CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Getekend RB Belastingverordeningen 2025

Gemeenteraad 17 december 2024, gemeente SchagenBij agendapunt: Belastingverordeningen 202524.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Griffier

Voorzitter

G.E.P. Meijer

M.J.P. van Kampen-Nouwen

Pagina 2 van 2

Registratienr. 23.101540

*23.101540* Relatie met: 20.049207

GISELLEBRaadsbesluit 0000001189 E Gemeenteraad

Raadsbesluit De raad van de gemeente Schagen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 november 2024, nr. ; gelet op het bepaalde in de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

besluit: vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2025 Artikel 1 Belastbaar feit en belastingplicht 1.

2.

3.

Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting; b. een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Bij de gebruikersbelasting wordt: a. gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; c.

het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2 Belastingobject 1. 2.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.

De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.

Raadsbesluit Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025

Pagina 1 van 3

2.

Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4 Vrijstellingen 1.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond; c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen; e.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden; f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken; g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning; i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken; j.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen; k. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; l. begraafplaatsen en urnentuinen, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

Artikel 5 Belastingtarieven 1.

2.

Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: a. de gebruikersbelasting 0,1796 %; b. bij de eigenarenbelasting 1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1097 %; 2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,2494 %. Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Termijnen van betaling 1. 2.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde

Raadsbesluit Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025

Pagina 2 van 3

3.

4.

aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 150,00, doch minder dan € 2.500,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 8 Overgangsrecht De “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024” van 19 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 9, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 9 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 10 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025”.

Aldus besloten in de vergadering van: 17 december 2024.

De raad van de gemeente Schagen, griffier

voorzitter

De heer G.E.P. Meijer

Mevrouw M.J.P. van Kampen-Nouwen

Raadsbesluit Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025

Pagina 3 van 3

Registratienr. 23.101541

GISELLEBRaadsbesluit

*23.101541* Relatie met: 20.049207

0000001189 E Gemeenteraad

Raadsbesluit De raad van de gemeente Schagen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 november 2024, nr. ; gelet op het bepaalde in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

besluit: vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2025 Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: ‘gebruik maken’: gebruik maken in de zin van artikel 15:33 Wet mileubeheer.

Artikel 2 Aard van belasting en belastbaar feit 1. 2.

Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 3 Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar: 1. indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon € 341,00; 2. indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee of drie personen € 402,00; 3. indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan drie personen € 435,00; 4. indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij aanvang van de belastingplicht een recreatiewoning of een tweede woning is waar huishoudelijk afval wordt opgehaald en de gebruiker(s) niet op het perceel staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie is het tarief genoemd onder artikel 4 onderdeel 1 van toepassing; 5.

de belasting als bedoeld in artikel 4 onderdeel 1, 2, 3 en 4 wordt vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van ieder (boven hetgeen volgens de Afvalstoffenverordening gemeente Schagen 2019 aan het perceel is verstrekt) inzamelmiddel voor huishoudelijk restafval (grijze container) met € 218,00.

Raadsbesluit Verordening afvalstoffenheffing 2025

Pagina 1 van 3

De genoemde bedragen zijn inclusief omzetbelasting indien deze verschuldigd is.

Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.

3.

4. 5.

De belastingen zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel van de belastingen in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het gebruikersdeel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel van de belastingen in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven, met dien verstande dat het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen wordt aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 8 Termijnen van betaling 1.

2.

3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 150,00, doch minder dan € 2.500,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9 Overgangsrecht De “Verordening afvalstoffenheffing 2024” van 19 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 10, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 10 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Raadsbesluit Verordening afvalstoffenheffing 2025

Pagina 2 van 3

Artikel 11 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening afvalstoffenheffing 2025”.

Aldus besloten in de vergadering van: 17 december 2024.

De raad van de gemeente Schagen, griffier

voorzitter

De heer G.E.P. Meijer

Mevrouw M.J.P. van Kampen-Nouwen

Raadsbesluit Verordening afvalstoffenheffing 2025

Pagina 3 van 3

Registratienr. 23.101542

*23.101542* Relatie met: 20.049207

GISELLEBRaadsbesluit 0000001189 E Gemeenteraad

Raadsbesluit De raad van de gemeente Schagen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 november 2024, nr. ; gelet op het bepaalde in artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit: vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025 Artikel 1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente; perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft; water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1. 2.

De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel. Voor het gebruikersdeel wordt: a. gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden; b. gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; c. het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Raadsbesluit Verordening rioolheffing 2025

Pagina 1 van 3

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing 1. 2.

3.

4.

Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend. Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a. watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen. De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven 1.

2.

Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt: a. tot en met 99.750 m3 waterverbruik een tarief van € 228,- per eenheid van 350 m3 gebruik, waarbij een gedeelte van 350 m3 als een volle eenheid wordt aangemerkt; b. vanaf 99.751 m3 waterverbruik een tarief van € 228,- per eenheid van 750 m3 gebruik, waarbij een gedeelte van 750 m3 als een volle eenheid wordt aangemerkt. In afwijking van wat in het eerste lid is bepaald, bedraagt het tarief voor een perceel waaruit uitsluitend hemelwater kan worden afgevoerd € 76,-.

Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. 2.

3.

4. 5.

De belastingen zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel van de belastingen in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het gebruikersdeel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel van de belastingen in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt. Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven, met dien verstande dat het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen wordt aangemerkt als één belastingaanslag.

Artikel 10 Termijnen van betaling

Raadsbesluit Verordening rioolheffing 2025

Pagina 2 van 3

1.

2.

3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 150,00, doch minder dan € 2.500,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Overgangsrecht De “Verordening rioolheffing 2024” van 19 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 13 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening rioolheffing 2025”. Aldus besloten in de vergadering van: 17 december 2024.

De raad van de gemeente Schagen, griffier

voorzitter

De heer G.E.P. Meijer

Mevrouw M.J.P. van Kampen-Nouwen

Raadsbesluit Verordening rioolheffing 2025

Pagina 3 van 3

Registratienr. 23.101543

GISELLEBRaadsbesluit

*23.101543*

0000001189

Relatie met: 20.049207

E Gemeenteraad

Raadsbesluit De raad van de gemeente Schagen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 5 november 2024, nr. ; gelet op het bepaalde in artikel 223 van de Gemeentewet;

besluit: vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2025 Artikel 1 Definities Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht 1.

Onder de naam ‘forensenbelasting’ wordt een directe belasting geheven van natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

2.

Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar omstandigheden beoordeeld.

Artikel 3 Vrijstellingen Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.

Artikel 4 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. 2.

Voor woningen, zijnde stacaravans bedraagt de belasting € 384,25. Voor woningen, niet zijnde stacaravans bedraagt de belasting € 899,95.

Artikel 5 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 6 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld De belasting is verschuldigd op het moment dat de gemeubileerde woning meer dan 90 dagen in het belastingjaar beschikbaar is gehouden als bedoeld in artikel 2.

Raadsbesluit Verordening forensenbelasting 2025

Pagina 1 van 2

Artikel 8 Termijnen van betaling 1. 2.

3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later. In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat, het bedrag daarvan meer is dan € 150,00, doch minder dan € 2.500,00, en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 9 Kwijtschelding Bij de invordering van de forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 10 Overgangsrecht De “Verordening forensenbelasting 2024” van 19 december 2023 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 11 Inwerkingtreding 1. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

Artikel 12 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening forensenbelasting 2025”.

Aldus besloten in de vergadering van: 17 december 2024.

De raad van de gemeente Schagen, griffier

voorzitter

De heer G.E.P. Meijer

Mevrouw M.J.P. van Kampen-Nouwen

Raadsbesluit Verordening forensenbelasting 2025

Pagina 2 van 2

Schagen Tarieventabel, behorende bij legesverordening Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening Paragraaf 1.1 Burgerlijke stand Paragraaf 1.2 Reisdocumenten Paragraaf 1.3 Rijbewijzen Paragraaf 1.4 Verstrekkingen uit de basisregistratie personen Paragraaf 1.5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister n.v.t. Paragraaf 1.6 Verstrekkingen op grond van Wet bescherming persoonsgegevens n.v.t. Paragraaf 1.7 Bestuursstukken n.v.t. Paragraaf 1.8 Vastgoedinformatie Paragraaf 1.9 Overige publiekszaken Paragraaf 1.10 Gemeentearchief Paragraaf 1.11 Huisvestingswet n.v.t. Paragraaf 1.12 Leegstandswet Paragraaf 1.13 Gemeentegarantie n.v.t.

Paragraaf 1.14 Marktstandplaatsen (voor weekmarkten e.d.), verplaatst Paragraaf 1.15 Winkeltijdenwet, verplaatst Paragraaf 1.16 Kansspelen Paragraaf 1.17 Telecommunicatie Paragraaf 1.18 Verkeer en vervoer Paragraaf 1.19 Diversen Paragraaf 1.20 Algemene plaatselijke verordening (diverse) Paragraaf 1.21 Urgentie Hoofdstuk 2 Omgevingswet Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Paragraaf 2.2 Voorfase Paragraaf 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Paragraaf 2.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 2.5 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 2.6 Lozingsactiviteiten Paragraaf 2.7 Aanlegactiviteiten Paragraaf 2.8 Overige activiteiten Paragraaf 2.9 Maatwerkvoorschriften bij bouwactiviteiten Paragraaf 2.10 Gelijkwaardigheid Paragraaf 2.11 Overige tarieven Paragraaf 2.12 Modaliteiten Paragraaf 2.13 Vermindering Paragraaf 2.14 Teruggaaf Hoofdstuk 3 Europese dienstenrichtlijn Paragraaf 3.1 Horeca Paragraaf 3.2 Prostitutiebedrijven Paragraaf 3.3 Winkeltijdenwet Paragraaf 3.4 Organiseren evenement of markt Paragraaf 3.5 Standplaatsen

Paragraaf 3.6 Huisvestingswet Paragraaf 3.7 In deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking

Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening Artikel

Omschrijving

Verkooptarief

Paragraaf 1.1 Burgerlijke stand 1.1.1

Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een partnerschap op:

1.1.1.1

maandag tot en met vrijdag in het gemeentehuis tussen 09.00 en 17.00 uur

1.1.1.1.1

voor een sobere voltrekking (zonder speech, in een spreekkamer met

€ 113,90

beperkt aantal aanwezigen) 1.1.1.1.2

voor een reguliere voltrekking (met speech)

€ 321,50

1.1.1.2

maandag tot en met vrijdag in het gemeentehuis vanaf 17.00 uur en later

€ 702,75

1.1.1.3

zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen in het gemeentehuis

€ 702,75

1.1.1.4

maandag tot en met vrijdag in een andere locatie dan het gemeentehuis

€ 189,55

tussen 09.00 en 17.00 uur 1.1.1.5

maandag tot en met vrijdag in een andere locatie dan het gemeentehuis

€ 189,55

vanaf 17.00 uur en later 1.1.1.6

zaterdag, zondag en algemeen erkende feestdagen in een andere locatie dan

€ 189,55

het gemeentehuis 1.1.1.7

maandag om 09.00 en 10.00 uur (zonder toespraak)

1.1.2

De tarieven genoemd onder 1.1.1.1 t/m 1.1.1.7 zijn overeenkomstig van toepassing terzake van het omzetten van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk

1.1.2.1

aan de balie (administratieve handeling)

1.1.2.2

met ceremonie: zijn de tarieven genoemd onder 1.1.1.1 t/m 1.1.1.7 van

€ 28,50

toepassing 1.1.3

Het tarief bedraagt voor op verzoek beschikbaar stellen van een

€ 23,15

gemeenteambtenaar om als getuige op te treden bij het voltrekken van een huwelijk of de registratie van een partnerschap 1.1.4

Het tarief bedraagt voor het verstrekken van:

1.1.4.1

een trouwboekje en/of partnerschapsboekje

€ 20,05

1.1.5

Het tarief voor een eenmalige benoeming van een buitengewoon ambtenaar

€ 46,40

van de burgerlijke stand voor één dag bedraagt 1.1.6

Het tarief voor een eenmalige beëdiging van een buitengewoon ambtenaar

€ 333,95

van de burgerlijke stand voor één dag bedraagt 1.1.7

Het tarief bedraagt voor het doen van nasporingen in de registers van de Burgerlijke Stand, voor ieder daaraan besteed kwartier

1.1.8

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een stuk als bedoeld in artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand (Stb. 1879 72) geldt het tarief zoals dat is opgenomen in het vigerende Legesbesluit akten burgerlijke stand.

€ 29,50

Paragraaf 1.2 Reisdocumenten 1.2.1

Het tarief bedraagt voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag:

1.2.1.1

van een nationaal paspoort, voor een persoon die op het moment van de

€ 86,85

aanvraag 18 jaar of ouder is: (10 jaar geldig) 1.2.1.2

van een nationaal paspoort, voor een persoon die op het moment van de

€ 65,70

aanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (5 jaar geldig) 1.2.2

van een nationaal paspoort, een groter aantal bladzijde bevattende dan een nationaal paspoort als bedoeld in onderdeel 1.2.1 (zakenpaspoort)

1.2.2.1

voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is:

€ 86,85

(10 jaar geldig) 1.2.2.2

voor een persoondie op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar

€ 65,70

nog niet heeft bereikt (5 jaar geldig) 1.2.3

van een reisdocument ten behoeve van een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld (faciliteitenpaspoort)

1.2.3.1

voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is:

€ 86,85

(10 jaar geldig) 1.2.3.2

voor een persoondie op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar

€ 65,70

nog niet heeft bereikt (5 jaar geldig) 1.2.4

van een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor

€ 65,70

vreemdelingen (5 jaar geldig) 1.2.5

van een Nederlands Identiteitskaart

1.2.5.1

voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is:

€ 78,50

(10 jaar geldig) 1.2.5.2

voor een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar

€ 42,35

nog niet heeft bereikt (5 jaar geldig) 1.2.6

voor de versnelde uitreiking van een in de onderdelen 1.2.1 tot en met 1.2.5

€ 59,10

genoemd document, zijnde een toeslag op de in die onderdelen genoemde bedragen 1.2.7

Voor de bezorging van een reisdocument als bedoeld in de onderdelen 1.2.1

€ 15,95

tot en met 1.2.5 worden de in die onderdelen genoemde leges vermeerderd met een bedrag van 1.2.7.1

Voor de bezorging van een 2e en volgend reisdocument of Nederlandse

€ 6,05

Identiteitskaart, bezorgd op hetzelfde bezorgmoment en bezorgadres worden de leges vermeerderd met Paragraaf 1.3 Rijbewijzen 1.3.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 52,10

afgeven, vernieuwen of omwisselen van een rijbewijs 1.3.2

Het tarief genoemd onder 1.3.1 wordt bij een spoedlevering verhoogd met

€ 39,65

1.3.4

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een eigenverklaring ten behoeve van het rijbewijs het bedrag vermeldt op het aanvraagformulier van het CBR

Paragraaf 1.4 Verstrekkingen uit de basisregistratie personen 1.4.1

Voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van de onderdelen 1.4.3 en 1.4.4, wordt onder één verstrekking verstaan één of meer gegevens omtrent één persoon waarvoor de basisregistratie personen moet worden geraadpleegd.

1.4.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 10,00

verstrekken van gegevens, per verstrekking 1.4.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 19,50

verstrekken van een persoonslijst zoals bedoeld in de basisregistratie personen 1.4.4

Het tarief bedraagt voor het op verzoek doornemen van de basisregistratie

€ 19,50

personen, voor elk daaraan besteed kwartier 1.4.5

In afwijking van de voorgaande onderdelen bedraagt het tarief voor het in

€ 30,05

behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van gegevens met behulp van alternatieve media bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het Besluit basisregistratie personen 1.4.6

In afwijking van de voorgaande onderdelen bedraagt het tarief voor het in

€ 3,05

behandeling nemen van een aanvraag tot het schriftelijk verstrekken van gegevens bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het Besluit basisregistratie personen 1.4.7

Het tarief bedraagt voor het verstrekken van een meertalig modelformulier woon- en/of verblijfplaats als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200).

Paragraaf 1.5 Verstrekkingen uit het Kiezersregister n.v.t. 1.5.1

n.v.t.

Paragraaf 1.6 Verstrekkingen op grond van Wet bescherming persoonsgegevens n.v.t. 1.6.1

n.v.t.

Paragraaf 1.7 Bestuursstukken n.v.t. 1.7.1

n.v.t.

Paragraaf 1.8 Vastgoedinformatie 1.8.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag:

€ 16,95

1.8.1.1

tot het verstrekken van een lichtdruk van een plan, zoals bestemmingsplan, voorbereidingsbesluit, wegenkaart behorende bij de legger bedoeld in onderdeel 1.8.2.2, structuurvisie of stadsvernieuwingsplan, per dm2 lichtdruk

1.8.1.1.1

in formaat A4 of kleiner, per bladzijde

€ 1,70

1.8.1.1.2

in formaat A3

€ 3,70

1.8.1.2

tot het verstrekken van een lichtdruk van een plan, zoals bestemmingsplan,

€ 0,25

voorbereidingsbesluit, wegenkaart behorende bij de legger bedoeld in onderdeel 1.8.2.2, structuurvisie of stadsvernieuwingsplan, per dm2 lichtdruk met een minimum van € 3,70 1.8.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een afschrift van of uittreksel uit:

1.8.2.1

de gemeentelijke basisregistratie adressen of de gemeentelijke

€ 29,50

basisregistratie gebouwen, (BAG), bedoel in artikel 2 van de Wet basisregistraties adressen en gebouwen. 1.8.2.2

de legger bedoeld in artikel 27 van de Wegenwet

1.8.2.3

de inschrijving in het register bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de

€ 29,50

Monumentenwet 1988 1.8.2.4

het openbare register van beschermde monumenten bedoeld in artikel 20

€ 29,50

van de Monumentenwet 1988 1.8.2.5

het gemeentelijk beperkingsregister of de gemeentelijke

€ 29,50

beperkingsregistratie, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen, dan wel tot het vertrekken van een aan die registratie ontleende verklaring, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder c, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen. 1.8.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van kopieën van:

1.8.3.1

het gemeentelijke adressenbestand of delen daarvan, per adres met een

€ 0,25

minimum van € 1,65 1.8.3.2

het relatiebestand adres-kadastraal perceel of delen daarvan, per gelegde

€ 0,25

relatie met een minimum van € 1,65 1.8.3.3

het adrescoördinatenbestand of delen daarvan, per adrescoördinaat met

€ 0,25

een minimum van € 1,65 Paragraaf 1.9 Overige publiekszaken 1.9.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor

€ 41,35

het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag 1.9.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 10,00

verkrijgen van een bewijs van in leven zijn 1.9.3

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor het verkrijgen van een legalisatie van een handtekening

€ 10,00

1.9.4

vervallen

1.9.5

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 10,00

verkrijgen van een bewijs van Nederlanderschap Paragraaf 1.10 Gemeentearchief 1.10.1

Het tarief bedraagt voor het op verzoek doen van nasporingen in het

€ 19,50

gemeentearchief berustende stukken ongeacht het resultaat voor ieder daaraan besteed kwartier 1.10.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van:

1.10.2.1

een afschrift of fotokopie van een in het gemeentearchief, berustend stuk,

€ 1,70

per pagina 1.10.2.2

een uittreksel uit een in het gemeentearchief berustend stuk, per pagina

€ 3,50

Paragraaf 1.11 Huisvestingswet n.v.t. 1.11.1

n.v.t.

Paragraaf 1.12 Leegstandswet 1.12.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 117,50

verkrijgen van een vergunning tot tijdelijke verhuur van leegstaande woonruimte als bedoeld in artikel 15, eerste lid van de Leegstandwet 1.12.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot

€ 58,60

verlenging van een vergunning tot tijdelijke verhuur van woonruimte als bedoeld in artikel 15, negende lid van de Leegstandwet Paragraaf 1.13 Gemeentegarantie n.v.t. 1.13.1

n.v.t.

Paragraaf 1.14 Marktstandplaatsen (voor weekmarkten e.d.), verplaatst 1.14.1

verplaatst naar paragraaf 3.4 organiseren evenement of markt

Paragraaf 1.15 Winkeltijdenwet, verplaatst 1.15.1

verplaatst naar paragraaf 3.3 winkeltijdenwet

Paragraaf 1.16 Kansspelen 1.16.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet op de kansspelen:

1.16.1.1

voor een periode van twaalf maanden voor één kansspelautomaat

1.16.1.2

voor een periode van twaalf maanden voor twee of meer

€ 56,50

kansspelautomaten: 1.16.1.2.1

voor de eerste kansspelautomaat

€ 56,50

1.16.1.2.2

voor iedere volgende kansspelautomaat

€ 34,00

1.16.1.3

voor een periode meer dan 12 maanden en minder dan 4 jaar voor één kansspelautomaat: € 56,50 x (looptijd in maanden / 12)

1.16.1.4

voor een periode meer dan 12 maanden en minder dan 4 jaar voor twee of meer kansspelautomaten:{ € 22,50 + aantal kansspelautomaten x € 34,00)} x (looptijd in maanden / 12)

1.16.1.5

voor één kansspelautomaat, welke vergunning geldt voor meer dan 4 jaar of

€ 226,50

onbepaalde tijd 1.16.1.6

voor een periode van 4 jaar of voor onbepaalde tijd voor twee of meer kansspelautomaten: € 90,50 + (aantal kansspelautomaten x € 136,00)

1.16.1.7

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 36,15

verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Wet op de kansspelen (loterijvergunning) Paragraaf 1.17 Telecommunicatie 1.17.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag in verband met het verkrijgen van een instemmingsbesluit, als bedoeld in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren (AVOI), omtrent plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden:

1.17.1.1

indien het betreft tracés tot 250 m1

€ 326,90

1.17.1.2

indien het betreft tracés vanaf 250 m1 tot 1.500 m1

€ 444,45

1.17.1.3

indien het betreft tracés vanaf 1.500 m1 tot 5.000 m1

€ 538,35

1.17.1.4

indien het betreft tracés vanaf 5.000 m1 en meer, per m1 tracé

1.17.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een melding als

€ 0,10 € 105,30

bedoeld in de Algemene verordening ondergrondse infrastructuren (AVOI), omtrent plaats, tijdstip en wijze van uitvoering van werkzaamheden voor tracés tot 25 m1 Paragraaf 1.18 Verkeer en vervoer 1.18.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 66,35

verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990): 1.18.1.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 17,60

verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 RVV 1990, juncto artikel 25 RVV 1990 (ontheffing Blauwe Zone) per kenteken: 1.18.1.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 66,35

verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) voor de strandslagen: 1.18.1.2.1

Naast het tarief van artikel 1.18.1.2 geldt ook één van de volgende tarieven:

a.

Dagpas

€ 6,25

b.

Maandpas

€ 25,30

c.

Seizoenpas (6 maanden)

€ 44,05

d.

5 jaar pas (6 maanden - max. 5 jaar)

€ 132,70

e.

Mindervaliden, overheids-, kust- en terreinbeheerders alsmede reddingswezen zijn vrijgesteld van leges genoemd onder 1.18.1.2 t/m 1.18.1.2.1.d en 1.18.1.2.1.f

f.

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor

€ 39,10

een vervangende toegangspas in verband met verlies, diefstal of schade: 1. Naast het tarief van artikel 1.18.1.2.1.f bedraagt het tarief voor een

€ 6,65

vervangende pas in verband met verlies, diefstal of schade: g.

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot

€ 39,10

wijzigen van een ontheffing in verband met het wijzigen van een voertuig/kenteken: 1.18.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 66,35

verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 9.1 van de Regeling voertuigen (maximale breedte voertuigen) 1.18.3.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 66,35

verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart als bedoeld in artikel 49 van het besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) 1.18.3.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een verzoek tot

€ 66,35

toekennen van een gehandicaptenparkeerplaats bedraagt 1.18.3.3

Er worden geen leges in rekening gebracht voor een gehandicaptenparkeerplaats als reeds leges zijn betaald voor de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart.

Paragraaf 1.19 Diversen 1.19.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een

€ 39,10

andere, in deze titel niet benoemde vergunning, ontheffing of andere beschikking 1.19.2

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van:

1.19.2.1

gewaarmerkte afschriften van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per pagina

1.19.2.2

afschriften, doorslagen of fotokopieën van stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen,

1.19.2.2.1

indien deze als zwart-wit kopie op A4-formaat worden verstrekt:* 0-5 pagina's* 6-25 pagina's: € 0,40 per pagina* 26-50 pagina's: € 0,30 per pagina met een minimum van € 10,00* meer dan 50 pagina's: € 0,20 per pagina met een minimum van € 15,00

1.19.2.2.2

indien deze als zwart-wit kopie op A3-formaat worden verstrekt:* 0-5 pagina's* 6-25 pagina's: € 0,80 per pagina* 26-50 pagina's: € 0,60 per pagina

€ 10,00

met een minimum van € 20,00* meer dan 50 pagina's: € 0,40 per pagina met een minimum van € 30,00 1.19.2.2.3

indien deze als kleurenkopie op A4-formaat worden verstrekt:* 0-5 pagina's* 6-25 pagina's: € 0,50 per pagina* 26-50 pagina's: € 0,40 per pagina met een minimum van € 12,50* meer dan 50 pagina's: € 0,30 per pagina met een minimum van € 20,00

1.19.2.2.4

indien deze als kleurenkopie op A3-formaat worden verstrekt:* 0-5 pagina's* 6-25 pagina's: € 1,00 per pagina* 26-50 pagina's: € 0,80 per pagina met een minimum van € 25,00* meer dan 50 pagina's: € 0,60 per pagina met een minimum van € 40,00

1.19.2.3

kaarten, tekeningen en lichtdrukken, al dan niet behorend bij de in 1.19.2.1 en 1.19.2.2 genoemde stukken, voor zover daarvoor niet elders in deze tabel of in een andere wettelijke regeling een tarief is opgenomen, per kaart, tekening of lichtdruk:

1.19.2.3.1

formaat A-4 of kleiner

€ 1,70

1.19.2.3.2

formaat A-3

€ 3,70

1.19.2.3.3

ander formaat dan onder 1.19.2.3.1 of 1.19.2.3.2 genoemd, per dm2 met

€ 0,25

een minimum van € 3,70 1.19.2.4

een exemplaar van een beleidsnota, waarmee tevens bedoeld wordt een beeldkwaliteitsplan, toekomstvisie, landschapsvisie en soortgelijke stukken:

1.19.2.4.1

indien deze als zwart-wit kopie wordt verstrekt:* 1-25 pagina's: € 10,80* 2650 pagina's: € 16,30* 51-100 pagina's: € 21,65* 101-150 pagina's: € 24,40* meer dan 150 pagina's : € 24,40 vermeerderd met € 0,10 voor elke pagina boven de eerste 150 pagina's

1.19.2.4.2

indien deze als kleurenkopie wordt verstrekt:* 1-25 pagina's: € 13,55* 26-50 pagina's: € 21,65* 51-100 pagina's: € 32,55* 101-150 pagina's: € 40,70* meer dan 150 pagina's: € 40,70 vermeerderd met € 0,20 voor elke pagina boven de eerste 150 pagina's

Paragraaf 1.20 Algemene plaatselijke verordening (diverse) 1.20.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het

€ 78,35

verkrijgen van een ontheffing als bedoeld in artikel 2:80 van de APV Schagen (voertuigen op het strand): 1.20.2

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een

€ 78,35

beschikking als bedoeld in artikel 2:10 van de APV Schagen tot het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg m.u.v. het plaatsen van tijdelijke reclameborden. 1.20.2.1

Indien er een beschikking wordt genomen op grond van artikel 2:10 van de APV Schagen waarbij tevens verkeersmaatregelen nodig zijn, wordt het tarief vermeerderd met:

€ 78,35

1.20.3

Het tarief tot het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen

€ 78,35

van een vuurwerkverkoop vergunning als bedoeld in artikel 2:72, eerste lid, van de APV Schagen, bedraagt: Paragraaf 1.21 Urgentie 1.21.1

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor:

1.21.1.1

Huisvestingsvergunning t.b.v. urgentie

€ 89,50

Hoofdstuk 2 Omgevingswet Artikel

Omschrijving

Vast tarief

Variabel tarief

Paragraaf 2.1 Algemene bepalingen Artikel 2.1 Definities Definities 2.1.1

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet, in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling en in de bijlagen bij het gemeentelijke omgevingsplan, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in de legesverordening of deze tarieventabel anders is bepaald.

2.1.2

In dit hoofdstuk voorkomende begrippen die betrekking hebben op activiteiten waarvoor het toetsingskader in een ander dan een in het eerste lid bedoeld wettelijk voorschrift is uitgewerkt, hebben dezelfde betekenis als in dat wettelijk voorschrift bedoeld, tenzij in de legesverordening of deze tarieventabel anders is bepaald.

2.1.3

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

2.1.3.1

binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opa): een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan;

2.1.3.1.1

binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opa) bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht: een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, maar die niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet;

2.1.3.2

buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa):

2.1.3.2.1

een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is

verboden deze zonderomgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan; 2.1.3.2.2

een andere buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa) die in strijd is met het omgevingsplan;

2.1.3.2.3

kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa): een buitenplanse omgevingsplan activiteit met een beperkte omvang zoals opgenomen is in bijlage 1 "Categorieën gevallen welke als een kleine buitenplanse omgevingsactiviteit (Bopa) kunnen worden aangemerkt met betrekking tot de verschuldigde leges." van deze tarieventabel;

2.1.4

In aanvulling op de in bijlage I bij de Omgevingsregeling opgenomen omschrijving van het begrip ‘bouwkosten’ betreffen de in die omschrijving: - onder a genoemde Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 de voorwaarden die bekendgemaakt zijn in Staatscourant 2012, 1567; - onder b bedoelde bouwkosten de kosten voor de fysieke realisatie (het bouwen) van het bouwwerk; - onder c bedoelde prijs de prijs exclusief omzetbelasting.

2.1.5

Microturbine: een bouwwerk voor het opwekken van elektriciteit uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 15 meter ten opzichte van het peil.

2.1.6

Omgevingsoverleg: algemeen begrip voor een verzoek om advies vooruitlopend op een aanvraag om omgevingsvergunning.

2.1.7

Consultaanvraag: globaal ambtelijke advies over de haalbaarheid van een (bouw)project, zonder nadere in en/of externe uitvraag en beoordeling van onderzoeksrapporten.

2.1.8

Conceptaanvraag: Ambtelijk advies over de haalbaarheid van een (bouw)project eventueel met voorafgaande omgevingstafel, beoordeling van onderzoeksrapporten en zo nodig een voorlopig oordeel van de gemeenteraad.

2.1.9

Omgevingstafel: Integrale beoordeling van alle bij het (bouw)project betrokken vakdisciplines en/of externe partijen indien er sprake is van één of meer activiteiten die naar aard of omvang grote impact hebben op de fysieke leefomgeving.

Artikel 2.2 Dienstverlening en besluiten waarvoor leges worden geheven

2.2.1

Leges worden geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om:

a.

omgevingsoverleg;

b.

een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1 of artikel 22.8 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit;

c.

een of meer maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 4.5 van de Omgevingswet;

d.

toestemming voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel als bedoeld in artikel 4.7 van de Omgevingswet;

e.

een wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning;

f.

intrekking van een omgevingsvergunning;

g.

wijziging van een besluit als bedoeld in de onderdelen b, c en d;

h.

een besluit in het kader van de Omgevingswet, anders dan bedoeld in de onderdelen b tot en met g.

Artikel 2.3 Bepalen tarief 2.3.1

De in artikel 2.2.1, onder a t/m h, bedoelde leges worden geheven naar de tarieven zoals opgenomen in de volgende paragrafen van dit hoofdstuk.

2.3.2

Als een aanvraag betrekking heeft op meerdere activiteiten, is het tarief opgebouwd uit de som van de verschuldigde leges behorend bij die activiteiten.

2.3.3

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag wordt in voorkomend geval verhoogd met het tarief voor een of meer modaliteiten bedoeld in paragraaf 2.12.

2.3.4

Het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag wordt in voorkomend geval verminderd overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 2.13 en paragraaf 2.14.

2.3.5

Het tarief behorend bij een aanvraag om een maatwerkvoorschrift of bij een aanvraag om toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen is niet van toepassing als het onderwerp waarop het maatwerkvoorschrift betrekking heeft of de gelijkwaardige maatregel onderdeel is van een aanvraag om een omgevingsvergunning.

2.3.6

In afwijking van het tweede en derde lid kan ook per activiteit of andere grondslag een legesbedrag worden gevorderd.

Paragraaf 2.2 Voorfase Artikel 2.4 Omgevingsoverleg 2.4.1

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om

€ 943,25

beoordeling van een conceptaanvraag bedraagt het tarief: 2.4.2

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om

€ 89,20

beoordeling van een consultaanvraag bedraagt het tarief: 2.4.3

Als de aanvraag betrekking heeft op het houden van

€ 267,60

omgevingsoverleg bedraagt het tarief per overleg: Paragraaf 2.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Artikel 2.5 Bouwactiviteit (bouwtechnische deel) 2.5

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit (bouwtechnisch) als bedoeld in paragraaf 2.3.2 (vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit) van het Besluit bouwwerken leefomgeving, met uitzondering van een microturbine, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:

a.

indien de bouwkosten minder dan € 200.000 bedragen:

€ 42,25

0,630%

€ 1.613,65

0,570%

€ 3.737,75

0,510%

€ 6.889,85

0,440%

€ 12.386,55

0,380%

€ 26.640,70

0,320%

vermeerderd met 0,63% van de bouwkosten. b.

indien de bouwkosten € 200.000 tot € 500.000 bedragen: vermeerderd met 0,57% van de bouwkosten boven de € 200.000

c.

indien de bouwkosten € 500.000 tot € 1.000.000 bedragen: vermeerderd met 0,51% van de bouwkosten boven de € 500.000

d.

indien de bouwkosten € 1.000.000 tot € 2.000.000 bedragen: vermeerderd met 0,44% van de bouwkosten boven de € 1.000.000

e.

indien de bouwkosten € 2.000.000 tot € 5.000.000 bedragen: vermeerderd met 0,38% van de bouwkosten boven de € 2.000.000

f.

indien de bouwkosten € 5.000.000 tot € 10.000.000 bedragen: vermeerderd met 0,32% van de bouwkosten boven de € 5.000.000

g.

indien de bouwkosten € 10.000.000 of meer bedragen:

€ 46.515,75

0,260%

vermeerderd met 0,26% van de bouwkosten boven de € 10.000.000 met een maximum van € 1.080.000,00 2.5.1.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking

€ 294,60

heeft op de bouw van een microturbine, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten Artikel 2.6 Omgevingsplanactiviteit: bouwactiviteit, in stand houden of gebruiken bouwwerk (ruimtelijke deel) 2.6.1

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit (ruimtelijk), als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit een bouwactiviteit, het in stand houden of gebruiken van het te bouwen bouwwerk, met uitzondering van een microturbine, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:

a.

voor een omgevingsplanactiviteit:

1.

indien de bouwkosten minder dan € 200.000 bedragen:

€ 126,85

1,900%

€ 4.840,90

1,710%

€ 11.213,40

1,520%

€ 20.669,55

1,330%

€ 37.159,65

1,150%

€ 79.922,15

0,960%

€ 139.547,40

0,770%

vermeerderd met 1,90% van de bouwkosten. 2.

indien de bouwkosten € 200.000 tot € 500.000 bedragen: vermeerderd met 1,71% van de bouwkosten boven de € 200.000

3.

indien de bouwkosten € 500.000 tot € 1.000.000 bedragen: vermeerderd met 1,52% van de bouwkosten boven de € 500.000

4.

indien de bouwkosten € 1.000.000 tot € 2.000.000 bedragen: vermeerderd met 1,33% van de bouwkosten boven de € 1.000.000

5.

indien de bouwkosten € 2.000.000 tot € 5.000.000 bedragen: vermeerderd met 1,15% van de bouwkosten boven de € 2.000.000

6.

indien de bouwkosten € 5.000.000 tot € 10.000.000 bedragen: vermeerderd met 0,96% van de bouwkosten boven de € 5.000.000

7.

indien de bouwkosten € 10.000.000 of meer bedragen: vermeerderd met 0,77% van de bouwkosten boven de € 10.000.000 met een maximum van € 1.080.000,00

b.

als moet worden beoordeeld of de activiteit (ruimtelijk)

€ 203,40

niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- en dorpsgezicht, verhoogd met: 2.6.1.1.

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking

€ 616,90

heeft op een omgevingsplanactiviteit voor een microturbine, bestaande uit een bouwactiviteit, het in stand houden of gebruiken van het te bouwen bouwwerk, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten 2.6.2

voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opa-

€ 610,05

ruimtelijk) bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, de tarieven genoemde onder 2.6.1.a. 1 t/m 7, vermeerderd met: 2.6.3

voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Boparuimtelijk), de tarieven genoemde onder 2.6.1.a. 1 t/m 7, vermeerderd met:

a.

voor een kleine buitenplanse omgevingsplanactiviteit

€ 409,85

(Bopa-ruimtelijk): b.

voor de overige buitenplanse omgevingsplanactiviteit

€ 2.440,00

(Bopa-ruimtelijk): Artikel 2.7 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk 2.7.1

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, bestaande uit een sloopactiviteit, niet zijnde een sloopactiviteit met betrekking tot een monument of beschermd stads- en dorpsgezicht, als bedoeld in paragraaf 2.4, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:

a.

voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opa-

€ 118,90

sloop): b.

voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opasloop)bij wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, de tarieven genoemde onder 2.7.a, vermeerderd met:

€ 101,65

c.

voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa-

€ 203,40

sloop), de tarieven genoemde onder 2.7.a, vermeerderd met: Paragraaf 2.4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Artikel 2.8 Omgevingsplanactiviteit: monumenten 2.8.1

Als de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingswet, met betrekking tot een gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd gemeentelijk monument of voorbeschermd provinciaal monument, bedraagt het tarief, onverminderd het bepaalde in de andere artikelen van dit hoofdstuk als het ook gaat om de in die artikelen bedoelde activiteiten:

2.8.1.1

voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Opamonument) of bij toepassing van artikel 10 (Instandhoudingbepaling) van de Erfgoedverordening Schagen 2024 in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet en artikel 2.1a van het Omgevingsbesluit:

2.8.1.1.1

voor het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van

€ 305,00

een monument of voorbeschermd monument: 2.8.1.1.2

voor het herstellen of gebruiken van een monument of

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15040604/1