14. Bijlagen bij de toelichting; Bijlage 8; Spuitzone onderzoek
Tekst van het document
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid Rapportage inzake ruimtelijk acceptabele afstanden
Gemeente Schagen
Projectnummer: Status: Datum: Auteur:
wil/R202296/2301a concept 14-7-2023 J. Wildschut
Geaccordeerd:
Y. Hidskes
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Inhoudsopgave 1.
2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1.
Ruimtelijk acceptabele afstanden ........................................................................................... 3
1.2.
Gebruik gewasbeschermingsmiddelen ................................................................................... 4
1.3.
Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden............................ 5
1.4.
Context rapportage ................................................................................................................. 5
1.5.
Opzet rapportage .................................................................................................................... 6
Locatie, omgeving en (bouw)plan ................................................................................................... 7 2.1.
Projectlocatie en omgeving ..................................................................................................... 7
2.2.
Agrarisch grondgebruik ........................................................................................................... 7
2.3.
Water ....................................................................................................................................... 8
2.4.
Résumé feitelijke situatie ........................................................................................................ 9
Representatieve invulling maximale planologische situatie ......................................................... 10 3.1.
Algemeen............................................................................................................................... 10
3.2.
Bestemmingsregeling agrarischegronden ............................................................................. 10
3.3.
(Bouw)plan ............................................................................................................................ 14
3.4.
Bestaande beperkingen......................................................................................................... 14
3.5.
Activiteitenbesluit milieubeheer ........................................................................................... 15
3.6.
Résumé representatieve invulling van de maximale planologische situatie ........................ 16
Spuitzones ..................................................................................................................................... 20 4.1.
EFSA-model ........................................................................................................................... 20
4.2.
Invoergegevens ..................................................................................................................... 22
4.3.
Resultaten EFSA ..................................................................................................................... 25
Uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak spuitzones................................................................... 28 5.1.
Bijzondere kwetsbaarheid ..................................................................................................... 29
5.2.
Cumulatie, aggregatie en interactie ...................................................................................... 29
5.3.
Opbouw EFSA-model ............................................................................................................. 30
5.4.
Afscherming........................................................................................................................... 36
5.5.
Voorzorg ................................................................................................................................ 36
Conclusie en aanbevelingen .......................................................................................................... 38
Bijlagen .................................................................................................................................................. 39
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 2 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
1.
Inleiding
Onderhavige onderzoekrapportage is opgesteld in opdracht van Sweco in verband met het plan Muggenburg Zuid te Schagen. Dit bouwplan heeft betrekking op de uitbreiding van de kom Schagen aan de zuidzijde met circa 30 ha. Ter plaatse zullen nieuwe grondgebonden woningen worden gebouwd alsook appartementen. Ten zuiden van de uitbreidingslocatie is sprake van gronden die een agrarisch gebruik kennen. Gelet hierop is getoetst aan de memo ‘Spuitzones bij te realiseren gevoelige objecten naast agrarische bedrijvigheid’1 (hierna ook: de ‘Memo Spuitzones’). Ter verdere onderbouwing is onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van deze nieuwe woonbestemmingen in relatie tot toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op deze agrarische gronden. 1.1. Ruimtelijk acceptabele afstanden In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Aangezien de afstand welke (minimaal) aangehouden moet worden tot gevoelige objecten niet concreet in een regeling is voorgeschreven, dient op grond van de Wet ruimtelijke ordening te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht).
Hierbij dient blijkens vaste rechtspraak rekening te worden gehouden met een representatieve invulling van de bestemde gebruiksmogelijkheden van agrarische gronden. Daar waar dit risico op drift te groot is, dient gekozen te worden voor bestemmingen welke reguliere / langdurige menselijke aanwezigheid uitsluiten (de zogenaamde spuitzone) of voor andere maatregelen zoals afscherming. Uit jurisprudentie blijkt verder dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt2, in het algemeen niet onredelijk vindt. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. Deze afstand is dan in ieder geval voldoende om te spreken van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De betrokken afstand dient in principe te worden aangehouden tussen het perceel waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast en locaties van de gevoelige functie waar reguliere menselijke aanwezigheid niet is uitgesloten (zoals een speeltuin, een tuin bij een woning e.d.).
Onderhavige onderzoeksrapportage beoogt te voorzien in genoemd locatiespecifiek onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd.
1 2
Vastgesteld op 18 april 2023 door het college van burgemeester en wethouders van Schagen. ABRvS 30 maart 2016 ECLI:NL:RVS:2016:855
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 3 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Van belang hierbij is, dat in Afdelingsuitspraken5 is overwogen dat het zogenaamde PRI rapport6 omtrent driftblootstelling afdoende wetenschappelijke basis ontbeert en dat het EFSA-model7 (vooralsnog op onderdelen) wetenschappelijke onderbouwing zou missen. Er is ook sprake van andere recente uitspraken waarin de Afdeling bestuursrechtspraak genoemde afstand van 50 meter niet benoemt8 en evenmin nog uitvoering van locatiespecifiek onderzoek van belang lijkt te vinden9. Een en ander komt verder aan de orde in hoofdstuk 6. 1.2. Gebruik gewasbeschermingsmiddelen Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dient plaats te vinden in overeenstemming met de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Blijkens artikel 47 en 20 van deze wet jo. de Verordening 528/2012/EU mogen middelen alleen worden gebruikt op grond van een (vereenvoudigde) toelating, welke onder voorschriften / beperkingen kan worden verleend door het College toelating gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Volgens genoemde Verordening mogen op de Europese markt alleen middelen worden toegelaten waarvan voldoende is vastgesteld dat deze geen gevaar vormen voor de volksgezondheid, zowel op de korte termijn als in geval van langdurige blootstelling.
Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor wat betreft toepassers als omwonenden, waaronder mensen met een bijzondere kwetsbaarheid (punt 24 van bijlage VI van de verordening). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd. Blijkens deze Verordening wordt bij effecten op de volksgezondheid tevens rekening gehouden met cumulatieve, synergetische effecten alsook bioaccumulatie (artikel 19, lid 2 onder d en e van genoemde Verordening). Het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het College of het middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z.
minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook gelimiteerd voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. Voorgaande betekent dat in het kader van onderhavige rapportage geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke op grond van de beoordelingscriteria 5
30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:855 Houten) en 6 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1741 Wijchen) Wageningen University & Research, rapport “Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen” (PRI-rapport 609, mei 2015) 7 19 oktober 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3023 Beuningen) en 23 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3387 Lentsesteeg Rheden) 8 2 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3160 Hooghoutseweg 27 Biezenmortel) 9 25 januari 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:269 Zilkerbinnenweg 14 e.o.) 6
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 4 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
van genoemde verordening als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. In onderhavige rapportage wordt overigens enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. 1.3. Representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het woon- en leefklimaat te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Deze invulling dient representatief te zijn in die zin dat in principe geen rekening hoeft te worden gehouden met een ingrijpende, of anderszins niet voor de hand liggende, omschakeling in de bedrijfsactiviteiten. De invulling dient daarentegen maximaal te zijn in relatie tot de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige bestemmingen.
Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met de bestemde exploitatiemogelijkheden zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). 1.4. Context rapportage Om een indruk te krijgen van de mate van driftblootstelling is in onderhavig rapport gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel van de European Food Safety Authority (EFSA-model). Dit EFSA-model kan worden beschouwd als het Europese standaard verspreidingsmodel. Het EFSA-model is gebaseerd op diverse publicaties van wetenschappelijk onderzoek naar drift (onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen bij toepassing daarvan) voor passanten en omwonenden alsook op publicaties over de blootstellingsrisico’s voor personen werkzaam op het gewasperceel zelf (al dan niet bij toepassing van die gewasbeschermingsmiddelen of bij andere werkzaamheden zoals oogsten). Het EFSA model is ontworpen om invulling te geven aan een beoordeling volgens de eisen en randvoorwaarden welke zijn vastgelegd in genoemde Verordening 528/2012/EU. Het model beschouwt zowel de directe blootstelling aan drift via inademing (inhalatie) en opname via de huid (dermaal) als indirecte blootstelling in de vorm van opname via de mond van aan drift blootgestelde objecten.
Met het model kunnen de effecten op volwassenen alsook op kinderen in beeld gebracht worden. Kinderen ouder dan één jaar en jonger dan drie jaar worden daarbij als de meest kwetsbare categorie beschouwd. Er is sprake van een verspreidingsmodel voor driftverspreiding bij gewasbehandeling. Het model biedt dus geen inzicht in cumulatieve effecten van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen noch houdt het model rekening met eventuele gecombineerde werking (zoals cumulatie, synergisme of antagonisme) tussen gewasbeschermingsmiddelen onderling. Het model biedt evenmin inzicht in Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 5 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
mogelijke blootstellingseffecten op mensen met een andere bijzondere kwetsbaarheid. Het EFSAmodel is hiervoor niet ontworpen, aangezien het aansluit bij internationale standaarden omtrent blootstelling aan stoffen10. Het model is ontworpen om de maximale blootstellingsgrenswaarden die zijn vastgesteld voor afzonderlijke werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen als uitgangspunt te bepalen op basis van de fysische eigenschappen van een middel. Het model biedt niet de mogelijkheid om blootstelling via voedsel in beeld te brengen. Hiervoor heeft EFSA andere modellen ontworpen. Met het EFSA-model is het tot slot niet mogelijk om afscherming van drift middels een haag of een scherm te modelleren. Het EFSA-model kan worden beschouwd als stand der wetenschap. Het model zal uit de aard der zaak onderhevig zijn aan wijzigingen indien nieuwe wetenschappelijke inzichten daar aanleiding voor geven. Met het rekenmodel zijn meerdere gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld welke als representatief kunnen worden beschouwd voor de invulling van de maximale planologische situatie. 1.5. Opzet rapportage In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op het projectperceel en de omgeving daarvan, waarbij de aandacht uitgaat naar omliggende gronden waar bedrijfsmatig (professioneel gebruik) gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast.
In hoofdstuk 3 wordt nader ingegaan op de in deze context relevante regelgeving in relatie tot de vraag wat dient te worden beschouwd als de representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Dat wordt uit de aard der zaak bepaald aan de hand van het geldende planologische regime. Echter, ook de relevante milieuregelgeving en daarmee samenhangend regelgeving ten aanzien van oppervlaktewater is in die context relevant. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan de Memo Spuitzones van de gemeente Schagen. De wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb komen aan de orde in hoofdstuk 5, bij de behandeling van de gewasbeschermingsmiddelen welke als representatief worden beschouwd voor de bepaling van de zogenaamde spuitzone. In hoofdstuk 6 komen de uitkomsten van de modelberekeningen aan de orde. Hoofdstuk 7 bevat de conclusies ten aanzien van de aan te houden acceptabele afstanden.
10
Zoals o.m. ook wordt gehanteerd door de European Chemicals Agency (Echa).
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 6 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
2.
Locatie, omgeving en (bouw)plan
2.1. Projectlocatie en omgeving Het projectgebied heeft betrekking op gronden gelegen ten zuiden van de kern van Schagen. Ten noorden bevindt zich de woonbebouwing van de wijk Muggenburg. Ten oosten is sprake van de treinbaan Den Helder – Amsterdam en aan de andere zijde van de treinbaan bedrijventerrein Witte Paal. Ten zuiden is sprake van agrarische gronden. Ten westen is sprake van de N245 (Westerweg) met aan de overzijde eveneens agrarisch in gebruik zijnde gronden. De locatie is kadastraal bekend als: gemeente Schagen, sectie E, nummers 140, 141, 1177, 1223, 1568, 1590, 1591, 2423, 2724 en 2544 gedeeltelijk. Verwezen wordt naar figuur 1.
Figuur 1: impressie woningbouwplan
2.2. Agrarisch grondgebruik Verwezen wordt naar figuur 3 voor een overzicht van de basisregistratie gewaspercelen met betrekking tot de omliggende gronden. Hieruit blijkt dat in de omgeving overwegend sprake is van de teelt van tuinbouwgewassen. Daarnaast is sprake van enige akkerbouw en bloementeelt. In het projectgebied zelf is overwegend sprake van grasland en enige maïsteelt. Bedoelde basisregistratie vormt een momentopname en geeft enkel een indicatie van bestaand agrarisch grondgebruik.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 7 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Figuur 2: Basisregistratie gewaspercelen 2022 (bron: PDOK)
2.3. Water Blijkens de Legger Wateren 2022 van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is sprake van primaire en secundaire watergangen tussen de agrarische percelen en het plangebied. Zie hiervoor figuur 3. Voor de goede orde zij vermeld dat watergangen in het plangebied zelf, waaronder die aan de noordzijde van de Bonkelaarsdijk, langs het spoor en de N245 niet zijn aangeduid op deze tekening. De locatie is niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 8 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Figuur 3: uitsnede legger Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bron: WSHN)
2.4. Résumé feitelijke situatie Samenvattend is feitelijk sprake van de volgende relevante omstandigheden: - De bouw van woningen in het projectgebied; - Akkerbouw, tuinbouw en bloementeelt grenzend aan en in de omgeving van het projectgebied; - Watergangen langs agrarische percelen grenzend aan het projectgebied. Bij de beoordeling van driftblootstelling dient evenwel te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Dit aspect zal in het volgende hoofdstuk aan de orde komen.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 9 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
3.
Representatieve invulling maximale planologische situatie
3.1. Algemeen Zoals aangegeven dient bij de bepaling van het risico op milieuhinder te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie. Hiervoor is uiteraard primair het bestemmingsplan relevant dat geldt voor de betrokken agrarisch in gebruik zijnde gronden. Echter ook bij de invulling van de (toekomstige) hindergevoelige functies dient te worden uitgegaan van de representatieve maximale planologische situatie, in de gegeven omstandigheden de nieuwe woonfuncties. Ter verdere bepaling van de maximale representatieve invulling dient ook te worden ingegaan op de regelgeving welke relevant is bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Dit betreft de milieuregelgeving welke is opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten aanzien van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot zijn de al genoemde wettelijke gebruiksvoorschriften van het Ctgb relevant. Deze gebruiksvoorschriften komen niet aan de orde in dit hoofdstuk maar in hoofdstuk 4 waar nader wordt ingegaan op het (representatieve) gebruik van concrete gewasbeschermingsmiddelen. 3.2. Bestemmingsregeling agrarische gronden Voor de agrarische gronden ten westen, ten zuiden en gedeeltelijk ten oosten geldt het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Schagen’ van 29 juni 2015.
Daarnaast geldt hier het bestemmingsplan ‘Parkeren’ van 7 november 2017, het ‘Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche van 14 december 2021 alsook een voorbereidingsbesluit dat nieuwvestiging van hyperscale datacenters uitsluit. Voor de agrarische gronden ten (zuid)oosten geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’ van 1 oktober 2013. Voor een klein gedeelte, grenzend aan de zuidwestzijde van het projectgebied, geldt het bestemmingsplan ‘Muggenburg 1978’, vastgesteld op 27 maart 1979. Dit betreft gronden gelegen tussen de Bonkelaarsdijk en de Loosdijk/Tolker vaart. 3.2.1. Landelijk gebied Schagen Voor onderhavige situatie is enkel het bestemmingsplan Landelijk gebied Schagen relevant. In dit plan zijn de gronden aangeduid voor ‘agrarisch met waarden’ alsook ‘Waarde -archeologie’ (ten westen en ten oosten) en ‘Waarde – archeologie 4’ (ten zuiden). Verwezen wordt naar figuur 4. De betrokken gronden zijn bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Teeltondersteuning is in principe toegelaten tot een hoogte van 1,5 meter. Aangezien geen sprake is van een specifieke aanduiding op de betrokken gronden, zijn blijkens de regels van het bestemmingsplan de volgende teelten niet toegelaten: - Vollegrondskwekerij in vaste planten (artikel 3.1 onder c);
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 10 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
-
Boomgaarden (artikel 3.1 onder i).
Verder blijkt uit de specifieke gebruiksregels dat de volgende teelten ook niet zijn toegelaten: - Bosbouw (artikel 3.4.1 onder n); - Sierteelt m.u.v. tijdelijke bollenteelt (artikel 3.4.1 onder o); - Fruitteelt in boomgaarden (artikel 3.4.1 onder p); - Kwekerijen (artikel 3.4.1 onder r). Wat betreft de laatste categorie van ‘kwekerijen’ is in het bestemmingsplan niet gedefinieerd welke teeltvormen hier specifiek onder worden verstaan. Ook de toelichting geeft hierover geen uitsluitsel. Er moet hier echter een andere teelt mee zijn bedoeld dan sierteelt, aangezien dat al afzonderlijk verboden is. In de context van onderhavig bestemmingsplan wordt ervan uitgegaan dat bedoeld is om onder dit begrip teelten te vatten die niet onder sierteelt vallen en niet onder boomgaarden of bosbouw, maar die daarmee vergelijkbaar zijn qua landschappelijke invloed. Concreet wordt dan gedacht aan de kweek van fruitbomen en -struiken en kweek van laanbomen. In normaal spraakgebruik wordt ook tuinbouw wel aangeduid als kwekerij, maar mede gelet op de aanwezige teelten wordt vanuit gegaan dat het niet de bedoeling van de planwetgever is geweest om tuinbouw te verbieden.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 11 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Figuur 4: uitsnede ‘Landelijk gebied Schagen’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
3.2.2. Buitengebied voormalige gemeente Niedorp De agrarische gronden ten zuidoosten van het projectgebied zijn in het bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp aangeduid voor ‘agrarisch met waarden’ en ‘waarde – archeologie 3’. Teeltondersteuning is in principe tot een hoogte van 1 meter toegelaten. Op grond hiervan zijn de gronden bestemd voor agrarisch grondgebruik ten behoeve van tuin- en akkerbouwbedrijven.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 12 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Figuur 5: uitsnede bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
3.2.3. Muggenburg 1978 De betrokken gronden ten westen van de Bonkelaarsdijk zijn in het bestemmingsplan Muggenburg 1978 aangeduid voor ‘woongebied’ en ‘groenvoorziening I’. Het gaat hier om bestemmingen die nog dienen te worden uitgewerkt. Op grond van het overgangsrecht van dit bestemmingsplan (Artikel 15, lid 3 van de planregels) is evenwel voortgezet gebruik toegelaten, mits dit bestaande gebruik naar aard niet wordt vergroot of verzwaard. Gelet op een en ander wordt voor deze gronden uitgegaan van voortgezet agrarisch grondgebruik op grond van dit overgangsrecht, waarbij evenwel het overgangsrecht in de context van driftrisico in de weg staat aan het aanplanten van opgaande teelten en opwaarts/zijwaarts spuiten. Immers dat kan worden beschouwd als een verzwaring van het bestaande agrarische grondgebruik in de vorm van grasland cq. laagblijvende teelten.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 13 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Figuur 6: uitsnede bestemmingsplan ‘Muggenburg 1978’, locatie langs Bonkelaarsdijk indicatief geel omlijnd (bron: gemeente Schagen)
3.2.4. Overig Het ‘Paraplu-omgevingsplan, 1e tranche’, het voorbereidingsbesluit en de archeologische dubbelbestemmingen en het parapluplan ‘Parkeren’ bevatten geen relevante bepalingen als het gaat om het telen van gewassen. 3.3. (Bouw)plan In het projectgebied zijn grondgebonden woningen beoogd in maximaal twee bouwlagen met kap. Daarnaast is voorzien in een appartementengebouwen. Deze komen op een afstand van meer dan 50 meter uit de agrarische percelen. Uit de aard der zaak omvat het plan de nodige openbare infrastructuur, waaronder oppervlaktewater en groen. 3.4. Bestaande beperkingen Grenzend aan het projectgebied zijn al woningen aanwezig. Aan de westzijde en zuidwestzijde betreft de woningen Bonkelaarsdijk 1 tot en met 1F (op basis van het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 14 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Tjallewal-Oost (Bonkelaarsdijk 1)’ van 30 oktober 2012) alsook de woningen Bonkelaarsdijk 3A, 5, 5A en 7 (op grond van het bestemmingsplan ‘Bonkelaarsdijk 5, Schagen’ van 27 oktober 2020). Zie hiervoor figuur 7 en figuur 8. Verder betreft dit de Bonkelaarsdijk 3 en de Loosdijk 2. Aan de oostzijde van het projectgebied is de woning Muggenburgerweg 1 aanwezig. Aan de zuidzijde bevindt zich de woning Bonkelaarsdijk 4. Zoals beschreven grenst het projectgebied aan de noordzijde aan de woonbebouwing van Muggenburg.
Figuur 7: Tjallewal-Oost (Bonkelaarsdijk 1)
Figuur 8: Bonkelaarsdijk 5, Schagen
3.5. Activiteitenbesluit milieubeheer Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (biologische productie en/of met zogenaamde laag risico stoffen11, alternatieve bestrijding van plagen), dan hoeft uit de aard der zaak ook geen spuitzone te worden aangehouden. Echter in het kader van dit onderzoek dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat biologische gewasbeschermingsmiddelen ook toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik. In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). 3.5.1.
Driftreductie In artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75%, bepaald volgens Meetprotocol voor het vaststellen van de driftreductie van neerwaartse en op- en zijwaartse spuittechnieken, versie van 1 juli 2017 (artikel
11
Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 15 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
3.78a, lid 2 Activiteitenbesluit milieubeheer jo. artikel 3.81 Activiteitenregeling - Rarim)12. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt ook het toepassen van een emissiescherm (artikel 3.79, lid 7 onder b ten 2e) of vanggewas (artikel 3.80a, lid 2, onder a) als alternatief gezien voor het aanhouden van een teeltvrije zone, zodat dit effectief als een driftbeperkende maatregel kan worden gezien. 3.5.2. Teeltvrije zone Op grond van het Activiteitenbesluit worden aanvullende beperkingen gesteld aan de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op korte afstand van oppervlaktewater, in de vorm van een teeltvrije zone en/of aanvullende driftreducerende technieken. Uitgaande van artikel 3.80 van het Activiteitenbesluit milieubeheer dient voor diverse laagblijvende teelten (neerwaarts spuiten) te worden uitgegaan van een teeltvrije zone van 1 meter overeenkomstig artikel 3.80, lid 1 onder b van het Activiteitenbesluit milieubeheer, mits een driftreductie wordt bereikt van 90%. Zou gekozen worden voor een standaard driftreductie van 75%, dan dient een teeltvrije zone van 1,50 meter te worden aangehouden. Voor handmatige spotsgewijze onkruidbestrijding met afscherming geldt in principe geen teeltvrije zone. Er is zoals aangegeven sprake van watergangen langs de perceelgrens van enkele nieuwe woonbestemmingen en agrarisch bestemde gronden.
Langs die watergangen dient rekening te worden gehouden met een teeltvrije zone. 3.5.3. Vanggewas en scherm Een vanggewas is in het Activiteitenbesluit milieubeheer gedefinieerd als zijnde “een barrière van bomen, struiken of andere gewassen, die het verwaaien van spuitvloeistof bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen naar een oppervlaktewaterlichaam beperkt”. Een emissiescherm wordt in het Activiteitenbesluit gedefinieerd als: “scherm ter beperking van het verwaaien van spuitvloeistof bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of bladmeststoffen”. Uit artikel 3.82, lid 1a jo. artikel 3.79 lid 5 en 3.80, lid 2 van de Activiteitenregeling dient een scherm of vanggewas minimaal 50 centimeter hoger te zijn dan de gewashoogte. In het kader van onderhavige rapportage wordt ervan uitgegaan dat geen scherm of vanggewas wordt toegepast, maar dat driftreductie volgens het Activiteitenbesluit milieubeheer plaatsvindt. Dit omdat geen vanggewas of scherm aanwezig is rondom de agrarisch bestemde percelen. 3.6. Résumé representatieve invulling van de maximale planologische situatie Samenvattend kan -worst case- worden uitgegaan van: 1) Akkerbouw, tuinbouw en beperkt teelt van bollen en bloemen op de agrarisch bestemde gronden in de omgeving (hierbij is sprake van neerwaarts spuiten); 2) Tussengelegen jaarrond watervoerende watergangen; 12
Door toepassing van bijvoorbeeld een tunnelspuit, een dwarsstroomspuit of axiaalspuit met schermen aan de installatie zelf of driftarme doppen. Het Activiteitenbesluit bevat op dit punt een aanvullende regeling voor wat betreft de toe te passen spuitdoppen (artikel 3.83, lid 4 Activiteitenbesluit milieubeheer).
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 16 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
3) Driftreductie van 75% overeenkomstig het Activiteitenbesluit milieubeheer (worst case wordt modelmatig uitgegaan van 50% driftreductie); In volgend hoofdstuk wordt ingegaan op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het licht van de door het Ctgb vastgestelde wettelijke gebruiksvoorschriften.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 17 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
4.
Memo Spuitzones
4.1. Algemeen Naar aanleiding van de uitspraak Asdonkterrein Beuningen van 19 oktober 202213 heeft het college van burgemeester en wethouders de memo ‘Spuitzones bij te realiseren gevoelige objecten naast agrarische bedrijvigheid’ vastgesteld. De memo is bedoeld als interim beleid voor ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische teeltpercelen, nu er door de genoemde uitspraak in feite geen locatiespecifiek onderzoek meer mogelijk is dat de instemming van verkrijgen van de Afdeling bestuursrechtspraak. In de memo worden een drietal opties benoemd: 1) Aanhouden van een onderlinge afstand van 50 meter; 2) Wachten totdat er een nieuw onderzoeksmodel beschikbaar komt; 3) Het reduceren van de afstand van 50 meter op basis van huidige inzichten. De eerste optie behoeft geen toelichting, maar heeft uiteraard als nadeel dat de meeste ontwikkelingen niet zullen voldoen aan een dergelijk grote afstand. De tweede optie heeft betrekking op de toezegging vanuit het ministerie LNV dat een nieuw driftverspreidingsmodel zal worden ontwikkeld waarmee wel tegemoet kan worden genomen aan de kritiek van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak. Echter het is niet zeker dat deze nieuwe rekenmethode er komt, laat staan dat duidelijk is wanneer deze in gebruik genomen kan worden.
De derde optie heeft te maken met de ontwikkelingen in wet- en regelgeving sinds het moment dat de Afdeling bestuurstrechtspraak genoemde afstand van 50 meter is gaan hanteren. Zoals de Memo Spuitzones aangeeft is de afstand van 50 meter blijkens een uitspraak uit 200214 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij nieuwe gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen werden bestemd (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’). Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het huidige Activiteitenbesluit dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal 75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden15, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen werden toegelaten welke al geruime tijd vanwege herbeoordelingen zijn 13
ECLI:NL:RVS:2022:3023 ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754 15 Zie ook paragraaf 3.3. 14
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 18 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. Blijkens de Memo Spuitzones kan bedoelde afstand nog verder worden gereduceerd in situatie dat sprake is van teelten waarbij uitsluitend neerwaarts wordt gespoten. Immers deze afstand is uitdrukkelijk bedoeld voor boomgaarden en boomteelt, dus situaties waarin opwaarts of zijwaarts wordt gesproten, met dienovereenkomstig groter risico op driftverspreiding buiten de gewaspercelen zelf. In situaties waarin uitsluitend rekening dient te worden gehouden met neerwaarts spuiten, kan blijkens de Memo Spuitzones een afstand van 12,5 meter worden gehanteerd. 4.2. Toetsing Zoals gebleken is uit paragraaf 3.2, laat het planologische regime enkel teelten toe waarbij neerwaarts wordt gespoten. Om die reden kan op grond van de Memo Spuitzones worden uitgegaan van een afstand van 12,5 meter. Blijkens de stedenbouwkundige inrichtingsplannen is het in principe mogelijk om een deze minimale onderlinge afstand aan te houden. Verwezen wordt naar de figuren 9 en 10.
Daar waar het stedenbouwkundige plan mogelijk nog niet volledig aan deze afstand voldoet kan worden gekozen voor bestemmingen welke reguliere menselijke aanwezigheid uitsluiten, zoals bijvoorbeeld specifieke bestemmingen voor verkeer en parkeren, groen (zonder sport- of speelvoorzieningen of parkfunctie) en siertuin (enkel betreding voor aanleg en instandhouding). Zoals ook in de Memo wordt verwoord, is het evenwel niet zeker dat de Afdeling bestuursrechtspraak kan instemmen met een reductie van de afstand van 50 meter op basis van voorgaande redenering. Om die reden voorziet onderhavige rapportage ook in een analyse waarbij een indruk wordt gegeven van de maximale driftblootstelling, waarbij wegens gebrek aan alternatieven gebruik is gemaakt van het EFSA-model.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 19 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
5.
Spuitzones
5.1. EFSA-model Voor de beoordeling van de onderhavige situatie is gebruik gemaakt van het zogenaamde EFSArekenmodel. Op 17 oktober 2014 heeft de European Food Safety Authority (EFSA) een handreiking vastgesteld voor de beoordeling van blootstelling aan pesticiden. Op 24 april 2015 is een herziening hiervan gepubliceerd. In januari 2022 is de geüpdatete handreiking gepubliceerd met bijbehorende (online) versie van de EFSA-OPEX calculator. Deze openbaar beschikbare calculator kan worden gebruikt voor een beoordeling van de driftblootstelling bij het gebruik van bestrijdingsmiddelen (bespuiten van gewassen). Het EFSArekenmodel biedt de mogelijkheid om de maximale blootstelling te bepalen van medewerkers, omwonenden, passanten en personen die recreatief verblijven op en in de nabijheid van terreinen waar bestrijdingsmiddelen worden toegepast. De handreiking en het rekenmodel zijn tot stand gekomen op basis van bijdragen van experts uit alle Europese landen op basis van tal van onderzoeksgegevens en studies. Het rekenmodel is gebaseerd op meerdere modellen en databases. Voor de omwonenden is gebruik gemaakt van BREAM16 in het geval van landbouwgronden en van Lloyd et al. (1987)17 in het geval van boomgaarden. Tevens wordt Lloyd et al. (1987) in EUROPOEM18 gebruikt vanwege de representatieve omstandigheden.
EUROPOEM werd ontwikkeld om de blootstelling te beoordelen van bestrijdingsmiddelen op de toepassers ervan en is ook als basis gebruikt voor het EFSA-model. In het EFSA-model is een toepassingsmethode gekoppeld aan bepaalde gewassen: boomgaarden, andere opgaande gewassen of teelten met ondersteunende voorzieningen kunnen worden gemodelleerd als een vorm van ‘upward spraying’ en lagere gewassen, zoals diverse akker- en tuinbouwgewassen, heesters, groenten, knol- en bolgewassen, sierteeltgewassen en bloemen kunnen 16
Gebaseerd op meerdere studies: Butler Ellis MC, Lane AG, O’Sullivan CM, Miller PCH and Glass CR, 2010a. Bystander exposure to pesticide spray drift: new data for model development and validation Biosystems Engineering, 107, 162–168. Butler Ellis MC and Miller PCH, 2010. The Silsoe Spray Drift Model: a model of spray drift for the assessment of non-target exposures to pesticides. Biosystems Engineering, 107, 169–177. Glass CR, Mathers JJ, Harrington P, Miller PCH, Butler Ellis C and Lane A, 2010. Generation of field data for bystander exposure and spray drift with arable sprayers. Aspects of Applied Biology, 99, 271–276. Glass CR, Mathers JJ, Hetmanski MT, Sehnalova M and Fussell RJ, 2012. Development of techniques to measures vapour concentrations of pesticides to determine potential bystander & resident exposure. Aspects of Applied Biology, 114, 79–86. Kennedy MC, Butler Ellis MC and Miller PCH, 2012. Probabilistic risk assessment of bystander and resident exposure to spray drift from an agricultural boom sprayer. Aspects of Applied Biology, 114, 87–90. 17 Lloyd GA, Bell GJ, Samuels SW, Cross JV and Berry AM, 1987. Orchard sprayers: comparative operator exposure and spray drift study. Agricultural Science Service, Agricultural Development and Advisory Service, Ministry of Agriculture Fisheries and Food, UK. 18 Van Hemmen JJ, 2008.
Addendum to the TNO Report V7333: effective personal protective equipment (PPE). Default setting of PPE for registration purposes of agrochemical and biocidal pesticides. Covering the literature published in the period 2005 to early 2008. TNO Quality of Life, TNO Chemistry, Food & Chemical Risk Analysis, Chemical Exposure assessment, Zeist, The Netherlands.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 20 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
worden gemodelleerd als ‘downward spraying’. Onkruidbestrijding vormt uit de aard der zaak een vorm van ‘downward spraying’ aangezien daarbij het te telen gewas zelf niet wordt behandeld. 5.1.1. Driftreductie In het model kan verder rekening gehouden worden met toepassing van driftreducerende technieken, welke in de onderhavige situatie ook verplicht zijn vanwege gebruiksvoorschriften en/of het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het EFSA-model hanteert een lagere driftreductie van óf 0% óf 50% in tegenstelling tot de 75% of 90% waar het Activiteitenbesluit in Nederland toe verplicht, hetgeen van belang is bij de beoordeling van de berekeningsresultaten van dit model19. Immers gelet op de driftreductie die het Activiteitenbesluit verplicht stelt, zal het EFSA-model leiden tot een overschatting van de driftblootstelling. 5.1.2. Invloed van wind Verder wordt in het model rekening gehouden met de factor wind, hetgeen is gebaseerd op de ‘Code of practice for using plant protection products’20 van het Britse Department for Environment, Food and Rural Affairs. In voornoemd document wordt onderscheid gemaakt in verschillende ‘spraying conditions’, te weten acceptabel, ideaal, risicovol etc. BREAM en gevolglijk het EFSA-model maken gebruik van een windsnelheid van 2,7 m/s21, wat in de Code of practice als bovengrens geldt voor acceptabele spuitcondities.
Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Hieruit volgt dat er situaties kunnen voorkomen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gespoten bij een hogere windsnelheid dan in het EFSA-rekenmodel wordt beschouwd. In Nederland ligt de jaargemiddelde windsnelheid tussen de 2,2 m/s landinwaarts tot 5,6 m/s aan de kust22. Een windsnelheid van 2,7 m/s, zoals in het EFSA-model wordt gehanteerd, kan als representatief worden gehanteerd voor een scenario waarin langdurige blootstelling dient te worden beschouwd, mede in aanmerking nemend dat bij hogere windsnelheden de blootstelling lager zal zijn. Immers bij een maximale windsnelheid van 5 m/s23 volgens het Activiteitenbesluit wordt drift verspreid over een groter oppervlak, waardoor verdunning optreedt en de belasting op een individuele locatie afneemt24.
19
EFSA, Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products, EFSA Journal 2014;12(10):3874, 25 20 https://www.hse.gov.uk/pesticides/using-pesticides/codes-of-practice/code-of-practice-for-using-plantprotection-products.htm, paragraaf 4.7.3 21 Circa 2 bft. 22 KNMI, Klimaatviewer 1991-2020, https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/meteorologischestations/stations-maand/stations-maand_1991-2020, voor Schagen kunnen de meetdata van weerstation De Kooy als representatief worden beschouwd en kan worden uitgegaan van gemiddelde windsnelheden tussen 4,8 en 6,7 m/s, zie verder de windkaart https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/klimaattabellen-perstation/gilze-rijen/klimaattabel_schiphol_1991-2020 23 Circa 3 bft 24 Ook bij hogere windsnelheden dient te worden voldaan aan de vereiste driftreductie, zodat bij hogere windsnelheden geen grotere drift mag ontstaan dan bij lagere windsnelheden, terwijl de maximale dosis per toepassing/teeltseizoen ook is gemaximeerd in de gebruiksvoorschriften.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 21 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Het EFSA-model rekent daarbij standaard driftblootstelling uit vanuit een meewindsituatie. Ook op dit vlak leidt deze conservatieve aanname uit het EFSA-model qua windbelasting tot een overschatting van de driftblootstelling. 5.2. Invoergegevens Op basis van het toelatingenregister van het Ctgb is duidelijk dat bij de betrokken teelt(en) tal van gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In een representatieve situatie zal preventief kunnen worden gespoten tegen schimmelziekten en zal periodiek worden gespoten tegen onkruiden. Hierbij zullen voor een teeltseizoen meestal maar één of twee min of meer vaste middelen nodig zijn. Verder zal sprake zijn van een meer gerichte bestrijding van insecten. Toepassing van gewasbescherming zal hierbij meer ad hoc zijn, waarbij de keuze van het middel ook meer afhankelijk is van de soort plaag. Op dit vlak is daarom een selectie gemaakt van diverse middelen die als representatief kunnen worden beschouwd voor de betrokken situatie (teeltscenario). 5.2.1. Roundup Ultimate Roundup Ultimate (480 g/l glyfosaat, toelatingsnummer: 13865 N, expiratiedatum: 15 december 2024) wordt gebruikt als onkruidbestrijdingsmiddel in een breed scala aan toepassingsgebieden25. In de akkerbouw wordt dit middel ook gebruikt voor integraal doodspuiten aan het begin of aan het eind van het teeltseizoen.
Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens26: - Werkzame stof: glyfosaat - Neerwaarts spuiten, machinaal - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 200 tot 400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 500,3 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,1 mg/kg bw/day - Dermale opname actieve stof: 1,33% concentraat en verdunning27 - Orale opname actieve stof: 20%25 - Inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) - Dampdruk: 1,31x10-5 Pa (25 °C) De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar toepassing bedraagt volgens het gebruiksvoorschrift maximaal 6,0 l/ha per 12 maanden. Dit komt neer op een maximum dosis per toepassing of per 12 maanden (6,0 l/ha per toepassing of 3,0 l/ha bij maximaal 2 toepassingen met een interval van 28 dagen): dit is de totale dosering die per ha per toepassing of per 12 maanden toegepast mag worden25. In dit onderzoek wordt als worst-case scenario uitgegaan van 6,0 l/ha bij één toepassing per 12 maanden. 25 Ctgb, gebruiksvoorschrift Roundup Ultimate, 17 december 2021 26 European Food Safety Authority (EFSA). (2015). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the
active substance glyphosate. EFSA Journal 2015; 13 (11):4302, 107 pp. doi:10.2903/j.EFSA.2015.4302 27 De dermale absorptie bedraagt 1% bij 360 gram per liter glyfosaat (bovenstaande bron). Deze is naar rato verhoogd naar het gehalte van Roundup Ultimate.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 22 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
5.2.2. Corzal SE Corzal SE (160 g/l fenmedifam, toelatingsnummer 12433 N, expiratiedatum 31 juni 2024) is herbicide dat wordt toegepast bij de teelt van bieten en aardbeien28. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens29: - Werkzame stof: fenmedifam - Neerwaarts spuiten, handmatig - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 200 tot 400 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 139,5 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,13 mg/kg bw/day29 - Dermale opname actieve stof: 0,2% concentraat en 1% verdunning - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) - Dampdruk: 4,9 x 10-3 Pa (worst case) De maximaal toegelaten dosering voor Corzal SE bedraagt volgens het gebruiksvoorschrift 6 l/ha over 12 maanden. Dit kan ingevuld worden door 6 behandelingen van 1 l/ha of door 3 behandelingen van 2 l/ha28. In dit onderzoek wordt uitgegaan van 3 behandelingen van 2 l/ha met een interval van 5 dagen tussen iedere behandeling. 5.2.3. CropGuard Clethodim 120 EC CropGuard Clethodim 120 EC (120 g/l clethodim, toelatingsnummer: 15826 N, expiratiedatum: 1 maart 2024) is een emulgeerbaar concentraat dat uitsluitend voor het professionele gebruik is toegestaan als herbicide in onder andere de fruit-, groente- en sierteelt30.
Concreet gaat het in de groenteteelt om bloemkoolachtigen, aardbeien, bieten, knolraap, pastinaak en zilverui. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens31: - Werkzame stof: clethodim - Neerwaarts spuiten - Spuittechniek: DRT50 - Watervolumeschaal: 150 tot 800 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 121,15 dagen32 - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,2 mg/kg bw/day - Dermale opname actieve stof: 15% concentraat en 42% verdunning
28 Ctgb, gebruiksvoorschrift Corzal SE, 3 december 2021 29 EFSA (European Food Safety Authority), 2018. Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active
substance phenmedipham. EFSA Journal 2018;16(1):5151, 25 pp. doi.org/10.2903/j.efsa.2018.5151 30 Ctgb, gebruiksvoorschrift CropGuard Clethodim 120 EC, 30 oktober 2020 31 European Food Safety Authority; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance clethodim. EFSA Journal 2011;9(10):2417. [95 pp.] doi:10.2903/j.efsa.2011.2417. 32 Betreft de hoogste halfwaardetijd van een van de metabolieten van clethodim, clethodim oxazole sulfone. Zie onderstaande voetnoot voor bronvermelding.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 23 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
-
Orale en inhalatoire opname actieve stof: oraal 96%33 en inhalatoir 96%34 Dampdruk: 2,08 x 10-6 Pa (20 °C)
De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt voor de sierteelt worst-case 2,0 l/ha met 1 behandeling per 12 maanden31. Bij toepassing van dit middel met een dosering groter dan 1,0l/ha tot maximaal 2,0 l/ha, zijn er driftreducerende maatregelen, al dan niet in combinatie met teeltvrije zones vereist, zie hiervoor het gebruiksvoorschrift. 5.2.4. Karate Zeon Karate Zeon (100 g/l lambda-cyhalothrin, toelatingsnummer: 12698 N, expiratiedatum: 1 mei 2025) is een insectenbestrijdingsmiddel (kevers, bladluis, trips, etc.) voor gebruik in veel akkerbouwteelten en groenteteelten35. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens36: - Werkzame stof: lambda-cyhalothrin - Neerwaarts spuiten, machinaal - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 200 tot 800 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 163 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,00063 mg/kg bw/day - Dermale opname actieve stof: 25% concentraat en verdunning - Orale opname actieve stof: 50-64% - Inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case – standaardwaarde) - Dampdruk: 2 x 10-7 Pa (20 °C) De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt 0,05 l/ha per middeldosis met 2 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 7 dagen. 5.2.5.
TEPEKKI TEPPEKI (50% flonicamid, toelatingsnummer: 12757 N, expiratiedatum: 31 augustus 2024) wordt gebruikt voor de bestrijding van luizen voor een breed scala aan gewassen bij de akker- en tuinbouw concreet bij de teelt van aardappelen en koolgewassen37. Voor de invoer van de gegevens in het EFSA-model, is uitgegaan van de volgende gegevens38: - Werkzame stof: flonicamid - Neerwaarts spuiten, machinaal - Spuittechniek: DRT 50 33 Syracuse Environmental Research Associates, Inc. (SERA), 2014. Scoping/Screening Level Risk Assessment on Clethodim:
Final Report. SERA TR 056-08-02b 34 United States Environmental Protection Agency (EPA), 2015. Clethodim. Preliminary Risk Assessment for Registration Review. DP No. D41 1899 35 Ctgb, Gebruiksvoorschrift Karate Zeon, 30 augustus 2019 36 European Food Safety Authority (EFSA). (2014). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance lambda-cyhalothrin. EFSA Journal 2014; 12(5):3677, 170 pp. doi:10.2903/j.efsa.2014.3677 37 Ctgb, gebruiksvoorschrift TEPPEKI, 8 april 2022 38 European Food Safety Authority (EFSA).(2010). Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance flonicamid. EFSA Journal; 8(5):1445
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 24 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
-
Watervolumeschaal: 500 tot 1.000 l/ha Halfwaardetijd (DT50): 2,6 dagen39 Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,025 mg/kg bw/day Dermale opname actieve stof: 7,46% concentraat en 13% verdunning Orale en inhalatoire opname actieve stof: 100% (worst case - standaardwaarde) Dampdruk: 2,55 x 10-6 Pa (25˚C)
De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar voor de sierteelt bedraagt maximaal 0,14 kg/ha per middeldosis met 3 behandelingen per 12 maanden en een tussenliggend interval van 21 dagen. 5.2.6. DEVRINOL 45SC DEVRINOL 45SC (450 g/l napropamide) is een suspensie concentraat en wordt uitsluitend voor het professionele gebruik toegestaan als schimmelbestrijdingsmiddel bij onder meer groente- en akkerbouw teelten40, zoals aardbeien, radijsachtigen, veldsla, rucola, koolgewassen, koolraap en koolzaad. Voor de invoer in het EFSA-model is gebruik gemaakt van de volgende gegevens41: - Werkzame stof: napropamide - Neerwaarts spuiten, machinaal - Spuittechniek: DRT 50 - Watervolumeschaal: 300 tot 800 l/ha - Halfwaardetijd (DT50): 400 dagen - Acceptable Operator Exposure Level (AOEL): 0,5 mg/kg bw/day - Dermale opname actieve stof: 0,7% voor concentraat en 13,4% voor verdunning - Orale en inhalatoire opname actieve stof: 90% oraal41 en 100% inhalatoir (worst case standaardwaarde) - Dampdruk: 2,2 x 10-5 Pa (25 °C) De maximaal toegelaten dosering alsmede de hoeveelheid behandelingen per jaar bedraagt 2,7 l/ha per middeldosis met 1 behandeling per 12 maanden. 5.3. Resultaten EFSA De effecten van drift van de hiervoor genoemde gewasbeschermingsmiddelen zijn via het EFSA-model in beeld gebracht. 5.3.1.
Rekenafstanden De driftblootstelling kan voor neerwaarts spuiten worden berekend op afstanden van 2-3 meter, 5 meter en 10 meter, gerekend uit de rand van het behandelde gewas. Voor opwaarts spuiten kan de driftblootstelling worden berekend op afstanden van 5 en 10 meter. 39 Betreft de hoogste halfwaardetijd van een van de metabolieten van flonicamid, TFNA-AM. Zie volgende voetnoot voor
bronvermelding. 40 Ctgb, gebruiksvoorschrift DEVRINOL 45SC, 6 maart 2020 41 European Food Safety Authority; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance napropamide. EFSA Journal 2010; 8(4):1565. [73 pp.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1565.
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 25 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
Het EFSA-model biedt inzicht hoe gewasbeschermingsmiddelen via blootstelling aan drift via verschillende routes door het menselijk organisme kunnen worden opgenomen: - Inhalatoir, dus door inademing van aërosolen en dampen; - Oraal, bijvoorbeeld doordat dingen in de mond worden gestoken welke zijn blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen (met name relevant voor kinderen die meer handmondbewegingen maken en eerder geneigd zijn dingen in de mond te stoppen); - Dermaal, dus via de huid. De blootstelling aan dampen wordt berekend aan de hand van Britse42 en Duitse methoden43. De hand-mondblootstelling voor kinderen is gebaseerd op de Modified Californian Method44,45 en data van de Environmental Protection Agency van de Verenigde Staten (2001)46. In het EFSA-model is voor onderhavige onderzoek de maximale blootstelling per jaar van kinderen van 1 tot 3 jaar in een woonsituatie47 bepalend, omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan gevaarlijke stoffen. Voor kinderen jonger dan één jaar is door de EFSA verondersteld dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen lager is, aangezien diverse blootstellingsroutes uit het rekenmodel, zoals hand-mond contact, voor deze groep niet plausibel worden geacht. Dit punt komt nog nader, in paragraaf 5.1, aan de orde.
Op basis van het EFSA-rekenmodel heeft het Ctgb alle in Nederland toegelaten bestrijdingsmiddelen aan een herbeoordeling onderworpen. De conclusie van het Ctgb was, dat zich bij geen van de toegelaten bestrijdingsmiddelen een risico voordoet voor omwonenden48. Vanaf 1 januari 2016 worden de EUROPOEM-modellen niet meer gebruikt voor de beoordeling van bestrijdingsmiddelen, maar is het Ctgb overgeschakeld op het EFSA-model. Hierbij is er steeds van uitgegaan dat de teeltpercelen (gronden waarop bestrijdingsmiddelen worden toegepast) niet door de toekomstige bewoners zal worden betreden49, maar dat enkel de blootstelling
42
CRD (The Chemical Regulation Directorate, UK), 2008. Bystander Exposure Guidance. Martin S, Westphal D, Erdtmann-Vourliotis M, Dechet F, Schulze-Rosario C, Stauber F, Wicke H and Chester G, 2008. Guidance for exposure and risk evaluation for bystanders and residents exposed to plant protection products during and after application Journal für Verbraucherschutz und Lebensmittelsicherheit, 3, 272–281. 44 Fuller R, Klonne D, Rosenheck L, Eberhart D, Worgan J and Ross J, 2001. Modified California Roller for measuring transferable residues on treated turfgrass. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 787–794. 45 Rosenheck L, Cowell J, Mueth M, Eberhart D, Klonne D, Norman C and Ross J, 2001. Determination of a standardized sampling technique for pesticide transferable turf residues. Bulletin of Environmental Contamination and Toxicology, 67, 780–786. 46 US EPA (US Environmental Protection Agency), 2001. Science Advisory Council for Exposure, policy number 12, recommended revisions to the standard operating procedures (SOPs) for residential exposure assessments. Office of Pesticide Programs, Health Effects Division, Washington, DC, USA. 47 Met name verblijf / spelen in de tuin. 48 Ctgb, brief d.d. 21 oktober 2015 aan de Staatssecretaris van het ministerie IenM, nummer 20L5LO21Ot49, de achterliggende berekeningen zijn opgevraagd, maar niet verkregen.
49 ‘Entry into treated crops’ – hierbij behoort het ook niet specifiek/noodzakelijkerwijs tot de woonsituatie ter plaatse als de gewaspercelen conform de groenbestemming en/of de bestemming voor cultuur en ontspanning zouden worden betreden. 43
Adromi B.V.
wil/R202296/2301a
Pagina 26 van 39
Spuitzone onderzoek Muggenburg Zuid
aan drift in het plangebied zelf relevant is. De uitkomsten van de modelberekening zijn bij deze rapportage gevoegd50. 5.3.2. Uitkomsten Tabellen hierna tonen de resultaten van het EFSA-model voor omwonenden van spuitzones, gebruikmakende van de invoergegevens uit paragraaf 4.2. De Acceptable Operator Exposure Level (AOEL) is in eerste instantie bedoeld voor de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen, maar deze norm is ook gangbaar voor omwonenden. Ook in het kader van dit onderzoek wordt deze norm dus gebruikt. Bij percentages onder de 100% per gewasbeschermingsmiddel wordt het blootstellingsniveau als acceptabel beschouwd. Het EFSA-model geeft resultaten voor zowel kinderen als volwassenen, maar omdat kinderen gevoeliger zijn voor blootstelling aan giftige stoffen (lager lichaamsgewicht, hogere opnamekans via hand / objecten / mond), worden de AOEL-waarden voor kinderen als bepalend geacht. Neerwaarts spuiten is beschouwd voor de afstanden 2-3 meter, 5 meter en 10 meter. Het effect van 75% driftreductie is indicatief bepaald door uit te gaan van 75% reductie v.w.b. dermale en orale blootstelling, maar de inhalatore driftblootstelling niet te verminderen. Tabel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten
Gewasbeschermingsmiddel
Werkzame stof
Roundup Ultimate Corzal SE Cropguard Clethodim 120 SC Karate Zeon TEPPEKI DEVRINOL 45SC
Glyfosaat Fenmedifam Clethodim Lamba-cyhalotrin Flonicamid Napropamide
totaal (bij 50% driftreductie) indicatie bij 75% driftreductie (wettelijke minimumeis)
AOEL% bij en afstand van 2-3 m 5m 10 m 0,83 0,78 0,757 1,1 0,8 0,78 5,1 3,3 2,7 21,5 15 12,8 2,2 1,7 1,39 2 1,3 1,08 31 20
21 15
18 20
Zoals blijkt vindt reeds vanaf een afstand van 2-3 meter geen overschrijding van de AOEL plaats. Indicatief wordt rekening gehouden met 31% van de AOEL bij optelling van de betrokken middelen, bij 50% driftreductie en 20% van de AOEL bij 75% driftreductie. Hierbij moet tot slot worden opgemerkt dat teelt en gewasbehandeling met verschillende middelen uit de aard der zaak nooit gelijktijdig plaatsvinden en derhalve in zoverre niet voor cumulatieve drifthoeveelheden kunnen zorgen.
50
Een overzicht van de uitkomsten is in de bijlage toegevoegd als .pdf, maar de desbetreffende Excel-bestanden van de berekeningen met het EFSA-model behoren uitdrukkelijk ook tot onderhavige rapportage.