2 GoFlo 8 oktober 2024
Tekst van het document
Bestemmingspl an
Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving Oude Rijksweg 106 ‘t Zand
Gemeente Schagen
8 oktober 2024
Inhoud: 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 1.1
2.
3.
4.
Toetsing aan omgevingsplan ........................................................................................................... 5 2.1
Uitgangspunt toetsing............................................................................................................ 5
2.2
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden ............................................................................ 5
2.3
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan ............................................................. 6
2.4
Omgevingsvergunning ........................................................................................................... 6
Huidige situatie en toekomstambitie .............................................................................................. 7 3.1
Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel........................................................................... 7
3.2
Toekomstige situatie .............................................................................................................. 7
3.3
Stedenbouwkundige inpassing .............................................................................................. 8
3.4
Landschappelijke inpassing .................................................................................................... 9
Visie en beleid planlocatie............................................................................................................. 10 4.1 4.1.1 4.2
Rijksbeleid ............................................................................................................................ 10 Nationale Omgevingsvisie (Novi) ..................................................................................... 10 Provinciaal beleid ................................................................................................................. 10
4.2.1
Omgevingsvisie NH 2050 ................................................................................................. 10
4.2.2
Omgevingsverordening NH2022 ................................................................................. 11
4.3
5.
Aanleiding .............................................................................................................................. 4
Gemeentelijk beleid ............................................................................................................. 12
4.3.1
Omgevingsvisie gemeente Schagen ................................................................................ 12
4.3.2
Welstandsbeleid .............................................................................................................. 13
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu ..................................................................................... 15 5.1
M.e.r.-beoordeling ............................................................................................................... 15
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................ 15
5.3
Duurzaamheid en gezondheid ............................................................................................. 16
5.3.1
Spuitvrije zone.................................................................................................................. 16
5.3.2
Verduurzaming bestaande bebouwing............................................................................ 16
5.4
Verkeersgeneratie en parkeren ........................................................................................... 16
5.5
Flora en fauna ...................................................................................................................... 17
5.5.1
Gebiedsbescherming........................................................................................................ 18
5.5.2
Soortenbescherming ........................................................................................................ 18
5.6
Luchtkwaliteit....................................................................................................................... 19
6.
5.7
Geluid ................................................................................................................................... 19
5.8
Geur ..................................................................................................................................... 20
5.9
Omgevingsveiligheid ............................................................................................................ 20
5.9.1
Plaatsgebonden risico ...................................................................................................... 21
5.9.2
Groepsrisico ..................................................................................................................... 21
5.10
Trilling................................................................................................................................... 22
5.11
Activiteiten en milieuzonering ............................................................................................. 22
5.12
Archeologie, cultuurhistorie en landschap .......................................................................... 23
5.13
Bodem .................................................................................................................................. 25
5.14
Weging van waterbelang ..................................................................................................... 26
Uitvoerbaarheid ............................................................................................................................ 27 6.1
7.
Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................. 27
Belangenafweging en conclusie .................................................................................................... 28 7.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?................................. 28
7.2
Participatie ........................................................................................................................... 28
7.3
Adviesrecht gemeenteraad .................................................................................................. 28
7.4
Vaststellingsprocedure ........................................................................................................ 28
7.5
Conclusie .............................................................................................................................. 29
Bijlagen: Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7: Bijlage 8: Bijlage 9: Bijlage 10: Bijlage 11:
Tekeningen situatie, plattegrond, gevelaanzichten Besluit adviesrecht Verkennend onderzoek natuur Stikstofdepositie-analyse Verkennend onderzoek natuur Nader onderzoek natuur NIBM-tool Akoestisch onderzoek Verkennend bodemonderzoek Nader bodemonderzoek Wateradvies
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Op het perceel Oude Rijksweg 106 in ‘t Zand is een voormalig Chinees restaurant gevestigd. De bedrijfsvoering van dit horecabedrijf is inmiddels beëindigd.
Planlocatie
Bron: Omgevingsloket
Het plan is om alle bedrijfsbebouwing op de planlocatie te verwijderen en 18 nieuwe appartementen te realiseren in twee woongebouwen (bijlage 1). De woongebouwen zijn met elkaar geschakeld door een centrale ruimte en bestaat uit drie bouwlagen. Er worden 6 startersappartementen en 12 appartementen in de categorie midden gerealiseerd. Aan de achterzijde van de woongebouwen wordt voor ieder appartement een bijbehorende berging gerealiseerd. In de huidige situatie heeft de bebouwing op de planlocatie een horecafunctie in verband met de aanwezigheid van het Chinees restaurant. Om de ontwikkeling van het plan mogelijk te maken, wordt de bebouwing op de planlocatie getransformeerd naar een woonfunctie.
4
2.
Toetsing aan omgevingsplan
2.1
Uitgangspunt toetsing
Voor de ontwikkeling van het plan wordt getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en niet aan een reeds (deels) gewijzigd omgevingsplan. Dit omgevingsplan van rechtswege bestaat uit: • bestemmingsplannen, beheersverordeningen, uitwerkingsplannen en exploitatieplannen; • lokale verordeningen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan; • Bruidsschat.
2.2
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Op dit moment geldt voor het plangebied het tijdelijk omgevingsplan “Gemeente Schagen”. De bestemmingsplannen “Petten, ’t Zand, Callantsoog, Groote Keeten”, “Parkeren” en “Paraplu-Omgevingsplan, 1e tranche” maken onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Op grond van dit tijdelijke omgevingsplan heeft het plangebied de bestemming ‘Horeca’, ‘Verkeer-Verblijfsgebied’, een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’, een functieaanduiding ‘horeca tot en met horecacategorie 1’, een maatvoeringsaanduiding ‘maximum bebouwingspercentage terrein (%): 100’, ‘maximale bouwhoogte: 10 m en maximale goothoogte: 6m’.
Vigerend tijdelijk omgevingsplan
Bron: Omgevingsloket
5
2.3
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
De realisatie van 18 appartementen en de wijziging van een horecafunctie naar een woonfunctie is in strijd met het tijdelijke omgevingsplan (activiteit gebruik). Om medewerking aan het bouwplan te verlenen kan het college van B&W een omgevingsvergunning verlenen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dat kan alleen in het geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat bij het realiseren van het bouwplan sprake is van een evenwichtige toedeling van de functies op de genoemde locatie, waarbij het bouwplan getoetst is aan het relevante ruimtelijke beleid, relevante instructieregels en overige zaken voor de uitvoerbaarheid.
2.4
Omgevingsvergunning
De ontwikkeling van het plan betreft een activiteit die in strijd is met de regels van het tijdelijke omgevingsplan. Voor de ontwikkeling van het plan wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse omgevingsactiviteit (BOPA). Voor een BOPA geldt meestal de reguliere procedure. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Omgevingswet dat bij de verlening van omgevingsvergunningen zoveel mogelijk de reguliere procedure wordt gevolgd. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is er bezwaar en beroep mogelijk. De gemeenteraad kan onder de Omgevingswet adviseur zijn voor aanvragen omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit adviesrecht geldt alleen voor aanvragen in gevallen die vooraf door de raad zijn aangewezen als situaties waarover men wenst te adviseren (artikel 4.21 Omgevingsbesluit). Het advies van de gemeenteraad is bindend: bij een negatief advies zal het college van burgemeester en wethouders de vergunning moeten weigeren. De gemeenteraad van Schagen heeft in een besluit aangegeven (bijlage 2) dat voor de bouw van meer dan 10 woningen binnen de bebouwde kom een bindend advies nodig is.
6
3.
Huidige situatie en toekomstambitie
3.1
Huidige situatie – ruimtelijk en functioneel
De planlocatie aan de Oude Rijksweg 106 is gelegen in de dorpskern van ’t Zand dicht bij de vlotbrug. Aan de voorzijde ligt de Oude Rijksweg met aansluitend het Noord-Hollands Kanaal, terwijl aan de achterzijde het tracé van de Rijksweg N9 is gelegen. Door een reconstructie is de bebouwing langs de Oude Rijksweg als het ware tussen het kanaal en de Rijksweg N9 in komen te liggen en de weg is ook doodlopend geworden. Het voormalige restaurant bevindt zich in een hoofgebouw dat met de voorzijde is georiënteerd op de Oude Rijksweg, maar ook een lange gevel heeft evenwijdig aan het Molenpad. De planlocatie is verder geheel volgebouwd met bijgebouwen. Voor de bebouwing geldt dat het is gedateerd en niet meer voldoet aan de eisen van deze tijd. Rond het voormalige restaurant zijn veel parkeerplaatsen aanwezig die ontsluiten op het Molenpad of de Oude Rijksweg.
Huidige situatie
3.2
Bron: Google Maps
Toekomstige situatie
Het plan is om alle bedrijfsbebouwing op de planlocatie te verwijderen en 18 nieuwe appartementen te realiseren in twee woongebouwen. De functie van de bebouwing wordt gewijzigd van horeca naar wonen.
7
3.3
Stedenbouwkundige inpassing
De uitstraling van de bestaande woningen langs de Oude Rijksweg is heel divers met verschillende oriëntatierichtingen en kapvormen. Aan de zuidzijde van de planlocatie is een bestaand appartementengebouw aanwezig. Dit bestaande gebouw is met de voorzijde georiënteerd op de Oude Rijksweg en heeft zijvleugel evenwijdig aan het Molenpad. De ontwikkeling van de appartementengebouwen op de planlocatie sluit qua bouwvorm en uitstraling hierbij aan (bijlage 1). Het grootste appartementengebouw wordt georiënteerd op de Oude Rijksweg en in dit gebouw bevinden zich 12 appartementen. Evenwijdig aan het Molenpad wordt een tweede, qua volume wat kleiner, appartementengebouw geplaatst waarin 6 appartementen worden gerealiseerd. Beide woongebouwen worden met een elkaar geschakeld door middel van een centrale hal met een trappenhuis. De gevels van de centrale hal bestaan uit glazen wanden, zodat het lijkt of beide gebouwen los van elkaar staan. Dit zorgt voor openheid in het straatbeeld. De uitstraling van de appartementengebouwen op de planlocatie sluit aan bij het bestaande appartementengebouw aan de zuidzijde. Door de ontwikkeling van het plan zal de ruimtelijke kwaliteit op de planlocatie worden verbeterd en heeft een positief effect op het straatbeeld langs de Oude Rijksweg en het Molenpad.
Zijde appartementengebouw Oude Rijksweg
Zicht op beide appartementengebouwen
Zijde appartementengebouw Molenpad
Achterzijde appartementengebouwen
Nieuwe situatie appartementen
8
Aan de achterzijde van de appartementengebouwen worden 12 bergingen gerealiseerd. Deze bergingen zijn bereikbaar via de centrale hal, maar ook via een looppad vanaf de Oude Rijksweg. Ditzelfde looppad wordt gebruikt voor bewoners die hun auto aan de Oude Rijksweg parkeren en via het looppad de centrale hal of de bergingen kunnen bereiken. In de huidige situatie zijn aan deze zijde 27 parkeerplaatsen aanwezig en alle parkeerplaatsen worden in gebruik genomen door de nieuwe bewoners.
3.4
Landschappelijke inpassing
Rond de appartementen op de begane grond worden groene tuinen aangelegd aan de voorzijde van de woning. Deze tuinen worden voorzien van lage groene hagen, enkele bomen en aangevuld met bloeiende beplanting. In vergelijking met de huidige versteende situatie krijgt de bebouwing daardoor een groene uitstraling. De boomsingel langs het Noordhollands Kanaal blijft gewoon behouden, omdat er gebruik wordt gemaakt van de bestaande parkeerplaatsen.
Groene buitenruimte appartementen
9
4.
Visie en beleid planlocatie
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (Novi)
In de Nationale Omgevingsvisie wordt een langetermijnvisie voor de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland aangegeven. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland veranderen en de visie is bedoeld om het land mooier te maken en voort te bouwen op de het bestaande landschap en de steden. In de visie wordt een integrale aanpak voorgesteld, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties en met meer regie vanuit het Rijk. Met een zorgvuldige afweging van belangen wordt er gewerkt aan de onderstaande prioriteiten: • • • •
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Zowel op de korte- als lange termijn zijn maatregelen nodig om de bovengenoemde prioriteiten te bewerkstelligen. Deze maatregelen zullen in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Vanuit het Rijk zal hier de regie over worden gevoerd. Vanuit de Nationale Omgevingsvisie vindt een doorvertaling plaats naar het beleid van provincies en gemeenten. Dit is de reden dat de ontwikkeling van het plan niet indirect wordt getoetst aan de bovenstaande prioriteiten, maar via het beleid van lagere overheden. Doordat er op het perceel een duurzame toekomstbestendige ontwikkeling plaatsvindt, voldoet het plan overigens wel aan de Novi. Conclusie: Voor het plan heeft de Novi geen directe consequenties.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie NH 2050
De hoofdambitie binnen deze omgevingsvisie is om de leefomgeving af te stemmen op de economische groei. Er wordt uitgegaan van de sturingsfilosofie ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’. Belangrijk hierbij zijn de ambities voor: • een gezonde- en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving; • het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit; • volledig klimaatneutraal in 2050, gebaseerd op een maximale inzet of opwekking van hernieuwbare energie. De planlocatie is gelegen in het gebied Noord-Holland-Noord. In de Omgevingsvisie staat vermeld dat dit gebied beschikt over bijzondere eigen kenmerken en kwaliteiten. Zoals 10
(meer) rust, ruimte, groen, natuur en (gezonde) lucht. Die kwaliteiten zijn het waard om te koesteren. Niet alleen voor de inwoners van die gebieden zelf, maar ook voor de inwoners in het drukke zuidelijke deel van de provincie die op zijn tijd een meer landelijke omgeving willen bezoeken. Om daar rust en ruimte te kunnen ervaren of een ander type woonmilieu te zoeken. Om deze kwaliteiten te waarborgen is dynamiek en ontwikkeling in NoordHolland Noord nodig. Verstedelijking nabij knooppunten van openbaar vervoer en in de omgeving van historische binnensteden en de nodige voorzieningen komt daarvoor het meest in aanmerking. Op de planlocatie vindt een toekomstgerichte ontwikkeling plaats. Door het verwijderen van de bestaande bedrijfsbebouwing is er sprake van een ruimtelijke kwaliteitswinst. Bovendien wordt een horecalocatie uit een bestaand dorpslint verwijderd, wat mogelijk zorgt voor minder overlast in een woonomgeving. Door het toevoegen van particuliere woningen aan de bestaande woningvoorraad wordt tegemoetgekomen aan een grote de behoefte op de woningmarkt. Dit is een gewenste ontwikkeling. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in de dorpskern van ’t Zand, dicht bij vele voorzieningen. Een toename van het aantal inwoners zorgt er tevens voor dat de aanwezige voorzieningen binnen de dorpskern in de toekomst in stand kunnen worden gehouden.
Conclusie: De ontwikkeling van het plan is niet in strijd met het provinciale beleid, zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie. 4.2.2
Omgevingsverordening NH2022
De Omgevingsverordening is een uitwerking in bindende regels van de Omgevingsvisie. De verordening schrijft voor waaraan de inhoud van ruimtelijke plannen moet voldoen. Op de planlocatie zijn 7 werkingsgebieden met bijbehorende voorwaarden en instructieregels van toepassing. Opgemerkt wordt dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied is gelegen.
Werkingsgebieden Omgevingsverordening NH2022
Voor het werkingsgebied ‘Beperkingengebied regionale waterkeringen’ en ‘Regionale waterkeringen’ geldt dat er niet wordt voorzien in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In 11
afwijking hiervan zijn nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wel mogelijk indien hierover overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie. Daarbij dienen de waterkerende activiteiten te worden beschermd. Zowel langs het Noordhollands Kanaal als langs het Molenpad is een regionale waterkering aanwezig in de nabijheid van de planlocatie. Bij de ontwikkeling van het plan is sprake van een transformatie van een reeds geheel bebouwde locatie. De bedrijfsbebouwing van het voormalige restaurant wordt gesloopt en hiervoor in de plaats worden 18 nieuwe appartementen gerealiseerd. Door de realisatie van de appartementen neemt de oppervlakte bebouwing op het perceel zelfs af. Daarnaast wordt de nieuwe bebouwing in het bestaande bebouwingslint geplaatst, niet voorbij de doorgaande gevellijn van de aanliggende bebouwing. Dit betekent dat de waterveiligheid van de regionale waterkering is gewaarborgd. Voor het werkingsgebied ‘datacenters uitgesloten’ geldt dat op de planlocatie niet kan worden voorzien in een nieuw datacenter, maar dat is bij de planontwikkeling niet aan de orde. Het betreft de realisatie van 18 particuliere woningen. Binnen het werkingsgebied ‘Noord-Holland Noord’ zijn voor het landelijk gebied voorwaarden opgenomen voor de ontwikkeling van een windturbine.
De planlocatie is gelegen in de dorpskern van ‘t Zand en bevindt zich binnen bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat er geen sprake is van landelijk gebied en de ontwikkeling van een windturbine. Binnen het werkingsgebied ‘Ontgrondingen’ geldt een verbod om zonder omgevingsvergunning ontgrondingen uit te voeren en binnen het werkingsgebied ‘Peilbesluit’ moet rekening worden gehouden met een verandering van de omstandigheden en aanwezig functies en belangen. Ontgrondingen zijn bij de ontwikkeling van het plan niet aan de orde, want het betreft alleen de realisatie van appartementen en een functiewijziging van de bebouwing. Daarnaast is door de realisatie van de woningen er geen sprake van een wijziging van de waterhuishoudkundige belangen op de planlocatie. De oppervlakte aan verharding op de planlocatie neemt af en er worden geen wijzigingen aangebracht aan het oppervlaktewatersysteem. Voor het werkingsgebied ‘regionale verdringingsreeks regio IJsselmeergebied’ geldt dat bij een dreigend watertekort aan bepaalde behoeften prioriteit wordt gesteld bij de verdeling van het beschikbare water. Dit betreft het gebruik van industrieel water en de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen. De ontwikkeling van het plan heeft geen invloed op de verdringingsreeks. Conclusie: Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie gemeente Schagen
De Omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen gericht op de toekomst van de gemeente. De visie bestaat uit diverse speerpunten, een visiekaart en een waardenkaart. Voor ’t Zand geldt dat het tot de grotere dorpen binnen de gemeente behoort en daarbij behoren een aantal bestaande waarden, zoals bijvoorbeeld een variatie in bewoners, woningen en bedrijvigheid, landelijk karakter, voorzieningen, balans tussen reuring, rust en ruimte, eigenheid en authentieke kernen.
12
De ontwikkeling van het plan draagt bij aan de woningvoorraad binnen het dorp, aan de ruimtelijke kwaliteit, zijn dicht bij de voorzieningen gelegen en zorgt voor de bewoners voor een balans tussen reuring, rust en ruimte. De gemeente wil een gezinsvriendelijke gemeente zijn met sterke dorpen en wil ook aansluiten bij de groeiende behoefte aan woningen die passen bij de vraag en daarmee bijdragen aan sterke kernen. Daarbij wil men ook een duurzame gemeente zijn. Door de ontwikkeling van het plan aan de Oude Rijksweg wordt voldaan aan de bovengenoemde speerpunten. De bouw van de nieuwe woningen sluit aan bij het versterken van de dorpskern en het woon- en leefklimaat rond de locatie. De woningen zullen gasloos worden gebouwd en hebben een duurzaam karakter. Conclusie: Het plan is in overeenstemming met deze visie. 4.3.2
Welstandsbeleid
De gemeente Schagen hanteert voor haar welstandsbeleid de ‘Reisgids voor ruimtelijke kwaliteit’. Het voorliggend plan richt zich op een nieuwe invulling. Het is een functioneelruimtelijke verandering waarbij bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en nieuwe woningen worden gerealiseerd Volgens de reisgids valt het plan onder het komgebied en binnen deze gebieden geldt een soepel welstandniveau. Komgebieden zijn zorgvuldig vormgegeven, maar bezitten geen bijzondere cultuurhistorische waarden. De dynamiek van deze gebieden is gemiddeld en daarom gaat het bij bouwplannen vaak om kleine wijzigingen zoals het renoveren of uitbreiden van woningen. Belangrijk is dat typen gebouwen worden gebouwd zoals dat gebruikelijk is voor het gebied. Voor de planlocatie gelden de gebiedsgerichte criteria.
Ligging • hoofdbebouwing staat aan de straatzijde en is georiënteerd op de weg; Hoofdvorm • het hoofdgebouw bestaat uit een helder en eenduidig volume; • bij aan- of uitbouwen blijft de helderheid van het hoofdgebouw zichtbaar en is de uitbreiding qua uitstraling en volume ondergeschikt aan het hoofdgebouw; • bijgebouwen en overkappingen moeten qua uitstraling en volume ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw; • dakkapellen of andere kleine dakopbouwen mogen niet domineren in het dakvlak; Vormgeving • gevelwijzigingen en detaillering mogen niet tot gevolg hebben dat de samenhang en het ritme in straatwanden wordt verstoord; • detaillering van aan- of uitbouwen moet zijn afgestemd op de architectuur van het hoofdgebouw; Materiaal en kleur • Erfafscheidingen moeten passen bij het karakter van de omgeving en van duurzame materialen worden gemaakt.
13
Bij het ontwerp van de appartementen is rekening gehouden met de bovenstaande criteria. Er is aansluiting gezocht met het bestaande appartementengebouw aan de zuidzijde van de planlocatie. Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en past goed bij het bestaande straatbeeld. Conclusie: Het plan is in overeenstemming met de reisgids voor ruimtelijke kwaliteit.
14
5.
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
5.1
M.e.r.-beoordeling
De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Een mer-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De merbeoordelingsplicht geldt voor een wettelijk voorgeschreven plan of programma. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Ook plannen en programma’s die gebaseerd zijn op andere wettelijke voorschriften buiten de Omgevingswet vallen onder de werking artikel 16.34. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn de projecten opgenomen waarvoor een merbeoordelingsplicht geldt. De ontwikkeling van het plan op de planlocatie valt in de categorie projecten onder J11, een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor het bouwplan is geen merbeoordeling van toepassing. De reden is dat er geen uitbreiding van de bestaande bebouwing plaatsvindt op de planlocatie. Het plan wordt ontwikkeld binnen een bestaand bouwvlak met een stedelijke functie (horeca).
De huidige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt en de oppervlakte aan bebouwing van de nieuwe appartementen is kleiner dan de bestaande bebouwing. Daarnaast vindt er een wijziging plaatst van de bebouwing op de planlocatie van horeca naar wonen, maar dit zijn beiden stedelijke functies en hier treedt dus geen wijziging op. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling van het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben. Conclusie: Het onderdeel MER staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129, onder g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0, onder b van het Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een BOPA. Het is een verplichte motivering die moet worden opgenomen bij ieder plan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Ontwikkelingen die geen extra verstedelijking tot gevolg hebben, worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. De realisatie van meer dan 11 woningen wordt conform de Ladder gezien als een stedelijke ontwikkeling. Bij de ontwikkeling van het plan aan de Oude Rijksweg worden 18 appartementen gerealiseerd en dit zou in principe een stedelijke ontwikkeling zijn. Echter is in de huidige situatie de planlocatie al volgebouwd met de bedrijfsbebouwing van een Chinees restaurant. Deze bebouwing wordt gesloopt en bij de ontwikkeling van 18 appartementen wordt niet meer bebouwing op het perceel toegevoegd. De ontwikkeling van het plan op de planlocatie 15
heeft geen extra verstedelijking tot gevolg en het betreft dus geen stedelijke ontwikkeling. Er hoeft geen toetsing aan de Ladder plaats te vinden. Conclusie: Voor het plan heeft de Ladder geen directe consequenties.
5.3
Duurzaamheid en gezondheid
5.3.1
Spuitvrije zone
Rond de planlocatie zijn geen agrarische percelen aanwezig. Er hoeft geen rekening te worden gehouden met het feit of er voldoende afstand wordt gehouden tot de nieuwe woning in verband met mogelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op agrarische percelen. Conclusie: De ontwikkeling van het plan vormt geen belemmering in het kader van de spuitvrijezone. 5.3.2
Verduurzaming bestaande bebouwing
Door de sloop van de bedrijfsbebouwing zal er geen stikstofemissie meer optreden als gevolg van het gebruik van aardgas voor de verwarming van de gebouwen. Daarnaast zal bij de bouw van de appartementen het minimaliseren van CO2-uitstoot voorop worden gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met zo min mogelijk materiaalgebonden emissies bij materiaalgebruik voor de bouw en de benodigde infrastructuur. De nieuwe woningen worden gasloos gebouwd en voorzien van duurzaamheidsmaatregelen zoals bijvoorbeeld een warmtepomp, zonnepanelen en een zonneboiler. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling van het plan een positieve bijdrage levert aan de klimaatdoelstellingen en duurzaamheid. Conclusie: Het onderdeel duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan.
5.4
Verkeersgeneratie en parkeren
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (onder andere Wegenverkeerswet). Deze regeling maakt geen onderdeel uit van de Omgevingswet. De ontwikkeling van het plan dient getoetst te worden aan de visie op verkeer en parkeren op gemeentelijk niveau. Bij de ontwikkeling van het plan zullen de bestaande parkeerplaatsen van het voormalige Chinees restaurant in gebruik worden genomen door de nieuwe bewoners. De bestaande situatie blijft gehandhaafd en dit betekent dat de verkeersveiligheid rond het perceel niet wijzigt. De toegestane snelheid is 30 kilometer per uur, zodat het verkeer veilig kan invoegen vanaf de parkeerplaatsen. Door de beëindiging van het Chinees restaurant en het toevoegen van appartementen zal het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie wijzigen. De verkeersgeneratie voor het restaurant is gebaseerd op het aantal m² brutovloeroppervlakte. Het voormalige restaurant heeft een oppervlakte van circa 600 m². Voor een restaurant (matig stedelijk, 16
schil centrum, per 100 m² bvo) geldt een verkeersgeneratie van 9 verkeersbewegingen per etmaal per 100 m² bvo. In totaal is er sprake van 54 verkeersbewegingen per etmaal in de huidige situatie. In de toekomstige situatie bedraagt het aantal verkeersbewegingen voor een appartement (goedkoop, matig stedelijk, schil centrum) gemiddeld 4,6 verkeersbewegingen per etmaal. Bij de realisatie van 6 appartementen bedraagt dit in totaal 27, 6 verkeersbewegingen per etmaal Voor de appartementen (midden, matig stedelijk, schil centrum) bedraagt het aantal verkeersbewegingen gemiddeld 5,4 verkeersbewegingen per etmaal. Er wordt 12 appartementen in dit segment gerealiseerd en dit bedraagt in totaal 64,8 verkeersbewegingen per etmaal. Wanneer alle verkeersbewegingen van en naar de nieuwe appartementen bij elkaar worden opgeteld, komt dit uit op 92,4 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is een toename ten opzichte van de huidige situatie van 38,4 verkeersbewegingen (92,4 – 54). Doordat de planlocatie is gelegen aan een doodlopende weg en de verkeersintensiteit laag is, is de verwachting dat een toename van 38,4 verkeersbewegingen geen negatieve invloed heeft op de verkeersveiligheid.
In het tijdelijke omgevingsplan “Parkeren” zijn van rechtswege regels overgenomen over parkeren en een omgevingsvergunning voor de ontwikkeling van een plan wordt slechts verleend als er in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Aan de hand van de “Nota parkeernormen Schagen 2016” wordt bepaald of er voldoende parkeergelegenheid is. De parkeernormen zijn gebaseerd op de CROW-norm. Voor een goedkoop appartement (matig stedelijk, schil centrum) geldt dat 1,4 parkeerplaatsen per appartement nodig zijn. Voor de realisatie van 6 goedkope appartementen zijn in totaal 8,4 parkeerplaatsen nodig. Het aantal parkeerplaatsen voor een appartement in het middensegment (matig stedelijk, schil centrum) bedraagt 1,6 parkeerplaatsen per appartement. Bij de realisatie van 12 appartementen zijn dit 19,2 parkeerplaatsen. In totaal moeten voor het woningbouwplan 27,6 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. In de huidige situatie zijn er 28 parkeerplaatsen bij de planlocatie aanwezig en daarmee wordt voldaan aan de parkeernorm. Op de planlocatie is voldoende ruimte om fietsen op het eigen terrein te plaatsen. De nieuwe bewoners kunnen gebruik maken van twee buslijnen waarvoor op korte afstand een bushalte is gelegen bij de vlotbrug in de dorpskern van ’t Zand. De buslijnen zorgen voor een OV-verbinding naar het NS-station van Schagen en het NS-station van Den Helder.
Conclusie: Het onderdeel verkeersgeneratie en parkeren staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.5
Flora en fauna
In de Omgevingswet zijn regels van het natuurbeschermingsrecht opgenomen in de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang vanuit de Wet natuurbescherming. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Het onderdeel stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet. De regels van artikel 5.5 a van de Wet natuurbescherming blijven gelden tot een koninklijk besluit te 17
bepalen datum. Er vindt, vooralsnog, geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalendatum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. 5.5.1
Gebiedsbescherming
Natura 2000 gebieden Gezien de ligging van de projectlocatie in ’t Zand ten oosten van de N9, de relatief kleinschalige aard van de plannen op een minimale afstand van circa 2,3 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Duinen Den Helder - Callantsoog, zijn er met uitzondering van een stikstofdepositie geen negatieve effecten te verwachten op Natura 2000 gebieden. Stikstofdepositie Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden. Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,0 kg/jr.), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk. Voor de ontwikkeling van 18 appartementen is een stikstofdepositie-analyse uitgevoerd (bijlage 4). Hieruit blijkt dat het nabijgelegen Natura 2000 gebied Duinen Den Helder Callantsoog geen overschrijding verkrijgt door (extra) stikstofdepositie. Binnen het Natura 2000 gebied zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten.
Overige onderdelen gebiedsbescherming De werkzaamheden vinden niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als NNN, Bijzonder Provinciaal Landschap of een natuurverbinding. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de overige onderdelen van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet aan de orde. Houtopstanden Met de voorgestane herinrichting aan de Oude Rijksweg 106 in ’t Zand worden geen bomen of bosschages verwijderd. Een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van beschermde houtopstanden zoals bedoeld in de Omgevingswet is niet aan de orde. 5.5.2
Soortenbescherming
Voor het onderdeel soortenbescherming is een verkennend en nader onderzoek natuur uitgevoerd (bijlage 5 en 6). Uit het verkennend onderzoek bleek dat er ten behoeve van de beoogde sloop- en nieuwbouw een nader onderzoek noodzakelijk was naar vleermuizen en de vogelsoorten met een vaste rust- en verblijfplaats huismus en gierzwaluw. Uit het nader onderzoek blijkt dat:
18
Vleermuizen In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen voor vleermuizen vastgesteld, enkel een baltsterritorium van een gewone dwergvleermuis. Ten behoeve van de voorgenomen herinrichting is een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en fauna-activiteit in de Omgevingswet, ten aanzien van vleermuizen, niet noodzakelijk. Gierzwaluwen Het plangebied wordt niet door Gierzwaluwen gebruikt om te nestelen. Ten behoeve van de voorgenomen herinrichting is een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en faunaactiviteit in de Omgevingswet, ten aanzien van Gierzwaluwen, niet noodzakelijk. Huismus Het plangebied wordt niet door Huismussen gebruikt om te nestelen. Ten behoeve van de voorgenomen herinrichting is een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en faunaactiviteit in de Omgevingswet, ten aanzien van Huismussen, niet noodzakelijk. Conclusie: Het onderdeel flora en fauna staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.6
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit wordt vooral gemonitord in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). In een aandachtsgebied moeten de omgevingswaarden in acht worden genomen wanneer er sprake is van een verhoging van concentraties binnen het aandachtsgebied. Wanneer er activiteiten worden toegestaan die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In dit artikel zijn ook de aandachtsgebieden opgenomen. Het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van het aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over grote afstand effect hebben. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (P10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. De planlocatie is niet gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, zodat de omgevingswaarden niet in acht hoeven te worden genomen.
Op de planlocatie vindt een sanering plaats van het bestaande restaurant en worden 18 nieuwe woningen woning gebouwd. Per etmaal worden er 92,4 verkeersbewegingen van en naar de planlocatie uitgevoerd. Uit de NIBM-tool (bijlage 7) blijkt dat de ontwikkeling van het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de stikstof- of fijnstofconcentraties. Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.7
Geluid
19
De regels in de Omgevingswet voor geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de Bruidsschat, onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan, is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 is bepaald waar de waarden gelden op een geluidgevoelig gebouw. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. In artikel 3.18, lid Bkl is het toepassingsbereik aangegeven voor het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor de ontwikkeling van de nieuwe appartementen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 8). Uit dit onderzoek blijkt dat: • de geluidbelasting op gebouwdeel ‘B’, het deel gelegen aan de Oude Rijksweg, voldoet aan de ‘standaardwaarde’ van 50 dB Lden. Voor dit deel zijn er dan ook geen belemmeringen geconstateerd. • op gebouwdeel ‘A’, gelegen aan het Molenpad, is de geluidbelasting op de 2e verdieping met 51 dB Lden slechts 1 dB hoger dan de ‘standaardwaarde’ uit het Bkl.
Er wordt daarmee wel ruimschoots voldaan aan de ‘grenswaarde’ van 60 dB Lden. Het gaat om totaal twee appartementen. Redelijkerwijs zijn er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen in de vorm van bron en overdracht mogelijk om de geluidbelasting te reduceren. Er is geen sprake van relevante cumulatie met andere geluidbronnen, de twee appartementen beschikken over een geluidluwe gevel (geluidbelasting lager dan standaardwaarde) en het binnenniveau in de appartementen voldoet met de minimale vereiste gevelgeluidweringseis uit het Bbl. Naar onze mening is er daarmee sprake van een aanvaardbare geluidbelasting. De gemeente dient verzocht te worden de verhoogde geluidbelasting toe te staan. De gemeente dient dit vast te leggen in het omgevingsbesluit. Conclusie: Voor het onderdeel geluid wordt de gemeente verzocht om een verhoogde geluidbelasting toe te staan, aangezien er geen doelmatige en/of effectieve maatregelen zijn om de geluidbelasting te reduceren.
5.8
Geur
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder mee bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten. Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van geurhinder door milieubelastende activiteiten. De horecafunctie wordt gewijzigd in een woonfunctie en daarmee is mogelijke geurhinder niet meer aan de orde. Conclusie: Het onderdeel geur staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.9
Omgevingsveiligheid
20
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Het uitgangspunt van omgevingsveiligheid is dat voor risico’s van branden, rampen en crises rekening moet worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen en hulpverlening. Voor gebouwen en locaties zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.9.1
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 2 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden tot te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 5.9.2
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekeningkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s. Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in het voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 (Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel en niet meer verplicht om te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. 21
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen (paragraaf 5.1.2.3 Bkl); • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk (paragraaf 5.1.2.4 Bkl); • veiligheid rond bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Op de planlocatie worden woningen gerealiseerd en dit zijn kwetsbare gebouwen. Bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten van het plan op de planlocatie gaat het om de volgende risicobronnen: a. bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen bedrijven gelegen, waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, waarvan de risicocontouren zich uitstrekken over het plangebied; b. vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; De planlocatie bevindt zich wel binnen een gifwolk- en explosieaandachtsgebied in verband met de aanwezigheid van de Rijksweg N9 dicht bij de planlocatie. Bij de bouw van de woningen moet worden voldaan aan de aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Bij de toetsing van de omgevingsvergunning kan worden beoordeeld of de woningen aan deze bouweisen voldoen. c. transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. De planlocatie bevindt zich niet in de nabijheid van een buisleiding waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conclusie: Het onderdeel omgevingskwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.10 Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.35 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continu trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van continu trillingen of herhaald voorkomende trillingen. Conclusie: Het onderdeel trilling staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.11 Activiteiten en milieuzonering Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van milieunormen in de omgevingsvergunning. De functiewijziging van agrarisch naar wonen 22
op de planlocatie kan alleen worden gerealiseerd indien er wordt voldaan aan de milieunormen en er geen negatief effect optreedt op de fysieke leefomgeving. De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, teneinde voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. De richtafstanden opgenomen in de VNG-brochure kunnen met één stap worden verlaagd binnen een gebied met een sterke functiemenging. Rond de planlocatie zijn een brede vaarweg (Noordhollands Kanaal), een Rijksweg, diverse bedrijven en particuliere woningen aanwezig en daarmee is er sprake van een gemengd gebied. Het dichtstbijzijnde bedrijf bij de planlocatie is gevestigd op Oude Rijksweg 109. Dit betreft een schilders- en glaszetbedrijf. Een dergelijk bedrijf kan worden vergeleken met een klein aannemersbedrijf (< 500 m² b.o.) en hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter in het kader van het milieuaspect geluid. Voor de overige milieuaspecten zoals geur, stof en gevaar is de richtafstand 0 meter.
De aanwezige bedrijfsbebouwing wordt alleen gebruikt voor de opslag van materiaal. Er vinden verder geen werkzaamheden plaats op deze bedrijfslocatie. De afstand van de nieuwe appartementen tot aan de grens van bovengenoemde bedrijfslocatie bedraagt circa 11 meter. Dit betekent dat wordt voldaan aan de richtafstand van 10 meter vanuit de VNG-brochure. Het bedrijf wordt in de huidige situatie al beperkt door de aanwezige woningen op Oude Rijksweg 107 en 108 en nieuwe woningen op de planlocatie vormen geen extra belemmering voor de bedrijfsvoering. Verder zijn er geen bedrijven in de directe nabijheid van de planlocatie aanwezig. Voor de omliggende particuliere woningen geldt dat er geen sprake is van een belemmering van de toekomstmogelijkheden. Het realiseren van een woonfunctie op de planlocatie stemt overeen met de functie van de bestaande woningen in de omgeving. Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de milieuzonering van het naastgelegen bedrijf en woningen.
5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op een archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische kaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en cultuurhistorische zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Op de planlocatie is sprake van een beschermingsregime voor archeologische waarden (Waarde – Archeologie 4). Archeologie West-Friesland heeft voor de gehele gemeente Schagen een beleidskaart archeologie vervaardigd en een cultuurhistorische elementenkaart opgesteld. Deze kaarten zijn in december 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. Cultuurhistorie 23
Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bebouwd perceel en er worden geen wijzigingen aangebracht aan de verkaveling of een slotenpatroon. De planlocatie bevindt zich in een dorpslint en door de bouw van nieuwe appartementen wordt de ruimtelijke kwaliteit op het perceel versterkt. Archeologie Een kaartanalyse heeft uitgewezen dat ter plaatse van het plangebied een lage archeologische verwachting is. Bij archeologische ingrepen is de vrijstellingsgrens binnen het gebied 500 m². De sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van een nieuwe appartementen vindt plaats op één locatie die in de huidige situatie geheel bebouwd is. Bij de ontwikkeling van de appartementen met bergingen is de te bebouwen oppervlakte kleiner dan de vrijstellingsgrens. Dit betekent dat de archeologische waarden niet bedreigd worden door de voorgenomen grondwerkzaamheden. Nader archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Landschap De sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van nieuwe appartementen zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitswinst op de planlocatie. Rond de appartementen op de begane grond worden groene tuinen aangelegd aan de voorzijde van de woning. Deze tuinen worden voorzien van lage groene hagen, enkele bomen en aangevuld met bloeiende beplanting.
In vergelijking met de huidige versteende situatie krijgt de bebouwing daardoor een groene uitstraling. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
24
5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor de ontwikkeling van de woningen is een verkennend- en nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 9 en 10). Op basis van het verkennend bodemonderzoek werd geconstateerd dat in de grond bij de boringen 3 en 6 sterke verhogingen zijn aangetoond met lood en zink. Dit is de reden dat een nader bodemonderzoek is uitgevoerd waarin de omvang van de verontreiniging met lood en zink is vastgelegd. Uit het nader onderzoek blijkt dat: • ter plaatse van boring 06 uit het verkennend onderzoek is een nieuwe boring verricht. De destijds sterk verontreinigde bodemlaag is ter verificatie geanalyseerd op de kritische parameters.
Hierbij zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond. Geconcludeerd wordt dat het resultaat uit het verkennend onderzoek niet gereproduceerd kan worden. Mogelijk werd het resultaat uit het verkennend onderzoek veroorzaakt door heterogeniteit in het monster (bijvoorbeeld een puindeeltje). Op basis van de nu bekende gegevens kan worden gesteld dat geen sprake is van een sterke verontreiniging op dit gedeelte van het perceel. • ter plaatse van boring 03 uit voorgaand onderzoek is een nieuwe boring verricht. De destijds sterk verontreinigde bodemlaag is ter verificatie geanalyseerd op de kritische parameters. Hierbij is opnieuw een sterke verontreiniging aan lood aangetoond. Na verticale en horizontale afperking wordt het volume sterk verontreinigde grond geraamd op circa 24 m3 (30 m2 x 0,8 m). Mogelijk is de oorzaak van de sterke verontreiniging de aangebrachte grond na de realisatie van de aanbouw. Dit valt echter niet met zekerheid te zeggen. Op de tekening in bijlage I van het nader onderzoek is de sterke verontreiniging weergegeven. • in verband met de herontwikkeling wordt geadviseerd om de sterk verontreinigde bodem te saneren. Dit kan door middel van ontgraven en afvoeren, of door middel van het afdekken van de sterke verontreiniging. Hiervoor kunnen klinkers, tegels, beton of asfalt worden gebruikt.
Indien ter plaatse kabels of leidingen worden aangelegd, wordt geadviseerd om dit in een schone sleuf te doen. • Op de locatie van de sterk verontreinigde bodem worden bergingen gebouwd met rondom erfverharding. De bergingen worden voorzien van een betonfundering. Met het aanbrengen van de betonfundering en de erfverharding wordt de locatie met een sterke verontreiniging afgedekt.
25
Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg. Op basis van de beschikbare informatie blijkt dat de bodem, na afdekking van de verontreinigde locatie, geschikt is voor het beoogd gebruik.
5.14 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor de ontwikkeling van het plan is een wateradvies gevraagd aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bijlage 11). Verharding Op de planlocatie wordt een oppervlakte bedrijfsbebouwing gesloopt welke groter is dan de oppervlakte van de nieuw te bouwen appartementen. Dit betekent dat er geen sprake is van een verhardingstoename op het perceel en op basis van het beleid van HHNK geen compenserende waterberging hoeft te worden gerealiseerd. De gemeente Schagen heeft de ‘Beleidsregels en nadere regels betreffende de Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater’ vastgesteld. Deze beleidsregels zijn van toepassing op nieuwe bouwwerken of een uitbreiding van bestaande bouwwerken met een oppervlakte van minstens 50 m². Door middel van een hemelwatertool kan worden berekend hoeveel m³ aan alternatieve waterberging moet worden gerealiseerd bij een planontwikkeling.
In dit geval wordt de oppervlakte aan verharding kleiner door de planontwikkeling en dit betekent dat per saldo het waterbergend vermogen in de bodem toeneemt. Het is niet nodig om compenserende waterberging te realiseren. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te worden aangeboden. Voor de aansluiting van de woning op de riolering wordt contact gezocht met de rioolbeheerder, in dit geval de gemeente Schagen. Overdrachtspunten moeten voorzien zijn van een erfscheidingsput. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.
26
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.