Achtergrondrapport Natuur bijlage 1 Passende beoordeling Pallas-Reactor
Tekst van het document
Tabel 4-6: Maximale toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen gedurende de exploitatiefase (in mol N/ha/jaar) volgens de Aerius-berekening (kenmerk ReqNjGFpSBNU, d.d. 18 augustus 2020).
Habitattype
KDW
Zwanenwater & Pettemerduinen
H2110 Embryonale duinen
1429
0,01
H2120 Witte duinen
1429
0,05
ZGH2120 Witte duinen
1429
0,03
H2130A Grijze duinen (kalkrijk)
1071
0,03
ZGH2130A Grijze duinen (kalkrijk)
1071
0,01
H2130B Grijze duinen (kalkarm)
714
0,06
H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)
1071
0,02
H2140B Duinheiden met kraaihei (droog)
1071
0,06
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
32 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Habitattype
KDW
Zwanenwater & Pettemerduinen
H2150 Duinheiden met struikhei
1071
0,05
H2170 Kruipwilgstruwelen
2286
0,06
ZGH2170 Kruipwilgstruwelen
2286
0,05
H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos
1071
0,04
H2180B Duinbossen (vochtig)
2214
0,02
H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen
1000
0,04
H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
1429
0,03
H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
1071
0,06
H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm
714
0,01
H6410 Blauwgraslanden
1071
0,03
4.2.5
Hydrologische veranderingen
Ingreep-effectrelaties De plaatsing van bouwwerken en (tijdelijke) grondkeringen en de verandering van de hoogte van het maaiveld hebben mogelijke effecten op de freatische grondwaterstromingen en grondwaterstanden. Wanneer deze veranderingen doorwerken tot in de Natura 2000-gebieden kunnen de daar aanwezige (grondwaterafhankelijke) habitattypen en leefgebieden nadelig worden beïnvloed door verhoging of verlaging van de grondwaterstand en/of verandering van de kwaliteit van toestromend grondwater. Bij afname van de grondwaterstand kunnen grondwaterafhankelijke vegetaties directe schade oplopen door vochttekort, maar kunnen ook voor de vegetatie belangrijke bodemchemische processen verstoord. Dat laatste treedt mogelijk ook op bij (sterke) vernatting en bij verandering van de grondwaterkwaliteit (bijvoorbeeld stijging van het chloridegehalte bij toestroming van brak grondwater). Als gevolg daarvan kan de kenmerkende soortensamenstelling van vegetaties veranderen, waardoor de kwaliteit van de habitattypen afneemt. In sommige gevallen kunnen condities voor de vegetatie ook verbeteren (bijvoorbeeld bij vernatting of kweltoename in duinvalleien). Veranderingen in de vegetatie kunnen leiden tot veranderingen in leefgebieden van (beschermde) soorten, waardoor leefgebieden minder of (soms) meer geschikt worden, en de populatieomvang verandert.
Bij extreme veranderingen in hydrologische condities kunnen ook directe gevolgen optreden voor beschermde soorten die afhankelijk zijn van natte (of juist droge) omstandigheden (zoals rugstreeppadden, en verschillende soorten waterafhankelijke insecten).
Aard en potentiële reikwijdte van het effect en onderzoeksopgave De hydrologische gevolgen zijn onderzocht en de resultaten hiervan zijn opgenomen in Bijlage D. Uit het hydrologisch onderzoek blijkt dat de hydrologische veranderingen zeer lokaal optreden en niet reiken tot in het omliggende Natura 2000-gebied. Effecten als gevolg van hydrologische veranderingen zijn daarom uitgesloten en worden niet verder onderzocht in deze passende beoordeling.
4.2.6
Thermische veranderingen oppervlaktewater
Ingreep-effectrelaties De lozing van koelwater leidt tot een verandering van de temperatuur van het zeewater in de directe omgeving van koelwateruitlaat. Dit proces vindt continu plaats. Hierdoor ontstaat in zee een zone waarin de temperatuur van het water afwijkt van de temperatuur in de omgeving, een zogenaamde warmtepluim. Bij Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
33 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
gebruik van kanaalwater voor de koeling is deze pluim bovendien zoet. Deze pluim zal tot op een bepaalde afstand in de Noordzee reiken, ook afhankelijk van de dynamische omstandigheden die daar heersen (stroming, turbulentie e.d.). De toename van de temperatuur kan leiden tot directe effecten op vissen en andere organismen. Passerende vissen kunnen thermoshock oplopen als de temperatuurwisseling te snel verloopt. Hierdoor lopen vissen de kans om te sterven. Water met een hogere temperatuur kan ook vissen aantrekken, en daarmee mogelijk ook op deze vissen foeragerende zeezoogdieren en vogels. De toename van temperatuur kan ook effecten hebben op andere abiotische kenmerken. Door een temperatuurverandering van het water kan de zuurstofconcentratie wijzigen en kan de sedimentconcentratie veranderen door een beperkt effect op de valsnelheid van het sediment, wat een direct effect heeft op het doorzicht. Hierdoor kunnen de leefomstandigheden van aanwezige soorten verslechteren of het leefgebied in het meest extreme geval zelfs ongeschikt raken. Het opwarmen van de bodem als gevolg van een veranderende watertemperatuur
Aard en potentiële reikwijdte van het effect Voor de nieuwe reactor wordt een koelwaterleiding gerealiseerd. Water wordt ingenomen op het Noordhollandsch Kanaal en geloosd op de Noordzee. Om te beoordelen of deze koelwaterlozing aan de vergunningscriteria voldoet, is een koelwaterstudie uitgevoerd (Bijlage E). De ‘NBWbeoordelingssystematiek voor koelwaterlozingen’ geeft de volgende twee criteria voor lozingen op de Noordzee (bron: Inspectie Verkeer en Waterstaat, Koelwater; Handreiking en inspectiekader voor Wvo- en Wwh-vergunningverlening, 2005): •
•
De mengzone (zeewatertemperatuur hoger dan 25 °C) mag de bodem niet raken. Dit geldt voor een omgevings-zeewatertemperatuur tot 22 °C, daar boven wordt verondersteld dat de temperatuurgevoelige vissen weg migreren naar koelere plaatsen; en De watertemperatuur mag niet meer toenemen dan met 2 °C, met een absoluut maximum van 25 °C.
Als gevolg van de lozing van koelwater ontstaat een permanente mengzone, waar de temperatuur van het zeewater hoger is dan de achtergrondwaarde. De omvang en ligging van deze mengzone is afhankelijk van het debiet en de temperatuur van het te lozen koelwater en van omgevingsfactoren als stroming en temperatuur van het zeewater. Met name deze laatste factoren kunnen in de tijd sterk variëren. Omdat het om een permanent effect gaat, is risico op fysieke effecten zeer beperkt. De meeste pelagisch levende soorten (trekvissen, zeezoogdieren) mijden de mengzone. Soorten die op en in de zeebodem leven (benthos) kunnen dit echter niet. Verhoging van de temperatuur van de zeebodem kan leiden tot verhoogde sterfte van benthos, en daarmee tot afname van de kwaliteit van het habitattype H1110. Uit de koelwaterstudie die in Bijlage E is opgenomen, blijkt dat het te lozen koelwater van de PALLASreactor voldoet aan de koelwatertemperatuurnormen: • •
•
De mengzone (zeewatertemperatuur hoger dan 25 °C) raakt in geen enkel scenario de bodem. De watertemperatuurtoename blijft onder de norm van 2 °C, daarnaast blijft de temperatuur onder het absoluut maximum van 25 °C. Weliswaar neemt zeer lokaal nabij de uitlaat de watertemperatuur significant toe, maar dit is beperkt tot een relatief klein gebied en bij lage stroomsnelheden rond kentering. Over een groter gebied en langere tijdschalen is de temperatuurstijging minder dan 0,25 °C, ruim minder dan de 2 °C volgens de norm. Het opwarmen van de waterbodem is uitgesloten. De verandering van temperatuur is beperkt en leidt ook niet tot directe effecten.
Gezien deze conclusies zijn effecten op kwalificerende natuurwaarden als gevolg van thermische veranderingen uitgesloten, en worden niet nader onderzocht in deze passende beoordeling.
4.2.7
Chemische veranderingen oppervlaktewater
Ingreep-effectrelaties In het secundaire koelwatersysteem wordt actief chloor (chloorbleekloog) gedoseerd als aangroei werend middel (bestrijding biofouling). Het te lozen koelwater bevat hierdoor resten vrij beschikbaar chloor en schadelijke omzettingsproducten hiervan (vooral chloroform en bromoform). Dit kan in potentie negatieve
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
34 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
gevolgen hebben voor de chemische en/of de ecologische waterkwaliteit. Hiervoor zijn doelstellingen vastgesteld in het kader van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Bromoform en chloroform zijn schadelijke stoffen die minder snel omgezet worden en in hoge concentraties mogelijk een effect hebben op organismen. Deze stoffen komen bij de behandeling in het zeewater terecht en kunnen daar effecten hebben op de waterkwaliteit en daarvan afhankelijke organismen. Hoewel bromoform in ESIS (European chemical Substances Information System) geclassificeerd is als toxisch voor aquatische organismen (R52/53), heeft een onderzoek van KEMA in 2005 geen noemenswaardige gevolgen aangetoond voor het mariene milieu. Bij verschillende elektriciteitscentrales is van 1995 tot 1997 door KEMA onderzoek gedaan naar de bijproducten van chlorering. Tijdens dit onderzoek zijn geen acute toxische gevolgen aangetoond van de gevormde bijproducten waarvan bromoform de belangrijkste is. Ook voor lange termijn gevolgen (bijv. bioaccumulatie) van bromoformlozingen werden geen aanwijzingen gevonden.
Aard en potentiële reikwijdte van het effect en onderzoeksopgave Voor bromoform en chloroform wordt in beide koelingsvarianten voldaan aan de effluenttoets. Dat wil zeggen dat de concentratie van de stof in het te lozen koelwater lager is dan de norm voor de fysisch-chemische waterkwaliteit. Qua hoeveelheid is bromoform het belangrijkste bijproduct van zeewaterchlorering. Bromoform wordt echter in veel grotere hoeveelheden door de natuur (wieren en diatomeeën) in zee zelf gevormd. Engelse studies in de Noordzee laten zien dat daarbij sterke seizoensfluctuaties optreden. Er zijn geen aanwijzingen dat er langs de kust waar gechloreerd koelwater wordt geloosd verhoogde concentraties voorkomen. In het voorjaar en de zomer, wanneer het meest wordt gechloreerd, zijn de bromoformconcentraties in de Noordzee zelfs lager dan in de winter (De Potter et al., 1997). De lage concentraties waarmee bromoform als gevolg van de koelwaterlozing in het zeemilieu aanwezig is in combinatie in combinatie met de beperkte risico’s van de stof voor zeeorganismen leidt tot de conclusie dat effecten op de kwaliteit van het habitattype H1110B, de bijbehorende typische soorten en kwalificerende soorten vissen, vogels en zeezoogdieren verwaarloosbaar klein zullen zijn.
4.3
Samenvatting
Tabel 4-7 geeft een samenvatting van de afbakening. Uit de tabel blijkt welke effecten relevant zijn, wat de reikwijdte van deze effecten is en welke Natura 2000-gebieden binnen die reikwijdte vallen. Tabel 4-7 Samenvatting van effecten en reikwijdte en de relevante Natura 2000-gebieden.
Effect
Reikwijdte
Oppervlakteverlies
De omvang van de koelwateruitlaat
Mechanische effecten
Hangt samen met oppervlakteverlies
Relevante Natura 2000gebieden Noordzeekustzone
Verstoring
• • • • •
Stikstofdepositie
geluid: ligging 47 dB(A)-contour. geluid onder water: maximaal 5 km trillingen: enkele tientallen meters licht: toename van 0,1 lux in Natura 2000-gebied. Deze wordt meegenomen als eis bij uitvoering visuele verstoring op zee: maximaal 1500 m
Reikwijdte volgt uit stikstofberekeningen die zijn opgenomen in Bijlage B.
Hydrologische veranderingen De afstand van veranderingen is beperkt.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
• •
Zwanenwater & Pettemerduinen Noordzeekustzone
Zwanenwater & Pettemerduinen, Duinen Den Helder – Callantsoog en Schoorlse Duinen. Effect reikt niet tot in Natura 2000-gebied 35 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Effect
Reikwijdte
Relevante Natura 2000gebieden
Thermische veranderingen oppervlaktewater
Effect op kwalificerende natuurwaarden is uitgesloten.
-
Chemische veranderingen oppervlaktewater
Effect op kwalificerende natuurwaarden is uitgesloten.
-
Verandering dynamiek
Effect op kwalificerende natuurwaarden is uitgesloten.
-
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
36 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
5
BESCHRIJVING REFERENTIESITUATIE
In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de actuele ecologische situatie in de Natura 2000-gebieden die onder invloed kunnen staan van de realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor. Deze beschrijving richt zich op de habitattypen en soorten waarvoor in deze gebieden instandhoudingsdoelstellingen gelden, én die op grond van de afbakening in hoofdstuk 4 gevoelig kunnen zijn voor de effecten van de PALLASreactor.
5.1
Zwanenwater & Pettemerduinen
Het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Pettemerduinen, die grenzen aan de EHC waar de PALLAS-reactor wordt gerealiseerd, is alleen aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Dit betekent dat instandhoudingsdoelen voor vogels geen directe betrekking hebben op dit deel van het Natura 2000-gebied. De begrenzing van het Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen is aangegeven in Figuur 5-1.
Figuur 5-1 Begrenzing van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Petterduinen. Het groene deel is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gele deel is aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn.
Het noordelijk deel van het Natura 2000-gebied, het Zwanenwater, is een vrijwel ongeschonden landschap van overwegend kalkarme duinen met vochtige en drassige valleien. In het centrum liggen twee uitgestrekte duinmeren. Beide meren worden omringd door een brede strook moerasland. In sommige van de vochtige duinvalleien en plaatselijk op de oevers van de meren treedt laagveenvorming op. Achter de zeereep in het zuidelijke deel, de Pettemerduinen, liggen goed ontwikkelde duinvalleien, zoals de Korfwateren, en droge duinen. Door de grote variatie in milieutypen in het gebied, variërend van droog tot zeer nat en van kalkrijk tot kalkarm, is een grote verscheidenheid van vegetatietypen aanwezig waarin tal van zeldzame plantensoorten voorkomen. De kalkarme droge duinen van met name het Zwanenwater Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
37 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
herbergen een oppervlakte duinheide. Het gebied is ontstaan nadat omstreeks 1600 het zeegat Zijpe werd afgesloten. Door deze afsluiting kon duinvorming optreden, eerst aan de oostzijde van de aanwezige strandwal, later ook aan de westzijde. Tussen beide duinenrijen ontstond een duinvallei. De westelijke duinenrij is tot aan de dag van vandaag onderhevig aan verstuiving. Er is dan ook een ingewikkeld complex ontstaan van secundaire valleien en paraboolduinen, die elkaar op vele manieren overlappen en doorkruisen. Instandhoudingsdoelstellingen Tabel 5-1 geeft een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Dit zijn de kwalificerende natuurwaarden voor het Natura 2000-gebied. Tabel 5-1: Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen (Ministerie van EZ, 2013a). De instandhoudingsdoelstellingen uit het veegbesluit zijn schuin gedrukt (Ministerie van LNV, 2018).
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
Habitattypen *: prioritaire habitattypen H2110
Embryonale duinen
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2120
Witte duinen
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit
H2130A
*Grijze duinen (kalkrijk)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2130B
*Grijze duinen (kalkarm)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
H2140A
*Duinheiden met kraaihei (vochtig)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2140B
*Duinheiden met kraaihei (droog)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2150
*Duinheiden met struikhei
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2160
Duindoornstruwelen
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2170
Kruipwilgstruwelen
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2180A
Duinbossen (droog)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2180B
Duinbossen (vochtig)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2190A
Vochtige duinvalleien (open water)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
H2190B
Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2190C
Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2190D
Vochtige duinvalleien (hogere moerasplanten)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H6230
*Heischrale graslanden
Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit
H6410
Blauwgraslanden
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H7210
*Galigaanmoerassen
Behoud oppervlakte en kwaliteit
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
38 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
Habitatrichtlijnsoorten H1903
Groenknolorchis
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels Tenzij anders aangegeven is de instandhoudingsdoelstelling “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van tenminste…”. A017
Aalscholver
790 broedparen
A021
Roerdomp
2 broedparen (territoria)
A034
Lepelaar
55 broedparen
A277
Tapuit
Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied voor ten minste 20 broedparen
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels Tenzij anders aangegeven is de instandhoudingsdoelstelling “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld… (seizoensmaximum)”. A042
Dwerggans
20 vogels
A056
Slobeend
90 vogels
Aanwezigheid binnen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen beschermde natuurwaarden Habitattypen Voor de beschrijving van de verspreiding van habitattypen is gebruik gemaakt van de habitattypenkaart van het ministerie van LNV, die ook opgenomen is in het rekenmodel voor stikstofdepositie AERIUS, en vormt daarmee de basis voor de bepaling van de effecten van stikstofdepositie op habitattypen. Deze habitattypenkaart is de wettelijke basis voor de beoordeling van de effecten van stikstofdepositie. Omdat deze kaart gebaseerd is op gegevens uit het begin van deze eeuw, wijkt de werkelijke situatie in het veld inmiddels in meer of mindere mate af van dit kaartbeeld. Daarom hebben de gemeente Schagen en PALLAS in 2020 een integrale vegetatiekartering uit laten voeren in de Pettemerduinen. Dit is het deelgebied waarin de meeste effecten van de aanleg en het gebruik van PALLAS kunnen optreden. De resultaten van deze vegetatiekartering zijn nog niet gepubliceerd. Wel is er op basis van de verspreiding van vegetatietypen recent een nieuwe habitattypenkaart gemaakt. Voor het maken van deze habitattypenkaart zijn de in het veld onderscheiden vegetatietypen toegewezen aan habitattypen. Daarbij is per habitattype onderscheid gemaakt tussen ‘goede’ en ‘matige’ kwaliteit.
Habitattypen van goede kwaliteit bestaan uit vegetaties waarin voor dat habitattype kenmerkende soorten voorkomen, en/of waar weinig effecten van verstoring (met name als gevolg van stikstofdepositie) zichtbaar zijn. Vegetatietypen die geen relatie hebben met enig habitattype zijn daarbij aangeduid als ‘geen habitattype’. In Figuur 5-2 is de verspreiding van habitattypen volgens de vigerende kaart in AERIUS weergegeven. De habitattypenkaart van het deelgebied Pettemerduinen die opgesteld is op basis van de vegetatiekartering van 2020 is opgenomen in Figuur 5-3. Hieronder volgt een korte beschrijving van het huidige voorkomen van habitattypen in het gebied. •
H2110 Embryonale Duinen. Dit zijn kenmerkende, soortenarme pionierduintjes van met name biestarwegras. De begroeiingen kunnen variëren in dichtheid en komen vaak voor in mozaïek met kale embryonale duintjes, strand- en vloedmerkvegetaties. Embryonale duinen zijn het eerste stadium in de duinvorming en komen met name voor op het strand aan de voet van de Helmduinen (Type H2120).
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
39 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 5-2 Habitattypenkaart Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Informatie afkomstig van “AERIUS relevante habitatkartering” van het Nationaal Georegister. •
•
•
H2120 Witte Duinen. Hier worden de door helm gedomineerde buitenduinen onder verstaan. Ze staan buiten het bereik van zout grondwater en overstroming met zeewater. Witte duinen vinden we vooral voor in de zeereep, maar kwamen in het begin van deze eeuw voor ook in actieve paraboolduinen in het buitenste kustgebied (500-1000 meter tot maximaal 2000 meter landinwaarts). Bij de kartering van 2020 zijn deze meer landinwaarts voorkomende witte duinen in de Pettemerduinen niet meer onderscheiden. Deze blijken zich verder ontwikkeld te hebben tot grijze duinen (H2130). H2130A Grijze duinen (kalkrijk) en H2130B Grijze duinen (kalkarm). Dit zijn open graslanden van kalkrijke, weinig tot niet ontkalkte bodem (type A) of bodems waar verdere ontkalking heeft plaatsgevonden (type B). Tussen beide typen komen veel overgangen voor in de Pettemerduinen, die het proces van geleidelijke ontkalking weerspiegelen. Karakteristiek voor de kalkrijke varianten zijn met name vegetaties met de mossensoort duinsterretje en de vegetatie met duinroosje. In de kalkarme varianten komen veel korstmossen voor. In beide typen kunnen verder veel soorten grassen en (bloeiende) kruiden worden aangetroffen, maar vaak zijn ze in dit gebied ook relatief arm aan grassen en kruiden.
Op grond van de vegetatiekartering van 2020 behoren de meeste van de aangetroffen vegetaties tot de grijze duinen van goede kwaliteit (beide subtypes). Binnen de kalkarme grijze duinen zijn open vegetaties met zandzegge, mossen en korstmossen ook bij de groep van goed ontwikkelde duingraslanden ingedeeld, voor zover hierin geen verdere vergrassing met andere hoog opgaande grassen is opgetreden. H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig). Bij ontkalking ontstaan in de kalkarme duinen heidevegetaties. Kenmerkend voor de vochtige heiden is het voorkomen van kraaihei, dophei en kruipwilg, samen met vochtige duinvalleisoorten als drienervige zegge, tormentil en duinriet. De vochtige vorm van deze duinheiden komt vooral voor in het Zwanenwater, maar ook in enkele valleien in de Pettemerduinen komt dit type voor in goed ontwikkelde vorm.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
40 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 5-3 Habitattypenkaart op basis van de vegetatiekartering van 2020.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
41 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 5-4 Overzichtsfoto Pettemerduinen ten westen van de EHS. Op de achtergrond licht de zeereep. Het gebied bestaat voor uit droge grijze duinen (H2130A en H2130B, licht grijs gekleurd), met lokaal opslag van hogere grassen, en duinheiden (donkere vlakken).
Figuur 5-5 Overzicht van duinvalleien ten zuiden van de EHC met droge en vochtige duinheiden (H2140, H2150), kalkarme duinvalleien (H2190C) en op de voorgrond en de duinkoppen goed ontwikkelde grijze duinen (H2130).
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
42 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
•
• •
•
•
• • •
H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) en H2150 Duinheiden met struikhei. Kenmerkend voor het eerste type is het voorkomen van kraaihei, struikhei samen met zandzegge en/of gewone eikvaren. Het tweede type gaat om vegetaties in de duinen op ontkalkte bodem, gedomineerd door struikhei. Het ontbreken van kraaihei is daarbij kenmerkend. Naast struikhei komen weinig andere hogere planten voor; de ondergroei wordt vaak door mossen en korstmossen gedomineerd. De kraaiheivegetaties zijn overwegend goed ontwikkeld, zij het dat in sommige vlakken dominantie van kraaihei optreedt, wat op een kwaliteitsafname duidt. Dit treedt vooral op in delen van het gebied die niet begraasd worden (zoals op de stuifdijk). De struikheivegetaties zijn in Nederland nergens volledig ontwikkeld, omdat Nederland aan de uiterste grens van het areaal van deze vegetaties ligt. H2160 Duindoornstruwelen. Dit habitattype komt in kleine oppervlaktes voor. Dit zijn door duindoorn gedomineerde struwelen in de duinen. Duindoorn moet daarbij minimaal een bedekking van 20% hebben. H2170 Kruipwilgstruwelen. Dit habitattype komt in kleine oppervlaktes voor. Dit habitattype wordt gekenmerkt door een door kruipwilg gedomineerde vegetatie op vochtige tot natte standplaatsen in de duinen.
In de successie kan dit type op die van vochtige duinvalleivegetaties (Habitattype H2190) volgen en komt ook vaak in mozaïek hiermee voor. H2180 Duinbossen. Het betreft hier natuurlijke of halfnatuurlijke oude loofbossen in de kustduinen met goed ontwikkelde structuur en soortensamenstelling. Omdat de bossen van dit type sterk uiteenlopende kenmerken hebben, is dit habitattype moeilijk eenduidig te karakteriseren. Zomereik is vaak één van de dominerende boomsoorten, naast ruwe berk. De ondergroei kan zeer soortenrijk zijn. Duinbossen met naaldbomen of niet-inheemse loofbomen worden niet tot dit type gerekend. In de Pettemerduinen komen deze bossen voor aan de binnenduinrand in het zuidelijk deel van het gebied. In veel van de bossen die tot dit type habitattype behoren overheerst eikvaren in de ondergroei. Verruiging met o.a. brandnetel en braam treedt vooral langs de paden op (invloed van honden die hier veel worden uitgelaten en mogelijk ook lichtinval). H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk) en H2190C Vochtige duinvalleien (kalkarm). Dit habitattype betreffen vochtige graslanden en lage moerasvegetaties, voor zover voorkomend in (min of meer natuurlijke) laagten in de duinen. Meestal staan deze laagten ’s winters onder water en vallen zij in het voorjaar droog. Maar het kan voorkomen dat zij in bepaalde winters droog vallen of juist in de zomer onder water blijven staan.
Juist deze dynamiek kan leiden tot flinke verschuivingen in de vegetatiesamenstelling. In het gebied komen lokaal kalkrijke valleivegetaties voor, maar het merendeel van de valleien behoort tot het kalkarme type. H6410 Blauwgraslanden. Dit habitattype komt in kleine oppervlaktes voor. Dit habitattype komt voor op plaatsen met lokale kwel van in kalkrijk duinzand aangerijkt grondwater, aan de randen van valleien en aan de binnenduinrand waar oudere bodems met een diep ontwikkeld humeus profiel voorkomen. H6230vka Heischrale graslanden: Hierbij gaat het om schrale graslanden met deels soorten van heide. Deze graslanden liggen langs de randen van de duinvallei in het Zwanenwater. H7210 Galigaanmoerassen. Zeer plaatselijk komen in duinvalleien in de Pettemerduinen kleine oppervlaktes met galigaan voor.
De foto’s in Figuur 5-4 en Figuur 5-5 geven een beeld van de verschillende habitattypen in de directe omgeving van de EHC in de Pettemerduinen. Habitatrichtlijnsoorten, Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels en niet-broedvogels) Het studiegebied is in 2015 en 2018 onderzocht op het voorkomen van beschermde soorten, waaronder soorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden vanuit Natura 2000 (Braad et al., 2015; Arcadis, 2019). De enige Habitatrichtlijnsoort in het gebied waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden is de Groenknolorchis. Dit is een soort van kalkrijke duinvalleien. De groenknolorchis komt voor in het Zwanenwater (met meer dan 150 exemplaren). In 2015 en 2018 is de soort niet aangetroffen in de Pettemerduinen. Aalscholver, roerdomp en lepelaar zijn broedvogels van duinplassen en rietmoerassen. Deze soorten broeden alleen in en rond de grotere duinmeren in het Zwanenwater. De aalscholver concurreert met de lepelaar om geschikte broedplekken. De kolonie is inmiddels uitgebreid tot meer dan 1.200 paar. De roerdomp is een niet jaarlijkse broedvogel, al zijn de laatste jaren doorgaans wel enkele paartjes in het rietland aanwezig. Er is een negatieve trend voor broedende lepelaars in het gebied, mogelijk vanwege predatie door vossen.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
43 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
De tapuit is een zeldzame zangvogel van droge duinen, die zijn nest in verlaten konijnenholen bouwt. In het beheerplan is aangegeven dat tapuiten broeden in de Pettemerduinen (Provincie Noord-Holland, 2017b). In 2015 is één broedpaar aangetroffen aan de zuidkant van het Natura 2000-gebied (Braad et al, 2015). In 2018 éen broedpaar direct ten westen van de EHC (Figuur 5-6). Ook voor de tapuit is sprake van een dalende trend in de afgelopen decennia. Hier ligt de oorzaak in vergrassing van het duin door stikstofdepositie en gebrek aan dynamiek. Dwerggans en slobeend gebruiken de duinmeren van het Zwanenwater respectievelijk als slaapplaats en foerageergebied.
Figuur 5-6 Ligging territorium tapuit (groene stip), inventarisatie 2018 (figuur is afkomstig uit Arcadis, 2019). De paarse lijn geeft het onderzoeksgebied weer.
5.2
Noordzeekustzone
De Noordzeekustzone is een uitgestrekt gebied dat de kustzone tussen Bergen (Noord-Holland) en de Duitse grens omvat. Het gebied wordt begrensd door de gemiddelde laagwaterlijn aan de landzijde en de doorgaande -20 m NAP dieptelijn aan de zeezijde. In Figuur 5-7 is de begrenzing van het Natura 2000-gebied aangegeven. Het hele kustgebied tussen Petten en Callantsoog maakt deel uit van het Natura 2000-gebied.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
44 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 5-7 Begrenzing Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Kaart afkomstig van https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Gebiedskaart/index.html?gebiednaam=Noordzeekustzone geraadpleegd op 17-092020.
Instandhoudingsdoelstellingen Tabel 5-2 geeft een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Dit zijn de kwalificerende natuurwaarden voor het Natura 2000-gebied. Tabel 5-2 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (Ministerie van LNV, 2008). De instandhoudingsdoelstellingen uit het veegbesluit zijn schuin gedrukt (Ministerie van LNV, 2018).
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
Habitattypen *: prioritaire habitattypen H1110B
Permanent overstroomde zandbanken
H1140B
Slik- en zandplaten
H1310A
Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
H1310B
Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)
H1330A
Schorren en zilte graslanden (buitendijks)
H2110
Embryonale duinen
H2190B
Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
Habitatrichtlijnsoorten Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
45 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Code
Naam
H1095
Zeeprik
H1099
Rivierprik
H1103
Fint
H1351
Bruinvis
H1364
Grijze zeehond
H1365
Gewone zeehond
H1903
Groenknolorchis
Instandhoudingsdoelstelling
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied voor behoud populatie.
Vogelrichtlijnsoorten: broedvogels Tenzij anders aangegeven is de instandhoudingsdoelstelling “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van tenminste…”. A137
Bontbekplevier
20 broedparen
A138
Strandplevier
Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied voor 30 broedparen
A195
Dwergstern
Uitbreiding omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied voor 20 broedparen
Vogelrichtlijnsoorten: niet-broedvogels Tenzij anders aangegeven is de instandhoudingsdoelstelling “Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld… (seizoensmaximum)”. A001
Roodkeelduiker
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A002
Parelduiker
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A017
Aalscholver
1900 vogels
A048
Bergeend
520 vogels
A062
Topper
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
A063
Eider
26.200 vogels (midwinter-aantallen)
A065
Zwarte zee-eend
51.900 vogels (midwinter-aantallen)
A130
Scholekster
3.300 vogels
A132
Kluut
120 vogels
A137
Bontbekplevier
510 vogels
A141
Zilverplevier
3.200 vogels
A143
Kanoetstrandloper
560 vogels
A144
Drieteenstrandloper
2.000 vogels (seizoensgemiddelde)
A149
Bonte strandloper
7.400 vogels
A157
Rosse grutto
1.800 vogels
A160
Wulp
640 vogels
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
46 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
A169
Steenloper
160 vogels (seizoensgemiddelde)
177
Dwergmeeuw
Behoud omvang en kwaliteit leefgebied
Aanwezigheid beschermde habitattypen en soorten Habitattypen De zone voor de Noord-Hollandse kust bestaat volledig uit het habitattype H1110B Permanent overstroomde zandbanken. De overige habitattypen komen in dit gedeelte van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone niet voor. Kenmerkend voor dit habitattype is de grote hydrodynamiek door golfwerking. H1110B kenmerkt zich als een hoogproductief systeem, veroorzaakt door: • De geringe diepte (veel licht, snelle opwarming). • De aanwezigheid van voedingsstoffen (via met zoet water aangevoerde nutriënten en organische stof). Door de dynamische omstandigheden (hogere stroomsnelheden en sterke golfwerking vanuit de Noordzee) is de bodem hier meestal grofzandiger dan bij subtype H1110A. De waterdiepte loopt tot de NAP -20 meter dieptelijn. Een kenmerk van het habitattype is de hoge productiviteit van het systeem. Maat voor de hoge productiviteit is de primaire productie die er plaatsvindt. Dit is de omzetting van anorganisch materiaal naar organisch materiaal met behulp van energie uit zonlicht, in zee vooral door algen. De productie is vooral in het voorjaar en de zomer belangrijk, ongeveer in de periode van april tot en met september. De productie is het hoogst in de maand april. Algen en hun afbraakproducten dienen als voedsel voor dieren hogerop in de voedselketen: dierlijk plankton, bodemdieren, vissen, vogels en zeezoogdieren.
De aanwezigheid van lokaal hoge dichtheden van schelpdieren als halfgeknotte strandschelp (Spisula subtrunculata) en Amerikaanse mesheft (Ensis directus) en schelpkokerwormen is kenmerkend voor habitattype H1110B. De genoemde schelpdieren kunnen ingegraven in de bodem in dermate hoge dichtheden voorkomen, dat van banken gesproken wordt. Ensis kan de bodemeigenschappen veranderen en een rol hebben als structuurvormer en lokaal de biodiversiteit verhogen. Er treden sterke jaar tot jaar fluctuaties op in de dichtheden van deze schelpdieren. De schelpdieren zijn een belangrijke voedselbron voor zeevogels, in de Noordzeekustzone met name voor de zwarte zee-eend (zie ook Kleijberg et al., 2017). Foeragerende zwarte zee-eenden komen soms in zeer grote aantallen voor in het kustgebied bij Petten. Naast schelpdierbanken kunnen schelpkokerwormen (Lanice conchilega) in zulke hoge dichtheden voorkomen dat van ‘velden’ gesproken wordt, waarin een beperkt aantal geassocieerde soorten kan voorkomen. Doorgaans is daardoor de biodiversiteit ter plekke wel wat hoger dan in de omringende omgeving. Aggregaties van schelpkokerwormen kunnen de bodemeigenschappen veranderen en hebben een rol als structuurvormer.
De visgemeenschap bestaat uit soorten die verschillen in voedselkeuze (benthos, plankton, garnalen/vis) en in verschillende fasen van hun leven (juveniel, volwassen, resident) of seizoenen (trekvissen, seizoensgasten) gebruik maken van het habitattype. Via de heersende zeestromen komen vislarven vanuit de Noordzee in de subtypen B (en A) terecht. Het relatief ondiepe zeewater en het rijke voedselaanbod bieden ideale omstandigheden om op te groeien. Het gaat hier om platvissen (zoals bot, schol, tong) en soorten zoals haring, spiering, wijting, geep en ansjovis. Relatief grote aantallen 0e-jaars individuen worden in het voor- of najaar aangetroffen. Als de dieren ouder worden (afhankelijk van de soort is dit na circa 2 jaar), trekken zij naar dieper water. Voor dit habitattype is een aantal indicatorsoorten aangewezen. Deze soorten komen in grote aantallen voor (het zijn dus geen zeldzame soorten) waardoor trends en de verspreiding goed te volgen zijn. Het betreft een aantal bloemdieren, borstelwormen, kreeftachtigen, vissen, een stekelhuidige en een aantal weekdieren. Habitatrichtlijnsoorten Trekvissen en zeezoogdieren hebben een zeer grote actieradius van soms honderden kilometers. Zij verplaatsen zich over grote afstanden in het gebied. De ondiepe zone op enkele honderden meters van het Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
47 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
strand is voor deze soorten doorgaans geen aantrekkelijk leefgebied en heeft geen bijzondere functie. Trekvissen en zeezoogdieren zijn hier niet permanent aanwezig. Incidenteel kunnen individuele dieren worden aangetroffen, die daar dan doorgaans korte tijd verblijven. Vanwege de grote mobiliteit en de beperkte aanwezigheid van deze dieren, kan niet worden voorspeld óf en wanneer ze aanwezig zijn in het plangebied voor de PALLAS reactor, op enkele honderden meters van de laagwaterlijn. Er worden daarom ook geen gegevens verzameld over de exacte verspreiding van deze soorten in de Noordzee. De hieronder gepresenteerde informatie heeft daarom een globaal karakter. Trekvissen De hele Noordzee, waaronder het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone, maakt deel uit van het leefgebied van de trekvissen zeeprik, rivierprik en fint. De kustzone is voor deze soorten een doortrekgebied richting rivieren en andere zoete wateren waar hun paaigebieden liggen. In de directe omgeving van Petten zijn geen toegangen tot het zoetwaterstelsel, waar deze soorten gebruik van kunnen maken. De dichtstbij gelegen toegangen zijn het Noordzeekanaal en de Afsluitdijk bij Den Oever. Het is daarom onwaarschijnlijk dat deze soorten hier meer dan incidenteel aanwezig zijn. De verspreiding van trekvissen in de Noordzee is slechts zeer globaal bekend.
De zeeprik wordt bijvoorbeeld tijdens research-vessel surveys door de Noordzee heen aangetroffen (Figuur 5-8) maar voornamelijk bij de kusten waar ze toegang hebben tot paaiplaatsen in het achterland.
Figuur 5-8: Waarnemingen Zeeprik tijdens research surveys (Heesen et al., 2015). De zwarte blokken geven aan dat de soort in aangetroffen bij surveys van 1977 tot 2013. De fint is moeilijk te onderscheiden van een andere haringachtige, elft. Zelfs tijdens research surveys worden de twee vaak door elkaar gehaald. Uit data van waarnemingen van één van beide soorten blijkt dat Fint en Elft beiden veelvuldig worden gevangen in de Noordzee, zie Figuur 5-11.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
48 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 5-9 Waarnemingenoverzicht fint en elft (Heesen, Daan, & Ellis, 2015).
Zeezoogdieren De hele Noordzee vormt daarnaast leefgebied voor zeezoogdieren, waarvan 2 soorten zeehonden en bruinvis regelmatig in de Noordzeekustzone voorkomen.
Figuur 5-10 Gemodelleerde verspreiding van zeehonden die tochten maken vanaf ligplaatsen in Nederland (Aarts et al., 2016). De waarden staan voor aantal zeehonden per vierkante kilometer. De verspreiding in september is links weergegeven en de verspreiding in februari rechts.
Voor zeehonden is het gebied onderdeel van hun leefgebied, waar ze mogelijk foerageren. De zeehonden rusten en zogen hun jongen op zandplaten die op grote afstand van de Petten liggen. Op de platen zijn de Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
49 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
zeehonden gevoelig voor verstoring, eenmaal in het water is deze gevoeligheid aanmerkelijk geringer omdat ze dan veel mobieler zijn. De gewone zeehond is het meest voorkomende zoogdier in de Nederlandse kustwateren. De meeste gewone zeehonden blijven in het gebied waar ze bekend zijn en ook is er weinig seizoenstrek. Wel treedt uitwisseling op tussen de verschillende gebieden waar de soort voorkomt, met name door jonge dieren. Sommige dieren vertonen zwerfgedrag en kunnen voor een langere periode wegblijven of zich in andere gebieden vestigen. Zo kan er migratie van en uitwisseling met andere regio’s in de Noordzee plaatsvinden, zoals met populaties in Groot-Brittannië, Bretagne of de Duitse Waddenzee. In Nederland komt het overgrote deel, hedendaags rond de 90%, van de gewone zeehonden voor in de Waddenzee (Figuur 5-10). De grijze zeehond verdween in de Middeleeuwen en is pas sinds begin jaren tachtig terug in Nederland in de Waddenzee. De grijze zeehond heeft de gehele Noordzee als leefgebied. De gemodelleerde verspreiding van zeehonden op het NCP is weergegeven in. De kaart geeft de gemodelleerde voorspelling van relatieve zeehondendichtheid op basis van habitatkenmerken. De dichtheden zeggen met name iets over de gebruiksfunctie van het gebied voor de zeehonden.
Langs de bovenzijde van de eilanden, in het blauwe gebied, ligt bijvoorbeeld een belangrijk foerageergebied voor de zeehonden. Uit zenderdata (Brasseur & Geelhoed, 2011) is bekend dat de zeehonden uit de Waddenzee tot honderden kilometers uit de kust op het NCP foerageren.
Figuur 5-11: Gemodelleerde voorspelling van relatieve zeehondendichtheid (grijze en gewone) op basis van habitatkenmerken op het NCP volgens Brasseur & Geelhoed, 2011.
De bruinvis is een kleine walvisachtige die in een groot deel van de gematigde en subarctische delen van het noordelijke halfrond voorkomt. In het Nederlandse deel van de Noordzee worden met regelmaat bruinvissen gezien en vanaf begin jaren negentig van de twintigste eeuw nemen de frequentie van de waarnemingen en de gemelde aantallen toe, vooral ook voor de kust van Noord-Holland. De toename in de Nederlandse wateren is waarschijnlijk door een verplaatsing van de populatie en niet door een globale toename in aantallen veroorzaakt. Tegenwoordig is de bruinvis in winter en vooral vroege voorjaar een veel voorkomende kustbewoner en komt hij jaarrond in het Nederlandse deel van de Noordzee voor. In het gebied worden ook kalveren geboren.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
50 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Een stijging in zomeraantallen en observaties van kalfjes suggereert dat het Nederlands deel van de Noordzee steeds belangrijker wordt als voortplantingsgebied voor bruinvis (Geelhoed & Scheidat, 2018). De Nederlandse bruinvissen zijn onderdeel van de algemene populatie in de zuidelijke Noordzee en er vindt migratie plaats naar Britse en vermoedelijk ook naar Duitse wateren. De migratiebewegingen van bruinvissen tussen de kustwateren en de open zee als ook die op grotere schaal, zijn voor de zuidelijke Noordzee zeer onduidelijk (Profielendocument Bruinvis, 2014). Wageningen Marine Research telt jaarlijks vanuit een vliegtuig het aantal bruinvissen op het NCP. De meest recent gepubliceerde telling is die van 2019. De totaalschattingen van het aantal bruinvissen varieerde tussen 2012 en 2017 van minstens 40.000 tot meer dan 75.000 dieren (Geelhoed & Scheidat, 2018). De dichtheden van bruinvissen gedurende de laatste drie zomertellingen is weergegeven in Figuur 5-12.
2019
Figuur 5-12 Dichtheidsverspreiding van bruinvissen (dieren/km2) per 1/9 ICES blok, metingen van zomer 2015, 2017 en 2019. Blokken met te weinig observaties zijn niet opgenomen. Data van 2015 en 2017 afkomstig uit Figure 3 uit Geelhoed & Scheidat, 2018. Data van 2019 afkomstig uit Geelhoed et al., 2020.
De actuele kennis over verspreiding en dieet geven, vanwege de wijde verspreiding, onvoldoende aanleiding om in het Nederlandse deel van de zuidelijke Noordzee specifieke voortplantingsgebieden, geboortegronden of foerageergebieden te identificeren. Er is ook weinig bekend over de redenen achter de grote variatie in leefgebied. Mogelijk speelt voedselaanbod hierbij een rol. Vogels De broedvogelsoorten strandplevier, bontbekplevier en dwergstern zijn gebonden aan kale bodems op stranden en zandplaten. Op de stranden van Noord-Holland komen deze soorten als gevolg van recreatiedruk niet meer tot broeden. Ze komen dan ook niet voor in het plangebied voor PALLAS. Tabel 5-3 Aanwezigheid niet-broedvogels in het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone.
Nr
Soort
Verspreiding
A001
Roodkeelduiker
De wateren langs de kust vormen voor deze soorten leefgebied. De kust voor de zuidelijke helft van Noord-Holland en voor de Waddeneilanden is van groter belang (Arcadis, 2013). Aanwezigheid is echter niet uit te sluiten.
A002
Parelduiker
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
51 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Nr
Soort
Verspreiding
A017
Aalscholver
Binnen het Natura 2000-gebied concentreert de soort zich op de Razende Bol en de stranden van verschillende Waddeneilanden. Aanwezigheid van een foeragerende vogels langs de kust is niet uitgesloten.
A048
Bergeend
Soort komt voor langs de kust en op het strand. Dit deel van het Natura 2000gebied is niet het gebied waar de soort in aanzienlijke aantallen wordt gevonden.
Topper
Deze soort concentreert zich nabij rijke, ondiepe schelpdierbanken op overstroomde zandbanken. Voor de kust van Petten komen deze banken regelmatig voor. Topper gebruiken deze gebieden echter alleen wanneer omstandigheden in het IJsselmeer en Waddenzee ze daartoe dwingen (ijsvorming).
Eider
Deze soort concentreert zich nabij rijke, ondiepe schelpdierbanken op overstroomde zandbanken, met name in de Waddenzee De soort komt niet specifiek voor de kust voor, maar foerageert hier soms, wanneer grote concentraties schelpdieren aanwezig zijn en de condities in de Waddenzee minder gunstig zijn. Aanzienlijke aantallen zijn waargenomen voor de kust ter hoogte van Bergen (Arcadis, 2013). Het belang als foerageergebied voor de kust bij Petten is beperkt. Zie verder ook de tekst na de tabel over de functie als foerageergebied.
A065
Zwarte zee-eend
Deze soort concentreert zich nabij rijke, ondiepe schelpdierbanken op overstroomde zandbanken. De soort is geregeld in grote aantallen voor de kust waargenomen, hoewel het grootste deel van de populatie zich concentreert boven de oostelijke Waddeneilanden (Kleijberg et al, 2017).
A177
Dwergmeeuw
Over de verspreiding van de dwergmeeuw is niet veel bekend, maar de soort foerageert op open water. Aanwezigheid in de zone langs de kust is niet uit te sluiten.
A130
Scholekster
A132
Kluut
A137
Bontbekplevier
A141
Zilverplevier
A062
A063
A143 A144 A149
Hoogwatervluchtplaatsen van steltlopers 5 zijn in de omgeving van het plangebied niet aanwezig. De dichtstbijzijnde liggen op een afstand van 18 km (Razende Bol). Mogelijk dat langs het strand foeragerende exemplaren voorkomen bij afgaand Kanoetstrandloper water maar de functie van de stranden als foerageergebied is beperkt, met uitzonder van de drieteenstrandloper die met name langs de branding op stranden Drieteenstrandloper foerageert. Een aantal soorten, waaronder scholekster en steenloper foerageren ook op strekdammen, maar deze zijn ter hoogte van het plangebied niet meer Bonte strandloper aanwezig na het aanbrengen van zand in het kader van de kustbescherming
A157
Rosse grutto
A160
Wulp
A169
Steenloper
Functie als foerageergebied voor vogels De aanwezigheid van mesheften (Ensis) en halfgeknotte strandschelpen (Spisula) is relevant, omdat in ondiepe wateren (tot 20 m diepte) de totale biomassa van eetbare schelpdieren vooral afhangt van deze soorten, waarmee ze een belangrijke voedselbron vormt voor foeragerende zwarte zee-eenden en soms ook andere soorten als eider en topper.
5 Steltlopers foerageren bij afgaand water op slikken. Hoogwater wordt in hogere delen van het gebied (dijken, schorren, zandplaten) op
voor sommige soorten specifieke locaties (qua afstand) afgewacht. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
52 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
De totale biomassa aan schelpdieren varieert sterk van jaar tot jaar. In de afgelopen jaren (2017 en 2018) is er een opvallende stijging van de biomassa van Ensis en Spisula opgetreden, door een gunstige broedval in 2017. In de kustzone voor Petten komen regelmatig relatief hoge biomassa’s van deze schelpdieren voor. In het gebied verblijven daardoor regelmatig grote aantallen zwarte zee-eenden, zeker in de afgelopen jaren (Kleijberg et al., 2017). Over het algemeen verblijven deze op wat grotere afstand van de kust (< 1 km). Eiders en toppers zijn eveneens vogels die op schelpdieren foerageren. Deze soorten foerageren echter bij voorkeur in de Waddenzee (eider) en IJsselmeer (topper), en vallen alleen onder extreme weersomstandigheden (langdurige vorst) terug op de Noordzeekustzone. De overige soorten die genoemd zijn in Tabel 5-3 komen verspreid voor in de Noordzeekustzone. Roodkeelduiker en parelduiker zijn schuwe vogels en gevoelig voor verstoring. Het zijn in belangrijke mate kustgebonden vogels, die hun voedsel, vis, duikend bemachtigen, waarbij ze een diepte van 25 meter kunnen bereiken. Zij hebben dan een voldoende grote visstand in de kustzone nodig in relatief helder kustwater. Het voorkomen van de roodkeelduiker en de parelduiker is nagenoeg beperkt tot de kustzone. De soorten komen alleen in de wintermaanden voor in het gebied.
De dwergmeeuw komt voor in een brede strook evenwijdig aan de kust, met name in de trektijd (oktober/november en april). Vermoedelijk wordt vooral op vislarven en bijeengedreven insecten gefoerageerd.
5.3
Duinen Den Helder – Callantsoog
Duinen Den Helder – Callantsoog is een duingebied ter hoogte van Den Helder, Julianadorp en Callantsoog. Het gebied is aan de westzijde begrensd aan de duinvoet van het buitenduin. In Figuur 5-13 is de begrenzing van het Natura 2000-gebied weergegeven. Instandhoudingsdoelstellingen Tabel 5-4 geeft een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder - Callantsoog. Dit zijn de kwalificerende natuurwaarden voor het Natura 2000-gebied. Tabel 5-4 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone (Ministerie van EZ, 2013b). De instandhoudingsdoelstellingen uit het veegbesluit zijn schuin gedrukt (Ministerie van LNV, 2018).
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
Habitattypen *: prioritaire habitattypen H2110
Embryonale duinen
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2120
Witte duinen
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.
H2130A
*Grijze duinen (kalkrijk)
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2130B
*Grijze duinen (kalkarm)
H2130C
*Grijze duinen (heischraal)
H2140A
*Duinheiden met kraaihei (vochtig)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2140B
*Duinheiden met kraaihei (droog)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2150
*Duinheiden met struikhei
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2160
Duindoornstruwelen
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2170 H2180A
Kruipwilgstruwelen
Duinbossen (droog)
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
Behoud oppervlakte en kwaliteit
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Behoud oppervlakte en kwaliteit
53 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
H2180B
Duinbossen (vochtig)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H2190A
Vochtige duinvalleien (open water)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
H2190B
Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
H2190C
Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
H2190D
Vochtige duinvalleien (hoge moerasplanten)
H6230
*Heischrale graslanden
Behoud oppervlakte en kwaliteit
H6410
Blauwgraslanden
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.
H7210
*Galigaanmoerassen
Behoud oppervlakte en kwaliteit
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
Figuur 5-13 Begrenzing van het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder – Callantsoog.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
54 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden In Figuur 5-8 is de ligging van habitattypen in het Natura 2000-gebied Duinen Den Helder – Callantsoog weergegeven.
Figuur 5-14 Habitattypenkaart Natura 2000-gebied Duinen Den Helder - Callantsoog. Informatie afkomstig van “AERIUS relevante habitatkartering” van het Nationaal Georegister.
5.4
Schoorlse Duinen
Het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen is het duingebied gelegen tussen de bebouwing van Aagtdorp, Schoorl, Groet en Camperduin. De zuidgrens wordt gevormd door de noordgrens van het Natura 2000gebied Noordhollands Duinreservaat. De westgrens ligt ten zuiden van paal 27,5 op de hoogwaterlijn en ten noorden van deze paal op de duinvoet. In Figuur 5-15 is de begrenzing van het Natura 2000-gebied aangegeven. Instandhoudingsdoelstellingen Tabel 5-5 geeft een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. Dit zijn de kwalificerende natuurwaarden voor het Natura 2000-gebied.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
55 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Figuur 5-15 Begrenzing Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. Kaart afkomstig van https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Gebiedskaart/index.html?gebiednaam=Schoorlse%20Duinen, geraadpleegd op 1709-2020. Tabel 5-5 Instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen (Ministerie van LNV, 2009).
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
Habitattypen *: prioritaire habitattypen H2110
Embryonale duinen
Uitbreiding oppervlakte en behoud kwaliteit.
H2120
Witte duinen
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
H2130A
*Grijze duinen (kalkrijk)
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2130B
*Grijze duinen (kalkarm)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
H2140A
*Duinheiden met kraaihei (vochtig)
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Enige achteruitgang in oppervlakte ten gunste van habitattype vochtige duinvalleien (H2190) is toegestaan.
H2140B
*Duinheiden met kraaihei (droog)
Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.
H2150
*Duinheiden met struikhei
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2160
Duindoornstruwelen
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
56 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Code
Naam
Instandhoudingsdoelstelling
H2170
Kruipwilgstruwelen
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2180A
Duinbossen (droog)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.
H2180B
Duinbossen (vochtig)
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2180C
Duinbossen (binnenduinrand)
Behoud oppervlakte en kwaliteit.
H2190A
Vochtig duinvalleien (open water)
Behoud oppervlakte en kwaliteit vochtige duinvalleien
H2190C
Vochtig duinvalleien (ontkalkt)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
H3260A
Beken en rivieren met waterplanten (waterranonkels)
Uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit
Aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden Figuur 5-16 is de ligging van habitattypen in het Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen weergegeven.
Figuur 5-16 Habitattypenkaart Natura 2000-gebied Schoorlse Duinen. Informatie afkomstig van “AERIUS relevante habitatkartering” van het Nationaal Georegister. Metadata unieke identifier 4e214ddf-4384-42a3-89d9-4074541b640d, metadata datum 2017-08-31.
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
57 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
6
EFFECTBESCHRIJVING STIKSTOFDEPOSITIE
6.1
Inleiding
In dit hoofdstuk is voor een aantal habitattypen een beoordeling gemaakt van de effecten van de toename van stikstofdepositie op de in Natura 2000-gebieden aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Het gaat hier om habitattypen waar sprake is van: 1. een toename van de stikstofdepositie in de realisatie- en/of exploitatiefase van de PALLAS-reactor en: 2. een overbelaste situatie op minimaal één hexagoon binnen het betreffende Natura 2000-gebied (de achtergronddepositie is hoger dan de kritische depositiewaarde van het habitattype, zie Bijlage C).
6.2
Jaarlijkse variatie in stikstofdepositie in de aanlegfase
De aanleg van de PALLAS-reactor duurt ongeveer 6 jaar (2021-2027). De inzet van materieel is in die periode niet altijd gelijk. In de jaren 2021 en 2027 is de inzet het laagst, in de het jaar 2024 het hoogst. De maximale depositietoename die jaarlijks in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen plaatsvindt varieert daardoor tussen 0,73 en 2,42 mol N/ha/jaar. De gemiddelde depositietoename bedraagt 1,83 mol N/ha/jaar. Dit is de situatie in het hexagoon met de hoogste depositietoename. In andere hexagonen zijn de depositietoenames lager, naarmate deze verder van de emissiebronnen afliggen. De verschillen in depositie tussen de bouwjaren zijn relatief kleiner naarmate de hexagonen verder van de emissiebron afliggen. Depositie van stikstof heeft geen onmiddellijk effect op de vegetatie. Als gevolg van depositie treedt accumulatie van stikstof in het standplaatsmilieu op. De stikstof komt geleidelijk ter beschikking aan de vegetatie. Dit zijn processen die meerdere (tot tientallen) jaren kunnen duren. In ecologisch opzicht zijn de jaarlijkse geringe variaties in depositietoename daarom niet relevant. De duur en de totale dosis stikstof die gedurende langere perioden in een natuurgebied terecht komen zijn maatgevend voor de ecologische effecten.
Depositietoenames van 0,72 mol N/ha/jaar in 2021 en van 2,42 mol N/ha/jaar in 2024 leiden daarom niet tot interpreteerbare verschillen in ecologische effecten. Veel relevanter voor de bouwfase is de totale depositie van stikstof die gedurende de bouwperiode (maximaal) in het gebied terecht komt. Dit is namelijk de stikstof die op langere termijn waarop de ecologische processen verlopen invloed kan uitoefenen op de vegetatie. Deze hoeveelheid bedraagt maximaal ca. 11 mol N/ha (6 jaar bouwen maal 1,83 mol N/ha/jaar). Dit wordt ook benadrukt door de hoogte van de achtergronddepositie in het gebied, en de jaarlijkse variatie die daarin plaatsvindt, én door de onzekerheidsmarge die verbonden is aan het vaststellen van de kritische depositiewaarden voor habitattypen. In de periode 2011-2018 varieerde de gemiddelde achtergronddepositie ter hoogte van de locatie voor de PALLAS-reactor tussen 873 en 1098 mol/ha/jaar. De maximale jaarlijkse variatie bedroeg in deze periode dus 225 mol N/ha/jaar. Deze ‘natuurlijke’ variatie is ca. 150 keer zo hoog als de jaarlijkse variatie van de depositietoename als gevolg van de bouw van de PALLAS-reactor. Deze variatie valt dus volledig weg tegen de jaarlijkse variatie in stikstofdepositie die sowieso al in het gebied plaatsvindt, en kan ook om deze reden niet vertaald worden naar jaarlijkse verschillen in ecologisch effect.
De KDW’s voor habitattypen zijn vastgesteld met een nauwkeurigheid van 71 mol N/ha/jaar. Dit is de wetenschappelijke betrouwbaarheidsgrens waarmee bij individuele beoordelingen van stikstofdepositie verschillen in ecologische effecten kunnen worden vastgesteld. Ook om deze reden kan geen ecologische vertaling gemaakt worden van het effect van geringe jaarlijkse fluctuaties in stikstofdepositie gedurende de bouwperiode van PALLAS. Wanneer de depositietoename van het maximale jaar van de aanlegperiode van PALLAS als maatgevend voor het effect van de bouw van PALLAS zou worden beschouwd, leidt dit tot een onterechte overschatting van het effect (namelijk 14,5 mol N/ha gedurende de hele bouwperiode in plaats van de 11 mol N/ha die daadwerkelijk optreedt).
Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020
58 van 136
PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR
Om de hierboven aangevoerde redenen is daarom in deze passende beoordeling uitgegaan van de gemiddelde depositietoename gedurende de hele bouwperiode van de PALLAS-reactor.
6.3
Ecologische effecten van kleine toenames van stikstofdepositie
Stikstof is een onlosmakelijk onderdeel van het ecologisch systeem, maar een overmaat aan stikstof leidt tot problemen doordat gewenste soorten verdwijnen ten gunste van meer algemene soorten. In Bijlage C is een uitwerking gemaakt van de rol van stikstof in ecosystemen. Het is in deze context belangrijk om de hoeveelheid stikstof door realisatie en exploitatie van de PALLASreactor in perspectief te plaatsen. Uit de berekeningen met Aerius Calculator (zie bijlage B van de passende beoordeling waar dit rapport bij hoort) blijkt dat de toename van de stikstofdepositie door de PALLAS-reactor in de Natura 2000-gebieden Duinen Den Helder – Callantsoog, Schoorlse Duinen, Noordhollands Duinreservaat, Waddenzee en Duinen en Lage land van Texel in de realisatiefase maximaal 0,04 mol/ha/jaar bedraagt. Dit is een tijdelijk effect gedurende de 6 jaar dat de aanleg van de PALLAS-reactor in beslag neemt. Mede gezien de achtergrondwaarden van de stikstofdepositie in deze gebieden (ruwweg 700 – 2000 mol/ha/jaar) en de KDW’s van de voorkomende habitattypen (ruwweg 700-2400 mol/ha/jaar) zijn dit zeer lage waarden. In deze paragraaf hebben we deze tijdelijke en zeer lage toenames van de stikstofdepositie (tot 0,04 mol/ha/jaar) in ecologisch perspectief geplaatst.
De te beantwoorden vraag daarbij is of uitgesloten kan worden dat een dergelijke kleine toename, op zichzelf leidt tot een significante verslechtering van de kwaliteit van habitattypen, en daarmee tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. De volgende zaken zijn daarbij relevant. • De toename van stikstofdepositie door realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor leidt niet tot directe fysiologische schade aan planten en dieren. In paragraaf 1.2.1 van Smits et al. (2014) is beschreven dat “bij hoge concentraties luchtverontreiniging kunnen gasvormige componenten directe toxische effecten hebben op planten. Maar de huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat dit bijna niet meer voorkomt [...]. Met name cryptogame planten, in het bijzonder korstmossen en mossen, zijn zeer gevoelig voor directe toxiciteit van SO 2 en wellicht ook NOx. De daling van de concentraties van deze stoffen gedurende de laatste decennia heeft geleid tot een aanzienlijk herstel van de diversiteit van met name op bomen groeiende korstmossen”. Hieruit volgt de conclusie dat kleine deposities, en in dit geval ook tijdelijke, nooit leiden tot meetbare, directe schade aan planten en dieren. • Niet alle stikstof die als gevolg van het project in een natuurgebied terecht komt, staat daadwerkelijk ter beschikking aan de vegetatie.