NL.IMRO.0840.2584K0033-DEF1 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 6 Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Archeologische resten uit de Nieuwe tijd kunnen ook direct beneden het maaiveld worden verwacht. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als landbouwgrond (akkerland en grasland). Door ploegen en rooiwerkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan. Daarnaast is in het plangebied bebouwing aanwezig geweest bestaande uit minimaal twee gebouwen (een woning en een loods). Op de locatie van de woning is de bodem in ieder geval tot 80 cm onder de bouwvoor verstoord. Mogelijk geldt dit ook voor de loods. Er is een KLIC-melding gedaan om vast te stellen in welke mate eventuele kabels en leidingen het terrein hebben verstoord.
Binnen het plangebied bevinden zich dataleidingen, laagspanning en middenspanningkabels, een gasleiding en een waterleiding ten behoeve van de voormalige woning. De kabels en leidingen bevinden zich ten oosten en ten zuiden van de woning en beslaan een beperkt oppervlak. In 2012 is het terrein bouwrijp gemaakt voor de bouw van woningen voor beschermd zelfstandig wo26 nen. Er zijn bomen gerooid en er is riolering aangelegd. De riolering ligt tussen de 80 en 100 cm 2 onder maaiveld en beslaat ca. 1.200 m van het plangebied. Tevens is er een voormalige vijver (ca. 2 48 m ) gedempt en zijn de loods en de kippenren verwijderd. Deze werkzaamheden kunnen eventuele archeologische resten hebben verstoord.
26
Communicatie met de opdrachtgever. Hij heeft tekeningen van Hoefnagels Civiel Techniek BV (besteknummer 07-2012-02) ter beschikking gesteld, waarop de gebruikte gegevens staan vermeld.
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 15 van 21
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Op basis van de landschappelijke ontwikkeling en de archeologische waarden uit de omgeving is er een hoge archeologische verwachting voor het Paleolithicum t/m de Midden-Bronstijd, een lage verwachting voor de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatieen/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Als gevolg is het verkennend booronderzoek primair gericht op het vaststellen van de intactheid van het bodemprofiel en gekoppeld het vaststellen van in welke mate mogelijk aanwezige vindplaatsen in situ aanwezig zijn. 3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.
3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (versie 4.0, 07-06-2016) en KNA, versie 4.0, specificatie VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek is op 27 juli 2018 door drs. M. Stiekema (senior prospector) een Plan van aanpak (PvA) opgesteld. Het gehele plangebied was vrij toegankelijk. De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. Bij het zetten van de boringen is rekening gehouden met de aanwezige verhardingen en gebouwen. In totaal zijn er met behulp van een guts (diameter 3 cm) en, waar de guts de grond niet in kwam, met een edelmanboor (diameter 7 cm) 10 boringen tot maximaal 1,50 m -mv gezet (zie Figuur 16). De boringen zijn lithologisch conform de 27 Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven. De boringen zijn met meetlinten ingemeten (x- en y-waarden). Van alle boringen is de maaiveldhoogte afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).
27
Bosch, 2005.
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 16 van 21
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. 3.3
Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kan de bodemopbouw als volgt worden beschreven. De top van het bodemprofiel bestaat uit een Ap-horizont van matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. De dikte van deze horizont varieert tussen de 35 en 70 cm. Deze variatie is mogelijk het gevolg van de natuurlijke welvingen in het dekzand, aangezien in boring 6 onder de Ap-horizont, op 60 cm onder maaiveld, een B-horizont is aangetroffen, terwijl deze in boring 1 al op 40 cm onder maaiveld is aangetroffen. In zes boringen is verspreid over het plangebied een (restant van een) BC-horizont aangetroffen (zie Figuur 18). Deze had een dikte van ca. 5 tot 25 cm. In twee boringen is ook een B-horizont aangetroffen, met een dikte van 10 en 20 cm. In drie boringen (boringen 8, 9 en 10) is een A/C-profiel waargenomen. Deze boringen bevinden zich in het zuidwesten van het plangebied. In één van deze boringen kon een onderscheid worden gemaakt in de A-horizont. De onderste 20 cm was donkerder en humeuzer dan de top. Deze laag is geïnterpreteerd als een Ah-horizont, mogelijk een oude bouwvoor. Eén boring was verstoord. Deze boring, boring 3, is nabij een leiding gezet en op ca. 1 m diepte is nog plastic aangetroffen.
De aanleg van de leiding is mogelijk de oorzaak van de verstoring tot 1,20 m onder maaiveld. De C-horizont bestaat uit matig fijn, zwak siltig zand. In boring 2 is een 10 cm dikke leemlaag waargenomen in het zand. De hoofdlijnen van de opbouw van de bodem kunnen als volgt worden weergegeven: Tabel V.
Hoofdlijn bodemopbouw Diepte
Samenstelling
Interpretatie
0-30
Matig fijn, zwak siltig, zwak humeus grijs zand
Ap-horizont
30-50
Matig fijn, zwak siltig donker bruin zand
B-horizont
50-60
Matig fijn, zwak siltig bruin tot lichtbruin zand
BC-horizont
60-100
Matig fijn, zwak siltig geel zand
C-horizont
Tot circa 50 cm -mv komt er een plaggendek voor. Deze bestaat uit matig fijn, zwak siltig, zwak humeus zand. Tussen 35 en 70 cm -mv gaat het profiel over in dekzandafzettingen. In deze dekzandafzettingen, bestaande uit matig fijn, zwak siltig zand, komt bodemvorming voor in de vorm van een podzol-B-horizont. Het aangetroffen bodemprofiel komt overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2.5).
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 17 van 21
Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Het aangetroffen bodemprofiel komt overeen met de verwachting zoals die is opgesteld in het bureauonderzoek. Uit de boringen blijkt dat het bouwrijp maken van het plangebied slechts beperkte gevolgen heeft gehad. Enkel de locatie van de aangelegde riolering kan als verstoord worden beschouwd. Archeologische waarden worden verwacht in de B-, BC- en top van de C-horizont. Deze ligt tussen de 35 en 60 cm onder maaiveld in het geval van een B(C)-horizont en tussen de 60 en 70 cm bij de A/Cprofielen. Uit het bureau- en booronderzoek blijkt dat een deel van het plangebied is verstoord (zie Figuur 17). Aangezien de bodem bij de bouw van de woning minimaal 80 cm is afgegraven, worden hier geen archeologische waarden meer verwacht. In de zuidoosthoek ligt een voormalige vijver, evenals ten westen van het huis, ook op deze locatie worden geen archeologische waarden meer verwacht. De aanwezige kabels en leidingen zullen het plangebied slechts zeer lokaal hebben verstoord, maar deze verstoringen gaan wel vrij diep zoals te zien in boring 3. Ook de locatie van de riolering wordt vrij2 gegeven. In totaal bedraagt het vrijgegeven gebied ca. 1.880 m .
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De aangetroffen bodemopbouw betreft een Ap-horizont op een B(C)-horizont. In het zuidwesten is in drie boringen een A/C-profiel waargenomen. Eén boring betrof een verstoord bodemprofiel. In het merendeel van het plangebied is sprake van een relatief intacte bodem. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Daar waar het bodemprofiel is verstoord, namelijk de locatie van de woning, voormalige vijvers en de nieuw aangelegde riolering, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Er wordt geadviseerd om op deze locaties geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden be-
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 18 van 21
waard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Werkzaamheden tot 50 cm onder maaiveld kunnen worden uitgevoerd, zonder dat eventuele archeologische resten aangetast worden. Mocht het niet mogelijk zijn om de archeologische waarden in situ te behouden, dan adviseert Econsultancy om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Rucphen). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 19 van 21
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Groot, N.C.F., en A.W.E. Wilbers, 2011: Een verleden te midden van verdwenen venen. Archeologische Waarden- en Verwachtingskaart en Advies archeologische beleidskaart van de gemeente Rucphen. Noordwijk (IDDS Archeologie B.V. Rapport 1132). Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Leenders, K.A.H.W., 2013: Verdwenen Venen. Een onderzoek naar de ligging en exploitatie van thans verdwenen venen in het gebied tussen Antwerpen, Turnhout, Geertruidenberg en Willemstad. 1250 - 1750. Een actualisering. Woudrichem. Locher W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft.
Ras, J., 2011: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen Bestemmingsplan Kaaistraat, Sint Willebrord, gemeente Rucphen. Heinenoord (SOB Research project nr. 1651-0909). Stichting voor Bodemkartering (Stiboka), 1964: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 50 West Tilburg. Wageningen. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen, M. Verbruggen, 2006: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. Gouda (SIKB uitgave). Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 20 van 21
BRONNEN AHN; internetsite, juli 2018. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juli 2018. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, juli 2018. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureel erfgoed (RCE); internetsite, juli 2018 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, juli 2018. http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Dinoloket; internetsite, juli 2018. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juli 2018. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juli 2018. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, juli 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juli 2018. http://www.sikb.nl Turfdatabank; internetsite, juli 2018. http://geoloket.provincieantwerpen.be/HTML5_251_NL/?viewer=extern&LayerTheme=12&extent=371 183.1034793,6619826.820527,643298.9241744,6793491.748791,102100 VEO Bommenkaart; internetsite, juli 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 5377.002 versie 1
Pagina 21 van 21
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de verwachtingskaart gemeente Rucphen Legenda Plangebied Gebied met een hoge archeologische verwachting Gebied met een hoge archeologische verwachting (veen) Gebied met een middelhoge archeologische verwachting Gebied met een middelhoge archeologische verwachting (veen) Gebied zonder archeologische verwachting
28
Groot en Wilbers, 2011.
Rapport 5377.002 versie 1
28
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
29
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
29
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 6. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
30
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
30
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 8. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
31
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
31
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart Legenda Plangebied
32
Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant; internetsite, juli 2018.
Rapport 5377.002 versie 1
32
Figuur 10. Situering van het plangebied binnen Kadastrale minuut kaart uit 1811-1832
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de Kadastrale minuut uit 1811-1832 Legenda Plangebied
33
Beeldbank Cultureel erfgoed (RCE); juli 2018.
Rapport 5377.002 versie 1
33
Figuur 11. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1870
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1870 Legenda Plangebied
34
Kadaster Topotijdreis
Rapport 5377.002 versie 1
34
Figuur 12. Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1911
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1911 Legenda Plangebied
35
Kadaster Topotijdreis
Rapport 5377.002 versie 1
35
Figuur 13. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1948
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart uit 1948 Legenda Plangebied
36
Kadaster Topotijdreis
Rapport 5377.002 versie 1
36
Figuur 14. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart uit 1995 Legenda Plangebied
37
Kadaster Topotijdreis
Rapport 5377.002 versie 1
37
Figuur 15. Verspreiding van veen (Late-Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen)
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Situering van het plangebied binnen de topografische kaart Legenda Plangebied
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 16. Boorpuntenkaart
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Boorpuntenkaart Legenda Plangebied Boorpunt met nummer
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 17. Verstoord deel plangebied
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Verstoord en/of niet toegankelijk deel plangebied Legenda Plangebied
Rapport 5377.002 versie 1
Figuur 18. Resultaten van het booronderzoek
Kaaistraat 1 te St. Willebrord. Verstoord en/of niet toegankelijk deel plangebied Legenda Plangebied Boringen
Rapport 5377.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 5377.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 5377.002 versie 1
Bijlage 2
Onderzoeksmeldingen
Zaaknummer (OMnummer) 2257221100 (36888)
Situering t.o.v. plangebied in het plangebied
4545204100
Circa 250 meter ten oosten
2358845100 (50676)
Circa 450 meter ten oosten
4027469100
Circa 450 meter ten oosten
2470032100 (64969)
Circa 500 meter ten oosten
2470040100 (64970)
Circa 500 meter ten oosten
2471394100 (65142)
Circa 600 meter ten oosten
Rapport 5377.002 versie 1
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Kaaistraat 1 Sint Willebrord Uitvoerder: SOB Research Datum: 7-9-2009 Resultaat: tijdens het Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. grondboringen, verkennende fase (IVO-Overig), zijn in totaal 13 boringen uitgevoerd. In de boringen is een bodemopbouw van esdek op dekzand aangetroffen. De dikte van het esdek varieerde tussen de 35 en 70 cm. In een aantal boringen is een ontwikkeld podzolprofiel aangetroffen in de top van het dekzand, waarbij de B-horizont op de C-horizont nog zichtbaar aanwezig was. Op basis van de resultaten is vervolgonderzoek d.m.v. proefsleuven aanbevolen. Type onderzoek: opgraving Toponiem: Vosdonkseweg, Sprundel en Sint Willebrord, Rucphen Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 30-5-2017 Resultaat: Op twee locaties zijn sporen uit de Bronstijd (greppel/sloot en drie paalkuilen) en Nieuwe tijd (35 kuilen, 9 greppels/sloten, 15 paalgaten) aangetroffen. De resultaten waren echter te beperkt om uitspraken te doen over het complextype. Mogelijk hangen een aantal greppels uit de Nieuwe tijd samen met perceelindelingen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Nijverhei N638 Rucphen Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 20-2-2012 Resultaat: Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat het plangebied een hoge archeologische verwachting heeft en vrijwel onverstoord is.
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Dit vervolgonderzoek kan het beste bestaan uit een proefsleuvenonderzoek. Alleen in de directe omgeving van de verstoorde boringen 21, 25, 27, 46 en 47 is geen vervolgonderzoek noodzakelijk. Alle vondsten zijn aangetroffen aan het maaiveld en betreffen waarschijnlijk mestvondsten die niet indicatief zijn voor vindplaatsen in het plangebied. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Rucphen Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 9-1-2017 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Kerkeheidestraat 50 Sprundel Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 28-1-2015 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek is er geconcludeerd dat er een lage verwachting is voor het aantreffen van archeologische waarden uit het (Laat-)Paleolithicum, Mesolithicum, IJzertijd en Romeinse tijd. Een middelhoge verwachting is toegekend op het aantreffen van archeologische waarden uit het Neolithicum, Bronstijd, Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Kerkeheidestraat 50 Sprundel Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 4-2-2015 Resultaat: De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd.
Op basis van het behoud van een middelhoge trefkans voor het grootste deel van het plangebied blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Daar waar het bodemprofiel is verstoord, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Koekoekstraat Naast Nummer 74 Sprundel Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 11-2-2015 Resultaat: ADC ArcheoProjecten heeft in februari 2015 een bureauonderzoek en Inventariserend Veld-
4574802100
Circa 600 meter ten oosten
2268538100 (38466)
Circa 700 meter ten noordoosten
3292823100
Circa 700 meter ten noorden
3292831100
Circa 700 meter ten noorden
3977103100
Circa 700 meter ten zuidwesten
4039198100
Circa 700 meter ten oosten
4025646100
Circa 750 meter ten zuidoosten
Rapport 5377.002 versie 1
onderzoek uitgevoerd op de locatie Koekoekstraat ongenummerd naast nummer 74 in Sprundel (gemeente Rucphen). Aanleiding is het opstellen van een bestemmingsplan ten behoeve van de bouw van een woning. Uit het bureauonderzoek kwam naar voren dat het plangebied is gelegen opeen dekzandplateau aan de rand van een voormalig veenontginningsgebied. Tijdens het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat in de top van het dekzand een nog deels intact podzolprofiel aanwezig is, en dat het dekzand wordt afgedekt door esdek van 55 à 75 cm dik. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaat er een hoge verwachting op vindplaatsen uit het Mesolithicum tot de Midden-Bronstijd. ADC ArcheoProjecten heeft daarom een archeologisch proefsleuvenonderzoek als vervolgonderzoek geadviseerd. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Sprundel Uitvoerder: Transect Datum: 20-11-2017 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Sint Margrietstraat 4 te Rucphen Uitvoerder: IDDS Archeologie B.V. Datum: 9-11-2009 Resultaat: Tijdens het onderzoek is geconstateerd dat de bodem van het veelal tot aan of zelfs in de Chorizont verstoord is door recente graafwerkzaamheden. Op basis van de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren.
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Hazelaarstraat 18 te Sint Willebrord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 9-7-2015 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat het plangebied in het dekzandlandschap ligt, en veengebied was sinds de Late-Bronstijd tot aan de ontginningen in de LateMiddeleeuwen. Als gevolg bestaat er een lage verwachting voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum, middelhoog voor resten uit het Neolithicum en de Bronstijd, een lage verwachting weer voor archeologische resten uit de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Hazelaarstraat 18 te Sint Willebrord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 9-7-2015 Resultaat: Aansluitend op het bureauonderzoek is een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Als gevolg is geadviseerd om het plangebied vrij te geven.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Rucphen Uitvoerder: Transect Datum: 28-10-2015 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Sprundel Uitvoerder: Transect Datum: 13-3-2017 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: booronderzoek (verkennende fase) Toponiem: Plangebied Koekoestraat (ong.) te Sprundel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 15-12-2016 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek is geconcludeerd dat er een middelhoge verwachting is voor waarden uit het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd. Uitgaande van het historisch geregistreerde grondgebruik is de verwachting laag op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Middeleeuwen-Nieuwe tijd. Indien de bodem niet diep verstoord is, zal een podzolbodem aangetroffen kunnen worden. In dat geval is de verwachting hoog op het voorkomen van resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Vroeg-Neolithicum (vuursteenvind-
4547051100
Circa 750 meter ten westen
4547902100
Circa 750 meter ten zuidoosten
2200731100 (29036)
Circa 800 meter ten zuidwesten
2429128100 (59746)
Circa 800 meter ten noordoosten
2429169100 (59752)
Circa 800 meter ten noordoosten
4583420100
Circa 800 meter ten noordoosten
2298070100 (42523)
Circa 850 meter ten noordoosten
Rapport 5377.002 versie 1
plaatsen). Op basis van het verkennend booronderzoek is geconcludeerd dat de bodemopbouw deels intact is. Als gevolg is geadviseerd om een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven te laten uitvoeren. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Rucphen Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 6-6-2017 Resultaat: De twee onderzochte deellocaties bestaan uit relatief hooggelegen terraswelvingen met dekzand, en een overgang van de terraswelvingen naar een beekdal, dat in de Bronstijd overveend is geraakt. Op basis van het bureauonderzoek is een hoge verwachting voor LaatPaleolithicum – Mesolithicum vastgesteld, een lage verwachting voor de perioden Neolithicum – IJzertijd, Vroege-Middeleeuwen, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de Romeinse tijd is zowel laag als middelhoog voor de verschillende deellocaties. Bij het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat de top van he t dekzand grotendeels is verstoord. Als gevolg is geadviseerd het plangebied vrij te geven en geen “dubbel bestemming” archeologie te handhaven. Type onderzoek: booronderzoek (karterende fase) Toponiem: Koekoekstraat (ong.) te Sprundel Uitvoerder: BAAC BV Datum: 26-6-2017 Resultaat: Dit karterende booronderzoek is het vervolg op het verkennend booronderzoek (Archis3 onderzoeksmeldingsnummer 4025646100).
Op basis van dit onderzoek is vastgesteld dat geen vindplaats aanwezig is in het plangebied. Er is geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Rucphen Uitvoerder: Arcadis Datum: 30-5-2008 Resultaat: In het kader van de MER omlegging N638 wordt in opdracht van de gemeente Rucphen en de provincie Noord-Brabant een archeologisch bureauonderzoek en effectbeschrijving uitgevoerd. In het bureauonderzoek is vastgesteld dat in het onderzoeksgebied sprake is van een pleistoceen landschap dat bestaat uit dekzandvlaktes, terrasafzettingen, dekzandruggen en beekdalen. Er is een hoge verwachting geformuleerd voor de Steentijd tot en met de LateMiddeleeuwen voor de hoger gelegen delen van het landschap, in het bijzonder dekzandruggen. In de lagere nattere delen van het landschap heeft veengroei plaats gevonden van de Midden-Bronstijd tot en met de Late-Middeleeuwen, toen deze veengebieden grootschalig werden ontgonnen. Voor de laatstgenoemde perioden geldt dus een lage verwachting in de lagere, natte delen van het landschap.
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Emmausplein Sint Willebrord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 6-1-2014 Resultaat: De archeologische verwachting is voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum laag, hoog voor het Neolithicum tot en met de Romeinse tijd en laag voor de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Emmausplein Sint Willebrord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 8-1-2014 Resultaat: Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht in een deel van het plangebied. In het onverstoorde deel van het plangebied, de zuidwesthoek en de noordoosthoek, kunnen nog eventuele archeologische waarden verwacht worden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het verstoorde deel van het plangebied, het centrale deel, vrij te geven. Voor het onverstoorde deel van het plangebied, de zuidwesthoek en de noordoosthoek, adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P).
Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Sint Willebrord Uitvoerder: Transect Datum: 25-1-2018 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Dahliastraat 45A Rucphen Uitvoerder: MUG Ingenieursbureau BV
2311475100 (44377)
2442744100 (61479)
Circa 850 meter ten noordoosten
Circa 850 meter ten noordwesten
4036354100
Circa 850 meter ten oosten
4036362100
Circa 850 meter ten oosten
2183658100 (26550)
Circa 1000 meter ten noordoosten
Rapport 5377.002 versie 1
Datum: 13-8-2010 Resultaat: Op grond van de landschappelijke ligging en bodemkundige waarden dient rekening te worden gehouden met archeologische resten uit de prehistorie. Eerder uitgevoerd onderzoek duidt bovendien op mogelijk aanwezige resten uit Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Indien uit het booronderzoek blijkt dat sprake is van een esdek en een intacte bodem kunnen archeologische waarden uit Mesolithicum tot en met de Middeleeuwen nog in situ aanwezig zijn. Uit te voeren verkennend booronderzoek zal dit moeten uitwijzen. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Dahliastraat 45A Sint Willebrord Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 17-12-2010 Resultaat: Tijdens het verkennend booronderzoek is een bodemopbouw vastgesteld van een esdek van circa 55-70 cm dik op dekzand. In sommige boringen was nog een restant van een BC- en een verpleogde B-horizont aanwezig van het podzolprofiel in de top van het dekzand. Op basis van de onderzoeksresultaten heeft Synthegra BV geadviseerd om een opgraving, variant archeologische begeleiding, als vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De bevoegde overheid (gemeente Rucphen) heeft besloten dat een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven noodzakelijk is.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Canadastraat 15 te Sint Willebrord Uitvoerder: BAAC BV Datum: 30-4-2014 Resultaat: Voor het plangebied geldt op basis van landschappelijke ligging een hoge archeologische verwachting op resten uit de steentijd. Door latere bebouwing en bewerking van de bodem kunnen dergelijke resten echter zijn verstoord. Voor de periode Laat-Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen geldt een middelhoge archeologische verwachting, omdat het gebied destijds een veengebied was. Vanwege het veen was het gebied waarschijnlijk niet intensief bewoond. Langs het beekdal waar ook het plangebied zich bevindt zijn aan de andere zijde echter wel resten uit de Romeinse tijd bekend. Als gevolg van de ontginning en de veenwinning van het gebied vanaf de Late-Middeleeuwen geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting op met name resten van een huisplaats uit de LateMiddeleeuwen of later. Tijdens het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat de bodem in het plangebied tot een gemiddelde diepte van 173 cm is verstoord. Op basis hiervan is geadviseerd om geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.
Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Vosdonkseweg te Sint Willebrord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 27-2-2017 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek is de volgende informatie beschikbaar over het plangebied Vosdonkseweg en de archeologische verwachting. In West-Brabant zijn grote delen van het voormalig veenlandschap ontgonnen vanaf de Late-Middeleeuwen. Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart en de Turfdatabank zijn het plangebied en de directe omgeving in ieder geval deels ontveend. Dit betekent dat veel sporen in het veen uit de periode vanaf de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen verdwenen zijn. Bij de ontvening en latere ploegwerkzaamheden kan ook de top van de dekzandafzettingen waarop prehistorische sporen aan te treffen zijn verstoord zijn. De gespecificeerde archeologische verwachting is laag voor resten uit het Paleolithicum en het Mesolithicum, hoog voor resten uit het Neolithicum en Bronstijd, laag voor resten uit de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen en hoog voor resten uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Vosdonkseweg Sint Willebrord Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 3-3-2017 Resultaat: Het booronderzoek ter plekke van het plangebied aan de Vosdonkseweg het aangetoond dat de bodemopbouw verstoord is. Als gevolg is geadviseerd om het plangebied vrij te geven.
Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Dorpsstraat 71-77 Sint Willebrord Uitvoerder: SOB Research Datum: 29-1-2008 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek is vastgesteld dat in het plangebied een plaggendek met een dikte variërend tussen de 45 en 75 cm aanwezig is op dekzand. Beneden het plaggendek is een ontwikkeld podzolprofiel aangetroffen. Dit type bodems kan als “laarpodzolgronden” worden aangemerkt. Aan de hand van deze resultaten
2225194100 (32424)
Circa 1000 meter ten noordoosten
2459399100 (63599)
Circa 1000 meter ten zuidoosten
Rapport 5377.002 versie 1
is geadviseerd om een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Toponiem: Dorpsstraat/Lijsterstraat Sint Willebrord Uitvoerder: SOB Research Datum: 15-12-2008 Resultaat: Bij het proefsleuvenonderzoek werd een plaggendek op dekzand aangetroffen, deels bestaande uit AC-profielen en deels uit profielen waar onder meer de B-horizont van het oorspronkelijke podzolprofiel nog intact aanwezig was. Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen (behoudenswaardige) archeologische resten aangetroffen. Op basis hiervan is geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Rucphensebaan 1K Sprundel Uitvoerder: Transect Datum: 13-10-2014 Resultaat: Volgens het bureauonderzoek ligt het plangebied in een zone met fluvioperiglaciale terrasafzettingen met hierop dekzand. Vanaf de Midden-Bronstijd tot de Late-Middeleeuwen is het gebied met veen bedekt, dat sinds de Late-Middeleeuwen grootschalig is afgegraven en ontgonnen. Tijdens het verkennend booronderzoek dekzand vastgesteld. In de top van het dekzand konden gley-verschijnselen worden waargenomen, hetgeen op hoge grondwaterstanden duidt. Als gevolg is hoogstwaarschijnlijk veen in het plangebied aanwezig geweest dat tot in de top van het dekzand sinds de Late-Middeleeuwen is afgegraven. Het dekzandprofiel is hierdoor verstoord.
Als gevolg is de archeologische verwachting bijgesteld naar laag, en is geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.
Bijlage 3 Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 4545204100
Vondstmeldingen Locatie t.o.v. plangebied 250 meter ten oosten
Omschrijving Bronstijd : - greppel/sloot - 3 paalgaten Nieuwe tijd : - 35 kuilen, - 15 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - fragment van een tegel - fragment van leisteen dakbedekking - 6 bakstenen - 9 greppels/sloten - 15 paalgaten - spitspoor
Rapport 5377.002 versie 1
Bijlage 4
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 5377.002 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 5377.002 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 5377.002 versie 1
Bijlage 5
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 5377.002 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 5377.002 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 5377.002 versie 1
Bijlage 6
Rapport 5377.002 versie 1
Planontwerp
Bijlage 5
Bijlage 7
Boring: X: Y:
Boorstaten
Boorprofielen
1
X: Y:
8,57 m +NAP
0
Boring:
99015,00 395057,00 0
bosgrond
2
99071,00 395070,00
8,48 m +NAP
0
0
Zand, matig fijn, zw ak siltig, grijs, Ap-horizont
Zand, matig fijn, zw ak siltig, grijs, Ap-horizont
40
40
Zand, matig fijn, zw ak siltig, donkerbruin, B-horizont
50
50
50
60
75
gras
Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtbruin, BC-horizont Zand, matig fijn, zw ak siltig, geelbeige, C-horizont, 85-95 cm lemig
Zand, matig fijn, zw ak siltig, lichtbruin, BC-horizont Zand, matig fijn, zw ak siltig, geelbeige, C-horizont
95 100
100
Boring: X: Y:
3
X: Y:
8,59 m +NAP
0
Boring:
99082,00 95036,00 0
gras