CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

7 b&w BIJLAGE Het-Windmolendrama

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 26 november 2025, gemeente RucphenBij agendapunt: Ingekomen stukken43.744 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

4 alinea's met “samenleving”: 1049 1050 1110 1332

Vermogen energiesysteem

Energie

Capaciteit

2000

121 GW

577 TWh

54%

2019

218,1 GW

607 TWh

32%

Knelpunt: Windenergie blijft van fossiele energie afhankelijk Het doel van de energietransitie is het reduceren van CO2. Het is echter de vraag of zon en wind wel leiden tot significante CO2-reductie. In de meeste landen wordt de weersafhankelijke wiebelstroom gebalanceerd met gas. De studiegroep Invulling klimaatopgave Green Deal merkt bijvoorbeeld op dat: “Hoewel extra hernieuwbare elektriciteit via wind en zon op land technisch mogelijk is, kleven er grote onzekerheden en bezwaren aan. […] Extra hernieuwbare elektriciteit opwekken op land in de periode tot 2030 is zeer beperkt mogelijk en levert (net als bij wind op zee) naar verwachting zeer beperkt extra CO2-reductie op” (203).

Knelpunt: Er is een waanzinnige uitbreiding van infrastructuur nodig

Om een tweede energievoorziening naast de bestaande oude energievoorziening te draaien, is een forse uitbreiding van de infrastructuur nodig. Netbeheer Nederland, een samenwerkingsverband van de energienetbeheerders, schat in dat er voor 2050 100.000 km aan kabels aangelegd moet worden. Dit is “tot 2050 elke maand van Groningen naar Maastricht”. De kabels zullen 260-330 vierkante kilometer ondergrondse ruimte in beslag nemen. Daarnaast komen er 48.000 transformatorhuisjes bij. Hiervoor moet één op de drie stoepen in Nederland worden opengebroken (204). Een aantal cijfers op een rijtje wat er nodig is aan infrastructuur en ruimte 100.000 km kabels

→

Tot 2050 elke maand van Groningen naar Maastricht

+48.000 Transformatorhuisjes

→

Middenspanning- en laagspanningstations

260-330 km2

→

Ondergronds ruimtebeslag voor kabels

Bron: (205) (204)

82

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Knelpunt: Systeemkosten Een dubbel energiesysteem met aanvullende infrastructuur leidt tot het volgende knelpunt: kosten die de pan uit rijzen. Om zicht te krijgen op de werkelijke kosten van windenergie is het niet genoeg om te kijken naar wat de energie oplevert, maar moeten de systeemkosten – om deze energie in het systeem in te passen – worden meegewogen. Deze bestaan ten eerste uit de hiervoor besproken uitbreiding en aanpassingen van de infrastructuur. Daarnaast moeten er, om de energie op het grid stabiel te houden, balancing-kosten worden gemaakt. Tot slot zijn er de kosten van de back-up van fossiele energie, die veel minder efficiënt produceert, omdat de installaties zijn gemaakt voor een grote, stabiele productie, en niet voor regelmatig op- en afschakelen (3 p. 71). Naarmate er meer weersafhankelijke stroom op het net is, nemen de kosten om het hele energie­ systeem te runnen disproportioneel toe. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld, namen de systeemkosten sinds 2010 met 62% toe (146). Een studie naar de integratiekosten voor 100% weersafhankelijke energie in de staat Texas en Duitsland kwam tot vergelijkbare conclusies. In Texas zou zo’n systeem twee maal zo duur zijn dan een systeem dat draait op fossiele energie en kernenergie. In Duitsland zouden de kosten zelfs vier maal zo hoog zijn, omdat de zon er minder schijnt en de wind er minder waait (206).

“Dat betekent dat voor wind niet de werkelijke kosten gerekend worden, en ook niet de werkelijke emissies”, concludeert de Noorse onderzoeker Jan Emblemsvåg in zijn studie naar de werkelijke kosten en opbrengsten van wind op land (146).

Knelpunt: Netcongestie, want de infrastructuur is niet gebouwd voor wiebelstroom Bijdrage van zon en wind aan de energievoorziening

PJ

% van totaal

Totale energieverbruik

1800

100%

Natuurafhankelijke energie

308

17%

Wind (totaal)

96

5,31%

Wind op zee

39

2,16%

Wind op land

57

3,15%

Zon

73

4,04%

Biomassa

106

5,85%

Bron: (11)

Momenteel leveren zonne- en windenergie 9,35% van de totale energiebehoefte. Dat nogal geringe percentage zorgt al voor significante problemen: op veel plaatsen is het elektriciteitsnet overbelast, waardoor in sommige gebieden nieuwe bedrijven en warmtepompen niet kunnen worden aangesloten. Een greep uit de koppen van de NOS in de afgelopen twee jaar: • 19 juni 2023: Stroomnetwerk Overijssel vol, bedrijven in de wachtrij • 19 juli 2023: Ook Zeeuwse stroomnetwerk zit vol, grootverbruikers komen op wachtlijst • 18 oktober 2023: Jetten wil bedrijven mogelijk verplichten in piekuren minder stroom af te nemen • 16 november 2023: Deel nieuwe huizen Almere niet aangesloten op stroom vanwege vol elektriciteitsnet • 13 december 2023: Apeldoorns stroomnet vol: ruim honderd nieuwe warmtepompen niet aangesloten • 20 december 2023: Stroomnetten weer vol, nu in Den Haag, Groningen en Overijssel • 27 februari 2024: Netbeheerder: elektrische auto’s niet opladen tussen 16.00 en 21.00 uur • 25 april 2024: Provincie Utrecht grijpt terug naar gas vanwege overvol stroomnet • 10 juli 2024: Ook Flevoland en Gelderland grijpen terug op gas vanwege krap stroomnet • 24 september 2024: In 2035 pas weer ruimte op overvolle stroomnet? ‘Wachtlijsten worden helaas groter’

83

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Volgens een bericht van Tubantia op 24 september 2024 is er pas in 2035 weer ruimte op het volle stroomnet (207). Nieuwe zonne- en windparken zullen dus lang moeten wachten tot ze überhaupt aangesloten kunnen worden. Dat heeft gevolgen voor de business case van windparken.

Knelpunt: Waterstof is inefficiënt en duur

Om de afhankelijkheid van fossiele brandstof voor het balanceren van de energievoorziening te verminderen, zet de overheid in op waterstof. Waterstof zelf genereert geen energie, het is een energiedrager. Het idee is om windturbines op zee en land elektriciteit te laten produceren, en deze elektriciteit vervolgens in waterstof om te zetten. De waterstof kan vervolgens weer in energie worden omgezet wanneer de wind niet waait of de zon niet schijnt. Samuel Furfari is hoogleraar Politieke Wetenschappen en Toegepaste Wetenschappen aan de Universiteit van Brussel en was lang een zeer hoge ambtenaar in het Directoraat-Generaal Energie van de Europese Commissie. Hij heeft belangrijke kanttekeningen bij het plan om waterstof te gebruiken voor energieopslag. Hij schreef het boek ‘The Hydrogen Illusion’, en berekende dat het rendement van waterstof, na alle omzettingen, minder dan 30% is (208). Om waterstof te gebruiken voor de energievoorziening, zal dus aanzienlijk meer zon en wind nodig zijn, aangezien bijna driekwart verloren gaat wanneer de energie niet direct wordt gebruikt. Furfari: “Dit proces is zo totaal inefficiënt dat er geen industriële toepassing zal zijn zonder aanhoudende subsidies”. En dan zijn we nog niet ingegaan op de kosten, de ruimte en risico’s van het aanleggen van een infrastructuur voor waterstofomzetting en opslag.

Voor een gedetailleerde bespreking van de onhaalbaarheid van waterstof om het energiesysteem te stabiliseren, is het hoofdstuk ‘De waterstof-economie: wonderkind of explosieve zeepbel’, in het recent verschenen boek van wetenschapsjournalist Arnout Jaspers (‘De Klimaatoptimist’), zeer informatief.

Knelpunt: Batterijen zijn inefficiënt en duur

Batterijen zijn niet geschikt voor grootschalige energie-opslag. Ze kunnen maar weinig energie opslaan in verhouding tot hun afmetingen en gewicht. Ingenieur Maarten van Andel, auteur van het boek ‘De groene illusie’, berekent dat om een Nederlands huishouden een week van energie te voorzien, dit 1000 kg aan batterijen nodig zou hebben! Om heel Nederland slechts één minuut van stroom te voorzien, zou er twee miljoen kilo aan lithiumbatterijen nodig zijn. Van Andel gaat daarbij uit van een energievoorziening met 20% elektriciteit, niet eens een systeem dat grotendeels geëlektrificeerd is. Vanwege de energietransitie is de wereldwijde vraag naar lithium dermate groot, dat in 2025 al tekorten verwacht worden (209). Bovendien zijn de kosten voor batterijopslag van energie exorbitant hoog. Batterijen die gebruikt worden om de infrastructuur te balanceren, kosten ongeveer 600.000 dollar per MWh (210). Nederland verbruikt ongeveer 328.767 MWh stroom per dag. Om in de energievraag van één dag te voorzien, zou voor 178 miljard euro in batterijen geïnvesteerd moeten worden.

Knelpunt: Grondstoffentekorten

Voor de overgang naar een energiesysteem dat voornamelijk op elektriciteit draait, zijn veel grondstoffen nodig. In het rapport ‘Halfway Between Kyoto and 2050: Zero Carbon Is a Highly Unlikely Outcome’ bespreekt de eerdergenoemde professor Smil de materiaalbehoefte van de wereldwijde energietransitie. Om alleen al de 1,35 miljard auto’s op aarde te vervangen door EV’s, zijn de volgende materialen nodig: • 150 miljoen ton koper • 40 keer zoveel lithium als momenteel wordt gedolven • 25 keer de hoeveelheid gedolven grafiet, kobalt en nikkel 84

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Robert Bryce, auteur van verschillende boeken over energie, berekende dat alleen om alle Amerikaanse auto’s elektrisch te laten rijden, de VS achttien keer de kobalt-productie van de wereld nodig heeft, negen keer de wereldproductie van neodymium, bijna zeven keer de lithium-productie, en vier keer de koperproductie. Dat is slechts voor auto’s; daarmee is de gehele economie, alle huishoudens en de industrie nog niet geëlektrificeerd (211). Om de gehele wereldeconomie uitstootvrij te maken zijn nog nodig: • 5 miljard ton staal • 1 miljard ton aluminium • 600 miljoen ton koper

“Een dergelijke behoefte aan delfstoffen geeft niet alleen technische en financiële uitdagingen, maar heeft ook milieu- en politieke implicaties”, merkt Smil op (212).

Knelpunt: Elektrificatie

“Elektriciteit als ruggengraat van het energiesysteem”, is de visie van de regering in het Nationaal Plan Energiesysteem (200). Zoals hierboven beschreven, blijft het systeem gas nodig hebben, zijn waterstof en batterijen onbetaalbaar, en veroorzaakt 9,35% van de totale energiebehoefte door zon en wind al in het hele land voor netcongestieproblemen. Alleen om de auto’s door EV’s te vervangen, zijn er al te weinig grondstoffen beschikbaar. Maar voor een emissievrije economie, moeten ook huishoudens en de industrie op elektriciteit overstappen. Smil legt uit wat dat betekent:

• 4 Terawatt (TW, 1012 = 4 biljoen Watt) aan elektriciteitsproductiecapaciteit die nu geïnstalleerd is in grote kolen- en gascentrales dient vervangen te worden door CO2-vrije bronnen; • Bijna 1,5 miljard benzine- en dieselmotoren in voertuigen moeten worden vervangen; • Alle landbouw-apparatuur en -voertuigen – waaronder ongeveer 50 miljoen tractoren en meer dan 100 miljoen irrigatiepompen, moeten worden omgebouwd naar elektrische aandrijving of naar niet-fossiele brandstoffen; • Er zijn nieuwe bronnen voor warmte, hete lucht en warm water nodig. Die worden nu gebruikt in een grote verscheidenheid aan industriële processen, zoals voedselconservering, ijzersmelten en glasfabricage. Deze processen gebruiken momenteel bijna 30 procent van alle fossiele brandstoffen; • Meer dan een half miljard aardgasovens in industriële, institutionele en commerciële ruimtes moeten vervangen worden door warmtepompen of andere warmtebronnen; • 120.000 koopvaardij- en containerschepen, die nu voornamelijk op zware stookolie en diesel­ olie varen, dienen van een andere aandrijving te worden voorzien; • 25.000 actieve vliegtuigen, die de basis vormen van het wereldwijde langeafstandsvervoer, hebben een nieuwe aandrijvingstechnologie nodig (batterijen zijn niet mogelijk, dan komt het vliegtuig niet van de grond) (212).

Tot nu toe is slechts twee procent van de auto’s geëlektrificeerd, bij de andere machines zijn nog weinig stappen gezet (211).

Knelpunt: Ruimte op land

Windturbines hebben veel ruimte nodig. De turbine zelf neemt ongeveer één hectare in beslag. En er kan dan geen turbine vlak naast worden geplaatst. Om voor een windturbine van 5,6 MW de volle wind te vangen, is 45 hectare nodig (4). Zon en wind nemen relatief veel ruimte in, en leveren weinig energie. Dit wordt uitgedrukt in energiedichtheid, de energie per vierkante meter. Fossiele en kernenergie nemen naar verhouding veel minder ruimte in. Zie Figuur 15 (213).

85

8 Energietransitie tegen welke prijs?

* 50 KILO STEENKOOL PER SECONDE

Figuur 15: 1 PJ = x windturbines, x zonneweide, x ha biomassateelt, x kolencentrale

Volgens de auteurs van het peer-reviewde rapport ‘Road to EU Climate Neutrality by 2050’, wordt het ruimtegebruik van energie en de kosten niet voldoende meegewogen in beleidskeuzes. Voor Nederland en de Tsjechische Republiek rekenden ze uit hoeveel land en zee voor de transitie nodig zijn. Zij komen tot de conclusie dat “in alle realistische scenario’s, er niet genoeg land aanwezig is om in de energiebehoefte te voorzien” (214). Onderstaande afbeelding laat zien hoeveel ruimte er nodig is van het totale landoppervlak voor het produceren van 500 PJ aan energie. Ter vergelijking: in 2022 verbruikte Nederland 2713 PJ; er is dus meer dan vijf keer de oppervlakte van de balkjes nodig (215). Deze inschatting is exclusief de ruimte die nodig is voor de uitbreiding van de infrastructuur. Om in de landelijke energiebehoefte te voorzien door zon, wind en waterstof, zal het hele land onherkenbaar verbouwd moeten worden. Nuclear

Solar Land Offshore Wind Onshore Wind Land 0%

10%

20%

Optimistic to Average

30%

40%

50%

60%

70%

80%

90%

100%

Average to Pessimistic

Figuur 16: The Netherlands - Area Required if Each Source Provides 500 PJ in Energy Annually

De energietransitie is overigens niet de enige transitie die aanspraak maakt op de ruimte in Nederland. Er wordt immers ook gewerkt aan een natuurtransitie, mobiliteitstransitie, stedelijke transitie en een transitie van het landelijk gebied. Voor de natuurtransitie is er bijvoorbeeld 702.000 hectare extra natuur nodig. Dit is meer dan de oppervlakte van de provincie Friesland. Met de ‘Contourennotitie nieuwe nota ruimte’ en de programma’s Novex en Mooi Nederland, is het kabinet Rutte IV gestart met de ‘Grote verbouwing van Nederland’ waarin al deze transities en 22 landelijke programma’s die aanspraak maken op ruimte in Nederland, worden samen gevoegd. In 2022 kregen de provincies een ‘puzzelopdracht’ om de eisen van de verbouwing vorm te geven. Statenlid van de BBB in Groningen, Eddie van Marum vertelt: “Willen we alle opgaven van het rijk realiseren, dan hebben we tweeënhalf keer de oppervlakte van Groningen nodig, merkten wij. Dat gaat niet lukken”. Wanneer het over de grote verbouwing van Nederland gaat, komt het mantra ‘niet alles kan’ vaak terug. Een kader voor hoe verschillende belangen tegen elkaar afgewogen worden, ontbreekt nog (21). Het is evident Nederland te klein is voor de ruimteclaims van alle transities. En wordt wel in acht genomen dat dit land al in gebruik en in eigendom is? 86

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Duurzame opwek

1.250-2.500 km2

wind op land

De ruimtelijke puzzel naar 2050 in beeld

3.800-7.200 km2

wind op zee

Groning

350-580 km2

Kabels

260-330 2 km ondergronds ruimtebeslag voor laag- en middenspanningskabels

en

zonneweides

2,5 x de aarde rond

100.000

Bovengrondse Ruimtebehoefte

4-6 km

kilometer tot 2050 elke maand kabels leggen van Groningen naar Maastricht

2

voor Regionale Netbeheerders

65-75 km2 voor TenneT

Leiden Zo e t e rm Delft

eer

Stations

Warmtetransport netten

Nieuw bouwen of uitbreiden

180-400 km

MS/LS-Stations: +48.000 (+50%) TS/MS-Stations: +670 (+36%)

Conversie en opslag

3-8 km2 Elektrolyse

Maastri

cht

23-33 km2 Grootschalige batterijen

Figuur 17: De ruimtelijke puzzel.

Knelpunt: Wind op zee, een ecologische ramp Om mee te denken met de oplossingen, stellen omwonendengroepen met regelmaat dat wind op land niet kan, maar dat wind op zee wel een oplossing is. Het is wellicht een oplossing voor de risico’s voor de gezondheid, maar dit is een zeer beperkte visie. Er zijn plannen voor vergaande ­industrialisering van de Noordzee. Tijdens de Noordzeetop in Oostende op 24 april 2023 tekenden Nederland, België, Duitsland, Denemarken, Ierland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en Luxemburg, voor een uitbreiding van 30.000 windturbines in de Noordzee in 2050. Voor Nederland betekent dit een uitbreiding van de huidige 289 windmolens op zee naar 2100 in 2030. De mogelijkheden voor een verdere uitbreiding naar 5000 turbines in 2040 en 72.000 in 2050 worden nader onderzocht (139). Die uitbreiding heeft significante effecten voor het hele Noordzeegebied. Wanneer deze plannen uitvoering krijgen, is er geen ruimte meer voor visserij. Daarnaast zijn de ecologische effecten niet te onderschatten. Tegelijkertijd is voldoende data voor het inschatten en mitigeren van risico’s, niet beschikbaar (216; 217). Volgens marien ecoloog professor Han Lindeboom, “moeten de effecten van windturbines in de Noordzee beter worden onderzocht en gemonitord. Het is mijn persoonlijke mening, dat ik hier wat voorzichtiger mee zou zijn. Zeker ook omdat ik de zee ken.

Bagatelliseer de effecten van die windmolens niet”. Met de huidige windparken op zee, merken vissers al veranderingen (218). Visser Dirk Kraak: “We merken nu al grote veranderingen in de zee. Dat hoor ik van alle vissers. Vooral de laatste paar jaar gaan de veranderingen heel hard. Er zijn veel minder vogels. De vissen zitten niet meer op de gebruikelijke plekken. Je vindt ze op andere tijden, op andere plekken en soms helemaal niet meer. De visstand wordt door wetenschappers van de overheid gemonitord. Ik vraag me af of zij deze veranderingen ook zien. Natuurlijk zijn we als vissers voor een beter milieu, als je energie opwekt waar we allemaal baat bij hebben, die efficiënt is, en die geen schade berokkent aan de natuur, dan zeg ik: ‘jongens, dat moeten we doen’. Maar nu wordt het met zo’n gang uitgerold zonder dat we goed weten wat de effecten zijn 87

8 Energietransitie tegen welke prijs?

op het mariene milieu, dan word je toch wel bezorgd. Dit is wel onze voedselbron waar we over praten” (150).

Het ongeluk met de bladbreuk van de Haliade X voor het eiland Nantucket (VS) in de zomer van 2024, laat de onvoorziene risico’s zien die aan de grootschalige uitrol van wind op zee kleven. Met uitbreiding van wind op zee neemt de kans op dergelijke ongevallen toe. Wat de risico’s zijn van de verspreiding van toxisch materiaal voor het watermilieu en voor de voedselketen is nog onduidelijk (133). Meer lezen? De volgende boeken leggen in meer detail uit wat de knelpunten van de windenergie en de energietransitie zijn: Windhandel ir. Bert van Weteringe De Groene Illusie ir. Maarten van Andel De Klimaatoptimist Arnout Jaspers

Kosten geen probleem, de burger betaalt Overheidsuitgaven De rijksoverheid geeft jaarlijks 4 tot 6,9 miljard euro uit aan klimaatmaatregelen, is te lezen in de Klimaatnota van 2022. Daarnaast is door het kabinet Rutte-IV een klimaatfonds ingesteld van 35 miljard euro. Met een aantal correcties komt dit bedrag in de praktijk dichter bij de 38 miljard euro te liggen (219). Het parlement dient de uitgaven van het kabinet te controleren, maar had moeite om een compleet en eenduidig overzicht te verkrijgen. Daarom ging de Algemene Rekenkamer de cijfers na. Zij ontdekten dat veel klimaatuitgaven niet in de Klimaatnota stonden: “Niet alle maatregelen van de Ministeries van EZK, BZK, IenW en LNV die bijdragen aan het behalen van klimaatdoelen, staan in de overzichtstabel van de Klimaatnota, de Miljoenen-nota, of in de overzichten in de begroting en het jaarverslag van het Ministerie van EZK”.

De volgende geldstromen, die nu nog niet in de klimaatuitgaven worden meegenomen, komen daar volgens de Rekenkamer wel voor in aanmerking: • uitgaven van de Ministeries van EZK, BZK, IenW en LNV die nu nog niet zijn opgenomen in de overzichten met klimaatmaatregelen; • uitgaven van andere ministeries; • uitgaven voor en door (revolverende) fondsen; • uitgaven voor en door Staats- en beleidsdeelnemingen; • uitgaven voor en door medeoverheden; • Nederlandse uitgaven voor buitenlands klimaatbeleid; • andere uitgaven, zoals die van de Europese Unie (EU) voor Nederlands klimaatbeleid Wanneer deze uitgaven wel zouden worden meegenomen, valt de Klimaatnota aanzienlijk hoger uit. Alleen voor de uitgaven aan de staatsbedrijven, gaat het al om vele miljarden. De netbeheerders zijn staatsbedrijven. De Europese netbeheerder TenneT ontving bijvoorbeeld alleen al 4 miljard euro vanwege een uitbreiding van haar taken (22). Om de netcongestie tegen te gaan, investeren de netbeheerders 8 miljard per jaar in uitbreiding van de infrastructuur (220).

Liander, Stedin, Enexis Netbeheer en TenneT geven aan dat ze tot 2050 gezamenlijk 102 miljard zullen moeten investeren in verzwaring van het net om natuurlijkafhankelijke stroom aan te kunnen (221). Deze kosten zullen via belasting en de energierekening door de burger worden betaald.

88

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Figuur 18: In de praktijk zijn er meer uitgaven voor klimaatbeleid dan worden gerapporteerd in de Klimaatnota.

Bovendien worden de belastingen op de energierekening die burgers betalen, niet gelabeld in de Rijksbegroting. Burgers betalen namelijk met deze belastingen, gezamenlijk de subsidies die beschikbaar worden gesteld voor de energietransitie-projecten. Gelabeld geld moet verantwoord worden uitgegeven aan datgene waarvoor het bestemd is; daardoor is het voor accountants controleerbaar. Niet gelabeld geld hoeft niet verantwoord te worden en kan binnen de begrotingspost uitgegeven worden naar een zekere willekeur van de beleidsmedewerker in overleg en samenspraak met de minister. Het is dan de vraag of het ooit gecontroleerd wordt. Daardoor kan de overheid deze uitgaven richting de burger niet verantwoorden. Tegelijkertijd nemen de belastingen voor energie- en klimaatmaatregelen voor burgers alleen maar toe, om alle maatregelen die nodig worden geacht voor de energietransitie te bekostigen. Denk daarbij ook aan de verwachte overschrijding van miljarden om de windparken op zee aan te kunnen sluiten op het net op het land (222).

© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL

89

8 Energietransitie tegen welke prijs?

De uitgaven van de Nederlandse overheid staan niet op zichzelf. Adviesbureau McKinsey schat in dat de mondiale uitgaven voor een emissievrije economie kunnen oplopen tot 275.000 miljard dollar (VS: 275 trillion). Volgens prof. Smil is dit waarschijnlijk een lage inschatting; kosten voor grote projecten vallen bijna altijd hoger uit. Hij verwacht dat de kosten 60% hoger uitvallen, en schrijft: “Daarmee zou de inschatting van McKinsey oplopen tot 440.000 miljard dollar, of bijna 15.000 miljard dollar per jaar gedurende drie decennia. Waardoor de welvarende economieën gedwongen worden om 20-25% van hun BBP aan de energietransitie uit te geven. Dat is maar een keer eerder in de geschiedenis voorgekomen, tijdens de vijf jaar van de Tweede Wereldoorlog” (212). De vergelijking met een oorlogseconomie wordt gemaakt door Kamerlid Lammert van Raan van de Partij voor de Dieren, in het voorstel om de bestaande klimaatwet aan te scherpen naar ‘klimaatwet 1.5’: “Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz stelde dat een oorlogseconomie nodig is om dit te realiseren. Laten wij het de ‘klimaateconomie’ noemen. De klimaateconomie waarin Nederland zo snel mogelijk een zo groot mogelijke bijdrage gaat leveren aan het voorkomen van een verdere opwarming van de Aarde” (223).

Risicovrij ondernemen voor de exploitant

De kosten voor het opwekken van energie met behulp van wind zijn hoger dan de marktprijs. In een vrije markt zou een dergelijk product de markt niet halen. Om wind op land toch rendabel te maken, vergoedt de overheid de ‘onrendable top’ met Stimuleringsregeling Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE) subsidie. SDE+ bijdrage

marktwaarde geleverde energie

kostprijs duurzame energie

Figuur 19: Werking SDE+. Bron: RVO.

Op basis van een rekenmodel en de inschatting van de gemiddelde windsnelheid op honderd ­meter hoogte, rekent de overheid de subsidie uit. Ze gaat daarbij uit van een rendement op eigen vermogen van 12% in 2020, en 15% in 2019 (142). De subsidies worden voor 15 jaar gegarandeerd. Dat maakt het voor banken interessant om in deze projecten te investeren, omdat dit vanwege de winstgarantie in feite een risicovrije investering is.

Zoals wel vaker het geval, komt het model niet geheel overeen met de werkelijkheid. Er blijken met regelmaat grote overwinsten gemaakt te worden, zo bleek uit onderzoek van universitair docent Daan Hulshof en hoogleraar Machiel Mulder van de Rijksuniversiteit van Groningen (RUG). Voor projecten in 2019 en 2020 werd 570 miljoen euro teveel uitgekeerd. Het werkelijke rendement van wind-op-land-projecten was niet de geraamde 12-15%, maar lag tussen de 1-77%, met een gemiddeld rendement van 47% per jaar. In het rapport ‘Verdeling onder hoogspanning’ onderzocht de Noordelijke Rekenkamer de verdeling van de kosten en baten van verschillende windparkprojecten. “De energietransitie is een veelomvattend onderwerp en nagenoeg iedere sector en iedere burger zal te maken krijgen met ingrijpende veranderingen. In dit onderzoek staan de verdeling van de kosten en de baten en de 90

8 Energietransitie tegen welke prijs?

vraag of deze verdeling rechtvaardig is centraal”, schrijven zij. Uit dit onderzoek blijkt ook dat de windparken zonder subsidie niet winstgevend zijn, en dat met de subsidie meerdere partijen, zoals de initiatiefnemer, energiecoöperaties, de grondeigenaar en zelfs de gemeente er goed aan verdienen. Zie hieronder Figuur 20 die de geldstromen in kaart brengt voor het windpark N33 (12). Een deel van de wind- en ook zonneparken zijn gedeeltelijk in handen van buitenlandse investeerders. Een aantal grote windturbineparken, onder andere in de Wieringermeer, leveren elektriciteit aan in Nederland gevestigde Amerikaanse datacenters, zoals Microsoft en Google. De parken worden gefinancierd met Nederlandse subsidies, die zijn opgebracht door de Nederlandse belastingbetaler via de energierekening. Tegelijkertijd hanteren de techbedrijven constructies om het betalen van belasting in Nederland te ontwijken (198). Zo vloeit geld van Nederlandse belastingbetalers weg naar buitenlandse partijen.

ee nt re

tv €1

inko m elek sten tric u ite i it e rk 8. oop 43 7.8 59

ch afs

totale

n

k r ban naa 4 ng .095.42 i s os € 14 a

ringen veste g in 2.562.804 n i € rijv

le kosten atione oper € 10.009.837

inkomsten

B OZ

pach

exploitanten

t ui n te 03 s m 7 inko.439. € 18

totale wins t ex

afdra cht in plo ita nt (vo or a

gebiedsf

onds € 156.450

rek b € 10 elasting) .053.047

tink om ste

ng

ron deig e € 1.7 naren 20.953

(o ig er ov

SD E+

€ 36.877.562

te gemeen sten m 6 1 6 . 7 4 6 o € -ink

nd er ho € 7 ud e.d. ) .64 1.223

Figuur 20: Stroomdiagram met geschatte geldstromen in het eerste jaar na oplevering bij windpark N33. Bron: Noordelijke Rekenkamer.

De Energierekening De energietransitie wordt niet alleen via belasting en subsidies gefinancierd, maar ook via de energierekening. Voor de consument stegen de leveringstarieven in 2021 met maar liefst 350%; dat vertaalt zich in een rekening die voor een gemiddeld huishouden op jaarbasis 1.700 euro meer kost. De prijs voor energie nam met 86% toe, wat neerkomt op 1.321 euro (224). In 2023 kwam daar nog een keer 630 euro bovenop voor energie (225). De stijging van de energierekening wordt vaak mede geweten aan de geopolitieke situatie. Dat is niet geheel juist. Een groot deel van de stijgende kosten heeft met de investeringen in de infrastructuur te maken, dat zijn beleidskeuzes gerelateerd aan de energietransitie. Daarnaast heft de overheid een zeer hoge energiebelasting. In het paper ‘Overheid veroorzaakt energiearmoede’, rekenden de Democraten voor Duurzaamheid na dat sinds 2013 de energiebelasting bijna verviervoudigd is (226). Wanneer de energierekening in verschillende landen naast het opgesteld vermogen aan zon en wind gelegd wordt, blijkt deze proportioneel toe te nemen naarmate er meer natuurafhankelijke energie op het net is (zie Figuur 21). Lagere en zelfs middeninkomens hebben door de energieprijsstijgingen steeds meer moeite om rond te komen. In 2022 werd daar een nieuw woord voor geïntroduceerd: energiearmoede.

De prijsstijgingen uiten zich in de energierekening, maar ook in inflatie. De energieprijs wordt immers ook in goederen doorgerekend. 91

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Figuur 21: Energiekosten versus duurzaam vermogen. Bron: Eurostat.

Daling in huizenprijzen door windturbines is ‘maatschappelijk risico’ voor huiseigenaar De meeste mensen willen niet nabij een windpark wonen. Dat zie je onder andere terug in het feit dat woningen nabij windparken minder waard worden. TNO onderzocht de verwachte impact van de groei van wind op land op de huizenprijzen, en schat dat er ongeveer een waardeverlies van 15,5 miljard euro zal optreden tussen 2020 en 2030 (met als uitgangspunt gelijkblijvende huizenprijzen). Volgens deze inschatting is het aantal huizen dat zich bevindt in een omtrek van 2,5 kilometer van windturbines, dan toegenomen van 900.000 in 2020 tot 1,6 miljoen in 2030. Er zijn in deze periode dan 1.400 windturbines op land bijgebouwd (105). De hoogte van de waardevermindering hangt sterk samen met de afstand van de windturbines. TNO rekent met drie tiphoogtes: <50 meter, 50-150 meter en >150 meter. De tiphoogte van 150 meter is nogal ruim gekozen, aangezien er al turbines van meer dan 250 meter gebouwd worden. Een turbine in de categorie >150 meter zorgt op één kilometer afstand al voor een waardeverlies van 10%. Het is aannemelijk dat met de grotere turbines, het waardeverlies hoger zal uitvallen, zie de extrapolatie in Figuur 22. 0%

50 m

Prijseffect (%)

75 m

-5%

100 m 125 m 150 m

-10%

175 m 200 m

-15%

-20%

225 m 250 m

0

500

1000

2000

1500

2500

Afstand tot windturbine (m) Tiphoogte < 50 m

Tiphoogte 50 - 150 m

Tiphoogte > 150 m

Figuur 22: De verwachte impact van windturbines op huizenprijzen in Nederland. Bron:TNO.

De aanvraag voor een schadevergoeding voor de prijsdaling van de woning, de planschade, moeten de bewoners zelf regelen. De juridische kosten daarvoor betaal je grotendeels zelf. Deze procedures kunnen lang in beslag nemen (227). De tegemoetkomingen gaan in principe uit van 92

8 Energietransitie tegen welke prijs?

een eigen risico van 2%, hoewel de Raad van State ook akkoord gaat met een eigen risico van zelfs 5%. Dit wordt beschouwd als een ‘maatschappelijk risico’ (152). “Of, en zo ja in welke mate en door wie woningeigenaren in de nabijheid van turbines moeten worden gecompenseerd voor hun relatieve woningwaardedaling, is een politieke keuze”, schrijft TNO.

Deïndustrialisering van Nederland: exodus van ondernemers en industrie

De gevolgen van het energiebeleid leiden niet alleen bij huishoudens tot energiearmoede, bij midden- en kleinbedrijven (MKB) leidt het tot faillissementen. Nederland is hierin koploper (228; 229). Naast de energieprijzen is de netcongestie een probleem voor bedrijven: in februari 2024 staan er 9400 bedrijven op de wachtlijst voor aansluiting op het net (230).

De wachtlijst verhindert de opstart van nieuwe bedrijven en de uitbreiding van bestaande bedrijven. Dat economische klimaat heeft zijn effect: in een enquête onder zeshonderd MKB’ers overwoog één op de vijf te stoppen met het bedrijf (231). Degenen die doorgaan, verplaatsen hun investeringen naar het buitenland. “Inmiddels gaan er meer investeringen Nederland uit dan erin komen. Uitbreiden en vervangen gebeurt steeds vaker in het buitenland”, waarschuwt VNO-NCW (232).

De industrie kan vanwege de energieprijzen niet met de VS en China concurreren. Zelfs in andere Europese landen liggen de kosten lager. De kosten in Duitsland, Frankrijk en België zijn naar schatting tussen de 15% en 66% lager dan in Nederland. De hoge energiekosten, samen met de aansluitingsproblemen en het tekort aan technisch personeel, jagen de industrie weg uit Nederland (233). Een op de drie internationale ondernemingen overweegt dan ook zich naar het buitenland te verplaatsen (234). Op 20 februari 2024 stuurden 1278 Europese bedrijven uit 25 sectoren een noodoproep naar de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen. Ze schrijven: “Europa heeft dringend een business case nodig. […] De energiekosten in Europa zijn simpelweg te hoog om concurrerend te zijn, en worden niet alleen gedreven door grondstofprijzen, maar ook door weten regelgeving. […] Een strategie voor autonomie en een concurrerende en veerkrachtige EU, is cruciaal in een veranderend geopolitiek landschap. Dit kan alleen worden bereikt als ook basis- en energie-intensieve industrieën blijven en investeren in Europa. Zonder een gericht industriebeleid dreigt Europa zelfs afhankelijk te worden van basisgoederen en chemicaliën. Dat kan Europa zich niet veroorloven” (235). “Dreigt de-industrialisatie in een groen Europa?”, kopt de website Made-in-Europe.

“Het wrange aan dit alles is dat vooral de Europese industrie wordt geraakt. En waarvoor? Als driekwart van de wereldwijde staalproductie uit China komt, waar ruim 90% van de hoogovens op kolen draait, wat helpen dan Europese maatregelen om hier de staalproductie te vergroenen waardoor de prijs fors stijgt en de industrie als gevolg daarvan wegtrekt? En dat geldt voor tal van sectoren. De EU kan wel een klimaatneutrale industrie willen, die moet wel kunnen concurreren met bedrijven in andere werelddelen. En vergeet niet dat de meeste groeimarkten buiten Europa liggen. Is dan een groen gedeïndustrialiseerd Europa het toekomstbeeld?” (236)

De netbeheerders houden rekening met de mogelijke deïndustrialisatie van Nederland. Het rapport ‘Het energiesysteem van de toekomst: de II3050-scenario’s’ schetst vier toekomstscenario’s. Drie van de vier houden rekening met deïndustrialisering. Men schrijft: “Welke industrie in de toekomst naar Nederland komt en/of in Nederland blijft, heeft een grote impact op de benodigde hoeveelheid duurzame opwekking, flexibiliteitsmiddelen en infrastructuur en dus de wijze waarop we het klimaatneutrale energiesysteem tot aan 2050 vorm moeten geven. In de marktgedreven scenario’s verplaatsen zeer energie-intensieve processen zich voor een deel naar regio’s waar duurzame energie goedkoper is”. 93

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Zij bevelen de overheid aan om te bepalen “welke energie-intensieve basisindustrie in het klimaatneutrale Nederland van 2050 past. Het vestigingsklimaat, industriebeleid en maatwerkafspraken zijn mede van belang voor wat de energie-intensieve industrie in de vijf clusters doet: investeren en nieuwe processen implementeren óf (gedeeltelijk) uit Nederland vertrekken. […] Omdat de energie-intensieve basisindustrie verantwoordelijk is voor bijna de helft van de energievraag in Nederland, heeft dit grote consequenties voor de benodigde hoeveelheid duurzame opwek, flexibiliteitsmiddelen en infrastructuur. Als dit tijdig gerealiseerd moet worden, dan moeten er nu keuzes gemaakt worden over de toekomst van deze industrieën” (205).

Figuur 23: Vier toekomstscenario's. Bron (205).

Het idee dat deïndustrialisatie noodzakelijk is voor een effectieve energietransitie, speelt niet alleen bij de netbeheerders, het komt ook naar voren uit overheidsrapporten. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schrijft in een reactie op het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) van de rijksoverheid: “Het NPE lijkt uit te gaan van een vrijwel onveranderde economische structuur van Nederland in 2050. Er is een aantal argumenten om die aanname nog eens tegen het licht te houden”. Vanwege de netcongestie wordt Nederland een minder aantrekkelijke vestigingslocatie, merkt het PBL op. “Voor sectoren die de mogelijkheid hebben om hun activiteiten te verplaatsen naar plekken waar hernieuwbare energie lokaal in voldoende mate beschikbaar is, kan het voor de hand liggen om dat op termijn te doen in plaats van deze grondstoffen om te zetten en naar Nederland te transporteren. Het is ook de vraag in welke mate deze sectoren nog voldoende toegevoegde waarde leveren om in Nederland te kunnen opereren” (237).

Het gevolg van het energiebeleid is dus deïndustrialisatie van Nederland en Europa. De gevolgen daarvan zijn niet te onderschatten. Een veerkrachtig MKB stimuleert innovatie en werkgelegenheid. De industrie trekt een ecosysteem van andere bedrijvigheid aan, van kennisontwikkeling tot ondernemerschap. Dit verjagen ondermijnt de welvaart en economie op lange termijn, en wat eenmaal is afgebroken wordt niet snel en eenvoudig weer opgebouwd.

Leidt het gevoerde beleid wel tot het beoogde doel?

In de debatten rondom de energietransitie lijkt het doel de middelen te heiligen. We moeten het klimaat redden door CO2 te reduceren en zo wereldwijde opwarming van het klimaat tegen te gaan. Hoe effectief is het beleid in het behalen van die doelen? Wanneer er tientallen miljarden worden uitgegeven, en de halve samenleving op zijn kop wordt gezet, zou er op zijn minst controle moeten zijn of dit beleid doelmatig en effectief is. In het onderzoek van de Rekenkamer op de klimaatuitgaven, ontbrak de evaluatie over wat met deze miljardenuitgaven nu eigenlijk bereikt wordt. In een Kamerdebat op 20 juni 2023 gaf toenmalig minister Rob Jetten daar inzicht in: een investering van 28 miljard euro zou theoretisch gezien leiden tot een wereldwijde reductie van 0,000036 graden Celsius (238). 94

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Los van de vraag of het klimaat, zoals de IPCC-modellen suggereren, als een soort thermostaat bijgestuurd kan worden, laat het antwoord van Jetten zien dat de impact van de energietransitie in Nederland op wereldschaal nihil is. Daarvoor worden wel de economie, werkgelegenheid, welvaart, volksgezondheid en de natuur opgeofferd.

Volgens de auteurs van ‘Road to EU Climate Neutrality by 2050’, heeft zelfs de energietransitie van de hele EU weinig effect op wereldschaal: “Een klimaatneutraal EU zal alleen het beoogde gunstige effect hebben op het reduceren van de wereldwijde temperatuurstijging wanneer er geen ‘koolstoflekken’ of andere uitbestedingen zijn, die tot nu toe consistent voorkomen. Zelfs wanneer in de EU het klimaatneutrale doel behaald, is de kans groot dat dit geen of weinig effect heeft op de gemiddelde temperatuurstijging op wereldniveau. (214). Deze waarschuwing wordt bevestigd door de data van het Statistical Review of World Energy, die de energie-expert Robert Bryce in een aantal verhelderende afbeeldingen samenvat (239). Tussen 2004 en 2023, is er wereldwijd 4.700 miljard dollar uitgegeven aan zonne- en windenergie. Het verbruik van fossiele brandstoffen nam drie keer sneller toe dan natuurafhankelijke stroom, met 120.000 PJ ten opzichte van 37.000 PJ voor zon en wind.

Figuur 24: Groei duurzame energie en fossiel.

In deze periode nam de CO2 uitstoot in de zes grootste economieën, Japan, het VK, Duitsland, de VS, India en China, toe.

Figuur 25: CO2-uitstoot.

95

8 Energietransitie tegen welke prijs?

Deze toename was met name aan China, en in mindere mate aan India te danken. De westerse landen reduceerden hun CO2-uitstoot, terwijl China 7.890 miljoen ton CO2, en India 1.855 miljoen ton CO2 meer ging uitstoten.

Figuur 26: Verandering in CO2-uitstoot.

Figuur 27: Steenkoolverbruik.

Terug naar de tekentafel? “Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen” Algemene wet bestuursrecht artikel 3:2

Zorgvuldig bestuur vereist een afweging van verschillende belangen. Bij de energietransitie wordt het belang van een uitstootvrij energiesysteem als zo noodzakelijk voorgesteld, dat andere belangen hieraan opgeofferd mogen worden. Dat er ook andere belangen spelen, wordt wel erkend. Het Nationaal Plan Energiesysteem noemt ook betrouwbaarheid, duurzaamheid, betaalbaarheid, veiligheid, leefomgevingskwaliteit, participatie, rechtvaardigheid en economische kracht als publieke belangen die met het energiesysteem gemoeid zijn. Echter, het kader om een afweging te maken tussen die belangen, ontbreekt, merkt het PBL op: “[het is] nog niet expliciet hoe deze belangen onderling worden gewogen en tot welke keuzes dit leidt. En juist om die afweging van belangen, en het op basis daarvan maken van moeilijke keuzes, gaat het. Want ook bij de energie96

8 Energietransitie tegen welke prijs?

transitie geldt: niet alles kan en zeker niet op hetzelfde moment. Zo lijkt klimaatneutraliteit van het energiesysteem ‘ver voor 2050’ het hoofddoel te zijn”. Het PBL raadt dan ook aan om “voor de te maken keuzes een afwegingskader te ontwikkelen voor de verschillende publieke belangen en bij belangrijke keuzes expliciet en transparant te maken hoe die belangen zijn gewogen” (237).

De kern van het probleem zit echter niet voornamelijk in de afweging tussen belangen, maar in de kennis over feiten. Die kennis gaat over mogelijke gezondheids- en milieueffecten zoals de SMB-richtlijn vereist, maar ook over een reële kosten- en batenanalyse en een brede impact-analyse, alsmede een evaluatie van de doelmatigheid van het gekozen beleid. Juist die informatie ontbreekt in de overheidsvisies en -plannen. Wat is de technische haalbaarheid van een elektriciteitssysteem dat draait op natuurafhankelijke energie, waterstof, batterijen en warmtenetten? Wat zijn de kosten op lange termijn? De rechtstreekse kosten, maar ook de indirecte kosten voor de economie, werkgelegenheid en welvaartsniveau? Hoeveel hectare is nodig voor al deze technologie, en is deze ruimte wel beschikbaar? Willen we landschap en natuur opofferen om het grootste deel van het landoppervlak in dienst te stellen van de energievoorziening? Waarom wordt er ingezet op beleid dat aantoonbaar niet doelmatig is, aangezien het niet leidt tot CO2-reductie op wereldschaal? Deze vragen zouden eerst kwantitatief beantwoord moeten worden om tot een geïnformeerde belangenafweging te komen.

97

8 Energietransitie tegen welke prijs?

© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL

98

8 Energietransitie tegen welke prijs?

9

Handelingsperspectief

Toolkit voor bezorgde burgers

“Besef wat er komt. Ik hoor veel te vaak spijt nadat de turbines geplaatst zijn. Als ik dit had geweten, was ik veel eerder in actie gekomen”. Peter de Lange

Ondanks dat al aan de RES-doelen is voldaan, gaat de uitrol van wind op land in een sneltreinvaart door. In ons dichtbevolkte land zijn de meeste dunbevolkte gebieden al van windturbines voorzien. De plekken die overblijven, liggen daardoor per definitie dichter bij woonwijken. Gezien de ervaringen van omwonenden van bestaande windparken, en de toenemende wetenschappelijke bewijslast voor de gezondheidsrisico’s van industriële windturbines, maken burgers zich in toenemende mate zorgen als ze met plannen voor de bouw van een windpark geconfronteerd worden. Wat kun je daartegen doen? Hieronder volgen suggesties voor acties die proactieve burgers kunnen ondernemen, op basis van de ervaringen van bestaande omwonendengroepen.

Fasen bestuurlijke besluitvorming rondom windpark

Welke actie je het beste kunt ondernemen, hangt af van in welke fase van het besluitvormings­ proces een project zich bevindt. Hierbij zijn grofweg drie fasen te onderscheiden, geeft advocaat Peter de Lange aan in een presentatie voor de belangenvereniging van omwonenden van wind­ turbines NLVOW: ten eerste de planvorming, vervolgens de bestuurlijke besluitvorming en tot slot juridische actie (240).

Planvorming

In alle RES-regio’s zijn zoekgebieden aangewezen. Dit zijn plaatsen waar potentieel windparken geplaatst kunnen worden. Deze zoekgebieden worden vervolgens door besluiten van provincies en gemeenten bekrachtigd. De ervaring leert dat er al kaarten rondgaan van zoekgebieden, en dat gronden worden opgekocht, voordat deze publiekelijk bekend zijn gemaakt. Door het vaststellen van de zoekgebieden staan deze gebieden open voor een vergunningsaanvraag door exploitanten. Voor deze plannen dient een plan-MER te worden uitgevoerd (241).

Voordat er een bestuurlijk besluitvormingsproces plaatsvindt, is er doorgaans al overleg tussen bestuurders en potentiële exploitanten en ontwikkelaars. In deze fase benaderen initiatiefnemers grondeigenaren, of kopen ze grond op (242). In principe moeten omwonenden in deze fase van het proces al betrokken worden. De praktijk leert dat dit doorgaans niet, of minimaal gebeurt (97; 100; 3). Voordat er een definitieve vergunningaanvraag of melding wordt gedaan van plannen voor de bouw van een windpark, kunnen initiatiefnemers een conceptverzoek indienen. Voor invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 heette dit principeverzoek. De initiatiefnemers laten dan het bevoegd gezag hun aanvraag bij voorbaat controleren (243). Voordat zij een con-

99

9 Toolkit voor bezorgde burgers

ceptverzoek indienen is er contact met de gemeente of provincie. Zij laten zich daarbij ondersteunen door adviesbureaus zoals Arcadis, Pondera of Bosch & Van Rijn. Wanneer er vervolgens genoeg zicht is op de haalbaarheid van het initiatief, wordt het conceptverzoek ingediend. Van Mook legt uit: “Dit verzoek hoeft niet gepubliceerd te worden. Dat betekent, dat de vergunningaanvraag heel lang bekeken kan worden met overleg tussen beide partijen (ambtenaren en vergunningaanvrager) zonder dat de burgers iets weten. Wanneer de vergunningaanvraag dan gedaan wordt, is feitelijk de aangevraagde omgevingsvergunning technisch gereed en in orde. Dat is nogal sneaky, want vanwege alle inspanningen door het bevoegd gezag in overleg met de aanvrager, wordt door de goedkeuring de indruk gewekt dat nu alles ok is en dat de vergunning ook verleend kan worden”. Dit conceptverzoek heeft nog geen juridische status, geen uiterlijk beslistermijn en is geen onderdeel van de wettelijke aanvraagprocedure (243).

Wanneer er een positieve reactie is op het conceptverzoek, sluiten de initiatiefnemer en de gemeente of provincie een anterieure overeenkomst. Deze legt een inspanningsverplichting van de gemeente of provincie jegens het project vast (244). Van Mook: “Let wel, dit gaat om een inspanningsverplichting en geen prestatieverplichting. De VNG heeft dat ook duidelijk omschreven in de door haar beschikbaar gestelde modelovereenkomst, dat men te maken heeft met een politiek proces waardoor de overeenkomst geen garanties geeft voor het afgeven van een vergunning. Doet een wethouder dat wel, dan wijkt hij af van de modelovereenkomst en gaat hij buiten zijn boekje. Om af te kunnen wijken, heeft hij mandaat nodig van de Raad, immers als hij garantie geeft op het verkrijgen van een vergunning zou er bij het niet leveren van de prestatie een schadeclaim kunnen volgen. De anterieure overeenkomst is vooral bedoeld om de exploitant een bepaalde zekerheid te geven dat het vergunningtraject is ingezet en het bevoegd gezag daaraan een inspanning wil geven, zodat deze leningen kan aanvragen bij de bank en dat soort zaken”.

Bestuurlijke besluitvorming

Welk gezag bevoegd is om te besluiten over de windparkplannen, is afhankelijk van het vermogen dat opgesteld gaat worden. Gemeentes zijn verantwoordelijk voor individuele windturbines, dat zijn één of twee turbines, en windparken tot 5 megawatt. Een windpark is een installatie van drie of meer turbines (245). Provincies gaan over windparken tussen de 5 en 100 megawatt. Gedeputeerde Staten kunnen ervoor kiezen een gemeente als bevoegd gezag aan te wijzen (246). Windparken vanaf 100 megawatt worden vanuit het rijk geregeld. Bevoegd gezag:

Vermogen windpark

Gemeente

Tot 5 megawatt (MW)

Provincie

5 tot 100 MW

Rijk

Vanaf 100 MW

Bron: (246)

De omgevingsvisies op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau beschrijven de lange-termijnambities voor een gebied. Deze visies worden vervolgens in gemeentelijke en provinciale omgevingsplannen meer geconcretiseerd. Wanneer er besluiten worden genomen over een windparkproject, moet dit in lijn zijn met de bestaande beleidslijnen die in de omgevingsvisies- en plannen zijn uitgezet. Dit is een belangrijk onderdeel van de toetsing door de Raad van State, want deze beoordeelt of de bestuurlijke besluitvorming correct is verlopen. In een zaak van potentiële omwonenden tegen de bouw van een windpark bij Eefde (Zutphen), bleek bijvoorbeeld dat de voorschriften in het bestemmingsplan over de landelijke inpassing niet specifiek genoeg waren. Deze bevinding was bepalend voor vernietiging van de plannen door de bestuursrechter (153). Op vergelijkbare wijze werden plannen voor het plaatsen van drie windturbines bij recreatiegebied Zeumeren vertraagd doordat het plaatsen van een windpark in strijd was met de gebiedsvisie Zeumeren. 100

9 Toolkit voor bezorgde burgers

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16265813/1