, voor een dakhelling van minder dan 30o, met dien verstande dat niet het gehele dak plat mag worden afgedekt; c. lid 5.2, sub a, ten behoeve van vervangen en nieuwbouw, indien: 1. het bouwwerk teniet is gegaan door een calamiteit; 2. handhaving van de hoofdvorm niet in redelijkheid kan worden gevergd van de eigenaar en/of gebruiker en met financiële tegemoetkomingen of anderszins de onevenredige nadelige gevolgen voor de eigenaar/gebruiker niet opgeheven kunnen worden, met dien verstande dat in gevallen waarin een stolpvormige woning wordt gebouwd de goot- en bouwhoogte niet meer mogen bedragen dan respectievelijk 2,7 en 11,5 m. Indien geen sprake is van een stolpvormige woning zijn de in lid 5.2 sub a genoemde regels van toepassing; d. lid 5.2, sub a, ten behoeve van een gedeeltelijk vernieuwing, verandering en uitbreiding, waarbij de bestaande goothoogte, bouwhoogte en dakvorm aangehouden dient te worden met een maximale speling van 0,5 m voor de goothoogte, 1 m voor de bouwhoogte en 59 voor de dakhelling; e. lid 5.2, sub b, onder 3 voor een afwijkende situering van bijgebouwen ten opzichte van het hoofdgebouw; f.

lid 5.2, sub c, onder 1 ten behoeve van een andere situering van de paardenbak, onder de aanvullende voorwaarden dat: « bij een afwijkende situering de paardenbak landschappelijk wordt ingepast, inclusief de ligging van de paardenbak ten opzichte van de eigen erfbebouwing; * voor een paardenbak die aan de weg is gelegen streekeigen beplanting aan de voorzijde wordt aangebracht. De genoemde omgevingsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: » de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; * het landschaps- en bebouwingsbeeld; « de milieusituatie; « het uitzicht van woningen; » de verkeersveiligheid. 5.4 Specifieke gebruiksregels

Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen ten dienste van de woonfunctie voor zelfstandige bewoning;

12

b.

c.

het gebruik van gronden, bouwwerken en vrijstaande bijgebouwen ten behoeve van inpandige stalling van voertuigen, vaartuigen of kampeermiddelen en het opslaan van goederen en/of materialen van derden; het gebruik van bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatie.

13

Artikel 6

Waarde - Archeologie 5

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische waarden. 6.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde in de aangegeven andere bestemmingen mogen in of op deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van: a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte van de bouwwerken met niet meer dan 10.000 m2 wordt uitgebreid; b. bouwwerken met een oppervlakte van 10.000 m2 of minder. 6.3 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.2, mits: a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten onevenredig kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden en/of een verplichting tot het doen van opgravingen; 2. een verplichting het bouwen te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg; d. alvorens omgevingsvergunning wordt verleend door het bevoegd gezag deskundig advies op het gebied van archeologie is gevraagd. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaam h eden

6.4.1 Vergunningplicht

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere daar voorkomende bestemming(en), een omgevingsvergunning vereist: a. het aanbrengen van diepwortelende beplanting of bomen; b. het rooien of vellen van houtopstanden; c. de aanleg van verhardingen met een groter oppervlak dan 10.000 m2; d. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden; e. het graven, verbreden of dempen van sloten alsmede het aanleggen en intensiveren van drainage;

14

f.

het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

6.4.2 Uitzondering

Het bepaalde in lid 6.4, onder a is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. welke het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen, waaronder begrepen: b. het vervangen van drainagewerken; c. welke reeds in uitvoering zijn ten tijde van het inwerkingtreden van het plan; d. waarbij geen grondroerende werken en/of werkzaamheden groter dan 10.000 m2 plaatsvinden; e. welke plaatsvinden in of op gronden waar uit archeologisch onderzoek, uitgevoerd door een deskundige op het gebied van archeologie, is gebleken dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 6.4.3 Voorwaarden

De in lid 6.4 onder a bedoelde omgevingsvergunning wordt uitsluitend verleend, indien: a. is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel; b. is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, dan wel; c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, indien is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig kunnen worden verstoord: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden en/of een verplichting tot het doen van opgravingen; 2. een verplichting de werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg; d. alvorens omgevingsvergunning wordt verleend door het bevoegd gezag deskundig advies op het gebied van archeologie is gevraagd. 6.5 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de bestemming 'Waarde Archeologie 5' geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.

15

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

16

Artikel 8

Algemene bouwregels

8.1 Bestaande maten

Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegelaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringsbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: a. bestaande maten, die meer bedragen dan in de bouwregels is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. bestaande maten, die minder bedragen dan in de bouwregels is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. 8.2 Bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, alsmede erkers, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- dan wel bestemmingsgrens met niet meer dan 1,50 m wordt overschreden. 8.3 Kelders

Onder woningen en daarbij behorende aan- en uitbouwen mogen kelders worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. de kelder loodrecht onder de woning en/of daarbij behorende aan- en uitbouwen wordt gebouwd; b. de maximale diepte van de kelder, gemeten vanaf de onderkant van de begane grond, 4 meter bedraagt. 8.4 Maximale bouwhoogte van gebouwen

Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen, worden plaatselijke verhogingen zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, buiten beschouwing gelaten, mits: * de oppervlakte per plaatselijke verhoging niet meer dan 10 m2 bedraagt; » de gezamenlijke oppervlakte van de verhogingen ten hoogste 50*24 van het dakvlak bedraagt; » de verhoging leidt tot een hoogte welke ten hoogste 1,25 maal de maximale (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt. 8.5

Parkeervoorzieningen

Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt 17

voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de normen die zijn opgenomen in de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode. 8.6

Afwijkingsbevoegdheid

Het bepaalde in 8.5 is niet van toepassing indien: a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd. onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van het bepaald in de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode

18

Artikel 9

Algemene gebruiksregels

9.1 Beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis

Een woning en/of bedrijfswoning en de daarbij behorende aan-, en uitbouwen en bijgebouwen mogen worden gebruikt voor beroeps- of bedrijfsuitoefening aan huis, mits: a. de gezamenlijke vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 40^» van het bruto vloeroppervlak van de betreffende woningen en de daarbij behorende aan-, en uitbouwen en bijgebouwen; b. het geen detailhandel of horeca betreft; c. het beroep/bedrijf wordt uitgeoefend door in ieder geval één van de bewoners van de woning; d. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van het aan huis gebonden beroep of bedrijf plaatsvindt; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt; f. de activiteit geen afbreuk doet aan het woonkarakter en/of agrarische karakter van de omgeving. 9.2

Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruiken of laten gebruiken als staan- of ligplaats voor onderkomens; b. het gebruiken of laten gebruiken als sport- of wedstrijdterreinen, parkeerterreinen, kampeer- of caravanterreinen, woonwagen- of andere kampen, dagcampings en ligof speelweiden; c. het aanwezig of opgeslagen hebben van één of meer aan hun gebruik onttrokken machines, voer-, vaar- of vliegtuigen, dan wel onderdelen daarvan en het opgeslagen hebben van ongerede en onklare machines, voer-, vaar-, of vliegtuigen; d. het gebruiken of laten gebruiken als opslagplaats, dan wel stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte voorwerpen, stoffen of producten, behoudens indien en voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; e. de opslag van bagger en grondspecie behoudens indien en voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de wettelijke onderhoudsplicht van naastgelegen waterpartijen; f. het gebruiken of laten gebruiken als volkstuin; g. het gebruiken of laten gebruiken als ligplaats voor woonschepen; h. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; i. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen; j.

het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; k. het gebruiken of laten gebruiken van gebouwen als groepsaccommodatie; l. het gebruiken of laten gebruiken van vaste kampeermiddelen, recreatiewoningen en zomerwoningen voor permanente bewoning; 19

m. het gebruiken of laten gebruiken van bijgebouwen als zelfstandige of afhankelijke woonruimte.

20

Artikel 10

Algemene afwijkingsregels

10.1 Ondergeschikte afwijkingen

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels kan worden afgeweken, kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van de desbetreffende regels van het plan voor: a. de op de verbeelding aangeduide en/of in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages (met uitzondering van de oppervlakte van gebouwen, bebouwing en bestemmingsvlakken) tot niet meer dan 100Zo van die maten, afmetingen en percentages; b. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; c. het bepaalde in het plan en toestaan dat antennemasten worden gebouwd met een hoogte van ten hoogste 15 m; d. het bepaalde in het plan en toestaan dat antennemasten ten behoeve van telecommunicatiedoeleinden worden gebouwd met een hoogte van ten hoogste 40 m; e. het aanleggen van verhardingen ten behoeve van een betere ontsluiting van agrarische gronden en ten behoeve van fietsen wandelpaden; f. het bepaalde in het plan en toestaan dat het beloop of profiel van (vaar)wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of intensiteit daartoe aanleiding geeft; g.

het bepaalde in het plan en toestaan dat gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen, openbaar vervoer, telecommunicatie, sanitaire voorzieningen, kunstwerken en naar de aard daarmee gelijk te stellen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, mits: 1. de ínhoud per gebouwtje niet meer dan 100 m3 bedraagt; 2. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 15 m bedraagt. De onder a tot en met g genoemde omgevíngsvergunningen kunnen uitsluitend worden verleend, mits er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; b. het landschaps- en bebouwingsbeeld; c. de milieusituatie; d. de verkeersveiligheid; e. de archeologische en aardkundige waarden. 10.2

Mantelzorg

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels kan worden afgeweken, kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van de desbetreffende regels van het plan voor: a. het gebruik van een bijgebouw bij een (bedrijfs)woning als afhankelijke woonruimte;

21

b. de bouwregels voor bijbehorende bouwwerken bij een (bedrijfs)woning, zoals opgenomen in de bestemmingsregels, en extra bouwmogelijkheden bieden voor de bouw van een bijgebouw ten behoeve van mantelzorg, mits: 1. de hulpbehoevende(n) aan wie zorg wordt geboden over een indicatie van een bevoegde arts dan wel instelling beschikt; 2. het parkeren op eigen terrein plaatsvindt en, indien dit niet mogelijk is, de parkeerdruk in de naaste omgeving als gevolg van het gebruik voor mantelzorg niet onevenredig toeneemt; 3. er geen sprake is van een zelfstandige woning; 4. zodra de noodzaak van mantelzorg is komen te vervallen (als gevolg van verhuizing of overlijden) het gebruik van het bijgebouw als afhankelijke woonruimte wordt beëindigd en de woonvoorzieningen worden verwijderd; 5. de oppervlakte van een nieuw te bouwen bijgebouw, c.q. mantelzorgwoning ten hoogste 100 m2 bedraagt; 6. het bebouwingspercentage van het achtererf ten hoogste 75*^ bedraagt; 7. de bouwhoogte van een bijgebouw c.q. mantelzorgwoning niet meer dan 3,5 m bedraagt. 10.3 Woningsplitsing en vorming onzelfstandige woonruimte met, of zonder, bouwkundige aanpassing

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels kan worden afgeweken, kunnen burgemeester en wethouders met een omgevingsvergunning afwijken van de desbetreffende regels van het plan voor: a. woningsplitsing en vorming van onzelfstandige woonruimte met, of zonder, bouwkundige aanpassing, mits: 1. het veranderen, vervangen of vergroten van een woning mag niet leiden tot: i. de vorming van een extra woning; ii. de vorming van een extra onzelfstandige woonruimte. 2. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de regel onder sub a, lid 1 onder i, en woningsplitsing toestaan, mits: i. het splitsen van een woning dient gerealiseerd te worden binnen de bestaande bebouwing; ii. de woningen, nadat splitsing heeft plaatsgevonden, hebben elk een gebruiksoppervlakte van ten minste 35 m2; iii. de afwijking zoals bedoeld in dit artikel wordt slechts verleend indien in op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode; iv. de woning die gerealiseerd wordt ten gevolge van de splitsing moet passen binnen het regionale woningbouwprogramma; v.

het bepaalde in het plan en toestaan van splitsen van woningen mag enkel plaatsvinden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 22

het straat-en bebouwingsbeeld; de sociale veiligheid; de verkeersveiligheid; de woonsituatie: 3. Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van de regel onder sub a, lid 1, onder ii en een extra onzelfstandige woonruimte toestaan in een door de eigenaar bewoonde woning, mits; i. de toegevoegde onzelfstandige woonruimte dient gerealiseerd te worden binnen de bestaande bebouwing; ii. de toegevoegde onzelfstandige ruimte een gebruiksoppervlakte van ten minste 12m2 heeft; de afwijking zoals bedoeld in dit artikel wordt slechts verleend indien iii. in op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Nota Parkeernormen Schagen 2016', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze nota gedurende de planperiode; iv. de woning die gerealiseerd wordt ten gevolge van de splitsing moet passen binnen het regionale woningbouwprogramma; v. het bepaalde in het plan en toestaan toevoegen van onzelfstandige ruimten mag enkel plaatsvinden mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat-en bebouwingsbeeld; de sociale veiligheid; de verkeersveiligheid; de woonsituatie:

23

Hoofdstuk 4 Overgang- en slotregels

Artikel 11

Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van lid a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de ínhoud van een bouwwerk als bedoeld in het lid a met maximaal 100Zo. c. Lid a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 11.2 Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in lid a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten ofte laten hervatten. d. Lid a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

24

Artikel 12

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: "Regels van het bestemmingsplan Middenweg 9 t/m 15A Dirkshorn "

25

Bestemmingsplan Middenweg Qt/rn 15A Dirkshorn Ontwerp

Toelichting

Bestemmingsplan Middenweg 9 t/m 15A Dirkshorn

Toelichting

28 februari 2023

Planstatus: Ontwerp Plan ID:NL.IMR0.0441.BPLGHMİdweg9tml5a-on01

'Üįt

I GEMEENTE

behagen

ínhoud: 1.

Inleiding............................................................................................................................... 5 1.1

2.

3.

4.

Aanleiding en doel vanhet plan....................................................................................... 5

Analyse van het plangebied...................................................................................................7 2.1

Ligging plangebied......................................................................................................... 7

2.2

Karakter van de omgeving.............................................................................................. 7

Planbeschrijving.................................................................................................................... 8 3.1

Bestaande situatie......................................................................................................... 8

3.2

Ontwikkeling plan.......................................................................................................... 9

3.3

Stedenbouwkundige- enlandschappelijke inpassing.......................................................... 9

Beleid................................................................................................................................. 11 4.1 4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (Novi)........................................................................... 11

4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)...............................................11

4.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking.................................................................... 12

4.2

Provinciaal beleid........................................................................................................ 12

4.2.1

Omgevingsvisie NH 2050....................................................................................... 12

4.2.2

Omgevingsverordening NH2020............................................................................ 13

4.3

5.

Rijksbeleid................................................................................................................... 11

Gemeentelijk beleid.....................................................................................................13

4.3.1

Omgevingsvisie gemeente Schagen........................................................................13

4.3.2

Bestemmingsplan................................................................................................. 13

4.3.3

Welstandsbeleid...................................................................................................14

Omgevingsaspecten............................................................................................................15 5.1

Algemeen.................................................................................................................... 15

5.2

Natuur.........................................................................................................................15

5.3

Bodem........................................................................................................................15

5.4

Geluid.........................................................................................................................15

5.5

Luchtkwaliteit..............................................................................................................16

5.5.1 5.6

Besluit niet in betekenende mate (NIBM)................................................................ 16 Water..........................................................................................................................17

5.6.1

Europese Kaderrichtlijn Water................................................................................17

5.6.2

Watervisie 2021.................................................................................................... 17

5.6.3

Waterprogramma................................................................................................ 17

5.6.4

6

Water in het plan/Watertoets................................................................................. 17

5.7

Externe veiligheid........................................................................................................ 19

5.8

Bedrijven en milieuzonering..........................................................................................20

5.9

Milieueffectrapportage (MER)...................................................................................... 21

5.10

Spuitvrije zone.............................................................................................................21

5.11

Duurzaamheid.............................................................................................................22

5.12

Verkeer en Parkeren.................................................................................................... 22

5.13

Kabels en leidingen...................................................................................................... 22

5.14

Cultuurhistorie.............................................................................................................22

5.15

Archeologie................................................................................................................. 23

Juridische aspecten.............................................................................................................24 6.1

Doelstelling................................................................................................................. 24

6.2

Relatie met het geldende bestemmingsplan.................................................................. 24

6.3

Planopzet.................................................................................................................... 24

6.3.1. 7.

Bestemmingsregels................................................................................................ 25

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid............................................................. 26 7.1

Economische uitvoerbaarheid....................................................................................... 26

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid................................................................................26

7.2.1

Overleg belanghebbenden..................................................................................... 26

7.2.2

Overleg belanghebbenden..................................................................................... 27

Bijlagen: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8:

Situatietekening omgevingsvergunning bouw 3 woningen Landschappelijke inrichtingstekening nieuwe woningen Beeldkwaliteitsplan Verkennend onderzoek natuur Verkennend bodemonderzoek Akoestisch onderzoek Watertoets Advies Veiligheidsregio Noord-Holland Noord

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel van het plan

In het kader van de Ruimte voor ruimte regeling is voor het perceel Middenweg 9 t/m 15a een bestemmingsplanprocedure doorlopen. In het vigerende bestemmingsplan 'Middenweg 15 en 15A Dirkshorn' is het toegestaan om 5 woningen op de locatie te bouwen. Naast drie nieuwe bouwkavels op het perceel zijn nog twee bestaande woningen op het perceel aanwezig.

Weiland

Wlndsingd met Inheems soorten

1325 m2

to.v. elkaar

rullen iepen

Plangebied

Bron: Google Maps

Alle nieuwe bouwkavels zijn gekocht door de initiatiefnemer. Er is bij de gemeente Schagen een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om drie woningen te bouwen; twee geschakelde woningen (aan-bijgebouwen aan elkaar) en een vrijstaande woning. Voor de uitvoering van dit plan is inmiddels door de gemeente Schagen een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend. Het betreft nagenoeg een gebonden beschikking. Enkel voor de hoogte is een binnenplanse afwijking verleend. De werkzaamheden voor de bouw van de woningen worden momenteel uitgevoerd (bijlage 1). Het is de bedoeling om de aaneengebouwde woning samen te voegen tot één woning. Dit kan door de binnenmuur te verwijderen. De ruimtelijke situatie zal dan ook niet wijzigen.

5

22Sm2

190m2 '22Sm2

jltcrruiMv*

povt*

X 114662804 Y 628668548

'ooüjn 20m utd*

Situatie drie woningen omgevingsvergunning

De gemeente heeft aangegeven dat 1 bouwvlak/wooneenheid moet worden wegbestemd, omdat anders het bebouwd oppervlak op het perceel zal toenemen en dit is niet in overeenstemming met de uitgangspunten van het doorlopen Ruimte voor ruimte traject. Belangrijk om op te merken is dat er ruimtelijk gezien geen wijzigingen optreden op het perceel door de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan maakt alleen het samenvoegen van twee woningen mogelijk, waarbij het aantal wooneenheden van 5 naar 4 wordt gewijzigd. Tevens zal door de wijziging van het aantal wooneenheden de huisnummering op het perceel worden aangepast. De bestaande woning op Middenweg 15 wordt hernummerd naar Middenweg 9 en vervolgens krijgen de drie nieuwe woningen de huisnummers Middenweg 11, 13 en 15. Na de samenvoeging van twee woningen tot één grote woning komt huisnummer Middenweg 15 te vervallen. Het huisnummer van de bestaande woning op Middenweg 15a aan de oostzijde van de planlocatie wordt niet gewijzigd. Daarnaast is een uitrit met toegangsweg en laanbeplanting aangelegd op een gedeelte van de locatie met een agrarische bestemming. De gemeente heeft een vergunning verleend voor het realiseren van deze voorzieningen op een relatief klein stukje grond, omdat het agrarisch gebruik van dit kleine perceel niet rendabel is te maken.

Bovendien worden er minder inritten gemaakt op de Middenweg door het samenvoegen van de woning en dit is vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit en verkeersveiligheid een gewenste ontwikkeling. In het vigerende bestemmingsplan is het planologisch toegestaan om verkeersvoorzieningen aan te leggen op agrarische grond ten behoeve van een agrarisch bedrijf. Bij de ontwikkeling van het plan aan de Middenweg wordt een uitrit met toegangsweg aangelegd op agrarische grond ten behoeve van wonen. Wel blijft de agrarische bestemming gehandhaafd, zodat de rest van het perceel onbebouwd blijft. De voorwaarden voor het realiseren van deze voorzieningen op een agrarische bestemming worden in de regels van het nieuwe bestemmingsplan opgenomen. 6

2.

Analyse van het plangebied

2.1

Ligging plangebied

De planlocatie is gelegen in de lintbebouwing langs de Middenweg in Dirkshorn. Deze weg vormt een verbinding tussen de Provinciale wegen N 241 en N245 en de dorpen Dirkshorn en Zijdewind. De bebouwing langs de Middenweg bestaat uit een mix van voornamelijk agrarische bedrijven en particuliere woningen met grote open ruimten ertussen.

^^Míddenweg 15

K

Z

Blokhuizen narij]

Dirkshorn

BLIEKENBOS N24S

V,

ĵ

Zijdewind Slootgaard

Plangebied

2.2

s

.jr

v

1 a 1

Bron: Google Maps

Karakter van de omgeving

De planlocatie is gelegen binnen de Schagerwaard. Dit is een vlak, agrarisch gebied, dat gekenmerkt wordt door een grote mate van openheid en hoofdzakelijk in gebruik is als grasland en bouwland. Het enige reliëf in het landschap wordt gevormd door de Provincialeweg N241 aan de oostzijde en de Provincialeweg N245 aan de westzijde. Het grillige verloop van de Ringsloot met de boezemkaden aan de zuidkant is goed herkenbaar in het landschap. De Middenweg doorsnijdt de polder Schagerwaard van oost naar west. De polder is slechts spaarzaam bebouwd en beplant. Rondom de dorpen Dirkshorn en Zijdewind is de bebouwing geconcentreerd. Het bebouwingslint langs de Middenweg is al vroeg gevormd en heeft zich steeds verder ontwikkeld. Door ruilverkavelingen is de oorspronkelijke structuur van het landschap ingrijpend veranderd. De fijnmazige onregelmatige opstrekkende verkaveling is vervangen door een rechthoekig en grootschaliger patroon. De kenmerkende openheid van de polder is echter nog goed zichtbaar.

7

3.

Planbeschrijving

3.1

Bestaande situatie

Het perceel aan de Middenweg 9 t/m 15a is bouwrijp gemaakt en er zijn veel bomen en struiken aangeplant. Hierdoor heeft het perceel een groen karakter gekregen. Rond het perceel zijn waterlopen gegraven of opnieuw geprofileerd en aan de westzijde van het perceel is de bestaande uitrit verplaatst.

t ïļsįí

Uitrit met toegangsweg oostzijde Huidige situatie planlocatie

' Gooqte Maps

8

3.2

Ontwikkeling plan

Het is de bedoeling om de in aanbouw zijnde aaneengeschakelde woning samen te voegen tot één woning. De grote samengevoegde woning wordt gerealiseerd in het midden van het perceel. Deze woning wordt ontsloten door middel van een toegangsweg met uitrit op de Middenweg, aan de oostzijde van de planlocatie. Aan de westzijde van de planlocatie wordt een tweede woning gerealiseerd met een uitrit op de Middenweg (bijlage 2).

t*

Situatie nieuwe woningen

De nieuwe woningen gaan deel uitmaken van het bebouwingslint langs de Middenweg in Dirkshorn. Voor de uitvoering van dit plan is inmiddels door de gemeente Schagen een onherroepelijke omgevingsvergunning verleend.

3.3

Stedenbouwkundige- en landschappelijke inpassing

Ruimtelijk gezien treden er geen wijzigingen op door de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan maakt alleen het samenvoegen van twee woningen mogelijk, waarbij het aantal wooneenheden van 5 naar 4 wordt gewijzigd. Inmiddels is de bouw van de woningen in uitvoering. 9

Er is daarnaast een uitrit met toegangsweg en laanbomen gerealiseerd op een gedeelte van de locatie met een agrarische bestemming. De gemeente heeft aangegeven in te stemmen met het realiseren van deze voorzieningen op een relatief klein stukje grond, omdat het agrarisch gebruik van dit kleine perceel niet rendabel is te maken. Bovendien worden er minder inritten gemaakt op de Middenweg en dit is vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit en verkeersveiligheid een gewenste ontwikkeling. Wel blijft de agrarische bestemming gehandhaafd, zodat de rest van het perceel onbebouwd blijft. Rond de planlocatie zijn veel bomen en struiken aangeplant en zijn waterlopen gegraven en gewijzigd. Voor het wijzigen van de waterlopen is een watervergunning verleend door het hoogheemraadschap. De zichtlijnen over het perceel worden bepaald door door hetgeen het vigerende bestemmingsplan toestaat en waarin drie woningen met groene erven zijn voorzien. Bij de ontwikkeling van het plan treedt er geen wijziging op in de hoeveelheid bebouwing op het perceel. De zichtlijnen zijn niet anders dan in het huidige bestemmingsplan is voorzien. Sterker nog, door de 2 woningen geschakeld te bouwen zou dit zelfs een verbetering kunnen zijn, omdat er daardoor meer openheid op het erf wordt gecreëerd.

Aan weerszijden van de samengevoegde woning zijn de zichtlijnen breder zijn dan in de situatie met drie losse woningen. Belangrijkste argument is dat de ruimtelijke situatie voor wat betreft de woningen niet zal wijzigen; de vergunde 3 woningen zijn onherroepelijk. De samenvoeging, die past binnen het huidige bestemmingsplan, betreft een interne wijziging en heeft ruimtelijk geen gevolgen.

10

4.

Beleid

4.1

Rijksbeleid

4.1.1

Nationale Omgevingsvisie (Novi)

In de Nationale Omgevingsvisie wordt een langetermijnvisie voor de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland aangegeven. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland veranderen en de visie is bedoeld om het land mooier te maken en voort te bouwen op het bestaande landschap en de steden. De Novi is op 11 september 2020 vastgesteld en op 15 september 2020 in werking getreden. In de visie wordt een integrale aanpak voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie vanuit het Rijk. Met een zorgvuldige afweging van belangen wordt er gewerkt aan de onderstaande prioriteiten: * * * »

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio's; Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Zowel op de korte- als lange termijn zijn maatregelen nodig om de bovengenoemde prioriteiten te bewerkstelligen. Deze maatregelen zullen in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Vanuit het Rijk zal hier de regie over worden gevoerd. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie vindt een doorvertaling plaats naar het beleid van provincies en gemeenten. Dit is de reden dat de ontwikkeling van het plan niet indirect wordt getoetst aan de bovenstaande prioriteiten, maar via het beleid van lagere overheden. Doordat er op het perceel een duurzame toekomstbestendige ontwikkeling plaatsvindt, voldoet het plan overigens wel aan de Novi. Conclusie: Voor het plan heeft de Novi geen directe consequenties. 4.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de ínhoud van ruimtelijke plannen beperken, daar waar de nationale belangen dit noodzakelijk maken. In het overzicht met nationale belangen is geen enkel belang gerelateerd aan de bestemmingswijziging op de planlocatie. Dit betekent dat de Barro niet van toepassing is op de ontwikkeling van het plan. Conclusie: De in het Barro opgenomen regelingen hebben geen consequenties voor het voorliggende bestemmingsplan.

11

4.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. De ladder is opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het is een verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ontwikkelingen die geen extra verstedelijking tot gevolg hebben, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Door het samenvoegen van twee woningen tot één grote woning en de bouw van een tweede woning wordt de bebouwde oppervlakte op het perceel niet vergroot ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden. Om dit te waarborgen worden in dit bestemmingsplan 4 wooneenheden opgenomen in plaats van 5 wooneenheden die nu nog op het perceel aanwezig zijn. Het plan heeft geen extra verstedelijking tot gevolg. Conclusie: De ontwikkeling van het plan betreft geen nieuwe stedelijke ontwikkeling

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1

Omgevingsvisie NH 2050

De hoofdambitie binnen de Omgevingsvisie NH 2050 is om de leefomgeving af te stemmen op de economische groei. Er wordt uitgegaan van de sturingsfilosofie 'lokaal wat kan, regionaal wat moet'. Belangrijk hierbij zijn de ambities voor: » een gezonde- en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving; « het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit; * volledig klimaatneutraal in 2050, gebaseerd op een maximale inzet of opwekking van hernieuwbare energie. De planlocatie is gelegen in het gebied Noord-Holland-Noord. In de Omgevingsvisie staat vermeld dat dit gebied beschikt over bijzondere eigen kenmerken en kwaliteiten. Zoals (meer) rust, ruimte, groen, natuur en (gezonde) lucht. Die kwaliteiten zijn het waard om te koesteren. Niet alleen voor de inwoners van die gebieden zelf, maar ook voor de inwoners in het drukke zuidelijke deel van de provincie die op zijn tijd een meer landelijke omgeving willen bezoeken. Om daar rust en ruimte te kunnen ervaren of een ander type woonmilieu te zoeken. Om deze kwaliteiten te waarborgen is dynamiek en ontwikkeling in NoordHolland Noord nodig. Verstedelijking nabij knooppunten van openbaar vervoer en in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen komt daarvoor het meest in aanmerking.

Beide woningen in het plan worden stedenbouwkundig- en landschappelijk ingepast in het bebouwingslint van de Middenweg. De woningen worden gerealiseerd dicht bij de dorpskern van Dirkshorn en de bijbehorende voorzieningen. Dit is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. De bebouwing neemt niet toe ten opzichte van de huidige planologische mogelijkheden in het vigerende bestemmingsplan. Conclusie: De ontwikkeling van het plan is niet in strijd met de Omgevingsvisie

12

4.2.2

Omgevingsverordening NH2020

De Omgevingsverordening is vastgesteld op 22 oktober 2020 door Provinciale Staten en is in werking getreden per 16 november 2020. De verordening schrijft voor waaraan de Ínhoud van (gemeentelijke) ruimtelijke plannen, zoals het voorliggende bestemmingsplan, moet voldoen. In artikel 6.10 staat vermeld dat ter plaatse van het werkingsgebied landelijk gebied uitsluitend kan worden voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als: 1. de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte afspraken; 2. de in lid 1 genoemde afspraken kunnen alleen afspraken bevatten over locaties die zijn gelegen in of aan kernen of in of aan dorpslinten. De ontwikkeling van de woningen op de planlocatie aan de Middenweg is in overeenstemming met de binnen de regio gemaakte afspraken. Deze afstemming heeft plaatsgevonden tijdens de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan waarin 5 woningen op de planlocatie mogen worden gebouwd. Belangrijk om op te merken is dat er ruimtelijk gezien geen wijzigingen optreden op het perceel door het samenvoegen van twee woningen, waarbij het aantal wooneenheden van 5 naar 4 wordt gewijzigd. De woningen worden gerealiseerd in het dorpslint langs de Middenweg aansluitend aan de dorpskern van Dirkshorn.

Dit stemt overeen met de voorwaarde dat een kleinschalige woningbouwontwikkeling mogelijk is op een locatie die gelegen is in of aan een dorpskern of in of aan een dorpslint. Conclusie: Het is mogelijk om het plan te realiseren binnen de regels van de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1

Omgevingsvisie gemeente Schagen

De Omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen gericht op de toekomst van de gemeente. De visie benoemd diverse speerpunten. De gemeente wil een gezinsvriendelijke gemeente zijn met sterke dorpen. De gemeente wil ook aansluiten bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en daarmee bijdragen aan sterke kernen. Daarbij wil men ook een duurzame gemeente zijn. Bij de ontwikkeling van het plan aan de Middenweg wordt niet voldaan aan de groeiende behoefte aan woningen, doordat twee woningen worden samengevoegd tot één woning. Wel sluit de bouw van een samengevoegde gezinsvriendelijke woning op het perceel aan bij de vraag en het betreft een versterking van het woon- en leefklimaat rond de locatie. De woning zal gasloos worden gebouwd en heeft een duurzaam karakter. 4.3.2

Bestemmingsplan

Het perceel Middenweg 9 t/m 15a is gelegen binnen het gebied waar het bestemmingsplan "Middenweg 15 en 15A Dirkshorn" van toepassing is. In het vigerende bestemmingsplan mogen op het perceel 5 woningen worden gebouwd, waaronder twee bestaande woningen.

13

Middenweg 15 en 1 5A Dirkshorn Gemeente Schagen bestemmingsplan onherroepelijk (vastgesteld 2020 12-15) PLEKINFO

DOCUMENTEN

KENMERKEN

114599, 529554.9 Enkelbestemming Wonen

t** •\* * *

* * * # *

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 5

* ********

i------ . Maatvoering I-----1 maximum aantal wooneenheden: 5

Vigerend bestemmingsplan

De initiatiefnemer heeft als doel om twee woningen samen te voegen tot één grote woning en daarnaast een tweede woning te realiseren. De gemeente heeft aangegeven dat het aantal wooneenheden moet worden teruggebracht naar 4, omdat anders het bebouwd oppervlak op het perceel zal toenemen en dit is niet in overeenstemming met de uitgangspunten van het eerder doorlopen Ruimte voor ruimte traject. Voor het wijzigen van het aantal wooneenheden van 5 naar 4 moet een bestemmingsplan­ procedure worden doorlopen. Daarnaast zal een uitrit, toegangsweg en laanbeplanting worden aangelegd op een gedeelte van de locatie met een agrarische bestemming. De voorwaarden voor het realiseren van deze voorzieningen op een agrarische bestemming worden in de regels van het voorliggende bestemmingsplan opgenomen. 4.3.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14650183/1