CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

30. Ontwerpbesluit inclusief nota zienswijzen geanonimiseerd

Oordeelsvormende vergadering 10 oktober 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning Nieuwe Polderweg 6 in Waarland19.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Pagina 19 van 47

Met ingang van 1 april 2012 is het Bouwbesluit 2012 in werking getreden. De bestaande afbakening tussen bouw- en milieuregelgeving is gehandhaafd. Wanneer er sprake is van: een brandbare en milieugevaarlijke stof en de opslaghoeveelheid boven de grens van tabel 7.6 van het Bouwbesluit 2012 ligt, dan is de Wabo het wettelijke kader; een brandbare en milieugevaarlijke stof en de opslaghoeveelheid onder de grens van tabel 7.6 van het Bouwbesluit 2012 ligt, dan is het Bouwbesluit 2012 het wettelijke kader; een brandbare en NIET milieugevaarlijke stof, dan is het Bouwbesluit 2012 het wettelijke kader. De algemene regeling over de verplichte aanwezigheid, onderhoud en controle van mobiele brandblusmiddelen (inclusief brandslanghaspels) is geregeld in het Bouwbesluit 2012. Binnen de inrichting vindt geen opslag plaats in hoeveelheden meer dan tabel 7.6 van het Bouwbesluit 2012 al dan niet tabel 1.1 Toepassingsgebied PGS 15: 2016. Derhalve is het niet nodig voorschriften te verbinden aan de vergunning welke toezien op de opslag van gevaarlijk stoffen. ENERGIE Energieverbruik Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met energie.

Om vast te stellen of het energieverbruik van de inrichting relevant is, is aangesloten bij de Circulaire "Energie in de milieuvergunning" (Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het Ministerie van Economische Zaken, Den Haag, oktober 1999) gehanteerde ondergrens. De in de circulaire aangegeven ondergrens is 25.000 m3 aardgas(equivalent) en/of tegelijk 50.000 kWh elektriciteit per jaar. Bedrijven met een jaarlijks energieverbruik dat lager ligt dan deze waarden, worden als niet energie relevant bestempeld. Het Activiteitenbesluit geeft onder artikel 2.15 aan dat bij een energieverbruik op jaarbasis van meer 200.000 kWh elektriciteit of 75.000 m3 aardgas(equivalent) een onderzoek naar energiebesparende maatregelen door het bevoegd gezag kan worden verplicht. (Artikel 2.15 is alleen van toepassing op type A en B inrichtingen. ) Door het bovenstaande is een drietal typen energiegebruikers te onderscheiden: • kleingebruikers (onder beide grenzen); • grootgebruikers (boven een van de grenzen van het Activiteitenbesluit); • middelgrote gebruikers (daar tussenin). Het jaarlijks energieverbruik van de onderhavige inrichting is 5.000 m 3 aardgas en 55.0000 kWh aan elektriciteit. Het bedrijf is hiermee een middelgrote gebruiker. Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een relevant jaarlijks energiegebruik door de inrichting.

In het landelijke beleid zoals vastgelegd in de circulaire “Energie in de milieuvergunning” worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh aan elektriciteit als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat energie besparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of korter moeten worden uitgevoerd. Dit is vastgelegd in de voorschriften van de vergunning. GELUID Algemeen Het bedrijf is gelegen aan de Nieuwe Polderweg 6 in Waarland. De locatie betreft een agrarische omgeving in het buitengebied en is niet gezoneerd in het kader van de Wet geluidhinder. Het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object (woning van derden) is gelegen op een afstand van circa 20 meter van de inrichtingsgrens. Deze woning is (ook) gelegen in een landelijk gebied. De activiteiten vinden enkel overdag tussen 07:00 en 19:00 uur plaats. Transportbewegingen vinden ook hoofdzakelijk plaats tussen 07.00 en 19.00 uur. De door de inrichting veroorzaakte geluidemissie is afkomstig van de in de inrichting aanwezige installaties zoals spoelmachines, inpandige activiteiten (reparatie van houten pallets), intern transport en vervoersbewegingen van aan- en wegrijdende motorvoertuigen.

Beleid Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) en maximale geluidniveau (LAmax) worden in eerste instantie getoetst aan de richt- en grenswaarden uit de ‘Handreiking Industrielawaai en

Pagina 20 van 47

vergunningverlening’ van 21 oktober 1998 (hierna: handreiking). Hoofdstuk 4 van de voorgenoemde handreiking is van toepassing op situaties waarbij nog geen gemeentelijk beleid voor de normstelling voor industrielawaai is opgesteld. Ten tijde van het nemen van deze (ontwerp)beschikking is nog geen gemeentelijk beleid voor industrielawaai vastgesteld. Om deze reden toetsen wij de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr, LT) en maximale geluidniveaus (LAmax) vanwege de inrichting aan de normstelling uit hoofdstuk 4 van de handreiking. Gelet op de aard van de inrichting, namelijk het uitvoeren van activiteiten in een landelijk gebied waarbij de dichtstbijzijnde woningen ook zijn gelegen in een landelijke omgeving, kan voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) als richtwaarde voor de woonomgeving 40 dB(A) etmaalwaarde worden gehanteerd. De maximale geluidniveaus (LAmax) ter plaatse van woningen van derden moeten in beginsel beperkt blijven tot 70 dB(A) in de dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Volgens de handreiking moet echter gestreefd worden naar het voorkomen van maximale geluidniveaus (LAmax) die meer dan 10 dB(A) boven het aanwezige langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) uitkomen.

Akoestisch onderzoek Door Weel geluidadvies is een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de beoogde activiteiten op de locatie. Het resultaat van dit onderzoek is beschreven in het rapport Akoestisch onderzoek Activiteitenbesluit Next Generation te Waarland met kenmerk, PRO 22.04 van 2 december 2022. Dit rapport maakt onderdeel uit van de aanvraag. Uit dit onderzoek blijkt dat bij alle geluidgevoelige objecten wordt voldaan aan de richtwaarde voor een landelijke omgeving. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (L Ar,LT) op woningen bedraagt ten hoogste 32 dB(A) in de dagperiode, 20 dB(A) in de avondperiode en 8 dB(A) in de nachtperiode. Deze geluidbelasting treedt op bij woning aan de Nieuwe Polderweg 5 in Waarland. Bij andere woningen in de omgeving van het bedrijf is de geluidbelasting lager. Uit bovenstaand rapport blijkt dat met betrekking tot het maximale geluidniveau (L Amax) niet wordt voldaan aan de streefwaarde van het langgemiddelde beoordelingsniveau (L Ar, LT) plus 10 dB(A). Het hoogste maximale geluidniveau op een geluidgevoelig object is 48 dB(A) in de dagperiode, 37 dB(A) in de avondperiode en 37 dB(A) in de nachtperiode. Er wordt echter wel (ruimschoots) voldaan aan de grenswaarde 70-65-60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Gelet op voorgaande zijn de berekende waarden voor het langtijdgemiddelde en het maximale geluidniveau (LAmax) vergunbaar. De akoestische rapporten zijn getoetst en akkoord bevonden. Met betrekking tot de berekende geluidsnormen zijn voorschriften opgenomen in deze vergunning voor zowel het langgemiddelde beoordelingsniveau (LAr, LT) als het maximale geluidniveau (LAmax). Deze geluidsnormen zijn afgeleid van de berekende waarden uit bovenstaande akoestische rapport. Indirecte hinder In de directe omgeving van de inrichting zijn woningen van derden gelegen. Om deze reden is de verkeersaantrekkende werking van de inrichting relevant. Echter uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op het moment dat woningen en andere geluidgevoelige objecten (bestemmingen) worden gepasseerd het verkeer van en naar de inrichting niet meer dan 30 dB(A) veroorzaakt of als zodanig niet meer herkenbaar is. De verkeersbewegingen worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Conclusie Ten aanzien van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (L Ar, LT), maximale geluidniveaus (LAmax) en indirecte hinder is de situatie milieuhygiënisch aanvaardbaar. Op basis van de ligging van de inrichting, de plaatsvindende activiteiten en uitgaande van een representatieve bedrijfssituatie, kunnen afdoende voorschriften worden gesteld op grond waarvan geluidhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Dit hebben wij vastgelegd in de voorschriften van de vergunning.

Pagina 21 van 47

GRONDSTOFFEN/WATERBESPARING Algemeen In de Wm is bepaald dat onder bescherming van het milieu mede wordt verstaan een zuinig gebruik van energie en grondstoffen. De wet maakt het daarom mogelijk om aan het gebruik van grondstoffen, zoals water, eisen te stellen. Binnen de inrichting wordt het spoelwater voor het spoelen van de netten hergebruikt. De aanvoer van het water komt uit het bassin en wordt na het spoelen teruggeleid. Het hemelwater welke jaarlijks valt, valt direct in het bassin en op de vloeistofdichte vloer. De vloeistofdichte vloer vangt het water op en voert het af naar het bassin. Doordat het bassin gevuld wordt met het hemelwater is er een constant nieuwe aanvoeren van spoelwater. Dit is een gesloten kringloopproces waar enkel water verloren gaat aan verdamping en om die reden ook niet valt te besparen. Naast het water welke voor het spoelproces wordt gebruikt heeft het bedrijf jaarlijks een beperkte hoeveelheid van ongeveer 220 m3 water nodig voor de sanitaire voorzieningen. Gelet op het hergebruik van het water en omdat er verder beperkte grondstoffen nodig zijn, hebben wij het niet nodig geacht om voorschriften hierover op te nemen in de vergunning. LUCHT Binnen de inrichting kan emissie van stof afkomstig van de opslag van grond en netten optreden.

Uit de aanvraag volgt dat indien er stofhinder dreigt op te treden door verlading van grond of netten, deze worden bevochtigd. In afdeling 2.3 van het Activiteitenbesluit (Lucht en geur) zijn artikelen opgenomen met betrekking tot emissies naar de lucht. Deze artikelen zijn (met uitzondering van IPPC-installaties waarvoor nadere eisen zijn gesteld in een Bref) ook van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen (type Cbedrijven). Gelet op het voorgaande kunnen aan deze beschikking voor deze activiteiten dan ook geen (aanvullende) voorschriften worden gesteld. Maatwerk wordt op dit moment niet noodzakelijk geacht omdat voldaan kan worden aan de geldende normen van het Activiteitenbesluit. VOLKSGEZONDHEID Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat primair zijn regeling vindt in andere wetgeving. Daarnaast blijft in het kader van verlening van een vergunning krachtens de Wabo ruimte voor een aanvullende toets. Indien door het in werking zijn van de inrichting risico's voor de volksgezondheid kunnen ontstaan, moeten deze risico's als gevolg voor het milieu bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Dit aspect is niet aan de orde omdat er geen activiteiten worden uitgevoerd die kunnen zorgen voor risico’s op de volksgezondheid. Om die reden hebben wij het niet nodig geacht aanvullende voorschriften te stellen.

Pagina 22 van 47

NATUURBESCHERMING, GEBIEDSBESCHERMING Voor de omschrijving van waardevolle of bijzonder kwetsbare gebieden is aangesloten op artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming. Het betreft hier de door de minister aangewezen Natura 2000gebieden (voorheen de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden). Bij de vaststelling of sprake is van ‘geen negatieve effecten’ hebben wij de volgende aspecten betrokken: aard van de in de inrichting aanwezige organische stoffen; mogelijke effecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen op het milieu; de aard en kwetsbaarheid van het desbetreffende natuurgebied; de scenario’s voor mogelijke zware ongevallen; in de inrichting getroffen technische en organisatorische preventieve en repressieve maatregelen; andere beschikbare mogelijkheden voor bestrijding van een ongeval. Bij de beoordeling hebben wij onderzoek gedaan naar mogelijke effecten op waardevolle of kwetsbare natuurgebieden. Bij de aanvraag is een AERIUS berekening met toelichting gevoegd (datum 14 maart 2023) waaruit blijkt dat geen significante depositie (0,00 mol/ha/jr) wordt veroorzaakt op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Gezien de aangevraagde activiteiten en de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (meer dan 10 kilometer) en, de uitkomsten van de ARIUS berekening zal de aangevraagde oprichting niet leiden tot negatieve effecten op de Natura 2000 gebieden.

De aangevraagde activiteiten zijn dus vergunbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. SOORTENBESCHERMING Omdat op de betreffende locatie al een bedrijf was gevestigd (agrarisch), er geen vegetatie hoeft te worden verwijderd, geen bouwkundige sloopactiviteiten plaatsvinden en het gebied welke behoord tot de aanvraag zeer weinig potentie heeft voor beschermde soorten zal de aangevraagde oprichting van het bedrijf geen gevolgen hebben voor de soortenbescherming. EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risico's bij industriële activiteiten en het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving. Het betreft risico's die verbonden zijn met onder meer de productie, de opslag, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen, voor zover deze stoffen als gevolg van een voorval vrij kunnen komen. De nadruk van het veiligheidsbeleid ligt op een kwalitatieve benadering en heeft tot doel om het risico van (grote) ongevallen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven zo klein mogelijk te maken. Enerzijds door de kans dat dergelijke ongevallen plaatsvinden te verkleinen (preventie), anderzijds door de gevolgen van een eventueel ongeval te verkleinen (repressie). Binnen de inrichting zijn geen gevaarlijke stoffen of brandbare stoffen met hoge vuurbelasting en/of toxische verbrandingsproducten aanwezig.

Daarom is bij dit bedrijf niet te verwachten dat gevaarlijke stoffen vrijkomen. Het aspect externe veiligheid is voor deze inrichting niet relevant en daarom zijn in deze vergunning geen specifieke voorschriften opgenomen. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Het bedrijf is geen inrichting waarop het Bevi van toepassing is. Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) Het bedrijf is geen inrichting waarop het Brzo van toepassing is.

Pagina 23 van 47

LUCHTKWALITEIT De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wm. Artikel 5.16, eerste lid, Wm geeft aan hoe een vergunningaanvraag moet worden getoetst en onder welke voorwaarden deze kan worden verleend. Als aannemelijk is dat aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor de uitoefening van de bevoegdheid. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wm bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden (NO x als NO2) zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen. Indien verlening van de omgevingsvergunning gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit moet aandacht worden besteed aan de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor deze milieukwaliteitseisen. Volgens de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 moeten de concentraties worden bepaald vanaf de grens van het terrein van de inrichting. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland blijkt dat in de omgeving van onderhavige inrichting de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor NO2 op minder dan 11 µg/m3 lag in 2021. Hierbij wordt de grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie niet overschreden.

Uit de website van het RIVM blijkt dat overschrijdingen van de uurgemiddelde concentratie van 200 µg/m3 NO2 niet meer aan de orde zijn in Nederland. Er wordt dus voldaan aan bijlage 2 van de Wm. Wij hebben de te verwachte emissies van NO2 getoetst aan bovengenoemde grenswaarden. Hierbij zijn wij, gezien de lage achtergrondconcentratie, tot de conclusie gekomen dat er geen toename van de NO2-concentratie is te verwachten die zorgt voor een overschrijding van de normen uit bijlage 2 van de Wm. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland blijkt dat in de omgeving van de inrichting de jaargemiddelde achtergrondconcentratie voor zwevende deeltjes (PM10) in 2021 lag op minder dan 15 µg/m3. Hierbij wordt de grenswaarde van 40 µg/m3 als jaargemiddelde concentratie niet overschreden. De uurgemiddelde concentratie van 50 µg/m3 werd minder dan vijfendertig maal (één enkele keer in 2022 op het dichtbij zijnde meetpunt Wieringerwerf-Medemblikkerweg) per kalenderjaar overschreden. Er wordt dus voldaan aan bijlage 2 van de Wm. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m3. In Nederland wordt daar al aan voldaan. Uit de jaarlijkse achtergrondgegevens van het RIVM blijkt dat de achtergrondconcentraties van benzeen, zwaveldioxide, koolmonoxide, lood en ozon in Nederland laag zijn. Vanuit de activiteiten van de inrichting zijn geen concentraties te verwachten van die stoffen.

Uit de aanvraag blijkt dat geen toename van emissies van de in bijlage 2 van de Wm genoemde stoffen te verwachten is. Hoewel daarnaar geen expliciet onderzoek is verricht, is voldoende aannemelijk dat de luchtkwaliteit in de nabije omgeving van de inrichting door de aangevraagde activiteiten niet verslechtert, dit omdat gespoeld wordt met elektrische spoelmachines en er beperkte transportbewegingen zijn. Gelet op voorgaande verzet titel 5.2 van de Wm zich dan ook niet tegen het verlenen van de aangevraagde vergunning.

Pagina 24 van 47

VERKEER EN VERVOER Beleid In artikel 1.1 tweede lid, van de Wm is aangegeven dat onder de bescherming van het milieu ook moet worden verstaan de zorg voor het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het personen- en goederenverkeer van en naar de inrichting. De Wm biedt naast de mogelijkheden om de verkeersaantrekkende werking van een inrichting te beperken geen verdere mogelijkheid om harde voorschriften met betrekking tot verkeer en vervoer aan de vergunning te verbinden. Het is niet mogelijk in de vergunning een bepaalde vervoerwijze van goederen verplicht voor te schrijven, ook niet voor specifieke goederen stromen. Ook kan geen compleet goederenvervoersplan worden verlangd. Met betrekking tot het woon-werkverkeer en het zakelijk verkeer kan in de vergunning niet worden voorgeschreven dat personeelsleden uitsluitend met het openbaar vervoer naar het werk mogen gaan. De vergunning is daartoe een te beperkend instrument. De Wm biedt wel instrumenten om bedrijven te stimuleren het vervoer over de weg en de automobiliteit van werknemers/ bezoekers/ gebruikers terug te dringen. Gelet op de aard en omvang van de inrichting wordt dit niet noodzakelijk geacht.

Pagina 25 van 47

INHOUDELIJKE BEOORDELLING OMGEVINGSVERGUNNING BEPERKTE MILIEUTOETS OVERWEGING Bij het nemen van het besluit hebben wij het volgende overwogen. De aanvraag heeft betrekking op het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Voor een aantal activiteiten uit het Activiteitenbesluit hebben inrichtingen toestemming van het bevoegd gezag nodig voordat ze kunnen starten met deze activiteiten. Het doel van de OBM is dat vooraf ingestemd wordt met het van start gaan van een specifieke activiteit op een specifieke locatie. De OBM bestaat uit een instemming of een weigering. TOETSING Een OBM wordt aangevraagd voor het opslaan en opbulken van ten hoogste 10.000 ton kunststofafval, ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, waarbij geen van de uitzonderingen onder 1 en 2 van toepassing zijn, als bedoeld in artikel 2.2a, tweede lid, onder e, van het Bor. Ingevolge artikel 5.13b, tweede en vierde lid, van het Bor kan de OBM worden geweigerd in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen en op basis van artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Bibob).

Over deze weigeringsgronden merken wij het volgende op. Doelmatig beheer van afvalstoffen Bij de aanvraag voor de OBM is een notitie gevoegd ‘P220439_Memo_Beschouwing LAP3_v7’. In deze notitie staat beschreven welke afvalstoffen worden geaccepteerd (inclusief bijbehorende Euralcodes), hoe en wanneer de controle op acceptatie wordt uitgevoerd, hoe de verwerkingsroute van vrijkomende afvalstoffen verloopt, hoe de opslag plaatsvindt, hoe de opslag van afvalstoffen die vrijkomen bij het spoelen plaatsvindt, hoe de gehanteerde beheersingsmechanismen werken en hoe de afvoer van reststoffen is geregeld. Uit deze notitie blijkt dat afvalstromen worden gereinigd of gerepareerd met als doel hergebruikt of een voorbereiding op hergebruik. Verder worden indien blijkt dat hergebruik van vrijkomende afvalstoffen niet mogelijk is deze apart afgevoerd (naar een erkend verwerker). Gelet op voorgaande is er in dit geval sprake van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Bibob De gemeente Schagen heeft op 5 maart 2019 beleidsregels vastgesteld omtrent de toepassing Wet Bibob. Voor het onderdeel milieu van de aanvraag om de omgevingsvergunning is artikel 2.5 van toepassing. Artikel 2.5 Omgevingsvergunning milieu (beleidsregels gemeente Schagen omtrent Wet Bibob 2019) In geval van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e.

van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van die wet en artikel 2.1, eerste lid onder i. van de Wabo, voor zover dat onderdeel betrekking heeft op een activiteit waarvoor bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 2.17 van die wet is bepaald dat de beschikking in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, kan worden geweigerd, zal het bestuursorgaan in beginsel een Bibob-onderzoek starten, indien op grond van: • eigen ambtelijke informatie, en/of • informatie verkregen van het LBB, en/of • informatie afkomstig van een van de partners uit het samenwerkingsverband RIEC, en/of • vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 26 van de Wet Bibob (OM-tip) en/of • overige signalen vragen ontstaan of bestaan over de betrokkene (dan wel degene die op grond van artikel 2.20 van de Wabo met hem gelijkgesteld kan worden) en/of zijn potentiele, huidige of voormalige Bibobrelaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid van de Wet Bibob en/of over de organisatiestructuur en/of wijze van financiering. De gemeente Schagen heeft beoordeeld dat er geen gronden zijn om op basis van artikel 2.5 beleidsregels gemeente Schagen omtrent Wet Bibob 2019 een Bibob onderzoek te starten.

Pagina 26 van 47

CONCLUSIE Er zijn vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op de OBM ten aanzien van de aangevraagde activiteit geen redenen om de omgevingsvergunning (beperkte milieutoets) te weigeren.

CONCLUSIE Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het oprichten en in werking hebben van een inrichting zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren. In deze beschikking zijn voorschriften opgenomen.

Pagina 27 van 47

BEGRIPPEN ** VOOR ZOVER EEN DIN-, NEN-, NEN-EN-, OF NEN-ISO-NORM, ...: Voor zover in een voorschrift verwezen wordt naar een DIN-, DIN-ISO, NEN-, NEN-EN-, NEN-ISO-, NVNnorm, BRL, wordt de uitgave bedoeld die voor de datum waarop de vergunning is verleend het laatst is uitgegeven met tot die datum uitgegeven aanvullingen of correctiebladen. Indien er sprake is van reeds bestaande constructies, toestellen, werktuigen en installaties is -de norm, BRL van toepassing die bij de aanleg of installatie van die constructies, toestellen, werktuigen en installaties is toegepast, tenzij in het voorschrift anders is bepaald. Alle onderstaande verklaringen en definities zijn van toepassing op de in de voorschriften gebruikte benamingen en termen, aangevuld met, dan wel in afwijking van de in NEN 5880 (Afval en afvalverwijdering, Algemene termen en definities) gegeven verklaringen en definities.

BESTELADRESSEN: - PGS-richtlijnen zijn digitaal verkrijgbaar via www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl - DIN, DIN-ISO, NEN, NEN-EN, NEN-ISO, NVN-normen en NPR-richtlijnen bij: Nederlands Normalisatie-instituut (NEN), Afdeling verkoop Postbus 5059 2600 GB DELFT telefoon (015) 269 03 91 telefax (015) 269 01 90 www.nen.nl - BRL-richtlijnen bij: KIWA Certificatie en Keuringen Postbus 70 2280 AB RIJSWIJK telefoon (070) 414 44 00 telefax (070) 414 44 20 - InfoMil is het informatiecentrum in Nederland over milieu wet- en regelgeving. www.InfoMil.nl AFVALBEHEERPLAN: Afvalbeheerplan, bedoeld in artikel 10.3 van de Wm. AFVALSTOFFEN: Het begrip afvalstoffen is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm: Alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. AS SIKB 6700: Accreditatieschema Inspectie bodembeschermende voorzieningen, onderliggende protocollen en examenreglement.

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT): Voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die - kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld. BODEMBEDREIGENDE ACTIVITEIT: Elke activiteit die een risico van verontreiniging van de bodem met zich meebrengt, als gevolg van de aard van die activiteit en als gevolg van de fysische en chemische eigenschappen van de stoffen waarmee de activiteit wordt uitgevoerd. Bij het vaststellen of een activiteit bodembedreigend is worden eventuele maatregelen en voorzieningen die zijn getroffen om het risico van die activiteit uit te sluiten buiten beschouwing gelaten. BODEMBEDREIGENDE STOF:

Pagina 28 van 47

Stof die overeenkomstig het Stoffenschema van de NRB 2012 de bodem kan verontreinigen. BODEMBESCHERMENDE MAATREGEL: Op de gebezigde stoffen en gebruikte bodembeschermende voorziening toegesneden handeling gericht op reparatie, schoonmaak, onderhoud, actie bij incidenten, bedrijfsinterne controle, inspectie of toezicht ter voorkoming van bodemverontreiniging waarvan de uitvoering is gewaarborgd. BODEMBESCHERMENDE VOORZIENING: Een vloeistofkerende voorziening, een vloeistofdichte vloer of verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening, ter voorkoming van immissies in de bodem. BODEMRISICO: De kans op en omvang van een bodemverontreiniging door een bedrijfsmatige activiteit. BODEMRISICOANALYSE: Inventarisatie methode om bodemrisico('s) vast te stellen. BODEMRISICODOCUMENT: Document dat inzicht geeft in het risico van bodemverontreiniging. Hiertoe wordt per bodembedreigende activiteit overeenkomstig de bodemrisicochecklist uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bepaald of met de aanwezige of voorgenomen combinatie van voorzieningen en maatregelen sprake is of zal zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico. EMBALLAGE: Verpakkingsmateriaal, zoals glazen en kunststof flessen, blikken en kunststof cans, metalen en kunststof vaten of fiberdrums, papieren en kunststof zakken, houten kisten, big-bags en intermediate bulkcontainers (IBC's).

EMISSIE: Uitworp van één of meer verontreinigende stoffen naar de lucht (vracht per tijdeenheid). ENERGIEKOSTEN: Alle kosten zoals vermeld op de eindafrekening van het energiebedrijf die samenhangen met het verkrijgen van aardgas, elektriciteit, warmte (uit een distributienet) en andere brandstoffen (stookolie, gasolie, diesel) voor de gebouwen, faciliteiten en processen in de inrichting, maar exclusief de kosten gemaakt voor brandstoffen voor motorvoertuigen. Voor aardgas moet met name worden meegenomen basisprijs, brandstofheffing, calorische toeslag, energieheffing (regulerende energiebelasting), vastrecht en BTW. Voor elektriciteit moet met name worden meegenomen de kosten voor normaaluren en laagtariefuren (is afhankelijk van kWh-verbruik), kW-tarief continu en piekuren (is afhankelijk van het opgestelde vermogen), brandstofkosten, transformatorverliezen, energieheffing, vastrecht en BTW. GELUIDBELASTING: De etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau. GELUIDSNIVEAU IN DB(A): Het niveau van het ter plaatse optredende geluid, uitgedrukt in dB(A), overeenkomstig de door de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC) terzake opgestelde regels, zoals neergelegd in de IEC-publicatie no. 651, uitgave 1989. GEVAARLIJKE AFVALSTOF: Afvalstof die een of meer van de in bijlage III bij de kaderrichtlijn afvalstoffen genoemde gevaarlijke eigenschappen bezit.

GEVAARLIJKE STOFFEN: Gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. IPPC-RICHTLIJN: Richtlijn 96/61/EG, de Europese richtlijn Integrated Pollution Prevention and Control. LANGTIJDGEMIDDELD BEOORDELINGSNIVEAU (LAr,LT): Het A-gewogen gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid en zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van

Pagina 29 van 47

impulsachtig geluid, tonaal geluid of muziekgeluid, vastgesteld en beoordeeld overeenkomstig de 'Handleiding meten en rekenen industrielawaai', uitgave 1999. MAXIMALE GELUIDNIVEAU (LAmax): Het hoogste A-gewogen geluidsniveau, afgelezen in de meterstand 'fast', verminderd met de meteocorrectieterm Cm. De meterstand 'fast' komt overeen met een tijdconstante van 125 ms. NEN: Een door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) uitgegeven norm. NRB: Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten, Informatiecentrum Milieuvergunningen. NULSITUATIE-ONDERZOEK: Onderzoek naar de kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) op die plaatsen van de inrichting waar potentieel bodembedreigende activiteiten plaatsvinden of zullen plaatsvinden en dat is gericht op die verontreinigende stoffen die ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting in de bodem kunnen geraken. NUTTIGE TOEPASSING: Elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijnafvalstoffen.

OPENBAAR VUILWATERRIOOL: Voorziening voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater, in beheer bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast. OVERSLAAN: het kortdurend stallen van containers met afval, bijvoorbeeld containers die door schepen worden aangevoerd en daarna door voertuigen worden verder getransporteerd, of andersom; het overbrengen van afval in een groter transportmiddel, bijvoorbeeld vanuit de chemokar naar grotere vrachtwagens. Het kan daarbij gaan om afval dat door rechtspersoon A is ingezameld of wordt getransporteerd en tijdelijk binnen de inrichting van rechtspersoon B wordt overgeslagen; het stallen van met afval geladen voertuigen, bijvoorbeeld het overnachten van een volle vrachtwagen op een inrichting. PGS: Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, onder verantwoordelijkheid van vier departementen uitgebrachte richtlijnen voor opslag en handling van gevaarlijke stoffen. De adviesraad gevaarlijke stoffen heeft voor het tot stand komen van deze richtlijnen een adviserende taak. PGS richtlijnen zijn te downloaden via www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. PGS 15: 2016 Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15, Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Richtlijn voor brandveiligheid, arbeidsveiligheid en milieuveiligheid. Downloaden via www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl.

PREVENTIE: Maatregelen die worden genomen voordat een stof, materiaal of product afvalstof is geworden, ter vermindering van: • de hoeveelheden afvalstoffen, al dan niet via het hergebruik van producten of de verlenging van de levensduur van producten; • de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid, of • het gehalte aan schadelijke stoffen in materialen en producten. RECYCLING: Nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met inbegrip van het opnieuw

Pagina 30 van 47

bewerken van organische afvalstoffen, en met uitsluiting van energieterugwinning en het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal. REPRESENTATIEVE BEDRIJFSSITUATIE: Toestand waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode. STORTGOED: Onverpakt korrelvormig materiaal. TERUGVERDIENTIJD: De verhouding tussen het investeringsbedrag voor de maatregel na aftrek van eventuele subsidies en de jaarlijkse opbrengsten van de maatregel ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing en andere besparingen. In geval van een investering in een installatie voorzien van afzonderlijke energiebesparende componenten moet in plaats van het totaalinvesteringsbedrag worden gerekend met de meerinvestering ten opzichte van een installatie zonder de energiebesparende componenten. Voor de berekening van de financiële opbrengsten ten gevolge van de met de maatregel samenhangende energiebesparing moet worden gerekend met de op het moment van het besparingsonderzoek geldende kosten (tarieven) voor de betrokken inrichting. Er wordt geen rekening gehouden met de eventuele kosten van het (vervroegd) uit bedrijf nemen van een installatie en niet met rentekosten.

VERWAARLOOSBAAR BODEMRISICO: Een situatie als bedoeld in de NRB waarin door een goede afstemming van bodembeschermende voorzieningen en bodembeschermende maatregelen sprake is van een verwaarloosbaar bodemrisico. VERWERKING: Nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen. VLOEISTOFDICHT Met een vloeistofdichte voorziening wordt bedoeld een constructie zoals een vloer, verharding, wand, bassin, bedrijfsriolering, inclusief fundering, doorvoeren, aansluitingen en overige detailleringen, opgebouwd uit bouwstoffen, die in samenhang waarborgt dat geen bodembedreigende vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die constructie kan komen. VLOEISTOFDICHTE VLOER OF VOORZIENING: Vloer of verharding inclusief afvoer en aansluitende leidingen/riolering direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer, verharding of voorziening kan komen; VLOEISTOFKERENDE VOORZIENING: Een voorziening die in staat is vrijgekomen stoffen zo lang te keren dat deze kunnen worden opgeruimd voordat indringing in de bodem plaats kan vinden (overeenkomstig Activiteitenbesluit). WONING: Een gebouw of deel van een gebouw dat voor bewoning gebruik wordt of daartoe is bestemd.

Pagina 31 van 47

Bijlage III Voorschriften De volgende voorschriften hebben wij aan de omgevingsvergunning verbonden: Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, lid 1, onder c en artikel 2.12 Wabo) •

Bij het uitvoeren van de werkzaamheden dienen de voertuigen en machines te worden gebruikt zoals opgegeven in de AERIUS-berekening.

Voor wat betreft het spoelen van de netten in het bassin wordt de volgende voorwaarde gesteld: •

Er mag géén water vanuit het bassin of vanaf de verharding worden geloosd of worden afgevloeid naar het oppervlaktewater.

Milieu (artikel 2.1, lid 1, onder e en artikel 2.14 Wabo) (vergunning)

1.

Algemeen

1.1 Gedragsvoorschriften 1.1.1 Installaties of onderdelen van milieurelevante installaties welke buiten bedrijf zijn gesteld, moeten zijn verwijderd binnen een termijn van 4 weken tenzij deze in een goede staat van onderhoud verkeren. 1.1.2 Milieurelevante installaties, onderdelen en filterende technieken worden periodiek onderhouden, verkeren in goede staat van onderhoud en worden zo vaak als voor de goede werking nodig is, schoongemaakt en vervangen. 1.1.3 In geval van bedrijfsbeëindiging of bij een faillissement moeten alle in de inrichting aanwezige afvalstoffen c.q. gevaarlijke (afval)stoffen binnen een termijn van 2 maanden volgens de hierop van toepassing zijnde wet- en regelgeving worden afgevoerd. 1.2 Registratie en onderzoeken 1.2.1 In de inrichting moet een centraal registratiesysteem aanwezig zijn waarin informatie omtrent onderhoud, metingen, keuringen, controles en gegevens van relevante milieuonderzoeken worden bijgehouden. In het registratiesysteem moet ten minste de volgende informatie zijn opgenomen: a. de schriftelijke instructies voor het personeel (ook voor derden); b. de resultaten van in de inrichting uitgevoerde milieucontroles, keuringen, inspecties, metingen, registraties en onderzoeken; c. meldingen van ongewone voorvallen die van invloed zijn op het milieu, met vermelding van datum, tijdstip en de genomen maatregelen; d.

registratie van het energie- en waterverbruik; e. de voortgangsrapportages van energiebesparing; f. registratie van klachten van derden omtrent milieuaspecten en daarop ondernomen acties; g. een afschrift van de vigerende omgevingsvergunning(en) met bijbehorende voorschriften en meldingen; h. registratie van geaccepteerde, aanwezige en afgevoerde afvalstoffen; i. metingen van peilbuizen en indien van toepassing grondpartijen; j. registratie van partijen afgevoerde grond. 1.2.2 De in het vorig voorschrift bedoelde informatie moet ten minste gedurende 5 jaar worden bewaard en beschikbaar zijn voor de daartoe bevoegde ambtenaren. Pagina 32 van 47

2.

Afval

2.1 Afvalscheiding 2.1.1 Inrichtinghouder is verplicht de volgende afvalstromen1 te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden aan te bieden dan wel zelf af te voeren: a. papier en karton; b. Kunststofafval; c. HDPE-netten; d. Houtafval; e. Metaalafval; f. Tarra (afkomstig van de tulpenbollennetten); g. Grond/slib (gebaggerd uit bassin); h. GFT. 2.1.2 Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen die vrijkomen bij onderhoudswerkzaamheden en bij het verwijderen van gemorste dieselolie, smeerolie en/of hydraulische olie, moeten worden bewaard in vloeistofdichte en afgesloten emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen. 2.2 Opslag van afvalstoffen 2.2.1 De op- en overslag en het transport van afvalstoffen moeten zodanig plaatsvinden dat zich geen afval in of buiten de inrichting kan verspreiden. Mocht onverhoopt toch verontreiniging van het openbaar terrein rond de inrichting plaatsvinden, dan moeten direct maatregelen worden getroffen om deze verontreiniging te verwijderen. 2.2.2 De verpakking van gevaarlijk afval moet zodanig zijn dat: a. niets van de inhoud uit de verpakking kan ontsnappen; b. het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen; c.

deze tegen normale behandeling bestand is; d. deze is voorzien van een etiket, waarop de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen. 2.3 Acceptatie 2.3.1 In de inrichting mag ten hoogste 10.000 ton kunststof, 10.000 m3 grond en 50.000 houten Pallets van de hieronder vermelde afvalstoffen per kalenderjaar en op enig moment worden opgeslagen. Eural hoofdstuk code

1

Hoofdstukken van de lijst

02 01 01

Slib van wassen en schoonmaken

02 01 03

Afval van plantaardig weefsel

02 01 04

Afval van landbouw kunststofafval (exclusief verpakkingen)

17 02 01

Hout

Zie tabel 2 in LAP3, Deel B, paragraaf B.3.5.2 Landelijk afvalbeheerplan 2017 – 2029 Ministerie van IenW. Pagina 33 van 47

17 05 03*

Grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten

2.3.2 De inrichtinghouder moet altijd minimaal handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en de AO/IC welke is vastgelegd in het document: Memo_Beschouwing_LAP3_v7datum 19 januari 2023 kenmerk P220439. 2.3.3 Indien bij de controle van aangevoerde afvalstoffen blijkt dat deze niet mogen worden geaccepteerd, moeten deze afvalstoffen door inrichtinghouder binnen een termijn van 3 weken worden afgevoerd naar een inrichting die beschikt over de vereiste vergunning(en). 2.4 Registratie 2.4.1 In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde (afval)stoffen en van alle aangevoerde stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden gebruikt het volgende moet worden vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangevoerde hoeveelheid (kg/ton en m3); • Grond/slib in m3, kunststof in kg/ton en houtenpallets in stuks; c. de naam en adres van de locatie van herkomst; d. de naam en adres van de ontdoener; e. de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen; f. de euralcode g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing). 2.4.2 In de inrichting moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle afgevoerde (afval)stoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen zijn ontstaan het volgende moet worden vermeld: a. de datum van afvoer; b.

de afgevoerde hoeveelheid (kg/ton en m3); • Grond/slib in m3, kunststof in kg/ton en houtenpallets in stuks; c. de afvoerbestemming; d. de naam en adres van de afnemer; e. de gebruikelijke benaming van de (afval)stoffen; f. de euralcode; g. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

2.4.3 Van de ontvangen afvalstoffen die op grond van een acceptatievoorschrift van deze vergunning niet mogen worden geaccepteerd moet een registratie bijgehouden worden waarin staat vermeld: a. de datum van aanvoer; b. de aangeboden hoeveelheid (kg/ton en m3); • Grond/slib in m3, kunststof in kg/ton en houtenpallets in stuks; c. de naam en adres van plaats herkomst; d. de reden waarom de afvalstoffen niet mogen worden geaccepteerd; e. de euralcode; f. het afvalstroomnummer (indien van toepassing).

Pagina 34 van 47

2.4.4 Alle op grond van dit hoofdstuk te registreren gegevens moeten dagelijks worden bijgehouden en samen met de in voorschrift 2.4.1 tot en met 2.4.3 genoemde rapportage gedurende ten minste vijf jaar binnen de inrichting worden bewaard en aan de daartoe bevoegde ambtenaren op aanvraag ter inzage worden gegeven.

3.

Bodem

3.1 Doelvoorschriften 3.1.1 Een bodembedreigende activiteit moet door het treffen van een combinatie van maatregelen en voorzieningen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico, zoals gedefinieerd in de NRB 2012 of als zodoende op genomen in de voorschriften. 3.2 Vloeren 3.2.1 Een binnen de inrichting als bodembeschermende voorziening toegepaste vloeistofdichte vloer of verharding inclusief de daarop aansluitende afvoeren met leidingen/bedrijfsriolering moet overeenkomstig de norm AS SIKB 6700 zijn beoordeeld en goedgekeurd door een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. 3.2.2 Een vloeistofdichte vloer of verharding inclusief de daarop aansluitende afvoeren met leidingen/bedrijfsriolering moet ten minste eens per zes jaar en direct na aanleg zijn beoordeeld en zijn goedgekeurd overeenkomstig voorschrift 3.2.1 3.2.3 Inrichtinghouder draagt zorg voor reparatie en regelmatig onderhoud van de vloeistofdichte vloer of verharding. 3.2.4 Inrichtinghouder draagt zorg voor een jaarlijkse controle van de vloeistofdichte vloer overeenkomstig AS SIKB 6700. 3.2.5 Morsingen en lekkages worden altijd direct verholpen en opgeruimd.

3.2.6 Bevindingen van controles en onderhoud aan vloeistofdichte voorzieningen naar aanleiding van acties genomen na incidenten met bodembedreigende stoffen, die mogelijk hebben geleid tot een bodemverontreiniging, worden opgenomen in een logboek dat te allen tijde beschikbaar is voor het bevoegd gezag. 3.2.7 Binnen de inrichting is de vloer voor de opslag van de grond van onbekende kwaliteit, bollennetten met aanhangende grond, de gespoelde netten en de locatie van de spoelmachines ten minste vloeistofdicht en wordt hierbij voldaan aan voorschrift 3.2.1 t/m 3.2.4 3.2.8 Vloeistof afkomstig van de vloeistofdichte vloer zoals bedoeld in voorschrift 3.2.7, wordt middels een vloeistofdichte afvoer en leidingen/riolering afgevoerd naar het bezinkbassin.

Pagina 35 van 47

3.3 Bodemonderzoek 3.3.1 Uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de inrichting wordt een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit toegezonden aan het bevoegd gezag. In dit rapport wordt ten minste vermeld: a. de naam en adres van degene die het onderzoek heeft verricht; b. de wijze waarop het onderzoek is verricht; c. de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigende stoffen en de herkomst daarvan; d. de mate waarin de bodemkwaliteit is gewijzigd ten opzichte van de situatie bij de oprichting of de verandering van de inrichting voor zover die situatie is vastgelegd in een rapport; e. de wijze waarop en de mate waarin de bodemkwaliteit wordt hersteld als bedoeld in voorschrift 3.3.3 en 3.3.4. 3.3.2 Het onderzoek en rapport, bedoeld in voorschrift 3.3.1, wordt uitgevoerd onderscheidenlijk opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

3.3.3 Indien uit het rapport, bedoeld in voorschrift 3.3.1, blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten in de inrichting is aangetast of verontreinigd, draagt degene die de inrichting drijft er zorg voor dat binnen zes maanden na toezending van dat rapport aan het bevoegd gezag de bodemkwaliteit is hersteld, zoals deze is vastgelegd in het nulsituatie bodemonderzoek, Vlam Bodem Advies BV, 18 december 2021, Projectnummer: 051004418. Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is. 3.3.4 Aanvullend op voorschrift 3.3.3 is naast de parameters zoals vastgelegd in de nulsituatie bodemonderzoek Vlam Bodem Advies BV, 18 december 2021, Projectnummer: 051004418, tevens aanvullend onderzoek nodig naar de in de huidige teelt gebruikte bestrijdingsmiddelen. Omdat het uitgevoerde nulsituatie bodemonderzoek niet toereikend is voor de volledige bodembedreigende activiteit, moeten de in de huidige teelt gebruikte bestrijdingsmiddelen parameters welke niet zijn vastgelegd in het nulsituatie bodemonderzoek, vergeleken worden met de achtergrondwaarde zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Herstel vindt plaats voor zover dat met de beste beschikbare technieken redelijkerwijs haalbaar is.

3.3.5 Het herstel van de bodemkwaliteit als bedoeld in voorschrift 3.3.3 en 3.3.4 wordt uitgevoerd door een persoon of een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Besluit bodemkwaliteit. 3.3.6 De inrichtinghouder meldt de aanvang en de afronding van de werkzaamheden, bedoeld in voorschrift 3.3.3 en 3.3.4, direct aan het bevoegd gezag. 3.3.7 Het onderzoek, bedoeld in voorschrift 3.3.1, voldoet aan NEN 5740 en richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen of vormden en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, zullen plaatsvinden dan wel hebben plaatsgevonden.

Pagina 36 van 47

3.4 Aanvullende voorschriften voorzieningen 3.4.1 Een lekbak waarin vloeibare bodembedreigende stoffen in verpakking wordt opgeslagen, heeft een opvangcapaciteit van ten minste 110% van de inhoud van de grootste verpakkingseenheid, met dien verstande dat de opvangcapaciteit ten minste 10% is van de inhoud van alle opgeslagen stoffen.

4.

Energie

4.1 Algemeen 4.1.1 Het jaarlijks energieverbruik moet overeenkomstig voorschrift 1.2.1 én 1.2.2 worden geregistreerd. Er kan worden volstaan met het bewaren van de energienota's. 4.1.2 Degene die de inrichting drijft neemt alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van vijf jaar of minder. 4.1.3 De terugverdientijd van energiebesparende maatregelen wordt berekend met de volgende formule: TVT = (I + F)/B, waarin: • TVT: de terugverdientijd in jaren; • I: de (meer)investering in euro’s; • F: de kosten voor de financiering van de (meer)investering in euro’s; • B: de jaarlijkse kostenbesparing in euro’s. Er wordt bij het berekenen van de terugverdientijd geen rekening gehouden met inflatie of verwachtingen over toekomstige prijsontwikkelingen. Bij de berekening van de kosten en baten wordt geen rekening gehouden met effecten op te betalen vennootschapsbelasting.

5.

Geluid en trillingen

5.1 Algemeen 5.1.1 Het meten en berekenen van de geluidsniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai, uitgave 1999.

5.2 Representatieve bedrijfssituatie 5.2.1 Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunt niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt

Beoordelingshoogte [in m]

Op de gevel van de 1,5 en 4,5 woning gelegen aan hoogte t.o.v. de Nieuwe maaiveld Polderweg 5 te Waarland

Pagina 37 van 47

Dag (LAr,LT ) [in dB(A)] 7.00-19.00 uur 35

Avond Nacht (LAr,LT ) [in dB(A)] (LAr,LT ) [in 19.00- 23.00 uur dB(A)] 23.00-7.00 uur 30 25

5.2.2 Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunt niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt Beoordelings- Dag hoogte (LAmax) [in [in m] dB(A)] 7.00-19.00 uur Op de gevel van 1,5 en 4,5 50 de woning hoogte t.o.v. gelegen aan de maaiveld Nieuwe Polderweg 5 te Waarland

Avond Nacht (LAmax) [in dB(A)] (LAmax) [in 19.00- 23.00 uur dB(A)] 23.00-7.00 uur 45 45

5.2.3 De in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur opgenomen maximale geluidsniveaus L Amax zijn niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

6.

Licht

6.1 Algemeen De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgesteld dan wel zijn afgeschermd dat hinder afkomstig van directe lichtstraling wordt voorkomen al dan niet tot een maximum beperkt bij woningen van derden.

7.

Opslag van gespoelde grond in een bassin

7.1 Aanleg en onderhoud 7.1.1 Het bassin voor de opslag van gespoelde grond is aangelegd en wordt onderhouden overeenkomstig paragraaf 4 van de ‘Handreiking aanleg beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector’, versie 2.0, datum 20 februari 2014. 7.1.2 De zand- en slipvanger wordt zo vaak als voor de goede werking nodig is geledigd 7.2 Inspectie 7.2.1 Het bassin mag pas in gebruik worden genomen als blijkt uit de oplevercontrole dat deze voldoet aan paragraaf 4.4 van de ‘Handreiking aanleg beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector’, versie 2.0, datum 20 februari 2014 en het eerste onderzoek is gedaan van de peilbuizen conform voorschrift 8.3.1. De rapportage van de oplevercontrole en het onderzoek van de peilbuizen wordt aangeboden aan het bevoegd gezag. 7.2.2 Monitoring (inspecties) van het bassin zoals bedoeld in voorschrift 7.1.1 dient te worden uitgevoerd door een onafhankelijk deskundige overeenkomstig paragraaf 4.4 van de ‘Handreiking aanleg beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector’, versie 2.0, datum 20 februari 2014.

Pagina 38 van 47

7.2.3 Iedere vijf jaar wordt een inspectie uitgevoerd overeenkomstig hoofdstuk 5 van de ‘Handreiking aanleg beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector’, versie 2.0, datum 20 februari 2014. 7.3 Monitoring grondwater 7.3.1 Een maal per jaar wordt er een onderzoek uitgevoerd naar de grondwaterkwaliteit in de peilbuizen zoals weergeven in figuur 2. Monsters van peilbuizen worden onderzocht op de (huidige) in de teelt gebruikte bestrijdingsmiddelen en mogen de vastgestelde concentratiewaarde van 0,1 μg/l per stof niet overschrijden. Alvorens het bassin in gebruikt wordt genomen moet het eerste onderzoek zijn uitgevoerd. Het onderzoek bestaat in ieder geval uit onderzoek naar de werkzame stoffen: a. Abamectine; b. Acetamiprid; c. Boscalid; d. Captan; e. Cyprodinil; f. Deltamethrin; g. Dimethenamide-P; h. Esfenvaleraat; i. Fenpyrazamine; j. Flonicamid; k. Fludioxonil; l. Fluopyram; m. Flutolanil; n. Folpet; o. Glyfosaat; p. Kresoxim-methyl; q. Mepanipyrim; r. Metamitron; s. Napropamide; t. Prothioconazool; u. Pyraclostrobine; v. Quinmerac; w. Tebuconazool; x. Tolclofos-methyl; y. Trifloxystrobin.

= peilbuis

Figuur 1 locatie peilbuizen

Pagina 39 van 47

7.3.2 In het geval een overschrijding wordt gemeten, wordt over de resultaten van het onderzoek een rapport overlegd met het bevoegd gezag. 7.3.3 Indien blijkt dat er een overschrijding wordt gemeten of als op andere wijze blijkt dat er een risico is op het ontstaan van een mogelijke bodem- of grondwaterverontreiniging, dient de inrichtinghouder onmiddellijk maatregelen te treffen die toezien op het voorkomen dan wel beperken van de bodemen/of grondwaterverontreiniging en in overleg te treden met het bevoegd gezag.

Pagina 40 van 47

Bijlage VI Aandachtspunten De volgende aandachtspunten behoren bij het besluit met zaaknummer O-22-0408: Algemeen •

Om beschadiging van kabels en leidingen en ongelukken te voorkomen dient u, ook bij het eventueel plaatsen van een informatiebord contact op te nemen met het KLIC (Kabels en Leidingen Informatie Centrum), telefoon 0800-0080.

•

Wij wijzen u erop dat als de bij de bouw vrijkomende grond en/of puin van het betreffende bouwperceel wordt afgevoerd deze aanvullend moet worden onderzocht conform het Besluit bodemkwaliteit of aan een erkende verwerker moet worden aangeboden.

•

Wij zijn een zogenaamde “Moor” gemeente. Dit houdt in dat bij (graaf)werkzaamheden in de openbare ruimte, de aannemer of grondroerder een aanvraag moet doen in Moor. Moor is te bereiken via www.moorwerkt.nl.

•

Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg is niet toegestaan zonder toestemming. Dit soort werkzaamheden dienen in overleg met de gemeente Schagen te worden uitgevoerd. Neemt u hiervoor minimaal 3 weken voor aanvang van de werkzaamheden contact op met een van de vergunningverleners van het team Veiligheid Plus via het algemene telefoonnummer van de gemeente Schagen (0224 210 400) of stuur een email naar vergunningen@schagen.nl.

•

In het burgerlijk wetboek (boek 5, titel 4) staan rechten en plichten van burgers vermeld. Wij willen u erop wijzen dat er rechten van derden worden genoemd, die er mogelijk voor zorgen dat u geen gebruik kunt maken van uw omgevingsvergunning.

Aandachtspunten uit de wet- en regelgeving •

U bent verplicht te bouwen volgens de bepalingen uit de Bouwverordening Schagen 2017 gemeente Schagen en het Bouwbesluit 2012.

•

Op het bouwterrein moet deze omgevingsvergunning inclusief bijlagen aanwezig zijn. Op verzoek van Toezicht en Handhaving moeten deze ter inzage worden gegeven.

•

Op de dag van beëindiging van de bouwwerkzaamheden waarvoor deze omgevingsvergunning is verleend, dient u dit te melden bij Toezicht en Handhaving. Zij zijn te bereiken via telefoonnummer (0224) 210 400 of via toezicht@schagen.nl. Het is verboden het bouwwerk in gebruik te geven of te nemen als het bouwwerk niet gereed is gemeld bij Toezicht en Handhaving.

•

Wij kunnen besluiten de verleende omgevingsvergunning in te trekken indien u niet binnen 26 weken, na de dag waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is geworden, begint met het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden.

•

Het bouwterrein moet tijdens de werkzaamheden op een doeltreffende wijze afgescheiden worden van de weg en/of het aangrenzende terrein.

Pagina 41 van 47

Bijlage V Nota zienswijzen Zienswijze Op 20 april 2023 is er een zienswijze ontvangen op de ontwerp omgevingsvergunning. De zienswijze is ingediend door Besstrade B.V. (concurrent). Deze zienswijze heeft betrekking op de volgende punten. 1.

Belanghebbende;

2.

Hergebruk of afval; Next Generation beweert dat 95% van de ingezamelde netten kunnen worden hergebruikt;

3.

Healix staat te koop en neemt niets meer aan;

4.

Potentiële milieuramp;

5.

Strijd met bestemmingsplan, geen landelijk bedrijf;

6.

Geen landschappelijke inpassing mogelijk;

7.

Opslag van netten en aanhangende grond > 10.000 ton;

8.

Vloeistofdichte vloer;

9.

Bezinkbassin;

10. Omgevingsvergunning bouwen; 11. Gedoogbeschikking en handhaving; 12. Deugdelijke administratie ontbreekt. Conclusie op zienswijze De zienswijze geeft aanleiding om enkele zaken aan te passen/anders te besluiten dan in het ontwerp besluit is aangegeven. De wijzigingen hebben betrekking op het volgende: -

Er is op dit moment geen sprake van het terugleveren/hergebruiken van netten. Mogelijk in de toekomst wel, maar nu is het bedrijf daar (nog) niet klaar voor. Alles wordt dus gerecycled tot korrels. Dit, en het proces/de werkwijze, is in de aanvraag aangepast/nader uitgewerkt (o.a. in de ruimtelijke onderbouwing en in het besluit).

-

Voor de vloer is wel een activiteit bouwen benodigd. Dit is aan het besluit toegevoegd. Daarnaast is middels een berekening aannemelijk gemaakt dat de vloeistofdichte vloer stabiel is. De berekening is aan het besluit toegevoegd.

Het besluit omgevingsvergunning blijft verder inhoudelijk ongewijzigd. Reactie op zienswijze 1.

Belanghebbende a.

Reactie gemeente

Op een ontwerp omgevingsvergunning die ter inzage wordt gelegd mag een ieder reageren. Of iemand belanghebbend is wordt niet beoordeeld. 2.

Hergebruk of afval; Next Generation beweert dat 95% van de ingezamelde netten kunnen worden hergebruikt. a.

Reactie gemeente

Hier zit wat verschil in definities. Wat wordt verstaan onder hergebruik? Bij navraag bij de aanvrager is gebleken dat hiermee bedoeld wordt dat de netten worden gerecycled tot korrels. Alle netten worden gespoeld en vervolgens gerecycled tot korrels. De indiener van de zienswijze bedoelde wat anders met hergebruik; de netten opnieuw gebruiken. Dat is dus inderdaad niet het geval. Overigens is dat wel een toekomstbeeld voor aanvrager, maar nu nog niet realiseerbaar.

Pagina 42 van 47

Dit zal in de aanvraag worden aangepast (o.a. de ruimtelijke onderbouwing wordt hierop aangepast). b.

Reactie Omgevingsdienst

Next Generation moet gezien worden als afvalverwerkingsbedrijf Het besluit ziet toe op de aanvraag voor het spoelen van de bollennetten bij Next Generation BV. Activiteiten die elders plaatsvinden vallen buiten de reikwijdte van de aanvraag. Voorschriften bij vergunning ontbreken In bijlage III van het ontwerpbesluit staan de voorschriften die aan omgevingsvergunning zijn verbonden. Hoofdstuk 2 gaat in op voorschriften die toezien op de activiteiten met betrekking tot afvalstoffen. Met betrekking tot de inzameling van bollennetten is geen afvalpreventie mogelijk. Dit omdat dit juist een van de primaire bedrijfsactiviteiten is waarbij een inkomen wordt gegenereerd. Daarbij wordt opgemerkt dat afvalpreventie gaat over de preventie (het voorkomen) dat een afvalstof ontstaat. Next Generation BV. verwerkt de gebruikte netten en heeft geen invloed op het proces buiten de eigen inrichting waar de afvalstof ontstaan. De afvalstoffen zoals de kartonnen spoel die binnen de inrichting ontstaan worden hergebruikt of tot een minimum beperkt 3.

Healix staat te koop en neemt niets meer aan a.

Reactie gemeente

Aanvrager heeft navraag gedaan bij Healix, maar zij weten hier zelf niets van. Bovendien gaat deze aanvraag alleen over wat er op deze locatie gebeurt. 4.

Potentiële milieuramp a.

Reactie aanvrager

De foto’s zijn van twee jaar geleden en daarmee niet relevant. In de huidige situatie zijn alle netten op de gecertificeerde vloeistofdichte vloer geplaatst. HDPE netten zijn praktisch onbrandbaar. Een milieuramp kan niet voorkomen. b.

Reactie Omgevingsdienst

In bijlage III van het ontwerpbesluit staan de voorschriften die aan omgevingsvergunning zijn verbonden. Hoofdstuk 2 gaat in op voorschriften die toezien op de activiteiten met afvalstoffen. Hierbij is een maximale hoeveelheid aan bollennetten (maximaal 10.000 ton) in voorschrift 2.3.1 opgenomen. Op dit voorschrift wordt toezicht gehouden en zo nodig gehandhaafd. Bij naleving van de voorschriften zou geen overschot mogen ontstaan zoals in het aangehaalde voorbeeld TUF recycling. c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683420/1