CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

NL.IMRO.0840.2584K0033-DEF1 Bijlagen bij de toelichting Bijlage 6 Archeologisch onderzoek

gemeenteraad 9 maart 2022, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan 'Kom St. Willebrord, Kaaistraat ong'17.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK KAAISTRAAT 1 TE ST. WILLEBRORD GEMEENTE RUCPHEN

archeologisch onderzoek Kaaistraat 1 te St. Willebrord Opdrachtgever

Prince managers van ruimtelijke projecten Sportweg 12 5037 AC Tilburg

Rapportnummer 1

Versienummer

5377.002 1

Datum

6 november 2018

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961

swalmen@econsultancy.nl Opsteller

dr. A.C. Mientjes (Senior KNA-archeoloog) en E.M. de Boo van Uijen, MSc

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Vestiging Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

5377.002

Toponiem

Kaaistraat 1

Opdrachtgever

Prince managers van ruimtelijke projecten

Gemeente

Rucphen

Plaats

St. Willebrord

Provincie

Noord-Brabant

Kadastrale gegevens

Gemeente Rucphen, sectie U, perceelnummers 695, 696, 697 en 1423

Omvang plangebied

circa 17.500 m

Kaartblad

49 F (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 99.071 / Y: 394.986

Bevoegde overheid

Gemeente Rucphen Postbus 9 4715 ZG Rucphen

Contactpersoon: de heer E. Kort Medewerker vergunningen T: 0165-349703 E: e.kort@rucphen.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Regioarcheologen programmabureau RWB Postbus 503 4870 AM Etten-Leur

Contactpersoon: mevrouw drs. F. Timmermans T: 076-5027215 E: floor.timmermans@west-brabant.eu

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4622819100

Booronderzoek 4623994100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

2

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/Provinciaal Depot Bodemvondsten Provincie Noord-Brabant

Uitvoerders

Econsultancy, dr. A.C. Mientjes, E.M. de Boo van Uijen, MSc en drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Prince managers van ruimtelijke projecten in juli 2018 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van bouwkavels ten behoeve van Ruimte-voor-Ruimte en reguliere woningbouw. Het plangebied is gelegen aan de Kaaistraat 1 te St. Willebrord in de gemeente Rucphen. In het plangebied zullen nieuwe woningen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het vigerende bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden.

Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting geldt er een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden uit het (Laat-)Paleolithicum tot en met de MiddenBronstijd, een lage verwachting voor de aanwezigheid van archeologische waarden uit de LateBronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische waarden uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. De archeologische resten worden verwacht in de top van het dekzand, waarin een ontwikkeld podzolprofiel aanwezig kan zijn. Vanaf de Midden-Bronstijd lijkt in het grootste deel van het plangebied veen tot ontwikkeling gekomen e te zijn.

Op basis van historische gegevens blijkt het dat dit veen sinds de Late-Middeleeuwen (14 eeuw) is ontgonnen. Als gevolg was zeker het westelijke deel van het plangebied niet tot weinig geschikt voor bewoning vanaf de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Daarnaast zijn archeologische vindplaatsen uit deze perioden hoogstwaarschijnlijk door de ontginningen sinds de Late-Middeleeuwen verdwenen. Resultaten inventariserend veldonderzoek De aangetroffen bodemopbouw betreft een Ap-horizont op een B(C)-horizont. In het zuidwesten is in drie boringen een A/C-profiel waargenomen. Eén boring betrof een verstoord bodemprofiel. In het merendeel van het plangebied is sprake van een relatief intacte bodem.

Rapport 5377.002 versie 1

Conclusie De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek grotendeels bevestigd. Op basis van het behoud van een hoge trefkans blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Advies Daar waar het bodemprofiel is verstoord, namelijk de locatie van de woning, de vijvers en de riolering, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. Er wordt geadviseerd om op deze locaties geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. In het plangebied, waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen, waarbij graafwerkzaamheden tot 50 cm onder maaiveld kunnen worden uitgevoerd. Mocht het niet mogelijk zijn om de archeologische waarden in situ te behouden, dan adviseert Econsultancy om een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Rucphen). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 5377.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 16 3.1 3.2 3.3 3.4

4

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 13 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 16

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 16 Methoden ........................................................................................................................ 16 Resultaten ....................................................................................................................... 17 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 18

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 18

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 20 BRONNEN .......................................................................................................................................... 21

Rapport 5377.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische verwachtingskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische waardenkaart Situering van het plangebied binnen Kadastrale minuut kaart uit 1811-1832 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1870 Situering van het plangebied binnen Militaire topografische kaart uit 1911 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1948 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1995 Verspreiding van veen (Late-Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen) Boorpuntenkaart Verstoord deel plangebied Resultaten van het booronderzoek

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorprofielen

Rapport 5377.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Prince managers van ruimtelijke projecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Kaaistraat 1 te St. Willebrord in de gemeente Rucphen (zie figuur 1). Om in de woningbouwbehoefte van de regio West-Brabant te voorzien, wil de initiatiefnemer aan de westelijke rand van de kern Sint Willebrord bouwkavels ontwikkelen ten behoeve van Ruimte-voorRuimte-woningen en reguliere woningbouw. Ter plekke van het plangebied is het vigerende ruimtelijke regime het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Kaaistraat”, vastgesteld door de gemeenteraad van Rucphen op 3 november 2011. In het plangebied is de bestemming “Maatschappelijk” en de bestemming “Bos” van toepassing. Een deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming “Waterstaat-Waterbergingsgebied”. De voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor educatieve, sociaal-medische, sociaalculturele, levensbeschouwelijke voorzieningen alsmede voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. De voor “Bos” aangewezen gronden zijn o.a. bestemd voor bosgebied. De voorgenomen ontwikkeling van Ruimte-voor-Ruimtekavels past niet binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bovengenoemde bestemmingsplan worden doorgevoerd.

Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch bureauonderzoek is uitgevoerd in juli 2018 door dr. A.C. Mientjes (Senior KNAarcheoloog). Het inventariserend veldonderzoek d.m.v. grondboringen is uitgevoerd door M. Stiekema (Senior KNA-prospector) en E.M. de Boo van Uijen, MSc (archeoloog) op 30 juli 2018. Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA-archeoloog).

2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 1 van 21

Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:            

2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Rucphen; plaatselijke (amateur-)archeoloog, c.q. heemkundevereniging.

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 m 3 rondom het plangebied. 2

Het plangebied, circa 17.500 m , ligt aan de Kaaistraat 1, aan de zuidwestelijke rand van de bebouwde kom van St. Willebrord in de gemeente Rucphen (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 8,6 m +NAP. Het plangebied binnen het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Kaaistraat” is kadastraal bekend als gemeente Rucphen, sectie U, perceelnummers 695, 696, 697 en 1423.

2

Beschikbaar via www.sikb.nl.

3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 2 van 21

Volgens de topografische kaart van Nederland, 49 F (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X: 99.071/Y: 394.986. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel in gebruik als tuin met bebouwing (zie figuur 3). De bebouwing bestaat uit een woning. De tuin bestaat hoofdzakelijk uit grasland met dichte hagen, en oppervlakteverharding in de vorm van toegangswegen (puinverharding). In 2012 is het terrein bouwrijp gemaakt voor plannen betreffende beschermd wonen. Deze plannen zijn niet uitgevoerd. Bij het bouwrijp maken zijn verschillende leidingen aangelegd. Deze zullen nader worden besproken bij de gespecificeerde archeologische verwachting in paragraaf 2.8. 4

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Rucphen ligt het gehele plangebied in Beleidsadviesgebied 3 (gebied met een hoge archeologische verwachting, deels veen). In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij een bodemverstoring groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm -mv en vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek zal er voor het plangebied een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd worden door Econsultancy. De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch bureauonderzoek nog niet bekend.

Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied de volgende informatie opgeleverd.

5

Voor een deel van het plangebied, namelijk perceel 697, is bekend dat op 1 februari 1995 een Verkennend onderzoek NVN 5740 is uitgevoerd in verband met de voorgenomen bouw en nu nog be4 5

Groot en Wilbers, 2011. www.bodemloket.nl.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 3 van 21

staande woning op het perceel. De resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. De onderzochte verontreinigde activiteiten betreffen de 6 volgende : Omschrijving letonmakerij (175206) zakkenstempelinrichting (17303) grond-, water- en wegenbouwkundige bedrijven (45231) benzine-service-station (5050)

Start onbekend onbekend onbekend 1973

Eind onbekend onbekend onbekend onbekend

Vervolgens zijn in 2006 en 2012 (geactualiseerde) verkennende bodemonderzoeken uitgevoerd voor hetzelfde perceel, nu bekend als Kaaistraat 1. Uit het onderzoek van 2006 blijkt dat het grondwater licht tot sterk verontreinigd was met chroom, xyleen en nikkel. Geconcludeerd is dat het verhoogde achtergrondgehaltes betreft, en dat er geen belemmeringen voor toekomstige ontwikkelingsplannen waren. Uit het verkennend bodemonderzoek van 2012 resulteert dat in het centrale deel van het plangebied de bodem plaatselijk licht verontreinigd is met kwik en lood. Verder zijn bij de uitgevoerde grondboringen op basis van zintuiglijke beoordeling geen relevante bijzonderheden en/of afwijkingen aangetroffen. Als gevolg is geconcludeerd dat er geen belemmeringen voor toekomstige ontwikkelingsplannen zijn. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. Om in de woningbehoefte van de regio West-Brabant te voorzien zijn ter plekke van het plangebied bouwkavels ontwikkeld ten behoeve van Ruimte-voor-Ruimte-woningen en reguliere woningbouw. De grondroerende activiteiten zullen bestaan uit de aanleg van woningen, infrastructuur, kabels en leidingen, en openbaar groen. Volgens de huidige ontwerpplannen zullen in het plangebied 20 woningen worden gebouwd. De 17 aan te bouwen woningen hebben globaal een totale oppervlakte van 2 2.900 m . De precieze verstoringsoppervlakten, inclusief infrastructuur en kabels en leidingen, en dieptes (alleen funderingen of ook kelders) zijn nog niet bekend op het moment van het opstellen van de hier nu voorliggende rapportage. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

6 7

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale

Bodemloket.nl Mulder et al., 2003.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 4 van 21

afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6) Geomorfologie Bodem

8

9

Grondwatertrap

Terrasafzettingswelvingen, met dekzand (code 3L12a) Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code cHn21) VI

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in een gebied waar afzettingen van de Formatie van Stramproy, met een dek van de Formatie van Boxtel aan het maaiveld worden aangetroffen. De Formatie van Stramproy bevat deels eolische, maar voornamelijk fluviatiele afzettingen die in het Laat-Plioceen (circa 2,6 miljoen jaar BP) en het Vroeg-Pleistoceen zijn afgezet door kleine rivieren die vanuit de Belgische Kempen oost- en noordwaarts afwateren. Deze fluviatiele afzettingen worden in de regio van het plangebied op de geologische kaart aangeduid met terrasafzettingswelvingen. Het dek van de Formatie van Boxtel is afgezet gedurende de laatste ijstijd (Weichselien; circa 116.000 - 11.700 jaar geleden). Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Nederland werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het Laat-Glaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel.

Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzettingen plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden (fluvioperiglaciale afzettingen). In het dekzand hebben zich laarpodzolgronden ontwikkeld. Laarpodzolgronden zijn humuspodzolgronden met een matig dikke (30 tot 50 cm) humushoudende bovengrond. De humushoudende bovengrond is ontstaan door plaggenbemesting. De Turfdatabank geeft echter aan dat het plangebied deels in een moeruitgifte ligt uit de Late10 Middeleeuwen (1301-1400 na Chr.). Dit zou betekenen dat het onderdeel is geweest van het kustveenmoeras dat zich in de Bronstijd en IJzertijd ontwikkelde en grote delen van West-Nederland bedekte. Vanaf de Late-Bronstijd (ongeveer 1000 voor Chr.) begon de grondwaterspiegel langzaam te stijgen waardoor de diepe beekdalen steeds moerassiger werden. Met name vanaf ongeveer 1000 - 500 voor Chr. werd er daarom veen gevormd in deze beekdalen. Vanuit de beekdalen groeide het veen over alle lagergelegen delen van het landschap uit, totdat het ongeveer 1200 na Chr. grote delen van e het grondgebied van de gemeente Rucphen bedekte. Vanaf de 14 eeuw is het veen afgegraven in het plangebied, hoewel er aanwijzingen zijn dat het oostelijke deel van het plangebied nooit bedekt is geweest met veen. DINO

8 9

11

Alterra, 2003. Stichting voor Bodemkartering, 1964.

10 11

Leenders, 2013. www.dinoloket.nl.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 5 van 21

Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is een aantal boringen bekend binnen een straal van 500 meter rond het plangebied. 12 In totaal zijn zeven boringen nabij het plangebied bestudeerd. Hieruit blijkt dat de ondergrond uit zand bestaat, met bovenin, direct beneden het maaiveld, matig fijn, zwak siltig zand, en hieronder matig grof zand op enkele meters beneden het maaiveld. Deze resultaten wijzen op een dekzandpakket vanaf het maaiveld en hieronder fluviatiele afzettingen (zand) van de Formatie van Stramproy. Aanwijzingen voor de aanwezigheid van (restanten) van een veenpakket zijn niet waargenomen in de bestudeerde DINO-boringen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.

Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een zone met terrasafzettingswelvingen, gevormd door de Maas en Rijn gedurende het pleistoceen, afgedekt met dekzand (code 3L12a) (zie figuur 5). 13

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een hoogte van tussen de circa 8 en 10 m +NAP (zie figuur 6). Op de AHN is ook duidelijk zichtbaar dat het landschap naar het noordwesten afloopt. Hier e heeft zich het, sinds de Late-Middeleeuwen (14 eeuw) ontgonnen, veengebied bevonden. De oostwest georiënteerde ontginningsassen van de veenafgravingen zijn nog op de AHN herkenbaar. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als Laarpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code cHn21) (zie figuur 7). Laarpodzolgronden worden gekenmerkt door een circa 30 à 50 cm dikke, deels door plaggenbemesting opgebrachte humeuze bovengrond (A-horizont). Beneden deze bovengrond is het dekzand aanwezig met in de top mogelijk een (deels) intact podzolprofiel. Indien de humeuze bovengrond dikker is dan 50 cm wordt bodemkundig gesproken van hoge enkeerdgronden. Deze humeuze bovengrond is ook gevormd als gevolg van plaggenbemesting sinds de Middeleeuwen.

Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen 12 13

DINO boornummers B49F0218, B49F280, B49F1025, B49F1073, B49F1077 en B49F1049. www.ahn.nl.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 6 van 21

grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 14

Tabel II.

Grondwatertrappenindeling

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VI. Deze grondwatertrap maakt het plangebied een gunstige vestigingslocatie voor landbouwsamenlevingen. Vanwege deze diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf15 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1.000 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt.

De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden.

14 15

Locher & Bakker, 1990. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 7 van 21

Het plangebied ligt niet in cultuurhistorische en archeologische landschap. Wel grenst direct aan de noordwest zijde het cultuurhistorische en archeologische landschap de “West-Brabantse Venen”. Dit zijn delen van het West-Brabantse landschap waar vanaf de Late-Bronstijd (circa 1000 voor Chr.) veenmoerassen, en gekoppeld veengroei, tot stand kwamen door een stijgende grondwaterspiegel binnen een dekzandlandschap met afsluitende kleilagen. Tussen de Late-Middeleeuwen (circa 1250 na Chr.) en Nieuwe tijd (circa 1750 na Chr.) is het veen grotendeels afgegraven voor het verkrijgen van turf, o.m. gebruikt als brandstof. Het dekzandlandschap kwam hierdoor weer aan het oppervlak te liggen. Herkenbare relicten van de veenontginningen zijn de turfvaarten en turfhavens en de ontginningsassen, o.a. zichtbaar op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (zie figuur 6). Het cultuuhistorische en archeologische landschap de “West-Brabantse Venen” valt samen met het archeologische landschap “Dekzandrug Bosschenhoofd-Hoeven” (zie figuur 9). Dit landschap omvat het gebied tussen de woonkernen Ettenleur, Sint Willebrord en Oudenbosch. Het wordt gekenmerkt door een golvend dekzandreliëf, met dekzandruggen, beekdalen, en vlakten. Het dekzand bestaat hoofdzakelijk uit Oud Dekzand en slechts lokaal uit Jong Dekzand.

Een groot deel van dit dekzandlandschap is vernat gedurende het Holoceen, waardoor vanaf circa het Midden-Holoceen veengroei op het dekzand ontstond. Vanaf de Late-Middeleeuwen is dit veen ontgonnen. Archeologisch gezien is het opvallend dat er zeer weinig Archis-waarnemingen en geen AMK-terreinen zijn in dit cultuurhistorische en archeologische landschap. Vindplaatsen uit de (Late-)Bronstijd tot en met de VroegeMiddeleeuwen ontbreken volledig. 16

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terreinen. Bekende AMK-terreinen liggen op meer dan 5 km vanaf het plangebied, en zijn daarom niet opgenomen in de analyse. 17

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 27 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij in hoofdzaak om bureauonderzoeken en booronderzoeken (verkennend/karterend), en in mindere mate proefsleufonderzoeken en opgravingen (zie bijlage 2 en figuur 8). In hoofdlijnen zijn uit de bureau- en booronderzoek de volgende gegevens beschikbaar. De regio rondom het plangebied bestaat uit terrasafzettingswelvingen (pleistocene fluviatiele afzettingen) met hierop dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Dit dekzand is geaccidenteerd met ruggen, koppen, vlakten en dalen. In de lage delen zijn beekdalen aanwezig met holocene beekafzettingen of natte zones, waar vanaf de Midden-Bronstijd veen is gaan groeien. Dit veen is sinds de Late-Middeleeuwen in het kader van grote landontginningen weer (grotendeels) afgegraven. Over het algemeen hebben de hoge delen in het dekzandlandschap een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd, indien de top van het oorspronkelijk aanwezige podzolprofiel nog deels intact is. In delen van het landschap wordt het dekzand afgedekt met een esdek.

In de lage delen van het landschap, waar veen groeide sinds de MiddenBronstijd tot aan de grootschalige ontginningen van de Late-Middeleeuwen, is een lage verwachting 16 17

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 8 van 21

op de aanwezigheid van archeologische resten van de Late-Bronstijd tot en met de VroegeMiddeleeuwen van toepassing. 18

In het plangebied is door SOB Research reeds in 2009 een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek heeft betrekking op het noordwestelijk gelegen deel van het plangebied. Hierbij zijn 13 grondboringen uitgevoerd tot in de C-horizont (dekzand). De C-horizont bestond uit (licht)geelgrijs, zeer fijn zand met roestvlekken. Naar onderen toe is het uitgespoelde ijzer veelal neergeslagen als oranje vlekken. In vijf boringen is een ontwikkeld podzolprofiel (restant B-horizont) aangetroffen. Op het dekzand lag een plaggendek met een dikte variërend tussen de 35 en 70 cm. Er waren geen aanwijzingen voor grootschalige verstoringen van de bodemopbouw in het plangebied.

Ten oosten van het plangebied is een van de weinige opgravingen uitgevoerd door IDDS Archeologie in mei en juni 2017. De opgraving is in twee zones uitgevoerd op circa 40 en 600 m afstand vanaf het plangebied. Op de circa 40 m is Vindplaats 11 aangetroffen en op circa 600 m vanaf het plangebied Vindplaats 16. Ter plekke van Vindplaats 11 is een AC-profiel aangetroffen en ter plekke van Vindplaats 16 een podzolprofiel, bestaande uit een omgewerkte A-,E-, en B-horizont, op restant onderzijde van B-horizont, op C-horizont. Het podzolprofiel wordt afgedekt door een plaggendek. Ter plekke van Vindplaats 11 zijn drie paalkuilen en een greppel aangetroffen in de top van het dekzand, die mogelijk in de Bronstijd gedateerd kunnen worden. De datering is gebaseerd op de kleur en de textuur van de vulling. Diagnostisch en dateerbeer materiaal is niet aangetroffen. De overige sporen, bestaan uit paalkuilen en greppels, kunnen in de Nieuwe tijd gedateerd worden. Ter plekke van vindplaats 16 zijn in totaal 63 sporen aangetroffen, bestaande uit negen greppels en 54 (paal)kuilen. Op basis van het aangetroffen aardewerk konden deze sporen in de Nieuwe tijd A en B gedateerd worden (circa 1500-1800). Er waren aanwijzingen dat de sporen ontstaan zijn na de veenafgraving.

Dit geeft waarschijnlijk aan dat de veenafgravingen ter plekke van Vindplaats 16 reeds in de LateMiddeleeuwen heeft plaatsgevonden. Alle sporen, zowel ter plekke van Vindplaats 11 en 16, zijn aangetroffen in de top van het dekzand. 19

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staat één vondstmelding (Archis3 waarnemingsnr. 4545204100) geregistreerd (zie bijlage 2 en figuur 8). De vondstmelding betreft de boven genoemde vindplaatsen ten oosten van het plangebied aangetroffen tijdens de opgraving uitgevoerd door IDDS Archeologie. Vindplaatsen bestonden uit sporen uit de Bronstijd en de Nieuwe tijd A en B. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Ook heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen gedetailleerd archiefonderzoek plaats gevonden op locatie, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Het oude kaartmateriaal geeft immers duidelijk aan dat er voor het begin van de jaren 90 van de vorige eeuw geen bebouwing aanwezig was ter plekke van het plangebied. Deze situatie is zeker traceerbaar tot aan het begin van e de 19 eeuw. Aanvullende informatie Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 22 West-Brabant Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Archeologische Werkgemeenschap Nederland, afdeling 22 West-Brabant, (d.d.

27 juli 2018, contactpersoon mevrouw A.M. Vis18 19

Ras, 2011. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 9 van 21

ser), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Korte bewoningsgeschiedenis van Sint Willebrord en omgeving In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. Bij Sint Willebrord was al in de Romeinse tijd bewoning bij de Zwarte Sloot. Vondsten als aardewerk, bronzen objecten, waaronder een armbandfragment, en een munt uit de tijd van Keizer Antonius Pius (138-161 na Chr.) tonen dit aan. Waarschijnlijk was dit één van de gunstigere locaties aan de rand van het veen, dicht bij een beek. Pas vanaf de Ottoonse periode in de Vroege-Middeleeuwen (9001050 na Chr.) zijn er opnieuw aanwijzingen voor bewoning in Sint Willebrord. Potscherven bij de Zwarte Sloot wijzen op bewoning omstreeks de overgang van de Vroeg-Middeleeuwse periode naar de Late-Middeleeuwen.

Het ontstaan van de gemeente Rucphen en de omgeving van het onderzoeksgebied ligt besloten in een drietal gebeurtenissen in het verleden. De eerste gebeurtenis lag bij de tweedeling van het land van Breda in 1287 na Chr. door hertog Jan I van het hertogdom Brabant, en het vaststellen van een eerste grensregeling tussen die twee delen in 1290 na Chr. De oorzaak van de deling was dat hertog Jan I van Brabant, na het kinderloos overlijden van Elisabeth van Breda, echtgenote van Arnold van Leuven, het Bredase leen grofweg verdeelde (overigens conform de erfelijkheid van het leenstelsel en het beleid van Jan I daarop stoelende) in een gebied rond Breda en een gebied rond Bergen op Zoom, onder respectievelijk Raso van Gaveren en Gerard van Wesemale, twee neven van Elisabeth van Breda. Jan I had de diensten van beide ridders nodig in 1288 na Chr. in de slag van Woeringen aan de Rijn bij Keulen tegen Siegfried, aartsbisschop van Keulen. Na de overwinning werd Limburg voor vijf eeuwen met Brabant verbonden, waardoor Brabant het belangrijkste gewest in de Lage Landen werd. Bijkomstig voordeel was misschien dat dankzij die verdeling een voor Jan I te sterke uitgroei van dit West-Brabantse gebied, dat met zijn rijke turflagen toen aan open water lag, werd tegengegaan. De stichting van nieuwe heerlijkheden in die streek rond 1350 na Chr. is eveneens een belangrijke gebeurtenis.

Het middengebied van het West-Brabantse land was rond 1300 na Chr. rijk aan turflagen. Turf vormde in die tijd een belangrijke brandstof voor de grote steden zoals de Brabantse steden Leuven, Brussel, Antwerpen en vooral de Vlaamse steden Gent en Brugge. Landsheren van Breda en Bergen op Zoom verkochten ter uitbating grote moergebieden aan Brabantse en Vlaamse abdijen en aan particulieren uit Brabant en Vlaanderen. Op diverse manieren (tolheffing op het vervoer van turf per schuit, landcijns) was het geheel een zeer lucratieve onderneming. De gronduitgiften gingen meestal gepaard met regelingen van bestuur en rechtspraak voor het betrokken gebied. In veel gevallen was dit de aanzet voor het ontstaan der latere heerlijkheden. De ontvening ging door tot ongeveer 1700. Alleen in de diepste delen van het landschap, zoals het beekdal bij Sint Willebrord, komen nog kleine gebieden met veen voor.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 10 van 21

e

Sint Willebrord stond vanaf de 17 eeuw bekend onder de naam Het Heike. Toentertijd bestond het uit niet meer dan enkele gegroepeerde boerderijen. Vanaf circa 1700 raakte dit heidegebied geleidelijk bewoond. In 1841, nadat er een parochie werd gesticht en een kerk werd gebouwd, trad er verdichting van de bebouwing op. Het dorp is vooral na 1940 sterk gegroeid. Negentien relicten van turfwinning zijn nog in het landschap te herkennen en mogelijk nog in de bodem aanwezig. De kavels waren langwerpig en waren 12 maal zo lang als breed. De grootte van deze zogenaamde hoeven was ongeveer 15 ha. Na de verkoop werden de moeren ingericht voor de productie van veen, zout of agrarische producten. Voor de ontwatering van de rauwe moer werd het gebied omgraven met grensriolen. De grensriolen en de kavels zijn op historische kaarten nog goed te herkennen in de vorm van een patroon van langwerpige kavels, gescheiden door greppels, met loodrecht daarop de vaarten. Ieder kavel werd ingericht met keten voor de delvers. De keetvelden of keetheuvels werden op gunstige plaatsen in het landschap geplaatst, op zandopduikingen of in de berm van een vaart. Voor de afvoer van het veen werden vaarten gegraven naar de naburige turfvaarten, die langs de stapelplaatsen liepen aan de kop van de kavels. Een vaart had meestal een diepte van 2 m. In de breedte van de vaarten waren zeer verschillend.

Om de terugkerende schuiten, eventueel met retourvracht in de vorm van mest, en de volle schuiten te kunnen laten passeren werden wisselkommen aangelegd. De wisselkommen moesten dus meerdere schuiten breed zijn en omdat de konvooien bestonden uit 20 tot 60 schuiten van 20 m lengte, een behoorlijke lengte gehad hebben. De vaarten liepen vaak door gebieden met relatief grote hoogteverschillen. Hiervoor werden sluisjes (spuien) of zelfs aquaducten (zielen) en duikers aangelegd. Door het afgraven van het veen, kwam de watertoevoer in het gedrang. In de laagten die uitgedolven waren, werden daarvoor waterreservoirs, de zogenaamde "houwers', aangelegd, waarmee men de vaarten van water konden voorzien. Het water werd opgespaard en er werd op gezette tijden een konvooisgewijs transport georganiseerd. De e restanten van deze houwers zijn nog te herkennen op 19 -eeuwse kaarten als grote vennen. De houwers werden later vooral voor militaire doeleinden gebruikt, ter regulering van de waterstanden bij de verdediging van de grote steden. In de loop der tijd ontstond er een groot netwerk van turfvaarten. In de grotere plaatsen werden uitvoerhavens ingericht, waar de overslag van de turf plaatsvond. Deze turfhoofden bevonden zich onder andere te Roosendaal, Breda, Oudenbosch, Leur, Steenbergen, Zevenbergen en Geertruidenberg.

Naast de grootschalige turfwinning, werd er ook onrechtmatig op kleine schaal door boeren turf gedolven. De turfrestanten van de uitgedolven moeren werden gewonnen in kleine putjes van 3 tot 5 m in doorsnede. Deze boerenkuilen hebben meestal een onregelmatige vorm. Deze vorm van turfwinning vond over het algemeen plaats na de grootschalige turfwinning en strekte zich over een zeer e lange periode uit, zelfs tot in de 20 eeuw. In het noorden van Vlaanderen, Zeeland en het zuidwesten van Holland werd de turf ook gewonnen om er zout uit te bereiden. Buitendijks op de slikken, gorzen en schoren werd de turf gewonnen om vervolgens op het droge op brandhopen gestapeld te worden. De zoute turf werd zo tot as verbrand en vervoerd naar zoutketen bij de steden waar de "zel" verwerkt werd tot wit keukenzout. Met water werd het zout opgelost en gescheiden van het as waarna de pekel werd ingedampt. De turfwinning voor zout verdween na 1450 na Chr. door de import van ruw zeezout van verschillende Atlantische kusten. Deze vijf eeuwen veenexploitatie hebben hun invloed gehad op het landschap. In gebieden waar het veen was afgegraven en niet te nat was, werd het land in cultuur gebracht. In de nattere delen veranderde het gebied in een woestenij. In de lagere delen van het landschap ontstonden ook op grote schaal overstromingen, waaronder de St. Elizabethsvloed van 1421 na Chr.

Op de hogere delen van het landschap werd na het verwijderen van het veen op de vrijgekomen zandgrond een nieuw land-

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 11 van 21

schap opgebouwd, met heide, bossen en agrarische ontginningen. De ontginningen bestonden uit het in cultuur brengen van de na de ontvening ontstane heide. In de hoog gelegen veengebieden werd 20 direct na de ontvenig het land in cultuur gebracht. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

1811-1832

Gemeente Rucphen en Vorenseinde, sectie D, blad 01

1:2.500

Landbouwgrond

De Kozijnenhoek en Kaaistraat staan reeds weergegeven met in de bocht van beide straten een soort verbreding. Er is bebouwing grenzend aan de westzijde van het plangebied aanwezig.

1850-1864

49F

1:50.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1870

49F

1:50.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1897

49F

1:50.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1911

49F

1:50.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1937

49F

1:25.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1948

49F

1:25.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1960

49F

1:25.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1968

49F

1:25.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1980

49F

1:25.000

Landbouwgrond

Situatie onveranderd.

Topografische kaart

1995

49F

1:25.000

Landbouwgrond met een gebouw

Situatie onveranderd.

Kadastrale minuut

21

Militaire topografische kaart (nettekening)

22

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied e van het begin van de 19 tot circa de Tweede Wereldoorlog als landbouwgrond in gebruik is geweest e (zie figuur 10, 11 en 12). Wel zijn aan het begin van de 19 eeuw de straten van de Konijnenhoek en de Kaaistraat reeds aanwezig. Bij de kruising van beide straten, en waar de Kaaistraat naar het noorden afbuigt, is een aanzienlijke verbreding van de straat aanwezig. Tevens loopt er van dit punt een weg naar het oosten toe, die zeker aan het eind van de jaren ‘70 van de vorige eeuw is verdwenen. In deze periode is men ook begonnen met de aanleg van de nieuwbouwwijk aan de oostzijde van het plangebied. De functie van de aanzienlijke verbreding op de kruising van de Konijnenhoek en de Kaaistraat is niet duidelijk af te leiden uit de beschikbare historische bronnen. Tevens was er bebouwing (twee gebouwen) aanwezig direct ten noorden van de Kozijnenhoek. Deze (nu verdwenen) bebouwing lijkt juist buiten het plangebied, aan de westzijde, te vallen. In 1937 wordt bebouwing gerealiseerd direct ten zuiden van de Kozijnenhoek (zie figuur 13). Deze bebouwing (woonhuis) is nog aanwezig (Kozijnenhoek 34, 4715 RG, Rucphen). De bebouwing (woonhuis, kippenhok en loods) in

20 21 22

Leenders, 2013. Beeldbank Cultureelerfgoed. Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 12 van 21

het centrale deel van het plangebied lijkt in de jaren 90 te zijn aangelegd (zie figuur 14). De loods lijkt vlak na 2010 te zijn afgebroken. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Rucphen is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon de heer M. Sijmens). In 1995 is door dhr. A.F. Boeren een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een 2 woning. Deze woning, inclusief garage, beslaat een oppervlak van 237 m en heeft geen kelder. De fundering is aangebracht op ca. 80 cm onder maaiveld. Het bouwvlak is aangelegd tot op het zand, waarbij de bodem tot ca. 80 cm onder maaiveld is afgegraven. Deze diepte is voor aanvang van de bouw bepaald middels sonderingen. Op deze diepte wordt uitgegaan van vaste grond. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange23 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Met betrekking tot explosieven is duidelijk dat de gemeente Rucphen geen eigen risicokaart heeft.

Er zijn enkele gevallen bekend dat munitie is geruimd door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) in de omgeving van het 24 plangebied op een afstand van circa 300 of meer meter. Turfdatabank Bij de provincie Antwerpen is een website beschikbaar die de veenwinningsgebieden in kaart heeft gebracht voor heel het gebied tussen Antwerpen - Turnhout - Geertruidenberg - Westmaas en Willemstad. De website maakt deel uit van een internationaal project waaraan de provincies Antwerpen en Noord-Brabant deelnemen. Op de website zijn diverse kaartlagen te raadplagen zoals de veenkaart, de moerconcessies (wanneer een gebied afgegraven werd), de turfvaarten, de zoutketen en de verdronken oorden. Op de Turfdatabank-kaart is een groot deel van plangebied aan de westzijde aangegeven als veen25 landschap met weinig beken (code 6c) (zie figuur 15). Het veen is vanaf circa de Midden-Bronstijd gevormd (circa 1.500 voor Chr.). Historisch is bekend dat de moeruitgiften met betrekking tot het plangebied en de omgeving tussen 1301 en 1400 hebben plaatsgevonden. Vanaf deze periode is het veen afgegraven. 2.8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.

Gespecificeerde archeologische verwachting

23

Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 24 25

Ruimingskaart Beobom. Turfdatabank. Leenders, 2013.

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 13 van 21

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting/Complextype

Te verwachten resten en/of sporen

Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Mesolithicum

Hoog

Vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege- en MiddenBronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Bronstijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

IJzertijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Romeinse tijd

Laag

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Vroege-Middeleeuwen

Laag

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal¬resten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwer¬pen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Late-Middeleeuwen

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Nieuwe tijd

Middelhoog

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen

Onder maaiveld/in het antropogeen plaggendek (laarpodzolgrond) en in de top van de dekzandafzettingen

Uit de landschappelijke ligging in een dekzandgebied, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars, indien evidente gradiëntzones aanwezig zijn, en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. De verwachting voor het (Laat-)Paleolithicum, Mesolithicum, Neolithicum en de Vroege- en MiddenBronstijd is hoog. De verwachting voor de Late-Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen is laag. e In deze periode was het plangebied grotendeels (westelijke deel) bedekt met veen, dat vanaf de 13

Rapport 5377.002 versie 1

Pagina 14 van 21

eeuw is vergraven. Het plangebied was toen minder geschikt voor bewoning, en daarnaast zouden eventueel aanwezige vindplaatsen als gevolg van de veenontginningen sinds de Late-Middeleeuwen zijn verwijderd. Hierbij dient echter wel de kanttekening geplaatst te worden dat mogelijk het oostelijk deel van het plangebied, richting de oude dorpskern van Sint Willebrord, mogelijk nooit bedekt is geweest met veen. In deze situatie is dan een hoge verwachting van toepassing. Voor de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd is een middelhoge verwachting van toepassing. In deze periode werd het veen afgegraven waardoor mogelijk archeologische resten aanwezig kunnen zijn van de veenontginning en vervolgens het gebruik en de bewoning van het landschap. Op basis van het oude kaartmateriaal zijn er geen aanwijzingen dat in het plangebied bewoning aanwezig is geweest voor de e Tweede Wereldoorlog tot in de vroege 19 eeuw. Deze archeologische resten worden hoofdzakelijk verwacht beneden het plaggendek van de laarpodzolgronden en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het plaggendek; hier wordt ook wel van “cultuurlaag” gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het plaggendek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11245126/1