06 Bijlage 5 Verkennend onderzoek natuur
Tekst van het document
Quickscan flora & fauna Herinrichting Korte Bosweg 40 ‘t Zand M. Volkers, 19 november 2024, Hippolytushoef
Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 06-24818383 e-mail: info@aandachtnatuur.nl www.aandachtnatuur.nl
Lid Netwerk Groene Bureaus
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 Aanvullingsspoor Natuur Omgevingswet……....….…………………….…..blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 7 2.1 Locatiebeschrijving…………...………...……..………..…………..………… blz. 7 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 8 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 8 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 8 3. Resultaten soortbescherming ….…..………..…………..………………….. blz. 9 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 9 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 10 3.3 Zoogdieren……………………………………………….…………………...... blz. 11 3.4 Amfibieën…..…………………………………………….…………………...... blz. 13 3.5 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 13 4. Resultaten gebiedsbescherming.…..………..…………..………………….. blz. 14 4.1 Natura 2000 gebieden…………………………………......……………........ blz. 14 4.2 Overige aspecten gebiedsbescherming…....…………….……………….... blz. 14 5. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 15 5.1 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 15 5.2 Gebiedsbescherming…………………………..……….…………………...... blz. 20 5.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz. 20 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 21 Bijlage 1: Natuurbescherming in de Omgevingswet
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van AMB advies heeft een quickscan flora en fauna in het kader van de Omgevingswet plaatsgevonden met betrekking tot de herinrichting van de Korte Bosweg 40 in ’t Zand. Op 17 augustus 2023 heeft een verkennend veldonderzoek plaatsgevonden. Aanvullend hierop heeft op 6 september 2023 een inspectie van het pannendak plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken. 1.1 Aanleiding en doel Aan de Korte Bosweg 40 in ‘t Zand bestaat het voornemen om de huidige woning en opstallen te slopen en nieuwe woning te bouwen. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling en de beoogde vergunningsaanvraag heeft op 17 augustus en 6 september 2023 een verkennend veldonderzoek ten behoeve van de quickscan flora en fauna in het kader van de Omgevingswet plaatsgevonden. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.
Figuur 1. Ligging van de projectlocatie (rood kader) aan de Korte Bosweg 40 in ‘t Zand.
1.2 Aanvullingsspoor Natuur Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en omvat alle regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving. De (voormalige) Wet Natuurbescherming (2017 t/m 2023) is hierbij onderdeel geworden van de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur richt zich op de bescherming van planten- en diersoorten, natuurgebieden, natuurverbindingen en houtopstanden. 2
Bureau Aandacht Natuur
Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de specifieke zorgplicht. Deze specifieke zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de onder andere de vogel- en habitatrichtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of bijzondere natuurgebieden en/of bijzondere (provinciale) landschappen. Een project of activiteit die plaatsvindt in een Natura 2000 gebied en geen verband houdt met het beheer van het gebied, betreft een zogeheten Natura 2000-activiteit. Dergelijke plannen dienen dan ook vooraf te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000 gebied middels een Voortoets, Passende Beoordeling of een ADC-toets.
Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats (Programma stikstofreductie en natuurverbetering). Met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15). Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen. Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de activiteiten van deze maatregelen worden gemonitord. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ kenmerken en waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortenbescherming Een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren en planten, betreft een zogeheten flora en fauna-activiteit, en vallen hiermee onder de soortenbescherming.
De soortenbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn. Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Voor een flora en fauna-activiteit, waarbij bekend is of het vermoeden bestaat dat er beschermde dieren- en plantensoorten voorkomen, staat de “specifieke zorgplicht”. Dit houdt in dat iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, nadelige gevolgen zoveel mogelijk moet voorkomen, beperken of ongedaan maken. Naast de binnen de wet aangewezen beschermde soorten, heeft dit ook betrekking tot de algemeen voorkomende beschermde soorten waar een vrijstelling van de vergunningsplicht voor geldt. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht. 3
Bureau Aandacht Natuur
Vogelrichtlijnsoorten Op alle in het wild voorkomende vogels is dit beschermingsregime van toepassing. Hiermee zijn schadelijke handelingen aan in het wild levende vogels niet toegestaan en betreffen: het opzettelijk storen, doden of vangen van vogels, het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels, het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels of het opzettelijk wegnemen van nesten. Vogelsoorten zijn voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen vergunning of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder vergunning, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.
Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een vergunning noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een vergunning kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt. Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van toepassing.
Schadelijke handelingen ten aanzien van habitatrichtlijnsoort betreffen: het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren, het beschadigen, vernielen of rapen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren en het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten bestaan schadelijk handelingen uit het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen vergunning of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een vergunningsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een vergunning noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 4
Bureau Aandacht Natuur
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Een vergunning kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
-
“Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. In bijlage IX van artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving staat een limitatieve lijst van soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Schadelijke handelingen t.a.v. deze soorten betreffen: het opzettelijk doden of vangen van dieren, het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren en het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een vergunning of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld.
Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Omgevingswet ligt, met uitzondering van projecten van nationaal belang, veelal bij Gedeputeerde Staten. Bij enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 4.6 Omgevingsbesluit) is de provincie het bevoegd gezag. Bij het indienen van een meervoudige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, waaronder een Natura 2000-activiteit, ligt de bevoegdheidsverdeling anders en is de desbetreffende gemeente het bevoegd gezag. De gemeente is echter verplicht om een verzoek tot advies en instemming te vragen aan Gedeputeerde Staten of het ministerie van Natuur & Stikstof (art. 4.25, resp. art. 4.12 en 4.13 Omgevingsbesluit). 1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
5
Bureau Aandacht Natuur
GS of de Minister voor Natuur & Stikstof wordt dan het adviesorgaan. Deze moet binnen 4 weken besluiten op het verzoek (art. 16.18 Omgevingswet). Het adviesorgaan dat instemming heeft verleend, heeft een mede-handhavingsbevoegdheid voor het deel waar zij mee is ingestemd (art. 13.3 Omgevingsbesluit). Het adviesorgaan dat de instemming heeft verleend, kan daarnaast het bevoegd gezag verplichten de omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken (art. 5.41 Omgevingswet). Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte vergunning of vrijstelling voor een flora en fauna-activiteit en/of Natura 2000-activitiet in het kader van de Omgevingswet aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/ initiatiefnemer. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit gelden de indieningsvereisten uit artikel 7.197h van de Omgevingsregeling. Hierbij dienen de voortoets en/of passende beoordeling (eventueel inclusief de ADC-toets) te worden bijgevoegd. Art. 16.64 van de Omgevingswet bepaald dat de algemene beslistermijn voor een omgevingsvergunningaanvraag 8 weken bedraagt (enkelvoudige aanvraag), of 12 weken (meervoudige aanvraag).
De eenmalige verlengingstermijn is (ten hoogste) 6 weken. Echter, met betrekking tot de vergunningsaanvraag voor Natura 2000-activiteiten is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) van toepassing (art. 10.24, lid 1, onder j van het Omgevingsbesluit). Dan geldt een beslistermijn van 26 weken.
6
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving Het projectgebied aan de Korte Bosweg 40 is gelegen in het oorspronkelijke dorpslint aan de oostzijde van ’t Zand en grenst aan de zuidzijde aan een woonwijk uit de jaren ’90 van de vorige eeuw. Aan de noordzijde ligt de recente nieuwbouwwijk ’t Zand Noord welke deels nog in ontwikkeling is.
Figuur 2. Huidige situatie van de woning, gezien vanaf de Korte Bosweg.
De planlocatie bestaat uit een ruime kavel voorzien van een bungalow uit begin jaren ’70 van de vorige eeuw en enkele loodsen/bijgebouwen. Aan weerszijde van de woning is een inrit aanwezig, waarlangs bomen en struiken zijn geplant. Aan de noordzijde van de woning is een gazon en kleine windsingel aanwezig. De zuidzijde van het erf bestaat uit een open gazon en is aan de zuidoost- en noordoostzijde voorzien van een (kavel)sloot. De erfgrens aan de westzijde van het erf bestaat uit een haag en enkele bosschages. De woning betreft een laagbouwbungalow, bestaande uit opgemetslede gevels en een zadeldak voorzien van geglazuurde, zwarte dakpannen. Aan de zuidzijde van het dak zijn twee dakkapellen aanwezig. De dakranden bestaan uit een houten betimmering, welke tevens doorlopen langs de zinken dakgoten. Aan de achterzijde van de woning bevindt zich een bijkeuken met plat dak, waaraan een stenen schuur is gebouwd. Naast de gemetselde schuur staat een loods opgebouwd uit metalen damwandplaten. De twee loodsen zijn met elkaar verbonden door een houten tussenbouwsel, voorzien van een licht hellend dak. De daken van de loodsen bestaan uit (asbest) golfplaten. Achter de stenen loods staat verder nog een open, houten aanbouwsel voorzien van deels metalen dakplaten en deels golfplaten. Het terrein achter de woning en rond de loodsen is verhard met beton.
Het planvoornemen bestaat uit de sloop van de aanwezige bebouwing ten behoeve van woningbouw. In de nieuwe situatie zullen meerdere woningen en appartementsgebouwen worden gerealiseerd op de betreffende kavel. Hierbij kan er vanuit worden gegaan dat alle aanwezige terreintypen zullen verdwijnen. 7
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 3. Huidige situatie van het erf achter de woning.
2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is niet gelegen in een Natura 2000 gebied of aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), een natuurverbinding of een Bijzonder Provinciaal Landschap. De planlocatie ligt op circa 2,8 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Duinen Den Helder - Callantsoog. Het plangebied bestaat uit een voormalige (agrarische) bedrijfswoning met bijgebouwen gelegen in het bebouwingslint aan de oostzijde van ’t Zand en bevat geen elementen die de specifieke waarden van Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten. 2.3 Houtopstanden De aanwezige bomen en struiken zijn gesitueerd op een erf binnen de bebouwde kom van ‘t Zand. Met het verwijderen van erfbeplating voor de herinrichting van het erf voor nieuwbouw, is er geen sprake van een (aantasting van) beschermde houtopstand zoals bedoeld in het aanvullingsspoor natuur van de Omgevingswet. 2.4 Methode Op 17 augustus 2023 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan de hierboven beschreven projectlocatie. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van de projectlocatie.
In verband met de (mogelijke) geschiktheid van het pannendak als nestlocatie voor huismus is aanvullend op het verkennend onderzoek op 6 september 2023 een inspectie van het pannendak van de woning uitgevoerd. Verder is op ook basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen. 8
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten soortbescherming Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. De aanwezige bebouwing is niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats van beschermde soorten en ook in bomen in de directe omgeving zijn geen mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of vleermuizen aangetroffen. Tabel 1. Te verwachten beschermde soorten binnen het plangebied. soortgroep
te verwachten beschermde soorten
functie plangebied
flora
-
-
vogels
algemene vogelsoorten
broed- en foerageergebied
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
foerageergebied
laatvlieger
foerageergebied
ruige dwergvleermuis
foerageergebied
algemeen voorkomende zoogdieren
leefgebied
Overige zoogdieren overige soorten
(kleine) marterachtigen
-
algemeen voorkomende amfibieën
leefgebied
rugstreeppad
-
Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De projectlocatie bestaat voornamelijk uit bebouwing, bestrating, gazon, hagen en struweel en een met sierheesters begroeide tuin. De aanwezige bebouwing vormt geen groeiplaats voor (beschermde) muurplanten. Langs de slootkanten en in het gazon/grasveld achter de woning staan inheemse plantensoorten als smalle weegbree, bastaardwederik, witte klaver, kleine watereppe, zachte ooievaarsbek, akkermelkdistel, madeliefje, akkerdistel, gewone hoornbloem, veldzuring, gewone paardenbloem, kruipende boterbloem, duizendblad, oeverzegge, harig wilgenroosje en boerenwormkruid. In de tuin en bosschages aan de voor(noordwest)zijde van het erf staan plantensoorten als bitterzoet, Canadees fijnstraal, haagwinde, moederkruid, geel nagelkruid, postelein, klimop en opslag esdoorn, hulst en liguster. Een andere natuurlijke begroeiing is niet aanwezig. Beschermde plantensoorten worden gezien de aanwezige terreintypen niet verwacht. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2024) zijn binnen het betreffende uurhok (5x5km) tevens geen waarnemingen bekend van de beschermde plantensoorten.
Gezien de aanwezige plantengroei en het beheer op de projectlocatie, wordt niet verwacht dat beschermde plantensoorten voorkomen binnen het plangebied.
9
Bureau Aandacht Natuur
3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn tijdens het veldonderzoek voornamelijk algemene vogelsoorten zoals koolmees, houtduif, kauw, merel en zwarte kraai waargenomen op en rond de projectlocatie. Vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats zijn niet aangetroffen. De woning bevat een pannendak en kan daarmee broedgelegenheid vormen voor de jaarrond beschermde vogelsoorten huismus en gierzwaluw. Van huismussen zijn op beide data geen waarnemingen gedaan binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Daarbij is bij de dakpaninspectie op 6 september 2023 onder de eerste rijen dakpannen (vanaf de goot) gekeken of eventuele nesten of recent nestmateriaal van huismus aanwezig is. Het dakbeschot was schoon, waardoor nesten van huismus kunnen worden uitgesloten. Ten aanzien van gierzwaluw is de goothoogte te laag en kent het dak een flauw talud, waardoor de woning niet geschikt is als nestlocaties voor gierzwaluwen. Tevens ontbreken er andere geschikte (invlieg)openingen in gevels of daken van zowel de woning als de bijgebouwen, die een mogelijke nestlocatie voor gierzwaluw of huismus kunnen vormen. Tevens is de bebouwing niet toegankelijk voor soorten als steenuil en kerkuil. In en aan de bebouwing zijn dan ook geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelsoorten.
Figuur 4. In de aanwezige loodsen zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelsoorten.
In de bomen op het erf zijn geen potentiële nestlocaties van roofvogels of uilen zoals sperwer, havik, boomvalk of ransuil aanwezig. De aanwezige bebouwing is tevens niet geschikt als broedplaats voor soorten als kerkuil, steenuil, huismus of gierzwaluw. Sporen die wijzen op de aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats (nesten, braakballen, uitwerpselen of prooiresten) zijn niet aangetroffen op de projectlocatie.
10
Bureau Aandacht Natuur
3.3 Zoogdieren Op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat de projectlocatie het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis en egel. Bij een flora en fauna-activiteit geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft (ook) voor deze soorten de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet, te allen tijde van toepassing. Met betrekking tot de zwaarder beschermde soorten is bekend dat hermelijn, wezel, bunzing en boommarter voorkomen in het betreffende atlasblok (5x5km). Voor deze soorten geldt de bovengenoemde vrijstelling niet. Daarbij is ook de zwaar beschermde soort steenmarter in Noord-Holland bezig aan een opmars. Het voorkomen van deze soort is echter nog niet bekend uit het betreffende atlasblok (5x5km) waarbinnen de planlocatie is gelegen. De aanwezige bebouwing is niet toegankelijk voor genoemde soorten en zijn er geen sporen of aanwijzingen gevonden van de aanwezigheid van kleine marterachtigen dan wel steenmarter in en rond het plangebied. Aan de noordwestzijde van de woning zijn langs de opritten bosschages en bomen aanwezig.
Gezien de ligging van de projectlocatie binnen de bebouwde kom en tegenover een nieuwbouwwijk in ontwikkeling, wordt niet verwacht dat de projectlocatie van belang is voor (kleine) marterachtigen. Kleine marterachtigen hebben een groot leefgebied van enkele tot soms meer dan 10 hectare. De projectlocatie staat niet in verbinding met andere groenstructuren die van belang kunnen zijn als onderdeel van het leefgebied van kleine marterachtigen. Gezien de geïsoleerde ligging en het beperkte oppervlakte van 400m2, wordt niet verwacht dat met de voorgenomen herinrichting (essentieel) leefgebied van (kleine) marterachtigen wordt verstoord of verwijderd.
Figuur 5. Opgaande beplating aan de oprit ten noorden van de woning.
Verder kan worden verwacht dat er verschillende soorten vleermuizen voorkomen in de (directe) omgeving van de planlocatie. Gezien de situering van de projectlocatie en de aanwezige terreintypen, kan worden verwacht dat de omgeving van het projectgebied van 11
Bureau Aandacht Natuur
enig belang is voor vleermuizen. De bebouwing vormt echter geen verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen, vanwege het ontbreken toegankelijke (spouw)muren en daken. De dakpannen op het dak op de woning sluiten goed op elkaar aan en ook de kantpannen sluiten direct aan op houten boeidelen van het overstek. De houten betimmering sluit goed aan op de gevel en bieden geen tussenruimtes waar vleermuizen achter weg kunnen kruipen. Tevens ontbreken er open stootvoegen en sluit het loodwerk (o.a. bij de schoorsteen) goed aan op de gevel, zie figuur 6.
Figuur 6. Dakranden van de woning niet toegankelijk voor vleermuizen.
Ook de loodsen op het erf zijn niet geschikt als verblijfplaats van vleermuizen, door het ontbreken van toegankelijke spouwmuren of daken. De meest oostelijke loods betreft een loods met stalen damwandconstructie en (asbest)golfplaten daken De kopgevels van de loods zijn afgewerkt met (asbest) hoekprofielen. De meest westelijk schuur is wel opgebouwd uit gemetselde gevels, maar bevat geen open stootvoegen en de gemetselde ventilatieroosters zijn dichtgemetseld. Op de kopgevel sluiten de boeidelen direct aan op de gevel en bestaat de dakrand uit een overstekende (asbest) golfplaat. Als laatste bevat de loods een stenen schoorsteen, maar ook hierin ontbreken open stootvoegen en sluit en loodwerk aan op de gevel. Tussen beide loodsen is de ruimte eveneens overdekt met (asbest) golfplaten en enkelwandig afgetimmerd met houten planken (mes en groef). Gezien de enkelwandige, lage constructie is ook dit (tussen)bouwsel ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.
Figuur 7. De loodsen bij het woonhuis zijn eveneens niet toegankelijk voor vleermuizen
Op en direct rond de projectlocatie zijn alleen aan de noordzijde van het erf, langs de opritten, bomen of opgaande beplanting aanwezig. Hierin zijn geen boomholtes aangetroffen, geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Tevens vormt de erfbeplanting geen lijnvormige groenstructuur welke in verbinding staan met andere 12
Bureau Aandacht Natuur
opgaande groenstructuren in de omgeving, waardoor er met de voorgenomen herinrichting geen vliegroutes of belangrijk foerageergebied voor vleermuizen worden verstoord of verwijderd. 3.4 Amfibieën Het plangebied wordt aan de oost- en zuidzijde begrenst door een kavelsloot, waardoor het voorkomen van enkele algemeen voorkomende amfibieën zoals bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad op het erf niet kan worden uitgesloten. Bij een flora en fauna-activiteit geldt voor deze algemeen voorkomende soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft voor deze soorten de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet, te allen tijde van toepassing. Verder komt in de omgeving van ’t Zand de beschermde soort rugstreeppad voor. In de huidige situatie ontbreken er geschikt habitattypen zoals visvrije, ondiepe en/of tijdelijke wateren in combinatie met open vergraafbare grond. Echter is het mogelijk dat er bij graafen bouwwerkzaamheden binnen het plangebied geschikt leefgebied voor de soort ontstaat door het creëren van open, zanderige terreindelen. Uit recente verspreidingsgegevens (NDFF, 2024) blijkt dat er geen waarnemingen van rugstreeppad bekend zijn van het bouwterrein ten noorden van de planlocatie.
De waarnemingen van rugstreeppad in de afgelopen 10 jaar uit de omgeving van ’t Zand dateren uit 2020 en 2024 en betreffen (roepende) dieren rond Eendenkooi ’t Zand op zo’n 750 meter ten noorden van de projectlocatie. De waarnemingen zijn afkomstig van de extensieve graslanden in beheer bij Landschap Noord-Holland, welke een hoger waterpeil bevatten. Naar verwachting vormt de eendenkooi en/of omliggende erven tevens de overwinteringslocatie voor rugstreeppad. Aangezien waarnemingen ontbreken bij de woonwijk in ontwikkeling ten noorden van de projectlocatie, wordt niet verwacht dat rugstreeppad voorkomt binnen het plangebied. Met uitzondering van enkele algemeen voorkomende amfibieën komen andere in de wet aangewezen beschermde amfibieën op basis van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Noord-Holland. 3.5 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie. Overige beschermde soorten (reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.
13
Bureau Aandacht Natuur
4. Resultaten gebiedsbescherming Hieronder wordt per onderdeel van de gebiedsbescherming de mogelijke externe effecten op het planvoornemen beschreven. 4.1 Natura 2000 gebieden De projectlocatie ligt op circa 2,8 kilometer van het Natura 2000 gebied Duinen Den HelderCallantsoog. Gezien de afstand en ligging van de projectlocatie in het dorp ’t Zand, en de situering ervan ten oosten van de N9 en het Noordhollandsch Kanaal, is er geen sprake van directe negatieve effecten van de beoogde bouwactiviteiten op de projectlocatie door geluid, trillingen, licht, optische verstoring of mechanische effecten. Tevens vinden er met de voorgenomen nieuwbouw geen wijzigingen plaats met betrekking tot de (grond)waterhuishouding, waardoor van direct negatieve effecten geen sprake zal zijn. Aangezien het aantal woningen op de projectlocatie zal toenemen, is het echter mogelijk dat een negatief effect ontstaat door stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden in zowel de gebruiks- als realisatiefase van het project. Middels een stikstof-berekening in Aerius dient te worden aangetoond dat er zowel tijdens de gebruiks- als realisatiefase geen sprake is van een extern effect op nabijgelegen Natura 2000 gebieden.
4.2 Overige aspecten gebiedsbescherming De boogde plannen vinden verder niet plaats in of aan terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, Bijzonder Provinciaal Landschap, een natuurverbinding of andere beschermde reservaatsgebieden.
14
Bureau Aandacht Natuur
5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de natuurbescherming onder de Omgevingswet verder beschreven. Per onderdeel van de natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen de projectlocatie. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/ NDFF, 2024) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten niet aan de orde. Een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en fauna-activiteit ten aanzien van beschermde plantensoorten is niet noodzakelijk. Vogels Op en aan de planlocatie zijn enkele algemeen voorkomende (broed)vogels aangetroffen dan wel te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de “specifieke zorgplicht” een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden.
Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels (categorie 1 t/m 4) verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats of sporen die wijzen op hun aanwezigheid zijn niet aangetroffen op of rondom de projectlocatie. Met uitzondering van een pannendak op de woning, biedt de aanwezige bebouwing geen toegang voor vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Aanvullend op het verkennend onderzoek heeft op 6 september 2023 dan ook een inspectie van het pannendak plaatsgevonden. Hierbij zijn geen sporen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van huismus onder het dak. Verder biedt het dak geen invliegmogelijkheden ten aanzien van gierzwaluw, waardoor ook vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats in het dak van de woning kunnen worden uitgesloten. In bomen op het erf ontbreken eveneens mogelijke nestlocaties van roofvogels of (rans)uilen.
Er zijn dan ook geen nesten of andere sporen (prooiresten, braakballen, ruiveren of uitwerpselen) aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van vogelsoorten met vaste rust- of verblijfplaats. Met de voorgenomen plannen worden er geen jaarrond beschermde rust- en verblijfplaatsen van vogels of hun functionele leefomgeving verstoord of verwijderd. Een nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora-
2 In het kader van een flora en fauna-activiteit wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum.
15
Bureau Aandacht Natuur
en fauna-activiteit in de Omgevingswet ten aanzien van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats is niet noodzakelijk. Mitigerende maatregelen Met de nieuwbouw kan overwogen worden om de bebouwing in het plangebied geschikt(er) te maken voor een soort als huismus of andere soorten zoals spreeuw, huiszwaluw of gierzwaluw. Veel soorten verliezen namelijk steeds meer leefruimte. Dit kan gerealiseerd worden door het plaatsen van (inbouw) nestkasten aan het gebouw/in de gevel, zie figuur 8. Volgens het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is het volgende ten aanzien van huismus en gierzwaluw in de planvorming opgenomen: “geschikte oriëntaties van een gevel op het noorden of het oosten”.
Figuur 8. Inbouwmogelijkheden voor nestgelegenheid huismus, gierzwaluw en andere vogelsoorten.
Raadzaam is om eventueel te plaatsen nieuwe nestgelegenheid in overleg met een ecoloog uit te voeren, zodat de functionaliteit ervan kan worden geoptimaliseerd. Zoogdieren Op de projectlocatie worden voornamelijk enkele algemeen voorkomende zoogdieren verwacht. Met betrekking tot de bedoelde algemeen voorkomende soorten geldt binnen de provincie Noord-Holland een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende)soorten geldt vanuit de “specifieke zorgplicht” dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Dit houdt in dat dieren en hun functionele leefomgeving niet opzettelijk worden verstoord, gedood of gevangen. Op basis van de situering en het gebruik van de projectlocatie heeft de projectlocatie geen functie in het leefgebied van marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter en/of boommarter. Sporen of aanwijzingen die wijzen op de aanwezigheid van marterachtigen zijn niet aangetroffen op de projectlocatie. Gezien de relatief kleine oppervlakte aan opgaande beplanting en de ligging aan een ontwikkelingslocatie en een woonwijk, is er geen sprake van een aantasting van het leefgebied van (kleine) marterachtigen door de voorgenomen herinrichting.
Gezien de ligging en het gebruik van het plangebied wordt niet verwacht dat andere, zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten voorkomen op de projectlocatie. Een nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en fauna-activiteit in de Omgevingswet ten aanzien van zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdieren is niet noodzakelijk. Tevens wordt niet verwacht dat het projectgebied van groot belang is voor vleermuizen. De aanwezige bebouwing is niet geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Ook bomen met mogelijkheden voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aanwezig binnen de invloedsferen van het projectgebied. Verder vormt het plangebied
16
Bureau Aandacht Natuur
geen onderdeel van een doorlopende groenstructuur in ’t Zand, waardoor van verstoren of het onderbreken van essentiële vliegroutes of belangrijk foerageergebied van vleermuizen geen sprake is. Hiermee wordt niet verwacht dat de sloop- en nieuwbouw een effect zal hebben op de aanwezigheid van vleermuizen. Een nader onderzoek vleermuizen of een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en fauna-activiteit ten aanzien van vleermuizen in het kader van de Omgevingswet is hiermee niet aan de orde. Mitigerende maatregelen Met de nieuwbouw kan overwogen worden om de bebouwing in het plangebied geschikt(er) te maken voor o.a. vleermuizen. Veel soorten verliezen namelijk steeds meer leefruimte. Dit kan gerealiseerd worden door het plaatsen van (inbouw) vleermuiskasten aan het gebouw/in de gevel (figuur 9) en, indien er een bakstenen gevel komt, het bewust openlaten van openingen in bijvoorbeeld spouwmuren. Volgens het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is het volgende ten aanzien van vleermuissoorten in de planvorming opgenomen: “geschikte oriëntaties zijn zuid− en westgevels, invliegopening moet donker genoeg zijn en vrij van obstakels op minder dan 2 meter afstand, niet naar ramen / deuren”.
Figuur 9. Inbouwmogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen.
Raadzaam is om eventueel nieuw aan te brengen verblijfplaatsen in overleg met een ecoloog uit te voeren, zodat de functionaliteit van de (extra) voorzieningen kan worden gegarandeerd en/of geoptimaliseerd.
Figuur 10. Gunstige (groen vinkje) en ongunstige toepassingen van verlichting voor vleermuizen en andere nachtdieren.
17
Bureau Aandacht Natuur
Als laatste is ten aanzien van vleermuizen het tevens aan te bevelen om spaarzaam gebruik te worden gemaakt van buiten-, of gevelverlichting. Aangezien de sloop- en bouwwerkzaamheden in het dorp plaatsvinden, tussen reeds bestaande bebouwing, zal van nachtelijke werkzaamheden geen sprake zijn. Voor zover bekend is de toepassing van straat- en buitenverlichting nog niet opgenomen in het projectontwerp. Indien met de nieuwbouw buiten- of gevelverlichting wordt toegepast, wordt aanbevolen gebruik te maken van stralingsbeperkende armaturen zoals weergegeven in figuur 10. Amfibieën Gezien de aanwezigheid van een kavelsloot aan de oost en zuidzijde van de projectlocatie kunnen algemeen voorkomende amfibieën worden verwacht op de projectlocatie. Bij een flora en fauna-activiteit geldt voor deze algemeen voorkomende soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft voor deze soorten de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet, te allen tijde van toepassing. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van de ‘t Zand. In de huidige situatie ontbreekt geschikt leefgebied voor rugstreeppad en is de soort niet bekend van de ontwikkelingslocatie ten noorden van het plangebied (NDFF, 2024).
Hiermee kan het voorkomen van rugstreeppad op planlocatie worden uitgesloten en is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad in het kader van de voorgenomen herinrichting niet noodzakelijk. Echter, de rugstreeppad is een zogeheten pionierssoort die in korte tijd geschikt leefgebied (open zandgrond met tijdelijke (voortplantings)wateren) kan bevolken. Een bouwterrein in ontwikkeling kan aan deze voorwaarden voldoen. Bij het aantreffen van rugstreeppad op het bouwterrein, kan het alsnog nodig zijn om een vergunning voor een flora en faunaactiviteit zoals bedoelt in de Omgevingswet aan te vragen. Mitigerende maatregelen Om te voorkomen dat rugstreeppad in de voortplantingsperiode (april t/m juli/augustus) het bouwterrein aandoet, dient de aanbeveling om de bouwlocatie gedurende de actieve periode van rugstreeppad (eind maart t/m half oktober) af te schermen met een amfibiescherm. Door het bouwterrein af te schermen wordt voorkomen dat de soort zich op het bouwterrein vestigt of dat dieren zich ingraven (overdag). Met het toepassen van een amfibiescherm kan er geen sprake zijn van een overtredingen in het kader van een flora en fauna-activiteit ten aanzien van rugstreeppad zoals bedoelt in de Omgevingswet.
In verband met de aanwezigheid van een sloot aan twee zijdes van het terrein kan het amfibiescherm het beste worden geplaatst aan de binnenzijde van de sloot, dusdanig dat beide slootkanten toegankelijke blijven voor algemene amfibiesoorten. Om te voorkomen dat exemplaren van algemene (amfibie)soorten worden ingesloten en/of gedood door de bouwwerkzaamheden dienen de volgende mitigerende maatregelen te worden uitgevoerd: •
Het werkgebied wordt uitgerasterd door het plaatsen van een (amfibie)scherm rond het werkgebied van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (Kennisdocument Rugstreeppad, BIJ12, 2017).
•
Het scherm wordt langs de slootkant elke 50 meter voorzien van een emmer die onder het scherm wordt ingegraven. De helft van de emmer, buiten het werkgebied, wordt voorzien van een uitloopplankje. Dieren in het werkgebied die het scherm volgen en in de emmer komen kunnen zo op eigen kracht het werkgebied verlaten, zie figuur 11.
18
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 11. Opstelling scherm en emmer die dieren de mogelijkheid geeft op eigen kracht een uitgerasterd terrein te verlaten. (H. Melchers Habitus)
Indien het amfibiescherm enkele weken vooraf aan de werkzaamheden, maar in de actieve periode van amfibieën (maart t/m oktober) zoals hierboven beschreven wordt geplaatst, kan er vanuit worden gegaan dat er gedurende de bouwwerkzaamheden geen dieren meer aanwezig zijn op de projectlocatie. Het scherm dient te blijven staan totdat de bouwwerkzaamheden zijn voltooid, en moet zeker vanaf de voorjaarstrek en voortplantingsperiode (eind maart) functioneel zijn. Hiermee kan schade aan amfibieën worden voorkomen en wordt er voldoende invulling gegeven aan de “specifieke zorgplicht” zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet. Aangezien het plan tevens voorziet in nieuwe ontsluitingen over de kavelsloot en een plaatselijke verbreding, zullen er voor de projectrealisatie (graaf) werkzaamheden aan de oevers en sloten worden verricht. Ten aanzien van de algemeen voorkomende amfibieën dienen deze werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode (maart t/m augustus) en periode van winterrust (november t/m februari) plaats te vinden. Rekening houdend met de voortplantingsperiode van de verschillende amfibiesoorten, houdt dit in dat de werkzaamheden het beste kunnen plaatsvinden in de periode van half augustus t/m oktober.
Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden op basis van de aanwezige terreintypen en het ontbreken van geschikt leefgebied voor deze soorten, niet verwacht binnen de projectlocatie. Een nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor een flora en fauna-activiteit met betrekking tot overige beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk.
19
Bureau Aandacht Natuur
5.2 Gebiedsbescherming Hieronder is per onderdeel van de gebiedsbescherming de effectbepaling verder uitgewerkt. Natura 2000 gebieden Gezien de ligging van de projectlocatie in ’t Zand ten oosten van de N9 en het Noordhollandsch Kanaal, de relatief kleinschalige aard van de plannen op een minimale afstand van circa 2,8 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied Duinen Den Helder - Callantsoog, zijn er met uitzondering van een stikstofdepositie geen negatieve effecten te verwachten op Natura 2000 gebieden. Ten behoeve van de realisatie van het beschreven planvoornemen dient dan ook een stikstofdepositie-analyse te worden uitgevoerd voor zowel de bouw- als de gebruiksfase. Aan de hand van de stikstofberekening in Aerius zal moeten blijken of de voorgenomen plannen, inclusief de bouwfase, een effect hebben op de stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden en of er een vergunning noodzakelijk is voor een Natura2000 activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige onderdelen gebiedsbescherming De werkzaamheden vinden niet plaats in terreinen die zijn aangewezen als NNN, Bijzonder Provinciaal Landschap of een natuurverbinding. Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de overige aspecten van de gebiedsbescherming in het kader van de Omgevingswet is niet aan de orde.
5.3 Houtopstanden Met de voorgestane herinrichting aan de Korte bosweg 40 in ’t Zand zal uitsluitend de erfbeplanting worden verwijderd. Gezien de ligging binnen de bebouwde kom is een nadere toetsing, uitwerking of kapmelding ten aanzien van beschermde houtopstanden zoals bedoeld in de Omgevingswet is niet aan de orde.
20
Bureau Aandacht Natuur
Literatuurlijst • • • •
• • • • •
•
•
• • • • • • • • • • •
BIJ12, februari 2023, Kennisdocument huismus – Passer domesticus , versie 2.1, Utrecht BIJ12, juli 2023, Kennisdocument Gierzwaluw – Apus apus, versie 2.0, Utrecht Van Uchelen, E., 2021, Bunzing, hermelijn en wezel Kleine roofdieren, KNNV Uitgeverij, Zeist Broekhuizen, S., Hoekstra K., Thissen J.B.M., Canters K.J., Buys J.C. (redactie), 2016, Atlas van de Nederlandse zoogdieren Natuur van Nederland 12, Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden Kapteyn K., 1995, Vleermuizen in het landschap over hun ecologie, gedrag en verspreiding, Schuyt & Co Uitgevers en Importeurs bv, Haarlem / Provincie NoordHolland, Haarlem Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2021, 1 januari 2021. Bij12, versie 1.0, juli 2017, Kennisdocument rugstreeppad Bufo calamite, Utrecht Creemers R.C.M.
& van Delft J.J.C.W., 2009, De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse fauna 9, Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey Nederland, Leiden Bos F., Bosveld M., Groenendijk D., van Swaay C.,Wynhoff I., De Vlinderstichting, 2006, De Dagvlinders van Nederland (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea), Nederlandse fauna 7, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Nederlandse vereniging voor Libellenstudie, 2002, De Nederlandse libellen (Odonata), Nederlandse fauna 4, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 28 oktober 2016, Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 16 oktober 2016, nr.
WJZ / 16153443, houdende regels ter uitvoering van de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming (Regeling natuurbescherming, Staatscourant Nr.55791 Van Dam M.H.P., De Staatssecretaris van Economische Zaken, 19 januari 2016, Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming), Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Ministerie van Economische zaken, 3 december 2016, Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, StainessMedia.com Provinciale Staten van Noord-Holland, Besluit van Provinciale Staten van NoordHolland van tot vaststelling van de Verordening vrijstellingen soorten NoordHolland, Haarlem Dienst Regelingen (2009). Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijk ingrepen. www.ravon.nl www.floron.nl www.wilde-planten.nl www.telmee.nl www.noord-holland.nl www.rijksoverheid.nl www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ 21
Bureau Aandacht Natuur
Bijlage 1. Natuurbescherming onder de Omgevingswet
Bureau Aandacht Natuur
Inleiding Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en omvat alle regels met betrekking tot alle activiteiten in de fysieke leefomgeving. De (voormalige) Wet Natuurbescherming (2017- 2024) is hierbij een onderdeel geworden van de Omgevingswet. De Omgevingswet is opgezet om alle regels voor de fysieke leefomgeving te bundelen en op een gestructureerde manier te regelen. De wet bundelt 26 wetten die gaan over regels met betrekking tot onder andere bouwwerken, infrastructuur, water(systemen), bodem, lucht, cultureel erfgoed, werelderfgoed, landschap en natuur. Het doel van de wet is een vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling, met bescherming en verbetering van het leefmilieu. In de Omgevingswet staan de basisregels, waaronder doelen van de wet, een algemene zorgplicht, een algemene bevoegdheidsverdeling, een algemene vergunningsplicht voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, instructieregels, taken en verantwoordelijkheden van bevoegde gezagen en regels van zogeheten kerninstrumenten. De Omgevingswet (23 maart 2016) is gepubliceerd op 26 april 2016 in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Nr. 156, jaargang 2016 en voor het “aanvullingsspoor natuur” aangevuld op 8 juli 2020 (Aanvullingswet natuur Omgevingswet, publicatie 4 september 2020, Staatsblad 2020 / Nr.
310), 16 december 2020 (Aanvullingsbesluit natuur Omgevingswet, publicatie 21 januari 2021, Staatsblad 2021 / Nr. 22) en 9 juni 2021 (Aanvullingsregeling natuur Omgevingswet, publicatie 16 juni 2021, Staatscourant 2021 / Nr. 31421). In de wet is het behoud van de biologische diversiteit, een duurzaam gebruik van de bestanddelen daarvan en de instandhouding van de natuurlijke habitats (richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L206), het behoud van de vogelstand (richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009; PbEU 2010, L20) en diverse verdragen inzake de biologische diversiteit en de bescherming van bedreigde dier- en plantensoorten en hun natuurlijke leefomgeving geregeld. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora & fauna in de Omgevingswet; en gaan over: - het beschermen en ontwikkelen van natuur, en het behoud en herstel van de biologische diversiteit - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur voor maatschappelijke functies - het verzekeren van een samenhangend beleid voor het behoud en beheer van waardevolle landschappen Dit om hun bijdrage aan de biologische diversiteit, hun cultuurhistorische betekenis en voor maatschappelijke functies.
Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Omgevingswet bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000 gebieden, regels voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten Gebieden die zijn aangewezen als Speciale Beschermingszones conform de Europese Habitatrichtlijn en/of Vogelrichtlijn betreffende de zogeheten Natura 2000-gebieden. In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden vastgesteld. Per Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van habitattypen, habitatrichtlijnsoorten en/of vogelrichtlijnsoorten vastgesteld en opgenomen in het aanwijzingsbesluit. De oppervlakte en de kwaliteit van de habitattypen, dan wel de omvang en kwaliteit van de populatie van soorten en de maatregelen om de doelstellingen te realiseren, moeten worden uitgewerkt in een beheerplan, dat iedere 6 jaar geactualiseerd wordt. Een activiteit of project dat niet direct verband houdt met, of nodig is voor het beheer van een Natura 2000 gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000 gebied, betreffen een Natura 2000-activiteit (art. 1.1). Een Natura 2000-activiteit is vergunningsplichtig (art.
5.1, lid 1), tenzij er sprake is van een “vergunningsvrij geval” Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, (significant) nadelige gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, is verplicht deze handelingen
Bureau Aandacht Natuur
achterwege te laten of te beperken dan wel te verzachten (middels mitigerende maatregelen). Dit is vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) middels de specifieke zorgplicht. Specifieke Zorgplicht Er moet “op voorhand” worden nagegaan of nadelige gevolgen, op grond van objectieve gegevens, verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelllingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen zijn, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen (art. 11.6, 2e lid, d), of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen (art. 11.6, 2e lid, f). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de activiteiten van deze maatregelen worden gemonitord. Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden (om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Echter blijft de specifieke zorgplicht te allen tijde van toepassing; voor Natura 2000-activiteiten, maar ook voor activiteiten die conform een Natura 2000-beheerplan worden uitgevoerd of activiteiten die geen kans hebben op een significant gevolg. Cumulatie Door een combinatie van activiteiten kunnen namelijk ook negatieve effecten optreden, de zogeheten cumulatieve effecten.
Hierbij wordt als richtlijn gehanteerd dat alleen plannen en projecten, waarover een definitief besluit is genomen, bij deze beoordeling worden betrokken. Stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15). Onder de Omgevingswet wordt het “Programma stikstofreductie en natuurverbetering” voortgezet en is de mogelijkheid opgenomen voor vergunningverlening voor Natura 2000-activiteiten met een stikstofdepositie op basis van stikstofdepositieruimte volgens een register (huidig stikstofregistratiesysteem (SSRS)). Programma stikstofreductie en natuurverbetering Voor de bouwsector is het van belang dat door inwerkingtreding van de Omgevingswet ook het tweede deel van de Programma stikstofreductie en natuurverbetering het bijbehorende Besluit in werking treedt, dat onder meer toeziet op een emissiereductieplicht. Deze plicht is uitgewerkt in artikel 7.19a van het “Besluit bouwwerken leefomgeving” en houdt in dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden, adequate maatregelen worden getroffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken.
Volgens de toelichting van het hiervoor aangegeven besluit moeten initiatiefnemers informatie aanleveren over de maatregelen die bij een concreet project getroffen worden bij het indienen van een sloopmelding aan het bevoegd gezag. Indien er voor de bouwactiviteit een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, moet deze informatie bij de aanvraag gevoegd worden. Voor de invulling van de emissiereductieplicht en het treffen van adequate maatregelen is er een programma Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) opgesteld. Natuurnetwerk Nederland De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform art. 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en art. 7.6, 1e lid Besluit kwaliteit leefomgeving. De instructieregels voor de aanwijzing, begrenzing en de reikwijdte van het NNN zijn opgenomen in artikel 7.5 en artikel 7.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de Omgevingsverordening zijn (instructie)regels gesteld voor Omgevingsplannen van gemeenten en projectbesluiten. Deze regels zijn gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Wezenlijke kenmerken en waarden De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld in de Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 7.7 Besluit kwaliteit leefomgeving.
In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld waar in de regel de bestaande natuurwaarden en het
Bureau Aandacht Natuur
ambitieniveau zijn aangegeven middels natuurbeheertypen. De definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden worden per provincie bepaald. Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8, 2e lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies. Hierin is opgenomen dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan en dat de samenhang tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden. Binnen het natuurnetwerk zijn activiteiten mogelijk die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, mits deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Een deel van de nieuwe Omgevingsverordeningen van provincies zijn (vooralsnog) beleidsneutraal en dienen te worden getoetst aan de hand van de ADC-criteria, en kan per provincie verschillen. Bijzondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 2.44, lid 2 Omgevingswet zogeheten bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen.