CConstaterende datSchagen
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Bijlage 5 Verkennend onderzoek natuur

Oordeelsvormende vergadering 10 juni 2025, gemeente SchagenBij agendapunt: Conceptaanvraag omgevingsvergunning Korte Bosweg 40 't Zand11.669 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De bijzondere nationale natuurgebieden kunnen worden aangewezen vooruitlopend op de aanwijzing of begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden tot een significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn te bereiken. Daarnaast kan het Rijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn of Bijlage I, II, IV of V van de Habitatrichtlijn. In die gevallen bevat het aanwijzingsbesluit instandhoudingsdoelstellingen. Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een mogelijke toegangsbeperking, de specifieke zorgplicht zoals genoemd in art. 11.6 Besluit activiteiten leefomgeving. De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 van de Omgevingswet). De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening van de desbetreffende provincie. De juridische bescherming hiervan kan per provincie verschillen van een predicaat tot het hanteren een soort ADC-criteria.

Soortbescherming (flora en fauna-activiteit) De soortbescherming in de Omgevingswet bestaat uit een beschermingsregime voor alle van natura in het wild levende dieren en planten. Een activiteit die een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet, betreft een zogeheten flora en fauna-activiteit. Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden gehouden met de regels in art. 11.27 (specifieke zorgplicht), art. 11.28 (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen) uit het Besluit activiteiten leefomgeving. De paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.5 hebben alleen betrekking op de bij wet beschermde soorten. De artikelen 11.27 en 11.28 hebben ook betrekking op niet-beschermde soorten. De soortenbeschermingsregimes De soortbescherming binnen de Omgevingswet (paragraaf 11.2.2 t/m 11.2.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving) kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn.

Elk van deze regimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en welk schadelijk handelen leidt tot een vergunningsplicht. Binnen de soortbescherming zijn ruim 700 vogelsoorten en 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Het gaat hierbij om de volgende planten- en diersoorten beschermd: 80 inheemse plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen

Bureau Aandacht Natuur

-

alle van nature in Nederland in het wild levende vogels alle vleermuizen (22) die van nature in Nederland in het wild voorkomen 39 terrestrische zoogdieren en 7 marine zoogdieren alle amfibieën (16) en reptielen (7) die van nature in Nederland in het wild voorkomen een beperkt aantal soorten vissen (8), en schaal- en schelpdieren (3) bepaalde soorten insecten zoals vlinders (27), libellen (16) en kevers(6)

Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. Welke negatieve effecten dat precies zijn, kan niet in een lijst opgesomd worden. Dat is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Om die bescherming toch enigszins concreet te maken, zijn per beschermingsregime de schadelijke handelingen opgenomen.  Schadelijke handelingen Vogelrichtlijn (art. 11.37 Besluit activiteiten leefomgeving) Alle van nature in Nederland in het wild levende vogelsoorten zijn beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. Het gaat om ca. 700 soorten die van nature op het grondgebied van de Europese Unie voorkomen. In de praktijk betreft het alle soorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, in totaal ca. 290 soorten.

Op alle vogels zijn schadelijke handelingen zoals bedoelt in artikel 11.37 van Besluit activiteiten leefomgeving niet toegestaan en betreffen: het opzettelijk te doden of te vangen van van natura in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels het opzettelijk storen van vogels het verbod op het opzettelijk storen van vogels, geldt niet als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel. Voor de verstoring van broedende vogels en vogelnesten wordt geen vergunning of vrijstelling verleend voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en niet voor dwingende redenen van openbaar belang. Voor vogels geldt dat u alleen ontheffing kunt krijgen op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn.

Dat zijn: in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Van een (beperkt) aantal vogels is de nestplaats jaarrond beschermd. De jaarrond beschermde nestlocaties zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Voor de overige vogelsoorten geldt dat (opzettelijke) verstoring van broedende dieren een schadelijk handeling betreft. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder ontheffing, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarbij geldt geen standaardperiode voor het broedseizoen. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum.  Schadelijke handelingen Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn.

De Europees beschermde soorten, niet vogels zijnde, bestaan uit soorten van de Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, inclusief het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn

Bureau Aandacht Natuur

bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. Op deze soorten zijn schadelijke handelingen zoals bedoelt in artikel 11.46 van Besluit activiteiten leefomgeving niet toegestaan en betreffen: het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk1 doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren het opzettelijk verstoren van dieren het opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied het verbod geldt niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.

Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn (bijlage IV), het Verdrag van Bern (Bijlage I en II) of het Verdrag van Bonn (Bijlage I) kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;  Beschermingsregime “andere soorten” Dit betreffen “andere” soorten welke

bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. De andere, ‘nationale’ soorten staan vermeld in bijlage IX, onder A (fauna) en B (flora), van artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het betreft een limitatieve lijst van soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Schadelijke handelingen t.a.v. deze soorten betreffen: het opzettelijk doden of vangen van dieren het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens geldt het niet als de activiteit uitvoering geeft aan een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel.

Voor de ‘andere’ (nationaal) beschermde soorten kan een vergunning of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: 1

Niet-opzettelijke schadelijke handelingen zijn conform het “opzetvereiste” niet verboden. Daarbij is echter van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Bureau Aandacht Natuur

-

-

de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven beschreven; in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, in het algemeen belang van de betreffende soort.

 Mitigatie en compensatie Negatieve effecten en daarmee een vergunningsaanvraag kunnen worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (=verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Indien maatregelen worden getroffen waarbij negatieve effecten kunnen worden voorkomen, vindt geen overtreding van de verbodsbepalingen plaats. Voorbeelden van mitigerende maatregelen die een overtreding kunnen voorkomen zijn: het aanpassen van de werkvolgorde of uitvoeringsperiode het gebruik maken van andere werkapparatuur of de werkzaamheden faseren in ruimte en tijd Maatregelen die de effecten op de plek van handeling herstellen, zijn mitigerend van aard; maatregelen die de effecten voor de populatie opheffen door herstel of verbetering op een andere plek zijn compenserend van aard. In de soortenbescherming wordt, in tegenstelling tot de gebiedenbescherming, geen scherp onderscheid gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Belangrijk is dat de staat van instandhouding gegarandeerd wordt. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat er schadelijke handelingen worden verricht, is een vergunning noodzakelijk  Vrijstelling Onder de Omgevingswet is het niet altijd een vergunning nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling.

Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk, waaronder: - In een programma aangewezen flora en fauna-activiteiten (bijv. een Natura 2000-beheerplan); - In een omgevingsverordening aangewezen flora en fauna-activiteiten (bijv. de door de provincie vrijgestelde soorten en handelingen); - In een ministeriële regeling aangewezen flora- en fauna-activiteiten (bijv. de door de Minister voor Natuur & Stikstof vrijgestelde soorten en handelingen. In artikel 4.31 van de Omgevingsregeling zijn de flora en fauna-activiteiten genoemd en in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen als vergunningsvrij voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkelingen of inrichting van gebieden (incl. gebruik) voor de soorten in bijlage VII c van de Omgevingsregeling); - Flora- en fauna-activiteiten die aantoonbaar worden uitgevoerd conform een per ministeriële regeling aangewezen gedragscode. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld. Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten.

Bureau Aandacht Natuur

Bescherming Houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit tevoren te worden gemeld/aangevraagd en is de initiatiefnemer verplicht om hetzelfde areaal te herplanten2. De aanvraag dient als onderdeel van de omgevingsvergunning bij de betreffende gemeente te worden ingediend. Tevens is mogelijk om de aanvraag separaat bij de provincie in te dienen. De provincie bepaalt welke gegevens bij een aanvraag/melding moeten worden aangeleverd.

Beoordelingsregels vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Omgevingswet ligt, met uitzondering van projecten van nationaal belang, veelal bij Gedeputeerde Staten. Bij enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 4.6 Omgevingsbesluit) is de provincie het bevoegd gezag. Een vrijstelling of vergunning kan alleen worden verleend als is voldaan aan de beoordelingsregels die staan uitgewerkt in paragraaf 8.6.2 Besluit kwaliteit leefomgeving. De beoordelingsregels verschillen per soortenbeschermingsregime (uitgewerkt in art. 8.74 j t/m l), maar komen kort gezegd neer op de beoordeling: - of er geen andere bevredigende oplossing is, Indien door een handeling of activiteit verbodsbepalingen overtreden worden, moet door de initiatiefnemer worden aangetoond dat er geen andere bevredigende oplossing(en) is, waardoor de verbodsbepalingen niet overtreden zullen worden. Bij andere oplossingen kan gedacht worden aan alternatieve locaties, een ander ontwerp of inrichting van het plan, of een andere uitvoering van de handelingen.

- de activiteit nodig is vanwege een genoemd wettelijk belang, en - de activiteit niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de aangevraagde soort. Bij de beoordeling of afbreuk wordt gedaan aan de staat van instandhouding mogen mitigerende en compenserende maatregelen betrokken worden. Uiteindelijk mag het verlenen van de ontheffing geen negatief effect hebben op het voorkomen van de soort. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Wettelijk verschilt het toetsingscriterium voor vogels van dat voor overige Europees en nationaal beschermde soorten. Europese jurisprudentie maakt echter duidelijk dat bij afwijkingen onder de Vogelrichtlijn ook gekeken moet worden naar de staat van instandhouding van de populatie vogels. De staat van instandhouding van lokale populaties is meestal niet bekend. De status van de lokale populatie kan afwijken van de landelijke staat van instandhouding of landelijke trend. Hoe minder gunstig de trend en/of staat van instandhouding, des te strenger moet de beoordeling zijn of er toestemming voor de ontheffing kan worden verleend. Bij deze beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve effecten, dus ook met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van de soort.

Daarnaast dient er met betrekking tot vrijstellingen voor soorten ook voldaan te worden aan de begrenzingsregels voor aanwijzing vergunningsvrije gevallen en de vrijstellingsregels voor aangewezen gedragscodes die staan beschreven in het Besluit activiteit leefomgeving. De Minister voor Natuur & Stikstof is het bevoegd gezag om te beslissen op enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit of een flora en faunaactiviteit van nationaal belang (art. 4.12 Omgevingsbesluit). In art. 4.12, lid 2 van het Omgevingsbesluit zijn de activiteiten van nationaal belang aangewezen. Het betreft onder meer wegen, hoofdspoorwegen, wateren en primaire waterkeringen die worden beheerd door het Rijk (o.a. Rijkswaterstaat en Pro-rail), militaire terreinen en militaire luchthavens, luchthavens van nationale betekenis (o.a. Schiphol), het 2

De herplantplicht vervalt voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000doel.

Bureau Aandacht Natuur

hoofdgastransportnet, hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 220 kV, kustverdediging, het delven van delfstoffen, etc. Voor zover de activiteiten niet zijn aangewezen als activiteiten van nationaal belang, dan is Gedeputeerde Staten van de provincie het bevoegd gezag om te beslissen op enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (art. 4.6 Omgevingsbesluit). Bij het indienen van een meervoudige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, waaronder een Natura 2000-activiteit, ligt de bevoegdheidsverdeling anders. In de praktijk is dan veelal de gemeente het bevoegd gezag. De gemeente is dan verplicht om een verzoek tot advies en instemming te vragen aan GS of het ministerie van Natuur & Stikstof (artikel 12 4.25, resp. art. 4.12 en 4.13 van het Omgevingsbesluit). GS of de Minister voor N&S wordt dan het adviesorgaan. Deze moet binnen 4 weken besluiten op het verzoek (art. 16.18 Omgevingswet). Het adviesorgaan dat instemming heeft verleend, heeft een mede-handhavingsbevoegdheid voor het deel waar zij mee is ingestemd (art. 13.3 Omgevingsbesluit). Het adviesorgaan dat de instemming heeft verleend, kan daarnaast het bevoegd gezag verplichten de omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken (art. 5.41 Omgevingswet).

De term ‘Natura 2000-activiteit’ geldt alléén voor projecten! Voor plannen is er een ander afwegingskader dat, hoewel vergelijkbaar met een Natura 2000-activiteit, elders in het stelsel Omgevingswet is verankerd dan met betrekking tot projecten. Een plan mag worden vastgesteld als uit een Passende Beoordeling, bedoeld in artikel 16.53c, eerste lid van de Omgevingswet, de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten (art. 10.24 Besluit kwaliteit leefomgeving. Is er ondanks mitigatie nog steeds sprake van een significant gevolg, dan kan het plan alleen worden vastgesteld als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 10.24, lid 2 en 3 Besluit kwaliteit leefomgeving). Art. 16.64 van de Omgevingswet bepaald dat de algemene beslistermijn voor een omgevingsvergunningaanvraag 8 weken bedraagt (enkelvoudige aanvraag), of 12 weken (meervoudige aanvraag). De eenmalige verlengingstermijn is (ten hoogste) 6 weken. Echter, met betrekking tot de vergunningsaanvraag voor Natura 2000-activiteiten is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) van toepassing (art. 10.24, lid 1, onder j van het Omgevingsbesluit). Dan geldt een beslistermijn van 26 weken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15541148/1