14. Bijlagen bij de toelichting; Bijlage 8; Spuitzone onderzoek
Tekst van het document
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 27 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
6.
Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak spuitzones
Op 19 oktober 202251 (Beuningen) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak een uitspraak gedaan waarin blootstelling aan stoffen in de context van de ruimtelijke ordening en het gebruik van het EFSA-model in het bijzonder aan de orde is gesteld. Aansluitend is deze uitspraak bevestigd in de uitspraak Lentsesteeg Rheden52. Op basis van het advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak53 komt de Afdeling bestuursrechtspraak in de uitspraak Beuningen tot de conclusie dat geen sprake kan zijn van goede ruimtelijke ordening voor wat betreft driftblootstelling omdat sprake is van (te grote) wetenschappelijke onzekerheid over: - Effecten van blootstelling aan stoffen van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid; - Cumulatieve en geaggregeerde blootstelling aan stoffen; - De factoren die in het EFSA-model gehanteerd worden voor bijvoorbeeld druppelverspreiding en nalevering van emissies door uitdamping; - Verspreiding van drift nabij hoogbouw; - Het driftreducerende effect van een windhaag. Op dit punt is van belang dat het EFSA-model de stand der wetenschap vertegenwoordigt, zowel als het gaat om de gehanteerde blootstellingsnormering als wanneer het gaat om driftverspreiding. Gelet hierop kan dit model ondanks de uitspraak nog steeds worden benut om de mate van driftblootstelling te beoordelen die maximaal kan optreden.
Aansluitend lijkt de Afdeling zowel beide genoemde uitspraken alsook eerdere jurisprudentie weer te hebben herroepen in de uitspraken van 2 november 202254 (Hooghoutseweg 27 Biezenmortel) en 25 januari 202355 (Zilkerbinnenweg 14 e.o.). Immers in beide uitspraken speelt de afstand van 50 meter tot gewaspercelen geen rol meer in de afwegingen. De uitspraak Zilkerbinnenweg 14 baseert zich daarbij niet op locatiespecifiek onderzoek, maar verwijst naar globaal onderzoek van RIVM (ogenschijnlijk heeft de Afdeling willen verwijzen naar het zogenaamde OBO-rapport van RIVM56). De uitspraak Hooghoutseweg 27 Biezenmortel is gedaan zonder verwijzing naar enig onderzoek. Met zulke inhoudelijk strijdige uitspraken op zeer korte tijd na elkaar, zonder dat nader inzicht wordt gegeven in de vraag of inderdaad een breuk is beoogd met de lang staande jurisprudentie over – kort gezegd – locatiespecifiek onderzoek voor gevoelige ontwikkelingen binnen 50 meter tot gewaspercelen, betekent in ieder geval dat gesproken kan worden van onzekerheid over de stand van de rechtspraak inzake blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen bij ruimtelijke ontwikkelingen.
51
ECLI:NL:RVS:2022:3023 ECLI:NL:RVS:2022:3387 53 STAB 41286, 30 september 2021 54 ECLI:NL:RVS:2022:3160 55 ECLI:NL:RVS:2023:269 56 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 52
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 28 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Hierdoor kunnen moeilijk keuzen worden gemaakt over of locatiespecifiek onderzoek nog nodig is en zo ja waar dit onderzoek nog precies aan zou moeten worden voldoen. In het navolgende wordt in ieder geval nader ingegaan op de factoren welke genoemd zijn in de uitspraak Beuningen. 6.1. Bijzondere kwetsbaarheid Het EFSA-model beschouwt de blootstelling van kinderen jonger dan 3 jaar maar ouder dan 1 jaar als bepalend voor blootstelling van mensen met een bijzondere kwetsbaarheid. De reden hiervoor is meerledig: - In algemene zin zijn kinderen meer kwetsbaar dan volwassenen omdat zij in de groei zijn en hun stofwisseling hierop is ingericht; - Kinderen in deze leeftijdscategorie hebben ten opzichte van oudere kinderen en volwassenen de verhoudingsgewijs grootste blootstelling (laag lichaamsgewicht bij gelijkblijvende blootstellingshoeveelheid); - Kinderen in deze leeftijd zijn zelfstandig mobiel, waardoor sprake zal zijn van een groter blootstellingsrisico ten opzichte van kinderen jonger dan 1 jaar; - Vanwege de hogere zelfstandigheid zullen deze kinderen meer fysieke inspanningen leveren en een dito relatief hogere inhalatore opname kennen dan kinderen jonger dan 1 jaar; - Kinderen uit deze leeftijdscategorie kennen relatief veel hand-mondcontact en mondcontact met objecten die blootgesteld kunnen zijn geweest aan gewasbeschermingsmiddelen.
In lijn hiermee is blootstelling van deze categorie zowel representatief voor jongere kinderen omdat inhalatore blootstelling (welke de grootste factor vormt bij kinderen jonger dan 1 jaar) verwaarloosbaar is in vergelijking met de potentiële orale en dermale blootstelling waaraan kinderen uit van 1 tot 3 jaar (modelmatig) worden blootgesteld, als representatief voor mensen met een bijzondere kwetsbaarheid zoals zwangeren, tabaksafhankelijken en mensen met een ziekte, zowel vanwege het hogere lichaamsgewicht (waardoor blootstelling verhoudingsgewijs veel lager is) als vanwege de omstandigheid dat de factor orale blootstelling ook voor deze categorieën geen rol van betekenis speelt. 6.2. Cumulatie, aggregatie en interactie In de vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) is niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten. Tegelijkertijd wordt bij het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een extra onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een insect, een schimmel of een plant. Daarnaast spelen factoren zoals oplosbaarheid een rol bij de vraag bij welke organen e.d.
een stof na opname in het lichaam terecht kan komen. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 29 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege de complexiteit van de onderlinge werkingen van relevante stoffen57 ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige bewoners zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 201858, 202059 en 202260 rapporten heeft gepubliceerd. Het EFSA hanteert voor blootstelling aan residuen in voedsel de zogenaamde Monte Carlo Risk Assessment (MCRA) systematiek welke mede door RIVM is ontwikkeld61. De beoordelingssystematiek op dit vlak komt erop neer dat cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben. Hierbij werd opgemerkt dat bij de bepaling van cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien van het aspect interactie/synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen. In onderhavige rapportage is de gewogen blootstelling aan alle stoffen bij elkaar opgeteld (zie tabel 1).
Dit is een aanzienlijke overschatting ten opzichte van de MCRA systematiek aangezien hierdoor wordt uitgegaan van de aanname dat alle stoffen uitsluitend hetzelfde aangrijpingspunt hebben op het organisme, wat in de praktijk niet het geval is. In deze context is verder relevant dat niet alle middelen gelijktijdig zullen worden verspoten, waardoor veelal geen sprake zal zijn van volledig cumulatieve blootstelling: de ene stof zal al door het lichaam zijn afgescheiden of afgebroken vooraleer blootstelling aan een andere stof kan plaatsvinden door een opvolgende gewasbehandeling. Ook op dit vlak is gekozen voor een worst case benadering waarbij wel is uitgegaan van een situatie dat sprake zal zijn van gelijktijdige blootstelling aan alle onderzochte middelen. 6.3. Opbouw EFSA-model De belangrijkste inputfactoren in het EFSA-OPEX model zijn: - De maximale blootstellingsnorm voor een stof (dus in feite de chemisch-biologische giftigheid/schadelijkheid); - De driftgevoeligheid van een stof (fysische eigenschappen, met name de vluchtigheid). Met andere woorden: de fysische eigenschappen van een stof en de blootstellingsnorm voor (schadelijkheid van) een stof vormen een gegeven voor het model.
57
Cumulatie zal een rol spelen in relatie tot blootstelling aan tal van stoffen (verbrandingsgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, meubels en gebruiksvoorwerpen, voedingsmiddelen, genotsmiddelen, medicijnen, cosmetica, bekleding, verpakkingen etc. 58 RIVM, 2018 Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands 59 RIVM, 2020 Cumulative dietary exposure to pesticides in the Netherlands 60 RIVM, 2022 Gelijktijdige blootstelling aan verschillende gewasbeschermingsmiddelen via voedsel 61 EFSA, Proposal for a data model for probabilistic cumulative dietary exposure assessments of pesticides in line with the MCRA software, 19-04-2018, EFSA Journal 2018-15(4);1375
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 30 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Daarnaast zijn er de absorptiefactoren en de halfwaardetijd (DT50) als inputfactoren in het EFSAmodel. De DT50 is een maat voor de tijd waarbij 50% van de initiële concentratie van de stof is vergaan. De absorptiefactoren zetten de geschatte blootstelling op de huid (dermal), in de mond (oral) en in de longen (inhalation) om naar de systemische blootstelling (i.e. de inwendige blootstelling in het lichaam). De absorptiefactoren en de DT50 worden afgeleid uit toxicologische/experimentele onderzoeken, indien deze gegevens beschikbaar zijn. Er zijn ook nog inputfactoren welke volgen uit de gebruiksvoorschriften van het Ctgb, namelijk het type middel, het minimale watervolumeschaal (in hoeveelheid water het middel wordt opgelost) en de maximale toedieningshoeveelheid van de actieve stof. Tenslotte is er één inputfactor welke als constante waarde wordt beschouwd vanwege de afwezigheid van beschikbare gegevens van deze factor voor de verschillende middelen/actieve stoffen. Dit is het “initieel losneembaar bladresidu” (hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel op behandeld gewas waaraan mensen nog kunnen worden blootgesteld)62. Deze factor is evenwel alleen relevant bij betreding van het behandelde gewas en dus niet relevant voor situaties waarin geen betreding van gewaspercelen plaatsvindt. 6.3.1.
Factor wind Belangrijk bij het berekenen van de blootstelling van stoffen als gevolg van drift zijn de windrichting en de windsnelheid. Op dit vlak kan ook worden terugverwezen naar paragraaf 4.1.2. De windrichting is bepalend voor de blootstelling, doordat dit bepaalt of er sowieso drift in de richting van de omliggende functies plaatsvindt. De windrichting wordt niet nader gespecificeerd in het EFSAmodel (of het onderliggende guidance rapport). Dit komt doordat het EFSA-model geen verspreidingsmodel is in de zin van bijvoorbeeld geurverspreidingsmodellen met geurcontouren. Er wordt in de blootstellingsberekening vanuit gegaan dat de windrichting steeds in de richting van de “ontvanger” is. De windsnelheid bepaalt, in het geval de windrichting naar de omwonenden staat, hoe snel de drift zich verplaatst. Bij hoge windsnelheden wordt de drift sneller verdreven en verdund met “schone” achtergrondlucht. De blootstellingsduur is hierbij korter en de blootstellingsconcentratie lager. Het EFSA-model houdt een windsnelheid van 2,7 m/s aan. Dit geldt in de UK Code of Practice als bovengrens voor acceptabele spuitcondities. Volgens het artikel 3.83 lid 5 Activiteitenbesluit mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s.
Hieruit volgt dat er situaties in Nederland kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd.
62
Kluxen, F.M. e.a., Compounded conservatism in European re-entry worker risk assessment of pesticides, Regulatory Toxicology and Pharmacology 121 (2021) 104864
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 31 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Door desalniettemin uit te gaan van 100% meewind, terwijl de windrichting in de praktijk zal variëren, kan op dit punt worden uitgegaan van een veiligheidsmarge van minstens 25% (uitgaande van een scenario waarin voor een significant deel van de tijd ook rekening gehouden wordt met tegenwind). Kortom is dit aspect tweemaal worst case, namelijk op het vlak van windrichting en windsnelheid. 6.3.2. Blootstellingsnorm De blootstellingsnorm(en) worden bepaald middels toxicologisch onderzoek. Dit onderzoek wordt doorgaans uitgevoerd op proefdieren en daarnaast vindt onderzoek plaats op celniveau. De extrapolatie van de toxicologische gegevens verkregen vanuit dierproeven naar de toepassing op de mens kent echter ook onzekerheden. Om rekening te houden met deze onzekerheden, wordt een tienvoudige onzekerheidsfactor toegepast63. De aangehouden blootstellingsnorm(en) kunnen dus worden beschouwd als worst-case normen op basis van de beschikbare wetenschappelijke data. 6.3.3. Driftgevoeligheid van een stof In het EFSA-model wordt de driftgevoeligheid van de werkzame stof van een middel ingevoerd op basis van de dampdruk/dampspanning. De dampspanning is afhankelijk van de temperatuur en de vluchtigheid. Met name vluchtigheid is hierbij dus de bepalende fysische eigenschap (onder laboratoriumomstandigheden).
Deze driftgevoeligheid wordt ingevoerd als stoffen met een dampdruk < 5*10 -3 Pa of als stoffen met een dampdruk tussen 5*10-3 en 10-2 Pa. In eerstgenoemde categorie zit een ruime marge aan stoffen met lage dampdrukken, welke (veel) vluchtiger zijn dan stoffen aan de bovengrens van deze categorie. Stoffen kunnen dus veel eerder verdampt zijn dan op basis van de EFSA-invoergegevens blijkt. Ook op dit vlak is kortom sprak van een ruime veiligheidsmarge. 6.3.4. Absorptiefactoren De absorptiefactoren moeten uit de toxicologische evaluaties/onderzoeken gehaald worden. De waarden uit deze onderzoeken, gepubliceerd door de EFSA, zijn gepubliceerd na peer review. De onzekerheid in deze waarden wordt hiermee geminimaliseerd. Het EFSA-model neemt voor orale absorptie boven de 80% automatisch een waarde van 100% aan. Waarden onder 80% welke zijn vastgesteld in onderzoek orden wel als specifieke waarden overgenomen. Daarnaast wordt voor inhalatoire absorptie ook 100% aangehouden, tenzij uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een lagere absorptie optreedt. Voor de dermale absorptie dient de hoogste waarde van het onderzoek aangehouden te worden (vaak betreft dit de onverdunde middelen ten opzichte van de te gebruiken verdunning bij toepassing).
63
National Research Council. (2004). Intentional human dosing studies for EPA regulatory purposes: scientific and ethical issues. Appendix A: Values and Limitations of Animal Toxicity Data
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 32 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Bij afwezigheid van een dermale absorptiefactor dient een “geschikte default waarde” te worden gehanteerd. Adromi hanteert bij missende absorptiefactoren standaard 100%. Dit is een worst-case benadering64. 6.3.5. Afbraak - halfwaardetijd DT50 De afbraak van de werkzame stoffen in gebruikte gewasbeschermingsmiddelen in de tijd wordt beoordeeld aan de hand van der halfwaardetijd (DT50). De DT50 wordt in het EFSA-model aangehouden om de accumulatie van het middel als gevolg van opeenvolgende behandelingen mee te nemen als een realistisch worst-case scenario. Dit is met name van belang voor de indirecte blootstelling in de vorm van opname in de mond via aan drift of gedeponeerde aerosolen blootgestelde objecten. De DT50 is niet altijd een eenduidige tijdseenheid. Deze varieert afhankelijk van het milieu. Met oog op drift is met name het type bodem bepalend voor de DT50. Wanneer er geen eenduidige (gemiddelde) waarde beschikbaar is, wordt door Adromi de hoogst genoemde (en redelijkerwijs realistische) waarde aangehouden, daar een hogere DT50 zal zorgen voor een langere aanwezigheid van het middel en daarmee ook voor een hoger accumulatierisico van het middel. Dit is een worstcase benadering, omdat EFSA een default waarde van 30 dagen aanhoudt65. 6.3.6.
Vaste basisfactoren EFSA hanteert in de berekening vanuit de inputfactoren naar de blootstellingswaarden eveneens vaste basisfactoren. Dit zijn factoren die niet aan te passen zijn, maar wel een belangrijk aandeel hebben in de berekening van de blootstelling. Dit betreft onder meer longinhoud, ademsnelheid, handmondbewegingen en dergelijke. Zo wordt standaard uitgegaan van een gemiddeld lichaamsgewicht van 60 kg voor een volwassene, hetgeen in Nederlandse context hoe dan ook als worst case benadering dient te worden beschouwd. Immers bij een hoger lichaamsgewicht neemt de relatieve blootstelling af. 6.3.7. Driftreducerende technieken Driftreducerende technieken zijn risicobeperkende technieken en zorgen ervoor dat er minder gewasbeschermingsmiddelen buiten de agrarische percelen terecht komen. Dit vermindert dus de hoeveelheid drift buiten de perceelsgrenzen en heeft hiermee zowel in principe bedrijfseconomische voordelen als voordelen voor het omliggende milieu, doordat er in principe minder middel toegepast hoeft te worden voor hetzelfde effect (kostenbesparend) of het effect groter is bij eenzelfde hoeveelheid middel (hogere opbrengst) en doordat de totale milieubelasting door vervuilende stoffen daalt. Driftreducerende technieken vallen hiermee onder de bronmaatregelen zoals benoemd in de Toekomstvisie Gewasbescherming 2030.
64
Mercier, T., Direct dermal and inhalation exposure of bystanders and residents during vine foliar application using sprayer equipment fitted with an anti‑drift device: a comparison between measured exposure levels and existing exposure models, Journal of Consumer Protection and Food Safety https://doi.org/10.1007/s00003-02001274-1 65 European Food Safety Authority (EFSA), Charistou, A., Coja, T., Craig, P., Hamey, P., Martin, S., ... & Istace, F. (2022). Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment of plant protection products. EFSA Journal, 20(1), e07032.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 33 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Het EFSA-model hanteert voor het aspect driftreducerende technieken een driftreductie van 50%. Deze 50% is gebaseerd op experimentele data, welke driftreducties laten zien van 50 tot 90%. Ten opzichte van de Nederlandse praktijk is deze 50% reductie een worst-case scenario, daar de Nederlandse minimumstandaard 75% is (Activiteitenbesluit artikel 3.78a - dit is een doelvoorschrift, dus de bewijslast ligt bij de toepasser). In 2019 maakte circa 90% van de Nederlandse telers gebruik van 75% (circa 20% van de telers) dan wel 90% (circa 70% van de telers) driftreducerende spuitdoppen. De 10% die geen gebruik maakte van dergelijke spuitdoppen, kon echter alsnog 75% driftreductie behalen door een combinatie met andere driftreducerende maatregelen (zoals lagere spuithoogte)66. 6.3.8. Blootstelling op lange termijn Het EFSA-model berekent de blootstelling op lange termijn en dus niet de (acute) gevolgen van eenmalige (piek)blootstelling die binnen een dag kunnen optreden. Voor de blootstelling op lange termijn wordt het 75e percentiel gehanteerd. Hier wordt de blootstelling mee berekend die een bewoner herhaaldelijk, binnen het spuitseizoen, ondergaat. Dit is representatief voor mensen die op gronden rondom een teeltperceel verblijven, bijvoorbeeld in de context van woonverblijf.
Per slot van rekening zal geen sprake zijn van voortdurende aanwezigheid op plekken waar sprake kan zijn van blootstelling (aan de perceelranden etc.). De berekende blootstellingswaarden gelden hierbij voor 75% van de dag. Gedurende 25% van de dag zullen de berekende blootstellingswaarden hoger liggen. Hierbij wordt er modelmatig echter wel vanuit gegaan dat de bewoner voortdurend (24 uur per dag, 365 dagen per jaar) aanwezig is in de buitenlucht ten einde aldaar, op de relevante afstand vanaf de middeltoepassing, blootgesteld te staan aan drift van iedere bespuiting die plaatsvindt (de afstand vanaf de middeltoepassing waarop de blootstellingswaarde wordt berekend). Daar zal in de gegeven situatie geen sprake van zijn. In tegendeel zullen bewoners zich niet altijd buiten op de woonpercelen bevinden als gewasbehandeling plaatsvindt. Dat wordt uitgegaan van het 75e percentiel betekent dus niet dat sprake is van een onderschatting van de blootstelling. 6.3.9. Verdere context In algemene zin geldt dat een toepasser van gewasbeschermingsmiddelen de hoogste blootstelling zal ondervinden. Dit zijn in de regel telers en hun familieleden, maar ook kan worden gedacht aan medewerkers van loonbedrijven en hoveniers.
In lijn daarmee ligt het voor de hand te verwachten dat eventuele nadelige effecten op de gezondheid in de allereerste plaats bij deze personen aan het licht zou moeten komen. Op dit vlak zijn er evenwel geen statistische verbanden aangetoond, ook niet v.w.b. Parkinson67.
66
Verschoor, A., Zwartkruis, J., Hoogsteen, M., Scheepmaker, J., de Jong, F., van der Knaap, Y., ... & Tamis, W. (2019). Tussenevaluatie van de nota 'Gezonde Groei, Duurzame Oogst': Deelproject Milieu. RIVM Rapport 2019044. 67 EFSA brief, possible relation between the use of specific pesticides and the development of Parkinson’s disease, IC-2021-24570142
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 34 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
In Nederland wonen erg veel mensen in de nabijheid van agrarische percelen waar gewasbescherming wordt toegepast. Dit geldt voor 18% van de woningen in Nederland68. Blootstelling vindt niet alleen plaats in de thuissituatie, maar bijvoorbeeld ook (onderweg naar) school of in de vrije tijd. Van bijvoorbeeld sport- en recreatieterreinen zijn geen gegevens beschikbaar, maar het ligt voor de hand dat dergelijke terreinen ook in de nabijheid van agrarische gronden zijn gelegen, bijvoorbeeld vanwege ligging aan een dorps- of stadsrand. Bij de beslissing om het EFSA-model te gaan gebruiken voor toelatingen in Nederland, heeft het Ctgb het EFSA-model beoordeeId69. Hieruit is naar voren gekomen dat het EFSA-model worst case is nu daarmee een hogere blootstelling wordt berekend dan dat in de praktijk blijkt op te treden. In lijn hiermee heeft het Ctgb reeds toegelaten middelen aan een herbeoordeling onderworpen met dit model en is hierbij tot de conclusie gekomen dat er blijkens het EFSA-model geen risico’s zijn voor omwonenden70. De gezondheidsraad heeft zich ook positief uitgelaten over het gebruik van het EFSAmodel bij de beoordeling van gezondheidsrisico’s door omwonenden71.
In lijn met conclusies uit het EFSA-model, blijkt uit onderzoek van RIVM dat mensen in de nabijheid van agrarische gronden blootgesteld staan aan kleine hoeveelheden stoffen afkomstig uit gewasbeschermingsmiddelen die niet alleen uit voedsel afkomstig zijn72. Uit dit onderzoek van RIVM blijkt eveneens, dat mensen die dichtbij landbouwpercelen wonen, gemiddeld iets gezonder lijken te zijn dan personen die daar verder vandaan wonen. De Gezondheidsraad komt tot dezelfde conclusies73. Wel is er een associatie gevonden qua luchtwegaandoeningen nabij maisteelt74. Het is onbekend of het gebruik van bestrijdingsmiddelen hiervan de oorzaak is. In algemene zin vindt maisteelt plaats bij veehouderijen t.b.v. kuilvoerproductie. Van veehouderijen zijn de nodige fijnstofemissies te verwachten welke ook een effect op de luchtwegen kunnen hebben. Hierbij kan bijvoorbeeld verder worden gedacht aan emissies van enzymen uit veevoer (sensibiliserend), een blootstellingscategorie waar nog onvoldoende onderzoek naar is gedaan. Alhoewel het RIVM aanvullend onderzoek aanbeveelt, blijkt op basis van voorhanden onderzoeksgegevens niet van een algemeen en direct gezondheidseffect door het wonen nabij gewaspercelen. 6.3.10. Hoogbouw Onderhavig bouwplan omvat appartementen. Echter deze appartementen zullen zich op meer dan 50 meter uit gewaspercelen bevinden.
Dit geldt dus ook voor balkons en inlaten van klimaatinstallaties. In 68
C.H.Vermeulen e.a. Research on exposure of residents to pesticides in the Netherlands, Bilthoven: RIVM 2019, p. 233. 69 Ctgb, Gebruik gewasbeschermingsmiddelen leidt niet tot gezondheidsrisico’s voor omwonenden, www.ctgb.nl 70 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49 71 Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, 29 juni 2020, 2010/10, p. 25 72 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 73 Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, 2010/10, Den Haag 2020, p. 36 74 RIVM 2018-0068, Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots, en: RIVM 2020-0056 Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 35 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
algemene zin geldt dat hoogbouw leidt tot meer turbulentie, zodat dit bijdraagt aan een betere vermenging van stoffen welke zich als dampen en aerosolen in de lucht bevinden. Dit laat uiteraard onverlet dat – binnen een afstand van in principe 50 meter – blootstellingaspecten op omliggende gronden dienen te worden beschouwd. 6.3.11. Conclusie EFSA Het EFSA-model is in lijn met de verordening 528/2012/EU ontworpen om gezondheidsrisico’s van omwonenden te beoordelen. Het model wordt in de gehele EU gehanteerd alsook daarbuiten. Ook wetenschappelijke instanties in Nederland zoals RIVM en de Gezondheidsraad hebben het gebruik van het model als instrument voor de beoordeling van gezondheidsrisico’s van omwonenden onderschreven. Zodra een middel is goedgekeurd door de Ctgb, staat hiermee in principe al vast dat dit middel op zichzelf of in combinatie met andere gewasbeschermingsmiddelen geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid mag hebben, ook niet voor omwonenden van gewaspercelen. Dat dit in de praktijk ook zo is, wordt ondersteund door onderzoek van RIVM waaruit blijkt dat het wonen nabij percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast niet leidt tot gezondheidsrisico’s. 6.4.
Voorzorgbeginsel Hiervoor is aan de orde gekomen dat gezondheidseffecten weliswaar niet zijn aangetoond, maar desalniettemin kunnen gewasbeschermingsmiddelen in algemene zin worden beschouwd als gevaarlijke stoffen. Het is mogelijk dat niet alle effecten van stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en andere stoffen en stofcombinaties in alle omstandigheden bekend zijn. Dat niet alle mogelijke effecten bekend zijn, geldt eveneens voor personen die mogelijk een bijzondere kwetsbaarheid hebben. Er kan verder sprake zijn van vergissingen bij het aanlengen van een middel of bij de configuratie van de apparatuur of van een stuurfout, al dan niet door onregelmatigheden in het terrein. In een dergelijke situatie schrijft het voorzorgbeginsel voor dat men zich ervoor moet inspannen om de blootstelling zo klein mogelijk te maken, ook al is er volgens beschikbare inzichten geen sprake van een te hoge blootstelling en/of aantoonbare gezondheidseffecten79. Deze minimalisatie van de driftblootstelling op agrarische gronden kan worden bereikt door bijvoorbeeld: Enkel gebruiken van laagrisico stoffen voor gewasbescherming; Het toepassen van aanvullende driftreducerende maatregelen (d.w.z.
meer dan het wettelijke minimum van 75%); Enkel toepassing gewasbescherming indien wind van woonpercelen is afgericht; Het aanhouden van meer afstand tussen teeltpercelen en de toekomstige woonpercelen; Het maken van afscherming. Op een (beoogd) woonperceel kan minimalisatie worden bereikt door: 79
o.m. Rechtbank Oost Brabant 17 oktober 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:6305
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 36 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
-
Het aanhouden van meer afstand cq. gebruiksbeperkingen (geen regulier menselijk verblijf) op korte afstand tot gewaspercelen; Specifieke maatregelen (zoals inlaten van klimaatinstallaties op zo groot mogelijke afstand tot gewaspercelen situeren); Het maken van afscherming.
In de context van onderhavige rapportage is geen rekening gehouden met maatregelen die kunnen worden genomen op de betrokken gewaspercelen. In dit geval wordt gekozen voor het aanhouden van extra afstand tussen locaties waar sprake is van regulier menselijk verblijf en locaties waar gewasbescherming wordt toegepast, kan in de gegeven situatie uit voorzorg worden uitgegaan van een afstand die 2 tot 3 maal de afstand is welke blijkens de uitkomsten van het EFSA-model als veilig wordt beschouwd, dus 6 tot 9 meter, uitgaande van neerwaarts spuiten.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 37 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
7.
Conclusie en aanbevelingen
Ten behoeve van het woningbouwplan ‘Muggenburg Zuid’ is onderhavige onderzoeksrapportage opgesteld. Dit enerzijds om voor de nieuwe woonbestemmingen te beoordelen of sprake is van een ruimtelijk aanvaardbare situatie en anderzijds om te beoordelen of sprake is van een vergroting van het risico op toekomstige beperkingen voor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen ten opzichte van de bestaande situatie. Primair heeft boordeling plaatsgevonden aan de Memo Spuitzones van de gemeente Schagen. Hierbij blijkt dat kan worden voldaan aan het interimbeleid dat in deze memo is geformuleerd. Secundair is de blootstelling beoordeeld die zou kunnen optreden aan de hand van het EFSA-model, dat strekt ter uitvoering van Verordening 528/2012/EU. Het EFSA-model is stand der wetenschap. Het model is robuust in die zin dat eerder een overschatting (worst case) dan een onderschatting van de driftblootstelling wordt geprognosticeerd (o.m. meewind, opname van stoffen door het lichaam en lichaamsgewicht). Rekening houdend met de bestemde situatie is uitgegaan van akkerbouw, tuinbouw en beperkt bloem(bollen)teelt als representatief in die zin dat dit teelten zijn waarbij het risico op driftblootstelling het hoogste zal zijn. Aanvullend hierop zijn worst case uitgangspunten gehanteerd om de driftblootstelling niet te onderschatten.
Op deze grondslag wordt blijkens het EFSA-model geen te hoge blootstelling verwacht op een afstand vanaf 2-3 meter. Uit voorzorg wordt geadviseerd om een grotere afstand aan te houden van 2 tot 3 maal deze afstand op het moment dat geen afscherming zal worden toegepast. Op dit vlak wordt evenwel reeds rekening gehouden met een minimale onderlinge afstand van 12,50 meter (conform de Memo Spuitzones), kortom ruim vier maal de afstand welke vanuit het EFSA model als veilig wordt beschouwd. Gelet op dit alles kan worden geconcludeerd dat geen sprake is van een risico op onaanvaardbare blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen welke kan leiden tot (aanvullende) beperkingen voor het agrarische grondgebruik zoals dat door het geldende bestemmingsplan wordt toegelaten op de gronden rondom de nieuwe woonbestemmingen.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 38 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Bijlagen 1) 2) 3) 4) 5) 6)
Berekening op basis van het EFSA-model voor Roundup Ultimate Berekening op basis van het EFSA-model voor Corzal SE Berekening op basis van het EFSA-model voor Cropguard Clethodim Berekening op basis van het EFSA-model voor Karate Zeon Berekening op basis van het EFSA-model voor Teppeki Berekening op basis van het EFSA-model voor Devrinol
De tot deze rapportage behorende berekeningen zijn aangeleverd / bijgevoegd als Zip-bestand dat kan worden ingelezen in de webapplicatie van EFSA.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 39 van 39