33 GoFlo opvang Schagen (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen
projectnummer 0501040.100 28 maart 2025
www.anteagroup.nl
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025
Auteur(s)
Gecontroleerd NH
datum 28 maart 2025
beschrijving
vrijgave NH
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
1.
Inhoudsopgave
1.
Inhoudsopgave
3
1.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.4.1 1.4.2
Aanleiding en doelstelling Ligging en begrenzing Geldend ruimtelijk kader Procedure Welke procedure wordt gekozen? ETFAL
5 5 6 8 8 8
2.
Projectbeschrijving
9
2.1 2.2
Huidig gebruik Beoogde ontwikkeling
9 10
3.
Beleidskader
11
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1
Rijksbeleid Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Instructieregels Rijk (AMvB’s) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Gemeente Schagen
11 11 11 12 13 13 14 15 15
4.
Milieu- en omgevingsaspecten
16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14 4.15
Verkeer en parkeren Bedrijven en milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Trillingen Natuurbescherming Stikstof Bodemkwaliteit Archeologie Cultuurhistorie Luchtkwaliteit Weging van waterbelang Gezondheid Sociale veiligheid en overlast Besluit milieueffectrapportage
16 17 18 21 22 22 23 23 25 25 26 27 28 29 29
5.
Participatie
31
6.
Haalbaarheid
32
6.1 6.2 6.3
Financiering Beheer en onderhoud Handhaving
32 32 32
Bijlage 1 Onderzoek omgevingsveiligheid Bijlage 2 Akoestisch onderzoek
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Bijlage 3 Natuurtoets Bijlage 4 Stikstofonderzoek Bijlage 5 Historisch bodemonderzoek Bijlage 6 Mer-beoordeling
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding en doelstelling De gemeente Schagen vindt het belangrijk om bij te dragen aan het verlichten van de druk op de opvanglocaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna COA). Om die reden is er vanaf 1 april 2024 een crisisnoodopvang gerealiseerd op de locatie Schagen-Oost gelegen aan de Priggeweg in Schagen. In de crisisnoodopvang worden maximaal 250 bewoners gehuisvest. Deze noodopvang is gerealiseerd voor een periode van maximaal één jaar. De Spreidingswet is vooralsnog niet ingetrokken. Op grond van de Spreidingswet heeft de gemeente Schagen een taakstelling voor de opvang van 277 asielzoekers. Het is onwaarschijnlijk dat de gemeente aan haar wettelijke taken in relatie tot de Spreidingswet kan voldoen, indien de crisisnoodopvang per 1 april 2025 beëindigt wordt. Om bij te blijven dragen aan het verlichten van de druk op de opvanglocaties van het COA en te voldoen aan de taakstelling, wordt daarom een verlenging aangevraagd van de huidige opvanglocatie voor twee jaar. Het COA onderzoekt de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een duurzame opvanglocatie/ontwikkeling na de verlening van twee jaar. Om de verlenging van deze crisisnoodopvang mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van de geldende ruimtelijke kaders.
Voor deze afwijking wordt een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) voor planologisch strijdig gebruik aangevraagd. Een vereiste bij het aanvragen van zo’n omgevingsvergunning is dat er in de toekomstige situatie sprake blijft van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Met de voorliggende motivering wordt getoetst of de voorgenomen ontwikkeling daarmee in lijn is.
Figuur 1-1 Bovenaanzicht projectgebied Schagen-Oost Bron: PDOK Viewer
1.2
Ligging en begrenzing Het projectgebied is gelegen aan de Priggeweg ten oosten van de Kern Schagen in het buitengebied van Schagen. Het gebied wordt begrensd door Volkstuindersvereniging Schagen in het Noorden, door omliggende agrarische percelen in het zuiden en oosten en in het westen door een groenstrook met bomen. In onderstaande afbeeldingen zijn de begrenzing en ligging ten opzichte van de omgeving weergegeven.
blad 5 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Figuur 1-2 Begrenzing projectgebied Schagen-Oost Bron: PDOK Viewer
Figuur 1-3 Ligging projectgebied Schagen-Oost ten opzichte van de omgeving Bron: Streetsmart Cyclomedia
1.3
Geldend ruimtelijk kader Het geldend ruimtelijk kader wordt gevormd door het tijdelijke omgevingsplan. Dit tijdelijk omgevingsplan is op 1 januari 2024 (met de inwerkingtreding van de Omgevingswet) van rechtswege in werking getreden. Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, waaronder plaatselijke verordeningen, zoals de ‘Verordening afvoer hemel- en grondwater’ en de bestemmingsplannen die onder de Wet ruimtelijke ordening zijn vastgesteld zoals ‘Landelijk gebied Schagen’ (vastgesteld 29 juni 2015). Daarnaast bestaat het tijdelijk omgevingsplan uit de Bruidsschatregels. Dit zijn de voormalige Rijksregels die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet over zijn gegaan naar decentrale overheden.
blad 6 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
De bestaande bouw- en gebruiksactiviteiten die voor het projectgebied gelden zijn opgenomen in onderstaande bestemmingsplannen (die opgenomen zijn in het tijdelijk deel van het omgevingsplan): Tabel 1-1 Overzicht bestemmingsplannen binnen het projectgebied Bestemmingsplan
Vastgesteld
Status
Landelijk gebied Schagen
29 juni 2015
Deels onherroepelijk in werking
Parkeren
7 november 2017
Onherroepelijk
Paraplu-Omgevingsplan 1e tranche
30 juni 2020
Onherroepelijk
Parapluplan Datacenters
24 september 2024
Onbekend
Landelijk gebied Schagen De gronden van het projectgebied zijn op grond van dit bestemmingsplan bestemd met de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’. Op grond van deze bestemmingen is het beoogde gebruik niet toegestaan. Zowel de tijdelijke plaatsing van bouwwerken als het tijdelijke toekomstig gebruik zijn strijdig met de bepalingen uit dit bestemmingsplan.
Figuur 1-4 Uitsnede bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Schagen’ (onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan).
Facetbestemmingsplan ‘Parkeren’ Dit facetbestemmingsplan stelt het vigerende parkeerbeleid vast voor een groot gedeelte van de vigerende bestemmingsplannen in de gemeente Schagen. Zo ook voor ‘Landelijk gebied Schagen’. Hierdoor is de ‘Nota Parkeernormen 2016’ of diens rechtsopvolger het geldende kader voor parkeernormering bij voorliggende onderbouwing. Paraplu-omgevingsplan 1e tranche Dit omgevingsplan heeft een aantal doelen. Allereerst heeft dit plan als doel een beleidsharmonisatie te bewerkstelligen, vooruitlopend op de Omgevingswet. Dit heeft uitsluitend invloed op (bestemmings-)plannen die na 30 juni 2020 zijn vastgesteld en dus niet op ‘Landelijk gebied Schagen’ of voorliggende onderbouwing. Daarnaast zijn er een aantal beleidswijzigingen en reparaties in de regels van vigerende plannen doorgevoerd. Een aantal van die wijzigingen en reparaties hebben betrekking op ‘Landelijk gebied Schagen’ maar niet op de bestemmingen die zijn gelegen op de gronden van het projectgebied. Zodoende heeft ‘Paraplu-omgevingsplan’ 1e tranche geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
blad 7 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Parapluplan Datacenters Dit bestemmingsplan geeft uitvoering aan de instructieregel ten aanzien van datacenters zoals opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening. Door middel van dit bestemmingsplan (parapluplan) wordt juridischplanologisch geregeld dat het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een datacenter met een bruto vloeroppervlak van meer dan 2.000 m2 en een elektrisch aansluitvermogen van meer dan 5 MVA als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Dit parapluplan heeft geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling.
1.4
Procedure
1.4.1
Welke procedure wordt gekozen? Zoals ook in paragraaf 1.3. uiteen gezet, past de tijdelijke crisisnoodopvang voor asielzoekers niet binnen het geldend planologisch kader. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikken alle gemeenten over een tijdelijk omgevingsplan, bestaande uit onder andere alle bestemmingsplannen. Er zijn twee mogelijkheden om alsnog medewerking te kunnen verlenen aan dit project: 1. Wijziging van het (tijdelijke) omgevingsplan; 2. Verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, artikel 5.1, eerste lid onder a Omgevingswet (verder: BOPA). Omdat de crisisnoodopvang op deze locatie slechts tijdelijk is, wordt gekozen voor een BOPA. Een BOPA is vergelijkbaar met de omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking met ruimtelijke onderbouwing zoals we onder de Wet ruimtelijke ordening kenden, waarbij ook de strijdigheid met het bestemmingsplan werd opgeheven. Er dient wel gemotiveerd te worden dat er sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. De Omgevingswet gaat uit van snelle en eenvoudige procedures voor alle vergunningen die verleend moeten worden. Dit betekent dat in principe voor alle plannen de korte (reguliere) procedure uitgangspunt is en daarmee hoofdregel van de Omgevingswet. De kruimelregeling is dan ook komen te vervallen.
De beslistermijn voor de korte procedure is normaliter maximaal acht weken (eventueel plus zes weken bij verlenging van de beslistermijn). Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. Voor de verlening van een BOPA voor dit tijdelijke project is de reguliere procedure van toepassing.
1.4.2
ETFAL De motivering moet aantonen dat de ontwikkeling voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Onderdeel hiervan is enerzijds de toetsing aan geldend beleid en anderzijds omgevingsaspecten. Het geldend beleid wordt getoetst in hoofdstuk 3. De omgevingsaspecten worden getoetst in hoofdstuk 4. Aan de hand van de toetsing van de aspecten wordt een belangenafweging gemaakt, waaruit moet blijken dat de beoogde activiteit aanvaardbaar is. De onderbouwing onderbouwt dat de beoogde activiteit aanvaardbaar is.
blad 8 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
2.
Projectbeschrijving
2.1
Huidig gebruik In de huidige situatie is het perceel bestemd voor agrarische doeleinden. Het perceel is in de huidige situatie in gebruik als crisisnoodopvang. De gronden worden omringd door een aantal sloten.
Figuur 2-1 Bovenaanzicht huidige situatie Bron: PDOK Viewer
Er zijn tijdelijke constructies van paviljoens (tenten) op het terrein geplaatst. Binnen het terrein zijn de volgende functies aanwezig: slaapzalen; een keuken; een recreatieruimte; sanitaire voorzieningen (wc’s en douches); een wasruimte; een vrouwenruimte; een aantal kantoren; ondersteunende functies (een technische ruimte en een beveiligingspost). In figuur 2.2 is de inrichting van het terrein weergegeven.
blad 9 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Figuur 2-2 Indeling van het terrein (Bron: COA)
2.2
Beoogde ontwikkeling De beoogde situatie is om de bestaande tijdelijke crisisnoodopvang voor maximaal 250 personen op deze locatie te verlengen voor de duur van maximaal twee jaar (exclusief op- en afbouw).
blad 10 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
3.
Beleidskader In dit hoofdstuk wordt getoetst aan beleidsstukken op verschillende schaalniveaus. Dit is onderverdeeld in de beleidskaders van de rijksoverheid, de provincie Noord-Holland en de gemeente Schagen. Door de relatief kleine omvang van de ontwikkeling worden de belangen vanuit het rijksbeleid maar beperkt geraakt.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Kader Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee wordt ingespeeld op de grote uitdagingen in de komende jaren. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgave. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want de ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven.
Die komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Beoordeling Gezien de beperkte omvang en de tijdelijkheid van de ontwikkeling worden er geen nationale belangen uit de NOVI geraakt. Conclusie Vanuit de NOVI zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project.
3.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s) Kader Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert. De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels (met het oog op een ETFAL) bevat zijn hieronder opgesomd: • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl); blad 11 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
• •
•
Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuuren recreatiegebieden; Het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Beoordeling Een aantal van deze hoofdonderwerpen komt terug in de voorliggende onderbouwing. De instructieregels die relevant zijn, bijvoorbeeld bij het beschermen van de waterbelangen, worden meegenomen in de toetsing aan de milieu- en omgevingsaspecten in hoofdstuk 4. In paragraaf 3.1.3 wordt ingegaan op de instructieregel ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Conclusie Vanuit de instructieregels van de Rijksoverheid zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Kader Het doorlopen van de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de ladder) is een motiveringsvereiste voor ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Het doel van de ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De ladder is opgenomen paragraaf 5.1.5.4 van het Bkl. De volgende stappen dienen doorlopen te worden: 1. Uitgangspunten vaststellen: Wat zal met het projectbesluit mogelijk gemaakt worden. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? 2. Afweging locatiekeuze: valt het projectgebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied. 3. Beschrijving van de behoefte: voorzien de functies die het project mogelijk maakt in een behoefte. Beoordeling Het is belangrijk om inzichtelijk te maken of het project een nieuwe stedelijke ontwikkeling is. Anders hoeft de ladder niet verder worden doorlopen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is als volgt omschreven: 'Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. De aard en de omvang van een project bepaalt of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit geldt in ieder geval voor een ontwikkeling met een oppervlak van meer dan 500 m².
Daarnaast moet er sprake zijn van een nieuwe ontwikkeling, een project mag eerder niet zijn toegestaan. Het voorgenomen project staat slechts zeer tijdelijk (voor de periode van maximaal twee jaar) de huisvesting van maximaal 250 mensen toe. Het project zorgt niet voor de toevoeging van permanente bebouwing. Nadat de periode van de tijdelijke huisvesting is afgelopen kan de tijdelijke bebouwing worden weggehaald. Het terrein kan na deze periode worden teruggebracht in de originele staat. Voor deze tijdelijke locatie is gekozen, omdat er binnenstedelijk geen percelen of leegstaande gebouwen beschikbaar zijn, waarbinnen de crisisnoodopvang gerealiseerd kan worden. Er zal dan ook geen sprake zijn van onaanvaardbare leegstandseffecten door deze tijdelijke crisisnoodopvang. Een duidelijk verzorgingsgebied voor dit tijdelijke project is ook niet direct aan te duiden. De opvang van asielzoekers wordt landelijk bepaald en is niet gebonden aan een bepaalde locatie. Met de nieuw aangenomen Spreidingswet moet er worden bepaald hoeveel opvangplaatsen er per gemeente beschikbaar gesteld moeten worden. Door de sluiting van de crisisnoodopvang van asielzoekers in Petten (en daarnaast de algemene landelijke verwachting dat de toestroom aan vluchtelingen toe zal nemen) is de behoefte aan crisisnoodopvang nog steeds groot.
De gemeente Schagen wil zijn verantwoordelijkheid hierin nemen en tijdelijk deze locatie beschikbaar stellen. Conclusie Vanuit de ladder duurzame verstedelijking zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen tijdelijke project.
blad 12 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Kader De Omgevingsvisie NH2050: ‘Balans tussen economische groei en leefbaarheid’ is op 19 november 2018 vastgesteld door Provinciale Staten. De Omgevingsvisie vervangt de volgende visies en beleidsstukken: Structuurvisie Noord-Holland 2040; Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan; Provinciaal Milieubeleidsplaan 2015-2018; Agenda Groen Met de Omgevingsvisie stelt de provincie het beleid en de ambities voor de fysieke leefomgeving voor de periode tot en met 2050 vast. Hierin is een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid de hoofdambitie. Dit werkt enerzijds door te investeren in een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens plant en dier. Dit is belangrijk voor een goed economisch vestigingsklimaat. Anderzijds is het een duurzame economische ontwikkeling belangrijk om te kunnen investeren in een goede en veilige leefomgeving. Met de omgevingsvisie is geprobeerd om beleid op te stellen dat leidt tot een zo goed mogelijke balans van economie en leefbaarheid. Om dit vorm te geven is de hoofdambitie opgedeeld in een aantal deelaspecten met bijbehorende ambities, deze zijn hieronder weergegeven: Leefomgeving Klimaatverandering: een klimaat bestendig en waterrobuust Noord-Holland. Stad, land en infrastructuur worden klimaatbestendig en waterrobuust ingericht.
Gezondheid en veiligheid: het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Biodiversiteit en natuur: de biodiversiteit in Noord-Holland vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Gebruik van de leefomgeving Economische transitie: een duurzame economie met innovatie als belangrijke motor. De provincie biedt ruimte aan ontwikkeling van circulaire economie, duurzame landbouw, energietransitie en experimenten. Wonen en werken: woon- en werklocaties dienen beter met elkaar in overeenstemming te zijn. Woningbouw wordt vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Mobiliteit: inwoners en bedrijven van Noord-Holland kunnen zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt verplaatsen. Landschap: het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Energietransitie De ambitie van de Provincie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op hernieuwbare energie. Naast de deelaspecten zijn er nog een aantal kansen naar de toekomst benoemd. Deze kansen leveren een bijdrage aan het vinden van houvast in een onzekere toekomst: 1. Noord-Holland in beweging: Op weg naar een economisch duurzame toekomst; 2.
Dynamisch schiereiland: Benutten van een unieke ligging; 3. Metropool in ontwikkeling: Vergroten agglomeratiekracht door het ontwikkelen van een samenhangend internationaal concurrerend metropolitaan systeem; 4. Sterke kernen, sterke regio's: Sterke kernen houden regio's vitaal; 5. Nieuwe energie: Economische kansen benutten van energietransitie; 6. Natuurlijk en vitale landelijke omgeving: vergroten van biodiversiteit en ontwikkelen van een economisch duurzame agrifoodsector. In de omgevingsvisie wordt tevens uitgegaan van het principe ‘Lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Met dit principe wil de provincie ruimte geven voor maatwerk en oplossingen die passen bij de diverse kernen en blad 13 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
gebieden binnen Noord-Holland. Hierbij is het van belang dat de bevoegdheden en verplichtingen aansluiten op de mogelijkheden die een kern, stad, regio of provinciebestuur heeft. Beoordeling Het voorgenomen project wordt tijdelijke crisisnoodopvang gerealiseerd om de stijging van vluchtelingen in Noord-Holland op te vangen. Dit project wordt zorgvuldig ingepast met minimale schade voor de fysieke leefomgeving. Door te kiezen voor deze tijdelijke opvang wordt de woningvoorraad, die al onder druk staat, niet verder belast. Hierbij. wordt aangesloten op het onderdeel ‘Gezondheid en veiligheid’ van het deelaspect leefomgeving. Conclusie Vanuit de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen tijdelijke project.
3.2.2
Omgevingsverordening Noord-Holland 2022 Kader De Omgevingsverordening NH2022 (verder: Ov NH 2022) is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Ov NH2022 is de opvolger van de Ov NH 2020, die de toenmalige 21 provinciale verordeningen, waaronder de Provinciale ruimtelijke verordening, de Provinciale milieuverordening en de waterverordening samenvoegde. In de omgevingsverordening zijn regels en werkingsgebieden opgenomen ter bescherming van de fysieke leefomgeving. Een aantal van die werkingsgebieden en regels is relevant voor het voorgenomen project, aan deze regels wordt getoetst. Beoordeling Werkingsgebied Agrarische bedrijven Binnen dit werkingsgebied gelden aanvullende regels voor agrarische bedrijven. Met het voorgenomen tijdelijke project is er geen sprake van agrarische bedrijfsvoering op het perceel. Hiermee is er geen relevante doorwerking op het projectgebied vanuit dit werkingsgebied. Werkingsgebied Bijzonder Provinciaal Landschap Het tijdelijke projectgebied is opgenomen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Voor het BPL zijn locatiespecifieke documenten ter aanvulling op de regels opgesteld. In deze documenten is uitgewerkt wat het BPL ter plaatse inhoudt en welke kernkwaliteiten beschermd dienen te worden.
Wat betreft het projectgebied betreft dit het intact houden van het verkavelingspatroon met bijbehorende omliggende slotenstructuur, waarborging van de openheid van het landschap en bescherming van het habitat voor weidevogels. Vanuit de gemeente Schagen is contact gelegd met de provincie Noord-Holland voor het tijdelijk afwijken, voor een periode van maximaal twee jaar, van de regels die zijn gesteld voor het BPL. De provincie heeft aangegeven dat er onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van deze regeling en een ontheffing kan worden verleend. De gemeente Schagen heeft op grond van deze afspraken een ontheffingsaanvraag ingediend bij de provincie. Indien de ontheffingsaanvraag verleend wordt is er geen relevante doorwerking op het projectgebied vanuit dit werkingsgebied. Werkingsgebied Datacenters uitgesloten Binnen dit werkingsgebied is de realisatie van een datacenter uitgesloten. Omdat dit tijdelijke project geen realisatie van een datacenter beoogd, kunnen deze regels buiten beschouwing worden gelaten. Werkingsgebied Grondbewerkingen voor permanente bollenteelt uitgesloten Binnen dit werkingsgebied moeten grondbewerkingen ten behoeve van permanente bollenteelt worden uitgesloten. Omdat er middels deze BOPA geen permanente bollenteelt wordt toegestaan, kunnen deze regels buiten beschouwing worden gelaten.
Werkingsgebied Noord-Holland Noord - Landelijk gebied In dit werkingsgebied gelden regels met betrekking tot bouwen en gebruiken. Het projectgebied valt onder het werkingsgebied Noord-Holland Noord. Enkel kleinschalige woningbouwontwikkeling is toegestaan als dit afgestemd is in de regio. Echter betreft deze ontwikkeling slechts een tijdelijke crisisnoodopvang en gaat het niet blad 14 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
om permanente vestiging. Hierdoor zal de permanente woonsituatie niet verstoord worden en is het mogelijk om gronden tijdelijk in te richten voor crisisnoodopvang. Werkingsgebied Ontgrondingen Binnen dit werkingsgebied geldt een vergunningplicht voor ontgrondingsactiviteiten. De regels behorende bij dit werkingsgebied staat de tijdelijke realisatie van een crisisnoodopvang niet in de weg. Werkingsgebied Regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied Binnen dit werkingsgebied zijn (verdelings)regels gesteld als er sprake is van onmiddellijk of directe waterschaarste in het IJsselmeergebied. De regels behorende bij dit werkingsgebied staat de tijdelijke realisatie van een crisisnoodopvang niet in de weg. Conclusie Vanuit de Omgevingsverordening NH2022 zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Gemeente Schagen Kader Om vorm te geven aan de toekomst van de fysieke leefomgeving in de gemeente Schagen is er in 2021 een Omgevingsvisie opgesteld. In deze visie op hoofdlijnen wil de gemeente samen met haar inwoners werken aan de ontwikkeling van de gastvrije, gezinsvriendelijke Hollandse kustgemeente zoals Schagen bekend staat. De visie is opgebouwd uit 8 speerpunten en nader vormgegeven met een visie- en waardenkaart. De speerpunten die de gemeente Schagen zichzelf als doel heeft gesteld voor 2040 zijn de volgende. In 2040 is gemeente Schagen: • een gezinsvriendelijke gemeente met een stad die belangrijk is voor de regio. Met sterke dorpen. Een gemeente die aantrekkelijk is voor ondernemers; • een gemeente die nationaal en internationaal meedoet op het gebied van toerisme en recreatie, wetenschap en (nieuwe vormen van) landbouw; • een gemeente die steeds aansluit bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en bijdragen aan sterke kernen; • een gemeente waar iedereen mee kan doen; • een gemeente waar kernen, voorzieningen, onderwijs en werk goed bereikbaar zijn; • een veilige, gezonde en sportieve gemeente; • een duurzame gemeente; • een gemeente waarin bewoners en bezoekers de omgeving waardevol vinden. Beoordeling Met het voorgenomen project wordt voorzien in een tijdelijke crisisnoodopvang voor maximaal 250 mensen.
Deze noodopvang voorziet in een vraag voor de opvang van asielzoekers. Daarnaast draagt het project ook bij aan het doel van een gemeente waar iedereen mee kan doen. Met het voorgenomen project blijft het mogelijk om een kwetsbare doelgroep tijdelijk te huisvesten binnen de gemeente. Conclusie Vanuit de Omgevingsvisie Gemeente Schagen zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project.
blad 15 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
4.
Milieu- en omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt er ingegaan op de diverse milieu- en omgevingsaspecten die relevant zijn voor dit project en het projectgebied. Een aantal van deze onderzoeken is in 2022 uitgevoerd. De locatie van het projectgebied is namelijk eerder in beeld geweest voor het ontwikkelen van tijdelijke huisvesting voor een periode van maximaal 15 jaar. Door diverse redenen heeft dit project geen doorgang gevonden. Een aantal van de onderzoeken die destijds is uitgevoerd zijn nog steeds actueel, maar hebben een iets bredere scope dan het projectgebied. Ondanks de brede scope kunnen deze onderzoeken gebruikt worden voor de beoordeling van een aantal aspecten.
4.1
Verkeer en parkeren Kader Voor het aspect verkeer en parkeren is geen specifieke wetgeving. Wel moeten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op een zorgvuldige wijze de verkeers- en vervoersaspecten worden onderzocht en moeten tijdig en voldoende maatregelen worden genomen om de bereikbaarheid, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid te garanderen. Voor het aspect parkeren dient voldaan te worden aan het vigerende parkeerbeleid van de gemeente. Beoordeling Met de voorgenomen ontwikkeling worden ongeveer 94 extra vervoersbewegingen per dag gegenereerd. Het betreft voornamelijk het personeel en vrijwilligers die werken op de tijdelijke locatie. Daarnaast moeten bestelbusjes of een enkele vrachtwagen de locatie kunnen bereiken voor bevoorrading. Dit is van dusdanig beperkte omvang dat dit opgaat in het heersende verkeersbeeld en geen invloed heeft op de bestaande verkeersstromen. De tijdelijke bewoners verplaatsen zich voornamelijk te voet. Zij moeten vooral de dorpsvoorzieningen kunnen bereiken in de kern. Hiervoor zijn tijdelijke maatregelen getroffen waar zij te voet zich naast de Priggeweg kunnen verplaatsen richting de tunnel, zonder hinder van het overige verkeer. De parkeerbehoefte hoeft alleen afgestemd te worden op de vervoersbewegingen. De toekomstige bewoners hebben over het algemeen geen beschikking over een auto.
Gedurende de dag zijn maximaal 30 personeelsleden tegelijkertijd aan het werk. De parkeerbehoefte is hierdoor vrij beperkt en kan worden opgevangen op eigen terrein. Voor de ontwikkeling zijn 33 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. De ontsluiting van het plangebied geschiedt via het noorden (aansluiting op de Nes) of via het zuiden (aansluiting op de Snevert). Beide opties zijn in afbeelding 4-1 en 4-2 weergegeven. Bij de uitgang van het terrein is een bord geplaatst waar de looproute voor bewoners op is aangegeven. Op deze manier steken bewoners niet meer de weg over, maar nemen ze de route langs de provinciale weg.
Figuur 4-1 Ontsluiting via het noorden
Figuur 4-2 Ontsluiting via het zuiden
blad 16 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen project.
4.2
Bedrijven en milieuzonering Kader Voorheen werd vanuit de Wet ruimtelijke ordening (Wro) een goede ruimtelijke ordening beoogd bij het ontwikkelen van nieuwe ruimtelijke plannen. Deze goede ruimtelijke ordening is gericht op het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. In dat kader is een systematiek ontwikkeld die door middel van richtafstanden voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) op voorhand regelt om hinder en gevaar te voorkomen: De VNGbrochure ‘Bedrijven en milieuzonering’. Deze milieuzonering dient twee doelen: • het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; • het bieden van voldoende ruimte en zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Omgevingswet Onder de Omgevingswet wordt een nieuwe werkwijze geïntroduceerd, waarbij het werken met milieucategorieën voor bedrijven komt te vervallen. De regeling wordt vervangen door direct milieuregels in het omgevingsplan op te nemen: 'Milieuzonering nieuwe stijl'. Ook onder deze nieuwe regeling blijven beide doelen die met milieuzonering worden nagestreefd gelden. Het toepassen van de ‘milieuzonering nieuwe stijl’ is echter vrijwillig. Er kan ook op een andere wijze getoetst worden aan de milieunormen.
In de motivering bij een BOPA dient in ieder geval te worden onderbouwd dat sprake is van een ETFAL. Een ETFAL kan door voldoende afstand tussen de milieubelastende en de woonactiviteiten aan te houden. Wat voldoende is, hangt af van de aard en omvang van de milieubelastende activiteiten in de directe omgeving van de projectlocatie zijn toegelaten. De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ kan hierbij nog steeds een basis bieden voor een indicatie voor de inpasbaarheid van de activiteit en kan nog steeds worden gebruikt. Systematiek De VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) (hierna: VNG-brochure) geeft handreikingen voor een verantwoorde inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving en voor de inpassing van gevoelige bestemmingen nabij bedrijven. Het is geen wet, maar een gangbare manier om milieuzonering toe te passen. In de VNG-brochure worden per bedrijfssoort en per milieuaspect indicatieve afstanden gegeven (hierna: VNGafstanden) tot gevoelige objecten. Indien aan de VNG-afstand wordt voldaan, kan gesteld worden dat hinder niet te verwachten is. De VNG-brochure bevat specifieke regelingen voor "gemengde gebieden" en "gebieden met functiemenging". Dit zijn gebieden waar bewust verschillende functies (wonen en bedrijvigheid) met elkaar worden gemengd, zoals (winkel)centra. Voor deze gebieden wordt een hogere milieubelasting aanvaardbaar geacht.
Milieucategorie
Richtafstand tot ‘rustige woonwijk’ (in meters)
Richtafstand tot ‘gemengd gebied’ (in meters)
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1.000
700
6
1.500
1.000
Tabel 4-1 Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden
blad 17 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Beoordeling De ontwikkeling voorziet in de toevoeging van een rustig woongebied van tijdelijke aard in milieucategorie 1. Dit kan zorgen voor belemmeringen van omliggende bedrijfsactiviteiten als de richtafstand van een bedrijf tot gevoelige voorzieningen tot het projectgebied zou reiken. Dit is niet het geval, de dichtstbijzijnde bedrijvigheid is op circa 800 meter van het projectgebied voorzien op het bedrijventerrein/industrieterrein Witte Paal. Hier is bedrijvigheid tot milieucategorie 4.2 toegestaan. De richtafstanden voor deze categorie tot een rustig woongebied bedraagt 300 meter. Hiermee is er voldoende afstand tussen de ontwikkeling en de bedrijvigheid en worden de bedrijven ter plekke niet belemmerd in hun bedrijfsvoering. Een rustige woonwijk heeft zelf geen richtafstand tot omliggende voorzieningen en zorgt niet voor belemmeringen voor de omliggende activiteiten. Wel is binnen het projectgebied het terrein voorzien van lichtmasten. Deze lichtmasten zijn maximaal zes meter hoog en worden in de avond en nacht gedimd. Bij de positionering van de lichtmasten is rekening gehouden met nabijgelegen bebouwing en natuurwaarden. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen tijdelijke project.
4.3
Omgevingsveiligheid Kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crisissen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving. • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden voor omgevingsveiligheidsrisico’s is een manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.
Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Beoordeling In het kader van de beoogde ontwikkeling in 2022 is door Antea Group een beschouwing van externe veiligheid (tegenwoordig omgevingsveiligheid) gedaan. Deze is tevens van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. In de eerdere beschouwing is een groepsrisicoberekening uitgevoerd. Met de invoering van de Omgevingswet is deze berekening niet meer verplicht. Daarnaast is het projectgebied nu kleiner qua omvang en aantal aanwezigen. Voor de volledigheid en context van het onderzoek is gekozen deze toch op te nemen. De beschouwing is toegevoegd in Bijlage 1. Risicobronnen In de omgeving van het projectgebied vindt over de N241 transport van gevaarlijke stoffen plaats. Het wegvak van de N241 nabij het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het basisnet.
Het projectgebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van deze risicobron. Het groepsrisico is in onderstaande tekst inzichtelijk gemaakt.
blad 18 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Daarnaast dient volgens de Regeling basisnet het plaatsgebonden risico inzichtelijk te worden gemaakt indien het traject geen onderdeel uitmaakt van het basisnet. Plaatsgebonden risico In de bijlage van het HART (paragraaf 1.2.3.1) staan vuistregels beschreven om het plaatsgebonden risico voor een weg binnen de bebouwde kom te bepalen. In deze vuistregels staat vastgesteld dat wanneer het aantal GF3 transporten per jaar lager is dan 500, de weg geen 10-6-contour heeft. Volgens de omgevingsdienst vinden er jaarlijks circa 250 GF3 transporten plaats. De weg heeft dus geen 10-6-contour. Daarmee wordt conform het Bevt voldaan aan de norm- en richtwaarden ten aanzien van het plaatsgebonden risico. Naast de N241 zijn er geen relevante risicobronnen die invloed hebben op het plaatsgebonden risico van het projectgebied. Groepsrisico Het projectgebied is binnen de 200 meter-zone van de rijksweg N241 gelegen. In onderstaande figuur is het berekende groepsrisico van de N-weg ter hoogte van het projectgebied weergegeven. De omgevingsdienst heeft hiervoor gegevens aangeleverd, hierin staan aangegeven dat er 250 GF3 transporten per jaar plaatsvinden. De uitgangspunten van deze berekening staan in de bijlagen van de beschouwing (bijlage 2).
Figuur 4-3 Groepsrisico van de N241: — = Huidig groepsrisico — = Toekomstig groepsrisico Tabel 4-2 Groepsrisico van de N241
Traject
Normwaarde groepsrisico: huidige situatie
Normwaarde groepsrisico: toekomstige situatie
1. N241 (Schagen)
0,00008
0,00008
Uit figuur 4-3 blijkt dat het groepsrisico van het onderzochte traject zich onder de oriëntatiewaarde bevindt. De normwaarde van het groepsrisico in de huidige situatie is 0,00008 en in de toekomstige situatie is dit 0,00008 (circa 0,0008 keer de oriëntatiewaarde). De normwaarde van het groepsrisico neemt in de toekomstige situatie niet significant toe en blijft onder de oriëntatiewaarde. Verantwoording groepsrisico In deze paragraaf worden elementen aangedragen voor de invulling van de verantwoordingsplicht door het bevoegd gezag: de gemeente Schagen. Ter verantwoording van het groepsrisico dienen, naast de hoogte van het groepsrisico, enkele kwalitatieve elementen beschouwd te worden. In dit hoofdstuk zijn alle elementen beschouwd. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd: • Algemene beschouwing veiligheidssituatie; • Zelfredzaamheid; • Bestrijdbaarheid. Algemene beschouwing veiligheidssituatie Scenario’s Het projectgebied ligt binnen het invloedsgebied van een transportroute gevaarlijke stoffen (provinciale weg). Bij deze risicobronnen kan een plasbrand, een BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) of een toxisch blad 19 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
scenario optreden. De gevolgen van deze scenario’s zijn verschillend. In deze paragraaf worden de scenario’s verduidelijkt. Plasbrandscenario Het effect dat optreedt bij een ongeval met enkel brandbare vloeistoffen is vooral warmtestraling door een (plas)brand. Het invloedsgebied is circa 35 meter, uitgaande van een calamiteit waarbij de gehele wagen- of tankinhoud vrijkomt. De omvang van het effect wordt beïnvloed door de oppervlakte van de plasbrand. BLEVE-scenario Een koude BLEVE ontstaat wanneer de tankwagen bezwijkt waardoor er plotseling gas kan ontsnappen, welke na ontsteking ontploft. Een warme BLEVE ontstaat door een (plas)brand in de nabijheid van een tankwagen. Door de hitte van de brand loopt de druk in een tankwagen hoog op, terwijl de sterkte van de metalen wand afneemt. Hierdoor kan de wand het begeven en de tank ontploffen. Met de maatregelen uit de Safety Deal zijn tankauto's voorzien van een hittewerende coating die het optreden van een warme BLEVE gedurende ten minste 75 minuten vertraagd. De brandweer is daardoor in staat de tank tijdig te koelen en daarmee een warme BLEVE te voorkomen. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval een lekkage ontstaat en zich een vloeistofplas vormt.
Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij een percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Hoogte van het groepsrisico Het groepsrisico van de N241 blijft onder de oriëntatiewaarde. Eerder is geconcludeerd dat het groepsrisico niet significant toeneemt. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is de mate waarin personen in staat zijn zichzelf (zonder hulp van buitenaf) in geval van een calamiteit in veiligheid te brengen. Het gewenste handelingsperspectief in geval van een calamiteit (schuilen en/of vluchten) is afhankelijk van het scenario. Gerichte risicocommunicatie met bewoners (bijvoorbeeld via NL-Alert) kan ertoe bijdragen dat alarmering sneller verloopt. Hierbij dient aan te worden gegeven wat het gewenste handelingsperspectief is (schuilen of vluchten) en op welke manier hieraan invulling kan worden gegeven.
Het is aanbevelingswaardig om in instructies voor de toekomstige gebruikers op te hangen die betrekking hebben op het handelingsperspectief bij een incident met gevaarlijke stoffen. Deze maatregel kan door de ontwikkelaar met de exploitant (en eventuele samenwerking met de Veiligheidsregio) worden uitgewerkt. Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een BLEVE In het geval van een 'koude' BLEVE is er geen tijd om te vluchten en zullen alle personen (die zich onbeschermd buiten bevinden) in de directe omgeving slachtoffer worden. Buiten de 150 meter is schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Echter, een koude BLEVE kan plaatsvinden zonder enige aankondiging vooraf. De omgeving zal dus verrast worden door het incident en zelfredzaamheid is niet aan de orde. Bij een warme BLEVE is er in principe tijd om te vluchten tot buiten het invloedsgebied en daar te schuilen (er is eerst brand en daarna volgt pas een explosie). Mogelijkheden van zelfredzaamheid bij een toxisch scenario Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw het voorkeurscenario. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en
blad 20 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. In geval van een calamiteit met toxische stoffen op de weg is het van belang dat de bebouwing bescherming biedt. Van belang daarbij is dat - in dat geval - de (eventueel aanwezige) mechanische ventilatie centraal afgeschakeld kan worden (via een noodschakelaar). Dit voorkomt dat bij het optreden van een incident de ramen en deuren gesloten zijn, maar toch toxische stoffen via de ventilatie (versneld) tot het gebouw toetreden. Het is een goedkope maatregel die bij een calamiteit met giftige stoffen zeer effectief kan zijn. Onder de Omgevingswet dient een mechanisch ventilatiesysteem standaard te beschikken over een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld (artikel 4.124 Besluit bouwwerken leefomgeving). Beperkt zelfredzame groepen Binnen het projectgebied worden geen specifieke functies mogelijk gemaakt die de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen faciliteren. De flexibele woningen worden derhalve bestemd als reguliere wooneenheden. Bestrijdbaarheid Bestrijdbaarheid is de mate waarin een rampscenario door de brandweer te bestrijden is. De verschillende scenario’s vragen allen een ander aanvalsplan.
De mate waarin uitvoering aan deze aanvalsstrategieën kan worden gegeven hangt af van de capaciteit van de brandweer (opkomsttijd en beschikbare blusmiddelen) en de bereikbaarheid van het projectgebied (opstelplaatsen). Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt gemeente Schagen geadviseerd in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio NoordHolland-Noord. BLEVE-scenario Het ontstaan van een koude BLEVE is niet te bestrijden, omdat de tank meteen explodeert. De branden die door de explosie ontstaan kunnen wel bestreden worden. De brandweer is in principe toegerust om de gevolgen van een warme BLEVE te bestrijden (en een explosie te voorkomen). Toxisch scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen tijdelijke project.
4.4
Geluid Kader Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
blad 21 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Beoordeling Een crisisnoodopvang wordt gelijk gesteld aan een logiesfunctie, omdat het slechts een doorstroomlocatie betreft. Daarnaast zijn de gestelde geluidnormen niet van toepassing op geluidgevoelige gebouwen als sprake is van een tijdelijke situatie voor de duur van maximaal tien jaar.
Gelet op het feit dat deze crisisnoodopvang voor slechts maximaal twee jaar in gebruik is, behoeft geen formele toetsing in het kader van geluid plaats te vinden. Echter, ingevolge de Omgevingswet dient in het kader van de beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) rekening te worden gehouden met het geluid door wegen op geluidgevoelige gebouwen, waarbij wordt beoordeeld in hoeverre het geluideffect aanvaardbaar is en daarmee, vanuit optiek van geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om die reden is een akoestisch onderzoek opgesteld. Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij deze onderbouwing opgenomen. Hoewel in deze situatie geen sprake is van een geluidgevoelig gebouw en hoewel sprake is van een situatie van tijdelijke aard, zijn volledigheidshalve maatregelen beschouwd. Bron- en overdrachtsmaatregelen stuiten, gezien de tijdelijke aard van de beoogde ontwikkeling, op bezwaren van financiële aard. Hoewel niet van toepassing op een gebouw met een logiesfunctie, is het binnenniveau, bij toepassing van een geluidwering van ten minste 13 dB, in lijn met de gestelde eisen met betrekking tot het binnenniveau uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit tijdelijke project.
4.5
Trillingen Kader In paragraaf 5.1.4.4. Bkl zijn instructieregels voor trillingen opgenomen. In artikel 5.79 (toepassingsbereik) Bkl worden gebouwen niet als trillingsgevoelig aangemerkt als er een BOPA wordt verleend voor de duur van niet meer dan 10 jaar. Beoordeling De tijdelijke crisisnoodopvang is voor de duur van maximaal twee jaar. De tijdelijke gebouwen binnen deze locatie zijn dan ook geen trillingsgevoelige gebouwen. Conclusie Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor dit tijdelijke project.
4.6
Natuurbescherming Kader In het Bkl zijn regels opgenomen voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten- en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Voorheen werd dit geregeld in de Wet natuurbescherming. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
blad 22 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermd en natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Beoordeling Flora en fauna Het COA werkt volgens de generieke ontheffing van Stadswerk. De voorgenomen ontwikkelingen hebben geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van de soorten die zijn beschreven in de eerder uitgevoerde quickscan (Bijlage 3). In overleg met de ODNHN is bepaald dat nader aanvullend onderzoek niet benodigd is. Door het maken van een ecologisch werkprotocol en te werken in de niet kwetsbare periode van de beschreven soorten in de quickscan is voldaan aan de zorgplicht, zoals bedoeld in artikel 11.27 Bal. Het ecologisch werkprotocol wordt gemeld bij het bevoegd gezag. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt op circa 8,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied waar voor stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn. Het betreft Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’. Daarnaast is zijn ook de volgende Natura2000-gebieden nabij gelegen: ‘Duinen Den Helder-Callantsoog’ (ca. 8,2 km), ‘Schoorlse Duinen’ (ca. 12,5 km) en het ‘Noordhollands Duinreservaat’ (14,3 km).
In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op stikstof en de neerslag daarvan op deze gebieden. Conclusie Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor dit tijdelijke project.
4.7
Stikstof Kader In een stikstofonderzoek kan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. Een AERIUS-berekening wordt doorgaans in eerste instantie uitgevoerd voor één of twee fases. Het gaat daarbij om een berekening van de aanlegfase (het effect van de realisatie van een ontwikkeling op Natura 2000-gebieden) en/of de gebruiksfase (het effect van het gewenste gebruik als gevolg van een ontwikkeling op Natura 2000-gebieden). Wanneer uit de berekening voor de aanlegfase en/of gebruiksfase blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j is eveneens geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat de ontwikkeling in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig is. De ontwikkeling kan dan voor wat betreft dit onderdeel in principe worden doorgezet. Beoordeling In het kader van de voorgenomen ontwikkeling heeft Antea Group een stikstofonderzoek uitgevoerd (Bijlage 4). In dit onderzoek is door middel van een AERIUS-berekening onderzocht of er sprake is van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit de berekening is gekomen dat voor de gebruiksfase een maximale bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar in stikstofdepositie wordt verwacht.
Hiermee zijn significante gevolgen voor de habitats in Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstofdepositie uitgesloten. Conclusie Vanuit het aspect stikstof zijn geen belemmeringen voor het voorgenomen tijdelijke project.
4.8
Bodemkwaliteit Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. blad 23 van 32
Motivering BOPA Crisisnoodopvang Schagen projectnummer 0501040.100 28 maart 2025 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De volgende drie doelen zijn dan ook essentieel voor een gezonde bodem: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. Aanvullende informatie bij deze paragraaf: Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie.
De gemeenten moeten: • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname. Beoordeling In het kader van de beoogde ontwikkeling in het projectgebied is door Antea Group een vooronderzoek conform NEN 5725: 2017 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek) uitgevoerd (Bijlage 5). Dit onderzoek is nog opgesteld voor de invoering van de Omgevingswet maar brengt voldoende informatie in beeld voor de huidige kaders. De uitkomsten van het onderzoek zijn in onderstaande paragraaf. Verdachte activiteiten Uit de informatie van het Bodemloket blijkt dat in en rondom het onderzoeksgebied geen specifieke bodembedreigende activiteiten zijn. Bekende onderzoeksgegevens Op het te ontwikkelen terrein zelf zijn voor zover bekend geen (bodem)onderzoeken uitgevoerd. Echter, wel is een bodemonderzoek beschikbaar dat een goede indicatie geeft van de te verwachten bodemkwaliteit. Grondslag, rapport met kenmerk: 6892, d.d.