CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 onderzoek Flora en fauna

Gemeenteraad 24 mei 2022, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Stolperbrug17.549 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Stolperbasculebrug 3303C - onderzoeken RO1, Flora & Fauna

Provincie Noord-Holland 3 januari 2022

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Stolperbasculebrug Provincie Noord-Holland

3303C - onderzoeken RO1, Flora & Fauna Definitief 03 3 januari 2022 119096/21-019.929

119096 M.E. Berghuis MSc ir.drs. J.L.C.M. van Daelen

J. Schuitemaker BSc ir. W.B. Roosen, ing. S.G. Wetzels M.E. Berghuis MSc

Paraaf

Adres

Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd , behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

5

1.1

Aanleiding

5

1.2

Rapport

6

1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.2.4

3303C - Onderzoeken RO1 - Flora & Fauna + bomen Scope rapportage Doel Leeswijzer

6 6 6 6

2

ONDERZOEKSAANPAK

7

3

PLANGEBIED EN GEPLANDE WERKZAAMHEDEN

8

3.1

Plangebied

8

3.2

Omschrijving werkzaamheden

10

4

TOETSINGSKADER

12

4.1

Wet natuurbescherming

12

4.1.1 4.1.2 4.1.3

12 12 14

Gebiedsbescherming Soortbescherming Bescherming houtopstanden

4.2

Bomenbeleid gemeente Schagen

15

4.3

Natuurbeleid provincie Noord-Holland

15

5

GEBIEDSBESCHERMING

17

5.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

17

5.1.1

18

5.2

5.3

6

Effecten en conclusie

Natuurnetwerk Nederland (ecologische hoofdstructuur) en weidevogelleefgebieden

18

5.2.1 5.2.2

Gegevens Effecten en conclusie

18 19

Bijzonder provinciaal landschap

19

5.3.1

20

Effecten & conclusie

BOMENINVENTARISATIE

21

6.1

Inleiding

21

6.2

Methodiek inventarisatie

21

6.3

Inventarisatie

22

6.3.1 6.3.2

22 27

6.4

Solitaire bomen Houtopstand

Conclusie Bomeninventarisatie

28

6.4.1 6.4.2 6.4.3

28 28 29

Solitaire bomen Houtopstand Boom Effect analyse (BEA)

7

EFFECTEN OP BESCHERMDE SOORTEN

30

7.1

Methode

30

7.2

Beschrijving per soortgroep

30

7.2.1 7.2.2 7.2.3 7.2.4 7.2.5 7.2.6 7.2.7 7.2.8

30 31 33 39 43 45 47 47

Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Vogels Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en andere ongewervelden

8

CONCLUSIE

49

8.1

Gebiedsbescherming

49

8.2

Soortbescherming

50

8.3

Bomeninventarisatie

51

8.4

Afgeleide eisen

51

8.5

Risico’s

53

8.6

Vervolgonderzoeken en werkzaamheden

53

9

LITERATUUR

55

Laatste pagina

55

Bijlage(n)

Aantal pagina's

I

Verificatie resultaatsdocument 3303C

1

II

Scopekaart (tekening 119096-1002)

1

III

Routes locatiebezoek

1

IV

Relevante artikelen PRV

4

1 INLEIDING 1.1

Aanleiding

De Stolperbasculebrug (afbeelding 1.1) heeft een belangrijke regionale en lokale functie als kruising over het Noordhollandsch kanaal. De brug dateert uit 1936 en is aan vervanging toe omdat de ontwerplevensduur van 80 jaar is overschreden en de brug al langere tijd intensief onderhoud nodig heeft om te blijven functioneren. Tevens is het dwarsprofiel op de brug te smal en voldoet de brug niet meer aan de Machinerichtlijn op meerdere aspecten. De provincie heeft gekozen om de brug te vervangen voor een nieuwe brug ten noorden van de bestaande brug en er een ophaalbrug van te maken. De brug dient te voldoen aan de vigerende wet- en regelgeving, provinciale standaarden en op afstand bedienbaar te zijn vanuit de 24 uurs bediencentrale te Heerhugowaard.

Afbeelding 1.1 Bestaande Stolperbasculebrug

5 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

1.2

Rapport

1.2.1

3303C - Onderzoeken RO1 - Flora & Fauna + bomen

Dit rapport is een resultaatsproduct van werkpakket 3303C - Onderzoeken RO1, onderdeel Flora & Fauna + bomeninventarisatie, van het project Stolperbasculebrug. De eisen aan dit resultaatsproduct zijn afgeleid van de uitvraag en onze inschrijving, deze eisen zijn opgenomen en geverifieerd in bijlage I.

1.2.2

Scope rapportage

Het veldonderzoek is uitgevoerd conform de overeengekomen scope zoals weergegeven op de scopekaart in bijlage II (tekeningnummer 119096-1002) van dit rapport. De bureaustudie voor beschermde soorten en beschermde gebieden gaat uit van een ruimere straal rondom het plangebied van 3 km. Daarnaast is het omliggende terrein het perceel op provinciale weg 1 te Schagerbrug beschouwd.

1.2.3

Doel

De geplande werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op aanwezige beschermde natuurwaarden. De onderliggende rapportage betreft de Natuurtoets. Hierin zijn de effecten van geplande werkzaamheden op de mogelijk aanwezige beschermde natuurwaarden onderzocht en getoetst. Er wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb), waaronder gebiedsbescherming (Natura 2000) en soortbescherming vallen. Daarnaast wordt getoetst of de geplande werkzaamheden negatieve effecten hebben op gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Als laatste wordt er aangegeven wat de juridische consequenties van de bevindingen zijn, bijvoorbeeld of er kans is op overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb en of een vergunning- of ontheffingsaanvraag noodzakelijk is. Naast het Flora en Faunaonderzoek zal een bomeninventarisatie worden uitgevoerd. In de boominventarisatie is de locatie, diameter op borsthoogte en soort vastgesteld van de bomen in het gebied. Deze gegevens vormen input voor een eventueel noodzakelijke kapvergunning. Aanvullend is visueel de conditie van de boom bepaald. Dit wordt verwerkt in hoofdstuk 6.

1.2.4

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 beschrijft het plangebied en de geplande werkzaamheden. Hoofdstuk 3 gaat in op het toetsingskader in relatie tot de natuurwet- en regelgeving. In hoofdstuk 4 wordt verkend of er effecten zijn te verwachten op beschermde gebieden. In hoofdstuk 5 wordt de bomeninventarisatie toegelicht. Hoofdstuk 6 beschrijft per soortgroep of erin of nabij het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn en wat de effecten van het voornemen op deze beschermde soorten van de Wnb zijn. Hoofdstuk 7 geeft de conclusie middels een overzichtelijke samenvatting van de bevindingen in de vorm van een tabel weer. In hoofdstuk 8 is de geraadpleegde literatuur weergegeven.

6 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

2 ONDERZOEKSAANPAK Bureaustudie Om de impact van de werkzaamheden op beschermde gebieden vast te stellen, wordt er een bureaustudie uitgevoerd. Hierbij worden alle beschikbare informatie rondom het Natuurnetwerk Noord-Holland, de Natura 2000-gebieden en de weidevogelleefgebieden geraadpleegd. Het resultaat hiervan is verwerkt in hoofdstuk 5. Om de aanwezigheid van onder de Wnb beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vast te stellen, wordt een bureaustudie uitgevoerd. De bureaustudie bestaat, naast het raadplagen van de reeds uitgevoerde onderzoeken, uit het raadplegen van Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Aanvullend hierop worden, als daar aanleiding voor is, verspreidingsatlassen, internetbronnen en op internet vrij verkrijgbare verspreidingsgegevens geraadpleegd. Het resultaat hiervan is verwerkt in hoofdstuk 7. Veldonderzoek Ter verificatie van, en als aanvulling op, de bureaustudie wordt door een ecoloog van Witteveen+Bos een veldbezoek uitgevoerd. Soortgerichte inventarisaties en tellingen van afzonderlijke dier- en plantensoorten zijn geen onderdeel van het veldbezoek; wel worden toevallige waarnemingen van soorten of verblijfplaatsen genoteerd. Het resultaat hiervan is verwerkt in hoofdstuk 7. Daarnaast wordt een habitatscan uitgevoerd. Tevens wordt er een bomeninventarisatie uitgevoerd. Het resultaat hiervan is verwerkt in hoofdstuk 6.

Uitwerking onderzoek Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van aanwezige beschermde soorten wordt vervolgens bepaald of negatieve effecten optreden en of er sprake is van een overtreding van de Wnb. Tevens wordt beschreven welke maatregelen genomen moeten worden om effecten te voorkomen. Deze maatregelen kunnen tevens aanvullende onderzoeken zijn.

7 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

3 PLANGEBIED EN GEPLANDE WERKZAAMHEDEN 3.1

Plangebied

De Stolperbasculebrug (afbeelding 3.1), ligt ten noordwesten van de woonkern van Schagerbrug, en is gelegen in de N248 (Provincialeweg) en kruist het Noord-Hollands Kanaal. Het kanaal is beschoeid door middel van damwanden, waardoor er geen sprake is van een natuurlijke overgang tussen water en land. De oever is begroeid met verschillende helofyten zoals riet en lisdodde en verschillende ruigtesoorten zoals braam. Ten noorden van de brug, aan de westkant van het kanaal staat een houtopstand met een dichte ondergroei, en rondom de wegen zowel aan de west- en oostzijde staan verschillende bomen (witte abeel, populier (ongedefinieerd). en zomereik). Rondom het plangebied liggen weilanden en akkers. Aan de westzijde van de brug liggen waterpartijen, en ten zuiden van de brug, aan de oostkant van het kanaal ligt een perceel met een woonhuis en enkele schuren. In afbeelding 3.3 is een impressie weergeven van het plangebied.

Afbeelding 3.1 Ligging van het plangebied en een snede uit GIS-omgeving PNH

8 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 3.2 Snede uit GIS-omgeving PNH van het plangebied

Afbeelding 3.3 Impressie van het plangebied

9 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

3.2

Omschrijving werkzaamheden

Het voorgenomen plan bestaat op hoofdlijnen uit: - bouw van een nieuwe brug ten noorden van de bestaande (afbeelding 3.4); - aanpassingen/verplaatsen rotonde Westzijde op nieuwe situatie; - aanpassen N248 op nieuwe situatie; - grondwerken aansluitend aan aanpassingen wegen; - aanbrengen nieuwe remming en geleidewerken; - aanbrengen wachtplaatsen recreatievaart en beroepsvaart; - sloop bestaande brug, remming en geleidewerken, wachtplaatsen; - kappen bomen waar nodig; - verwijderen deel houtopstand; - het baggeren van de watergang ter hoogte van de nieuwe brug; - aanbrengen van een faunapassage.

10 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 3.4 Voorlopige ontwerp van de nieuwe brug en wegenstructuur

11 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

4 TOETSINGSKADER 4.1

Wet natuurbescherming

4.1.1

Gebiedsbescherming

In hoofdstuk 2 van de Wnb zijn de bepalingen voor gebiedsbescherming vastgelegd. De regels hebben als doel het beschermen en in stand houden van natuurgebieden met bijzondere of kwetsbare waarden. Hiermee zijn internationale verplichtingen uit de Vogelrichtlijn (VR) en Habitatrichtlijn (HR), maar ook verdragen als bijvoorbeeld het Verdrag van Ramsar (Wetlands) in nationale regelgeving verankerd. Nederland past een vergunningstelsel toe bij de bescherming van Natura 2000-gebieden. Projecten of andere handelingen, die gelet op de instandhoudingdoelen (IHD), significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied, zijn volgens artikel 2.7, lid 2 van de Wnb vergunningsplichtig. Voor elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000- gebied dient te worden beoordeeld of kan worden uitgesloten dat de werkzaamheden/ontwikkeling een significant negatief effect hebben op de beschermde natuurwaarden in het betreffende gebied. Indien significant negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, dient een ‘passende beoordeling’ te worden uitgevoerd. In het geval de passende beoordeling niet de zekerheid verschaft dat er geen sprake is van een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken Natura 2000-gebied, moet de vergunning, c.q. de instemming, worden geweigerd, tenzij aan de ‘ADC-criteria’ voldaan wordt.

Dit betekent dat er geen alternatieven zijn (A), er sprake is van bij de wet genoemd belang (D) en dat door compensatie de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk gewaarborgd blijft (C). Effecten op Natura 2000-gebieden worden beoordeeld aan de hand van de IHD die in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden zijn vastgesteld. IHD betreffen zowel habitattypen met bijbehorende habitattypische soorten als habitat- en vogelsoorten. In het kader van de alternatievenafweging wordt beoordeeld of er onderscheid is in de mate waarin de verschillende alternatieven effect hebben op de IHD en of er voor de verschillende alternatieven de kans bestaat dat significant negatieve effecten optreden.

4.1.2

Soortbescherming

Onder de Wet natuurbescherming bestaat de soortenbescherming uit drie beschermingsregimes: een beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en ‘Andere soorten’ (art. 3.10). Voor ieder van deze regimes gelden afzonderlijke verbodsbepalingen. In de navolgende paragrafen worden de verbodsbepalingen waaraan getoetst wordt, toegelicht.

12 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Vogelrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten heeft betrekking op de soorten zoals aangeduid in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Dit betreft alle van nature in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Voor vogelsoorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden opzettelijk vogels te doden of te vangen; - het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten weg te nemen; - het is verboden eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; - het is verboden vogels opzettelijk te storen. Het laatste verbod is echter niet aan de orde indien kan worden onderbouwd dat de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Het bepalen of sprake is van een wezenlijke invloed is per soort en per situatie maatwerk. De meeste vogelsoorten maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de hiervoor beschreven verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen.

Buiten het broedseizoen mogen deze nesten worden verwijderd of verplaatst, tenzij in specifieke situaties er een ecologisch zwaarwegend belang is om nesten die normaliter niet jaarrond beschermd zijn toch jaarrond te beschermen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer door een ingreep een groot deel van de nestgelegenheid van een bepaalde populatie dreigt te verdwijnen. Voor het verstoren van vogels (in het broedseizoen) is het verkrijgen van een ontheffing in principe niet mogelijk omdat bijna altijd een alternatief voorhanden is, namelijk werken wanneer geen broedende vogels aanwezig zijn. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming zijn altijd relevant voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten.

Jaarrond beschermde nesten zijn: - nesten die buiten het broedseizoen worden gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats (bijvoorbeeld steenuil); - nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop (bijvoorbeeld roek, gierzwaluw en huismus); - nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing (bijvoorbeeld ooievaar, kerkuil en slechtvalk); - vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (bijvoorbeeld boomvalk, buizerd en ransuil). Habitatrichtlijnsoorten Het beschermingsregime voor Habitatrichtlijnsoorten heeft betrekking op in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn. De verbodsbepaling voor planten heeft betrekking op soorten (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) uit bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern.

Voor deze dieren en planten van de Habitatrichtlijn gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden dieren opzettelijk te verstoren; - het is verboden eieren opzettelijk te vernielen of te rapen; - het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; - het is verboden planten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Als deze verbodsbepalingen voor deze soorten worden overtreden, moet een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd.

13 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

‘Andere soorten’ Het beschermingsregime voor de ‘Andere soorten’ heeft betrekking op de soorten uit bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming. Hierin zijn lijsten met overige plant- en diersoorten opgenomen die, buiten de Vogel- en Habitatrichtlijn om, nationaal beschermd worden. Voor deze soorten gelden de volgende verbodsbepalingen: - het is verboden dieren opzettelijk te doden of te vangen; - het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of - te vernielen; - het is verboden vaatplanten opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Binnen de soortenlijsten in bijlage A en B bij de Wet natuurbescherming is geen onderscheid gemaakt tussen licht en zwaar beschermde soorten. Zowel het Ministerie van LNV als de provincies zijn bevoegd om binnen deze lijsten soorten aan te wijzen waarvoor een vrijstelling geldt of waarvoor aangepaste voorwaarden gelden in het geval van een ontheffingsaanvraag. Als er sprake is van een overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van deze soorten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Zorgplicht In artikel 1.11 lid 1 en lid 2 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht beschreven: ’Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor in het wild levende dieren en hun directe leefomgeving.

Eenieder laat handelingen na, waarvan redelijkerwijs te vermoeden is, dat ze nadelig zijn voor in het wild levende dieren. Als dat nalaten in redelijkheid niet gevergd kan worden, dienen de gevolgen van dat handelen voor die dieren zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt te worden’. De zorgplicht geldt altijd.

4.1.3

Bescherming houtopstanden

Indien men bomen wenst te kappen die buiten de bebouwde kom liggen, is de nationale Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De Wnb heeft betrekking op houtopstanden bomen of beplanting met een oppervlakte van meer dan 10 are (1.000 m²), of meer dan 20 bomen in rijbeplanting (gerekend over het totaalaantal rijen). Hierbij is het verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen. Indien toch gekapt wordt dient een kapmelding te worden ingediend bij de provincie. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist, deze staan vermeld in art. 4.1 van de Wet natuurbescherming: - houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; - houtopstanden op erven of in tuinen; - fruitbomen en windschermen om boomgaarden; - naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; - kweekgoed; - uit populieren of wilgen bestaande: · wegbeplantingen; · beplantingen langs waterwegen, en · eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; - het dunnen van een houtopstand; - uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: · ten minste eens per tien jaar worden geoogst; · bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten

beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter en zijn aangelegd na 1 januari 2013. De Wet natuurbescherming kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Wie (een deel van) een houtopstand velt, moet dit minstens één maand voorafgaand aan de kap melden bij de

14 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

provincie en heeft de plicht om hetzelfde areaal te herplanten binnen 3 jaar na het vellen. Provincies kunnen bij verordening bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd.

4.2

Bomenbeleid gemeente Schagen

Binnen de gemeente Schagen is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen indien deze; 1. opgenomen is op de ‘groene kaart’ behorende bij de boomverordening Schagen 2018; 2. onderdeel is van Voorschriften/beperkingen conform artikel 7 of onderdeel is van herplantplicht/instandhoudingsplicht conform artikel 8 van de boomverordening Schagen, of; 3. is geplant op grond van een overeenkomst met een publiekrechtelijke rechtspersoon. Een vergunning kan worden geweigerd: - als wij het belang van de natuur belangrijker vinden; - als de boom landschappelijke waarde heeft; - als de boom waarde heeft voor het stads- en dorpsschoon; - als de boom beeldbepalend is; - als de boom cultuurhistorische waarde heeft; - als de boom waarde heeft voor de leefbaarheid. Onder een ‘boom’ wordt verstaan ‘een houtachtige, overblijvende gewassen met een dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam’.

4.3

Natuurbeleid provincie Noord-Holland

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Door natuur te verbinden blijft diversiteit behouden en verkleint de kans op uitsterven van soorten. Het Noord-Hollandse deel van dit natuurnetwerk (NNN-gebied) heet Natuurnetwerk NoordHolland. Het provinciaal beleid met betrekking tot het NNN is opgenomen in de Omgevingsvisie NH2050. De instructieregels ten aanzien van het NNN zijn opgenomen in artikel 6.43 Omgevingsverordening NH2020. Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van een NNN-gebied zijn van belang bij het bepalen of ruimtelijke initiatieven doorgang kunnen vinden. In beginsel geldt de regel dat geen bestemmingswijzigingen mogelijk zijn als daardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied (per saldo) significant worden aangetast. Om te kunnen bepalen of de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast, moet het bevoegd gezag erop toezien dat hiernaar door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Natuurbeheerplan De provincie heeft de te behouden wezenlijke kenmerken en waarden per NNN-gebied gespecificeerd in het Natuurbeheerplan.

De begrenzing van het gebied behorende tot het Natuurnetwerk Noord-Holland is vastgelegd in de kaart van het Natuurbeheerplan Noord-Holland en in bijlage 5 van de Omgevingsverordening. Aan alle percelen binnen NNN-gebied wordt een natuurbeheertype toegekend. Wanneer geen beheertype is toegekend wijkt het beoogde beheertype sterk af van het huidige gebruik en kan het gewenste beheertype vaak pas na inrichtingsmaatregelen gerealiseerd worden. Als nog niet in detail bepaald is welk beheertype wordt beoogd, kan in de ambitiekaart het beheertype N00.01 (nog om te vormen naar natuur) worden gebruikt.

15 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Bijzonder Provinciaal landschap (BPL) Het BPL is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening NH2020, bedoeld om de meest waardevolle landschappen binnen de provincie Noord-Holland te beschermen. Er zijn 32 gebieden aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap. Dit zijn gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn én niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Het beleid met betrekking tot het BPL is opgenomen in paragraaf 6.4.2 van de Omgevingsverordening NH2020. In het BPL staat het behoud en versterken van de landschappelijke waarden en de betekenis van het landschap voor het aangrenzende stedelijk gebied centraal. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. Per locatie kan aan de hand van de kernkwaliteiten een zorgvuldige afweging worden gemaakt welke ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk en welke niet wenselijk zijn. Hierdoor is er ruimte voor maatwerk en gebiedsgerichte differentiatie. De afweging of er een aantasting is van de kernkwaliteiten aan de hand van de beschrijvingen van de kernkwaliteiten, ligt (in de geest van de Omgevingswet) bij de gemeente.

In de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan dat een ontwikkeling in het BPL mogelijk maakt, moet worden gemotiveerd dat de ter plaatse geldende kernkwaliteiten niet worden aangetast. Nee -tenzij principe Het NNN en BPL worden beschermd op grond van de Omgevingsverordening NH2020. Voor deze gronden geldt dat een bestemmingsplan geen bestemmingen en regels bevat die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en de kernkwaliteiten van het BPL significant aantasten. Bij nieuwe ontwikkelingen in het NNN en BPL moet getoetst worden of er sprake is van significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken of aantasting van kernkwaliteiten. Wordt (significante) aantasting aangetoond, dan is de ontwikkeling niet mogelijk, tenzij er sprake is van: - een groot openbaar belang; - geen reële andere mogelijkheden; - de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten worden gelijkwaardig gecompenseerd.

16 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

5 GEBIEDSBESCHERMING 5.1

Natura 2000 (Wet natuurbescherming)

Op korte afstand van het onderzoeksgebied (<3 km), de zone waarbinnen als gevolg van de werkzaamheden eventuele fysieke effecten (verstoring door geluid, licht, trillingen) kunnen optreden, bevinden zich gebieden behorend tot het Natura 2000-netwerk. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft het Vogel- en Habitatrichtlijngebied (VR+HR) ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’, gelegen op circa twee kilometer ten westen van het onderzoeksgebied (afbeelding 5.1). Deze habitattypen hebben in de huidige situatie reeds te kampen met een overbelasting door stikstof (overschrijding van de kritische depositiewaarde, oftewel KDW). Overige (al dan niet stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden zoals ‘Duinen Den HelderCallantsoog’ en ‘Noordzeekustzone’ bevinden zich op een afstand van meer dan 3 km vanaf het onderzoeksgebied.

Afbeelding 5.1 Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied [lit. 1,2]

17 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

5.1.1

Effecten en conclusie

Het onderzoeksgebied ligt op korte (2 km) van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Als gevolg van de afstand, is er geen sprake van een verstoring van aangewezen natuurwaarden binnen dit beschermd natuurgebied bij de werkzaamheden aan en rondom de brug. Effecten Geluid, licht en trillingen De meest verstorende werkzaamheden zijn het eventueel heien van de fundering, wat geluid en trillingen veroorzaakt en waarvan de effecten ver kunnen reiken (tot 1.500 meter van de trillingsbron). Dit reikt derhalve niet tot in het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Vervolgstappen in de vorm van een Voortoets zijn dan ook niet aan de orde. Overige Natura 2000-gebieden liggen op grote afstand (> 3 km) van het onderzoeksgebied. Tussen het onderzoeksgebied en deze Natura 2000-gebieden strekt zich tevens een groot agrarisch gebied doorsneden met verschillende wegen. Als gevolg van de afstand (>3 km) en deze tussenliggende barrière kan worden uitgesloten dat fysieke effecten als gevolg van het voornemen zoals oppervlakteverlies en verstoring doo r geluid, licht, trilling of optische verstoring optreden tot binnen de betreffende Natura 2000 -gebieden. Stikstofdepositie De werkzaamheden voor de realisatie van de nieuwe brug resulteren in emissies van met name stikstofoxiden (NO2). Deze komen vrij uit de verbrandingsmotoren van vrachtverkeer en mobiele werktuigen.

Deze emissies kunnen resulteren in stikstofdeposities in de nabijgelegen beschermde Natura 2000 -gebieden (stikstofdeposities kunnen ver reiken; > 3 km en soms zelfs > 10 km). Door de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de afstand (2 km) tot het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000gebied (Zwanenwater & Pettemerduinen) zijn effecten van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. De omvang en reikwijdte van de stikstofdepositie door de werkzaamheden voor de realisatie van de brug dienen daarom met een AERIUS-berekening inzichtelijk gemaakt te worden. Afhankelijk van de uitkomst zijn geen vervolgstappen (geen deposities) nodig, of is een Voortoets en/of Passende beoordeling nodig omwille van het verkrijgen van een vergunning. Overige (indirecte) effecten Overige indirecte negatieve effecten zoals vernatting, verdroging en verontreiniging op Natura 2000 gebieden worden bij voorbaat uitgesloten vanwege de aard van de werkzaamheden (geen invloed op het grondwater, geen lozing, etc.). Conclusie Het onderzoeksgebied is gelegen op 2 km van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Als gevolg van deze afstand en de aard van de werkzaamheden zijn effecten (door verstoring) op de IHD van het beschermd natuurgebied op voorhand uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een Voortoets is niet nodig.

Wel wordt ten aanzien van stikstof, in het kader van de Wnb, geconcludeerd dat vervolgonderzoek in de vorm van een depositieberekening- en beoordeling voor de uitvoeringsfase van het voornemen (met behulp van Aerius) nodig is.

5.2

Natuurnetwerk Nederland (ecologische hoofdstructuur) en weidevogelleefgebieden

5.2.1

Gegevens

Het dichtstbijzijnde perceel behorende tot het NNN van Noord-Holland heeft als beheertype N14.03 Haagbeuken- en essenbos. Dit perceel ligt op 1,2 kilometer ten zuidwesten van het plangebied. Overige NNN-percelen in de omgeving staan weergegeven in afbeelding 5.2.

18 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 5.2 Dichtstbijzijnde NNN-gebieden [lit. 3]

5.2.2

Effecten en conclusie

Het dichtstbijzijnde perceel behorende tot het NNN heeft als beheertype N14.03 Haagbeuken- en essenbos. Provincie Noord-Holland kent geen externe werking toe aan ontwikkelingen op de NNN. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-perceel is met 1,2 kilometer echter dermate groot dat directe effecten op de Wezenlijke Kenmerken en Waarden van het NNN-gebied zijn uit te sluiten. Vervolgstappen in de vorm van een Nee-tenzij toets zijn daarom niet nodig.

5.3

Bijzonder provinciaal landschap

Noord-Holland kent Bijzondere provinciale landschappen (Bpl), waar weidevogelleefgebied en onder vallen. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van de Bijzonder provinciale landschappen, dit is aanwezig op een afstand van 750 m [lit. 4]. Zie afbeelding 5.3.

19 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 5.3 Bijzonder provinciaal landschap in de nabijheid van het plangebied

5.3.1

Effecten & conclusie

Het plangebied ligt buiten Bijzonder provinciaal landschap. Paragraaf 6.4.2 van de Omgevingsverordening (hoofdstuk 4.3) schrijft voor dat een bestemmingsplan binnen (of grenzend aan) Provinciaal bijzonder landschap niet voorziet in mogelijkheid verstorende activiteiten, buiten de huidige agrarische activiteiten, te verrichten die het weidevogelleefgebied verstoren. Gezien het Bpl op beperkte afstand van het plangebied ligt (750 meter), is verstoring van dit gebied niet geheel uit te sluiten. Echter met mitigerende maatregelen kan deze verstoring worden voorkomen. Het broedseizoen waarin weidevogels broeden en verstoord kunnen worden loopt globaal van maart tot september. Om verstoring op weidevogels te voorkomen, mogen er in deze periode van het jaar geen werkzaamheden worden uitgevoerd die een verstorend effect hebben op het Bpl. Verstorende werkzaamheden welke tot in het Bpl reiken (heien) mogen niet in het broedseizoen worden uitgevoerd (maart-september). Artikel 6.44.4 schrijft voor dat er afgeweken mag worden van het eerste lid mits deze de kernkwaliteiten van het Bpl niet aantasten. Voor het Bpl betekent dit dat er afgeweken mag worden wanneer een ingreep netto geen verstoring van het Bpl geeft. Deze ingreep zal geen extra verstorend effect hebben op het Bpl.

De renovatie van de brug en de omliggende wegen zorgt niet voor een extra verstoring van de openheid, aangezien er reeds sprake is van verstoring van de openheid in de huidige situatie door de wegen, gebouwen en bomen die grenzen aan het weidevogelleefgebied, of zelfs in het gebied liggen. De renovatie van de brug en wegen hieromheen zal daarom geen extra negatief effect toevoegen ten aanzien van openheid. Ten aanzien van rust geldt dat in de aanlegfase een tijdelijk verstorend effect optreedt, maar dat er in de gebruiksfase de effecten gelijk zijn aan de huidige situatie.

20 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

6 BOMENINVENTARISATIE 6.1

Inleiding

Ter behoeven van de werkzaamheden aan en rondom de Stolperbasculebrug worden enkele losse bomen en een bosschage gekapt. In dit hoofdstuk wordt er een beoordeling gedaan van de huidige staat van de bomen, en welke wet- en regelgeving er van toepassing is op de desbetreffende bomen of houtopstand. Er worden bomen gekapt om ruimte te maken voor de nieuwe wegindeling en de verplaatsing van de brug. Het is nog niet zeker welke bomen er gekapt moeten worden. Dit volgt uit het voorontwerp.

6.2

Methodiek inventarisatie

Tijdens de boominventarisatie is de locatie, diameter op borsthoogte (DBH), soort en conditie bepaald van de bomen binnen de met oranje gearceerde gebieden (afbeelding 6.1). Deze gegevens vormen input voor een eventueel noodzakelijke kapvergunning. Daarnaast is bepaald welke wet- en regelgeving van toepassing is op de betreffende houtopstanden. De inspectie is uitgevoerd op 7 oktober 2020.

Afbeelding 6.1 Locatie bomeninventarisatie

21 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Het onderstaande kader geeft een toelichting over de gebruikte methode ter bepaling van de conditie van de bomen. Methode conditiebepaling De conditie is bepaald doormiddel van een visuele controle van de betreffende bomen. De conditiebepaling is een momentopname van de verschijningsvorm van een boom of kroonbeeld en wordt bepaald door (biologische-) kenmerken zoals: twijggroei en takscheutlengte, bladbezetting, kleur, en grootte, aantastingen, bladvervorming en vroege bladval, vertakkingspatroon, kroonbeeld, dode takken, noodgroei en topsterfte en achterblijven in gehele groei (ten opzichte van soort-normale groei).

Bij de conditiebepaling is onderscheid gemaakt tussen de volgende vier categorieën (zie ook beeld link ter verduidelijking): - goed (4): de boom vertoont een beeld dat van de soort verwacht mag worden onder goede groeiplaatsomstandigheden en op een goede groeiplaats; - redelijk (3): niet-optimale groei, maar de minder optimale omstandigheden hebben nog geen duidelijke negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling van de boom; - matig (2): er is duidelijk sprake van negatieve gevolgen voor de verdere ontwikkeling van de boom, zoals beginnende scheutsterfte of overmatige scheutgroei binnen in de kroon; - slecht (1): duidelijk aftakelende boom, waarbij veelal sprake is van een ijle kroon met zware scheutsterfte resulterend in veel en soms zwaar/dik dood hout; - dood (0): de boom heeft geen knoppen meer en bestaat enkel uit dood hout.

6.3

Inventarisatie

6.3.1

Solitaire bomen

In totaal is van 50 bomen de soort, locatie, conditie en diameter op borsthoogte (DBH) bepaald (afbeelding 6.2). Tabel 6.1 geeft een overzicht van de geïnventariseerde bomen. Alle bomen staan buiten de bebouwde kom en staan niet op de bomenkaart van de gemeente Schagen.

22 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 6.2 Ingemeten boomsoorten binnen het plangebied. De nummers refereren aan de nummers in tabel 6.1. In totaal zijn 50 bomen ingemeten

Tabel 6.1 Overzicht van de geïnventariseerde bomen Boomnummer

soort

Diameter op borsthoogte in cm

Conditie

1

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

2

zomereik

5

1

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

3

zomereik

5

1

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

4

zomereik

5

1

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

5

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

6

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

7

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

8

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

9

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

10

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

23 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Omgevingsvergunning voor kappen vereist?

Boomnummer

soort

Diameter op borsthoogte in cm

Conditie

11

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

12

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

13

zomereik

5

0

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

14

populus spec.

25

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

15

populus spec.

20

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

16

populus spec.

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

17

populus spec.

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

18

populus spec.

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

19

populus spec.

10

2

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

20

populus spec.

10

2

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

21

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

22

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

23

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

24

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

25

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

26

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

27

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

28

populus spec.

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

29

witte abeel

10

2

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

30

witte abeel

10

2

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

31

witte abeel

15

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

32

witte abeel

10

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

33

witte abeel

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

34

witte abeel

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

24 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Omgevingsvergunning voor kappen vereist?

Boomnummer

soort

Diameter op borsthoogte in cm

Conditie

35

Omgevingsvergunning voor kappen vereist?

populus spec.

10

1

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

36

populus spec.

10

1

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

37

populus spec.

15

2

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

38

populus spec.

15

2

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

39

populus spec.

20

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

40

populus spec.

20

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

41

populus spec.

25

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

42

populus spec.

25

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

43

populus spec.

25

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

44

populus spec.

30

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

45

populus spec.

20

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

46

populus spec.

20

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

47

populus spec.

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

48

populus spec.

15

3

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

49

populus spec.

25

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

50

populus spec.

20

4

nee (niet op de bomenkaart van gemeente Schagen)

De foto’s hieronder (afbeelding 6.3) geven een impressie van de betreffende bomen.

25 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 6.3 Impressie losse bomen

Bomen 11 t/m tot en Bomen 13 met 13

Bomen 14 tot en met 28

Bomen 29 tot en met 34

Bomen 34 tot en met 50

26 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

6.3.2

Houtopstand

De houtopstand zoals getoond in afbeelding 6.4 bestaat uit ratelpopulier, zomereik, veldesdoorn, witte abeel, geoorde wilg en berk. Deze houtopstand staat op de bomenkaart van de gemeente Schagen en geniet de status ‘waardevolle houtopstand’ (afbeelding 6.5). Voor het kappen van deze houtopstand is een kapvergunning nodig conform bomenbeleid gemeente Schagen. Tevens is deze houtopstand onder de Wnb beschermd. De houtopstand heeft namelijk een oppervlak van 1.398 m2, waar houtopstanden groter dan 1.000 m2 beschermd zijn. Voor het kappen van deze bomen dient een kapmelding te worden gedaan bij de provincie.

Afbeelding 6.4 Bomenkaart gemeente Schagen met blauw omcirkeld de desbetreffende houtopstand [lit. 4]

27 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 6.5 Losse houtopstand

6.4

Conclusie Bomeninventarisatie

6.4.1

Solitaire bomen

De losse bomen staan allen buiten de bebouwde kom en zijn niet vermeld op de bomenkaart van de bomenverordening van de gemeente Schagen. Voor de kap van deze bomen is zodoende geen kapvergunning van de gemeente nodig. De bomen zijn niet onder de Wnb beschermd omdat deze geen rijbeplanting van tenminste 20 bomen vormt. De zomereiken met nummers 1 tot en met 13 verkeren in een slechte staat. Een mogelijke oorzaak hiervan is een onjuist biotoop voor deze boomsoort (te nat). Voor alle bomen geldt de herplantingsplicht. Waar deze bomen worden herplant wordt uitgewerkt in het Voorlopig Ontwerp.

6.4.2

Houtopstand

De houtopstand staat op de bomenkaart van de gemeente Schagen en geniet de status ‘waardevolle houtopstand’ (afbeelding 6.5). Voor het kappen van deze houtopstand is een kapvergunning nodig. Tevens is de houtopstand door zijn oppervlak van 1.398 m2 beschermd onder de Wnb, waardoor er een kapmelding gedaan moet worden bij de provincie Noord-Holland. Voor alle bomen geldt de herplantingsplicht. Waar deze bomen worden herplant wordt uitgewerkt in het Voorlopig Ontwerp.

28 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

6.4.3

Boom Effect analyse (BEA)

Het ontwerp van de brug en bijbehorende wegen wordt verder uitgewerkt. Indien de werkzaamheden en locaties van de werkzaamheden bekend zijn dient een BEA te worden uitgevoerd om de effecten te bepalen op de bomen en de houtopstand.

29 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

7 EFFECTEN OP BESCHERMDE SOORTEN 7.1

Methode

Op basis van de biotoopeisen van beschermde soorten, het veldbezoek op 7 oktober 2020 en de resultaten van de bureaustudie is bepaald of beschermde soorten leefgebied kunnen vinden in en nabij het plangebied en of daar nader onderzoek naar nodig is. Aan de hand van de geplande werkzaamheden en de verstoringgevoeligheid van soorten is vervolgens bepaald of negatieve effecten kunnen optreden, en of er sprake is van een overtreding van de Wnb. Zie hoofdstuk 2 voor een gedetailleerde omschrijving van de methode.

7.2

Beschrijving per soortgroep

7.2.1

Flora

Bureaustudie Uit de database van de NDFF [lit. 5] blijkt dat de afgelopen 10 jaar binnen drie kilometer van het plangebied geen beschermde plantensoorten zijn waargenomen. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en oude (kalkrijke) muren [lit. 6]. Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten waargenomen. De vegetatie binnen het plangebied bestaat uit ruigtesoorten zoals braam, brandnetel, ridderzuring, klein hoefblad, smalle weegbree, vingerhoedskruid en verschillende soorten grassen. De opgaande vegetatie bestond uit de boomsoorten zomereik, populier (niet gedefinieerd) en witte abeel.

Tevens is er een bosschage aanwezig bestaande uit zomereik, veldesdoorn, ratelpopulier, hondsroos, hulst, geoorde wilg en berk. De omstandigheden duiden op een voedselrijke toestand. Het plangebied en de directe omgeving bieden geen geschikt biotoop voor de beschermde (vaat)planten. De meeste onder de Wnb beschermde flora zijn zeldzaam tot zeer zeldzaam en komen voor in zeer specifieke biotopen. Voorbeelden van biotopen waar onder de Wnb beschermde flora lokaal kunnen voorkomen zijn loof- en naaldbossen, hakhout en struwelen op kalkrijke, humeuze, vrij voedselarme, compacte en lemige bodems. Ook in heiden en borstelgraslanden en in onbemeste riet- en hooilanden, leemrijke akker (vooral onder wintergraan), op rivierduintjes, in kalkgraslanden en lemige blauwgraslanden, in duinvalleien en soms in het winterbed van rivieren komen de soorten voor. Daarnaast zijn er enkele soorten specifiek gebonden aan stenig substraat. Deze soorten zijn te vinden op rotsen, puinhellingen en

30 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

oude (kalkrijke) muren. Op basis van de ligging (direct naast de autosnelweg, grenzend aan agrarisch gebied) en de aard van het plangebied (voedselrijke ruigten) is het daarom uitgesloten dat er binnen het plangebied beschermde plantsoorten voorkomen. Hierdoor zijn negatieve effecten van de geplande werkzaamheden op flora uit te sluiten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig. Effecten en conclusie Gezien het ontbreken van geschikt biotoop kan het voorkomen van onder de Wnb beschermde florasoorten, alsook overige beschermde florasoorten worden uitgesloten. Hierdoor zijn negatieve effecten voor deze soorten niet aan de orde. Vervolgstappen in het kader van de Wnb zijn niet nodig.

7.2.2

Grondgebonden zoogdieren

Bureaustudie Op basis van de NDFF-database [lit. 5] zijn in de afgelopen 10 jaar in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten. Het betreft soorten als egel, haas, konijn, ree, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten. Voor het verstoren van deze ‘Andere soorten’ van de Wnb geldt binnen de provincie NoordHolland een algemene vrijstelling bij ruimtelijk ingrepen. Wat betreft niet-vrijgestelde soorten en/of soorten waarvoor geen jaarronde vrijstelling geldt zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend van de zoogdiersoorten boommarter, hermelijn, bunzing en wezel (afbeelding 7.1). Deze soorten vallen onder het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb.

Afbeelding 7.1 Waarnemingen in de afgelopen 10 jaar van niet (jaarrond) vrijgestelde onder de Wnb beschermde zoogdieren in de nabijheid van het plangebied [lit. 5] 1

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige

andere wijze openbaar gemaakt worden.

31 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

De biotoopeisen van de niet vrijgestelde soorten worden in onderstaand kader beschreven.

Boommarter De boommarter leeft bij voorkeur in bossen. Als behendige klimmer en springer kan hij zijn leefgebied vanaf de grond tot in de boomtoppen benutten. Bij de boommarter wordt al gauw gedacht aan oud (loof)bos. In Nederland klopt da t beeld in ieder geval niet; de boommarter komt hier in allerlei typen en leeftijden bos voor. Boommarters leven bijvoorbeeld ook in de jonge bossen van de Flevopolders en in Moerasbossen in Overijssel en Utrecht [lit. 7].

Hermelijn De hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers tot vochtig terrein, De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is (bron: zoogdierenvereniging.nl). De hermelijn leeft in een hol, meestal een oud mollennest of konijnenhol en verplaats zich meestal langs lijnvormige elementen die dekking bieden zoals heggen, muurtjes, oeverlijnen, etc. Ook maakt hij hierbij geregeld gebruik van holen van andere dieren. Een hol of gang moet een doorsnede hebben van vijf centimeter [lit. 7].

Bunzing De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap m et voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. Dit kunnen oeverbegroeiingen, droge sloten, heggen, houtwallen, bosranden en akkerranden zijn, maar ook meer waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerasgebieden. Daarnaast komt hij ook voor in vrij open terreinen, zoals weidegebieden met sloten [lit. 7].

Wezel Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap, maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland). Meestal in droger gebied dan de hermelijn. Echter overal waar woelmuizen ontbreken, ontbreekt ook de wezel. Ze zoeken graag dekking op, bijvoorbeeld bij bosschages, houtstapels of heggen. Ook bewonen ze vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen die bekleed wordt met veren of haren van prooidieren. Goede schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende geschikt voedsel zijn de enige eisen die de wezel aan zijn omgeving stelt [lit. 7].

Veldbezoek Tijdens het veldbezoek zijn geen waarnemingen gedaan van onder de Wnb, beschermde grondgebonden zoogdiersoorten. Het onderzoeksgebied biedt wel geschikt biotoop aan verschillende algemeen voorkomende soorten van het beschermingsregime ‘Andere soorten’ van de Wnb als egel, konijn, haas, ree, vos en verschillende algemeen voorkomende muissoorten. Boommarter, hermelijn, bunzing, wezel of sporen van deze soorten zijn niet waargenomen tijdens het veldbezoek. Wel zijn in de wijde omgeving van het onderzoeksgebied een aantal ruigterijke zones aanwezig die een geschikt leefgebied bieden aan deze soorten. Zo biedt het Natura 2000- gebied Zwanenwater & Pettemerduinen (circa twee kilometer ten westen van het plangebied) geschikt leefgebied aan boommarter, hermelijn, bunzing en wezel. Binnen het onderzoeksgebied zelf ontbreekt het aan geschikt biotoop voor deze soorten. Zo zijn binnen het onderzoeksgebied onvoldoende schuilmogelijkheden aanwezig voor deze soorten (ontbreken van grote oppervlakken opgaand groen). Tevens zorgt de aanwezigheid van de rotondes en wegen voor een sterke verstoring op deze locatie. Het groen rondom de brug is tevens erg versnipperd en moeilijk bereikbaar door de geïsoleerde ligging als gevolg van de weg en het kanaal.

Het incidenteel voorkomen van een passerend (overstekend) individu binnen de grenzen van het plangebied kan, gezien het voorkomen in de omgeving, echter niet geheel worden uitgesloten. Conclusie Het voorkomen van verschillende algemeen voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten (‘Andere soorten’ Wnb) binnen het plangebied, zoals egel, haas, konijn, ree, vos en verschillende algemeen voorkomende muizensoorten is op basis van aanwezige biotopen en ligging niet uit te sluiten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling voor artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming (doden van dieren of beschadigen/vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen) in het kader van ruimtelijke ingrepen. Een ontheffingsaanvraag voor deze soorten is niet nodig. Wel is te allen tijde de zorgplicht van kracht.

32 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

In de (wijdere) omgeving van het onderzoeksgebied (bosrijke gebieden en kleinschalige akkerlandschap) is ook geschikt leefgebied aanwezig voor de niet- (jaarrond) vrijgestelde ‘Andere soorten’ boommarter, hermelijn, bunzing en wezel. Het onderzoeksgebied zelf heeft geen of een beperkte waarde voor deze soorten. Van essentieel leefgebied van deze dieren is hier geen sprake. Een aantasting van essentiële onderdelen van het leefgebied van deze ‘Andere soorten’ als gevolg van het voornemen, en daarmee een overtreding van de verboden van de Wnb, is dan ook niet aan de orde. Het voornemen kan mogelijk wel leiden tot enige verstoring van in de omgeving aanwezige individuen (of incidenteel passerende/overstekende individuen) van deze soorten. Verstoring van ‘Andere soorten’ is echter geen overtreding volgens de Wnb. Bovendien zijn er in het geval van verstoring voldoende uitwijkmogelijkheden. Vervolgstappen ten aanzien van deze soorten zijn daarom niet nodig. Wel is steeds de zorgplicht van kracht.

7.2.3

Vleermuizen

Bureaustudie Alle soorten vleermuizen zijn in Nederland beschermd onder de Wnb en vallen onder bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR). Volgens de NDFF-database [lit. 5] komen er tenminste vijf soorten vleermuizen voor in de omgeving (< 3 km) van het plangebied. Het betreft waarnemingen van overvliegende en/of foeragerende individuen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis. De waarnemingen zijn verspreid in de omgeving van het plangebied gedaan zowel in stedelijk gebied (Schagerbrug) als in agrarisch gebied (afbeelding 7.2).

Afbeelding 7.2 Waarnemingen in de afgelopen 10 jaar van vleermuizen in de nabijheid van het plangebied [lit. 5]1

1

Deze informatie is afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige

andere wijze openbaar gemaakt worden.

33 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

De biotoopeisen van de soorten staan in onderstaand kader beschreven.

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuizen jagen in de beschutting van opgaande elementen in groene bebouwde omgeving, langs kanalen, vaarten, in tuinen en parken met vijvers, in lanen, tussen boomkruinen, boven open plekken in bos, langs de bosrand (vooral oude voedselrijke loofbossen), straatlantaarns, in en langs lanen, bomenrijen, singels, houtwallen en holle wegen. Waterpartijen en beschutte oevers zijn favoriet als jachtgebied. (Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achte r betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. Overwinterende gewone dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden in spouwmuren, onder dakpannen, achter betimmering en daklijsten. Daarnaast zijn ze ook in spleten in de muur van kerktorens, en in spleten in grotten, groeves, betonnen bruggen en parkeergarages en dergelijke gevonden. Ze kiezen temperatuurgevoelige winterslaapplaatsen. Bij vorst zoeken ze vaak verwarmde huizen op [lit. 8].

Laatvlieger De laatvlieger jaagt boven open tot halfopen landschap, vooral in de beschutting van opgaande elementen zoals bosranden, heggen en lanen. Hij vliegt vaak op 5 - 10 m. hoogte, maar soms ook wel hoger tussen de boomtoppen. Kraamkolonies komen voor zover bekend alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter de betimmering, onder daklijsten en dakpannen of onder het lood rondom de schoorsteen. Soms worden ze ook op zolders aangetroffen. Laatvliegers bewonen een netwerk van verschillende huizen die op een afstand van hooguit enkele honderden meters van elkaar liggen. Ze verhuizen soms wel, maar zijn in principe erg plaats- en gebiedstrouw. In de winter zoeken laatvliegers nauwe en relatief droge plaatsen op zoals spouwmuren, spleten en scheuren in zolders, oude kelders en soms ook kieren dicht bij de ingang van grotten. [lit. 8].

Rosse vleermuis Kraamkolonies zijn hoofdzakelijk bekend uit laaggelegen gebieden in Noord-Duitsland en Nederland. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden [lit. 8].

Ruige dwergvleermuis Ruige dwergvleermuizen jagen in vooral halfopen bosrijk landschap. Uit het buitenland zijn verblijfplaatsen vooral aangetroffen in spleten en gaten in bomen, in nest- en vleermuiskasten, in gebouwen achter betimmeringen, achter daklijsten, onder dakbedekking en op zolders. Twee Nederlandse kolonies bewoonden spouwmuren. Vele solitaire mannetjes of kleine groepen zijn gevonden in spleten en gaten in bomen, achter loshangend schors en in kasten. Als winterverblijf zijn gebouwen (spouwmuur, dakpannen, betimmering), houtstapels, maar ook boomholtes en nest- en vleermuiskasten bekend [lit. 8].

Veldbezoek De combinatie van bebouwing, open akker- en weidelandschap met afwateringsslootjes en houtwallen en een aantal waterpartijen in de wijde omgeving van het onderzoeksgebied maken het plangebied en haar wijde omgeving geschikt als foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten. Het Noord-Hollands Kanaal is een lijnvormig element dat door de verschillende vleermuissoorten gebruikt kan worden als vliegroute en foerageergebied. Tevens ligt langs het kanaal een bomenrij die begint in het plangebied en verder zuidelijk doorloopt tot aan Parallelweg 23. Deze bomenrij kan ook gebruikt worden als vliegroute en foerageergebied (afbeelding 7.3).

34 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 7.3 Mogelijke vliegroutes nabij het plangebied

Tevens is gedurende het veldbezoek de geschiktheid van de brug voor mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen voor vleermuizen onderzocht. Hiervoor is in de brugkelder gezocht naar rustende dieren. Tijdens het bezoek werd vastgesteld dat de brugkelder te gehorig is voor vleermuizen om in te verblijven en dat het ontbreekt aan geschikte plekken waarin vleermuizen kunnen wegkruipen. Tevens zijn er geen gebruikssporen aangetroffen die duiden op het gebruik door vleermuizen. In afbeelding 7.4 is een impressie weergeven van de brugkelder.

35 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 7.4 Impressie van de brugkelder

Tijdens het veldbezoek zijn een aantal scheuren in de aanmeerpalen nabij de brug geconstateerd (afbeelding 7.5). Eerder onderzoek 1 heeft aangetoond dat deze scheuren door ruige dwergvleermuis kunnen worden gebruikt als paarverblijfplaats.

1

Natuuronderzoek GOVa 7C, Zuid-Nederland, Vleermuizen. Adviesbureau E.C.O. logisch B.V. Leimuiden, 1 november 2019

36 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Afbeelding 7.5 Scheuren in aanmeerpalen welke mogelijk als verblijfplaats gebruikt kunnen worden door vleermuizen

Het woonhuis met het adres Provincialeweg 1 heeft een pannendak met enkele scheefliggende of kapotte dakpannen waaronder vleermuizen kunnen verblijven (afbeelding 7.6).

Afbeelding 7.6 Losse dakpannen en een nokpan met een opening waaronder vleermuizen kunnen verblijven

Het voorkomen van verblijfplaatsen voor boombewonende soorten is wel uitgesloten gezien de leeftijd van de bomen binnen het plangebied en daardoor de afwezigheid van geschikte holten, kieren en spleten waarin vleermuizen kunnen verblijven.

37 | 55

Witteveen+Bos | 119096/21-019.929 | Definitief 03

Effecten en conclusie In de wijde omgeving van het onderzoeksgebied zijn verschillende waarnemingen bekend van vleermuizen. Het betreft waarnemingen van gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger. Foerageergebied en vliegroute Het voorkomen van foeragerende vleermuizen in het plangebied kan, gezien de aanwezige biotopen (het kanaal en bomenrijen) in en rond het plangebied, niet worden uitgesloten. In de (wijdere) omgeving van het plangebied zijn echter ruimschoots voldoende (beter geschikte) uitwijkmogelijkheden aanwezig voor foeragerende vleermuizen in de vorm van smallere watergangen met oevervegetatie ten oosten van het plangebied, de waterpartijen ten westen van het plangebied, de bosschages in de omgeving, de tuinen in de omgeving en de graslanden met houtwallen en afwateringsslootjes. Van essentieel foerageergebied voor vleermuizen is binnen het plangebied dan ook geen sprake, aangezien het om een marginaal stuk gaat in een landschap met een breed scala aan foerageergebieden welke van betere kwaliteit zijn. De aanwezigheid van een potentiële vliegroute boven het Noord-Hollands Kanaal en de bomenrij op de westoever aan de zuidkant van het plangebied kan niet worden uitgesloten. Van vernietiging van deze vliegroute is geen sprake omdat deze bomenrij ongemoeid blijft.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14660409/1