Bijlage 3 onderzoek Flora en fauna
Tekst van het document
Echter kan deze vliegroute wel verstoord worden door de werkzaamheden. Ook kunnen in de wijde omgeving foeragerende en overvliegende vleermuizen worden verstoord, wanneer de werkzaamheden zorgen voor verstoring door geluid, licht of trillingen in het plangebied en hieromheen. Het verstoren (en daarmee tevens indirect aantasten van het leefgebied) van vleermuizen is onder de Wnb verboden. Deze vorm van verstoring is echter te voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode voor vleermuizen, bij daglicht (tussen een uur na zonsopkomst en een uur voor zonsondergang) en bij voorkeur in de winterperiode (december -februari). Waar verlichting nodig is wordt aanbevolen gebruik te maken van efficiënt lichtbeheer.
Verlichting dient te worden beperkt door: - gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting; - het kunstmatig licht enkel daar te richten waar het ook daadwerkelijk nodig is (doelgericht) en dit zo te doen dat deze weg van het foerageergebied schijnt; - gebruikt te maken van armaturen die het licht door middel van een scherpe bundel één bepaalde kant en weg van het foerageergebied op richten; - gebruik te maken van aangepaste armaturen die verstrooiing van licht minimaliseren; - het aantal lampen, de lichtintensiteit en het gebruik van hoge lichtmasten met veel lichtverstrooiing te beperken; - voor en na de werkzaamheden het gebruik van kunstverlichting te beperken tot enkel verlichting ter beveiliging van opslagterreinen. Ook hiervoor gelden de bovenvermelde restricties. Tevens moet worden voorkomen dat de ruimte boven wateroppervlak van het kanaal door bijvoorbeeld het gebruik van drijvende steigers of pontons wordt afgesloten waardoor een vliegroute geblokkeerd wordt. Alle mitigerende maatregelen worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol. Verblijfplaatsen Het voorkomen van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen in het woonhuis aan Provincialeweg 1 en de aanmeerpalen bij de brug binnen het plangebied is niet op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden laten deze woningen echter ongemoeid, maar de aanmeerpalen zullen worden vervangen.
Van een vernietiging van verblijfplaatsen in gebouwen is zodoende geen sprake, maar van een vernietiging van een verblijfplaats in een aanmeerpaal is mogelijk wel sprake. Een vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2017 is nodig om de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de remming- en geleidewerken aan te tonen, dan wel uit te sluiten. Verder kunnen eventuele vleermuisverblijfplaatsen in (de omgeving van) het onderzoeksgebied (zowel in woningen als in bomen, inclusief in de wijde omgeving van het onderzoeksgebied) indirect worden aangetast als de vleermuizen aanwezig in de verblijfplaats worden verstoord. In de huidige situatie is reeds sprake van verstoring als gevolg van de wegen. Bij een dergelijke, regelmatige en met een zekere frequentie
38 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
optredende verstoring treedt vaak gewenning op [lit. 12]. Van soorten die zich, ondanks deze verstoring, hebben gevestigd in het plangebied kan dan ook worden aangenomen dat deze tot op zekere hoogte gewend zijn aan verstoring door geluid en trillingen en zich hier mogelijk op hebben aangepast. Negatieve effecten op deze soorten als gevolg van een beperkte (en tevens tijdelijke) bijkomende geluidverstoring bij de renovatie van de brug en de wegen hieromheen zijn uit te sluiten. Deze redenering gaat echter niet op voor werkzaamheden die (plotse) piekgeluiden en/of sterke trillingen veroorzaken, zoals bij het heien of intrillen van funderingspalen of andere onderdelen van de brug. Voor trilling wordt in de regel een verstoringsafstand van 50 meter gehanteerd. Buiten deze afstand gaat de trilling van heien op in de standaard achtergrondtrilling. Het geluid als gevolg van heien reikt echter nog verder, potentieel tot 1.500 m van het plangebied 1. Als gevolg van dit geluid kunnen verblijfsplaatsen van vleermuizen binnen deze contour verstoord raken. De (geluid)verstoringsafstand bij trillen is kleiner maar de verstoring door het geluid kan nog steeds reiken tot 300 m rondom de trillingsbron. Het verstoren van (in de verblijfplaats aanwezige) vleermuizen is een overtreding van de verboden van de Wnb.
Om verstoring uit te kunnen sluiten dient daarom trillingvrij te worden gewerkt (niet heien of trillen). Indien dit niet mogelijk is dient te worden onderzocht of er in de woningen, aanmeerpalen en bomen binnen de verstoringscontour van waar trilling veroorzakende werkzaamheden plaatsvinden verblijfplaatsen aanwezig zijn. Dit kan aan de hand van een gericht vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2017. Indien uit het onderzoek volgt dat er binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is voor de uitvoering van de trilling veroorzakende werkzaamheden een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Kortom, een vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 is nodig om de aanwezigheid van verblijfplaatsen in het remming- en geleidewerk vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Indien gedurende de werkzaamheden tevens sprake is van het heien of intrillen van heipalen of damwanden, dan is tevens een vleermuisonderzoek conform protocol nodig naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen de verwachte verstoringscontour van deze werkzaamheden.
7.2.4
Vogels
Bureaustudie Volgens de NDFF [lit. 5] zijn in de afgelopen 10 jaar in de wijdere omgeving van het onderzoeksgebied verschillende vogelsoorten waargenomen zoals houtduif, merel en koolmees. De nabije omgeving (open weidelandschap) van de brug biedt geschikt leefgebied voor veel soorten weidevogels zoals grutto, wulp, scholekster, kievit en andere soorten weidevogels. Tevens biedt het kanaal zelf geschikt leefgebied voor watervogels als aalscholver, wilde eend, kuifeend en meerkoet. Daarnaast zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied ook verschillende waarnemingen bekend van soorten met een jaarrond beschermd nest die wijzen op de aanwezigheid van een nest, met name van boomvalk, ransuil, buizerd, huismus en sperwer (afbeelding 7.7).
1
Arcadis, Effectafstanden Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken, 18 februari 2014.
39 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Afbeelding 7.7 Nest-indicerende waarnemingen van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn in de afgelopen 10 jaar in de nabijheid van het plangebied [lit. 5] 1
De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven.
Ransuil De ransuil bewoont een groot scala aan leefgebieden, variërend van agrarische gebieden tot open bos, bosranden, parken, duinen, heiden, hoogvenen en moerasgebieden. In groot, aaneengesloten bos ontbreekt hij veelal. De ransuil broedt en roest bij voorkeur in naaldbomen, die hem de beste dekking bieden. Daarnaast ook in houtwallen, boomgroepen, hagen en zelfs solitaire bomen [lit. 9].
Buizerd Is te vinden in uitgestrekte bossen afgewisseld met heide en boerenland, moerasbossen, boerenland met bosjes en houtwallen, duinvalleien met struweel, bosjes in steden. Combinatie van geschikte nestgelegenheid (bos of een bosje) met open land met veel voedsel is ideaal [lit. 9].
Sperwer Broedt in bossen, soms tuinen en parken, meestal in een dicht, jong bos met naaldbomen (fijnspar, lariks), het liefst in half open landschappen. Soms ook in de stad of in tuinen, in open boerenland in windsingels, bosjes en op erven [lit. 9].
Huismus Huismussen stellen prijs op een rommelige menselijke omgeving, met struikgewas, schuren, weilanden met vee, gemorst graan en zo verder. Talrijkst in dorpen en in oudere buitenwijken, met rommelige tuinen. Als er veel hoge bomen staan, verdwijnt de huismus. De huismus heeft 2 tot 3 legsels per broedseizoen met elk 4-6 eieren. Broedduur: 11-12 dagen. Huismussen broeden in een los kolonieverband. Het nest wordt vooral gemaakt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten, Het slordige nest bestaat uit takjes, stro, veertjes en hondenharen [lit. 9].
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige
andere wijze openbaar gemaakt worden.
40 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Boomvalk Broedt in allerlei typen bos, liefst in halfopen bos of aan de randen ervan, ook wel in solitaire bomen; bijna overal waar kraaien en eksters broeden. Dus ook regelmatig in populierensingels, op erven en in hoogspanningsmasten en in stadsparken. Concentraties boomvalken vaak waar veel libellen zijn [lit. 9].
Veldbezoek De woning aan Provinciaalweg 1 met tuin, grasbermen en grasvelden en de nabijgelegen agrarische- en groengebieden bieden geschikte nestgelegenheid aan verschillende algemeen voorkomende broedvogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels in en nabij het plangebied gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Wel is er een nest waargenomen in het bosperceel aan de westoever van het kanaal ten noorden van de brug (afbeelding 7.8). Het is mogelijk dat het nest wordt gebruikt door ransuil, buizerd, boomvalk of sperwer. Het veldbezoek is uitgevoerd buiten het broedseizoen, waardoor het gebruik van het nest niet kon worden vastgesteld. Hierdoor is de aanwezigheid van een jaarrond beschermde nesten van deze soorten in het plangebied niet op voorhand uit te sluiten.
Afbeelding 7.8 Potentieel jaarrond beschermd nest
In het onderzoeksgebied is een woning aanwezig met mogelijk geschikte nestgelegenheid voor huismus en gierzwaluw in de vorm van loszittende dakpannen of ruimte onder nok- of kantpannen (afbeelding 7.9). Het voorkomen van jaarrond beschermde nesten van huismus en gierzwaluw nabij het plangebied is niet uit te sluiten.
41 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Afbeelding 7.9 Dak met potentiële nestlocaties voor huismus en gierzwaluw
Effecten en conclusie Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zijn beschermd onder artikel 3.1 van de Wnb. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen (artikel 3.1 Wnb). Vogels met jaarrond beschermde nesten Het voorkomen van ransuil, buizerd, sperwer of boomvalk in het plangebied is niet uit te sluiten. Het gebruik van het nest dient te worden onderzocht. Dit onderzoek vindt plaats in de periode half maart - half juli. Individuen van ransuil, buizerd, boomvalk, sperwer en gierzwaluw maken enkel in de broedperiode gebruik van de nestplek als nestplaats. Door de trilling veroorzakende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen (zie ook advies ten aanzien van broedvogels in het algemeen hieronder) kan worden uitgesloten dat op het nest aanwezige individuen van deze soorten worden verstoord. Ook is de aanwezigheid van nesten van gierzwaluw en huismus in het dak van Provincialeweg 1 is op voorhand niet uit te sluiten. Een soort als huismus kan echter jaarrond gebruik maken van het nest, het nest kan dan ook jaarrond worden aangetast bij het optreden van verstoring (de meest kwetsbare periode hierbinnen is echter ook de broedperiode, globaal maart tot augustus).
Wanneer er trilling veroorzakende werkzaamheden worden uitgevoerd zal er dus aanvullend onderzoek gedaan moeten worden naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden. Het gaat dan in ieder geval om onderzoek naar jaarrond beschermde nesten van huismus en in het geval er in het broedseizoen getrild wordt ook naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van de boomen paalbroeders (zie hierboven). Als er geheid wordt is aanvullend soortgericht onderzoek nodig naar nestlocaties in een straal van maximaal 1.500 meter. Indien een andere methode gebruikt wordt (bijvoorbeeld intrillen van heipalen), dan is de verstoringscontour kleiner en is onderzoek naar deze soorten binnen een beperkter onderzoeksgebied nodig. Hoe groot de verstoringscontour (en dus het onderzoeksgebied voor jaarrond beschermde nesten) is, is sterk afhankelijk van de gebruikte methode en de bodemgesteldheid. Hoe ver het geluid reikt moet blijken uit een geluidsberekening. Wanneer op basis van het onderzoek wordt vastgesteld dat binnen de verstoringscontour van de werkzaamheden één of meerd ere jaarrond beschermde nesten aanwezig is en deze als gevolg van de werkzaamheden wordt aangetast, is voor het voornemen een ontheffing Wnb nodig.
42 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Overige broedvogels Het onderzoeksgebied biedt leefgebied aan verschillende algemeen voorkomende broedv ogels. Het voorkomen van algemeen voorkomende broedvogels gedurende het broedseizoen is dan ook aannemelijk. Voor aanwezige broedvogels geldt dat werkzaamheden tijdens het broedseizoen (globaal van 15 maart tot 15 juli) voor verstoring kunnen zorgen door trillingen of geluid. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat opzettelijk verstoren in het broedseizoen (individuen, nesten of eieren) verboden is volgens de Wnb. Het verkrijgen van ontheffing voor het verstoren van broedvogels is meestal niet mogelijk. De effecten op vogels en daarmee een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb zijn namelijk gemakkelijk te voorkomen, te weten door in principe drie mogelijkheden: - buiten het broedseizoen werken, dit met risico dat sommige vogels tot in september kunnen broeden; - de werkzaamheden vlak voor het broedseizoen inzetten en dan continue doorwerken (werkzaamheden niet langer dan enkele dagen stilleggen), zodat vogels niet gaan broeden in het gebied waar gewerkt wordt; - het plangebied voor het broedseizoen ongeschikt maken voor broedvogels. Als werkzaamheden plaats gaan vinden in het broedseizoen, moet een deskundige eerst vaststellen dat er geen broedende vogels aanwezig zijn in het plangebied.
Wanneer kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de werkzaamheden geen vogels broeden bij de start van de werkzaamheden, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Mochten er wel broedende vogels aanwezig zijn binnen de verstoringcontour van de werkzaamheden mag er pas worden gestart met de werkzaamheden als er niet meer gebroed wordt. Doorgaans zijn de meeste vogels rond half juli uitgebroed, er zijn echter vogelsoorten die tot in september broeden. Alle mitigerende maatregelen worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.
7.2.5
Amfibieën
Bureaustudie In de NDFF-database [lit. 5] zijn waarnemingen in de omgeving van het plangebied bekend van enkele algemeen voorkomende amfibiesoorten zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voor het verstoren van deze soorten van beschermingsregime ‘Andere soorten’ (artikel 3.10 Wnb) geldt binnen de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling. Op basis van de NDFF-databank zijn in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van het onderzoeksgebied ook waarnemingen bekend van de Habitatrichtlijnsoort rugstreeppad (afbeelding 7.10). De dichtstbijzijnde waarneming van rugstreeppad is op 750 meter ten noordwesten van het plangebied.
43 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Afbeelding 7.10 Waarnemingen in de afgelopen 10 jaar van amfibieën in de nabijheid van het plangebied [lit. 5] 1
De biotoopeisen van rugstreeppad wordt in onderstaand kader beschreven.
Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een betrekkelijk hoge dynamiek, zoals de duinen, de uiterwaarden van de grote rivieren, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Maar hij wordt ook op klei- en veengronden aangetroffen. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Een voorwaarde is wel dat het water nie t zuurder is dan pH 5. Brak water wordt getolereerd [lit. 10].
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van amfibiesoorten. Het onderzoeksgebied is wel geschikt voor een aantal algemeen voorkomende, beschermde amfibiesoorten zoals bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen (momenteel) niet overeen met de biotoopeisen van niet-vrijgestelde amfibiesoorten. Het ontbreekt er immers aan zandige biotopen, waarin rugstreeppad gedijt. Tijdens de werkzaamheden wordt mogelijk wel geschikt leefgebied gecreëerd voor rugstreeppad. Zo wordt de grond plaatselijk kaal gemaakt (open, vergraafbare bodem), kunnen zich ondiepe regenwaterpoelen in de bandensporen van de werktuigen ontstaan (voortplantingswater) en wordt werkmateriaal op het werkterrein opgeslagen (schuilplaatsen).
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige
andere wijze openbaar gemaakt worden.
44 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Effecten en conclusie Op basis van het aanwezige biotoop kan het voorkomen van algemeen voorkomende amfibiesoorten van beschermingsregime ‘Andere soorten’ (Wnb) zoals bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander niet worden uitgesloten. Voor het verstoren van deze soorten in het kader van ruimtelijke ingrepen geldt een algemene vrijstelling. Vervolgstappen in kader van het Wnb zijn aldus niet nodig. Wat de niet-vrijgestelde soort rugstreeppad betreft, is het voorkomen van deze soort in de omgeving van het projectgebied niet uit te sluiten. Het plangebied zelf is in haar huidige staat niet aantrekkelijk voor deze soort. Het is echter aannemelijk dat in de uitvoeringsfase van de hier beschouwde werkzaamheden (bijkomend) tijdelijk geschikt leefgebied voor rugstreeppadden wordt gecreëerd. Zo wordt de grond plaatselijk kaal gemaakt (open, vergraafbare bodem), kunnen zich ondiepe regenwaterpoelen in de bandensporen van de werktuigen ontstaan (voortplantingswater) en wordt werkmateriaal op het werkterrein opgeslagen (schuilplaatsen). De rugstreeppad is een zeer mobiele soort die makkelijk enkele kilometers om het huidige leefgebied kan opduiken op zoek naar dergelijke dynamische milieus.
Gezien de nabijheid van geschikt leefgebied en recente bekende waarnemingen van deze soort in de (wijdere) omgeving is niet uit te sluiten dat deze soort in de uitvoeringsfase van de werkzaamheden ook binnen de grenzen van het projectgebied opduikt. Individuele rugstreeppadden die sporadisch in het projectgebied aanwezig zijn, kunnen worden verwond of gedood wanneer zij tijdens de werkzaamheden de planlocaties betreden en bijvoorbeeld onder de machines terechtkomen. Het verwonden of doden van individuen van de rugstreeppad is onder de Wnb verboden. Overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is te voorkomen door het treffen van mitigerende maatregelen. Om een overtreding van de Wnb te voorkomen dient te worden voorkomen dat de soort tijdens de werkzaamheden het plangebied gaat bevolken. Dit kan door het plangebied uit te rasteren, bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van glad landbouwplastic van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. Het raster dient rondom het plangebied te worden geplaatst voordat de rugstreeppadden van hun winterverblijfplaatsen richting de voortplantingswateren trekken (maart -april). Dit voorkomt dat de padden zich in het plangebied zullen vestigen. Het raster dient regelmatig gecontroleerd te worden op kieren en op overhangende vegetatie [bron: RvO 2014].
Deze maatregelen worden uitgevoerd en gemonitord onder begeleiding van een deskundig ecoloog. Wanneer deze maatregelen zorgvuldig worden uitgevoerd is het voorkomen van de rugstreeppad binnen het plangebied uit te sluiten. Er zijn dan geen vervolgstappen in kader van de Wnb nodig en de werkzaamheden kunnen ongestoord verdergaan. Wel geldt ten allen tijden de zorgplicht. Alle mitigerende maatregelen worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol.
7.2.6
Reptielen
Bureaustudie Op basis van de NDFF-databank [lit. 5] is in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van het plangebied een enkele waarneming bekend van de reptielsoort zandhagedis van het beschermingsregime ‘Habitatrichtlijnsoorten’ van de Wnb (afbeelding 7.11).
45 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Afbeelding 7.11 Waarnemingen in de afgelopen 10 jaar van reptielen in de nabijheid van het plangebied [lit. 5]1
De biotoopeisen van deze soorten worden in onderstaand kader beschreven.
Zandhagedis De zandhagedis komt in Nederland vooral voor op heideterreinen op hogere zandgronden in het oosten, zuiden en midden van ons land en in de duinen ten noorden van Zeeland. Voor de soort is een gevarieerde en in hoogte afwisselende vegetatie van groot belang, waarbij er voldoende open, zonnige plekken zijn om op te kunnen warmen. Voor het leggen van eieren kiezen de vrouwtjes zonnige, onbegroeide zandige plekken [lit. 10].
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielsoorten aangetroffen. De aanwezige biotopen binnen het plangebied komen niet overeen met de biotoopeisen van zandhagedis. Het ontbreekt immers aan zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken. Daarbij vindt in het plangebied veel verstoring plaats door de weg, die ook versnippering van het landschap veroorzaakt. De aangetroffen zandhagedis is naar waarschijnlijkheid afkomstig uit het nabijgelegen duingebied. Het plangebied biedt tevens geen geschikt biotoop aan andere reptielsoorten. Zo komen deze soorten bijvoorbeeld voor in vochtige met dichte vegetatie bedekte gebieden (hazelworm) of heide en hoogveen, alsook bos en struweel (levendbarende hagedis), zandige terreinen en voldoende open, zonnige plekken (adder), waterrijke gebieden op overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden (ringslang) en heide (gladde slang).
1
Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige
andere wijze openbaar gemaakt worden.
46 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop voor zandhagedis (en andere reptielen) en de afstand tot de bekende waarnemingen, kan worden uitgesloten dat reptielsoorten binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroep uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
7.2.7
Vissen
Bureaustudie Volgens de NDFF-database zijn over de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde vissoorten. Binnen de Habitatrichtlijn zijn alleen de vissoorten houting en steur beschermd. Dit zijn beiden trekvissen van grote wateren (zee, rivieren). Deze soorten migreren doorgaans door dieper en open water. Binnen het soortenbeschermingsregime ‘Andere soorten’ zijn alleen de vissoorten beekprik, elrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal en grote modderkruiper beschermd. Dit zijn soorten van zuurstofrijke, schone en stromende wateren (beekprik, elrits, gestippelde alver, beekdonderpad, kwabaal) of verlandende wateren (grote modderkruiper) [lit. 10]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek is het aanwezige biotoop beoordeeld op geschiktheid voor beschermde vissoorten. Het plangebied biedt geen geschikt leefgebied aan beschermde vissoorten, geen van de hierboven genoemde biotopen zijn aanwezig binnen het plangebied. Het voorkomen van de beschermde vissoorten in het kanaal is zodoende uitgesloten. Effecten en conclusie Bij gebrek aan waarnemingen van beschermde soorten in of nabij het plangebied en de afwezigheid van geschikt biotoop, is het voorkomen van onder de Wnb beschermde vissoorten binnen het plangebied uitgesloten. Nader onderzoek en een ontheffingsaanvraag zijn niet nodig. Wel geldt ten allen tijden de zorgplicht.
7.2.8
Vlinders, libellen en andere ongewervelden
Bureaustudie Op basis van de NDFF-databank [lit. 5] zijn in de afgelopen 10 jaar in de omgeving (<3 km) van het plangebied geen waarnemingen bekend van onder de Wnb beschermde ongewervelden. Onder de Wnb beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde komen vooral in leefgebieden voor waar hun biotoop nog grotendeels intact is. Dit betreffen veelal zeer specifieke soorten habitats waar de betreffende soort zijn levenscyclus volledig kan doorlopen. De leefgebieden van onder de Wnb beschermde ongewervelden liggen dan ook vooral binnen en rondom natuurgebieden. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde ongewervelden lokaal kunnen voorkomen zijn droge en schrale kalkgraslanden, vochtige bossen in het oosten van het land en Zuid-Limburg, in blauwgraslanden, kruidenrijke heidevelden, vochtige duinvalleien en duingraslanden, kapvlakten in droog en oud eikenbos, wilgenbroekbos in beekdalen, voedselarme tot matig voedselrijke verlandende wateren met een dichte krabbenscheervegetatie (petgaten), hoogveentjes omgeven door bos en gebufferde vennen, langs zuurstofrijke bovenlopen van beken, en langs stromingsluwe oevers langs rivieren waar fijn sediment en organisch materiaal voorhanden is. Een belangrijke voorwaarde voor het voorkomen van dagvlinders is het voorkomen van waardplanten [lit. 11].
Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen vlinders, libellen en ongewervelden aangetroffen die onder de Wnb beschermd zijn. Het onderzoeksgebied en de directe omgeving voldoen niet aan de (over het algemeen hoge) eisen van beschermde vlinders, libellen en ongewervelden zoals heide, plantenrijke vennen, zuurstofrijke beken, verlandingsvegetaties met krabbescheer (groene glazenmaker), zandstrandjes langs de
47 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
grote rivieren, bloem- en/of kruidenrijke graslanden, blauwgraslanden, moerassen, bos, stromend water. Daarnaast komen de waardplanten van de soorten niet in het plangebied voor. Effecten en conclusie Door de afwezigheid van geschikt biotoop en waardplanten voor beschermde vlinder- of libelsoorten, kan worden uitgesloten dat beschermde dagvlinders, libellen of andere ongewervelde binnen de grenzen van het plangebied aanwezig zijn. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op deze soortgroepen uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.
48 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
8 CONCLUSIE 8.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 (Wnb) Het onderzoeksgebied is gelegen op 2 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Als gevolg van deze afstand en de aard van de werkzaamheden zijn effecten (door verstoring) op de IHD van het beschermde natuurgebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een Voortoets is niet nodig. Wel wordt ten aanzien van stikstof, in het kader van de Wnb, aanbevolen vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een depositieberekening- en beoordeling voor de uitvoeringsfase van het voornemen (met behulp van AERIUS) omwille van het verkrijgen van een vergunning. Natuurnetwerk Nederland (NNN) & Bijzonder provinciaal landschap NNN Het plangebied ligt op minstens 1,2 kilometer van de dichtstbijzijnde NNN-percelen. Er is dus geen sprake van ruimtebeslag of directe negatieve effecten op percelen van het NNN. Externe werking is binnen provincie Noord-Holland geen toetsingscriterium. Het toetsen van de effecten van ontwikkelingen buiten het NNN is niet noodzakelijk. Bijzonder provinciaal landschap Het plangebied ligt buiten Bpl waar het weidevogelleefgebied onderdeel van is. Gezien het Bpl op een korte afstand van het plangebied ligt (750 meter), is verstoring van dit gebied niet uit te sluiten. Echter met de juiste mitigatie in de tijd kan deze verstoring uitblijven.
Het broedseizoen waarin weidevogels broeden en verstoord kunnen worden is globaal van maart tot september. Om verstoring op weidevogels te voorkomen, mogen er in deze periode van het jaar geen werkzaamheden worden uitgevoerd waarvan de verstorende effecten kunnen reiken tot in het Bpl (heien). Wat betreft verstoring van openheid zal deze ingreep geen negatief effect hebben op de weidevogelleefgebieden binnen het Bpl. De renovatie van de brug en de omliggende wegen zorgt netto niet voor extra verstoring van de openheid. Ten aanzien van rust geldt dat in de aanlegfase een tijdelijk verstorend effect optreedt, maar dat er in de gebruiksfase niks veranderd. Netto heeft de renovatie dan ook geen negatief effect.
49 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
8.2
Soortbescherming
Tabel 8.1 Soortbescherming
Soortgroep
Kans op overtreding Wnb?
Vervolgstappen nodig?
Ontheffing aanvragen?
Mitigerende maatregelen
Vervolgonderzoek (indien mitigatie niet mogelijk of niet voldoende)
flora
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
grondgebonden zoogdieren
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vleermuizen
ja, -
ja, door: werkzaamheden overdag uitvoeren en gebruik maken van vleermuisvriendelijk lichtbeheer tijdens de bouw- en de gebruiksfase trillingvrij werken
ja, indien niet trillingvrij kan worden gewerkt is een vleermuisonderzoek (conform protocol) nodig 1
ja, enkel indien niet trillingvrij kan worden gewerkt en uit onderzoek volgt dat hierdoor een verblijfplaats (indirect) wordt aangetast. Of als uit onderzoek blijkt dat er een verblijfplaats aanwezig is in een of meerdere aanmeerpalen en deze verwijderd worden
ja, verstoring van broedvogels voorkomen door drie mogelijkheden: · buiten het broedseizoen werken · werkzaamhede n voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken · of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
nee
nee, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen
-
vogels (algemene broedvogels)
1
indien foeragerende/ove rvliegende vleermuizen worden verstoord indien verblijfplaatsen (indirect) worden aangetast
ja, indien (algemeen voorkomende) broedvogels worden verstoord
Het onderzoeksgebied van het nader soortenonderzoek is afhankelijk van de wijze waarop de we rkzaamheden worden uitgevoerd. Wanneer wordt geheid moet rekening worden gehouden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 1.500 m rondom de werkzaamheden. Wanneer funderingspalen worden getrild in plaats van geheid, dient rekening gehouden te worden met een onderzoeksgebied met een straal van maximaal 300 m rondom de werkzaamheden.
50 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
vogels (jaarrond beschermde nesten)
ja, indien jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied indirect worden aangetast door verstoring (geluid en trillingen) of vernietiging bij het kappen van de bosschage.
ja, pulsgeluid en trilling veroorzakende werkzaamheden buiten de broedperiode
ja, indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden (heien of trillen) plaatsvinden is nader soortgericht onderzoek nodig naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour1. Dit in ieder geval voor huismus en als in broedperiode wordt getrild ook voor de overige soorten (gierzwaluw, huiszwaluw, bosuil, buizerd, havik, grote gele kwikstaart en torenvalk.
amfibieën
ja, mogelijke aanwezigheid van rugstreeppad in het plangebied tijdens de werkzaamheden
ja, het plangebied
ja, indien de afrastering
nee, mits
afrasteren voor het begin van het voortplantingsseizoen
niet gerealiseerd kan worden
mitigerende maatregelen in acht worden genomen.
reptielen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vissen
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
vlinder, libellen & ongewervelden
nee
geen, wel zorgplicht
nee
nee
8.3
ja, enkel indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamhede n worden uitgevoerd in de broedperiode en uit soortgericht onderzoek volgt dat hierdoor nesten (indirect) worden aangetast
Bomeninventarisatie
Op basis van het referentieontwerp is vastgesteld dat ten westen en ten oosten van de Stolperbasculebrug in totaal 50 bomen gekapt dienen te worden (afbeelding 6.2). Deze bomen liggen buiten de bebouwde kom, en staan niet op de bomenkaart van de gemeente Schagen, hierdoor is voor het kappen van deze bomen geen kapvergunning nodig. De bomen welke worden gekapt dienen te worden gecompenseerd. Voor de houtopstand aan de westoever van het Noord-Hollands Kanaal ten noorden van de brug is wel een kapvergunning nodig. Deze houtopstand wordt door de gemeente Schagen aangeduid als een waardevolle houtopstand. Tevens is de houtopstand beschermd onder de Wnb en moet er een kapmelding gedaan worden bij de provincie Noord-Holland. De bomen welke worden gekapt dienen te worden gecompenseerd. Wanneer uit onderzoek blijkt dat het nest in de bosschage behoort tot een vogelsoort waarvan het nest jaarrond beschermd is, dient er voor het kappen van het bos een ontheffing te worden aangevraagd waarin onder meer een alternatievenafweging en een geldig belang uit de Vogelrichtlijn dient te worden beschreven, als ook dient te worden aangetoond dat de gunstige staat van instandhouding van de vogelsoort niet in het geding is.
8.4
Afgeleide eisen
De volgende eisen zijn afgeleid en dienen opgevolgd te worden in andere werkpakketten en/of het contract.
51 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Tabel 8.2 Eisen Eis nr.
Eisomschrijving
Opgenomen in werkpakket
3303C_III - A - 01
nadat de werkzaamheden en specifieke locaties duidelijk zijn dient
xxxx - Contract (BEA voorschrijven)
een BEA te worden uitgevoerd zodat de effecten bepaald kunnen worden. 3303C_III - A - 02
er dient een depositieberekening- en beoordeling voor de uitvoeringsfase te worden uitgevoerd (met behulp van AERIUS)
3303D - AERIUS-berekening
3303C_III - A - 03
werkzaamheden dienen overdag plaats te vinden in verband met verstoring van foeragerende/overvliegende vleermuizen en verblijfplaatsen
xxxx - Contract, verwerken in Ecologisch werkprotocol (EWP)
3303C_III - A - 04
tijdens uitvoering en in het ontwerp dient een vleermuisvriendelijk lichtbeheer te worden toegepast zodat vliegroutes niet worden verstoord
xxxx - Contract, verwerken in Ecologisch werkprotocol (EWP) 3504C - opstellen VO
3303C_III - A - 05
werkzaamheden dienen trillingsvrije te worden uitgevoerd. Indien niet trillingvrij gewerkt kan worden dient een jaarrond vleermuizenonderzoek plaats te vinden. Dit kan resulteren in het aanvragen van een ontheffing
3303F - Aanvullend F&F onderzoek
3303C_III - A - 06
voor de sloop van de remming en geleidewerken dient de aanwezigheid van verblijfplaatsen in het vast te worden gesteld middels een vleermuisonderzoek conform vleermuisprotocol 2021
3303F - Aanvullend F&F onderzoek
3303C_III - A - 07
verstoring van broedvogels dient te worden voorkomen door:
xxxx - Contract, verwerken in Ecologisch werkprotocol (EWP)
-
buiten het broedseizoen (maart tot september) werken werkzaamheden voor het broedseizoen inzetten en continu doorwerken
-
of plangebied ongeschikt maken voor broedvogels
Indien de mitigerende maatregelen niet in acht worden genomen dient een ontheffing aangevraagd te worden 3303C_III - A - 08
indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden (heien of trillen) plaatsvinden is nader soortgericht onderzoek nodig naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de huismus. Dit kan resulteren in het aanvragen van een ontheffing
3303F - Aanvullend F&F onderzoek
3303C_III - A - 09
indien werkzaamheden plaats vinden in het broedseizoen, en/of de nestboom wordt gekapt, dient het gebruik van het nest onderzocht te worden
3303F - Aanvullend F&F onderzoek
3303C_III - A - 10
indien pulsgeluid of trilling veroorzakende werkzaamheden (heien of trillen) in broedperiode (maart tot september) plaatsvinden, is nader soortgericht onderzoek nodig naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten voor overige soorten. Dit kan resulteren in het aanvragen van een ontheffing
3303F - Aanvullend F&F onderzoek
3303C_III - A - 11
verstorende werkzaamheden welke tot in het Bpl reiken (heien) mogen niet in het broedseizoen worden uitgevoerd (maartseptember)
xxxx - Contract, verwerken in Ecologisch werkprotocol (EWP) 3504F - Bouwfasering
3303C_III - A - 12
bij aanvang van de realisatiefase dient een amfibiënraster te worden geplaatst om vestiging rugstreeppad in het plangebied te voorkomen
xxxx - Contract, verwerken in Ecologisch werkprotocol (EWP)
3303C_III - A - 13
tijdens realisatiefase geld een zorgplicht betreft flora, grondgebonden zoogdieren, reptielen, vissen, vlinders, libellen en ongewervelden
xxxx - Contract, verwerken in Ecologisch werkprotocol (EWP)
3303C_III - A - 14
voor het kappen van (een deel van) de houtopstand dient een kapmelding te worden gedaan bij provincie Noord-Holland
xxxx - Contract
3303C_III - A - 15
er dient een kapvergunning te worden aangevraagd voor de houtopstand aan de westoever van het Noord-Hollands Kanaal ten noorden van de brug
xxxx - Contract
52 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Eis nr.
Eisomschrijving
Opgenomen in werkpakket
3303C_III - A - 16
bomen welke gekapt worden dienen te worden gecompenseerd
xxxx - Contract 3504C - opstellen VO 3306C - Beeldkwaliteitsplan
8.5
Risico’s
De volgende risico’s zijn geïnventariseerd en worden opgenomen in het risicodossier.
Tabel 8.3 Risico’s Nr.
Risico
Beheersmaatregel
3303C_III - R 01
uitvoering veroorzaakt pulsgeluid of trilling
uitvoeren Soortgericht onderzoek (nest en vleermuisonderzoek)
3303C_III - R 02
werkzaamheden vinden plaats in het broedseizoen, en/of de nestboom wordt gekapt
uitvoeren Soortgericht onderzoek (nestonderzoek inclusief huismus)
3303C_III - R 03
onderzoeken (nestonderzoek en vleermuisonderzoek) kunnen door besluitvorming nog niet starten in het voorjaar 2021
onderzoeken kunnen tevens in het najaar 2021 starten, hierbij is de doorlooptijd tot start uitvoering beperkt(er)
3303C_III - R 04
locatie voor compensatie bomen voldoet niet aan beeldkwaliteit (welstand)
mogelijke locatie voor compensatie afstemmen in beeldkwaliteitsplan
8.6
Vervolgonderzoeken en werkzaamheden
De voorziene (vervolg)onderzoeken en werkzaamheden zijn in onderstaande tabel weergegeven inclusief een voorstel tot een planning.
Tabel 8.4 Vervolgonderzoeken en werkzaamheden Onderzoek
Voorstel planning
Toelichting
boom effect analyse (BEA)
DO-fase
wanneer duidelijk is welke bomen worden beïnvloed door het ontwerp
depositieberekening- en beoordeling
Q1 2021
reeds opgenomen in volgend werkpakket onderzoeken, ook benodigd voor bestemmingsplan
jaarrond vleermuizenonderzoek conform vleermuisprotocol 2021
Start voorjaar 2021
rapportage gereed eind 2021 waarna activiteitenplan kan worden opgesteld in 2022. Hierna kan een ontheffing worden aangevraagd zodat deze half 2022 gereed kan zijn
soortgericht onderzoek nodig naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de verstoringscontour van de huismus
Start voorjaar 2021
rapportage gereed eind 2021 waarna activiteitenplan kan worden opgesteld in 2022. Hierna kan een ontheffing worden aangevraagd zodat deze half 2022 gereed kan zijn
indien werkzaamheden plaats vinden in het broedseizoen, en/of de nestboom wordt gekapt, dient het gebruik van het nest onderzocht te worden
Start voorjaar 2021
rapportage gereed eind 2021 waarna activiteitenplan kan worden opgesteld in 2022. Hierna kan een ontheffing worden aangevraagd zodat deze half 2022 gereed kan zijn
53 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Onderzoek
Voorstel planning
Toelichting
ecologisch werkprotocol
(eind) DO-fase
wanneer het ontwerp vast staat kunnen de maatregelen worden vastgelegd in een protocol
54 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
9 LITERATUUR 1 2
AERIUS Calculator (versie 2019A), https://www.aerius.nl/nl, geraadpleegd op 15 oktober 2020 European Environment Agency (2018). Natura 2000 End 2018 - shapefile, https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/natura-10/natura-2000-spatial-data/natura-2000shapefile-1, geraadpleegd op 14 oktober 2020 3 https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=, geraadpleegd op 14 oktober 2020 4 https://schagen.nedgraphicscs.nl/web/thema/groenekaart.html, geraadpleegd op 14 oktober 2020 5 NDFF-ecogrid database, geraadpleegd op 14 oktober 2020 6 www.wilde-planten.nl, geraadpleegd op 14 oktober 2020 7 www.Zoogdierenvereniging.nl, geraadpleegd op 14 oktober 2020. 8 www.Vleermuis.net, geraadpleegd op 14 oktober 2020 9 www.vogelbescherming.nl; geraadpleegd op 14 oktober 2020. 10 www.ravon.nl, geraadpleegd op 14 oktober 2020. 11 www.vlinderstichting.nl, geraadpleegd op 14 oktober 2020.
55 | 55
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03
Bijlage(n)
I BIJLAGE: VERIFICATIE RESULTAATSDOCUMENT 3303C
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage I | Definitief 03
3303C ONDERZOEKEN RO1 - F&F EN BOMEN
VERIFICATIE RESULTAATSDOCUMENT
project
Stolperbasculebrug
verificatie door
S.G. Wetzels
opdrachtgever
Provincie Noord-Holland
toetsing
W.P. de Vries
projectcode
119096
werkpakkettrekker
ing. S.G. Wetzels
status
Definitief
datum
4-2-2021
producteisen
(inclusief verificatieplan - zover mogelijk)
Aanvullend
Bomeninventarisatie bestaande uit locatie, type, diameter en de gezondheid v/d boom middels visuele inspectie
verificatiemethode
verificatie
bewijs
Documentbeoordeling
Voldoet
zie rapport
Documentbeoordeling
Voldoet
Documentbeoordeling
Voldoet
Rekening houden met het nabijgelegen weidevogelleefgebied. 2501A - A - 16 Zie bijlage 2.2.3. (bron: Statusrapport nr. 547, Definitief: 20-082019, H6) Onderdeel van de faunavoorziening vormt ook de uitrastering 2501A - A - 17 van de voorziening met daartoe geschikte rasters. (bron: Statusrapport nr. 547, Definitief: 20-08-2019, H6)
Weidevogelleefgebieden zijn geschouwd in het rapport wordt opgenomen als afgeleide eis in het VO rapport 3504C
proceseisen De bomen en de scopegrens S2 - 31
Onderzoeken opnemen in BIM Viewer
Documentbeoordeling
worden na afronding van het werkpakket opgenomen in de BIMviewer
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Scopegrens zal worden opgenomen in de BIM-viewer PNH
II BIJLAGE: SCOPEKAART (TEKENING 119096-1002)
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage II | Definitief 03
1
2
3
4
5
149
6
7
8
6
X=111401.362 Y=536770.820
A
A
vb
4
X=111500.724 Y=536726.810 7 14
g
we er
lkm
Be
X=111298.176 Y=536596.834
5a
14
B
B
14
0
138
vb
er lkm Be
X=111393.202 Y=536508.061
g we
2
X=111178.860 Y=536454.265
136
C
C vb
vb
lk Be
rw me
X=111145.980 Y=536417.026
eg
X=111119.888 Y=536387.475
5 14
X=111450.431 Y=536370.333
X=111297.135 Y=536359.429
3 14
13
9
1 14
vb
et
1
vb
X=111194.040 Y=536323.159
et
D
D
X=111625.622 Y=536280.086
X=111256.791 Y=536285.741 61
62
63
9
20A
59
60
7
rrio
58
X=111443.256 Y=536206.612
5
Pold erw eg
57
3
Pro
vinci ale
56
weg
56 a
X=111577.552 Y=536171.652
E
E
-
t.b.v. locatiebezoek
k k
Legenda Scope uitvraag
Dijkweg
2
k k kk
1
Project
Datum
Wijz. Getek.
Stolperbasculebrug Onderzoeken
F
Onderdeel
3303A - Flora en Founaonderzoek
1
2
3
4
5
Datum
Concept 17-06-2020
Getekend Gecontroleerd Goedgekeurd
B.H. Huting S.G. Wetzels W.P. de Vries
Schaal
Formaat
Projectcode
Tekeningnummer
Bladnummer
1:3000
A3
119096
1002
1/1
6
7
Status
8
Plotdatum: 6/17/2020 9:42
Bestandsnaam model: 119096_scopekaarten.dwg
55
Opmerkingen rrio
F
III BIJLAGE: ROUTES LOCATIEBEZOEK
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage III | Definitief 03
Ecologie nabij Stolperbasculebrug d.d. 10-09-2020 Legenda ondersteunendWaterdeel_v vegetatieObject_p
bomeninventarisatie 6 bomen
begroeidTerreindeelPlantvak_v waterloop_l onbegroeidTerreindeel_v begroeidTerreindeelBermKr_l begroeidTerreindeelKruin_l begroeidTerreindeelBerm_v
bomeninventarisatie 13 bomen + houtopstand
begroeidTerreindeel_v
Route Flora en fauna scan buiten gangbare fiets en voetpaden
bomeninventarisatie 13 bomen
Bomeninventarisatie
bomeninventarisatie 6 bomen bomeninventarisatie 9 bomen
Scan Flora en Fauna brugkelder
Scan op/bij particulier terrein
Scan Flora en Fauna op particulier terrein en langs water
Deze kaart is gemaakt met GeoWeb
Datum:
10-09-2020
Schaal:
1:1.500
Copyright © 2018 Provincie Noord-Holland
IV BIJLAGE: RELEVANTE ARTIKELEN PRV Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen (Artikel 6.43) Lid 1 De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN-gebieden zijn neergelegd in bijlage 5 (Wezenlijke kenmerken en waarden Natuurnetwerk Nederland provincie Noord-Holland) bij de verordening en zijn daarmee door PS vastgesteld. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten in acht worden genomen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen voor NNN-gebieden. Dit betreft een harde, absolute doorwerking. Afwijken is niet mogelijk. In bijlage 5 van de verordening wordt een nadere toelichting gegeven op het begrip wezenlijke kenmerken en waarden. Lid 2 Het tweede lid bepaalt dat ruimtelijke plannen die van toepassing zijn op het NNN moeten in ieder geval strekken tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden die tot het NNN behoren. Lid 3 In het derde lid wordt hieraan voor gemeenten de verplichting gekoppeld om in een ruimtelijk plan in ieder geval regels te stellen in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden – die zijn opgenomen in bijlage 5 bij de verordening – in acht worden genomen. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.10.3 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Leden 4 en 5 Met het vierde en vijfde lid wordt invulling gegeven aan artikel 2.10.4 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Tezamen vormen zij de weerslag van het ‘nee, tenzij-beginsel’. Het derde lid bevat het beschermingsregime dat in een ruimtelijk plan moet worden opgenomen. Een ruimtelijk plan mag geen nieuwe activiteiten mogelijk maken die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het NNN of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Het begrip ‘significante aantasting’ is afkomstig uit het Barro. Wat een significante aantasting is, kan niet op voorhand worden gezegd. Dat hangt af van de aard van de beoogde activiteit, van de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende gebied en van de grootte en de draagkracht van het gebied. In een klein gebied met hoge waarden kan een kleine aantasting al significant zijn. In een groot gebied met lagere waarden zal dit minder snel het geval zijn.
Volgens de toelichting bij het Barro kunnen bijvoorbeeld de volgende ruimtelijke initiatieven significante gevolgen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied: - aanleg van nieuwe en uitbreiding van bestaande woningbouw, bedrijven en andere opstallen; - (uitbreiding van agrarische bedrijven is in sommige gevallen wel mogelijk indien dat noodzakelijk is voor de natuurbeheerfunctie van het bedrijf); - aanleg van nieuwe infrastructuur of uitbreiding van bestaande infrastructuur; - vestiging van nieuwe en uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijbedrijven en glastuinbouwbedrijven; - nieuwe voorzieningen voor en omvangrijke uitbreiding van permanente verblijfsrecreatie (waaronder bungalowparken), ‘leisurecentra’ en attractieparken; - ontgrondingen ten behoeve van oppervlaktedelfstofwinning; - aanleg en bouw van afvalstort; - bouw of uitbreiding van drijvende objecten; - opstelling van windturbines.
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage IV | Definitief 03
De verordening respecteert wat in geldende ruimtelijke plannen is toegestaan (eerbiedigende werking). In het vierde lid is namelijk bepaald dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten met significante nadelige gevolgen mogelijk maakt. Bestaande activiteiten zijn dus wel toegestaan. Of sprake is van bestaande activiteiten moet worden bepaald aan de hand van het begrip bestaand, zoals gedefinieerd in bijlage 1 bij de omgevingsverordening. Hieronder vallen ook bestaande activiteiten. Artikel 6.43 is hierdoor alleen van toepassing op nieuwe activiteiten die nog niet in ruimtelijke plannen zijn toegestaan. Dit betekent dat de ontwikkelmogelijkheden van een agrarisch bedrijf, een recreatiewoning en een niet-agrarisch bedrijf die zijn opgenomen in een geldend ruimtelijk plan, in stand blijven. Met ‘per saldo’ in het vierde lid is geregeld dat combinaties van activiteiten die op gebiedsniveau niet leiden tot Omgevingsverordening NH2020 179 een significante aantasting van het natuurnetwerk Nederland wel kunnen worden toegestaan. Dit heeft tot gevolg dat een ruimtelijk plan een combinatie van activiteiten, die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van het natuurnetwerk Nederland, mogelijk kan maken. Dit veronderstelt wel dat de betrokken activiteiten in samenhang op hun effecten moeten worden beoordeeld.
Gaat het om activiteiten die vallen binnen de reikwijdte van verschillende ruimtelijke plannen dan is van belang dat de effectbeoordeling in gezamenlijkheid zal plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld in het kader van een integrale gebiedsvisie. Het vijfde lid bevat de uitzondering op het verbod van het vierde lid. Onder de cumulatieve voorwaarden die in het vijfde lid zijn opgenomen, mag een ruimtelijk plan wel nieuwe activiteiten mogelijk maken die per saldo leiden tot een significante aantasting van het NNN. Deze voorwaarden zijn: a. er is sprake van een groot openbaar belang; b. er zijn geen reële alternatieven, en; c. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd. Wat onder groot openbaar belang moet worden verstaan staat in de algemene toelichting over dit begrip. Lid 6 Het zesde lid bevat bepalingen ten aanzien van de mogelijkheden die Gedeputeerde Staten hebben om de begrenzing van het NNN of de natuurverbindingen te wijzigen. Bij deze mogelijkheden is woordelijk aangesloten bij artikel 2.10.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen herbegrenzing om ecologische redenen (onder a), herbegrenzing ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling (onder b) en herbegrenzing ten behoeve van de compensatie op grond van het vierde lid (onder c). Herbegrenzing op ecologische gronden dient bij te dragen aan verhoging van de wezenlijke kenmerken en waarden of de abiotische randvoorwaarden of potenties daarvoor of het robuuster maken van het netwerk (opheffen versnipperde gebieden, aanleg stapstenen tussen gebieden) en aan de realisatiekans (draagvlak). Lid 7 Dit zevende lid bevat een bevoegdheid voor Gedeputeerde Staten om kennelijke onjuistheden te verbeteren in de begrenzing van NNN en natuurverbindingen. Het gaat hierbij om technische correcties, niet om beleidsinhoudelijke wijzigingen. Lid 8 In het achtste lid is geregeld dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen stellen ten aanzien van de compensatie als bedoeld in het vierde lid. Deze nadere regels zijn vastgelegd in de Omgevingsregeling NoordHolland 2020. Bijzonder provinciaal landschap (Artikel 6.44) Lid 1 Met het eerste lid wordt geregeld dat de in bijlage 6 beschreven kernkwaliteiten deel uitmaken van de verordening. De kernkwaliteiten zijn dus door PS vastgesteld.
Deze kernkwaliteiten moeten in acht worden genomen bij het vaststellen van bestemmingsplannen voor gebieden die worden aangemerkt als Bijzonder provinciaal landschap. Lid 2 Het tweede lid bepaalt dat ruimtelijke plannen die zien op gebieden binnen het Bijzonder provinciaal landschap regels bevatten ter bescherming van de daar geldende kernkwaliteiten. Op grond van het ruimtelijk plan moet dus duidelijk zijn dat de betreffende locaties Bijzonder provinciaal landschap zijn en op die manier ook worden beschermd.
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage IV | Definitief 03
Lid 3 Het derde lid bevat een verbod op nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het Bijzonder provinciaal landschap. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (zie begrip in bijlage 1 bij de verordening). Uit de jurisprudentie over dit begrip volgt dat een ontwikkeling een zekere omvang dient te hebben om te worden gekwalificeerd als stedelijke ontwikkeling. Voor wonen is er op grond van de jurisprudentie sprake van een stedelijke ontwikkeling bij meer dan 11 woningen. Voor andere stedelijke voorzieningen is in beginsel sprake van een stedelijke ontwikkeling als het gaat om een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m 2 of een gebouw met een oppervlakte van meer dan 500 m 2. Gelet op hun omvang verhouden nieuwe stedelijke ontwikkelingen zich niet tot de kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap. Daarom worden deze op voorhand uitgesloten. Lid 4 Het vierde lid bevat het criterium voor andere nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dan nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen zijn toegestaan als zij de kernkwaliteiten van het Bijzonder provinciaal landschap niet aantasten.
Het gaat daarbij onder meer om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen met een stedelijke functie die gelet op hun aard of omvang niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening zijn aan te merken. Ook nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zonder een stedelijke functie worden als nieuwe ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het vierde lid aangemerkt. Mits deze ontwikkelingen de kernkwaliteiten niet aantasten, kunnen zij in ruimtelijke plannen binnen het Bijzonder provinciaal landschap mogelijk worden gemaakt. Omdat BPL tevens als Landelijk gebied wordt aangemerkt, gelden voor deze ontwikkelingen ook de regels voor landelijk gebied zoals onder meer opgenomen in de artikelen 6.4 tot en met 6.10. Lid 5 Op grond van het vijfde lid is de gemeente verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het Bijzonder provinciaal landschap de voorkomende kernkwaliteiten te beschrijven. Daarnaast moet in de toelichting worden gemotiveerd dat de in het plan opgenomen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen deze kernkwaliteiten niet aantasten. Op grond van het tiende lid kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels stellen aan die motivering.
Lid 6 Wanneer uit de motivering als bedoeld in het vijfde lid blijkt dat maatregelen (bijvoorbeeld inrichtingsmaatregelen) nodig zijn om een aantasting van de kernkwaliteiten te voorkomen, moet de uitvoering van deze maatregelen zijn geborgd bij de vaststelling van het ruimtelijk plan. Borging kan plaatsvinden in het ruimtelijk plan dat ook de betreffende ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar eventueel ook in een ander ruimtelijk plan. Lid 7 Uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot maximaal twee hectare in Bijzonder provinciaal landschap is toegestaan. Het zevende lid, onder a, regelt dat een dergelijke uitbreiding niet hoeft te worden getoetst aan de beschrijvingen van de kernkwaliteiten. Een uitbreiding tot meer dan 2 hectare moet wel aan de kernkwaliteiten worden getoetst. Daarvoor gelden bovendien de voorwaarden van artikel 6.33, eerste lid, onder c, te weten dat de uitbreiding noodzakelijk is voor het agrarisch productieproces en het geen glastuinbouwbedrijf betreft. Uit het zevende lid, onder a, volgt dat ook bebouwings- en functiemogelijkheden die in een ruimtelijk plan kunnen worden opgenomen overeenkomstig artikel 6.33, eerste lid, onder e tot en met f en artikel 6.33, tweede en derde lid, niet hoeven te worden getoetst aan de kernkwaliteiten. Voor de in het zevende lid genoemde mogelijkheden gelden wel de ruimtelijke kwaliteitseisen van artikel 6.59.
Deze gelden voor elke nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied. Lid 8 Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, inclusief nieuwe stedelijke ontwikkelingen, die van groot openbaar belang zijn, wordt een uitzondering gemaakt. Ook wanneer deze leiden tot een aantasting van de kernkwaliteiten zijn deze mogelijk in Bijzonder provinciaal landschap. Er moet dan wel aannemelijk worden gemaakt dat er geen reële andere mogelijkheden zijn voor de ontwikkeling en de negatieve effecten moeten zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten moeten worden gecompenseerd. Voor windturbines en zonneparken geldt dat de Regionale energie strategieën (RES ‘en) duidelijkheid kunnen bieden voor de vraag of een dergelijke ontwikkeling van groot openbaar belang is en of er ergens anders, buiten het Bijzonder provinciaal landschap, reële andere mogelijkheden zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling.
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage IV | Definitief 03
Lid 10 Gedeputeerde Staten kunnen eisen stellen aan de motivering die op grond van het vijfde lid moet worden opgesteld. Ook over de wijze van compensatie als bedoeld in het achtste lid, onderdeel c, kunnen zij eisen stellen.
Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Bijlage IV | Definitief 03
www.witteveenbos.com