CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

30. Ontwerpbesluit inclusief nota zienswijzen geanonimiseerd

Oordeelsvormende vergadering 10 oktober 2023, gemeente SchagenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen aanvraag omgevingsvergunning Nieuwe Polderweg 6 in Waarland19.763 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Next Generation B.V.

Bezoekadres Laan 19, 1741 EA Schagen Postadres Postbus 8, 1740 AA Schagen Tel. (0224) 210 400 Fax (0224) 210 455 postbus8@schagen.nl

Datum Ons kenmerk

www.schagen.nl

n.t.b.

@SchagenGemeente

O-22-0408

Gemeente Schagen

Contact Onderwerp

omgevingsvergunning

Bijlagen

diversen

KVK 56838328

Afschrift

Prommenz B.V.,

Bank NL72BNGH0285156748 BIC-code BNGHNL2G

Geachte Op 22 juli 2022 heeft u een aanvraag voor een omgevingsvergunning gedaan voor het in bedrijf hebben van een pallethandel (inclusief reparaties), het opslaan, bewerken en spoelen van bollennetten en het omzetten van een tijdelijke naar een permanente ontsluiting op het perceel Nieuwe Polderweg 6, 1738 DP in Waarland, kadastraal bekend gemeente Harenkarspel, sectie K, nummer 453, 630 en 920. Deze aanvraag is geregistreerd onder zaaknummer O-22-0408. Voor de realisering van het project heeft u de volgende activiteit(en) aangevraagd: • •

bouw (artikel 2.1, lid 1, onder a Wabo). uitvoeren van een werk/werkzaamheden (artikel 2.1, lid 1, onder b Wabo).

•

handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo).

•

oprichten/veranderen/in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo).

•

omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1, lid 1, onder i Wabo).

Tevens heeft u verzocht de verleende vergunning O-18-0473 voor de pallethandel op het perceel Weelweg 15a te Waarland in te trekken. Besluit Op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verlenen wij u de omgevingsvergunning voor het in bedrijf hebben van een pallethandel (inclusief reparaties), het opslaan, bewerken en spoelen van bollennetten en het omzetten van een tijdelijke naar een permanente ontsluiting op het perceel Nieuwe Polderweg 6 in Waarland. De omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteit(en): •

bouw (artikel 2.1, lid 1, onder a Wabo).

•

het uitvoeren van een werk/werkzaamheden (artikel 2.1, lid 1, onder b Wabo).

•

handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo).

•

oprichten/veranderen/in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo).

•

omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1 lid 1 onder i Wet algemene bepalingen omgevingsrecht).

Bij beantwoording ons kenmerk vermelden.

Pagina 1 van 47

Op basis van artikel 2.33, lid 2, onder b van de Wabo wordt de omgevingsvergunning O-18-0473 voor de pallethandel op het perceel Weelweg 15a te Waarland ingetrokken. De overwegingen om de omgevingsvergunning te verlenen zijn als bijlage toegevoegd. Inwerkingtreding vergunning Deze omgevingsvergunning treedt in werking op de dag na afloop van de beroepstermijn. Dit betekent dat u pas zes weken na bekendmaking van dit besluit mag beginnen met de werkzaamheden. Dit staat in artikel 6.1, lid 2 onder a van de Wabo. Als tijdens de termijn voor het indienen van een beroepschrift bij de bevoegde rechter een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan, dan treedt dit besluit niet eerder in werking dan nadat op dat verzoek is beslist. Publicatie besluit De bekendmaking van het besluit publiceren wij op de website www.overheid.nl. Voorschriften en aandachtspunten Wij hebben aan de omgevingsvergunning aandachtspunten toegevoegd die vanuit wet- en regelgeving gelden. Daarnaast hebben wij aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden. Deze hebben wij als bijlage toegevoegd aan de omgevingsvergunning en dient u na te leven. Betaling leges Wij brengen leges in rekening voor het behandelen van uw aanvraag. U ontvangt hiervan een gespecificeerde aanslag.

Bijbehorende documenten De onderstaande gewaarmerkte stukken en bijlagen maken onderdeel uit van de vergunning: bijlage I Overwegingen; Bijlage II Advies Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord; bijlage III Voorschriften; bijlage IV Aandachtspunten; bijlage V Nota zienswijzen; 1.

publiceerbaar aanvraagformulier, ingekomen 22 juli 2022;

2.

begeleidende brief intrekken vergunning (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

3.

ruimtelijke onderbouwing v1.6 (geanonimiseerd), ingekomen 24 augustus 2023;

4.

omgevingsvergunning milieu def 3.0 geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

5.

toetsing aan milieucatergorie (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

6.

akoestisch onderzoek, ingekomen 16 december 2022;

7.

landschappelijk inpassing Nextgeneration BV (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

8.

inrichtingstekening v6, ingekomen 9 november 2022;

9.

schets bassin V02, ingekomen 7 november 2022;

10.

dwarsdoorsnede bezinkbassin 2.0, ingekomen 7 november 2022;

11.

HWA systeem met put olieafscheider en zandvanger, ingekomen 16 december 2022;

12.

KvK-uittreksel incl. code lijst van bedrijven (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

13.

toegestane bestrijdingsmiddelen tulpenteelt, ingekomen 7 november 2022;

14.

nulsituatie bodemonderzoek, ingekomen 22 juli 2022;

15.

partijkeuring grond (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

16.

melding_aimsessie_aii7zw42a3u_16-12-2022 (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

17.

erfverharding Jimmink, ingekomen 9 november 2022; Pagina 2 van 47

18.

AERIUS rapportage, ingekomen 14 maart 2023;

19.

AERIUS berekening incl. GML bestanden, ingekomen 14 maart 2023;

20.

bodemrisicochecklist (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

21.

memo beschouwing LAP3 (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

22.

memo beschouwing bezinkbassin V5 (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

23.

rapport bezinkbassin 2022 (geanonimiseerd), ingekomen ;

24.

certificaten, ingekomen 25 augustus 2022;

25.

Mailcontact ODNHN en KAVB (geanonimiseerd), ingekomen ;

26.

afschriften besluit HHNK, ingekomen 25 oktober 2022;

27.

Controle milieubeheer en activiteitenregeling (geanonimiseerd), ingekomen 8 maart 2023;

28.

Zienswijze, ingekomen op 20 april 2023;

29.

Instabiliteitsberekeningen, ingekomen op 31 juli 2023.

Heeft u vragen? Neemt u dan contact op via

Houd het zaaknummer bij de

hand, zodat ik u sneller kan helpen. Schagen, n.t.b. Met vriendelijke groet, namens burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen

de heer Casemanager FL, taakveld Bouwzaken en Procedures Deze brief is digitaal ondertekend.

Beroep instellen Tegen dit besluit kan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd gedurende zes weken beroep worden ingesteld. Beroep kan worden ingediend door: -

belanghebbenden;

-

niet-belanghebbenden die tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht;

-

niet-belanghebbenden die redelijkerwijs niet kan worden verweten niet tijdig een zienswijze naar voren te hebben gebracht.

U kunt in beroep gaan door een brief (beroepschrift) te sturen naar de Rechtbank Noord-Holland, Postbus 1621, 2003 BR, Haarlem. In uw brief vermeldt u in ieder geval de datum van uw brief, uw naam, adres, het besluit waartegen u beroep instelt en alle redenen waarom u in beroep gaat. Vergeet niet uw handtekening te zetten. Uw beroepschrift houdt niet de werking van het besluit tegen. Wilt u om spoedeisende redenen niet dat het besluit in werking treedt, dan kunt u binnen de beroepstermijn een verzoek om een voorlopige voorziening indienen bij de Rechtbank Noord-Holland.

Pagina 3 van 47

Aan het besluit met zaaknummer O-22-0408 liggen de volgende inhoudelijke overwegingen ten grondslag:

Algemeen Procedure Het besluit is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure zoals bedoeld in paragraaf 3.3 van de Wabo. Volledigheid Op 25 augustus 2022 bent u door ons in de gelegenheid gesteld om uw aanvraag compleet te maken. U heeft op 10 oktober 2022 aanvullende gegevens ingediend. Uw aanvraag bevat voldoende informatie voor een goede beoordeling van de gevolgen van uw aanvraag op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is daarom volledig en wij hebben deze in behandeling genomen. De indieningsvereisten staan in de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Vooroverleg In het kader van het wettelijke vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro is de aanvraag toegezonden aan de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). In het voortraject is veelvuldig overleg geweest met het HHNK. Het waterschap kon zich uiteindelijk vinden in de plannen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat er geen water uit het bassin of vanaf de verharding wordt geloosd dan wel wordt afgevloeid op het oppervlaktewater. Indien dit onverhoopt toch aan de orde is, dient direct contact te worden opgenomen met het waterschap. De provincie was akkoord met de plannen. Ter inzage legging De aanvraag en de ontwerp omgevingsvergunning met bijbehorende stukken hebben met ingang van 20 maart 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen.

Gedurende deze periode is er één zienswijze ingediend door een concurrerend bedrijf. De zienswijze is als bijlage opgenomen evenals de Nota Zienswijzen. De ingediende zienswijze heeft tot enkele aanpassingen geleid: -

Er is op dit moment geen sprake van het terugleveren/hergebruiken van netten. Mogelijk in de toekomst wel, maar nu is het bedrijf daar (nog) niet klaar voor. Alles wordt dus gerecycled tot korrels. Dit, en het proces, is in de aanvraag aangepast/nader uitgewerkt (o.a. in de ruimtelijke onderbouwing en in het besluit).

-

Voor de vloeistofdichte vloer is wel een activiteit bouwen benodigd. Dit is aan het besluit toegevoegd. Daarnaast is middels een berekening aannemelijk gemaakt dat de vloeistofdichte vloer stabiel is. De berekening is aan het besluit toegevoegd.

Verder is de aanvraag dan wel het besluit niet aangepast. Door omwonenden zijn géén zienswijzen ingediend. Verklaring van geen bedenkingen Artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht bepaalt dat voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo wordt afgeweken van het bestemminsplan pas verleend kan worden nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.

Pagina 4 van 47

Op 3 januari 2013 heeft de gemeenteraad categorieën gevallen aangewezen waarin geen verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5 van het Bor is vereist. Het aangevraagde bouwplan past niet direct binnen de aangewezen categorieën van gevallen. Een dergelijke verklaring van de raad is dan ook vereist. De ontwerpverklaring van geen bedenkingen heeft tegelijkertijd met het ontwerpbesluit en de bijbehorende stukken vanaf 20 maart 2023 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is er zoals eerder vermeld één zienswijze ingediend. Wel zienswijzen De gemeenteraad heeft vervolgens, aan de hand van de ingediende zienswijze, in haar vergadering van xxxx 2023 besloten de verklaring van geen bedenkingen wel/niet af te geven. Publicatie De bekendmaking van de aanvraag is op 19 augustus 2022 gepubliceerd op de website www.overheid.nl. De bekendmaking van het besluit wordt ook door ons gepubliceerd op de website www.overheid.nl.

Pagina 5 van 47

Activiteit bouw (artikel 2.1, lid 1, onder a en artikel 2.10 Wabo) Voor de spoelmachines, de vloerstofdichte vloer en het realiseren van een nieuwe gevel ter plaatse van de oostelijke overkapping voor de pallets is de activiteit ‘bouwen’ nodig. Dit deel van het project is beoordeeld aan de toetsingscriteria als bedoeld in artikel 2.10 van de Wabo. Bouwbesluit 2012 en Bouwverordening Schagen 2017 De aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens maken aannemelijk dat wordt voldaan aan de voorschriften zoals gesteld in het Bouwbesluit 2012 en de Bouwverordening Schagen 2017. Bodem Volgens artikel 2.4.1 van de Bouwverordening Schagen 2017 mag een bouwwerk, waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, niet worden gebouwd op een zodanig verontreinigde bodem, dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers. De aanwezigheid van mensen is ondergeschikt bij de genoemde bouwwerken. De bouwverordening is dan ook niet van toepassing. Bestemmingsplan Het perceel waarop de aangevraagde activiteit betrekking heeft, ligt in de bestemmingsplannen “Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche”, “Parkeren” en “Landelijk Gebied Harenkarspel”. Volgens laatstgenoemd plan heeft het perceel de enkelbestemming “Bedrijf” en voor een deel de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie 4” en voor het andere deel “Waarde-Archeologie 5”.

Op het perceel zit tevens de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – landelijk bedrijf”. Op de plek waar de weg wordt gesitueerd rust de bestemming “Agrarisch met waarden”. De aanvraag past niet binnen de bestemmingsplanvoorschriften. Concreet is het gevraagde in strijd met: •

artikel 3.1.a waarin is bepaald dat de voor “Agrarisch met waarden” aangewezen gronden zijn bestemd voor agrarisch gebruik. De toegangsweg is echter niet voor agrarische doeleinden;

•

artikel 4.1, lid b waarin is bepaald dat de voor “Bedrijf” aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven welke zijn opgenomen in categorie 1 en 2 van de in bijlage II ‘Staat van bedrijven’ opgenomen bedrijfsactiviteiten. De pallethandel (plus reparaties) valt niet onder categorie 1 en 2, maar onder milieucategorie 3.1;

•

artikel 4.2, onder e, sub 2 waarin is bepaald dat bouwwerken, geen gebouw zijnde maximaal 3 meter hoog mogen zijn. De spoelmachines zijn 4,5 meter hoog en zijn dan ook in strijd.

Voor de volledigheid wordt hier opgemerkt dat het opslaan, bewerken en spoelen van bollennetten past binnen de regels van het bestemmingsplan. Deze bedrijfsactiviteiten vallen onder de begripsbepaling van “Landelijk bedrijf”. Afwijking van de regels is mogelijk. De overwegingen om af te wijken vindt u verderop onder de kop “Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening”. Welstand Wij hebben uw aanvraag ambtelijk getoetst aan de welstandscriteria zoals genoemd in de welstandsnota van de gemeente Schagen. Uw aanvraag voldoet aan deze welstandscriteria en voldoet daarmee aan redelijke eisen van welstand.

Pagina 6 van 47

Aanleg (artikel 2.1, lid 1, onder b en artikel 2.11 Wabo) De toegangsweg is reeds aanwezig. Het betreft echter een tijdelijke vergunning. Middels deze aanvraag wordt het permanent vergund. In de paragraaf ‘Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening’ is onderbouwd waarom de toegangsweg ruimtelijk acceptabel is. Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, lid 1, onder c en artikel 2.12 Wabo) Wij zijn bereid om medewerking te verlenen aan uw project. Dit kunnen wij doen met gebruik van artikel 2.12, lid 1, onder a onder 3° (Wabo). Onze overwegingen hiervoor worden hieronder nader gemotiveerd: Het college is op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3 Wabo bevoegd om af te wijken van het bestemmingsplan op het moment dat de gevraagde activiteiten niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat. Het besluit is gemotiveerd met een goede ruimtelijke onderbouwing. Op basis van de ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening en zijn wij bereid medewerking te verlenen aan het gevraagde plan. Naast de ruimtelijke onderbouwing behoort medewerking tot de mogelijkheden, omdat: •

er reeds bedrijven zijn toegestaan;

•

toegestane bedrijven al een bepaalde uitstraling/aangezicht/ruimtelijke impact kunnen hebben;

•

het bedrijf nu juist zoveel mogelijk landschappelijk wordt ingepast (bomensingel), waardoor het zicht op het bedrijf beperkt is dan wel ruimtelijk acceptabel;

•

de spoelmachines maar relatief beperkt afwijken van de voorschriften en deze voor de omgeving niet of nauwelijks waarneembaar zijn.

•

de impact op de omgeving beperkt is dan wel er geen onevenredige hinder zal plaatsvinden;

•

er milieutechnisch geen bezwaren zijn (wordt hierna nader toegelicht);

•

met de omgeving rekening is gehouden door de aanvoerroute van de vrachtwagens aan te passen door een nieuwe toegangsweg aan te leggen. De vrachtwagens komen nu niet meer direct langs de woningen, die in de nabijheid van het bedrijf zijn gelegen. De inrit is reeds aanwezig (tijdelijk) en wordt nu definitief gemaakt.

•

een toegangsweg wel is toegestaan bij een agrarische functie, mits de cultuurhistorisch waardevolle verkavelingspatronen niet worden aangetast. Dat wordt hier niet aangetast en dus zou een dergelijke weg ruimtelijk reeds mogelijk zijn.

Het belangrijkste punt zijn de milieuaspecten. De bedrijvigheid dient geen onevenredige hinder te veroorzaken voor de omgeving. In de ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat dit niet het geval is. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor omliggende woningen. Het milieuverhaal is tweeledig. Enerzijds in het kader van de ruimtelijke afwijkingsprocedure en anderzijds in het kader van het in werking hebben van een inrichting (‘milieuvergunning’). De activiteit ‘het oprichten/veranderen/in werking hebben van een inrichting’ wordt hierna behandeld. Kort gezegd komt het er op neer dat de inrichting milieutechnisch gezien kan worden uitgevoerd (onder voorwaarden). Wat betreft een goede ruimtelijke ordening is de ruimtelijke onderbouwing getoetst door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Zij hebben aangegeven akkoord te zijn met de aangeleverde stukken en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen.

Pagina 7 van 47

Gelet op het bovenstaande zijn wij van oordeel dat er geen zwaarwegende redenen zijn om geen medewerking te verlenen aan het ingediende bouwplan. Milieu (artikel 2.1, lid 1, onder e en artikel 2.14 Wabo) De inrichting op het perceel Nieuwe Polderweg 6, 1738 DP in Waarland voldoet, met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften, aan de beste beschikbare technieken (BBT) ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissie, afvalpreventie, externe veiligheid, lichthinder en energiebesparing. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf in de inhoudelijke beoordeling. Uit onderstaande en de inhoudelijke beoordeling volgt dat met betrekking tot het onderdeel milieu de gevraagde omgevingsvergunning onder voorschriften ter bescherming van het milieu kan worden verleend. Aan de vergunning verbinden wij de bijgevoegde voorschriften. Voor zover de vergunningaanvraag niet in overeenstemming is met de gestelde voorschriften met betrekking tot de activiteit milieu zijn de voorschriften bepalend. Voor dit onderdeel Milieu hebben wij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) om advies verzocht. Bij de totstandkoming van het advies van de OD NHN zijn de bij deze vergunning behorende documenten betrokken.

De OD NHN heeft geadviseerd om de vergunning voor het oprichten van de inrichting te verlenen onder het opleggen van voorschriften. In de bijlage is de tekst voor de omgevingsvergunning onderdeel milieu opgenomen. De voor deze toestemming relevante stukken zijn als gewaarmerkte documenten opgenomen in de omgevingsvergunning. Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo) De aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden maken aannemelijk dat voldoende rekening is gehouden met de bescherming van het milieu.

Pagina 8 van 47

Bijlage II Advies Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord Zaaknumer OD.379999/DMS379999 Milieu (artikel 2.1, lid 1, onder e en artikel 2.14 Wabo) (vergunning) OVERWEGINGEN De inrichting Next Generation B.V. aan de Nieuwe Polderweg 6 te Waarland voldoet, met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften aan de beste beschikbare technieken (hierna: BBT) ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissie, afvalpreventie, externe veiligheid, lichthinder en energiebesparing. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf in de inhoudelijke beoordeling. Uit onderstaande en de inhoudelijke beoordeling volgt dat met betrekking tot het onderdeel milieu de gevraagde omgevingsvergunning onder voorschriften ter bescherming van het milieu kan worden verleend. Aan de vergunning verbinden wij de bijgevoegde voorschriften. Voor zover de vergunningaanvraag inclusief de bijbehorende stukken niet in overeenstemming zijn met de gestelde voorschriften met betrekking tot de activiteit milieu, zijn de voorschriften bepalend. Aard van de inrichting Het bedrijf is een inrichting in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Dit omdat er sprake is van een bedrijfsmatige activiteit die voor langere tijd wordt uitgevoerd binnen een zekere begrenzing die staat genoemd in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) De vergunningaanvraag heeft betrekking op een inrichting die voldoet aan de omschrijving uit bijlage I, onderdeel C, categorie 28, onderdeel 28.10 en artikel 2.2a, tweede lid onder e, van het Bor. 28.10 Inrichtingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen, mits deze niet zijn uitgezonderd. Categorie 28.10, onder 24 (uitzondering op de vergunningsplicht van categorie 28): het opslaan, verkleinen, reinigen, extruderen en spuitgieten van kunststof, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstoffen en met een maximale opslagcapaciteit van 10.000 ton; Categorie 28.10, onder 27 welke gaat over ‘het opslaan van ten hoogste 10.000 kubieke meter grond en baggerspecie die voldoet aan de eisen van de artikelen 39, 59 of 60 van het Besluit bodemkwaliteit’, is niet van toepassing. Er is namelijk sprake van grond van onbekende kwaliteit. Daarnaast is artikel 2.2a, tweede lid, onder e, van het Bor van toepassing.

In deze categorie is de activiteit ‘het opslaan en opbulken van ten hoogste 10.000 ton kunststofafval, ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft’ aangewezen als een activiteit waarvoor een Omgevingsvergunning onderdeel milieu (hierna: OBM) nodig is. De in dit artikel genoemde uitzonderingen zijn niet van toepassing. Hoewel de inzameling van de gebruikte kunststofnetten valt onder de uitzondering zoals genoemd in bijlage I, categorie 28.10, onder 24, van het Bor, geldt de uitzondering niet voor de aanhangende grond. De grond is van onbekende kwaliteit en valt daarom niet onder de uitzondering van categorie 28.10, onder 27 van bijlage I van het Bor. Daarbij valt het innemen en het repareren van de houten afvalpallets ook niet onder een uitzondering. Hierdoor is categorie 28 van toepassing en is voor het uitvoeren van de activiteit een omgevingsvergunning onderdeel milieu nodig. Voor de opslag en inzameling van het kunststofafval is tevens een OBM noodzakelijk. De toets in het kader van de OBM heeft in dit geval onlosmakelijke samenhang met de aanvraag voor de omgevingsvergunning, dus vindt in dezelfde besluitvorming plaats.

Pagina 9 van 47

INHOUDELIJKE BEOORDELING Inleiding Op 22 juli 2022 is een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels van de ruimtelijk ordening voor de locatie aan de Nieuwe Polderweg 6 te Waarland. Uit onderliggende stukken van die aanvraag is gebleken dat die aanvraag ook toeziet op het aspect bouwen en het oprichten van een inrichting. Op 19 januari 2023 is de aanvraag hierop aangevuld met een aanvraag ingediend bij de gemeente Schagen voor een omgevingsvergunning onderdeel milieu, bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in combinatie met een aanvraag voor een OBM. Het betreft een aanvraag van Prommenz B.V. namens Next Generation B.V. (hierna: bedrijf) voor het oprichten van een bedrijf voor de nuttige toepassing van afvalstoffen, categorie 28.10 van bijlage I, onderdeel C van het Bor, aan de Nieuwe Polderweg 6 in Waarland (hierna: locatie). Het bedrijf bestaat uit twee hoofdactiviteiten namelijk het innemen en bewerken/spoelen van afval bestaande uit kunststoftulpenbollennetten (hierna: netten) met aanhangende grond van onbekende kwaliteit en het repareren van houten afvalpallets voor hergebruik.

Vergunningsituatie Voor het bedrijf is op 26 mei 2021 een melding in het kader van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) ingediend voor het oprichten van een bedrijf voor het repareren van houten pallets en het spoelen van netten. Bij de beoordeling van die melding is geoordeeld dat de aangevraagde activiteiten behoren tot de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning onderdeel milieu in combinatie met een OBM nodig is. De aanvrager is over die beoordeling op 11 mei 2022 geïnformeerd in een brief met kenmerk 349264. Activiteitenbesluit milieubeheer Op 1 januari 2008 is het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling Activiteitenregeling milieubeheer (hierna Activiteitenregeling) in werking getreden. Met het Activiteitenbesluit wordt de vergunningplicht voor het onderdeel milieu voor de meeste inrichtingen opgeheven. Alleen grote industriële-inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C van het Bor blijven op grond van de Wabo vergunningplichtig. Inrichtingen waarvoor de vergunningplicht geldt zijn een zogeheten ‘inrichting type C’. In het Activiteitenbesluit en in de Activiteitenregeling worden regels gesteld die ook op type Cinrichtingen van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit dient een inrichting voor de betreffende activiteiten te worden gemeld. De aanvraag biedt die gegevens welke genoemd zijn in artikel 1.10. Wij beschouwen de aanvraag om omgevingsvergunning daarom tevens als melding. Artikelen die rechtstreeks van toepassing zijn op een type C-inrichting worden niet als voorschrift(en) in de omgevingsvergunning opgenomen. Aan deze beschikking zijn voor bedoelde activiteiten dan ook geen aanvullende voorschriften gesteld. Dit betekent dat een drijver van de inrichting voor die bewuste activiteiten de betreffende paragrafen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling voor de van toepassing zijnde regelgeving moet raadplegen. De volgende onderdelen uit het Activiteitenbesluit zijn van toepassing: • Afdeling 2.1 Zorgplicht (alleen voor activiteiten uit hoofdstuk 3); • Afdeling 2.3 Lucht en geur; • Paragraaf 3.1.3 Het lozen van hemelwater, dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening; • Paragraaf 3.1.4. Behandelen van huishoudelijk afvalwater op locatie; • Paragraaf 3.4.3. Opslaan en overslaan van goederen (alleen voor inerte goederen). Aan deze beschikking zijn voor deze activiteiten geen (aanvullende) voorschriften gesteld.

Daarnaast wordt opgemerkt dat eventueel maatwerk ook niet in een omgevingsvergunning wordt opgenomen, maar via een aparte procedure moet worden opgelegd. Dit laatste is thans niet aan de orde.

Pagina 10 van 47

Aanvraag Bij de beoordeling van het onderdeel milieu van de aanvraag hebben wij de onderstaande documenten betrokken: Naam

datum

P220439_Ruimtelijke onderbouwing_v1.6

19-1-2023

P21627_Omgevingsvergunning_milieu_ Next Generation_def 3.0

15-12-2022

P21627_Toetsing aan milieucategorie_v4

14-12-2022

P220439_akoestisch onderzoek NG Waarland

2-12-2022

P220439_begeleidende brief intrekken vergunning

7-11-2022

P220439_Landschappelijke inpassing Next Generation B.V.

10-10-2022

P220439_detailtekening vloeistofdichte vloer_v3

8-11-2022

Bijlage 1.01_P220439_Inrichting_v6

8-11-2022

_02_V02_Schets bassin met afmetingen-2

18-8-2022

Bijlage 1.05_P21627_Doorsnede bassin_2.0

13-10-2022

Bijlage 1.06_P220439_Indeling HWA systeem_v1

12-12-2022

KvK-uittreksel

14-2-2022

Toegestane bestrijdingsmiddelen tulpenteelt

29-4-2022

Bodemonderzoek

18-12-2021

Partijkeuring grond

25-3-2022

P220439_melding_aimsessie_aii7zw42a3u_16-12-2022

16-12-2022

Bijlage 6.01 Erfverharding Jimmink

29-4-2022

P220439_Bodemrisicochecklist_v6

15-12-2022

P220439_Memo_Beschouwing LAP3_v7

19-1-2023

Goedkeuring ODNHN

24-8-2021

Mailcontact ODNHN en KAVB

22-7-2022

Bijlage 11.01_P21627_Memo_Beschouwing bezinkbassin_v5

14-12-2022

Bijlage 11.02 Rapport bezinkbassin Next Generation 2022

9-12-2022

Bijlage 12.01 Certificaten_def

24-8-2022

AERIUS

15-3-2023

GML bestanden AERIUS

14-3-2023

Toelichting op de AERIUS

14-3-2023

Uitbreiding-Next-Generation-B.V._Papieren-formulier-(PDF)_19-01-2023

19-1-2023

P220439_vergunning - Waterbassin en grondwateronttrekking

12-1-2023

Wij zijn, na de ontvangst van de aanvulling, van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook ontvankelijk en in behandeling genomen. Aanleiding van de aanvraag Aanleiding voor deze aanvraag is het voornemen van Next Generation B.V. om aan de Nieuwe Polderweg 6 in Waarland een bedrijf op te richten voor de nuttige toepassing van afvalstoffen, namelijk het spoelen van gebruikte tulpenbollennetten en de reparatie van houtenpallets. De vergunningaanvraag heeft betrekking op een inrichting die voldoet aan de omschrijving uit bijlage I, onderdeel C, categorie 28, onderdeel 28.10 (omgevingsvergunning onderdeel milieu) en artikel 2.2a, tweede lid, onder e (OBM), van het Bor. Bevoegd gezag Gelet op het bovenstaande, alsmede op het bepaalde in artikel 3.1 uit hoofdstuk 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de daarbij horende bijlagen zijn wij het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen of (gedeeltelijk) te weigeren. Daarbij

Pagina 11 van 47

dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd.

PROCEDURE Voorbereiding De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.10 van de Wabo, afdeling 3.4 Awb en afdeling 13.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Ontvankelijkheid Artikel 2.8 van de Wabo biedt de grondslag voor een geharmoniseerde regeling van de indieningsvereisten. Dit betreft de gegevens en bescheiden die bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moeten worden ingediend om tot een ontvankelijke aanvraag te komen. De regeling is uitgewerkt in paragraaf 4.2 van het Bor, met een nadere uitwerking in de Mor. De aanvraag is getoetst op ontvankelijkheid en bevat voldoende informatie. Activiteiten en ligging De activiteiten betreffen een nuttige toepassing van afvalstoffen. De inrichting omvat: • Inzameling, opslag, spoelen/bewerken van gebruikte netten met aanhangende grond van onbekende kwaliteit; • Het repareren van houten afvalpallets voor hergebruik. Bestemmingsplan De ingediende aanvraag is niet conform het vigerende bestemmingsplan. Gelet hierop is tevens een aanvraag ‘Handelen in strijd met regels Ruimtelijke Ordening ingediend (onderdeel van deze aanvraag). Coördinatie en aanhouding Er is geen sprake van het lozen van stoffen als bedoeld in artikel 6.1 van de Waterwet. Gelet op voorgaande is geen vergunning noodzakelijk op grond van de Waterwet.

Besluit milieueffectrapportage De in de aanvraag beschreven activiteiten vallen niet onder onderdeel C of D van het Besluit milieueffectrapportage. Voor de aangevraagde activiteiten hoeft dus geen milieueffectrapport te worden opgesteld of een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. IPPC-installatie Vanaf 1 januari 2013 is de Europese richtlijn industriële emissies (RIE) in de Nederlandse milieuwetgeving geïmplementeerd (richtlijn 2010/75/EU, PbEU L334). De RIE geeft milieueisen voor de installaties die genoemd staan in de bij de richtlijn horende bijlage I. Wanneer een installatie daar genoemd is, spreken we van een IPPC-installatie. De activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd, leidt niet tot een overschrijding van de ondergrenswaarden van de RIE. De inrichting betreft geen IPPC-installatie, een beoordeling op grond van de RIE, zoals deze is geïmplementeerd in de Wm en Wabo, is voor deze inrichting niet van toepassing. Ter inzage De aanvraag, ontwerpbeschikking en overige bijbehorende stukken hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage gelegen bij de gemeente Schagen. De publicatie was geplaatst op de website: www.officielebekendmakingen.nl. Zienswijzen Gedurende de periode van terinzagelegging kon een ieder zijn zienswijzen schriftelijk dan wel mondeling naar voren brengen. Zoals bekend is er één zienswijze ingediend.

Hiervoor wordt verwezen naar de Nota Zienswijzen. Qua milieuaspecten heeft de zienswijze geen inhoudelijke wijzigingen tot gevolg gehad. Enkel is de werkwijze van het bedrijf duidelijker in beeld gebracht.

Pagina 12 van 47

TOETSING WABO MILIEU ALGEMEEN De aanvraag heeft betrekking op het oprichten en in werking hebben van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder e en i, van de Wabo. Wij gaan in dit hoofdstuk (toetsing Wabo milieu) enkel in op de aanvraag in het kader van artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder e. Voor deze inrichting gelden algemene regels uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Activiteitenregeling. Voor een aantal onderwerpen waarop de aanvraag betrekking heeft, blijft het nodig om deze in een vergunningprocedure te toetsen en daaraan mogelijk specifieke voorschriften te verbinden. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het toetsingskader voor het onderdeel milieu. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing oprichten Bij onze beslissing op de aanvraag hebben wij: de aspecten genoemd in artikel 2.14, eerste lid, onder a tot en met c van de Wabo betrokken; Hieronder gaan wij eerst in op de betrokken aspecten. Voor wat betreft de aspecten waarmee wij rekening hebben gehouden en die wij in acht hebben genomen, verwijzen wij naar de bespreking van de afzonderlijke milieucompartimenten in het toetsingsdocument milieu. Daarbij beperken wij ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn.

Gelet op artikel 2.14, eerste lid, onder a van de Wabo hebben wij de volgende aspecten betrokken bij de beslissing op de aanvraag: 1. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken; 2. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan; 3. de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu; 4. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen 5. het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting drijft, met betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting voert.

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT) Algemeen In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk bij voorkeur bij de bron te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. BBT-conclusies worden door de Europese Commissie vastgesteld en bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden niet meer apart aangewezen in de Mor. Als voor een activiteit of op een type productieproces binnen de inrichting waarvoor een vergunning is aangevraagd, geen BBTconclusies van toepassing zijn of informatiedocumenten niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, moet het bevoegd gezag de BBT zelf vaststellen.

Hierbij houdt het bevoegd gezag in ieder geval rekening met: • de toepassing van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken; • de toepassing van minder gevaarlijke stoffen; • de ontwikkeling, waar mogelijk, van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen;

Pagina 13 van 47

vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd; • de vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis; • de aard, de effecten en de omvang van de betrokken emissies; • de data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen; • de tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen; • het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energieefficiëntie; • de noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico's voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken; • de noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. De op een van deze criteria vastgestelde BBT moet een milieubeschermingsniveau garanderen dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau in de BBT-conclusies. •

Concrete bepaling beste beschikbare technieken Binnen de inrichting worden geen activiteiten uit bijlage 1 van de RIE uitgevoerd. Gelet op voorgaande is de RIE niet van toepassing. Voor een bedrijf welke netten spoelt zijn geen aparte BBTconclusies van toepassing. Wij hebben bij het bepalen van de BBT rekening gehouden met de volgende informatiedocumenten over de BBT, zoals aangewezen in de bijlage behorende bij de Mor: Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB) 2012. Voor een verdere beschouwing van de beste beschikbare technieken, verwijzen wij naar de afzonderlijke toetsing aan de relevante milieucompartimenten. AFVAL Afvalpreventie Preventie van afval is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. In deel B2 van het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP3) is het beleid uitgewerkt voor afvalpreventie. In Nederland is een separaat afvalpreventieprogramma vastgesteld. Afvalpreventie is ook onderdeel van het programma ‘Van Afval Naar Grondstof’ (VANG). Met het uitvoeren van het programma VANG is de uitvoering van het afvalpreventieprogramma voor een belangrijk deel gewaarborgd. Zowel het LAP3 als de genoemde programma’s bevatten geen kwantitatieve doelstellingen voor afvalpreventie bij bedrijven. Om invulling te geven aan dit aspect is de handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven ‘(InfoMil 2005) als toetsingskader gebruikt.

Uitgangspunt voor alle bedrijven is dat het ontstaan van afval zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt. De Handreiking ‘Wegen naar preventie bij bedrijven’ hanteert ondergrenzen die de relevantie van afvalpreventie bepalen. Hierin wordt gesteld dat afvalpreventie relevant is wanneer er jaarlijks meer dan 25 ton (niet gevaarlijk) bedrijfsafval en/of meer dan 2,5 ton gevaarlijk afval binnen de inrichting vrijkomt. De totale hoeveelheid afval ligt boven de gehanteerde ondergrenzen. Het bedrijf heeft echter een beperkte invloed op de hoeveelheden afvalstoffen, omdat deze van buiten de inrichting afkomstig zijn. Het bedrijf verwerkt afvalstoffen van bollentellers. De hoeveelheid afval welke wordt verwerkt, is afhankelijk van de hoeveelheden die worden ingezameld. Wij vinden het om die reden niet nodig een preventie-onderzoek dan wel aanvullende maatregelen voor te schrijven. Afvalscheiding In deel B3 van het LAP3 is het beleid uitgewerkt voor afvalscheiding, waarbij paragraaf B 3.5 specifiek ingaat op de afvalscheiding door bedrijven. Daarbij is aangegeven dat het voor bedrijfsafval niet goed mogelijk is een limitatieve opsomming te maken van afvalstoffen die door alle bedrijven gescheiden moeten worden gehouden. Bedrijven verschillen van aard en omvang veel van elkaar en er bestaat een groot aantal bedrijfsspecifieke afvalstoffen.

Uitgangspunt is dat bedrijven verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet van hen kan worden gevergd. In de aanvraag is aangegeven welke afvalstoffen gescheiden worden gehouden en gescheiden worden afgevoerd. In het LAP3 is aangegeven dat voor deze hoeveelheden die vrijkomen binnen een inrichting scheiding van die afvalstoffen kan worden verlangd. Wij achten het in de voorliggende situatie dan ook redelijk om een nadere afvalscheiding voor te schrijven. Een verdergaande scheiding

Pagina 14 van 47

is redelijkerwijs niet mogelijk. Bij het opstellen van de voorschriften hebben wij hiermee rekening gehouden. Op 1 mei 2002 is in Nederland de Regeling Europese Afvalstoffenlijst (Eural) in werking getreden. Eural is een samenvoeging van de Europese lijst van gevaarlijke afvalstoffen en de Europese afvalstoffencatalogus. Eural stelt een lijst vast van afvalstoffen en geeft een systematiek voor het beoordelen of afvalstoffen moeten worden aangemerkt als gevaarlijk- of bedrijfsafval. De binnen de inrichting vrijkomende afvalstoffen zijn getoetst aan de Eural. Bij de beoordeling van de aanvraag en bij de op te leggen voorschriften zijn de Handreiking "Wegen naar preventie bij bedrijven" en overige zoals het Landelijk Afvalbeheerplan/Eural betrokken. Doelmatig beheer van afvalstoffen Het beleid met betrekking tot afvalverwerking is gericht op het doelmatig beheer van afvalstoffen, zoals gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wm. In dat kader houden wij rekening met het LAP3, waaronder begrepen deel E (minimumstandaard per specifieke afvalstroom). De doelstellingen van het LAP3 geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen: a. preventie; b. voorbereiding voor hergebruik; c. recycling; d. andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; e. veilige verwijdering.

De minimumstandaard geeft de minimale hoogwaardigheid aan van de verwerking van een bepaalde afvalstof of categorie van afvalstoffen. Deze minimumstandaard is bedoeld om te voorkomen dat afvalstoffen laagwaardiger worden verwerkt dan wenselijk is. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende be- en verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke bewerkingsstappen een vergunning worden verleend mits de totale verwerking voldoet aan de minimumstandaard. De minimale standaard zoals op genomen in de sectorplannen is, zo blijkt uit de aanvraag, mogelijk en wordt zodoende toegepast. Onderstaande afvalstromen en sectorplannen behoren bij de activiteiten die het bedrijf uitvoert. Afvalstromen waarvoor in deel E van het LAP3 een sectorplan is opgenomen Binnen de inrichting worden de volgende afvalstoffen geaccepteerd; EURAL-code 020101: Slib van wassen en schoonmaken; EURAL-code 020103: Afval van plantaardig weefsel; EURAL-code 020104: Afval van landbouw kunststofafval (exclusief verpakkingen); EURAL-code 170201: Hout.

EURAL-code 170503*: grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten Voor de onderhavige aanvraag zijn de volgende sectorplannen in deel E van het LAP3 van toepassing: Sectorplan 3 Procesafhankelijk industrieel afval van productieprocessen; Sectorplan 8 Gescheiden ingezameld/afgegeven groenafval; Sectorplan 11 Kunststof en rubber; Sectorplan 36 Hout; Sectorplan 39 Grond; Bij de aanvraag is een Memo_Beschouwing_LAP3_v7datum 19 januari 2023 kenmerk P220439 gevoegd. Uit die beschouwing blijkt dat voldaan wordt aan de van toepassing zijnde sectorplannen. AV-beleid en AO/IC In het LAP3 is aangegeven dat een inrichting die afvalstoffen accepteert over een adequaat acceptatie- en verwerkingsbeleid (AV-beleid) en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) moet beschikken. In het AV-beleid moet zijn aangegeven op welke wijze binnen de inrichting acceptatie en verwerking van afvalstoffen plaatsvinden. In de AO/IC is vastgelegd hoe door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een inrichting kunnen worden beheerst en geborgd om de risico’s binnen de bedrijfsvoering te minimaliseren. Het op deze wijze transparant maken van de processen binnen een inrichting, geeft het bevoegd gezag handvatten om een adequaat oordeel te kunnen geven over de beheersing van de milieurisico’s.

Pagina 15 van 47

Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en AO/IC gevoegd middels de notitie Memo_Beschouwing_LAP3_v7datum 19 januari 2023 kenmerk P220439. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen aan de randvoorwaarden zoals die in het LAP3 zijn beschreven. Uit de notitie (en de aanvraag) blijkt voldoende hoe de processen binnen de inrichting worden beheerst en geborgd om de risico’s binnen de bedrijfsvoering te minimaliseren. De risico’s zijn verwaarloosbaar. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit AV-beleid en de AO/IC instemmen. Wijzigingen in het AV-beleid en de AO/IC Wijzigingen in het AV-beleid en de AO/IC moeten schriftelijk aan ons worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zal vervolgens worden bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist. Registratie De aanvrager krijgt met deze vergunning de mogelijkheid om afvalstoffen van buiten de inrichting te ontvangen. Op grond van het ‘Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen’ moet de inrichting de ontvangst van de afvalstoffen melden bij het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen.

Voor een effectieve handhaving van het afvalbeheer is het van belang om naast de meldingsverplichtingen teven registratieverplichtingen op te nemen (artikel 5.8 van het Bor). In deze vergunning zijn dan ook voorschriften voor de registratie van onder meer de aangevoerde, afgevoerde en geweigerde afvalstoffen opgenomen. Naast de voorschriften voortvloeiend uit het AV-beleid en de AO/IC zijn geen extra registratievoorschriften in de vergunning opgenomen. Mede gezien de verplichtingen ingevolge de Wm (artikel 5.8 van het Bor en de artikelen 10.38 en 10.40 van de Wm) en de verplichtingen ingevolge het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en de daarbij behorende Regeling, worden voldoende en juiste gegevens geregistreerd om handhaving mogelijk te maken. Conclusie Gelet op bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde activiteiten in overeenstemming zijn met het geldende Landelijk afvalbeheerplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen. AFVALWATER Algemeen De uitgangspunten voor de bescherming van het milieu tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater zijn vastgelegd in de Waterwet, de Wm en de Instructieregeling lozingsvoorschriften milieubeheer.

De drie belangen die deze wetten en regeling ten aanzien van afvalwater behartigen zijn: de doelmatige werking van een openbaar vuilwaterriool en de verwerking van het slib uit het openbaar vuilwaterriool; de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie; de bescherming van de kwaliteit van het oppervlaktewaterlichaam. Afvalwater mag slechts in het openbaar vuilwaterriool worden gebracht, indien door de samenstelling, eigenschappen of hoeveelheden ervan: a. de doelmatige werking niet wordt belemmerd van een openbaar vuilwaterriool, een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, de bij een zodanig openbaar vuilwaterriool of zuiveringstechnisch werk behorende apparatuur, b. de verwerking niet wordt belemmerd van slib, verwijderd uit een openbaar vuilwaterriool of een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk, c. de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van een oppervlaktewaterlichaam zoveel mogelijk worden beperkt. Bij de toepassing van deze regelgeving moet onderscheid gemaakt worden tussen directe en indirecte lozingen. Van een indirecte lozing is sprake als er wordt geloosd met een werk op een ander werk. Indirecte lozingen worden gereguleerd in de Wm/Wabo. Het direct lozen van afvalwater zoals in dit geval met de septic tank op een oppervlaktewaterlichaam, valt altijd onder de Waterwet.

Binnen de inrichting ontstaan de volgende afvalwaterstromen:

Pagina 16 van 47

1. 2.

Sanitair afvalwater in een septic tank en (daarna) in het oppervlaktewater (verwachting 250 m 3 per jaar); Hemelwater niet afkomstig van een bodem beschermende voorziening op het oppervlaktewater.

Het hemelwater welke valt op de bodembeschermende voorziening is benodigd voor het vullen van het bassin. Het bassin dient als waterreservoir voor het spoelproces. Hierdoor is voldoende water beschikbaar voor het spoelen van de tulpenbollennetten. Door het spoelen en het achterblijven van fracties water aan de gespoelde tulpenbollennetten verliest het bassin water. Dit samen met de jaarlijkse verdamping zou moeten zorgen voor een waterbalans. Met een opvangcapaciteit van een stijgingshoogte van 296 mm is het van voldoende omvang om hoeveelheden van extreme regenval op te vangen. Het is om die reden een gesloten proces waaruit geen water wordt geloosd. Uit beoordeling van de aanvraag blijkt dat er ten aanzien van het te lozen afvalwater door het bedrijf voldoende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen. In de vergunning zijn om die reden beperkte voorschriften gesteld voor het te lozen afvalwater. GEURHINDER Algemeen Het geurbeleid is door de minister van Infrastructuur en Milieu verwoord in de circulaire van 30 juni 1995, en als zodanig opgenomen in paragraaf 7.2 van de Handleiding Geur, waarnaar is verwezen in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR). Het algemene uitgangspunt van het geurbeleid is het voorkomen van (nieuwe) hinder. Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van de BBT de kern van het geurbeleid.

Met de vierde tranche van het Activiteitenbesluit is het normatieve deel van de NeR ondergebracht in het Activiteitenbesluit. Afdeling 2.3 geldt ook voor type C inrichtingen, zo ook voor onderhavige inrichting. Het algemene beleidsuitgangspunt is het voorkomen en, indien niet mogelijk, het zoveel mogelijk beperken van geurhinder. Dit is in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit opgenomen. Gelet op de uitgevoerde activiteiten zal er geen sprake zijn van enige geurhinder die is toe te schrijven aan de inrichting. Mocht onverhoopt toch geurhinder optreden, dan zijn de artikelen uit afdeling 2.3 met betrekking tot geurhinder rechtstreeks geldend. Gelet op voorgaande zijn er geen voorschriften met betrekking tot beperking van geurhinder opgenomen. BODEM Algemeen Het (nationale) preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten 2012 (NRB). In de bijlage bij de Regeling omgevingsrecht is de NRB opgenomen als BBT-document. Uitgangspunt van de NRB is dat door een doelmatige combinatie van bodembeschermende maatregelen en voorzieningen een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd. Zoals blijkt uit de aanvraag vinden binnen de inrichting de volgende, bodembedreigende activiteiten plaats: 1. Opslag van grond en slib met spoelwater in het bassin; 2.

Op- en overslag van grond van onbekende kwaliteit op vloeistofdichte vloer; 3. Op- en overslag van kunststoftulpenbollennetten met aanhangende grond van onbekende kwaliteit op vloeistofdichte vloer; 4. Op- en overslag van gespoelde kunststoftulpenbollennetten op vloeistofdichte vloer. Verwaarloosbaar bodemrisico Voor het merendeel van de activiteiten is een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd door het aanleggen van een vloeistofdichte vloer. De vloeistofdichte vloer zorgt ervoor dat verontreinigingen met aanhangende bestrijdingsmiddelen niet kunnen infiltreren in de bodem. Het spoelwater, benodigd voor het schoonspoelen van de netten, wordt uit het bassin onttrokken en na het spoelen teruggeleid. Water dat naast de spoelmachine valt, samen met het hemelwater van de vloeistofdichte vloer, volgt de weg terug naar het bassin middels een systeem van afvoerputten en leidingen. Hierdoor is sprake van een gesloten kringloop. Met betrekking tot de vloeistofdichte vloer zijn voorschriften opgenomen.

Pagina 17 van 47

Het bassin zelf is niet vloeistofdicht. Een bassin aangelegd en inwerking overeenkomstig de ‘Handreiking aanleg beheer en monitoring bezinkbassins voor de bloembollensector’, versie 2.0, datum 20 februari 2014 (hierna: Handreiking), is enkel slechts water doorlatend. Dit houdt in dat er een fractie weg mag lekken uit het bassin. Hoeveel water het bassin mag doorlaten is bepaald in de handreiking. Het bassin is, zo blijkt uit de aanvraag, gekeurd en voldoet aan de handreiking. Met een lekverlies van 1,86 mm/dag blijft het verlies onder de toegestane 3 mm/dag. Betreffende de afmetingen van het bassin is in de aanvraag omschreven dat de opvangcapaciteit van het bassin van een voldoende omvang is. De opvangcapaciteit (296 mm stijging) is van een dermate omvang dat het verwachte risico op het overschrijden van die capaciteit, zonder dat het bedrijf daar tijdig maatregels voor kan treffen, verwaarloosbaar is. De handreiking is als passende maatregel benoemd in de NRB 2012, bijlage 1 onder 1.4. ‘Voor de bloembollensector is specifiek de handreiking aanleg, beheer en monitoring bezinkbassins voor bloembollensector ontwikkeld. Voor specifiek die activiteit kan het voorzieningen en maatregelen niveau worden gebaseerd op die richtlijnen en hoeft de BRCL (bodemrisicochecklist) niet te worden toegepast’.

Hoewel de handreiking feitelijk gezien enkel ingaat op bassins die geschikt zijn voor het spoelen van bloembollen valt in dat kader een vergelijking te trekken met het spoelen van netten. Voor beide geldt immers dat de intentietijd van de blootstelling aan de bestrijdingsmiddelen tijdens de teelt gelijk is, al dan niet in minderen mate belastend voor de netten. Dit omdat de netten volledig in de grond liggen en waar de bloem van de bol uit de grond steekt en direct in contact is met de bestrijdingsmiddelen. De netten bedoeld voor het rooien van de tulpenbollen liggen in de grond. Het is de verwachting dat de fractie aanhangende grond bij het rooien van de tulpenbollen en de netten ook fracties bestrijdingsmiddelen mee dragen. Die bestrijdingsmiddelen kunnen loskomen bij opslag en het spoelen van de netten op de aangevraagde locatie. Het verschil tussen het spoelen van bollen of netten is de gebruikers intentietijd van het bassin met het spoelwater. De handreiking is bedoeld voor agrariërs die (eigen) geteelde bloembollen spoelen. Spoelen van bollen gebeurt eenmalig per jaar een (korte) periode. Het spoelen van netten afkomstig van meerdere bollentelers heeft als gevolg dat het bassin voor een langere duur intensiever wordt belast. Om die reden is monitoring van het grondwater rond het bassin op de bij de teelt gebruikte middelen een passende (extra) maatregel.

Door het jaarlijks monitoren van het grondwater in een viertal peilbuizen, gepositioneerd langs het bassin, kan het bedrijf bij een potentieel risico op bodemverontreiniging tijdig passende maatregelen treffen. Omdat de activiteit ‘het spoelen van netten’, deels vergelijkbaar is met die van het spoelen van bollen, in combinatie met de jaarlijkse monitoringsverplichting, zien wij voldoende redenen om voor het spoelen van netten aan te sluiten bij de handreiking. Bodemonderzoeken Omdat binnen de inrichting bodembedreigende activiteiten plaatsvinden en/of bodembedreigende stoffen worden toegepast, moet er overeenkomstig de NRB een nulsituatiebodemonderzoek worden uitgevoerd. Het preventieve bodembeschermingsbeleid uitgewerkt in de NRB gaat er vanuit dat (zelfs) de maatregelen en voorzieningen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig kunnen uitsluiten dat onverhoopt een belasting van de bodem optreedt. Om die reden blijft bodemonderzoek noodzakelijk. Een nulsituatiebodemonderzoek heeft tot doel een toetsingsgrondslag vast te leggen, waarmee de bodemkwaliteit kan worden vergeleken als de activiteit niet meer wordt uitgeoefend of wordt veranderd. Met de resultaten van een eindsituatie-bodemonderzoek kan dan worden bepaald of er bodemverontreiniging is opgetreden ondanks de getroffen bodembeschermende voorzieningen en maatregelen.

Bij beëindiging van de werking van de gehele inrichting dient een eindsituatiebodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het uitvoeren van een eindsituatie-bodemonderzoek is in de voorschriften vastgelegd. Omdat in de inrichting bodembedreigende activiteiten plaatsvinden en/of bodembedreigende stoffen worden toegepast, moet er overeenkomstig de NRB een nulsituatiebodemonderzoek worden uitgevoerd. Het preventieve bodembeschermingsbeleid uitgewerkt in de NRB gaat er vanuit dat (zelfs) de maatregelen en voorzieningen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig kunnen uitsluiten dat onverhoopt een belasting van de bodem optreedt. Om die reden blijft bodemonderzoek noodzakelijk.

Pagina 18 van 47

Zoals blijkt uit de aanvraag is het volgende bodemonderzoek binnen de inrichting uitgevoerd: Vlam Bodem Advies BV, 18 december 2021, Projectnummer: 051004418. Hoewel er hiermee gedeeltelijk een nulsituatie is vastgesteld, is het onderzoek niet toereikend voor alle bodembedreigende activiteiten die ter plaatse worden uitgevoerd. Derhalve is in de voorschriften een verplichting opgenomen dat op deze locatie bij beëindiging van de inrichting ook onderzocht wordt op de in de huidige teelt gebruikte bestrijdingsmiddelen. Voor die middelen die niet zijn vastgesteld in het eerder benoemde rapport (nulsituatie), is bepaald dat die waardes vergeleken worden met de achtergrondwaardes zoals vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit. Met betrekking tot het eindonderzoek zijn er voorschriften opgenomen in deze ontwerpbeschikking. Deze voorschriften sluiten aan op artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit. De artikelen uit het Activiteitenbesluit zijn de BBT. Gelet op voorgaande zijn de opgenomen voorschriften ook de BBT. Grond toepassen. Voor onder andere het toepassen van partijen grond zijn direct werkende regels geldend vanuit het Besluit bodemkwaliteit. Om die reden zijn voor die aspecten geen voorschriften opgenomen in de omgevingsvergunning. In de praktijk blijkt echter dat het analysepakket bij het uitvoeren van een partijkeuring vaak niet duidelijk is.

Om die reden is bij de huidige aanvraag gekeken naar de activiteiten die zijn aangevraagd in relatie tot de vraag welke stoffen relevant zijn om te onderzoeken bij het uitvoeren van een partijkeuring. Partijkeuringen kunnen op verschilden manieren worden uitgevoerd. Zo zijn er partijkeuringen van ingedroogde grond maar er zijn ook onderwater keuringen van grond mogelijk zoals bedoeld in de NEN 5720. Welke keuring het meest geschikt is kan per situatie verschillen. Het analysepakket daarentegen is wel gelijk. Bij de huidige aanvraag is een lijst aangeleverd met de middelen die worden toegepast in de bollenteelt. Uit die lijst is een selectie gemaakt van de middelen die het meest worden gebruikt met daarbij aangegeven de stof en de samenstelling. Op basis van die gegevens is een lijst vastgesteld van stoffen voor het uitvoeren van een partijkeuring. Partijkeuring bestaat in dat geval uit een standaardpakket variant A (onderzoek landbodem en regionale waterbodem, keuren van grond en keuren van baggerspecie), aangevuld met analyses op de volgende stoffen: a. OCB’s b. abamectine c. acetamiprid d. boscalid e. cyprodinil f. deltamethrin g. dimethenamide-P h. esfenvaleraat i. flonicamid j. flutolanil k. kresoxim-methyl l. metamitron m. napropamide n. pyraclostrobine o. tebuconazool p. tolclofos-methyl q.

trifloxystrobin Op basis van de huidige aanvraag geeft een partijkeuring met voornoemde analysepakket een goed beeld van de grondkwaliteit. Het besluit bodemkwaliteit bepaald in welke gevallen een partijkeuring nodig is. GEVAARLIJKE STOFFEN PGS Algemeen Brand is een van de aspecten die tot nadelige gevolgen voor het milieu kan leiden en valt dus in beginsel onder de reikwijdte van de Wm/Wabo. Criterium voor het stellen van brandveiligheidseisen is of de nadelige gevolgen voor het milieu door brand zich tot buiten de inrichting kunnen uitstrekken. Brandveiligheidseisen kunnen worden opgesteld vanuit verschillende invalshoeken. Wij streven bij vergunningverlening ingevolge de Wabo een integrale benadering na waarbij onderlinge afstemming plaatsvindt tussen betrokken actoren. Dit leidt ertoe dat het gewenste brandveiligheidsniveau wordt gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14683420/1