7 b&w BIJLAGE Het-Windmolendrama
Tekst van het document
2021
Uitspraak van de Nederlandse Raad van State in de zaak Delfzijl: in navolging van de Nevele-uitspraak stelt de Raad van State de Nederlandse windturbinenormen buiten werking. Deze zijn niet rechtmatig tot stand gekomen. Om te voldoen aan de eisen van de SMB-richtlijn had voor invoering van de normen een milieueffectrapportage uitgevoerd moeten worden.
2021
Windturbines op land: 10.028 (CBS), toename windturbines sinds 2011: 5.730
2021
Tussenuitspraak Afdeling bestuursrechtspraak (171) Volgens de Raad van State mogen lagere overheden in hun omgevingsplannen eigen normen stellen.
2021
Start MER-procedure: Publicatie Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD), mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen van 23 december 2021 tot 16 februari 2022 (172).
2022
Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken (TOW): de AMvB stelt de oude windturbinenormen van het Activiteitenbesluit uit 2011 weer in werking, zodat de bestaande windturbineparken binnen de wet blijven opereren.
2023
Uitspraak Rechtbank Midden-Nederland: de Tijdelijke overbruggingsregeling windturbineparken is in strijd met de SMB-richtlijn (173).
2024
Uitspraak Swifterbant: het verzoek om in 2018 verleende omgevingsvergunningen voor het windpark Windplan Blauw in te trekken, is afgewezen. In de uitspraak wordt de onrechtmatigheid en strijd van de vergunningen met het Unierecht vastgesteld, maar wordt omwille van de rechtszekerheid van exploitanten de bestaande situatie intact gelaten (174; 169).
65
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
© MKFOTOGRAFIE | CLINTEL.NL
66
6 Ernstige overlast leidt tot rechtszaken
7
MER-onderzoek
Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
Het MER-procedure-proces voor het opstellen van een nieuwe norm De Delfzijl-uitspraak stelde de normen van het Activiteitenbesluiten uit 2011 buiten werking. Om aan de eisen van de Europese wetgeving te voldoen, moet voordat de nieuwe normen worden geïntroduceerd, eerst een milieueffect-onderzoek plaatsvinden. Het doel van dit onderzoek is het laten meewegen van milieubelangen in plannen en besluiten van de overheid. De MER informeert dus beleidskeuzes.
Er zijn twee soorten MER’s: de plan-MER en de project-MER. De eerste gaat over plannen en programma’s. Dit gaat doorgaans over overheidsactiviteiten, bijvoorbeeld een plan voor de aanleg van een windpark. De project-MER gaat over de bouw zelf. Deze informatie wordt meestal door de private partij aangeleverd. Het MER-proces verloopt als volgt: in een onderzoeksvoorstel wordt eerst bepaald welke onderwerpen hoe onderzocht gaan worden. Dit is de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De uitkomst van het onderzoek is de plan-MER. Beide documenten worden aangeboden voor publieke consultatie; daar kunnen zienswijzen op ingediend worden. Zie de tijdlijn voor de MER-procedure in de onderstaande tabel. Tabel: Tijdlijn van het traject voor het milieueffectrapport en het opstellen van de milieuregels voor windturbines Wanneer
Mijlpaal
23 december 2021 tot 16 februari 2022
Publicatie Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) en indienen zienswijzen .
3 maart 2022
Advies van de Commissie MER over de NRD.
30 augustus 2022
Reactienota over de zienswijzen op de NRD.
12 oktober t/m 22 november 2023
Publicatie Ontwerpbesluit windturbines leefomgeving en bijbehorend milieueffectrapport en indienen zienswijzen
Naar verwachting: najaar 2024
Reactienota op het ontwerpbesluit en het milieueffectrapport
Naar verwachting: najaar 2024
Voorhang van het ontwerpbesluit bij de Eerste en Tweede kamer en politieke behandeling.
n.n.b.
Advisering door Raad van State en nader rapport door Staatssecretaris Infrastructuur en Waterstaat
Juli 2025
Publicatie in het Staatsblad en inwerkingtreding van de wijzigings-AMvB.
Bron: (175) (176)
Op deze planning is de nodige kritiek. Hoewel er zeer veel aanwijzingen zijn dat windturbines gezondheidsschade veroorzaken, ontbreekt goed, gedegen en onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Voor dergelijk onderzoek is tijd nodig. De gegeven tijdlijn biedt niet de ruimte voor het uitvoeren van dat onderzoek. 67
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
In een zienswijze schrijft emeritus-professor Albert Koers: “In de NRD staat een schema met de tijdslijnen (p.11) die inderdaad nieuwe bepalingen opleveren per medio 2023, maar nergens wordt onderbouwd dat die tijdslijnen haalbaar zijn: het lijkt eerder een weergave van een politiek wensbeeld, dan een op analyse en reflectie berustende planning […]. Het lijkt een quickie, een soort voorstudie voor het planMER. Daarin is er geen tijd voor gedegen onderzoek naar gezondheidsschade, daar hoort ook veldonderzoek en metingen bij, dat kan nooit in anderhalf jaar. Deze aanpak is gewoon een excuus om zo snel mogelijk nieuwe normen aan te nemen (177). Ook de NLVOW, de belangenvereniging voor omwonenden windturbines, heeft kanttekeningen bij de tijdlijn: “Gelet op de voorliggende planning is de planMER procedure in komende maand augustus gereed. Voor die tijd is het niet mogelijk om (goed) veldonderzoek te doen naar de gezondheidseffecten en daarmee dus uitgesloten. Dat was nou juist een belangrijk punt in de SMB” (178). “Onze algemene indruk van de ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMER Windturbine-bepalingen Leefomgeving’: men wil gewoon dóór met de bouw van turbines zoals dit nu gebeurt, en liefst op zo kort mogelijke termijn, op zo’n groot mogelijke schaal.
De doelen van de energietransitie worden boven het belang van omwonenden gesteld”, schrijft het artsencollectief Windwiki (28).
Lid van de branchevereniging windparken voert onderzoeken uit en schrijft normen in samenwerking met de rijksoverheid
Het adviesbedrijf Arcadis wordt door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat gevraagd om de MER-onderzoeken uit te voeren. In het persbericht ‘Arcadis helpt rijk met windturbinebepalingen leefomgeving’ van 25 november 2021, kondigt Arcadis trots de opdracht aan: “Het op gang houden van de vergunningverlening van windparken is van groot maatschappelijk belang”. Een milieuadviseur die meewerkt aan het onderzoek vertelt: “We moeten kunnen doorgaan met de aanleg van windmolenparken op land. Dit alles moet natuurlijk binnen de wettelijke kaders gebeuren. De normen voor onder meer geluid en gezondheid waren juridisch niet voldoende afgehecht, maar inmiddels zijn er ook nieuwe inzichten. Ik vind het dan ook een grote uitdaging om met het rijk te werken aan juridisch herstel bij de totstandkoming van de windturbinebepalingen en een inhoudelijke update daarvan. Met dit strategische plan-MER kunnen we helpen om de doelen rondom de energietransitie te realiseren en tegelijkertijd zorgen voor milieubescherming voor burgers”.
De keuze wekt verbazing: Arcadis is geen onafhankelijk wetenschappelijk instituut, maar een ingenieurs- en adviesbedrijf dat bekend staat om zijn nauwe banden met de windlobby (85; 179; 180). Het bedrijf is een betalend lid van de NWEA, de Nederlandse Windenergie Associatie, dat zich inzet voor uitbreiding van wind op land en zee5. Op de bedrijfswebsite wordt een grote verscheidenheid aan diensten ter ondersteuning van de energietransitie aangeboden: “Bij Arcadis erkennen we de cruciale rol van de energiesector in de transitie die voor ons ligt. We streven ernaar om in elke fase van jouw transitie samen te werken door de route te bepalen en prioriteiten te stellen. […] Bij Arcadis zetten we onze expertise in om je te helpen de energietransitie te volbrengen” (181). Het adviesbureau is bijvoorbeeld mede-initiatiefnemer voor een windpark in Venlo, en werkte mee aan de ontwikkeling en het akoestische onderzoek voor het windpark (180). Het MER-onderzoek was niet het eerste onderzoek dat Arcadis voor de overheid uitvoerde. In 2021 werd het bedrijf gevraagd voor het onderzoeken van de effecten van afstandsnormen op de gezondheid en leefkwaliteit van omwonenden. Het onderzoek werd ingesteld naar aanleiding van een motie van Kamerleden Silvio Erkens en Renske Leijten, die met 133 stemmen was aangenomen.
Uiteindelijk werd, ondanks de specifieke onderzoeksopdracht, gezondheid niet onderzocht. 5
68
De NWEA is recent omgedoopt tot NedZero. Arcadis staat op deze nieuwe website niet als lid. Ten tijde van het verlenen van de opdracht stond Arcadis wel als lid op de site van de NWEA. 7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
Onder druk van de belangenvereniging voor omwonenden NLVOW werd ‘gezondheid’ uit de titel van het onderzoek gehaald, dat nu luidt ‘Onderzoek afstandsnormen windturbines’ (182; 179; 183).
De keuze voor Arcadis roept dan ook vragen op over de onafhankelijkheid van het uit te voeren MER-onderzoek. Belangengroepen van omwonenden tonen weinig vertrouwen: “Wie verwacht dat het rijk zich ook aan zijn belofte houdt, komt bedrogen uit. Het rijk start, zoals voorgeschreven, de procedure om tot een plan-MER te komen met een Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) waarin staat beschreven welke onderwerpen moeten worden onderzocht om tot een evenwichtige plan-MER te komen, en hoe gedetailleerd die onderzoeken moeten zijn. Aan wie geeft het rijk de opdracht die NRD te schrijven? Arcadis! En dat is te merken, de notitie vertoont ernstige gebreken en loopt dan ook flink wat zienswijzen op”, schrijft Fred Jansen van het Nationaal Kritisch Platform Windenergie (NKPW) in de blog ‘Windlobby schrijft nationale milieuregels’. De NLVOW reageert verbaasd: “Hoe bestaat het dat de ministeries openlijk kiezen voor uitvoering door een bureau als Arcadis? Het kenmerk van een ingenieursbureau is immers dat ze problemen van hun broodheer oplossen, terwijl hier de afstand van de onafhankelijke wetenschap nodig is. Het NLVOW pleit voor overnieuw beginnen aan Afstandsnormen en MER Windturbinebepalingen met een andere schrijvende partij, zonodig uit het buitenland” (184).
In een interview met Follow the Money stelt Herman Bröring, hoogleraar bestuursrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen: “Hiermee heb je de schijn tegen en dat is slecht voor het vertrouwen van burgers. Bovendien zullen mensen er in procedures een punt van maken. Als ze gelijk krijgen, moet werk worden overgedaan en ben je nog langer onderweg met het vaststellen van nieuwe normen” (180).
Ernstige tekortkomingen van het MER-onderzoek
Het MER-onderzoek schiet op veel punten tekort. De zorgen om de tekortkomingen, en verzoeken en voorstellen voor adequaat onderzoek, zijn in honderden zienswijzen met de overheid gedeeld. Op de NRD zijn 328 zienswijzen ingediend, waarvan er 111 afkomstig waren van organisaties. De meeste reacties op de NRD kwamen uit Gelderland (185). Op de plan-MER kwamen aanzienlijk meer reacties: er werden in totaal 545 zienswijzen ingediend, waarvan 417 van de zienswijzen afkomstig waren van particulieren. De meeste reacties kwamen uit Deventer, waar nabij de woonwijken Colmschate en de Vijfhoek, en het dorp Bathmen een windpark gepland wordt (172). Tabel: Aantal zienswijzen. Zienswijzen
NRD
Plan-MER en windturbinebepalingen
Totaal
328
545
Organisaties
111
128
Particulieren
217
417
Buitenland België Duitsland Denemarken Luxemburg
4 1 0 0
6 0 1 1
Het onderstaande is een samenvatting van de belangrijkste tekortkomingen in het MER-onderzoek. De volgende zienswijzen zijn erg informatief, en zijn de moeite waard om in hun geheel terug te lezen:
• Voor bestuurskundige kritiek, zie de zienswijze op het NRD van prof. Koers (177). • Voor een wetenschappelijk perspectief op de risico’s voor de gezondheid, zie de zienswijzen van het artsencollectief Windwiki op het NRD (28) en op de windturbinepalingen (98). • Voor kritiek van ervaringsdeskundigen met diepgaande dossierkennis, zie de zienswijzen van de burgerbelangenverenigingen NLVOW en NKPW op zowel de NRD (178; 110) als de wind turbinepalingen (186; 110). 69
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
Tekortkoming: De procedure-eisen van de SMB-richtlijn worden niet gevolgd Ten eerste ontbreekt volgens prof. Koers een analyse van de wettelijke eisen van de SMB-richtlijn. Deze bevat bindende instructies waar het MER-onderzoek aan moet voldoen. Koers waarschuwt: “Het komt mij voor dat het zaak is die eisen serieus te nemen, nu immers de oorsprong van de huidige problemen juist ligt in het niet in acht nemen van het Unierecht bij het vaststellen in 2010 van de nu gewraakte windturbinebepalingen”, en raadt aan deze analyse wel te maken, om “te voorkomen dat in de toekomst ook de nieuwe windturbinebepalingen niet blijken te voldoen aan die eisen” (177) . De SMB-richtlijn is namelijk zeer specifiek over de informatie die in het milieurapport opgenomen dient te worden. Het rapport moet onder andere bevatten: • Alle bestaande milieuproblemen die relevant zijn voor het plan of programma. • De mogelijke aanzienlijke milieueffecten, bijvoorbeeld voor de biodiversiteit, bevolking, gezondheid van de mens, fauna, flora, bodem, water, lucht, klimaatfactoren, materiële goederen, cultureel erfgoed, met inbegrip van architectonisch en archeologisch erfgoed, landschap en de wisselwerking tussen bovengenoemde elementen. Hieronder vallen secundaire, cumulatieve, synergetische, blijvende en tijdelijke, positieve en negatieve effecten, alsmede effecten op korte, middellange en lange termijn.
• De voorgenomen maatregelen om aanzienlijke negatieve effecten op het milieu van de uitvoering van het plan of programma te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen. • Een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen (159).
De milieueffectbeoordeling wordt gezien als een belangrijk instrument, omdat “zij garandeert dat reeds tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van die plannen en programma’s met de effecten van de uitvoering daarvan rekening wordt gehouden” (159). En daarin schuilt een knelpunt. In de planning van het rijk lopen het onderzoek naar de mogelijke effecten van nieuwe normen gelijk op met het ontwerpen van die normen zelf. Bovendien stemmen de onderzoekers daar tussentijds met ambtenaren over af. Arcadis schrijft: “Het opstellen van de windturbinebepalingen en de plan-MER is een parallel verlopend, iteratief en interactief proces. Er zijn diverse ambtelijke afstemmingen gepland om (tussen-)resultaten vanuit de planMER in de AMvB op te nemen” (187). “Dit roept ernstige twijfels op”, schrijft het NKPW. Want wetenschappelijk onderzoek begint met waarnemen, pas daarna komt de tijd voor resultaten en conclusies (110). Volgens het NLVOW is dit “in het bijzonder onaanvaardbaar want dit leidt echter tot een totale ontkrachting van de essentie van de MER: eerst informeren en dan beslissen. (178). Hiermee schendt de NRD een essentieel uitgangspunt van het gehele MER-systeem, volgens prof. Koers. “Dat de onderzoekers bij het uitvoeren van het onderzoek als voorzien in de NRD in onafhankelijkheid en objectiviteit hun werk kunnen doen.
[…] Essentieel is dan een transparante en duidelijke rolverdeling tussen de partijen die betrokken zijn […]. Kern daarvan is dat na het vaststellen van de NRD de onderzoekers in alle vrijheid hun gang kunnen gaan om te onderzoeken wat onderzocht moet worden en dat zowel belanghebbende partijen als overheden lopende het onderzoek op ‘arm’s length’ blijven. In deze aanpak kunnen het onderzoek van de plan-MER en de uitkomsten daarvan nooit aanspraak maken op onafhankelijkheid en objectiviteit” (177).
Bovendien is het onderzoek niet puur gericht op het vergaren van kennis over milieueffecten, maar wordt er rekening gehouden met het effect dat de resultaten van het onderzoek zullen hebben op plaatsingsruimte voor windturbines. Een doelstelling van het onderzoek is volgens Arcadis een planMER dat bijdraagt aan het ontwikkelen van moderne windturbinebepalingen die “rekening houden met de (milieu)gevolgen voor de leefomgeving, toekomstige ontwikkelingen en met overige nationale belangen zoals de energietransitie”. Het adviesbedrijf gaat ervan uit dat “vrijwel zeker windturbines op land gerealiseerd [blijven] worden de komende jaren. Op korte termijn zullen de vergunde, maar nog niet gerealiseerde windturbines, gerealiseerd worden. Maar ook het plaatsingspotentieel voor windturbines op de langere termijn is relevant voor de effectbeoordeling voor het referentiejaar 2030 en de kwalitatieve doorkijk naar 2050” (187). Koers zegt hierover: “Vanuit de eis 70
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
van onafhankelijkheid en objectiviteit is het principieel niet aanvaardbaar dat de NRD voorschrijft dat er in het plan-MER-onderzoek en in de op te stellen MER al direct rekening wordt gehouden met beleidsdoelen zoals ruimte vinden voor meer windparken op land. Een MER en een MER-rapport informeren en pas daarna beslissen de beleidsmakers. Zie artikel 3:2 Awb” (177).
Tekortkoming: De referentiesituatie – een onrechtmatige situatie wordt als uitgangspunt genomen
De NRD gaat uit van een referentiesituatie waarin “tot voor kort” de normen van 47 dB Lden overdag en 41 dB in de nacht golden. Die normen zijn echter onwettig verklaard, en een onwettige situatie is geen goede referentiesituatie. Burgerbelangenvereniging NLVOW stelt: “De concept‐ NRD besteedt veel overbodige pagina’s aan de MER‐referentie‐situatie. Deze situatie moet teruggrijpen op, c.q. hervatten op voor het Activiteitenbesluit, namelijk volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 2004. En eigenlijk de Circulaire Industrielawaai van 1979‐2001. In de laatste mag ’s nachts elk industrielawaai de stilste 95% van LAeq achtergrondgeluid niet overschrijden” (88). Die handreiking industrielawaai ging uit van 40 dB overdag en 30-35 dB in de nacht – met een meting op locatie, geen jaargemiddelde. Omdat Nederland zo dichtbevolkt is, zou er met de absolute norm van 40 dB uit de Handreiking industrielawaai, op slechts 2% van het grondoppervlak plaatsingsruimte voor windturbines overblijven (98; 46).
Tekortkoming: De normen van het Activiteitenbesluit komen terug en er wordt slechts één norm-variant onderzocht
De SMB-richtlijn vereist dat de milieu-impact van verschillende varianten van een plan onderzocht worden. In deze plan-MER gaat dat dus over verschillende varianten van normen. Arcadis kiest voor een interessante ‘variant’, het herstellen van de situatie onder het Activiteitenbesluit: “Het Alternatief ongewijzigde regels in het plan-MER wordt gevormd door het uitgangspunt dat de windturbinebepalingen ongewijzigd terugkomen, dus zoals deze waren vóór de Delfzijl- uitspraak van de Afdeling”, want “voorgesteld wordt om op onderstaande geluidgerelateerde onderwerp geen varianten te onderzoeken in het plan-MER: Er komt geen soepelere geluidnorm (van meer dan 47 dB Lden), aangezien er geen gemotiveerde aanwijzingen zijn dat de normstelling uit het Activiteitenbesluit te streng zou zijn”. Er wordt wel erkend dat er behoefte is aan strengere normen, maar daarmee zou de plaatsingsruimte voor windturbines in het geding komen: “Er zijn pleidooien voor een strengere norm. Tegelijkertijd zijn er ook pleidooien voor het behouden van voldoende ontwikkelruimte voor windenergie op land om de klimaatdoelen te halen met een evenwichtige energiebronnen-mix” (187). Om in die behoefte te voorzien onderzoekt Arcadis, in lijn met de voorwaardelijke aanbevelingen van de WHO, één alternatief voor de ongewijzigde situatie: een ‘strengere’ geluidsnorm van 45 dB Lden.
Dat de WHO suggereert dat Lden geen geschikte maat is voor windturbinegeluid en aanvullende indicatoren specificeert, wordt niet genoemd. De WHO stelt bijvoorbeeld een maximaal geluidblootstellingsniveau voor bescherming tegen geluidspieken in de nachtperiode voor (59), maar Arcadis acht piekbelasting niet relevant voor windturbines: “LAmax [maximaal geluidblootstellingsniveau] wordt vooral toegepast bij industrielawaai (bijvoorbeeld een heistelling), waarbij kortstondige hoge piekbelastingen kunnen optreden. Bij windturbines treedt de ‘piek’, als die al van toepassing is, op bij het passeren van het blad langs de mast. Deze pieken zijn echter niet vergelijkbaar (kortstondig, veel minder hoog, etc.)” (187). Met betrekking tot het verkennen van varianten, maakt prof. Koers een interessante opmerking: “Is het überhaupt mogelijk om op landelijk niveau op een wetenschappelijk verantwoorde manier onderzoek te doen naar de milieueffecten van windturbinebepalingen voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid? Of zijn die milieueffecten altijd zodanig locatie-specifiek 71
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
dat wetenschappelijk verantwoorde conclusies op landelijk niveau eigenlijk niet mogelijk zijn?” (177). In dat geval zouden landelijke normen slechts kaders moeten stellen, zoals het geval was bij de Handreiking industrielawaai, Die kaders geven vervolgens handvatten voor het nemen van specifieke beschermingsmaatregelen op lokaal niveau, door bijvoorbeeld aan te geven hoeveel van het lokale achtergrondniveau afgeweken mag worden.
Tekortkoming: De jaargemiddelde Lden-norm staat niet ter discussie
Lden, de controversiële jaargemiddelde meting die voor zoveel problemen zorgt, staat in de NRD en de plan-MER niet ter discussie. Bij voorbaat wordt dus aangenomen dat deze gehanteerd zal blijven. Bij de zienswijzen is er wel degelijk veel kritiek ontvangen op deze impliciete keuze. In de reactienota op de NRD is te lezen: “Meerdere indieners geven aan dat normen handhaafbaar moeten zijn op basis van metingen en niet op basis van modellen. De Lden-systematiek is niet handhaafbaar en niet meetbaar. Verder moet volgens hen handhaving door onafhankelijke partijen worden uitgevoerd, en nooit door de producenten of leveranciers, dit geldt ook voor metingen”. Het probleem ligt volgens het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat niet bij de meetmode, maar bij de beleving van omwonenden: “Een jaargemiddelde Lden-norm, zoals tot nu toe gebruikt werd, is voor overheden, ontwikkelaars en adviseurs goed werkbaar, maar door de loskoppeling met de momentaan beleefde geluidsniveaus, wordt een Lden-norm door omwonenden als onduidelijk ervaren” (185). “Er is gekozen om ook in de nieuwe windturbinebepalingen te werken met een normering voor geluidhinder op basis van Lden”, zo stelt het Ministerie. De keuze had op zijn minst onderdeel moeten uitmaken van het onderzoek en varianten in de plan-MER. Met als risico, volgens prof.
Koers, dat “het bestuur een norm vaststelt zonder zich geïnformeerd te hebben over de voor- en nadelen van de Lden-systematiek. […] En gaat er beslist worden zonder informatie over deze, voor omwonenden zo cruciale kwestie. Dit is een ernstige tekortkoming van de NRD, dus van de m.e.r. en de MER en dus van de op basis van die MER vast te stellen nieuwe regels en normen. Ook dit maakt die regels en normen aanvechtbaar“(177).
Bij het kiezen voor het herstellen van de onrechtmatige situatie van 2011-2021 gaat Arcadis uit van verouderd en onvolledig onderzoek over verwachte percentages ernstig gehinderden van 8,1% binnenshuis en 19,0% buitenshuis (188). Gezien de bewezen relatie tussen gezondheidsschade en geluid, overweegt de WHO de maximale percentages bij te stellen van 10% naar 5% (59; 98; 76). Er schuilt een risico in deze inschattingen van percentages maximaal gehinderden. Ten eerste liggen deze percentages in de praktijk, en volgens sommige andere onderzoeken, dichter bij de 30% dan tussen de 5-10%. Ten tweede: vijftien jaar geleden ging het nog om relatief kleine turbines in dunbevolkte gebieden. Bij een klein dorp gaat 30% over andere aantallen dan 30% van dichtbevolkte woonwijken met veel kinderen in Amsterdam, Eindhoven of Deventer.
Deze 30% gaat over geregistreerde klachten. Van Mook, die verschillende omwonendengroepen heeft ondersteund legt uit dat “niet iedereen die overlast ervaart klaagt en de mensen die wel klagen melden niet iedere ervaren overlast. In de praktijk is er een hoge drempel om te klagen. Men vraagt zich af, ben ik de enige? Doen ze wel iets met mijn melding? Waar moet ik melden? Veel exploitanten trachten de klachten af te vangen door te stellen dat omwonenden de klachten bij hen moeten melden, en niet bij de gemeente of Omgevingsdienst. Hierdoor worden deze klachten nooit officieel geregistreerd en ontstaat er geen basis voor het bevoegd gezag voor handhaving. Hierdoor kun je er vanuit gaan dat er veel meer klachten en belevingen zijn dan wat aan de oppervlakte komt”. In het hele land zijn er nu plannen om megaturbines naast dichtbevolkte woonwijken te plaatsen. Omdat, zoals de VROM-inspectie in het HUF-rapport zo treffend voorspelde, burgers door de jaargemiddelde norm niet beschermd worden, zorgt de oude situatie al voor alarmerende krantenkoppen, aanhoudende rechtszaken, Kamervragen en oproepen tot een moratorium. Burgerbelangenvereniging NKPW: “Wij herhalen ons pleidooi voor een direct meetbare actuele norm. Zo’n norm is transparant en naleving kan op ieder moment gecontroleerd en eventueel 72
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
gehandhaafd worden. Zo’n norm moet, zoals praktisch overal in Europa gebeurt, op het geluids niveau van de omgeving gebaseerd zijn” (96).
Tekortkoming: De afstandsnorm is geen afstandsnorm
“Gekozen is voor een harde norm met een afwijkingsmogelijkheid vanwege zwaarwegende belangen. Er moet een afstand van ten minste twee keer de tiphoogte van de windturbine in acht worden genomen”, is te lezen in de nota van toelichting bij de nieuwe windturbinebepalingen. Zelfs met een tiphoogte van 270 meter is de afstand dan slechts 540 meter, terwijl bekend is dat mensen in een straal van 2,5 kilometer overlast ervaren. Van deze norm kan vervolgens nog afgeweken worden ook. Van Mook legt uit: “Nederland heeft dan ook geen vastgestelde afstandsnorm. De meest gunstige locaties in Nederland zijn al bezet door industriële windturbines. Wat nu overblijft, zijn moeilijk inpasbare plekken. Daarom past een afstandsnorm niet. Zou er slechts een afstand van vier maal de tiphoogte worden aangehouden, dan kan er al geen nieuwe turbine meer geplaatst worden in Nederland. Dat geldt ook als de Lden wordt losgelaten als norm”.
Tekortkoming: Aan de inhoudelijke eisen van de SMB-richtlijn wordt niet voldaan, de impact op de volksgezondheid is niet onderzocht
Gezien de wereldwijde berichten en waarschuwingen van artsen over mensen die lijden aan het ‘windturbinesyndroom’ wanneer zij nabij windparken wonen, en de eisen van de SMB-richtlijn om effecten op de gezondheid te onderzoeken, zou je verwachten dat dit onderzoek centraal staat in de plan-MER. Het tegendeel is waar. Arcadis schrijft: “Gezondheid wordt in het planMER meegenomen in de vorm van de geluidsbeoordeling. De overige factoren met betrekking tot windenergie en gezondheid zijn veel minder eenduidig en vaak subjectief (denk aan de minder ervaren hinder als men betrokken wordt bij de ontwikkeling van een windpark) en worden daarom niet meegenomen onder het thema gezondheid”.
Hier wordt de oude truc toegepast: de effecten op de gezondheid worden afgedaan als het effect van een subjectieve ervaring. Op deze manier wordt de noodzaak tot gedegen en onafhankelijk onderzoek gepareerd. (177). Voor kennis over de effecten van de subjectieve ervaring van geluid is een aantoonbaar incomplete literatuurstudie uitgevoerd, die voornamelijk uitgaat van de rapporten van het RIVM. De reactienota op de NRD geeft aan dat het RIVM werkt aan een update van de literatuur-review uit 2020, maar deze kan “niet in de plan-MER worden meegenomen”, omdat die pas in 2023 gepubliceerd zal worden. Het RIVM heeft een verkenning uitgevoerd naar mogelijkheden voor gezondheidsonderzoek rond windturbines, en nieuw onderzoek ingesteld. Maar ook deze gegevens komen niet in de plan-MER, want “de eerste resultaten van deze onderzoeken worden over anderhalf jaar verwacht, en zullen daarom niet meegenomen kunnen worden in het huidige plan-MER” (185).
Op verschillende plekken in de NRD sijpelt het besef door dat er nog belangrijke wetenschappelijke informatie ontbreekt. Bij het voorstel voor het onderzoeken van de WHO-norm van 45 dB Lden schrijft Arcadis bijvoorbeeld: “In de ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ van 2018 geeft de Wereldgezondheidsorganisatie de voorwaardelijke aanbeveling om het geluidniveau van windturbines tot beneden 45 dB Lden te beperken. De advieswaarde van 45 dB Lden is voorwaardelijk omdat er geen studies beschikbaar waren over de relatie tussen het blootstellingsniveau en een toename in het optreden van ischemische hartziekten, hoge bloeddruk, permanente gehoorschade en een vertraging in de ontwikkeling van leesvaardigheid en mondeling begrip bij kinderen. Een voorwaardelijke aanbeveling vereist een beleidsvormingsproces met een substantieel debat en betrokkenheid van verschillende belanghebbenden” (187). Helaas worden de leemten in kennis die door de WHO en het RIVM worden aangegeven, niet aangevuld met onderzoeksvoorstellen in de NRD. Maar bovenstaande is niet de enige kennis die ontbreekt. Windwiki somt twee pagina’s op met belangrijke vragen die nog bestaan over de 73
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
gezondheidseffecten van windturbines, waaronder de effecten op de gezondheid van kinderen, zwangere vrouwen, ouderen, de effecten op hersenfuncties, slaap, cognitie en leerprestaties, orgaansystemen, stress en psychologische klachten (28).
Leemte in kennis: Geen onderzoek bekend over de effecten van windturbinegeluid op kinderen en zwangere vrouwen
Er is geen wetenschappelijk onderzoek beschikbaar over de negatieve gezondheidseffecten voor kinderen die opgroeien in de buurt van windturbines. Kinderen onder de 18 jaar worden doorgaans buitengesloten van onderzoek naar de effecten van windturbines. Wel is bekend dat er schadelijke effecten optreden op de (hersen)ontwikkeling van kinderen bij blootstelling aan omgevingslawaai. Bij dieren is bekend dat blootstelling aan laagfrequente en infrasone drukgolven voor geboortedefecten kan zorgen (77; 64). Over de effecten van deze drukgolven op de ongeboren vrucht van mensen zijn onvoldoende gegevens beschikbaar. Deze informatie wordt niet aangegeven als leemte in kennis in de NRD of de plan-MER, en wordt ook niet ingevuld door de RIVM- literatuuronderzoeken (28). De artsen van Windwiki stellen de volgende vragen:
• Is voldoende aangetoond dat kinderen jonger dan 18 jaar oud geen gezondheids- en ontwikkelingsschade ondervinden van het wonen in de nabijheid van windturbines? • Is het aannemelijk gemaakt of uitgesloten dat windturbine-geluid een vergelijkbaar effect heeft op de gezondheid en de ontwikkeling van kinderen als andere geluidproducerende bronnen in de nabijheid van kinderen < 18 jaar? • Windturbinegeluid veroorzaakt hinder. Is voldoende bekend wat de effecten van deze hinder zijn op de ontwikkeling en leerprestaties (zoals begrijpend lezen, geheugen en andere cognitieve functies) van kinderen die deze hinder ervaren? • Is er een inventarisatie gedaan waarbij kinderen die blootgesteld zijn aan windturbinegeluid, presteren, ontwikkelen en gedijen ten opzichte van kinderen die hieraan niet zijn blootgesteld? • Er zijn vele wetenschappelijk studies die de invloed van omgevingslawaai aantonen op fertiliteit, conceptie, zwangerschap, geboortegewicht en andere factoren die met de voortplanting te maken hebben.
Is er voldoende bewijs geleverd dat windturbinegeluid geen negatieve effecten op deze processen veroorzaakt? “Het heeft de hoogste urgentie dat er een goede onderzoeksagenda wordt opgesteld voor de gevolgen van windturbinegeluid (en laagfrequent geluid in het algemeen) voor kinderen, met name voor de gevolgen van blootstelling gedurende de ‘eerste 1000 dagen’, welke een aanvang nemen bij de conceptie”, aldus Windwiki.
Leemte in kennis: Effecten van de aanwezigheid van windturbines op slaapverstoring
Verstoring van de slaap en de vele negatieve gezondheidseffecten die dat tot gevolg heeft, zijn erkende gevolgen van geluidsoverlast. Omdat windturbines in de nacht lawaai produceren, zelfs meer dan overdag, is dat bij windturbines een pertinent probleem. Windwiki: “Er is behoefte aan onderzoek waarin slaapverstoringen objectief worden gemeten en gerelateerd worden aan geluidsniveaus. Juist de amplitudemodulatie, zorgt voor het minder diep worden van de slaap en soms tot wakker worden, zoals eerder aannemelijk gemaakt. De gevolgen van slaapstoornissen zijn wetenschappelijk evident: toename van hypertensie, obesitas en dus diabetes, verminderd functioneren van de immuniteit, angststoornissen, depressie en cognitieve stoornissen” (28).
Maar volgens Arcadis is er wel onderzoek gedaan naar slaapverstoring door windturbines, maar “kunnen [er] geen conclusies worden getrokken over de samenhang van het geluidniveau van windturbinegeluid en slaapverstoring, omdat de resultaten van onderzoek niet eenduidig zijn” (187). Wederom had juist de onzekerheid en ontbreken van kennis moeten leiden tot het formuleren van onderzoek. De systematische review van professor Godono, die een significant verband 74
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
aantoont tussen de nabijheid van windturbines en slaapverstoring is, ondanks dat het in de zienswijzen is gedeeld, niet in de plan-MER meegenomen (28).
Leemte in kennis: De gezondheidseffecten van laagfrequent geluid
“Er zijn geen aanwijzingen dat laagfrequent geluid (LFG) en infra geluid (onder de hoorbaarheidsgrens) andere effecten hebben op omwonenden dan gewoon geluid”, stelt Arcadis in de NRD (187).
Er zijn echter dermate veel aanwijzingen dat infrasoon en laagfrequent geluid een van de grootste oorzaken is van de klachten rondom windturbines, dat dit centraal had moeten staan in het uit te voeren onderzoek. Sinds 2018 zijn er minstens 120 wetenschappelijke artikelen verschenen over de schadelijke invloed van infrasoon en laagfrequent geluid (35). Uit deze onderzoeken komen verhoogde risico’s op beroerte en hartinfarcten naar voren (76; 28; 189).
Volgens Arcadis heeft “het RIVM geen aanwijzing gevonden dat het infrageluid van windturbines enig effect kan hebben op de gezondheid. Over laagfrequent geluid oordeelt het RIVM dat er geen wetenschappelijk bewijs bestaat dat laagfrequent geluid andere effecten voor omwonenden heeft dan ‘normaal’ geluid” (188). Maar op het gebied van laagfrequent geluid is het RIVM in dit geval genuanceerder wanneer het over windturbines gaat. “Over de effecten van LFG is minder bekend, omdat er tot op heden beperkt onderzoek is gedaan naar de gevolgen van LFG. Ook zijn de onderzoeken niet altijd goed uitgevoerd: er zijn niet altijd geluidmetingen gedaan en er deden soms erg weinig mensen mee”, schrijven zij in de factsheet laagfrequent geluid (53). Zij vinden het dan ook belangrijk om meer onderzoek te doen naar de blootstelling aan laagfrequent geluid in combinatie met onderzoek naar de gezondheid (190).
Juist de vaststelling door het RIVM dat er niet genoeg onderzoek beschikbaar is over de effecten van laagfrequent geluid op de gezondheid, had aanleiding moeten zijn om daar in de NRD onderzoek op in te stellen. Windwiki: “Er is een fundamenteel begrip nodig van de relatie tussen ILFG en het optreden van de klachten van omwonenden. Zij kunnen het ILFG immers grotendeels ‘niet horen’. Wat en hoe neemt het lichaam dit waar? Nader onderzoek is nodig om nauwkeurig de effecten van ILFG op het lichaam, met name op het vegetatieve waarnemen en de daarmee verbonden effecten op psychisch en emotioneel welbevinden, beter in kaart te brengen. Mogelijk verklaart de activering van de amandelkern de duizeligheid, misselijkheid, angstgevoelens en de verhoging van de bloeddruk. Dit onderzoek zou in de plan-MER moeten worden opgenomen” (28).
Zoals in het hoofdstuk over gezondheid is uitgelegd, zorgt juist het onhoorbare gedeelte van het laagfrequente geluid voor problemen. Maar Arcadis stelt in de NRD: “er zijn geen aanwijzingen dat laagfrequent geluid (LFG) en infrageluid (onder de hoorbaarheidsgrens) andere effecten hebben op omwonenden dan gewoon geluid. [… ] Dit betekent dat laagfrequent geluid vanwege windturbines niet afzonderlijk hoeft te worden beoordeeld, maar in principe als onderdeel van ‘normaal geluid’ kan worden meegenomen” (188). Wanneer de meting is aangepast op het menselijk gehoor (de zogenaamde A-weging, dBA), ontbreekt juist de informatie over het laagfrequente geluid dat niet hoorbaar is. Laagfrequent geluid heeft ook andere effecten dan gewoon geluid. Zoals eerder beschreven kan er niet tegen geïsoleerd worden, omdat de lange drukgolven door muren heendringen (191). Binnenshuis kunnen zelfs staande golven ontstaan, waardoor het lijkt alsof de geluidsbron heel dichtbij is (53). Daarom is het “zeer urgent om een ‘vangnet’ te formuleren van een niet te overschrijden maximale absolute geluidswaarde binnen de woning”, volgens Windwiki (28).
De uitdagingen in het meten van laagfrequent geluid zijn mede oorzaak van het ontbreken van normering en handhaving. Niet alleen het onderzoeken van de gezondheidseffecten van laagfrequent geluid, maar ook de meetmethoden hadden in de MER onderzocht moeten worden om beleidskeuzes goed te informeren.
75
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
Leemte in kennis: Geen onderzoek bekend over grotere turbines Windturbines worden steeds groter. De hoogste turbines zijn in 2024 wel 270 meter, bijna zo hoog als de Eiffeltoren. Het is voor exploitanten ook interessanter om, als dat mogelijk is, hogere turbines te plaatsen, omdat deze meer rendement opleveren. Over de effecten van deze megaturbines van 250-270 meter hoogte is geen onderzoek bekend (63; 192). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat schrijft hierover in de Reactienota NRD: “Het is niet zo dat de onderzoeken waarbij uit werd gegaan van kleinere windturbines, per definitie niet meer bruikbaar zijn: hogere windturbines hebben meer effect op het landschap en daarmee op visuele hinder. Voor geluidhinder ligt dat anders, en is het geluidsniveau niet per definitie groter bij hogere of modernere windturbines” (185). Deze bewering is aantoonbaar niet juist. Verschillende onderzoeken tonen juist aan dat naarmate windturbines groter worden, ze meer laagfrequent geluid produceren (65; 67; 56). Professor Alves-Pereira vertelt daarover: “Wij hebben gemerkt dat mensen die dicht bij de grote windturbines wonen, sneller meer intense gezondheidsproblemen ontwikkelen dan degenen die de buurt van de kleine windturbines wonen. Er is geen andere mogelijkheid voor deze mensen dan wegvluchten. Mensen worden echt in onmogelijke situaties geplaatst, onmogelijk”.
Naast dat er geen onderzoek bekend is over megaturbines, stellen de nieuwe windturbinebepalingen dat er voor solitaire turbines of voor windparken van twee windturbines geen MER-plicht geldt (193). Het is de vraag of het terecht is dat één of twee turbines zijn uitgesloten, want ook deze kunnen significante milieueffecten hebben. Helemaal gezien de grootte die de turbines kunnen hebben. Bovendien is er eerder door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, in de reactie op de zienswijzen van de NRD, toegezegd dat de windturbinebepalingen ook voor solitaire turbines zouden gelden: “Het voornemen is dat de uiteindelijke normen net als nu het geval was bij de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, toepasbaar zullen zijn op zowel solitaire windturbines als op windturbines die deel uitmaken van een windpark (meer dan twee windturbines). Er kan niet worden uitgesloten dat kleine aantallen windturbines geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen veroorzaken, dus er is geen reden om solitaire windturbines anders te behandelen in de plan-MER (194 p. 8).” Ook maakt de SMB-richtlijn geen onderscheid tussen solitaire windturbines of windparken. Het uitgangspunt zijn de gevolgen voor milieu en gezondheid naar aanleiding van een plan of programma.
Nieuw en diepgravend onderzoek is hoog nodig
Er zijn dus nog veel leemtes in kennis: de gezondheidseffecten van onhoorbaar laagfrequent geluid, slaapverstoring door windturbinegeluid, gevolgen voor kinderen en zwangere vrouwen en de effecten van megaturbines. Om deze leemtes op te vullen is, zoals in de vele zienswijzen is aangegeven, veld- en laboratoriumonderzoek nodig; waaronder zeker de meting van de concrete ervaring van omwonenden op de plek waar ze last ondervinden (88). Dit is geen onderzoek met vragenlijsten en interviews over de subjectieve ervaring van hinder, zoals het RIVM voorstelt, of berekeningen van exploitanten over de theoretische lawaaiproductie van windturbines. Huisarts Silvia van Manen stelt bijvoorbeeld biomedisch onderzoek voor, zoals slaaponderzoek (polysomnografie) voor en na plaatsing, meting van stimulus-responstijden bij kinderen voor en na plaatsing (computerspelletjes?) en bloeddruk- en hartslagmetingen (gedurende de nacht) voor en na plaatsing (36). In de zienswijze die Windwiki heeft ingediend als reactie op de NRD, staan vier concrete onderzoeksvoorstellen, die veel van de leemtes in kennis zouden kunnen invullen. Het is, gezien de grote risico’s voor de volksgezondheid, betreurenswaardig dat dit onderzoek niet is ingesteld als onderdeel van de plan-MER. De afwezigheid van bewijs, is geen bewijs van de afwezigheid van schade.
Het doel van de MER is het onderzoeken van de milieu- en gezondheidseffecten. Maar er zijn in de plan-MER geen nieuwe onderzoeken geïnitieerd, terwijl daar evident wel behoefte aan is. De planMER beperkt zich tot literatuurstudies, voornamelijk van het RIVM. "Bij een literatuurstudie van
76
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
het RIVM naar de gezondheidseffecten van windturbines bij omwonenden in Nederland, worden de normen van onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek niet gehaald," stelt Klaas Bron, actief bij Tegenwind Nederland. "Het RIVM heeft door de jaren heen geen zelfstandige en onafhankelijke gezondheids- of medische veldonderzoeken specifiek voor windturbines verricht, noch heeft zij geadviseerd om een omvangrijke database met gecodeerde gezondheidsgegevens van omwonenden via huisartsen aan te leggen, wat als nalatigheid kan worden aangemerkt. Bovendien worden veelal buitenlandse onderzoeken in de literatuurstudies zonder validatie op relevantie en representativiteit voor de Nederlandse toekomstige situatie, gegeneraliseerd tot uitspraken over Nederlandse omwonenden. Dit gebeurt zonder de lacunes, de witte vlekken in het onderzoek en de beperkingen in de gegevensverzameling te benoemen, wat wetenschappelijk gezien zeer ongebruikelijk en onaanvaardbaar is en dus niet gezien kan worden als medisch en wetenschappelijk gezaghebbend. Er zijn derhalve meerdere statistische en methodologische tekortkomingen aanwezig.” Bron voegt toe: "In de gezondheidsonderzoeken die tot nu toe door het RIVM zijn uitgevoerd, ontbreekt onder andere de betrokkenheid van meerdere universitaire medische internationale topexperts met ervaring in infrasone en laagfrequente trillingen en geluidhinder bij windparken.
Bovendien beschikt het RIVM niet over een afdeling die zich de afgelopen 20 jaar heeft gespecialiseerd in veld- en/of laboratoriumonderzoek op dit gebied. Hierdoor mist het RIVM de nodige ervaring in dit onderzoeksveld en kan het niet als gezaghebbend worden beschouwd, ondanks dat het regelmatig onderzoeken uitvoert. Internationaal bestaan er wel gespecialiseerde onderzoeksafdelingen. Deze ernstige professionele en wetenschappelijke tekortkoming betekent dat de studies van het RIVM niet voldoen aan de wetenschappelijke kwaliteitsstandaarden voor onafhankelijk onderzoek. Dit roept serieuze vragen op over de code of conduct van de onderzoekers en hun opdrachtgevers."
"Anno 2024 functioneert het RIVM helaas niet meer als een onafhankelijk en gezaghebbend medisch-wetenschappelijk instituut, maar meer als een ingenieursbureau voor bevoegd gezag", vervolgt Bron. "De opdrachtgever heeft een substantiële invloed op de onderzoeksvragen, het type onderzoek, de tijdsplanning en het budget, en krijgt vaak de kans om de conclusies voor publicatie in te zien. Het RIVM onderneemt niets uit eigen beweging in dit dossier, want daar heeft zij niet de middelen en politieke ruimte voor gekregen. Dit is in strijd met de wet op het RIVM, haar taken en opdracht in relatie tot de volksgezondheid. Door de financiële afhankelijkheid zal het RIVM minder snel nee zeggen, want ook zij moet haar kosten dekken met inkomsten.” "Op de website van het RIVM staat: 'Samen met onze opdrachtgevers signaleren we welk onderzoek nodig is en voeren we dit uit.' Deze verklaring suggereert een nauwe samenwerking met opdrachtgevers (regerende macht) bij het initiëren van onderzoek, wat potentieel in strijd is met het handelen in het belang van burgers en de samenleving. Door de jaren heen is het RIVM steeds meer een verlengstuk van de regerende macht geworden, wat afbreuk doet aan hun onafhankelijkheid, wetenschappelijke kwaliteit en geloofwaardigheid.
In feite bevindt het RIVM zich aan de verkeerde kant van de tafel, namelijk naast de regerende macht en tegenover de burgers en de samenleving, terwijl hun positie idealiter aan de zijde van de burgers en ten dienste van de volksgezondheid van de samenleving zou moeten zijn, zelfs als dit een last betekent voor de regerende macht.” “Deze situatie ondermijnt direct het vertrouwen dat burgers, volksvertegenwoordigers en anderen nog in hun onderzoek zouden kunnen stellen, wat zich al heeft gemanifesteerd in diverse dossiers in de afgelopen jaren. Dit is eveneens bijzonder teleurstellend voor de vele getalenteerde wetenschappers die bij het RIVM werken en maakt RIVM minder aantrekkelijk voor wetenschappelijk talent.”
“Volgens de Raad van State mag er geen gebrek kleven aan de deskundigheid van experts bij dergelijke onderzoeken. Dat is hier echter hier wel het geval; er ontbreken meerdere medische wetenschappelijke experts en de aanpak van een ingenieursbureau (u vraagt en wij voeren uit …) is inherent ongeschikt voor het uitvoeren van onafhankelijk wetenschappelijk gezondheidsonderzoek 77
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
in relatie tot normering. Het is hoog tijd dat het RIVM op een veel grotere afstand van de regerende macht wordt geplaatst, met een eigen begroting en budget, die vrij is van politieke invloeden en volledig gericht op de belangen van de volksgezondheid van burgers en de samenleving. Opdat vertrouwen in dergelijke onderzoeken niet op voorhand ter discussie staat.” (95; 195)
Bij de grootschalige uitrol van wind op land zou in de plan-MER juist in studies moeten worden voorzien die leemtes in kennis opvullen. En hij zou niet slechts moeten benoemen dat informatie ontbreekt. Het opvullen van de leemtes in kennis is hoog nodig. Nederland is een welvarend land maar het volk is niet bijzonder gezond. Windwiki: “Nederland heeft relatief de meeste maligniteiten per inwoner van heel Europa, de op één na sterkste groei van neurodegeneratieve ziekten ter wereld (niet te verklaren door veroudering van de bevolking). Nederland heeft de hoogste incidentie van borstkanker bij vrouwen van Europa, en de op één na sterkste groei van ziekten van het zenuwstelsel ter wereld, die niet verklaarbaar zijn met de veroudering van de Nederlandse bevolking. Dit betekent dat de wet- en regelgeving die de bevolking dient te beschermen, tekortschiet, óf de handhaving daarvan” (28).
Het is mogelijk de opstapeling van de vervuiling of een andere verstoring van de leefomgeving die bijdraagt aan de achteruitgang van de volksgezondheid en de toename van dergelijke ‘welvaartsziektes’. Volgens de artsen van Windwiki dragen de effecten van windturbines daar mogelijk op verschillende manieren aan bij, doordat de al bestaande geluidsoverlast, van bijvoorbeeld snelwegen, wordt versterkt; vanwege de lichamelijke effecten op de mens van infrasoon en laagfrequent geluid, ‘annoyance’ en de verspreiding van wiekenmateriaal en fijnstof (28). Kortom, met het ontbreken van onderzoek naar gezondheidseffecten van windturbines in de plan-MER wordt niet aan de eisen van de SMB-richtlijn voldaan. Advocaat De Lange waarschuwt: “In de kern gaat de SMB-richtlijn om de bescherming van de gezondheid. De gezondheid wordt niet onderzocht, omdat dat volgens de overheid meerjarig onderzoek zou vergen. In de kern is bij aanvang de grondslag van de nieuwe normen dus absoluut ondeugdelijk” (24).
Met de zienswijzen is zo goed als niets gedaan
Zoals hierboven beschreven, zijn op zowel de NRD als de plan-MER honderden zienswijzen ingediend. Met de zienswijzen van de NRD is zo goed als niets gedaan, de kennis is niet aangevuld met het aangedragen onderzoek, er is geen nieuw onderzoek ingesteld en belangrijke discussies, zoals die over de jaargemiddelde Lden-norm, zijn terzijde geschoven. DE NRD wordt voor kwaliteitscontrole gecontroleerd door de commissie MER, maar de zienswijzen zijn niet met de commissie gedeeld. Honderden documenten die de tekortkomingen van de NRD aangaven, zijn niet in deze beoordeling meegenomen. Het commentaar van de commissie op het onderzoeksvoorstel, was zeer beperkt (85; 94; 28). De gang van zaken roept vragen op over welke rechten burgers kunnen ontlenen aan het indienen van de zienswijzen (12). Burgers worden uitgenodigd tot ‘participeren’, maar leidt dat ook tot consequenties? De NLVOW is sceptisch: “De ingekomen reacties worden wel in dank gelezen, maar elke verwerking daarvan valt buiten bestuursrechtelijke regelingen en kunnen nog eenvoudiger terzijde gelegd worden dan al in de “Reactienota NRD”. Er rest bij de beoogde AMvB (Algemene Maatregel van Bestuur) slechts een besluit van de (demissionaire?) Minister I&M, dat alleen via de Eerste Kamer wordt bekrachtigd.
Voor burgers bestaat met het voorgaande dus geen volwaardige inbreng, waarmee dreigt dat de Windturbinebepalingen tot stand komen zonder te voldoen aan o.a. het Aarhus Verdrag” (186).
Het resultaat
De plan-MER en de windturbine-bepalingen worden gelijktijdig gepubliceerd. Er wordt een jaargemiddelde norm van 45 dB(A) Lden overdag en een norm van 39 dB(A) Lnight in de nacht voorgesteld. Dit lijkt een verlaging, maar in vergelijking met de Handreiking industrielawaai, die als referentiesi78
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
tuatie had moeten dienen, is dit een forse toename. Bovendien zit er een addertje onder het gras. Er mag ‘gemotiveerd’ afgeweken worden naar de oude normen van het Activiteitenbesluit: “In afwijking van [45 dB(A) Lden overdag en 39 dB(A) Lnight] kan het omgevingsplan hogere of lagere waarden bevatten. Een hogere waarde is niet hoger dan de grenswaarden 47 Lden en 41 Lnight” (197). Er is gekozen voor deze norm, want, zo is in de nota van toelichting te lezen, “De keuze voor een strengere normering (grenswaarde en standaardwaarde) zou onnodig negatieve effecten hebben op het plaatsingspotentieel, met gevolgen voor het halen van de duurzame energiedoelstellingen” (193). Dat plaatsingspotentieel weegt zwaar mee, zo blijkt uit deze overweging: “In het kader van de totstandkoming van het onderhavige besluit zijn de verschillende belangen die in het geding zijn, mede op basis van de informatie die de plan-MER heeft opgeleverd, opnieuw tegen elkaar afgewogen. Daarbij is uitgangspunt geweest dat omwonenden recht hebben op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, maar niet dat omwonenden van windturbines daar helemaal geen last van mogen hebben. In dat geval zou er voor windturbines in een vol land als Nederland nauwelijks nog plaatsingsruimte overblijven, terwijl het belang van een duurzame energievoorziening ook een zwaarwegend belang is” (193).
Handreiking industrielawaai Norm op het platteland voor 2011
Activiteitenbesluit milieubeheer Norm op het platteland 2011-2021
Nieuwe norm Besluit windturbines leefomgeving
Dag
40 dB
47 dB Lden
Voorkeur 45 dB(A) Lden Uitwijkingsmogelijkheid naar 47 dB(A)
Nacht
30-35 dB
41 dB Lden
Voorkeur 39 dB(A) Lnight Uitwijkingsmogelijkheid naar 41 dB(A)
Volgens diezelfde nota zijn in de plan-MER onderzocht: geluidhinder, externe veiligheidsrisico’s met inbegrip van risico’s voor het luchtverkeer en domino-effecten, hinder door lichtschittering, hinder door obstakelverlichting en hinder door slagschaduw. Daarnaast zijn afstandsnormen onderzocht (193 p. 12). Gezondheid is opvallend afwezig in dit rijtje. Volgens de nota hoort gezondheid dan ook niet bij de nadelige gevolgen van windturbines:
“Windturbines kunnen verschillende nadelige gevolgen voor de leefomgeving hebben, met name: 1. Geluidhinder; 2. Slagschaduwhinder; 3. Lichtschittering; 4. Extern veiligheidsrisico voor kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. 5. Extern veiligheidsrisico door domino-effecten die een incident met een windturbine kan veroorzaken bij een andere risico-meebrengende activiteit; 6. Aantasting van landschappen; 7. Aantasting van cultuurhistorie, waaronder Unesco Werelderfgoed; 8. Aantasting archeologie; 9. Aantasting van natuur, waaronder Natura 2000-gebieden, (trek)vogels en vleermuizen; 10. Aantasting van oppervlaktewater; 11. Effect op recreatie en toerisme, glastuinbouw en visserij; 12. Beperken van bepaalde functies, zoals radarverstoring en luchtvaart” (193).
Waarschuwingen
‘Lex iniusta non est lex’ (een onrechtvaardige wet is geen wet) Thomas van Aquino
Concluderend voldoet het MER-onderzoek op veel punten niet aan de eisen van de SMB-richtlijn. Een norm op basis van dit onderzoek is nog steeds in strijd met het Unierecht. Er zijn grote tekort79
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
komingen in zowel de gekozen procedure, de inhoud van het onderzoek en de wetenschappelijke kwaliteit daarvan (177). Er vindt een herhaling van zetten plaats, net als in 2011 wordt een norm geïntroduceerd die verdere uitrol van wind op land mogelijk maakt, omwonenden en hun gezondheid niet beschermt, en die in strijd is met de SMB-richtlijn en andere wetten die de burger dienen te beschermen. Professor Koers is niet mild in zijn kritiek: “De NRD faalt – juridisch en moreel – in het kwadraat als het gaat om onderzoek in de plan-MER naar de gezondheidseffecten van windturbines en gaat gewoon door op de oude voet: het gaat alleen om geluid, RIVM-literatuurstudies wijzen uit dat er geen bewijs is en ‘dus’ gaan we dat ook niet onderzoeken. Never mind al die internationale verdragen, never mind dat er serieuze aanwijzingen zijn daar er meer aan de hand is dan geluid en never mind dat er wel (veld)onderzoek gedaan wordt naar het effect van windturbines op het welzijn van dieren. En dan wil de Rijksoverheid het vertrouwen van mensen herwinnen?
Er kleven risico’s aan deze benadering: juridisch vertaalt zich dit weer in de vraag of het Rijk voldoet aan artikel 3:2 Awb [het beginsel voor zorgvuldig bestuur], de Wet Milieubeheer en de SMB-richtlijn als het nieuwe windturbinebepalingen vaststelt op basis van een ook in wetenschappelijk opzicht gebrekkige MER. Een MER op basis van de onderhavige NRD zal zodanige defecten en leemtes hebben dat het bevoegd gezag – in casu het Rijk – bij het nemen van besluiten over nieuwe windturbinebepalingen op basis van deze MER handelt in strijd met het Unierecht, in het bijzonder de SMB-richtlijn uit 2001, en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Zodat die besluiten in rechte aanvechtbaar zullen zijn op dezelfde of vergelijkbare gronden als de windturbinebepalingen uit 2010/2011 die nu buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met het Unierecht en de Awb” (177). Fred Jansen van het NKPW zegt het korter: “Met de plan-MER solliciteert de minister naar een rechterlijke afwijzing van deze windturbinebepalingen, vergelijkbaar met de uitspraak van de Raad van State over 2011 die juist de oorzaak is van deze hele operatie” (96).
De consequenties van het niet uitvoeren van het noodzakelijke onderzoek, zijn niet te onderschatten. Windwiki schrijft: “In feite is men bezig met een risicovol experiment zonder meting van de beginsituaties, zonder controles op effecten op mens en milieu tijdens de exploitatiefase en zonder zicht op lange-termijngevolgen” (28).
Nieuwe toeslagenaffaire in de maak?
In de omwonendengroepen gonst het: dit wordt een schandaal dat de omvang van de toeslagenaffaire zal overstijgen. Burgers worden uitgesloten van werkelijke invloed in het besluitvormingsproces, worden niet gehoord door politici, en omdat de wet, de geluidsnorm, hen niet beschermt, kunnen zij geen recht halen bij de rechter. “De burger blijkt vogelvrij te zijn als het klimaatbeleid zijn leefomgeving en/of gezondheid aantast”, concludeert Nederwind in het rapport ‘Waarachtige burgerparticipatie in het klimaatbeleid’ (13). Het Democratisch Energie Initiatief (DEI) schrijft in een reactie op het ‘Voorstel wijziging van de Klimaatwet’:
“Het wordt steeds duidelijker dat de wetten en regels niet meer getoetst worden op deugdelijk heid voor de uitvoering. De Raad van State toetst de wetten slechts om te onderzoeken of het bestuursorgaan deze juist heeft toegepast; daardoor staan de burgers met de rug tegen de muur.” Ze halen de conclusies aan van Pieter Omtzigt in de toeslagenaffaire: “Er zitten alleen belangheb benden en meedenkers aan de tafel, waardoor politieke akkoorden volledig dichtgetimmerd kun nen worden en er geen controle op de uitvoerbaarheid plaatsvindt. Een opmaat naar de volgende politieke affaire is daarmee in voorbereiding” (198).
80
7 Nieuwe windturbinenormen: oude wijn in nieuwe zakken
8
Haalbaarheid
Energietransitie tegen welke prijs?
“Energie is een eerste levensbehoefte en de basis van elke vorm van vooruitgang”. Guus Berkhout (199)
De overheid ziet natuurafhankelijke energie als onmisbaar voor de energietransitie. “Elektriciteit is de ruggengraat van het energiesysteem. Het elektriciteitssysteem CO2-vrij in 2035”, geeft de rijksoverheid aan in het Nationaal Plan Energiesysteem. Deze energie moet geproduceerd worden door het maximaal opschalen van wind op zee, hernieuwbaar op land, kernenergie, het vergroten van flexibiliteit, verzwaren van infrastructuur, met de voorkeur voor direct gebruik elektriciteit (200). De overheid investeert in waterstof, batterijen en infrastructuur om de wisselvalligheid van de weerafhankelijke stroom op te vangen (201; 200)
Technologische uitdagingen en tekortkomingen
Hoe realistisch is het om aan te nemen dat deze technologieën binnen 26 jaar (dus in het streefjaar 2050) fossiele brandstoffen gaan vervangen, ook buiten de stroomvoorziening? En tegen welke kosten en met welke impact op de economie, landgebruik, natuur, gezondheid en welvaart? Met een bijdrage van slechts 3,15% van de totale energie van wind op land en 4,04% van de zon in 2023, loopt het energiesysteem al tegen grenzen aan (zie voetnoot 1 op p. 17). De energieprijs is zo hoog Aandeel hernieuwbare energie in eindverbruik energie 2023 *
2022 **
2023 Biomassa: 5,85% Windenergie: 5,31% Zonne-energie: 4,04% Warmtepompen: 1,43% Overig: 0,38% Statistische overdracht1: 0,00%
2021 2020 2019 2018 2017 2016 2015 0
3
Biomassa Zonne-energie Overig
6
9
12
15
Windenergie Warmtepompen Statistische overdracht¹
* voorlopige cijfers ** nader voorlopige cijfers ¹⁾ Hernieuwbare energie administratief ingekocht van een andere EU-lidstaat, conform EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie (RED). Bij een statistische overdracht is geen sprake van fysieke stroom.
Figuur 14: Aandeel hernieuwbare energie in eindverbruik energie 81
8 Energietransitie tegen welke prijs?
18
%
dat huishoudens lijden onder energiearmoede, bedrijven vluchten weg uit het land vanwege de energieprijs. Het net is in meerdere provincies overbelast waardoor warmtepompen, nieuwe wijken, bedrijven en zelfs zonnevelden niet aangesloten kunnen worden. Het wordt steeds duidelijker dat deze onbetrouwbare stroom uit zon en wind een ondermaatse oplossing is voor het ondersteunen van een industriële samenleving. Hieronder volgt een bespreking van de knelpunten.
Knelpunt: Er is een dubbel energiesysteem nodig
Omdat zon en wind geen stabiele energie leveren, blijft fossiele energie nodig om de energiebehoefte op te vangen wanneer er weinig of zelfs geen energie wordt geproduceerd. Omdat er momenten zijn dat er geen zonne- of windenergie wordt geproduceerd, is die back-up behoefte bijna 100 procent. Er zijn in feite twee energiesystemen nodig. Wat dit betekent, blijkt uit de rekening die professor Vaclav Smil, expert op het gebied van de geschiedenis van energie en energie transities, opmaakt over 20 jaar Energiewende in Duitsland. De lessen uit Duitsland, dat vooropliep met het inzetten van een energietransitie, zijn leerzaam: In 2000 had de energievoorziening een opgesteld vermogen van 121 GW, dat 577 TWh aan energie produceerde. Dit was 54 procent van de totale capaciteit. In 2019 was het opgesteld vermogen 218,1 GW, maar ondanks deze toename produceerde het land slechts 5 procent meer energie. “Omdat het nu twee energiesystemen runt”, schrijft Smil. “Wind en zon maken de helft uit van het totale geïnstalleerde vermogen, maar opereren slechts op 20% van de capaciteit. Het oude systeem bleef, bijna helemaal intact, bijna 85 procent van de netto energiebehoefte leveren in 2019 (202). Er hangt een prijskaartje aan deze transitie: alleen al in de periode 2015-2019 gaf de Duitse overheid er 160 miljard euro aan subsidie aan uit (146).” Duitsland 20 jaar Energiewende