CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

Achtergrondrapport Natuur bijlage 1 Passende beoordeling Pallas-Reactor

Gemeenteraad 2 november 2021, gemeente SchagenBij agendapunt: Vaststelling gecoördineerde bestemmingsplannen 'Pallas-Plot' en 'Partiële Herziening PALLAS-reactor, 2021'30.612 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

ACHTERGRONDRAPPORT NATUUR

BIJLAGE 1 PASSENDE BEOORDELING In deze bijlage is het rapport met titel “Passende beoordeling PALLAS-reactor” met D10016570:35, d.d.18 december 2020 bijgevoegd.

Onze referentie: D10016035:100 - Datum: 16 april 2021 - AS3-Public

24 van 31

PASSENDE BEOORDELING PALLASPASSENDE BEOORDELING PALLASREACTOR REACTOR Toetsing aan de Wet Natuurbescherming Toetsing aan de Wet Natuurbescherming

Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor 18 DECEMBER 2020

18 DECEMBER 2020

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Contactpersoon REINOUD KLEIJBERG

Arcadis Nederland B.V. Postbus 1018 5200 BA 'sHertogenbosch Nederland

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

2 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

INHOUDSOPGAVE 1

2

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Methodiek

6

1.3

Leeswijzer

6

PROJECTBESCHRIJVING

7

2.1

Inleiding

7

2.2

Wat is de PALLAS-reactor?

7

2.3

Inrichting

8

2.3.1

Huidige situatie

8

2.3.2

Toekomstige inrichting

8

2.4

Projectfasen

10

2.5

Realisatiefase

11

2.5.1

Inrichting tijdens realisatiefase

11

2.5.2

Activiteiten realisatiefase

12

2.6

Exploitatiefase

14

2.7

Overige uitgangspunten

15

3

JURIDISCHE KADER: WET NATUURBESCHERMING

16

4

AFBAKENING ONDERZOEK

19

4.1

Inleiding

19

4.2

Aard en reikwijdte van mogelijke effecten

20

4.2.1

Oppervlakteverlies

20

4.2.2

Mechanische effecten

21

4.2.3

Verstoring

21

4.2.3.1

Ingreep-effectrelaties

21

4.2.3.2

Aard en potentiële reikwijdte van het effect

22

4.2.3.3

Onderzoeksopgave

29

4.2.4

Stikstofdepositie

30

4.2.4.1

Ingreep-effectrelaties

30

4.2.4.2

Aard en potentiële reikwijdte van het effect

30

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

3 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

5

6

7

8

4.2.5

Hydrologische veranderingen

33

4.2.6

Thermische veranderingen oppervlaktewater

33

4.2.7

Chemische veranderingen oppervlaktewater

34

4.3

Samenvatting

35

BESCHRIJVING REFERENTIESITUATIE

37

5.1

Zwanenwater & Pettemerduinen

37

5.2

Noordzeekustzone

44

5.3

Duinen Den Helder – Callantsoog

53

5.4

Schoorlse Duinen

55

EFFECTBESCHRIJVING STIKSTOFDEPOSITIE

58

6.1

Inleiding

58

6.2

Ecologische effecten van kleine toenames van stikstofdepositie

59

6.3

Ecologische effectbeoordeling stikstof Zwanenwater & Pettemerduinen

61

6.3.1

Toename in overbelaste situatie

61

6.3.2

H2120 Witte duinen

61

6.3.3

H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

64

6.3.4

H2130B Grijze duinen (kalkarm)

68

6.3.5

H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)

74

6.3.6

H2140B Duinheiden met kraaihei (droog)

78

6.3.7

H2150 Duinheiden met struikhei

83

6.3.8

H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos

87

6.3.9

H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

91

6.3.10

H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

95

6.3.11

H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm

99

6.3.12

H6410 Blauwgraslanden

102

6.3.13

Tapuit

106

6.4

Conclusies ecologische beoordeling stikstof

106

EFFECTBESCHRIJVING OVERIGE EFFECTEN

107

7.1

Inleiding

107

7.2

Zwanenwater & Pettemerduinen

107

7.2.1

Effecten in de realisatiefase: verstoring

107

7.3

Noordzeekustzone

110

7.3.1

Effecten in de realisatiefase: oppervlakteverlies

110

7.3.2

Effecten in de realisatiefase: verstoring

111

TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

113 4 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

9

8.1

Zwanenwater & Pettemerduinen

113

8.1.1

Aantasting natuurlijke kenmerken

113

8.1.2

Mitigerende maatregelen

113

8.2

Noordzeekustzone

114

8.2.1

Aantasting natuurlijke kenmerken

114

8.2.2

Mitigerende maatregelen

115

8.3

Overige Natura 2000-gebieden

116

8.4

Cumulatietoets

116

CONCLUSIES

10 GERAADPLEEGDE BRONNEN

121 123

BIJLAGEN BIJLAGE A BEREKENING GELUIDSBELASTING

126

BIJLAGE B BEREKENING STIKSTOFDEPOSITIE

127

BIJLAGE C ALGEMENE INFORMATIE STIKSTOFDEPOSITIE

128

BIJLAGE D BEPALING GEOHYDROLOGISCHE EFFECTEN

131

BIJLAGE E THERMISCHE EFFECTEN KOELWATER

132

BIJLAGE F BEREKENING VERLICHTING

133

BIJLAGE G KAART MET ROUTE VAN VELDBEZOEK

134

COLOFON

136

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

5 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

De Stichting Voorbereiding PALLAS-reactor, verder PALLAS genoemd, heeft het voornemen om een multifunctionele nucleaire reactor te realiseren, die geschikt is voor het produceren van medische isotopen, industriële isotopen en het uitvoeren van nucleair technologisch onderzoek. Deze reactor, verder de PALLAS-reactor genoemd, dient ter vervanging van de huidige Hoge Flux Reactor (HFR) in Petten, die in 2020 59 jaar operationeel is en tegen het einde van zijn economische levensduur loopt. Nabij de nieuwe PALLAS-reactor liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Vanwege de mogelijke negatieve gevolgen die de realisatie van de nieuwe PALLAS-reactor kan hebben op deze gebieden is voor de realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor een vergunning vereist volgens de Wet natuurbescherming. Voor deze vergunning is een passende beoordeling nodig, op grond waarvan het bevoegd gezag (het college van gedeputeerde staten van de Provincie Noord-Holland) kan vaststellen dat de realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

1.2

Methodiek

Deze passende beoordeling is opgesteld in de volgende stappen: 1. Projectbeschrijving: beschrijving van de voorgenomen activiteit: de realisatie en de exploitatie van de PALLAS-reactor. Uitgewerkt is wat de PALLAS-reactor is, hoe het projectgebied ingericht wordt, op welke wijze de reactor en bijbehorende faciliteiten wordt aangelegd, en op welke wijze de PALLAS-reactor wordt geëxploiteerd. 2. Afbakening van effecten: selectie van typen effecten van het project die op voorhand op basis niet kunnen worden uitgesloten en bepaling van de maximale ruimtelijke reikwijdte van deze effecten. De uitkomsten van deze stap bepalen de onderzoeksopgave voor de passende beoordeling en de omvang van het studiegebied voor de verschillende typen effecten. 3. Verspreiding en kwaliteit van de in de Natura 2000-gebieden beschermde natuurwaarden (habitattypen en soorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen en waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden). 4. Effectbeschrijving: beschrijving van de effecten van realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor op beschermde natuurwaarden binnen de relevante Natura 2000-gebieden. 5. Effectbeoordeling: toetsing aan de bepalingen in de Wet natuurbescherming en bepalen van noodzakelijke maatregelen om te kunnen voldoen aan deze bepalingen. Beoordeling van de vergunbaarheid in het kader van de Wet natuurbescherming, aspect gebiedsbescherming.

1.3

Leeswijzer

De inhoud van deze passende beoordeling is als volgt: • Hoofdstuk 2: Projectbeschrijving (stap 1). • Hoofdstuk 3: Kort juridisch kader van de passende beoordeling. • Hoofdstuk 4: Afbakening van effecten (stap 2). • Hoofdstuk 5: Aanwezigheid van kwalificerende natuurwaarden van de Natura 2000-gebieden (stap 3). • Hoofdstuk 6: Beschrijving van de effecten van stikstofdepositie (stap 4). Vanwege de grotere reikwijdte van dit effect en de bijzondere belangstelling die momenteel naar de effecten van stikstofdepositie uitgaat, is deze effectbeschrijving omvangrijk, en daarom in een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen. • Hoofdstuk 7: Beschrijving van overige effecten (stap 4). • Hoofdstuk 8: Toetsing aan Wet natuurbescherming (stap 5). • Hoofdstuk 9: Conclusies • • • • • • •

Bijlage A: Berekeningen van de geluidsbelasting. Bijlage B: Uitgangspunten en berekeningen van de stikstofdepositie. Bijlage C: Algemene informatie over stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Bijlage D: Bepaling van de geohydrologische effecten. Bijlage E: Beschrijving van de thermische effecten van koelwaterlozing. Bijlage F: Berekening van de verlichtingscontour van 0,1 lux voor de exploitatiefase. Bijlage G: Kaarten met routes van veldbezoeken.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

6 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

2

PROJECTBESCHRIJVING

2.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is een beschrijving gegeven van de activiteiten rond realisatie en exploitatie van de PALLASreactor en bijbehorende faciliteiten. Deze activiteiten vormen het uitgangspunt voor de effectbeschrijving en toetsing in dit rapport.

2.2

Wat is de PALLAS-reactor?

Aard en doel van de reactor De PALLAS-reactor wordt een pool-type onderzoeksreactor. Bij dit ontwerp is de reactorkern, bestaande uit splijtstofelementen en regelstaven, gelegen in een tank die is aangesloten op een koelsysteem, maar die ook een open verbinding heeft met een waterbassin, zie Figuur 2-1.

Figuur 2-1 Schematische weergave pool-type reactor

De PALLAS-reactor wordt voornamelijk gebruikt voor medische isotopenproductie. Daarnaast zullen in de reactor in beperkte schaal industriële isotopen worden gemaakt, bijvoorbeeld isotopen om naden in pijpleidingen te controleren. Ook speelt de reactor een rol in onderzoek op het gebied van kernenergie. Onderdelen De PALLAS-reactor en faciliteiten zijn onder te verdelen in: • Het nucleaire eiland met: − Reactorgebouw (afmetingen: maximaal 63 meter bij 43,5 meter, 24 meter boven het maaiveld bij oplevering en 17 meter onder maaiveld) met logistiek gebouw (lager en komt als een L om het reactorgebouw te liggen). − Gebouw voor ondersteunende diensten (Supportgebouw). • Pompstation voor secundaire koeling (“SCS building”) met watertoren (surgetower) en behorende infrastructuur. • Kantoorgebouw. • Stikstofgebouw geïntegreerd met onderstation elektriciteit. • Parkeerplaats. • Onderdelen van de secundaire koeling buiten de Energy Health Campus (EHC)1: innameconstructies aan en filterhuis nabij het Noordhollandsch Kanaal, leidingen en uitlaatpunt in de Noordzee.

1 Voorheen OLP, zie voor meer informatie https://nhn.nl/project/olp-petten/.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

7 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

2.3

Inrichting

2.3.1

Huidige situatie

De locatie voor de PALLAS-reactor ligt binnen de EHC (Energy and Health Campus, voormalige Onderzoekslocatie Petten, OLP). Figuur 2-2 laat de huidige situatie op de EHC zien. De EHC bestaat uit een bedrijventerrein in duingebied. Bestratingen en gebouwen worden afgewisseld met duinvegetaties.

Figuur 2-2 Luchtfoto van de huidige situatie. Bron: https://maps.noord-holland.nl/WebViewer/index.html?viewer=nbp. Het projectgebied is aangegeven met een oranje lijn.

2.3.2

Toekomstige inrichting

Inrichting binnen EHC In Figuur 2-3 is de inrichting van het PALLAS-terrein op de EHC weergegeven.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

8 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Reactorgebouw Parkeerplaats

Kantoorgebouw

Support gebouw

Logistiek gebouw

Figuur 2-3 Impressie van de inrichting van het terrein op de EHC (bron: Ichos).

Inrichting buiten EHC De volgende afbeeldingen laten de ligging en de inrichting zien van de onderdelen die buiten de EHC zijn gelegen. Figuur 2-4 laat het tracé van de koelwaterleidingen zien.

Figuur 2-4Koelwaterleidingentracé. De rode onderbroken lijn geeft het te boren deel aan, de paarse onderbroken lijn het deel dat met open ontgraving wordt aangelegd. Aan het meest oostelijke uiteindelijke komt het filterhuis met innameconstructies en aan de meest westelijke uiteinde het uitlaatpunt 650 meter uit de Rijksstrandpalenlijn (RSP).2

Figuur 2-5 laat schematisch zien wat de relatie is tussen het filterhuis aan het Noordhollandsch Kanaal en het pomphuis op de EHC.

2 De RSP wordt door Rijkswaterstaat gehanteerd om de bodemligging tegen af te zetten.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

9 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 2-5 Schematische weergave zijaanzicht van het pomphuis op de EHC en van het filtergebouw met inlaatconstructie bij het Noordhollandsch kanaal.

Figuur 2-6 laat schematisch de uitlaat in de Noordzee zien.

Figuur 2-6 Schematische weergave van de uitlaat in de Noordzee. Het uitlaatpunt ligt op -7 meter NAP, 2 meter boven de zeebodem.

2.4

Projectfasen

Het realiseren en bedrijven van de PALLAS-reactor is op te delen in een aantal projectfasen: de realisatiefase, de overgangsfase en de exploitatiefase. Realisatiefase In deze fase worden de PALLAS-reactor, bijbehorende systemen en de bijbehorende infrastructurele aanpassingen gerealiseerd. De realisatiefase duurt in totaal ongeveer zes jaar en worden op hoofdlijnen worden de volgende activiteiten uitgevoerd: 1. Inrichting Lay Down Area (LDA, dit is het tijdelijke bouwterrein voor opslag van benodigd materieel en materiaal) met tijdelijke toegangsweg. 2. Constructie secundaire koeling. 3. Bouwkuip, fundering en constructie reactorgebouw. 4. Constructie gebouwen, installatie en infrastructuur. 5. Afronding LDA en inrichting terrein. 6. Testen.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

10 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Overgangsfase Zodra de PALLAS-reactor gereed is voor exploitatie, is het waarschijnlijk dat de HFR haar activiteiten afbouwt. Het moment van uitfasering van de HFR is nog niet bekend, dus er zal sprake zijn van een situatie waarin beide reactoren in bedrijf zijn. Exploitatiefase In deze fase is de PALLAS-reactor in bedrijf genomen.

2.5

Realisatiefase

2.5.1

Inrichting tijdens realisatiefase

Tijdens de realisatiefase is sprake van een inrichting van het werkterrein, de zogenoemde Lay Down Area, (hierna LDA) met opslag van zand en grond en aanleg van halfverharding, afvoer van regenwater, parkeerplaatsen en tijdelijke voorzieningen. Verdere activiteiten bestaan uit het graven van bouwputten en de aanleg van de tijdelijke toegangsweg. In de volgende afbeeldingen is aangegeven welke veranderingen zijn voorzien in en rond het projectgebied. Figuur 2-7 geeft de ligging van het werkgebied op en rond de EHC.

Figuur 2-7: Ligging LDA (oranje).en tijdelijke toegangsweg (grijs).

Figuur 2-8 Verplaatsing van zand in het projectgebied (grondstromenplan). Rood geeft aan waar zand wordt afgegraven, groen waar zand wordt aangebracht. De onderbroken, paarse lijn geeft aan waar grondverzet mogelijk is. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

11 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

De werkzaamheden gaan gepaard met vergravingen. Het plaatsen van damwanden voorkomt dat buiten het werkgebied grote delen van de aanwezige Zijperzeedijk en duinen moeten worden afgegraven. In Figuur 2-8 is met een onderbroken paarse lijn aangegeven waar grondverzet mogelijk is. Figuur 2-9 laat de situatie nabij het Noordhollandsch Kanaal zien. De werkzaamheden zijn voorzien binnen de paarse, onderbroken lijn: tussen de uittredepunten van de koelleidingen en het Noordhollandsch Kanaal en de berm 1200 meter langs de Parallelweg naar het zuiden.

Uitlegtracé (en daarmee werkgebied) loopt nog 1100 meter door

↓

Figuur 2-9 Schematische weergave van de situatie bij de aanleg van de koelleiding nabij het Noordhollandsch Kanaal. Vanaf de uittredepunten tot aan de N9 worden de leidingen met een open ontgraving neergelegd. Onder de N9 wordt weer doorgeboord. Het uitlegtracé is langs een afstand van ongeveer 1200 meter naar het zuiden langs de Parallelweg gelegen. Uitgangspunt is dat werkzaamheden binnen de onderbroken, paarse lijn plaatsvinden.

2.5.2

Activiteiten realisatiefase

Figuur 2-10 geeft een overzicht van de activiteiten van de realisatiefase. Voor de realisatie zijn de volgende uitgangspunten relevant: • Voor de aanleg van de tijdelijke toegangsweg is het nodig om een deel van de Zijperzeedijk af te graven. Om het hoogteverschil te overbruggen worden langs de weg damwanden aangebracht. Dit beperkt de afgraving van het aangrenzende duin. • De tijdelijke toegangsweg neemt voor de werkzaamheden de functie over van de huidige toegangsweg naar de EHC, die meer naar het zuidwesten is gelegen. De tijdelijke toegangsweg zelf heeft geen aantrekkende werking op verkeer in exploitatiefase. • De leidingen voor het secundaire koelingssysteem worden voor een deel door een open ontgraving uitgevoerd en een deel door een boring (zie Figuur 2-4). De boorinstallatie staat op de EHC. De leidingen wordt vervolgens bij het filterhuis of Noordzee uitgelegd en daarna het boorgat ingetrokken richting de EHC. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

12 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

• •

In de constructie van de bouwput voor de reactor worden groutankers aangebracht. Alle verdiepte gebouwen worden zonder bemaling van het grondwater aangelegd.

Figuur 2-10 De verschillende bouwactiviteiten van de realisatiefase.

• • •

Alle funderingspalen op de EHC worden geboord en niet geheid. Op de site komt geen betonfabriek, alle beton wordt aangevoerd. Door de grondwaterstroming op de locatie is het nodig om ten westen van het gerealiseerde reactorgebouw twee drains te plaatsen op een diepte van circa 0,0 m NAP, en ten oosten een infiltratiedrain. Dit is nodig om het huidige grondwaterniveau te handhaven.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

13 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

•

• •

• •

Met uitzondering van het reactorgebouw worden de overige gebouwen op gangbare wijze gebouwd met materialen als staal, beton, hout, glas en steen. Toepassing van geprefabriceerde elementen is een optie. Nutsvoorzieningen worden op gangbare wijze uitgevoerd door ingraven van benodigde buisleidingen en kabels. Wegen, verhardingen en parkeerplaatsen worden eveneens op gangbare wijze aangelegd d.m.v. asfalt of steenverhardingen. Daarnaast worden hekwerken, verlichting, bewakingscamera´s en signalering aangebracht. Het verkeer tijdens de realisatiefase bestaat uit vrachtverkeer ten behoeve van de aan- en afvoer van bouwmateriaal en het personenverkeer ten behoeve van de werknemers. Voor de werkzaamheden worden verschillende vrachtwagens ingezet. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende categorieën: • Zware motorvoertuigen: grote vrachtwagens/dumpers. • Middelzwaar voertuigen: middelgrote vrachtwagens. • Lichte motorvoertuigen: autobusjes. Materieel kan zich vrij verplaatsen binnen het projectgebied. Buiten het projectgebied wordt gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur en een tijdelijke toegangsweg vanaf de N502 (Westerduinweg). Er wordt zeven dagen per week overdag gewerkt, met een maximale duur van 12 uur (inclusief opstarten en afsluiten motoren en installaties). Werkzaamheden kunnen jaarrond plaatsvinden.

2.6

Exploitatiefase

In deze paragraaf zijn voor natuur de relevante activiteiten van de PALLAS-reactor omschreven. Zowel in de overgangs- als de exploitatiefase zijn de activiteiten van de PALLAS-reactor gelijk, het verschil tussen overgang en exploitatie is dat in de overgangsfase de HFR ook nog actief is. Reactor en bijbehorende faciliteiten Ten aanzien van de reactor en bijbehorende faciliteiten zijn de volgende zaken relevant tijdens de exploitatie: • De te realiseren gebouwen worden niet aangesloten op het aardgasnet (art 23.3 onder i van het bestemmingsplan “PALLAS-reactor”). Dit beperkt de emissie en daarmee de stikstofdepositie naar de omgeving toe. • Dagelijks vinden verkeersbewegingen plaats van het personeel en wordt materiaal aan- en afgevoerd met vrachtwagens. Binnen het projectgebied komen ongeveer 250 parkeerplaatsen. Secundaire koeling Ten aanzien van de secundaire koeling zijn de volgende zaken relevant tijdens de exploitatie: • Onttrekking en lozing zijn maximaal 3.00 m3/uur. • Het ontwerp maakt een visretoursysteem overbodig: voor de inlaat komt een grof inlaatscherm. • Aan het koelwater wordt in het filterhuis gedoseerd vrij chloor toegevoegd om biologische aangroei in het koelsysteem te voorkomen. Dit wordt gedaan door electrolyse van zout. • Het water komt van het filterhuis naar de EHC door vrij verval.

• Het water komt van de EHC via de reactor naar de Noordzee door actief verpompen. • Bij lozing is het water maximaal 40 °C en incidenteel 45°C.

2.7

Beperking stikstofuitstoot

In de voorbereiding van de vergunningaanvraag voor de Wet Natuurbescherming, waarvoor deze passende beoordeling de basis vormt, is de Programmatische Aanpak Stikstof door de Raad van State vernietigd. PALLAS kan daardoor geen gebruik meer maken van ontwikkelingsruimte die het PAS aanvankelijk bood. Gezien de ontwikkelingen rond de stikstofproblematiek in Nederland is het van belang om de emissie van stikstof zoveel mogelijk te beperken, en daarmee risico’s op nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden te voorkomen. PALLAS heeft daarom overwogen om elektrisch materieel voor te schrijven in de opdrachtvorming aan het bouwconsortium, maar van veel specialistisch materieel dat moet worden ingezet is nog geen elektrische variant beschikbaar. Een bijkomende factor is dat de capaciteit van het elektriciteitsnetwerk van de Energy & Health Campus op dit moment vol is. PALLAS is reeds in overleg met de netbeheerder voor extra capaciteit; dit zal echter niet op de korte termijn zijn opgelost.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

14 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Elektriciteit voor zwaar materiaal zou dan alleen kunnen worden opgeladen door middel van aggregaten. Deze ‘oplossing’ is afgevallen omdat hier rendementsverlies optreed. Bovendien treedt daardoor alsnog stikstofemissie op, en waarschijnlijk ook aanzienlijk meer dan bij inzet van op diesel aangedreven materieel. PALLAS heeft in de contractvorming met de hoofdaannemer opgenomen dat gebruik moet worden gemaakt van Euro VI motoren voor vrachtwagens en stage IV-materieel voor mobiele werktuigen. Wat in dit kader vermeld moet worden dat het PALLAS kantoorgebouw de BREEAM kwalificatie excellent zal hebben. BREEAM is een internationaal erkend keurmerk voor duurzaam bouwen en ontwikkelen. Het keurmerk toetst gebouwen op negen thema’s, zodat er een sterk integraal en duurzaam geheel ontstaat. De gebouwen van PALLAS zijn ontworpen volgens de BREEAM richtlijn; de standaard voor duurzaam bouwen in Nederland. Het kantoorgebouw wordt gecertificeerd met het BREEAM Excellent certificaat, waarmee wordt getoond dat duurzame ontwikkeling een centrale rol speelt. Het supportgebouw, de reactor en het logistieke gebouwen zijn BREEAM-inspired, wat betekent dat dezelfde duurzaamheidsmaatregelen worden toegepast zolang het primaire proces dit toelaat en de maatregelen functioneel zijn.

Tevens zal restwarmte van de koelinstallaties van de reactor gebruikt wordt voor de verwarming van de overige gebouwen. Daarnaast zullen op zowel het kantoorgebouw als op het supportgebouw zonnepanelen worden geplaatst. Ook zijn alle gebouwen van PALLAS gasloos, waaronder de reactor zelf, gasloos. In de exploitatiefase treedt daarom geen emissie meer op vanuit gebouwen en installaties.

2.8

Overige uitgangspunten

De volgende algemene uitgangpunten worden gehanteerd bij het project: • De sloop van bebouwing maakt geen onderdeel uit van dit project. De sloop van gebouwen heeft al plaatsgevonden of is afgerond als met de aanleg van het bouwterrein wordt begonnen. • Tijdens de werkzaamheden vindt geen bronbemaling plaats. Alleen lek- en regenwater uit bouwputten wordt weggepompt. • Tijdens de realisatiefase wordt verlichting gericht op de bouwplaats, op een dusdanige manier dat uitstraling naar omgeving zoveel mogelijk beperkt blijft. Dit kan worden gedaan door het aanbrengen van kappen en verlichting op palen niet te hoog te plaatsen. Het is de bedoeling om alleen de bouwplaats en niet de omgeving te verlichten. • Binnen de aangegeven projectbegrenzingen is het mogelijk dat de huidige situatie verdwijnt en niet meer wordt hersteld, tenzij dit expliciet is aangegeven in de beschrijving. • Voor de realisatie van de PALLAS-reactor is het consortium ICHOS gekozen dat bestaat uit het Argentijnse Invap en het Nederlandse TBI. ICHOS bouwt zowel het Nuclear Island als de OPSgebouwen. Zij is verantwoordelijk voor het ontwerp en de uitvoering. PALLAS treedt op als opdrachtgever met controlerende taken tijdens de het ontwerp en de realisatie op het gebied van voortgang, kosten, veiligheid, security en kwaliteitszorg.

Na afronding van de realisatie wordt de PALLAS-reactor geëxploiteerd door (een) nader te bepalen private partij(en). • De werkzaamheden zijn vertaald naar uitgangspunten voor de stikstofberekeningen. Deze zijn opgenomen in Bijlage B.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

15 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

3

JURIDISCHE KADER: WET NATUURBESCHERMING

Gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming Deze passende beoordeling vloeit voort uit de Wet natuurbescherming. In hoofdstuk 2 van de wet is de bescherming van gebieden geregeld. De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) maakt het mogelijk gebieden aan te wijzen als beschermde natuurgebieden. De Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst gebieden aan ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze gebieden zijn de Natura 2000gebieden. In de aanwijzingsbesluiten voor deze Natura 2000-gebieden zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende gebieden beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Gedeputeerde staten zijn verplicht zorg te dragen voor het treffen van instandhoudingsmaatregelen ten aanzien van de in de provincie gelegen Natura 2000-gebieden en moeten ook -als daar aanleiding voor bestaat- passende maatregelen nemen om verslechtering van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Voor de Natura 2000-gebieden in de Rijkswateren, waaronder de Noordzeekustzone, is Rijkswaterstaat verantwoordelijk.

Voor ieder Natura 2000-gebied wordt een beheerplan opgesteld, dat elke 6 jaar wordt geactualiseerd. In dit plan zijn de instandhoudingsdoelen nader uitgewerkt, zijn maatregelen beschreven die nodig zijn om deze doelen te realiseren en zijn kaders voor vergunningverlening voor menselijke activiteiten binnen de Natura 2000-gebieden aangegeven. De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000 ten aanzien van plannen en projecten die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die van kracht zijn. De Wnb maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen en anderzijds projecten. Het bestemmingsplan dat de realisatie van de PALLAS-reactor mogelijk maakt is in 2020 onherroepelijk geworden, en in overeenstemming met de bepalingen in de Wnb vastgesteld door de raad van de gemeente Schagen. Omdat realisatie en exploitatie van de PALLAS-reactor tevens een project is, wordt hieronder verder ingegaan op de wettelijke bepalingen in de Wnb ten aanzien van projecten. Beoordeling van projecten Voor projecten geeft de Wnb een vergunningplicht.

Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.Een vergunning wordt slechts verleend nadat uit een passende beoordeling is gebleken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. Wanneer de zekerheid dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast niet is verkregen in de passende beoordeling, kan een vergunning alleen mag worden verleend wanneer aan de ADC-criteria wordt voldaan. Dit laatste betekent dat voor het project geen Alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, het project Dwingende redenen van groot openbaar belang dient en Compensatie van de schade aan de natuurlijke kenmerken van het gebied plaatsvindt. Ligging Natura 2000-gebieden In de omgeving van de PALLAS-reactor zijn verschillende Natura 2000-gebieden aangewezen. Het meest nabijgelegen is het Natura 2000-gebied “Zwanenwater & Pettemerduinen”. Op wat grotere afstand van het projectgebied liggen verder nog de Natura 2000-gebieden “Noordzeekustzone”, “Duinen Den Helder & Callantsoog”, “Abtskolk & De Putten” en “Schoorlse Duinen”, zie Figuur 3-1.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

16 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Duinen Den Helder - Callantsoog

Noordzeekustzone Zwanenwater & Pettemerduinen

Abtskolk & De Putten

Schoorlse Duinen Figuur 3-1: Ligging van Natura 2000-gebieden (groen) nabij het projectgebied (blauwe cirkel). Kaart afkomstig van https://geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart/index.html?provincie=Noord_Holland.

Uit deze passende beoordeling (analyse vindt plaats in de volgende hoofdstukken) blijkt dat de effecten van stikstofdepositie kunnen optreden in de Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen, Duinen Den Helder-Callantsoog en Schoorlse Duinen. Andere mogelijke effecten zijn beperkt tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden Zwanenwater & Pettemerduinen en Noordzeekustzone. Voor Abtskolk & De Putten zijn effecten uitgesloten. Een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen die in deze gebieden gelden is gegeven in hoofdstuk 5. Zwanenwater & Pettemerduinen is aangewezen als Natura 2000-gebied onder de Habitatrichtlijn (gehele gebied) en de Vogelrichtlijn (alleen het noordelijke deel, Zwanenwater). In het gebied gelden instandhoudingsdoelen voor habitattypen van duinen, één habitatrichtlijnsoort en een aantal broedvogel- en niet-broedvogelsoorten . De Natura 2000-gebieden Duinen Den Helder – Callantsoog zijn aangewezen onder Habitatrichtlijn. De Instandhoudingsdoelen hebben hier betrekking op habitattypen van duinen. De Noordzeekustzone is aangewezen onder zowel de Habitatrichtlijn als de Vogelrichtlijn. Het gebied strekt zich uit langs de gehele kust tussen Bergen-aan-Zee en de Duitse grens. Er gelden instandhoudingsdoelen Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

17 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

voor habitattypen van kustwateren, getijdegebieden en duinen, voor een aantal habitatrichtlijnsoorten en broedvogels en een groot aantal niet-broedvogelsoorten.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

18 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

4

AFBAKENING ONDERZOEK

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is beoordeeld welk type effecten op beschermde soorten in het projectgebied kunnen optreden door de voorgenomen activiteiten en welke typen effecten op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, en daarom niet passend beoordeeld hoeven te worden. Hierbij is uitgegaan van de verschillende veranderingen in het natuurlijk milieu die kunnen worden veroorzaakt door de voorgenomen activiteiten. Deze milieuveranderingen hebben invloed op de kenmerken van de leefgebieden van planten en dieren, en kunnen daarmee ecologische de fysiologische toestand van planten en dieren, het gedrag van dieren en ecologische relaties en processen verstoren. In veel gevallen is binnen ecosystemen sprake van een complex stelsel van relaties, waarbij meerdere milieuveranderingen tegelijkertijd invloed uitoefenen op habitats en soorten. Bovendien hebben die veranderingen in habitats en soorten zelf ook weer invloed op de toestand van het milieu, zie voor een schematische weergave hiervan Figuur 4-1.

Figuur 4-1: Schematisch overzicht van effectketen.

Naar aanleiding van bovenstaande is uitgegaan van de volgende mogelijke effecten: • Oppervlakteverlies van habitats en leefgebieden door ruimtebeslag. • Mechanische veranderingen zijn te zien als een soort “tijdelijk ruimtebeslag” bijvoorbeeld als gevolg van vergravingen en het passeren van zware werktuigen. • Verstoring door geluid, licht en beweging van materieel en mensen. • Vermesting en verzuring door stikstofdepositie. • Hydrologische veranderingen op groeiplaatsen en in leefgebieden. • Inzuiging van vis bij inname van koelwater vanuit het Noordhollandsch Kanaal. Dit effect vindt echter niet plaats binnen Natura 2000-gebied en wordt daarom verder niet behandeld. • Thermische veranderingen oppervlaktewater bij lozing van koelwater. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

19 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

•

Chemische veranderingen oppervlaktewater bij lozing van koelwater.

Tabel 4-1 geeft een overzicht van de verschillende activiteiten in de realisatiefase en de exploitatiefase en de effecten die deze activiteiten mogelijk veroorzaken.

Verstoring

Stikstofdepositie

Hydrologische veranderingen

X

X

X

X

X

Constructie van gebouwen

X

X

X

X

X

Aanleg van het secundaire koelwatersysteem

X

X

X

X

X

Aanleg van nutsvoorzieningen en civieltechnisch werk

X

X

X

X

Chemische veranderingen oppervlaktewater

Mechanische effecten

Aanleg tijdelijke werkterrein en ontsluitingsweg

Activiteiten

Thermische veranderingen oppervlaktewater

Oppervlakteverlies

Tabel 4-1 Overzicht van de fases, activiteiten en mogelijke effecten.

X

X

Realisatiefase

Exploitatiefase Operaties binnen de PALLAS-reactor; Activiteiten binnen het gebouwen (kantoren, pomp- en elektriciteitsgebouw, bewaking, faciliteiten e.d.) Secundaire koeling, inclusief het tegengaan van biofouling door spoelen met chloorhoudende stoffen

X

Aan- en afvoer van materiaal en producten en personeel

X

X

Wanneer een effect op een beschermde soort niet is uit te sluiten, is in dit hoofdstuk aangegeven wat de verwachte ruimtelijke reikwijdte is van de mogelijke effecten. Het resultaat van deze afbakening bepaalt de onderzoeksopgave: 1) de milieufactoren die onderzocht worden omdat ze mogelijk leiden tot effecten op beschermde soorten en 2) de aanwezigheid van soorten binnen de reikwijdte van effecten. De maximaal mogelijke reikwijdte is bepalend voor de omvang van het studiegebied voor de effectbeschrijvingen in hoofdstuk 6 en 7.

4.2

Aard en reikwijdte van mogelijke effecten

4.2.1

Oppervlakteverlies

Ingreep-effectrelaties Oppervlakteverlies door tijdelijk of ruimtegebruik bij de realisatie en aanwezigheid van de PALLAS-reactor met bijbehorende voorzieningen kan leiden tot verkleining en/of versnippering van habitats en/of leefgebieden van dieren. Verkleining van de omvang van habitattypen leidt ook tot verkleining van leefgebieden voor specifieke soorten. Hierdoor worden populaties kwetsbaar voor gevolgen van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Het is belangrijk dat functionele eenheden intact blijven: voor habitattypen zijn ondergrenzen voor een duurzame oppervlakte bekend (Broekmeyer, 2005). Ter plekke

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

20 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

van de locaties waar oppervlakteverlies plaatsvindt wordt (indien aanwezig) het betreffende habitattype of leef- en/of verspreidingsgebied van een soort als verloren beschouwd.

Aard en potentiële reikwijdte van het effect Oppervlakteverlies vindt plaats op die delen waar ingrepen binnen het plangebied overlappen met habitattypen en leefgebieden van binnen Natura 2000 beschermde soorten. De reikwijdte van het effect is direct gerelateerd aan het gebied waar fysieke ingrepen plaatsvinden in de realisatiefase. De realisatie van de PALLAS-reactor met bijbehorende voorzieningen vindt, met uitzondering van het lozingspunt voor koelwater, uitsluitend plaats buiten Natura 2000-gebied. Koelwaterleidingen tussen de reactor en het lozingspunten worden vanaf de PALLAS-locatie onder het Natura 2000-gebied door geboord zonder dat dit leidt tot ruimtebeslag aan de oppervlakte. Effecten van oppervlakteverlies op het Natura 2000gebied Zwanenwater & Pettemerduinen zijn daarom op voorhand uitgesloten.

Onderzoeksopgave De uitlaat van de koelwatervoorziening ligt in het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Bij de aanleg van deze voorziening wordt een deel van de zeebodem versterkt met stenen. Dit kan leiden tot permanent oppervlakteverlies in het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Dit effect wordt nader onderzocht in deze passende beoordeling.

4.2.2

Mechanische effecten

Ingreep-effectrelaties Mechanische effecten op land treden op wanneer fysieke veranderingen aangebracht worden in bodems, vegetaties en leefgebieden. De aanleidingen voor deze effecten kunnen zeer divers zijn, en bijvoorbeeld optreden door vergraving, het rijden met (zwaar) materieel en betreding.

Aard en potentiële reikwijdte van het effect Mechanische effecten vindt plaats op die delen waar ingrepen binnen het plangebied overlappen met habitattypen en leefgebieden van kwalificerende soorten. De reikwijdte van het effect is direct gerelateerd aan het gebied waar fysieke ingrepen plaatsvinden in de realisatiefase. De realisatie van de PALLAS-reactor en bijbehorende faciliteiten, met uitzondering van de koelwateruitlaat, vindt geheel plaats buiten het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Binnen dit Natura 2000-gebied treden daarom geen mechanische effecten op. De koelwaterleidingen worden geboord vanaf de EHC, op locaties buiten Natura 2000-gebied en deze boorlocaties leiden daarom niet tot mechanische effecten binnen Natura 2000gebieden.

Onderzoeksopgave De uitlaat van de koelwatervoorziening ligt in het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. Bij de aanleg van deze voorziening wordt een deel van de zeebodem versterkt met stenen, waardoor na het eventueel optreden van mechanische effecten permanent oppervlakteverlies kan optreden op dezelfde locatie. Mechanische effecten zijn dan niet meer maatgevend voor het eindresultaat. Effecten van mechanische effecten worden daarom niet verder onderzocht in deze passende beoordeling.

4.2.3

Verstoring

4.2.3.1

Ingreep-effectrelaties

Diersoorten kunnen in hun natuurlijk gedrag gestoord worden door aanwezigheid van door mensen veroorzaakte verstoringsbronnen. Geluid, trillingen, licht en visuele verstoring kunnen dan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen. Bij langdurige verstoring van natuurlijk gedrag treedt vermindering van de fitheid van dieren op (te weinig voedselopname, verhoogd energieverlies, verlaten van geschikt leefgebied) wat kan leiden tot sterfte en verminderde reproductie. Uiteindelijk kan dit nadelige gevolgen hebben voor de populatie van een soort. Er kan ook gewenning optreden, wanneer dieren leren dat van de verstoringsbron geen gevaar uit gaat (Broekmeyer, 2005).

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

21 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Bij het beoordelen van de effecten als gevolg van verstoring kan onderscheid worden gemaakt in verstoring als gevolg van: • geluid boven water; • geluid onder water; • trillingen; • licht; • visuele verstoring als gevolg van aanwezigheid en beweging van materieel en mensen.

4.2.3.2

Aard en potentiële reikwijdte van het effect

Bij het optreden van verstoring en bij een reactie van dieren op niet natuurlijke verstoringsbronnen is vaak niet goed te onderscheiden of de verstoring wordt veroorzaakt door beweging, geluid, trilling of licht, omdat deze vormen van verstoring vaak tegelijkertijd optreden. De veroorzaakte verstoring is dan ook een resultante van al deze prikkels samen, waarbij de meest verreikende of ernstigste factor als maatgevend kan worden gehanteerd. In dit onderzoek is voor de effecten in het duingebied, mede in relatie tot het relatief besloten en/of geaccidenteerde gebied, geluid als maatgevende storingsfactor beschouwd. Voor activiteiten die op zee plaatsvinden kunnen zowel beweging (visuele verstoring) als geluid (ook onder water) maatgevend zijn. Geluid boven water Voor verschillende groepen van vogelsoorten zijn op basis van onderzoek drempelwaarden vastgesteld, waarboven negatieve effecten kunnen optreden van (continue) geluidverstoring (o.a. Reijnen & Foppen, 1991). Deze drempelwaarden zijn: • 51 dB(A) voor niet-broedvogels. • 47 dB(A) voor broedvogels in open gebieden. • 42 dB(A) voor broedvogels in bebost gebied. Tabel 4-2 Ingreep-effectrelatie geluid broedvogels van bebost gebied en open gebied (Reijnen & Foppen, 1991).

Geluidsniveau in dB(A)

Afname dichtheid broedvogels van bos

Geluidsniveau in dB(A)

Afname dichtheid broedvogels van open gebied

< 42

Geen effect

< 42

Geen effect

42-45

Afname 0 – 5%

42-47

Geen effect

45-48

Afname 5 – 14%

47-48

Afname 0 – 3%

48-51

Afname 14 – 24%

48-51

Afname 3 – 16%

51-55

Afname 24 – 35%

51-55

Afname 16 – 30%

55-60

Afname 35 – 48%

55-60

Afname 30 – 43%

60-65

Afname 48 – 60 %

60-65

Afname 43 – 56 %

>65

Afname 70 %

> 65

Afname 70%

Boven deze waarden neemt de dichtheid van vogels geleidelijk af naarmate de geluidbelasting hoger wordt. Hieronder volgen de dosis-effect-relaties voor broedvogels van bos en broedvogels van open gebied (Tabel 4-2) en niet-broedvogels (Tabel 4-3). Deze waarden geven een indicatie van de mogelijk omvang van de afname van de dichtheid van vogels bij bepaalde geluidniveaus. De werkelijk optredende effecten zijn sterk afhankelijk van de soort en van de situatie. De gevoeligheid van verstoring van verschillende vogelsoorten verschilt sterk. Met name soorten die voorkomen in stedelijk gebied, zijn gewend aan hoge geluidniveaus. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

22 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

De reactie op geluidbelasting afkomstig van een specifieke bron hangt daarnaast af van de mate waarin in het leefgebied al geluidbelasting vanuit andere (al dan niet natuurlijke) bronnen optreedt. In deze studie is als ondergrens waarbij voor vogels verstoring als gevolg van geluid optreedt, de 47 dB(A) geluidsbelastingcontour gehanteerd. Dit geluidsniveau geldt als de grens vanaf waar er sprake is van een effect op broedvogels in open gebieden. Het Natura 2000-gebied is afwisselend open en dichter. De Pettemerduinen en aan zee, zijn de gebieden wat meer open. Met name de bossen en het struweel (vooral ook in het Zwanenwater) zijn wat meer gesloten. Tabel 4-3 Ingreep-effectrelatie geluid voor niet-broedvogels (Reijnen & Foppen, 1991).

Geluidsniveau in dB(A)

Afname dichtheid niet-broedvogels

<51 dB(A)

Geen effect

51-55 dB(A)

Afname 0-20%

55-60 dB(A)

Afname 20-40%

60-65 dB(A)

Afname 40-60%

65-70 dB(A)

Afname 60-70%

Figuur 4-2:Geluidcontouren voor het bouwen van de pompput voor de secundaire koeling.

Realisatiefase Voor de realisatiefase zijn de geluidsbelastingen in de omgeving van de planlocatie berekend. Dit is gedaan voor de activiteiten met de grootste geluidsemissie om daarmee de reikwijdte van het effect te bepalen, zie voor de uitgangspunten en resultaten Bijlage A. Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

23 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

De activiteiten die leiden tot het meeste geluidsemissie zijn: 1. Aanleg van een pompput. 2. Plaatsen van damwanden voor de taluds. 3. Plaatsen van diepwanden voor de bouwput. 4. Storten van onderwaterbeton. 5. Aanbrengen van een compressielaag.

Figuur 4-3: Geluidscontouren voor het plaatsen van damwanden.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

24 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 4-4 Geluidscontouren voor het plaatsen van diepwanden.

Figuur 4-5 Geluidscontouren voor het storten van onderwaterbeton.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

25 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 4-6: Geluidscontouren voor het aanbrengen van compressielaag.

Figuur 4-7: Geluidscontouren in de exploitatiefase.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

26 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Figuur 4-2 t/m Figuur 4-6 geven de LAeq 24 uurs-contouren3 van 42, 47 en 50 dB(A) in het studiegebied als gevolg van voorgenoemde activiteiten tijdens de realisatiefase. Bij de realisatie van PALLAS wordt geen materieel gebruikt dat impulsgeluiden of hoge geluidspieken veroorzaakt, zoals heistellingen. De berekende LAeq-waarden geven daarom een representatief beeld van de geluidsniveaus in de omgeving. Uit de afbeeldingen volgt dat het plaatsen van damwanden leidt tot een overschrijding van de 47 dB(A) tot in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Voor alle overige activiteiten is geen sprake van overschrijding van deze drempelwaarde binnen het Natura 2000-gebied. Geluidbelasting in de exploitatiefase Figuur 4-7 laat de geluidsbelasting in de exploitatiefase zien. De geluidscontour beperkt zich tot de EHC en de directe omgeving. Een toename van geluid in de exploitatiefase binnen de begrenzing voor Natura 2000 is niet aan de orde. Geluid onder water Bij de aanleg van de koelwateruitlaat in de Noordzee worden schepen ingezet. Door de motoren van deze schepen en bij het uitvoeren van werkzaamheden onder water ontstaat een toename van de geluidbelasting in het water.

Voor de bepaling van de maximale effectafstand voor de vermijding van continu geluid door zeehonden en bruinvissen (beschermd in het kader van Natura 2000 in de Noordzeekustzone) is uitgegaan van de analyse van Verboom die als bijlage VIII is opgenomen in de ‘Ronde 2’ passende beoordelingen voor Windenergie op Zee uit 2009 (Arends et al., 2009). Op basis van meetgegevens van een zestal koopvaardijschepen van 100 m, die met een snelheid van 13 – 16 mijl per uur (op diep water) varen komt hij uit op maximale verstoringsafstanden voor geluid onder water van 4.800 meter voor zeehonden en 2.800 meter voor bruinvissen. De werkzaamheden die continu geluid produceren zullen langs de kust plaats vinden, waar het ondiep is, en het geluid zich daarom minder ver voortplant onder water. Effecten van onderwatergeluid zullen daarom zeker niet verder reiken dan 5 km. Trillingen Trillingen kunnen ontstaan bij gebruik van zwaar materieel, en bij activiteiten als boren en intrillen van damwanden. Bij de realisatie van de PALLAS-reactor en bijbehorende faciliteiten kunnen lokaal trillingen ontstaan op de EHC. Deze trillingen zijn over een beperkte afstand waarneembaar (maximaal enkele tientallen meters), en de effecten daarvan reiken daarom niet tot in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen.

Licht In het verleden is onderzoek gedaan naar het effect van kunstlicht (wegverlichting) op fauna (De Molenaar, 2003). In dit onderzoek werd een grenswaarde van 0,1 lux vastgesteld als referentiewaarde voor nietverlichte situaties waarbij er geen effecten zijn voor zoogdieren, die als meest gevoelig voor licht kunnen worden beschouwd. Realisatiefase In de realisatiefase wordt in beginsel gewerkt van 7.00 – 19.00 uur. Alleen in de winterperiode is in de ochtend (7.00 – 8.30 uur) en in de namiddag en vroege avond (16.00 – 19.00 uur) bouwverlichting nodig. Daarbij zal de bouwplaats verlicht worden met bouwverlichting. Buiten werktijden staat gedurende de schemering en de nacht veiligheidsverlichting met een beperkte lichtsterkte aan. Dit laatste geldt ook voor de exploitatiefase, wanneer de verlichting van de nieuwe bebouwing en omgeving hetzelfde niveau heeft als alle andere gebouwen op het terrein (inclusief de recent nog aanwezige gebouwen op de locatie voor de PALLAS-reactor). In paragraaf 2.8 zijn uitgangspunten ten aanzien van verlichting in de realisatiefase opgenomen. Hieruit volgt dat uitstraling beperkt blijft tot de EHC. Effecten op het Natura 2000-gebied in de realisatiefase zijn uitgesloten.

3 Definitie van het RIVM Milieu en Natuur Planbureau: “Equivalent A-weighted Level. In deze geluidmaat zijn over een periode

variërende geluidniveaus gemiddeld tot één waarde. Zowel de hoogte als het verloop van het geluidniveau spelen hierbij een rol. De Aweging houdt rekening met de gevoeligheid van het menselijk oor voor de toonhoogte van het geluid. De eenheid wordt gegeven in dB(A).” Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

27 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Exploitatiefase In Bijlage F is een berekening van de verlichtingscontour van 0,1 lux in de exploitatiefase opgenomen. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van een toename binnen de begrenzing van het nabijgelegen Natura 2000-gebied. Effecten op het Natura 2000-gebied in de exploitatiefase zijn uitgesloten. Visuele verstoring op het land Visuele verstoring is het gevolg van de aanwezigheid en bewegingen van mensen en materieel op de locaties en aanvoerroutes. Deze verstoring beperkt zich tot wat gevoelige soorten kunnen zien. Visuele verstoring is alleen aan de orde in de realisatiefase, in de exploitatiefase zijn visuele prikkels afkomstig van verkeersbewegingen vergelijkbaar met de huidige situatie en daarom zijn effecten uitgesloten. In de realisatiefase zal sprake zijn van meer visuele prikkels, omdat er meer activiteiten plaatsvinden en meer personeel aanwezig is in het plangebied dan in de huidige situatie. Veel van de activiteiten zijn ook minder voorspelbaar dan het bestaande en reguliere exploitatie. Het plangebied zelf is echter wel omsloten door verschillende bedrijven waar activiteiten plaatsvinden. Verder is het gebied ingesloten door duinen, waardoor de zichtbaarheid van mensen en materieel beperkt wordt. Visuele prikkels treden vrijwel altijd in combinatie op met geluid en licht.

De reikwijdte van geluid reikt naar verwachting verder dan die van visuele prikkels. Daarom wordt dit effect niet afzonderlijk behandeld voor activiteiten op land. Visuele verstoring op zee Verstoringsgevoelige soorten op de Noordzee zijn zeezoogdieren en foeragerende of rustende nietbroedvogels. Zeezoogdieren Uit Brasseur en Reijnders (1994) blijkt dat voor verstoringsafstanden van activiteiten op rustende zeehonden uitgegaan kan worden van een afstand van 1.200 meter. Meer recent is een aantal meer specifieke onderzoeken gedaan naar verstoring van zeehonden door langsvarende baggerschepen en suppletiewerkzaamheden (Bouma et al., 2010; 2012; Bouma & Van den Boogaard, 2011). Afstanden waarop verstoring (verandering van gedrag) door baggerschepen is waargenomen variëren hierbij van 300 tot 1.500 meter, waarbij tot een afstand van maximaal 700 meter sterke gedragsveranderingen, zoals het water ingaan vanaf droogvallende platen, zijn waargenomen. Uit deze onderzoeken blijkt dat ook gewenning optreedt aan verstoringsbronnen die een repeterende en niet bedreigende bewegingen maken. In situaties waarin zeehonden gewend zijn aan verstoring van onder andere voorbijvarende (bagger)schepen treedt veel minder snel verstoring op. In de Noordzeekustzone ter hoogte van het plangebied zijn geen droogvallende platen aanwezig. Zeehonden komen hier alleen zwemmend voor.

In die situatie zijn de dieren minder verstoringsgevoeliger, omdat ze gemakkelijker en sneller kunnen wegzwemmen. Dat geldt ook voor bruinvissen. Zeehonden en bruinvissen worden regelmatig op korte afstand van schepen waargenomen. De verstoringsafstand voor zwemmende zeehonden en bruinvissen is daarom maximaal enkele honderden meters. Bij verstoring zullen ze dit gebied ontwijken. Vogels Voor vogels is de verstoringsgevoeligheid soortspecifiek en variabel per periode in hun levenscyclus. Door Jongbloed et al. (2011) is afgeleid dat voor broedvogels, hoogwatervluchtplaatsen en de meeste vogelsoorten op groot open water een verstoringsafstand van 500 m voldoende beschermend is tegen verstoring door diverse varende objecten op het water (Jongbloed, Tamis and Koolstra, 2011). Duikende en ruiende vogels zijn echter verstoringsgevoeliger. Voor duikende vogelsoorten en ruiende bergeenden wordt dan ook een grotere verstoringsafstand gehanteerd: 1.500 meter (Dirksen, Witte and Leopold, 2004; Krijgsveld, Smits and van der Winden, 2008). Zeevogels als zwarte zee-eend, eidereend en roodkeelduiker zijn de meest verstoringsgevoelige soorten, gevolgd door alken en zeekoeten. Meeuwen en sterns zijn nauwelijks verstoringsgevoelig, ze foerageren ook frequent achter varende schepen.

Effecten van verstoring op steltlopers worden niet verwacht omdat er geen scheepvaartbewegingen plaatsvinden binnen de maximale verstoringsafstand (circa 200 m) van de Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

28 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

droogvallende platen, waarop ze foerageren. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de gehanteerde verstoringsafstanden per soortgroep in deze passende beoordeling. Tabel 4-4: Gehanteerde gemiddelde effectafstanden voor scheepvaart (Duin et al., 2017a)

Soortengroep

Gemiddelde verstoringsafstand

Steltlopers

200 m

Futen en zaagbekken

300 m

Zee-eenden en eider

1500 m

Meeuwen/sterns

< 50 m

Aalscholver

150 m

Alken en koeten

500 m

Duikers

1000 m

4.2.3.3

Onderzoeksopgave

Geluid boven water Als gevolg van het plaatsen van damwanden vindt overschrijding van de drempelwaarde van 47 dB(A) voor vogels van open landschappen plaats in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Dit effect is beperkt tot het deelgebied Pettemerduinen dat niet is aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn. Het verstoringseffect van deze toename van de geluidbelasting op de in dit deelgebied broedende Natura 2000soort tapuit wordt wel in deze passende beoordeling beschreven. De tapuit is een kenmerkende soort van droge duingraslanden en de populatie van deze soort staat in Nederland zeer sterk onder druk. Geluid onder water Het onderzoeksgebied voor de effecten op geluid bestaan uit een afstand van 5 km uit het werkgebied in de Noordzee. Dit gebied maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. De gevolgen van geluid onder water worden daarom onderzocht in deze passende beoordeling. Trillingen De reikwijdte van trillingen is beperkt en reikt niet tot aan de grens van Natura 2000-gebieden. Effecten zijn daarom uitgesloten en worden niet nader onderzocht. Licht Op basis van berekeningen van de lichtsterkte in de exploitatiefase is uitgesloten dat binnen Natura 2000gebied sprake is van een toename die leidt tot een effect. Voor de realisatiefase worden maatregelen genomen, waardoor verlichting binnen het Natura 2000-gebied niet toeneemt.

Visuele verstoring op zee Verstoring van vogels kan optreden als gevolg van schepen die buiten de reguliere vaarroutes varen en bij de aanleg van de koelwateruitlaat. Het onderzoeksgebied voor de effecten van visuele verstoring in het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone vogels heeft een omvang van 1200 meter aan weerszijden van de vaarroutes en rondom het werkgebied in de Noordzee. Dit is het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone. De gevolgen van visuele verstoring op zee worden nader onderzocht in de volgende hoofdstukken.

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

29 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

4.2.4

Stikstofdepositie

4.2.4.1

Ingreep-effectrelaties

Zowel in de realisatiefase als exploitatiefase worden verzurende en vermestende stoffen (vooral NOx) geëmitteerd door voertuigen, schepen, mobiele voertuigen en installaties. Deze verzurende en vermestende stoffen slaan via de atmosfeer neer op land en water (stikstofdepositie) en kunnen negatieve effecten op habitattypen veroorzaken, zoals vergrassing of verruiging. Ook soorten die afhankelijk zijn van een bepaald habitat kunnen hierdoor nadelig beïnvloed worden, bijvoorbeeld door verandering van de samenstelling van de structuur van de vegetatie of een verandering van voedselaanbod. Een risico op effecten is met name aanwezig als de situatie overbelast is. Van overbelasting is sprake als de achtergronddepositie hoger dan de kritische depositiewaarde (KDW) van een specifiek habitattype, zie voor meer informatie Bijlage C. De KDW is geen absolute grenswaarde, maar wel een indicatie is of extra depositie mogelijk leidt tot een significant effect op dat habitattype.4 Bij een totale stikstofdepositie (achtergrondwaarde plus depositie als gevolg van het project) die lager is dan de KDW is een significant effect op dat habitattype uitgesloten.

4.2.4.2

Aard en potentiële reikwijdte van het effect

Voor realisatiefase en exploitatiefase van de PALLAS-reactor zijn berekeningen van de stikstofdepositie gemaakt. In Bijlage B zijn de uitgangspunten voor en resultaten van deze berekeningen opgenomen. In Tabel 4-5 zijn de resultaten van deze berekening voor omliggende Natura 2000-gebieden in de realisatiefase weergegeven. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de gemiddelde depositie per jaar gedurende de bouwperiode van 6 jaar, en de maximale depositie die optreedt in het bouwjaar met de hoogste stikstofemissies. Tabel 4-6 geeft de berekende jaarlijkse depositietoenames in de exploitatiefase. In de realisatiefase van de PALLAS-reactor treden toenames van stikstofdepositie op in 6 Natura 2000gebieden. De hoogste depositietoenames treden op in het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemer duinen (gemiddeld maximaal 1,83 mol/ha/jaar). In de overige 5 Natura 2000gebieden zijn de depositietoenames aanmerkelijk lager (maximaal 0,04 mol/ha/jaar). In de exploitatiefase is de maximale depositietoename in het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen 0,06 mol/ha/jaar. In de andere Natura 2000-gebieden is geen toename van de stikstofdepositie berekend voor de exploitatiefase. Conclusie Zowel de realisatie als de exploitatie van de PALLAS-reactor leidt tot een toename van de stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.

Bij een toename van de depositie in een reeds overbelaste situatie bestaat het risico op een significant negatief effect op de betrokken habitattypen. In hoofdstuk 6 worden de ecologische effecten van de toename van de stikstofdepositie op overbelaste habitattypen beschreven.

4 ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 14.5 (ABRvS 29 mei 2019), o.a. "Anders dan de Werkgroep ziet de Afdeling in het arrest geen

aanknopingspunt dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde zou gelden voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn naar het oordeel van de Afdeling wel belangrijke indicatoren voor de beoordeling of de daling van de depositie door de PASbronmaatregelen en de effecten van de herstelmaatregelen in de gebieden al dan niet nodig zijn voor het behoud en het voorkomen van verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden. " Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

30 van 136

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

Zwanenwater & Pettemerduinen

Duinen Den Helder-Callantsoog

Schoorlse Duinen

Noordhollands Duinreservaat

Waddenzee

Duinen en Lage land van Texel

H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)

1643

-

-

-

-

0,01

-

H1310B Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur)

1643

-

-

-

-

-

(0,01)

H1320 Slijkgrasvelden

1643

-

-

-

-

0,01

-

H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks)

1571

-

-

-

-

0,01

H2110 Embryonale duinen

1429

0,49 (0,54)

-

0,01

-

0,01

H2120 Witte duinen

1429

1,14 (1,51)

0,03

0,01 (0,02)

0,01

-

(0,01)

ZGH2120 Witte duinen

1429

0,94 (1,23)

-

-

-

0,01

-

H2130A Grijze duinen (kalkrijk)

1071

0,94 (1,23)

-

0,01 (0,02)

0,01

-

(0,01)

ZGH2130A Grijze duinen (kalkrijk)

1071

0,52 (0,66)

-

-

-

-

-

H2130B Grijze duinen (kalkarm)

714

1,83 (2,42)

0,03 (0,04)

0,02

0,01

ZGH2130B Grijze duinen (kalkarm)

714

0,12 (0,15)

-

0,01

-

-

-

H2130C Grijze duinen (heischraal)

714

-

-

0,01

-

0,01

H2140A Duinheiden met kraaihei (vochtig)

1071

0,64 (0,76)

-

0,01 (0,02)

0,01

-

-

H2140B Duinheiden met kraaihei (droog)

1071

1,83 (2,42)

0,02 (0,03)

0,02

0,01

-

0,01

H2150 Duinheiden met struikhei

1071

1,69 (2,18)

-

0,02

0,01

-

0,01

H2160 Duindoornstruwelen

2000

?

0,03

0,01

0,01

-

(0,01)

H2170 Kruipwilgstruwelen

2286

1,83 (2,42)

0,01 (0,02)

0,02

0,01

-

(0,01)

ZGH2170 Kruipwilgstruwelen

2286

1,38 (1,80)

-

-

-

-

-

H2180Abe Duinbossen (droog), berken-eikenbos

1071

1,13 (1,71)

0,04 (0,05)

0,02

0,01

-

0,01

-

-

-

-

-

0,01

0,74 (1,30)

-

0,01 (0,02)

0,01

-

0,01

Habitattype

KDW

Tabel 4-5: Maximale toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden gedurende de realisatiefase (in mol N/ha/jaar). Aangegeven is de gemiddelde depositietoename per jaar gedurende de bouwperiode. Tussen haakjes is de maximale depositietoename aangegeven die optreedt in het bouwjaar met de hoogste stikstofemissie, wanneer deze afwijkt van de gemiddelde depositietoename.

ZGH2180Abe Duinbossen (droog), 1071 berken-eikenbos H2180B Duinbossen (vochtig)

2214

Onze referentie: D10016570:33 - Datum: 18 december 2020

(0,01)

(0,01) (0,01)

0,01

31 van 136

Habitattype

KDW

Zwanenwater & Pettemerduinen

Duinen Den Helder-Callantsoog

Schoorlse Duinen

Noordhollands Duinreservaat

Waddenzee

Duinen en Lage land van Texel

PASSENDE BEOORDELING PALLAS-REACTOR

ZGH2180B Duinbossen (vochtig)

2214

-

-

-

-

-

0,01

H2180C Duinbossen (binnenduinrand)

1786

-

0,04 (0,05)

0,01 (0,02)

0,01

-

0,01

ZGH2180C Duinbossen (binnenduinrand)

1786

-

-

-

0,01

-

0,01

H2190Aom Vochtige duinvalleien (open water), oligo- tot mesotrofe vormen

1000

1,38 (1,78)

0,02 (0,03)

0,02

0,01

-

-

H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

1429

0,78 (0,97)

-

-

0,01

-

-

ZGH2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

1429

-

-

-

-

0,01

-

H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)

1071

1,83 (2,42)

0,01 (0,02)

0,02

0,01

-

-

H6230vka Heischrale graslanden, vochtig kalkarm

714

0,21 (0,28)

-

-

-

-

-

H6410 Blauwgraslanden

1071

0,61 (0,77)

0,04 (0,05)

-

0,01

-

-

H7210 Galigaanmoerassen

1571

0,12 (0,16)

-

-

0,01

-

-

-

-

-

0,01

-

-

Lg12 Zoom, mantel en droog struweel van de duinen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14659326/1