CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

C3 Analyse kwaliteit habitattypen Pettemerduinen - D10028652 eindrapport

Oordeelsvormende vergadering 12 oktober 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'27.947 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN PETTEMERDUINEN Gemeente Schagen / Stichting Voorbereiding PALLASGemeente Schagen / Stichting Voorbereiding PALLASreactor reactor 30 JUNI 2021

30 JUNI 2021

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Contactpersoon REINOUD KLEIJBERG

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 'sHertogenbosch Nederland

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

2 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

INHOUDSOPGAVE 1

2

3

4

INLEIDING

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Doel van het rapport

7

1.3

Leeswijzer

8

BEOORDELINGSKADER

9

2.1

Inleiding

9

2.2

Juridisch kader

9

2.3

Kwaliteit in het licht van de Habitatrichtlijn

10

2.4

Werkwijze kwaliteitsbeoordeling habitattypen Pettemerduinen

12

2.4.1

Beoordeling kwaliteitsontwikkeling

12

2.4.2

Beoordeling storingsindicatoren

15

LANDSCHAPSECOLOGIE VAN DE PETTEMERDUINEN

16

3.1

Landschapsecologie van de Nederlandse kustduinen in kort bestek

16

3.2

Ontstaansgeschiedenis Zwanenwater en Pettemerduinen

20

3.2.1

Ontstaan en vastlegging van het duingebied

20

3.2.2

Historisch gebruik

21

3.3

Abiotische kenmerken

21

3.3.1

Bodem

21

3.3.2

Geologie

21

3.3.3

Hydrologie

22

3.4

Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen

23

KWALITEITSANALYSE EN -BEOORDELING HABITATTYPEN

26

4.1

Inleiding

26

4.2

H2110 Embryonale duinen

26

4.2.1

Kenmerken habitattype

26

4.2.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

27

4.2.3

Kwaliteitsanalyse

28

4.2.4

Kwaliteitsbeoordeling

30

4.3

H2120 Witte duinen

32

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

3 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

4.3.1

Kenmerken habitattype

32

4.3.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

32

4.3.3

Kwaliteitsanalyse

34

4.3.4

Kwaliteitsbeoordeling

37

4.4

H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

39

4.4.1

Kenmerken habitattype

39

4.4.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

40

4.4.3

Kwaliteitsanalyse

42

4.4.4

Kwaliteitsbeoordeling

50

4.5

H2130B Grijze duinen (kalkarm)

51

4.5.1

Kenmerken habitattype

51

4.5.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

52

4.5.3

Kwaliteitsanalyse

54

4.5.4

Kwaliteitsbeoordeling

61

4.6

H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)

63

4.6.1

Kenmerken habitattype

63

4.6.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

63

4.6.3

Kwaliteitsanalyse

65

4.6.4

Kwaliteitsbeoordeling

67

4.7

H2140B Duinheiden met kraaihei (droog)

69

4.7.1

Kenmerken habitattype

69

4.7.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

69

4.7.3

Kwaliteitsanalyse

71

4.7.4

Kwaliteitsbeoordeling

74

4.8

H2150 Duinheiden met struikhei

75

4.8.1

Kenmerken habitattype

75

4.8.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

75

4.8.3

Kwaliteitsanalyse

77

4.8.4

Kwaliteitsbeoordeling

79

4.9

H2160 Duindoornstruwelen

80

4.9.1

Kenmerken habitattype

80

4.9.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

81

4.9.3

Kwaliteitsanalyse

82

4.9.4

Kwaliteitsbeoordeling

85

4.10

H2170 Kruipwilgstruwelen

86

4.10.1

Kenmerken habitattype

86

4.10.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

86

4.10.3

Kwaliteitsanalyse

88

4.10.4

Kwaliteitsbeoordeling

91

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

4 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

4.11

H2180A Duinbossen (droog)

92

4.11.1

Kenmerken habitattype

92

4.11.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

93

4.11.3

Kwaliteitsanalyse

95

4.11.4

Kwaliteitsbeoordeling

98

4.12

H2180B Duinbossen (vochtig)

99

4.12.1

Kenmerken habitattype

99

4.12.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

100

4.12.3

Kwaliteitsanalyse

100

4.12.4

Kwaliteitsbeoordeling

103

4.13

H2180C Duinbossen (binnenduinrand)

105

4.13.1

Kenmerken habitattype

105

4.13.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

106

4.14

H2190A Vochtige duinvalleien (open water)

107

4.14.1

Kenmerken habitattype

107

4.14.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

108

4.15

H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

109

4.15.1

Kenmerken habitattype

109

4.15.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

109

4.15.3

Kwaliteitsanalyse

111

4.15.4

Kwaliteitsbeoordeling

115

4.16

H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

116

4.16.1

Kenmerken habitattype

116

4.16.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

116

4.16.3

Kwaliteitsanalyse

118

4.16.4

Kwaliteitsbeoordeling

122

4.17

H2190D Vochtige duinvalleien (hogere moerasplanten)

123

4.17.1

Kenmerken habitattype

123

4.17.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

123

4.17.3

Kwaliteitsanalyse

125

4.17.4

Kwaliteitsbeoordeling

128

4.18

H6230 Heischrale graslanden

129

4.19

H6410 Blauwgraslanden

130

4.19.1

Kenmerken habitattype

130

4.19.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

130

4.20

H7210 Galigaanmoerassen

132

4.20.1

Kenmerken habitattype

132

4.20.2

Voorkomen in de Pettemerduinen

132

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

5 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

4.20.3

Kwaliteitsanalyse

133

4.20.4

Kwaliteitsbeoordeling

135

5

STORINGSINDICATOREN

136

6

INTEGRALE KWALITEITSBEOORDELING

140

6.1

Inleiding

140

6.2

Ontwikkeling van de kwaliteit van habitattypen

140

6.3

Kwaliteitsontwikkeling als resultante van gebiedsontwikkelingen

142

6.3.1

Ontwikkelingen in en rond de Pettemerduinen

142

6.3.2

Kwaliteitsontwikkeling van habitattypen in relatie tot gebiedsontwikkelingen

148

7

CONCLUSIES

150

8

BRONNEN

152

COLOFON

153

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

6 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

In de omgeving van Petten spelen verschillende ruimtelijke ontwikkelingen, waarvan de gevolgen voor het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen in beeld moeten worden gebracht. Deze ruimtelijke ontwikkelingen vinden plaats in de directe omgeving van dit Natura 2000-gebied, met name aan de kant van de Pettemerduinen. De mogelijke externe werking van deze ontwikkelingen, met name als gevolg van depositie van stikstof, vraagt om een zorgvuldige onderbouwing van de effecten op het gebied bij het vaststellen van plannen en het aanvragen en verstrekken van vergunningen volgens de Wet natuurbescherming. In een aantal lopende besluitvormingstrajecten, waarvoor ook bezwaar- en beroepsprocedures zijn en worden doorlopen, is gebleken dat de beschikbare informatie over de verspreiding en kwaliteit van habitattypen in de Pettemerduinen sterk verouderd is. De habitattypenkaarten en kwaliteitsbeoordelingen van voorkomende habitattypen zijn gebaseerd op vegetatiekarteringen die rond 2003-2004 zijn uitgevoerd en inmiddels minimaal 17 jaar oud zijn. Uit een groot aantal waarnemingen uit het gebied blijkt dat de actuele situatie t.a.v. verspreiding en kwaliteit van habitattypen in de Pettemerduinen inmiddels aanzienlijk gewijzigd is als gevolg van autonome ontwikkelingen in en rond het gebied, en het inmiddels jarenlang uitgevoerde reguliere terreinbeheer.

Van deze actuele situatie bestond echter geen gebiedsdekkend beeld, dat was gebaseerd op systematisch en navolgbaar uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek naar de vegetatie van het gebied. Deze kennislacune verhindert een door de Wet natuurbescherming verplichte adequate analyse van effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het gebied, Daardoor bestaat grondslag bestaat voor de juridische afweging die de Wet natuurbescherming vraagt. De gemeente Schagen en de Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor, beide initiatiefnemers van verschillende plannen en projecten rond het Natura 2000-gebied, hebben daarom besloten een gebiedsdekkende inventarisatie van vegetatie en flora van de Pettemerduinen uit te laten voeren. Deze inventarisatie is zodanig opgezet en uitgevoerd dat ook ecologische informatie verzameld is die een beeld geef t van de actuele kwaliteit van de habitattypen in het gebied. De inventarisaties zijn uitgevoerd door Van der Goes & Groot uit Alkmaar, en de resultaten zijn begin 2021 uitgewerkt in drie rapporten: • • •

Vegetatiekartering Pettemerduinen. Kartering van vegetaties in de Pettemerduinen; Florakartering Pettemerduinen. Kartering van SNL-soorten, Rode Lijstsoorten en typische habitatsoorten; Habitatkaart T1, Pettemerduinen.

In het verlengde van deze vegetatiekartering heeft de gemeente Schagen Arcadis gevraagd een beoordeling te maken van de huidige kwaliteit van de habitattypen in de Pettemerduinen.

1.2

Doel van het rapport

Het doel van dit rapport is een navolgbare beoordeling te geven van de kwaliteit van Natura 2000habitattypen in het deelgebied Pettemerduinen, dat deel uitmaakt van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Deze kwaliteit is beoordeeld aan de hand van de beoordelingssystematiek die in Nederland is ontwikkeld voor Natura 2000-gebieden. Het rapport geeft een actueel beeld van de huidige verspreiding en kwaliteit van de habitattypen in het deelgebied, en daarmee de kennisleemte die op dit gebied voor de Pettemerduinen bestaat op te heffen. Het rapport kan daarmee een belangrijke rol spelen bij de af weging betreffende ruimtelijke projecten in en rond de Pettemerduinen.

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

7 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

1.3

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 geeft de wettelijke en beleidsmatige uitgangspunten voor de beoordeling van de actuele kwaliteit van de habitattypen in de Pettemerduinen in dit rapport. Ook is in dit hoofdstuk aangegeven welke werkwijze is toegepast bij deze beoordeling. Hoofdstuk 3 beschrijft beknopt de landschapsecologie van de kustduinen en de belangrijkste landschapsecologische kenmerken van de Pettemerduinen zoals die in de loop van de tijd tot stand zijn gekomen. Het hoofdstuk geeft een beknopt overzicht van de processen en invloeden die de huidige natuurwaarden van het gebied bepalen. Hoofstuk 4 is de kern van dit rapport. In dit hoofdstuk is een systematische beschrijving gegeven van de verspreiding en de actuele kwaliteit van de habitattypen die in de Pettemerduinen voorkomen, op basis van het vegetatie-onderzoek dat in 2020 is uitgevoerd. In hoofdstuk 5 is een overzicht gegeven van het voorkomen van plantensoorten die een indicatie geven van de mate van verstoring. De aanleiding van dit onderzoek is met name het effect van nieuwe ontwikkelingen rond de Pettemerduinen die aanleiding geven tot toename van de stikstofdepositie. Het voorkomen van storingsindicatoren is daarom met name gerelateerd aan de mogelijke invloed van stikstof. In hoofdstuk 6 zijn de bevindingen uit de voorgaande hoofdstukken in gerelateerd aan ontwikkelingen in het gebied sinds het begin van deze eeuw.

Daarbij is aangegeven in welke mate veranderingen zijn opgetreden in de aanwezigheid, de verspreiding en de kwaliteit van habitattypen, en welke oorzaken daaraan zijn verbonden. Hoofdstuk 7 geeft de conclusies van dit onderzoek.

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

8 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

2

BEOORDELINGSKADER

2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is het kader waarbinnen de kwaliteitsbeoordeling is uitgevoerd toegelicht. Na een korte uitwerking van het wettelijk kader voor Natura 2000 en toelichting op het begrip ‘habitattype’, is de methode beschreven waarmee de kwaliteit van habitattypen in Nederland moet worden beoordeeld.

2.2

Juridisch kader

Toen bleek dat de verscheidenheid aan wilde soorten planten en dieren in de Europese Unie in hoog tempo terugliep, heeft het Europees Parlement (EP) een plan gemaakt om een rijke variatie aan planten en dieren te behouden. Een belangrijke motivatie voor dit plan is dat de natuur ons een groot aantal diensten levert zoals voedsel, schoon water, gezonde bodem en nog veel meer. Bovendien is de natuur voor de mensen in Europa een onmisbare bron van inkomsten. De natuur is tenslotte ook een plek waarin de mens kan recreëren en soms kan wonen en werken. Een gezonde natuur levert zo een bijdrage aan de kwaliteit van leven van mensen. Op basis van het Europese plan, dat Natura 2000 heet, is over heel Europa een netwerk van bijna 26.000 natuurgebieden ontwikkeld, waarin planten en dieren goed moeten kunnen leven. In Nederland liggen 166 van deze Natura 2000-gebieden, waaronder het gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Door de Natura 2000-gebieden doelgericht te beheren en te beschermen, moet het voortbestaan van de bijzondere natuurwaarden (habitattypen en leefgebieden van soorten) verzekerd zijn. Het uiteindelijke resultaat is een Europees netwerk van natuurgebieden met een rijke diversiteit aan planten en dieren. Het Europese beleid rondom Natura 2000 is vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn (zie tekstkader). De lidstaten hebben deze richtlijn in nationale wetgeving verwerkt.

In Nederland is dat de Wet natuurbescherming. Samenhang tussen Natura 2000, de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn De Vogelrichtlijn (79/409/EEG) heeft als doel om alle in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebieden te beschermen. In Nederland zijn 79 gebieden aangewezen als 'speciale beschermingszone' die vallen onder de Vogelrichtlijn: dit zijn gebieden waar bedreigde (trek-)vogelsoorten voorkomen en daarom beschermd moeten worden. Daarnaast bevat de Vogelrichtlijn andere regels om (trek-)vogels te beschermen, ook buiten de speciale zones. De Habitatrichtlijn (92/43/EEG) heeft als doel om de veelheid aan planten en dieren (biologische diversiteit) te behouden door het in stand houden van hun natuurlijke leefgebieden. Net als bij de Vogelrichtlijn dienen Europese lidstaten 'speciale beschermingszones' voor bedreigde dieren en planten aan te wijzen en die te handhaven. Ook bevat de Habitatrichtlijn regels voor het beschermen van dieren en planten los van deze beschermingszones. De gebieden die worden aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen worden tezamen als 'Natura 2000' aangeduid. Het beschermingsregime van zowel de Speciale Beschermingszones in het kader van de Vogel- als de Habitatrichtlijn is neergelegd in artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

De eerste drie leden van dit artikel zijn relevant voor de context waarin kwaliteit van natuurlijke habitats beoordeeld moet worden (zie tekstkader). Bij het interpreteren van de regels die in de Habitatrichtlijn zijn opgenomen speelt een aantal begrippen een belangrijke rol.

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

9 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Habitatrichtlijn artikel 6 1. De lidstaten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechte lijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage 1 en de soorten van bijlage 2 die in die gebieden voorkomen. 2. De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of i n combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

Daarnaast speelt het begrip instandhouding een centrale rol. De natuurlijke habitats in Natura 2000gebieden dienen in een gunstige staat van instandhouding behouden te worden. Wanneer deze gunstige staat van instandhouding nog niet bereikt is moeten daartoe instandhoudingsmaatregelen genomen worden. De staat van instandhouding van een natuurlijke habitat is de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten. Er is sprake van een gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat wanneer: • • •

het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en f uncties bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is.

Voor de uitvoering van deze regels zijn voor afzonderlijke Natura 2000-gebieden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Deze hebben voor habitattypen betrekking op oppervlakte en op kwaliteit. De staat van instandhouding is gunstig wanneer beide doelstellingen duurzaam zijn gerealiseerd. Wanneer de staat van instandhouding gunstig is gelden behoudsdoelstellingen, wanneer dit nog niet het geval is verbeter-doelstellingen (uitbreiding oppervlakte of verbetering van kwaliteit).

2.3

Kwaliteit in het licht van de Habitatrichtlijn

Voor het bepalen van de kwaliteit van habitattype is door het Ministerie van LNV een methode ontwikkeld (Ministerie van LNV, zonder jaartal). Als juridisch kader voor de kwaliteitsaspecten van habitattypen in de profielen gelden de definities en artikelen uit de Habitatrichtlijn (zie hierboven). Conform de definities van de Habitatrichtlijn gaat het bij de kwaliteit van habitattypen om ‘structuur en f unctie’ en ‘typische soorten’. Artikel 6 lid 2 ref ereert aan ‘ecologische vereisten’ van habitattypen. De habitattypen zelf worden via een Europese Interpretatie Manual gekoppeld aan vegetatie-eenheden. In het Natura 2000 Profielendocument zijn door Nederland deze kwaliteitsaspecten per habitattype geconcretiseerd (vegetatie-eenheden, abiotische randvoorwaarden, typische soorten en overige kenmerken van goede structuur en functie). Aan de hand van de kwaliteitsaspecten uit de profielen kan de kwaliteit van habitattypen ecologisch worden onderbouwd. De beoordeling van de kwaliteit van habitattypen rust daarmee op vier pijlers: 1. Vegetatietypen 2. Typische soorten 3. Abiotische randvoorwaarden 4. Structuur en f unctie Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

10 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Ad 1. Vegetatietypen Behoud van kwaliteit op gebiedsniveau betekent voor vegetatietypen behoud van het kwaliteitsniveau, uitgewerkt in de mate van variatie in de vegetatietypen en de verdeling daarvan over de oppervlakte. Binnen die voorwaarde mag het ene vegetatietype vervangen worden door het andere. In de profielendocumenten bij de habitattypen is aangeven welke vegetatietypen (volgens de indeling van de Vegetatie van Nederland, zie Schaminée et al., 1996 en volgens de SBB-indeling) behoren tot het habitattype. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen vegetatietypen die een goede en een matige kwaliteit van het habitattype weerspiegelen. Behoud van de kwaliteit betekent voor vegetatietypen concreet: • • • •

geen af name van het aantal ‘goede’ vegetaties; geen af name van de gezamenlijk door de ‘goede’ vegetaties ingenomen oppervlakte; geen af name van het aantal ‘matige vegetaties, tenzij die afname ten goede komt aan de ‘goede’ vegetaties; geen af name van de gezamenlijk door de ‘matige’ vegetaties ingenomen oppervlakte, tenzij die afname ten goede komt aan de ‘goede’ vegetaties.

Verbetering van kwaliteit houdt in dat er een verschuiving plaatsvindt van matige naar goede vegetaties: in aantal (variatie) en/of in oppervlakte. Ad 2. Typische soorten Behoud van kwaliteit op gebiedsniveau betekent voor de typische soorten behoud van de aanwezige variatie in typische soorten en hun gemiddelde verspreiding in het gebied; de typische soorten en hun dichtheden zijn onderling uitwisselbaar. Behoud betekent concreet: • • • •

het totale aantal verschillende typische soorten dat aanwezig was op het moment van aanwijzen van het gebied neemt niet af; het eventuele verdwijnen van een typische soort kan worden gecompenseerd door de vestiging van een andere typische soort; de mate van verspreiding van de typische soorten (als geheel) in het betreffende habitattype neemt gemiddeld genomen niet af; indien het landelijke behoud van een typische soort staat of valt met het behoud van deze soort in een bepaald gebied, dan is behoud van die specifieke soort in dat gebied noodzakelijk.

Verbetering van kwaliteit houdt in dat er meer typische soorten zich vestigen en/of meer verspreid in het gebied voor gaan komen. Ad 3. Abiotische randvoorwaarden Abiotische randvoorwaarden zijn verbonden aan vijf factoren: zuurgraad, vochttoestand, zoutgehalte, voedselrijkdom en overstromingstolerantie. Behoud van kwaliteit op gebiedsniveau betekent voor abiotische randvoorwaarden behoud van de variatie binnen het kernbereik van elk aspect en de verdeling daarvan over de oppervlakte; de verschillende aspecten zijn niet onderling uitwisselbaar. Een goede kwaliteitsbeoordeling vraagt daarom om een zeer uitvoering onderzoek naar de toestand van de verschillende factoren in een gebied. Een dergelijk onderzoek is in de Pettemerduinen niet gedaan, en actuele gebiedsdekkende gegevens zijn niet beschikbaar. De vegetatietypen, de typische soorten en, tot op zekere hoogte, de kenmerken van structuur en f unctie, kunnen goed als indicator dienen voor de abiotische kwaliteit. Bij het beoordelen van de kwaliteit van habitats kan deze samenhang worden gebruikt. Wanneer de vegetatietypen en typische soorten zijn geconcretiseerd in omvang en ruimte, betekent dit ook dat de abiotische randvoorwaarden die daarbij horen (tot op zekere hoogte) kunnen worden afgeleid.

Bij de lok alisering van de gewenste kwaliteit van habitattypen (in termen van abiotische aspecten als zuurgraad en dergelijke) kan hier gebruik van worden gemaakt. Daarnaast geven de profielendocumenten per habitattype kwaliteitseisen vanuit de omgeving. In de meeste gevallen betreft dit abiotische processen en kenmerken die op de habitattypen van invloed zijn, zoals toestroming van grondwater, verstuivingsdynamiek en stikstofdepositie. Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

11 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Ad 4. Overige kenmerken van goede structuur en functie Overige kenmerken van goede structuur en functie betreffen een breed scala aan factoren die voor elk habitattype sterk verschillen. Behoud van kwaliteit op gebiedsniveau betekent voor de overige kenmerken van goede structuur en f unctie het blijven voldoen aan de genoemde voorwaarden (indien daar al aan werd voldaan); de verschillende aspecten zijn niet onderling uitwisselbaar. Verbetering van kwaliteit betekent dat er in grotere mate wordt voldaan aan deze voorwaarden en/of dat wordt voldaan aan meer van de verschillende voorwaarden.

2.4

Werkwijze kwaliteitsbeoordeling habitattypen Pettemerduinen

2.4.1

Beoordeling kwaliteitsontwikkeling

Het doel van dit rapport is om te beoordelen wat de huidige kwaliteit van de habitattypen in de Pettemerduinen is. Dit is gedaan op basis van de integrale kartering van vegetatie en flora die in 2020 is uitgevoerd (Langbroek et al., 2021a en 2021b). Hoewel op basis van deze vegetatiekartering, aan de hand van de definities in de profielendocumenten, een f ormele habitattypenkaart zou kunnen worden gemaakt, is dit niet gedaan. Een habitattypenkaart dient een f ormeel validatieproces door de provincie Noord-Holland te doorlopen, en dat ligt buiten de bevoegdheid van de initiatiefnemers en uitvoerders van de vegetatiekartering. In dit rapport is daarom het uitgangspunt gehanteerd dat de vegetatietypen die in 2020 zijn aangetroffen en voorkomen op de lijst van vegetatietypen in de profielendocumenten van de habitattypen, en tevens voldoen aan de daarbij genoemde criteria, behoren tot dat habitattype. Het is niet navolgbaar op welke gegevens de vigerende habitattypenkaart berust, die basis is voor het beheerplan, de PAS-gebiedsanalyse en opgenomen is in AERIUS. De basis hiervan wordt waarschijnlijk gevormd door vegetatiekarteringen die in 2003 en/of 2004 in het gebied zijn uitgevoerd. De kwaliteitsbeoordelingen in het beheerplan (2016) en de PAS-gebiedsanalyses zijn waarschijnlijk gebaseerd op deze basisinformatie, en gaven dus op dat moment al niet meer de actuele situatie weer.

In het beheerplan is daarom de volgende disclaimer opgenomen: Voor dit beheerplan is een habitatkaart gebruikt die de situatie ten tijde van het nemen van het aanwijzingsbesluit nog niet goed weergeeft. Dit is geconstateerd door de Interbestuurlijke Projectgroep Habitatkartering. Daarmee vormt deze kaart nog geen goede weergave van de nulsituatie. Het oplossen van de geconstateerde onjuistheden kost zodanig veel tijd dat dit de vaststelling van dit beheerplan te zeer zou vertragen. Bij het gebruik van de habitatkaart, bijvoorbeeld voor het beheer en de vergunningverlening, is het belangrijk dat hiermee rekening wordt gehouden. De daadwerkelijke situatie in het veld is vooralsnog doorslaggevend. Zodra de habitatkaart geheel is afgerond, zal het beheerplan partieel worden herzien t.a.v. de kaart zelf en (voor zover noodzakelijk) t.a.v. de daarop gebaseerde teksten. In dit rapport is desondanks wel een vergelijking gemaakt met de kwaliteitsbeoordeling die in de PASgebiedsanalyse is opgenomen. Hoewel de beoordeling in het beheerplan in 2017 is gemaakt, geeft deze de situatie van het begin van deze eeuw (dus ca. 20 jaar geleden) weer. Deze kwaliteitsbeoordeling geldt bovendien voor het hele Natura 2000-gebied, inclusief het omvangrijkere gebiedsdeel Zwanenwater. Er is vrijwel nooit een expliciet oordeel gegeven over het deelgebied Pettemerduinen.

Bovendien is de kwaliteitsbeoordeling summier uitgevoerd, en is daarbij niet de methode gevolgd die de overheid voorschrijft (zie vorige paragraaf). De kwaliteitsbeoordelingen zijn bovendien niet of nauwelijks navolgbaar en onderbouwd met (verwijzingen naar) onderliggende informatie. Uit voorgaande volgt dat een vergelijking van de huidige kwaliteitsbeoordeling met die van de situatie in het begin van de eeuw kan dus alleen maar globaal gedaan worden. De waarde van dit rapport is daarom met name dat de huidige kwaliteit van de habitattypen in de Pettemerduinen actueel, integraal en navolgbaar is vastgesteld.

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

12 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

2.4.1.1

Beoordeling huidige kwaliteit

De huidige kwaliteit van de habitattypen is beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: • • • •

Vegetatiekundige kwaliteit Voorkomen van typische soorten Overige kenmerken van goede structuur en functie Kwaliteitseisen vanuit de omgeving

Het door de werkwijze voorgeschreven criterium ‘abiotische randvoorwaarden’ is niet toegepast, omdat goede basisgegevens over de toestand van de daarbij te toetsen factoren in het gebied ontbreekt. Uitgangspunt is dat wanneer sprake is van goede kwaliteit op basis van de hierboven genoemde criteria, het in vrijwel alle gevallen niet anders kan zijn dan dat voldaan wordt aan de abiotische randvoorwaarden. Andersom geldt ook dat het niet voldoen aan deze criteria, naast inadequaat beheer, vaak geweten kan worden aan beperkingen vanuit de abiotische condities in het gebied. Vegetatietypen In de profielendocumenten voor de habitattypen is een lijst opgenomen van vegetatietypen die een vegetatiekundige definitie van het habitattype en eventuele subtypen geven. De definitie van een habitattype is een doorvertaling van de Europese ‘Interpretation manual’ naar wat in de Nederlandse situatie onder dit habitattype wordt verstaan op landelijk niveau. Zij bestaat uit een lijst van vegetatietypen (de vegetatietabel), eventueel uitgebreid met tekst. De twee nadere bepalingen in de kolommen ‘beperkende criteria’ en ‘alleen in mozaïek’ behoren nadrukkelijk tot de definitie. De vegetatietabel vormt een limitatieve lijst van samenstellende vegetatietypen. Alle vegetatietypen die niet zijn opgenomen bij een bepaald habitat(sub)type behoren dus expliciet niet tot dat type.

De vegetatietypen zijn af komstig uit twee bronnen: ‘De Vegetatie van Nederland’ (Schaminée et al., 1995-1999) en ‘De Catalogus Vegetatietypen’ van Staatsbosbeheer (http://www.synbiosys.alterra.nl/sbbcatalogus/default.htm). De code in de tabel verwijst naar een van deze twee bronnen. In principe is alleen de code uit de eerste bron opgenomen. Vegetatietypen die alleen door Staatsbosbeheer worden o nderscheiden zijn aanvullend hierop. Aan deze codes is ‘SBB’ toegevoegd. Bij elk vegetatietype staat een G of een M in de kolom ‘Goed/Matig’. Dit geeft aan of het vegetatietype een goede of matige kwaliteit van het habitat(sub)type vertegenwoordigt. De verhouding tussen goede en matige vegetatietypen vormt een onderdeel van de beoordeling van de kwaliteit van het habitat(sub)type als geheel. Voor de vegetatiekartering in 2020 is een lokale vegetatietypologie gemaakt. De lokale vegetatietypen zijn gerelateerd aan de indeling volgens de Vegetatie van Nederland (Schaminée et al., 1995-1999), de gereviseerde versie daarvan (Schaminée et al., 2017) en de SBB-indeling. Via deze koppeling is per habitattype beoordeeld welke lokale vegetatietypen behoren tot het habitattype, en welke delen van het gebied dus kwalificeren voor dat habitattype.

Daarbij is aangegeven met welke oppervlakte het habitattype, op basis van deze kwalificerende vegetatietypen, voorkomt in de Pettemerduinen, en wat de verdeling is tussen goed en matig ontwikkelde vormen van het habitattype. Op basis daarvan is een oordeel gegeven over de vegetatiekundige kwaliteit waarmee het habitattype in 2020 voorkomt in het gebied. Typische soorten Bij het beoordelen van de kwaliteit op basis van typische soorten is uitgewerkt welke van de in het prof ielendocument opgenomen typische soorten in de Pettemerduinen voorkomen. Conform de werkwijze is daarbij alleen van belang of de soort is aangetroffen en niet in welke mate. Op de lijst van typische soorten staan soorten vermeld die niet in het noorden van Noord-Holland voorkomen, of zelfs soorten die in Nederland zijn uitgestorven. Vanuit de landelijke verspreiding kunnen dergelijke soorten dus nooit in het gebied voorkomen, ook wanneer de habitat-condities gunstig zouden zijn. Deze soorten zijn daarom buiten de kwaliteitsbeoordeling gehouden. De grens voor regionale spreiding is gelegd bij Bergen-aan-Zee, omdat hier de ecologisch belangrijke scheiding ligt tussen de kalkrijke en kalkarme duinen. Deze scheiding is voor veel soorten van belang, en is vaak zichtbaar in het landelijk verspreidingspatroon. Deze beoordeling van het regionale voorkomen is uitgevoerd met verspreidingskaarten op www.sovon.n.

(alleen vogels) en verspreidingsatlas.nl (overige soortgroepen). Als Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

13 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

criterium is aangehouden dat een soort regionaal voorkomt wanneer hij aanwezig is in het duingebied tussen Bergen-aan-Zee en Den Helder. Voor de soorten die wel in het noordelijk duingebied van Noord-Holland voorkomen zijn de waarnemingen in de NDFF (Nationale Databank Flora & Fauna) van de periode 2015-2021 verzameld en op kaart weergegeven. Bij het beoordelen van de kwaliteit van het habitattype op basis van aanwezigheid van typische soorten zijn de volgende criteria gehanteerd: • • •

Kwaliteit is goed wanneer meer dan 60% van de regionaal voorkomende soorten aanwezig is; Kwaliteit is matig wanneer 20-60% van de regionaal voorkomende soorten aanwezig is; Kwaliteit is slecht wanneer minder dan 20% van de regionaal voorkomende soorten aanwezig is;

Overige kenmerken van goede structuur en functie Hierbij gaat het om een groot aantal, per habitattype sterk verschillende factoren, die mede bepalend zijn voor de kwaliteit van een habitattype, op basis van de opbouw van de vegetatie en daarin voorkomende patronen (structuur) en het optreden van processen die het ecosysteem beïnvloeden (functie). Per habitattype is beoordeeld of in het gebied beantwoord aan deze factoren. Daarvoor is gebruik gemaakt van inf ormatie uit de vegetatiekartering van 2020 (Langbroek et al., 2021a), het beheerplan en de PASgebiedsanalyse en van eigen gebiedskennis. Abiotische randvoorwaarden Dit aspect is niet meegenomen in de kwaliteitsbeoordeling. (Vlakvullende) basisgegevens over de waarden van de verschillende abiotische standplaatsfactoren zijn niet of nauwelijks beschikbaar, en ook niet verzameld in het kader van de vegetatiekartering die in 2020 is uitgevoerd. Ook in de PAS-gebiedsanalyse heef t bij de kwaliteitsbeoordeling van de habitattypen geen toetsing aan de abiotische randvoorwaarden plaatsgevonden. In algemene zin kan gesteld worden dat wanneer de kwaliteit op basis van vegetatietypen, typische soorten, kenmerken van goede structuur en functie en omgevingsfactoren op orde is, er in belangrijke mate wordt voldaan aan de abiotische randvoorwaarden (en vice versa).

Kwaliteitseisen omgeving Hoewel “kwaliteitseisen uit de omgeving” formeel geen deel uitmaken van de kwaliteit van het habitattype is dit wel in deze kwaliteitsbeoordeling meegenomen. Enerzijds omdat dit iets zegt in welke mate omgevingsfactoren en -processen die van invloed kunnen zijn op het habitattype aanwezig zijn. Anderzijds omdat ook de invloed van stikstofdepositie van dit aspect deel uitmaakt. Stikstofdepositie is een belangrijke f actor bij het beoordelen van effecten van plannen en projecten in de omgeving van het gebied, waarvoor deze kwaliteitsbeoordeling in eerste instantie is opgezet. Voor de stikstofdepositie is beoordeeld in welke mate er overschrijding plaatsvindt van de Kritische Depositie Waarde (Van Dobben et al. 2012) van het habitattype (% van het areaal van het habitattype in het gehele Natura 2000-gebied, op basis van gegevens over de achtergronddeposities die in de huidige versie van AERIUS zijn opgenomen). Andere kwaliteitseisen vanuit de omgeving, voor zover aangegeven in de profielendocumenten, zijn in kwalitatieve zin beoordeeld, voornamelijk vanuit expert judgement. Integrale kwaliteitsbeoordeling Op basis van de hierboven genoemde kwaliteitsaspecten is een integraal kwaliteitsoordeel per habitattype gegeven. Zowel de afzonderlijke aspecten als de integrale beoordeling zijn onderverdeeld in de volgende klassen:

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

14 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

1. Goed: het habitattype voldoet in ruime mate aan vrijwel alle kwaliteitscriteria; 2. Matig: er zijn meerdere factoren waarvoor het habitattype onvoldoende scoort; 3. Slecht: het habitattype voldoet aan (vrijwel) geen van de kwaliteitscriteria. Voor het bepalen van het kwaliteitsoordeel zijn geen vaste regels gebruikt, enerzijds omdat gegevens soms ontbreken voor een exacte beoordeling, anderzijds omdat er geen wegingsfactoren te bepalen zijn binnen af zonderlijke aspecten en tussen de aspecten onderling. De integrale beoordeling voor de huidige kwaliteit is afgezet tegen de beoordeling zoals die in de P ASgebiedsanalyse (op basis van gegevens uit begin van deze eeuw) is gemaakt.

2.4.2

Beoordeling storingsindicatoren

In de vegetatiekartering van 2020 (Langbroek et al., 2021a) is de verspreiding en bedekking van een aantal soort(groep)en in beeld gebracht die indicerend (kunnen) zijn voor verstoring van de habitatkwaliteit. Het (veelvuldig) optreden van deze soorten in vegetatietypen waarin ze van nature niet, of in beperkte mate, thuishoren, kan duiden op ontwikkelingen die de kwaliteit van de vegetatie, en daarmee de kwaliteit van het habitattype, nadelig beïnvloeden. Het afwezig zijn of in beperkte mate voorkomen van dergelijke soorten in de vegetatie wijst daarentegen op het ontbreken van dergelijke schadelijke invloeden en dus op een goede kwaliteit van het habitattype. In dat geval zijn de vooruitzichten voor kwaliteitsbehoud van het habitattype in de toekomst ook goed, zolang er geen grote veranderingen plaatsvinden in bepalende omstandigheden. De storingsindicatoren die in dit rapport zijn betrokken zijn: • • • • • • • • • •

Amerikaanse vogelkers Bezemkruiskruid Duinriet Gewone braam Grijs kronkelsteeltje Grote brandnetel Haarmos Opslag van loofhout (buiten bossen) Opslag van naaldhout (buiten bossen) Pitrus (duinvalleien)

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

15 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

3

LANDSCHAPSECOLOGIE VAN DE PETTEMERDUINEN

3.1

Landschapsecologie van de Nederlandse kustduinen in kort bestek

Inleiding Deze paragraaf geeft een beknopte beschrijving van de processen en patronen die bepalend zijn voor de ecologische kwaliteit van de Nederlandse kustduinen. Dit is een algemene beschrijving, met soms een enkele toespitsing op de Pettemerduinen, die inzicht biedt in de wijze waarop de natuur in de duinen ontstaat en in stand gehouden wordt, en welke natuurlijke en door mensen veroorzaakte invloeden daarbij meespelen. Voor nadere informatie over de landschapsecologie van het duingebied wordt verwezen naar Bakker et al., 1981, Doing, 1988, Adriani et al., 1980 en de beheerplannen van de verschillende Natura 2000-gebieden in de duinen. In paragrafen 3.2 en 3.4. is nader ingegaan op de specifieke ontstaansgeschiedenis en landschapsecologische kenmerken van de Pettemerduinen. Ontstaansgeschiedenis van de Nederlandse duinen De duinen vormen een langgerekte gordel van zandige en hoger gelegen gronden langs de west- en noordkust van Nederland, onderbroken door (voormalige) zeegaten in de Delta en het Waddengebied. De duinen beschermen het lager gelegen achterland van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden, de vastelandskust en de Waddeneilanden tegen de zee (Figuur 3-1).

Figuur 3-1 Nederlandse kustduinen in één oogopslag (Bron: Alkemade et al., 2018)

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

16 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Deze duingordel is in eerste instantie ontstaan door natuurlijke processen. Zeestromingen brachten voldoende zand op de kust, waarmee de wind de duinen op kon werpen. Ondanks dat ook regelmatig grote delen van de duinen werden weggespoeld was het netto-effect dat zich geleidelijk verschillende gordels van duinen vormden. De oudere duingordels liggen inmiddels ‘begraven’ in het achterland, maar de meest recente resultaten van dit proces vormen de huidige duinen. De verdere versterking van deze duingordel is in de loop van de tijd aanzienlijk geholpen door de mens. De Pettemerduinen zijn bijvoorbeeld ontstaan door de aanleg van de Zijperzeedijk in de 16e eeuw, waarna aan de buitenzijde daarvan nieuwe duinen ontstonden tussen het (toenmalige) Hollandse vasteland en het eiland waar Callantsoog op lag. Later werden de instuiving van zand en vastlegging van de buitenste duinen gestimuleerd door inplant van helm en aanleg van stuifschermen. Landhoofden ter hoogte van de Pettemerduinen moesten afslag van het duin voorkomen. In de jongste tijd zijn de duinen versterkt met (soms grootschalige) kustsuppleties, waarbij zand uit zee in de kustzone wordt gebracht om het kustfundament te versterken. De Hondsbossche Duinen bij Petten zijn daar wel het meest aansprekende voorbeeld van.

Landschapsecologische patronen en processen Het duingebied Zwanenwater & Pettemerduinen is gelegen binnen het kalkarme Waddendistrict , dat ten noorden van Bergen-aan-Zee begint. De relatieve kalkarmoede van het zand komt doordat de soorten schelpen in dit deel van de Noordzee minder goed afbreekbaar zijn, dit in tegenstelling tot het zuidelijk deel van de kust. Het relatief lage gehalte aan kalk heeft grote gevolgen voor de samenstelling van de vegetatie en f auna. Gradiënten binnen het duinenlandschap hangen, op grote schaal, samen met de positie in het landschap. Het gaat hierbij met name om de volgende natuurlijke processen: • • • • •

Invloed van zee en salt spray; Verstuiving van zand; Directe (f ysieke) invloed van wind; Bodemvorming en ontkalking; Successie.

In het algemeen is in de richting van het binnenland een afname van de dynamiek zichtbaar. Dit komt omdat de invloed van zee, salt spray, wind en verstuiving over het algemeen afnemen naarmate de afstand tot de zee groter wordt. Meestal zijn de duinen aan de landwaartse zijde ook ouder dan de duinen aan de kustzijde. Processen van bodemvorming, ontkalking en (natuurlijke successie) zijn hier verder voortgeschreden. De bodem is meer vastgelegd, is verder ontkalkt en de vegetaties worden dichter, hoger en productiever. Zo komen (loof)bossen vrijwel alleen langs de binnenduinrand voor, terwijl de schaarser begroeide graslanden van de zeereep en het binnenduin meer aan de kant van de zee voorkomen. Uiteraard zijn hier allerlei gradaties en lokale variaties in te vinden.

Figuur 3-2 Open duinlandschap van de Pettemerduinen met zeereep, duinvallei en open duingraslanden (Foto 28 mei 2021, Reinoud Kleijberg)

Duinvalleien nemen een bijzondere plaats in in het duinlandschap. Door de lagere ligging zijn deze milieus aanzienlijk natter, waardoor er ook een kenmerkende vegetatie voorkomt van natte pioniervegetaties, graslanden, heiden, struwelen en bossen. Er wordt onderscheid gemaakt in primaire en secundaire valleien.

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

17 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Primaire valleien ontstaan door afsnoering van strandvlakten bij kustwaartse aangroei van het duin. Deze laagtes raken uiteindelijke buiten de directe invloed van de zee en ontzilten vaak vrij snel. Meestal zijn ze aanvankelijk nog relatief kalkrijk. Bij verdere aangroei van de kust kunnen ze ook natter worden door natuurlijke opbolling van de grondwaterstand in het duinmassief. Uiteindelijk ontstaan hier soms grote duinmeren, zoals in het Zwanenwater. De Korfwatervalleien in de Pettemerduinen zijn ook voorbeelden van primaire duinvalleien. Met name in het kalkarme duingebied gaan deze valleien uiteindelijk steeds kalkarmer en zuurder worden, waardoor hier ook vochtige heidevegetaties in ontstaan.

Figuur 3-3 Primaire duinvallei Korfwater achter de zeereep (linker deel foto) ter hoogte van de strandopgang Pettemerduinen (Fot: 28 mei 2021, Reinoud Kleijberg)

Secundaire valleien ontstaan door vergaande uitstuiving van laagtes in het duingebied, tot aan het niveau van het grondwater. Deze duinvalleien zijn vaak al kalkarmer, zek er in het noordelijk kustgebied. Ze komen vaak voor in combinaties met duinruggen, en hun richting is vaak haaks op die van de primaire duinvalleien. In de Pettemerduinen komen ook diverse secundaire valleien voor, met name meer in het binnenduinse gebied. Ook hier komen vaak vochtige heidevegetaties voor.

Figuur 3-4 Secundaire duinvallei Pettemerduinen (Foto: 28 mei 2021, Reinoud Kleijberg)

De successie in de duinen wordt enerzijds beteugeld door de dynamische condities, waardoor hoger opgaande vegetatie (zoals bos) nauwelijks kans krijgt. De duinen vormen het enige (niet zoute) landschap in Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

18 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Nederland waar het eindstadium niet bestaat uit bos. Daarnaast wordt de successie in de duinen vertraagd door invloed van begrazing. In ‘natuurlijke’ omstandigheden speelt het konijn daar een belangrijke rol in (‘natuurlijk’ tussen aanhalingstekens omdat het konijn van origine geen inlandse soort is, en vooral in de Middeleeuwen bewust is uitgezet in de duinen voor de jacht en als voedselbron). Omdat konijn veel graven en grassen en kruiden eten stimuleren zij de verstuivingsdynamiek, en voorkomen zij het dichtgroeien van het duin. De kenmerkende duingraslanden hebben hun bestaan voor een belangrijk deel aan de activiteit van konijnen te danken. De sterke verkleining van de konijnenpopulaties in de duinen als gevolg van inf ectieziektes hebben, in combinatie met invloed van stikstofdepositie, tot gevolg gehad dat grote delen van de Nederlandse duinen dichtgroeiden met grassen, bramen en struwelen. In de Pettemerduinen is de gunstige invloed van konijnen op de vegetatieontwikkeling tegenwoordig (weer) aanzienlijk. Invloed van de mens op de duinen Hoewel de duinen ogen als een natuurlijk landschap, is de invloed van de mens op het landschap altijd groot geweest, naast de al vermelde invloed van kustbeheer. Vanouds werden de duinen gebruikt voor voedselproductie. In de duinen lagen kleine akkertjes, onder andere voor aardappelteelt.

In veel duingebieden werd vee ingeschaard, zoals runderen, schapen en paarden. Ook deze begrazing droeg bij aan instandhouding van duingraslanden, duinheiden en duinvalleivegetaties. De huidige begrazing in de Pettemerduinen met Galloways past dus in een eeuwenoude traditie. Aan de randen van veel duingebieden werd langzamerhand geknabbeld door uitbreiding van steden en dorpen, bedrijventerreinen, sport - en recreatieterreinen. De binnenduinrand werd soms afgegraven voor de aanleg van (met name) bollenvelden op de voedselrijke geestgronden. In de binnenduinen werd massaal bos aangeplant, o.a. voor houtproductie en mijnhout. Delen van de duinen werden gebruikt voor drinkwaterwinning en -productie en als militair oef enterrein. In de Pettemerduinen zien we een deel van deze invloeden terug: woningbouw en recreatie bij het Korf water in Petten, bosaanplant in het Pettemerbos en het zeedennenbos, het bedrijventerrein van de Energy & Health Campus dat in het duin ligt, en er ligt een klein militair oefenterrein. Bedreigingen en beheer Bedreigingen voor de ecologische kwaliteit van de duinen komen uit verschillende hoeken. Naast de geleidelijke ‘verstening’ van duingebieden, die momenteel wel min of meer is gestopt, zijn dit: •

•

•

•

Vastlegging van de duinen in het kader van kustverdediging. Doordat het vastleggen van de buitenste duinenrij (zeereep) stuift veel minder zand door naar het achterliggende duinen. Vegetaties die hier van een zekere mate van verstuiving afhankelijk zijn groeien daardoor sneller dicht, waardoor ook het opnieuw in verstuiving komen van de bodem in dit deel van het duin belemmerd wordt. Het dichtgroeien van de vegetatie heeft gevolgen voor de soortenrijkdom van de vegetatie, maar ook allerlei soorten insecten die afhankelijk zijn van speciale condities verdwijnen. Dit leidt vervolgens weer tot verdwijnen van soorten hoger in de voedselketen die afhankelijk zijn van de in de duingraslanden heersende condities en het voedselaanbod dat dit meebrengt. Een bekend voorbeeld is de tapuit die in de afgelopen decennia zeer sterk in aantal is afgenomen. Af name van de invloed van konijnen, als gevolg van infectieziektes. Daar de lagere begrazingsdruk groeien duingraslanden ook hierdoor sneller dicht. In de Pettemerduinen herstelt de konijnenstand zich geleidelijk. Compensatie van het wegvallen door instellen van begrazingsbeheer met grotere grazers, heef t niet hetzelfde effect als begrazing door konijnen, vanwege het verschil in graasgedrag, en het ontbreken van graafactiviteiten. Te hoge deposities van stikstof. Veel duinvegetaties zijn van nature relatief voedselarm.

Als gevolg van de stikstofdepositie die jarenlang veel te hoog was, en ook nog steeds voortduurt in delen van het duingebied, komt meer stikstof in het systeem terecht dan door de vegetatie en andere processen weer verwijderd wordt. Door accumulatie van de stikstof in de bodem en de strooisellaag nemen snelgroeiende planten een steeds groter aandeel in de vegetatie in, ten koste van traag groeiende planten die veelal kenmerkend zijn voor de duinecosystemen. Met name kalkarme duinen zijn gevoelig v oor te hoge doses stikstof. In de Pettemerduinen is de stikstofdepositie iets gedaald, maar met name in de kalkarme duingraslanden zijn de deposities nog veel te hoog. Deze drie negatieve invloeden versterken elkaar. Ze hebben alle tot gevolg dat duinvegetaties sneller (dicht)groeien, en dat storingssoorten als (o.a.) duinriet, braam, grijs kronkelsteeltje gaan domineren in de vegetaties, en dat opslag van bomen en struiken sneller plaatsvindt. Beheermaatregelen, zoals het aanleggen van kleine stuifplekken, het invoeren van begrazing en het maaien en plaggen van vegetaties kunnen de ef fecten afremmen en vegetaties (soms tijdelijk) herstellen. Deze maatregelen zijn deels

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

19 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

voortzetting van eeuwenoud (agrarisch) gebruik van de duinen (inclusief overexploitatie die verstuiving tot gevolg had), maar inmiddels ook noodzakelijk om de kwaliteit van de habitats op voldoende peil te houden. Landschapsecologische benadering van kwaliteitsbeoordeling habitattypen Dit rapport gaat over de huidige kwaliteit van de habitattypen in de Pettemerduinen. De hierboven geschetste patronen, processen en menselijke invloeden bepalen samen deze kwaliteit. Een belangrijk aandachtspunt in dit rapport is dan ook in welke mate de gevolgen van deze (min of meer) natuurlijke processen en menselijke invloeden zichtbaar zijn in de samenstelling, structuur en soortenrijkdom van de vegetaties die tot de habitattypen behoren, en de typische soorten die hierin voorkomen. De invloed van inrichtings- en beheermaatregelen die in het gebied zijn getroffen, of deel uit maken van het bestendig beheer, zijn daarin betrokken. Het rapport beoordeelt of het saldo van al deze invloeden heeft geleid tot een kwaliteit die anno 2021 recht doet aan de eisen die gesteld worden vanuit regelgeving en beleid voor Natura 2000.

3.2

Ontstaansgeschiedenis Zwanenwater en Pettemerduinen

3.2.1

Ontstaan en vastlegging van het duingebied

(Grotendeels overgenomen uit het beheerplan Natura 2000 Zwanenwater & Pettemerduinen, Provincie Noord-Holland, 2017) De geschiedenis van het Zwanenwater is getekend door stormvloeden en de strijd van de mens tegen het zeewater (Jansen en Schaminee, 2009). Na verwoestende stormen in de noordelijke kuststreek was omstreeks 1300 van de oorspronkelijk aaneengesloten duinenrij weinig meer over. Twee duineilanden resteerden: ´t Oghe (waarop het dorp Callinghe lag, het huidige Callantsoog) en het Ketelduin (de huidige Pettemerduinen). Achter het Ketelduin strekte zich tot Schagen het zeegat Zijpe uit (Figuur 3-5). Na de stormvloed op St. Pontiaansdag (14 januari 1553) werd begonnen met het aanleggen van een zeedijk, de huidige Zijperzeedijk, die nu de oostelijke grens van het Zwanenwater en de Pettemerduinen vormt. De stuif dijk beschermde het achterland tegen de invloed van de zee. Buitendijks ontstonden duinenrijen die parallel aan de kust liepen. Ten westen van de zeedijk lag er in die tijd een strandvlakte met kreken en duintjes.

Figuur 3-5 Historische kaart van de omgeving van de Pettemerduinen voor de aanleg van de Zijperzeedijk (Bron: website Zijper Museum). Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

20 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

Ter plaatse van de Pettemerduinen wordt er melding gemaakt van een of meerdere stuivende duinen. Op de oudste kaarten ligt dit duin net ten noorden van Petten, op meer recente kaarten is het duin meer noordwaarts gewandeld. Op kaarten uit de 17e eeuw is de ruimte tussen Petten en Callantsoog aangegeven als begaanbaar strand zonder grote duinen. Omstreeks 1680 zijn er op deze vlakte zoveel duintjes opgestoven dat het duin voor de eerste maal kan worden verpacht. Door alle extra duinvorming en het weren van konijnen waren rond 1730 de Zijperzeedijk en de Spreeuwendijk veilig: ze braken niet meer door. De verdere duinvorming vond westelijk van de dijk plaats. In de 18e en 19e eeuw nam de massa zand in het duingebied verder toe dankzij een door helmplanten opstuivende zeewering. Achter deze zeewering vormde zich een complex van duinen en duinvalleien. De huidige duinvalleien zijn deels afgesnoerde strandvlakten (primaire duinvalleien) en deels uitgestoven duinvalleien (secundaire duinvalleien). In de Pettemerduinen ligt een reeks aan vochtige duinvalleien, dit betreft de Korfwateren. Er worden drie valleien onderscheiden van zuid naar noord. De meest zuidelijke vallei - het eerste Korfwater - is enige tijd in landbouwkundig gebruik geweest, het tweede en derde Korfwater zijn van oudsher gemaaide valleien.

De vegetaties van vochtige valleien hebben zich in de loop van de tijd steeds verder ontwikkeld, waarbij een bijzondere overgang is ontstaan van knopbiesvegetaties en wintergroenrijke kruipwilg vegetaties. Bij Petten is veel bos aangeplant in de eerste helf t van de twintigste eeuw.

3.2.2

Historisch gebruik

De Pettemerduinen kennen een geschiedenis van bewoning en gebruik (Roos red., 2011). Het gebied is eeuwenlang extensief in gebruik geweest. Het was lange tijd een particulier jacht-domein, waarin op kleine schaal vee graasde en gewassen werden geteeld. Duinvalleien als het Korfwater zijn afgesnoerd en deels in cultuur gebracht. Ten behoeve van het kustbeheer is er een werkspoor aangelegd, waarvan de huidige Sint Maartenszeeweg de voortzetting is. Vanaf de jaren zestig is het gebied gedeeltelijk in gebruik geweest als militair oefenterrein. In het noorden van de Pettemerduinen is sinds 1954 een deel van de gronden in Erf pacht gegeven aan het onderzoeks- en bedrijfsterrein Petten en is hier een kernreactor gevestigd. Hiervoor is een deel van de vochtige duinvallei “de Rietput” opgeofferd. Verder is in de Pettemerduinen veel bos aangeplant. Het betreft naaldhout (20 ha, zeeden en zwarte den), sitkaspar (ca. 6,5 ha) en ongeveer 8,2 ha inheems loofhout met veel zomereik. Het naaldhout is tussen 1915 en de Tweede Wereldoorlog ingeplant. Ongeveer 100 ha van het duingebied wordt jaarrond begraasd met Galloways om de duingraslanden in stand te houden en opslag van struweel te voorkomen. Delen van de valleien in de Pettemerduinen zijn in 2002 en 2003 geplagd.

3.3

Abiotische kenmerken

3.3.1

Bodem

Volgens de bodemkaart (Rosing, 1995) bestaat de bodem in het Zwanenwater en de Pettemerduinen uit vaaggronden. Dit zijn bodems zonder duidelijke profielontwikkeling. De hogere, opgestoven delen in het midden en westen zijn gekarteerd als kalkloze, grofzandige duinvaaggrond (kaarteenheid Zd30). Deze duinvaaggronden bestaan tot 120 cm diepte uit leemarm, matig grof zand dat vaak weinig of geen kalk bevat. Plaatselijk is het zand in de ondergrond echter kalkhoudend of zelfs kalkrijk. De bovengrond bevat vrijwel geen organisch stof. De duinvalleien zijn gekarteerd als kalkloze, grofzandige vlakvaaggronden (kaarteenheid Zn30). In de duinvalleien is een organische toplaag van 5 tot 15 cm aanwezig. De ondergrond bestaat in het algemeen uit leemarm, matig grof zand, dat overwegend als wadzand of strandzand is af gezet. De zeereep bestaat uit kalkhoudende, grofzandige duinvaaggronden (kaarteenheid Zd30A). Het merendeel van deze gronden heeft kalkloze bovengrond, die binnen 50 cm diepte overgaat in kalkarm of kalkrijk materiaal. Plaatselijk komen echter ook gronden voor die geheel of nagenoeg geheel kalkloos zijn.

3.3.2

Geologie

Het bovenste watervoerende pakket bestaat uit duinzand/strandzand en geulafzettingen (tot diepte van 4 tot 5 m -NAP). Op een diepte van 5 tot 9 m -NAP wordt de eerste scheidende laag aangetroffen (bestaande uit veen- en wadaf zettingen). Het tweede watervoerende pakket is dun en bestaat uit zand. Daaronder bevindt zich tot een diepte van ongeveer 16 m -NAP een dunne scheidende laag. Dieper in de ondergrond bevinden zich dik pakket van watervoerende lagen op een ondoorlatende laag Eemklei.

Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

21 van 153

ACTUELE KWALITEIT HABITATTYPEN PETTEMERDUINEN

3.3.3

Hydrologie

Kenmerkend voor de waterhuishouding in duinen is de opbolling van de grondwaterstand in het duinmass ief. Het zoete water dat als gevolg van neerslag in het gebied komt blijft drijven op het zoute water in de ondergrond. Als gevolg daarvan is de vegetatie in de duinen overwegend kenmerkend voor zoete omstandigheden. Deze opbolling is groter naarmate het duingebied breder is en bedraagt ruim 2 m in het noorden van de Pettemerduinen en minder dan 1 m in het zuiden. Uit Beets (2006) blijkt dat grondwater uit het Zwanenwater in zuidelijke richting naar de Pettemerduinen afstroomt. In de Pettemerduinen stroomt het grondwater vervolgens zijdeling af naar de Noordzee en naar de poldergebieden in het oosten. Gezien de grote weerstand van de eerste slecht doorlatende laag zal de afstroming vooral door het eerste watervoerende pakket plaatsvinden en zal de infiltratie naar het diepere grondwater beperkt zijn. Het grondwaterniveau f luctueert in de tijd, afhankelijk van neerslag en verdamping. Naarmate het duingebied breder is, is ook de f luctuatie groter. Dit blijkt uit de veel grotere langjarige fluctuatie van het grondwater in de Boerenslag ten opzichte van het eerste Korfwater.

Bij een opeenvolging van natte jaren bouwt zich in de Boerenslag van jaar tot jaar een steeds hogere grondwaterstand op (ook in de Florsvallei zal dit zo zijn), terwijl in het eerste Korf water het grondwaterstandsverloop van jaar tot jaar veel stabieler is. Wat betreft het Eerste Korfwater moet hierbij echter opgemerkt worden dat onder zeer natte omstandigheden aan de oostzijde van het terrein via een overloop afstroming van oppervlaktewater kan plaatsvinden. Naast een aantal vaste, ‘onbeïnvloedbare’ factoren die de grondwaterstand bepalen zoals de geohydrologische opbouw en neerslag en verdamping, zijn er een aantal factoren die in meer of mindere mate door de mens zijn te beïnvloeden. Belangrijke factoren die beïnvloedbaar zijn, zijn vooral kustafslag, het peil in de aangrenzende polders, bebossing en grondwateronttrekking: •

•

•

•

Kustafslag: kustafslag leidt tot een af name van de breedte van het duin en daarmee tot een verminderde opbolling en dus daling van de grondwaterstand. Door kustafslag in de afgelopen 150 jaar is de grondwaterstandsdaling in het noordelijk deel van de Pettemerduinen naar verwachting zo’n halve meter geweest, en dan met name centraal in het duingebied en langs de kunstzone. Doordat in het zuiden van het duingebied de kustafslag minder is geweest, zal daar de grondwaterstandsverlaging door kustafslag veel kleiner zijn dan in het noorden. In 2014 is de kustzone in het zuidelijk deel van de Pettemerduinen verbreed door uitvoering van het Zwakke Schakels project. Mogelijk heeft dit geleid tot een verhoging van de grondwaterstanden in het zuidelijk deel van het gebied. Polderpeil: de opbolling van het grondwater in het duingebied hangt samen met het peil in de aangrenzende gebieden, waaronder het peil in het oostelijk gelegen polderland. Dit peil is thans ca. 0,90 m -NAP. Uitgaande van een peilverlaging in de loop van de 20e eeuw van enkele decimeters betekent dit dat het grondwaterniveau in het aangrenzend duin in dezelfde orde van grootte is gedaald. Midden in het duingebied is deze grondwaterstandsverlaging veel kleiner (ca. 50%) en in het uiterste westen is de grondwaterstandsdaling door de polderpeilverlaging nihil geweest.

Bebossing: in de Pettemerduinen heeft in de loop van de 20e eeuw bebossing met onder andere naaldhout plaatsgevonden. De jaarlijkse grondwateraanvulling onder naaldbossen is veel kleiner onder korte duinvegetaties. Bebossing met naaldhout heeft vooral plaatsgevonden in het zuiden van de Pettemerduinen en in mindere mate in het midden en oosten. Dit heeft naar verwachting geleid tot een lokale grondwaterstandsverlaging van ongeveer 10 cm. Grondwateronttrekking: op de onderzoekslocatie Petten wordt grondwater onttrokken. Dit kan af hankelijk van de diepte waarop grondwater wordt onttrokken - lokaal leiden tot een daling van de grondwaterstand.

De Pettemerduinen worden uitsluitend gevoed met neerslagwater. Regenwater is mineralenarm en zuur. Regenwater dat in het duinzand infiltreert kan worden aangerijkt met kalk wanneer het op zijn weg door de bodem kalkrijk zand doorstroomt. Naarmate de duinen jonger zijn dan wel instuiving van kalkrijk zand plaatsvindt, zal de kalkrijkdom van de bodem groter zijn. Aanrijking van grondwater met kalk (calcium en bicarbonaat) vindt ook plaats in de oude duingronden wanneer het water diepere, kalkrijke lagen doorstroomt. De aanrijking met kalk vormt een buffer tegen verzuring. Hoewel de toplaag van de bodem in de Pettemerduinen relatief kalkarm is, kan het infiltrerend regenwater toch worden gebufferd doordat diepere, kalkrijke lagen worden doorstroomd, door de instuiving van kalkrijk zand en door de lokale aanwezigheid van jongere, meer kalkrijke gronden. Voor de vegetatie zijn dergelijke processen van groot belang (als buffering tegen verzuring). De werking van het hydrologisch systeem en de positie van de Onze referentie: D10028652:111 - Datum: 30 juni 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683090/1