01 GoFlo 29 april 2025
Tekst van het document
Conclusie: Het onderdeel flora en fauna staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.6
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit wordt vooral gemonitord in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). In een aandachtsgebied moeten de omgevingswaarden in acht worden genomen wanneer er sprake is van een verhoging van concentraties binnen het aandachtsgebied. Wanneer er activiteiten worden toegestaan die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In dit artikel zijn ook de aandachtsgebieden opgenomen. Het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van het aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over grote afstand effect hebben. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (P10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. De planlocatie is niet gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, zodat de omgevingswaarden niet in acht hoeven te worden genomen.
Op de planlocatie vindt een sanering plaats van een bestaand bedrijf en worden 21 nieuwe woningen gebouwd. Per etmaal worden er circa 76 extra verkeersbewegingen van en naar de planlocatie uitgevoerd. Uit de NIBM-tool (bijlage 6) blijkt dat de ontwikkeling van het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de stikstof- of fijnstofconcentraties.
26
Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.7
Geluid
De regels in de Omgevingswet voor geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de Bruidsschat, onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan, is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 is bepaald waar de waarden gelden op een geluidgevoelig gebouw. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. In artikel 3.18, lid Bkl is het toepassingsbereik aangegeven voor het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In het Bkl is opgenomen dat als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de ‘standaardwaarde’, zoals opgenomen in tabel 5.78t van het Bkl, het geluid in ieder geval aanvaardbaar is en de kans op gezondheidsschade klein. Als niet aan deze standaardvoorwaarde kan worden voldaan, is het mogelijk om hier onder voorwaarden van af te wijken tot de ‘grenswaarde’ zoals opgenomen in tabel 5.78u van het Bkl.
Over het algemeen zijn burgemeester en wethouders binnen de grenzen van de gemeente bevoegd om hiervan af te wijken middels een bestuurlijke afweging.
Voor de ontwikkeling van de nieuwe vrijstaande woningen langs de Korte Bosweg is aansluiting gezocht bij het uitgevoerde akoestisch onderzoek voor het woningbouwplan ’t Zand Noord (bijlage 7). De reden is dat deze drie nieuwe woningen op nagenoeg dezelfde afstand en locatie worden gebouwd tot aan de Korte Bosweg en Koning Willem II-weg als de woningen binnen ’t Zand Noord. Het betreft een onderzoek uit 2018 en uit dit rapport blijkt dat de huidige standaardwaarde uit het Bkl niet wordt overschreden door het wegverkeer op de Koning Willem II-weg of de Korte Bosweg (60 km/u). Wel wordt de standaardwaarde van 53 Lden met 2 dB overschreden (55 Lden) op enkele voor- en zijgevels van woningen langs de Korte Bosweg als gevolg van het wegverkeer op de Korte Bosweg (30 km/u), maar nergens de uiterste grenswaarde van 70 Lden. Geconcludeerd kan worden dat bij alle woningen langs de Korte Bosweg voldaan wordt aan een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Omdat de wettelijke grenswaarde niet wordt overschreden hoeft geen hogere waarden procedure te worden gevoerd en is geen maatregelenonderzoek nodig. Op basis van het gemeentelijk geluidbeleid is ook maatregelenonderzoek vanwege het verkeer op de 30 km/u weg niet noodzakelijk om de geluidbelasting te reduceren, aangezien bij alle drie woningen sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.
Voor de woningen die worden gebouwd langs de insteekweg en aan de zijde van de Lepelaarstraat blijkt uit de Atlas Leefomgeving dat de geluidbelasting van het wegverkeer 27
overdag niet meer bedraagt dan 50 dB. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardwaarde van 53 Lden voor het wegverkeerslawaai vanaf de Lepelaarstraat.
Atlas Leefomgeving geluid wegverkeer overdag en ‘s nachts
Conclusie: Het onderdeel geluid staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg. 28
5.8
Geur
Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder mee bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca,
rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten. Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van geurhinder door milieubelastende activiteiten. De bedrijfsfunctie wordt gewijzigd in een woonfunctie en daarmee is mogelijke geurhinder niet meer aan de orde. Conclusie: Het onderdeel geur staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.9
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Het uitgangspunt van omgevingsveiligheid is dat voor risico’s van branden, rampen en crises rekening moet worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen en hulpverlening. Voor gebouwen en locaties zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.9.1
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 2 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden tot te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 5.9.2
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekeningkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s.
29
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in het voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 (Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel en niet meer verplicht om te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen (paragraaf 5.1.2.3 Bkl); • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk (paragraaf 5.1.2.4 Bkl); • veiligheid rond bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Op de planlocatie worden woningen gerealiseerd en dit zijn kwetsbare gebouwen. Bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten van het plan op de planlocatie gaat het om de volgende risicobronnen: a. bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen bedrijven gelegen, waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, waarvan de risicocontouren zich uitstrekken over het plangebied; b. vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen wegen aanwezig waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; c. transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. De planlocatie bevindt zich niet in de nabijheid van een buisleiding waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Conclusie: Het onderdeel omgevingskwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.10 Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.35 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continu trillingen en voor
30
herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van continu trillingen of herhaald voorkomende trillingen. Conclusie: Het onderdeel trilling staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.11 Activiteiten en milieuzonering Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van milieunormen in de omgevingsvergunning. De functiewijziging van agrarisch naar wonen op de planlocatie kan alleen worden gerealiseerd indien er wordt voldaan aan de milieunormen en er geen negatief effect optreedt op de fysieke leefomgeving. De publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, teneinde voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. In de nabijheid van de planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig. De gehele omgeving is getransformeerd naar een woonomgeving. Voor de omliggende particuliere woningen geldt dat er geen sprake is van een belemmering van de toekomstmogelijkheden. Het realiseren van een woonfunctie op de planlocatie stemt overeen met de functie van de bestaande woningen in de omgeving. Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de milieuzonering van de naastgelegen woningen.
5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op een archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische kaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en cultuurhistorische zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Op de planlocatie is sprake van een beschermingsregime voor archeologische waarden (Waarde – Archeologie 3). Archeologie West-Friesland heeft voor de gehele gemeente Schagen een beleidskaart archeologie vervaardigd en een cultuurhistorische elementenkaart opgesteld. Deze kaarten zijn in december 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. Cultuurhistorie Vanuit cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen bezwaren tegen de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand bebouwd perceel en er worden geen wijzigingen aangebracht aan de verkaveling of een slotenpatroon. De planlocatie bevindt zich in een dorpskern en door de bouw van nieuwe woningen en appartementen wordt de ruimtelijke kwaliteit op het perceel versterkt. 31
Archeologie Een kaartanalyse heeft uitgewezen dat ter plaatse van het plangebied een lage archeologische verwachting is. Bij archeologische ingrepen is de vrijstellingsgrens binnen het gebied 500 m². De sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van nieuwe woningen en appartementen vindt plaats op één locatie die in de huidige situatie voor een gedeelte bebouwd is. Bij de planontwikkeling is de te bebouwen oppervlakte groter dan de vrijstellingsgrens. Dit betekent dat Archeologie West-Friesland een verkennen archeologisch onderzoek moet uitvoeren. Landschap De sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van nieuwe woningen en appartementen zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitswinst op de planlocatie. Rond de nieuwe woningen worden groene tuinen aangelegd en ook in de openbare ruimte is er sprake van een groene inpassing door de aanplant van bomen en hagen. Groene daken op de bergingen bij de woningen vormen hierop een mooie aanvulling. De bestaande waterloop aan de oost- en zuidzijde van het plan blijft gehandhaafd en wordt gedeeltelijk verbreed, waardoor er een robuustere waterloop wordt gerealiseerd. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor de ontwikkeling van de woningen is een verkennend- en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (bijlage 8). Uit deze onderzoeken blijkt dat: Verkennend bodemonderzoek Grond • In de zandige bovengrond onder de betonverharding en bebouwing is een lichte verhoging met lood aangetoond. • In de zandige bovengrond ter plaatse van het onverharde terreindeel zijn lichte verhogingen met lood, hexachloorbenzeen en drins aangetoond. • In de kleiige ondergrond zijn lichte verhogingen met kobalt en nikkel aangetoond. Grondwater 32
•
In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetoond.
Verkennend asbestonderzoek Uit het verkennend asbestonderzoek blijkt dat ter plaatse van de asbestgaten G04 t/m G07 langs de betonverharding een sterke verhoging met asbest is aangetoond. Ter plaatse van de overige asbestgaten is geen verhoging met asbest aangetoond. Nader asbestonderzoek Met het nader onderzoek is de verontreiniging volledig afgeperkt en wordt geconcludeerd dat alleen ter plaatse van gat G05 tot een diepte van 0,5 m-mv een sterke en derhalve ernstige bodemverontreiniging met asbest is aangetoond. De ernstige verontreiniging met asbest heeft een omvang van circa 4 m3. Hergebruik en CROW400 Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de grond indicatief aan bodemkwaliteitsklassen Altijd toepasbaar tot Wonen. Conform de CROW400 zijn alleen ter plaatse van de ernstige bodemverontreiniging met asbest (Zwart Niet-Vluchtig) veiligheidsmaatregelen van toepassing tijdens de bodemsanering. Ter plaatse van het overige terrein zijn formeel gezien geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing voor graafwerkzaamheden in de bodem. Eindconclusie Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese verdacht te worden geaccepteerd. Er is sprake van een geval van ernstige en urgente bodemverontreiniging met asbest. Voor de bodemsanering ter plaatse van de spot met asbest zal een BRL 7000 aannemer worden gecontacteerd.
De beoordelingsrichtlijn BRL 7000 waarborgt de kwaliteit van de sanering tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. In samenwerking met deze aannemer zal voorafgaand aan de saneringswerkzaamheden een melding worden gedaan bij het bevoegd gezag. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.
5.14 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor de ontwikkeling van het plan is een wateradvies gevraagd aan Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bijlage 9). Verharding De planlocatie heeft een oppervlakte van in totaal 3.618 m².
33
Op de planlocatie wordt een oppervlakte bedrijfsbebouwing (inclusief bedrijfswoning) van circa 530 m² gesloopt. Daarnaast wordt een oppervlakte van circa 1.085 m² bebouwd. Dit betekent dat een oppervlakte van 520 m² aan verharding op het perceel wordt toegevoegd bij de woningbouwontwikkeling. Vanuit het beleid van HHNK wordt gesteld dat 100% van de verhardingstoename voor de bebouwing moet worden gecompenseerd. De voorkeursvolgorde is daarbij infiltratie, compenserende waterberging graven of een alternatieve waterberging aanleggen. Daarnaast telt 50% van de rest van de planlocatie mee als potentieel toekomstig verhard oppervlak. Dit betekent dat een oppervlakte van 2.533 m² (3.618 m² - 1.085 m²) x 50% = 1.267 m² meetelt voor toekomstige verharding (bijgebouwen en bestrating). In totaal moet over een oppervlakte van 520 m² + 1.284 m² = 1.804 m² compensatie worden berekend. Voor een alternatieve vorm van compensatie, zoals waterbergende bestrating, groene daken of een wadi geldt een opgave van 70 mm. Dit betekent dat er binnen het plan 1.804 m² x 0,07 = 126,3 m³ waterberging moet worden gerealiseerd binnen het woningbouwplan. Voor de ontwikkeling van de waterberging is een berekening gemaakt (bijlage 10). Daarnaast worden twee dammen met duikers aangelegd in verband met de ontsluiting van de twee-onder-een-kapwoningen.
De dammen hebben een breedte van 4,5 meter en de waterloop heeft een breedte van 1,9 meter op de waterlijn. Dit betekent dat er bij de aanleg van de dammen een oppervlakte van circa 17 m² wordt gedempt. Bij de aanleg van dammen waarbij minder dan 35 m² water wordt gedempt is het conform de Waterschapsverordening niet verplicht om compenserende waterberging te graven. De gemeente Schagen heeft de ‘Beleidsregels en nadere regels betreffende de Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater’ vastgesteld. Deze beleidsregels zijn van toepassing op nieuwe bouwwerken of een uitbreiding van bestaande bouwwerken met een oppervlakte van minstens 50 m², waarbij de waterberging een capaciteit moet hebben van 60 liter per m² te realiseren bebouwing. Op basis van het beleid van de gemeente moet een waterbergingscapaciteit van 60 liter/m² bebouwing worden gerealiseerd. Dit houdt in dat op het perceel 1.085 m² x 60 liter = 65,6 m³ water moet worden geborgen. Tussen HHNK en de gemeente is afgesproken dat de compensatie die vanuit de hemelwaterverordening van de gemeente wordt voorgeschreven ook toepasbaar is voor de opgave vanuit HHNK. Er is dus geen sprake van dubbeltelling. Op basis van de afspraak tussen HHNK en de gemeente betekent wordt in totaal 126,3 m³ op de planlocatie gerealiseerd om te voldoen aan de gestelde voorwaarden.
Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te worden aangeboden. Voor de aansluiting van de woningen op de riolering wordt contact gezocht met de rioolbeheerder, in dit geval de gemeente Schagen. Overdrachtspunten moeten voorzien zijn van een erfscheidingsput. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad. 34
6.
Uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.
35
7.
Belangenafweging en conclusie
7.1
Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Met andere woorden is er – na een zorgvuldige belangenafweging – met het toestaan van de activiteit nog steeds sprake van een evenwichtige toedeling? Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de ontwikkeling van het plan op beide planlocaties, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen.
7.2
Participatie
De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie. Daarmee kunnen overheden namelijk op tijd belangen, meningen en creativiteit op tafel krijgen. De wet zegt over participatie: het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Met belanghebbenden bedoelt de wet burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. In de Omgevingsregeling is een aanvraagvereiste participatie opgenomen. De initiatiefnemer moet aangeven of en zo ja, hoe hij aan participatie heeft gedaan. En wat de resultaten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Voor de ontwikkeling van het plan heeft de initiatiefnemer een inloopavond georganiseerd voor omwonenden van de planlocatie. In het participatieverslag is een overzicht gegeven van de inspraakreacties van omwonenden, antwoorden hierop van de initiatiefnemer en de wijzigingen die in het plan zijn aangebracht naar aanleiding van de inloopavond (bijlage 11).
7.3
Vaststellingsprocedure
De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldend omgevingsplan. Op de onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. Op de verleende omgevingsvergunning kan bezwaar ingediend worden bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan. In een beroepsprocedure geeft de rechter een oordeel over een besluit van het bevoegd gezag. In beginsel zal de rechtbank zich hierover buigen. Daarna kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
36
7.4
Conclusie
Op de planlocatie vindt een toekomstgerichte ontwikkeling plaats. Door het verwijderen van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van woningen en appartementen is er sprake van een ruimtelijke kwaliteitswinst. Bovendien wordt een bedrijfslocatie uit een bestaande dorpskern verwijderd. Door het toevoegen van 21 woningen aan de bestaande woningvoorraad wordt tegemoetgekomen aan een grote de behoefte op de woningmarkt. Met de Woondeal 2.0 worden de krachten van verschillende overheidslagen gebundeld met als doel de realisatie van betaalbare woningen in de regio. Voor nieuwe woningen geldt een norm van minimaal 30% sociale huurwoningen, 30% betaalbare koopwoningen en maximaal 40% vrije sectorwoningen. Binnen het woningbouwplan worden 6 sociale huurwoningen, 10 betaalbare woningen en slechts 5 vrijesectorwoningen gerealiseerd en dit sluit aan bij de voorwaarden in de Woondeal. De sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing en de bouw van nieuwe woningen en appartementen zorgt voor een ruimtelijke kwaliteitswinst op de planlocatie. Rond de nieuwe woningen worden groene tuinen aangelegd en ook in de openbare ruimte is er sprake van een groene inpassing door de aanplant van bomen en hagen. Groene daken op de bergingen bij de woningen vormen hierop een mooie aanvulling. De nieuwe woningen worden gerealiseerd in de dorpskern van ’t Zand, dicht bij vele voorzieningen.
Een toename van het aantal inwoners zorgt er tevens voor dat de aanwezige voorzieningen binnen de dorpskern in de toekomst in stand kunnen worden gehouden. Voor de ontwikkeling van het plan zijn de aspecten voor de fysieke leefomgeving en het milieu beschouwd en hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
37