CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

3 b&w Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2021

commissie Maatschappelijke Aangelegenheden 9 maart 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Ingekomen stukken23.891 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Meerkosten Als bij de aanschaf van de voorziening met het pgb aanpassingen aan de voorziening nodig zijn dan moeten deze aanpassingen bekostigd worden uit het toegekende pgb bedrag. De situatie waarin het door de cliënt beoogde hulpmiddel duurder is dan op basis van het functioneel PvE door het college verstrekt zou worden, betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten betalen zelf bij wanneer de kosten van het door hem gewenste hulpmiddel hoger zijn dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Onderhoud, reparatie en verzekering De pgb-houder is verplicht zijn vervoersvoorziening te verzekeren voor de wettelijke aansprakelijkheid(WA). Onderhoud aan het hulpmiddel dient vanaf het tweede jaar van toekenning van het pgb jaarlijks te worden uitgevoerd. De hoogte van het pgb voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering wordt afgeleid van de tarieven die de gemeenten betalen aan onderhoud, reparatie en verzekering. Reparaties kunnen in de eerste twee jaar mogelijk onder de garantie van het hulpmiddel vallen. Onderhoud staat los van de garantie, het pgb voor onderhoud wordt vanaf het tweede jaar toegekend.

Restwaarde De restwaarde van de voorziening wordt bepaald en kan vervolgens worden teruggevorderd van de pgb-houder indien: • de voorziening niet langer gebruikt wordt door de pgb-houder; • de pgb-houder verhuisd is naar een andere gemeente; • de voorziening binnen de afschrijvingstermijn niet meer adequaat is vanwege een veranderd ziektebeeld; • de pgb-houder niet langer gebruik maakt van de Wmo maar van andere regelgeving zoals de Wlz • deze overleden is: bij overlijden van de budgethouder kan/kunnen de nabestaande(n) worden benaderd om te komen tot inname van het hulpmiddel of kan de restwaarde van de voorziening worden teruggevorderd van de nabestaande(n). De restwaarde van een hulpmiddel wordt berekend aan de hand van de lineaire afschrijvingsmethode. Het gedeelte van het pgb, dat bestemd is voor de kosten van het onderhoud, de reparaties en de verzekering kan worden teruggevorderd over de nog niet verstreken afschrijvingstermijn, indien er sprake is van een situatie zoals opgesomd hierboven. 21

Pgb tarieven In de onderstaande tabel staan de maximale pgb-bedragen opgenomen die afgeleid zijn van de tarieven van het hulpmiddel zoals deze betaald worden aan de gecontracteerde hulpmiddelenleverancier. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de voorzieningen die het vaakst worden verstrekt in de vorm van een PGB. categorie contract Medipoint

omschrijving

huur incl BTW

Afschrijvings Max Pgb incl. termijn BTW

6 scootmobiel in en om de woning

€ 53,96 7 jaar

€ 4.532,64

7 scootmobiel standaard

€ 63,77 7 jaar

€ 5.356,68

8 scootmobiel extra geveerd

€ 73,58 7 jaar

€ 6.180,72

9a 2-wielfietsen (o.a. tandem)

€ 70,79 7 jaar

€ 5.946,36

9b 3-wielfietsen (en handbike)

€ 63,77 7 jaar

€ 5.356,68

10a 2-wielfietsen met hulpmotor

€ 105,63 7 jaar

€ 8.872,92

10b 3-wielfietsen met hulpmotor

€ 95,16 7 jaar

€ 7.993,44

Voor de overige hulpmiddelen die niet zijn opgenomen in bovenstaande tabel geldt dat de hoogte van het PGB wordt bepaald aan de hand van een door de cliënt opgevraagde offerte (minimaal één) en de door de Wmo consulent opgevraagde tegenofferte bij een hulpmiddelenleverancier. Uitgangspunt is altijd dat de hoogte van het PGB maximaal de kosten zijn die de gemeente zou moeten betalen aan de door de gemeente gecontracteerde leverancier, bij de fabrikant of importeur als de voorziening in natura zou worden verstrekt (goedkoopst compenserend). Pgb voor nagelvaste woningaanpassingen Bij grote bouwkundige of woontechnische voorzieningen aan de woning wordt de externe bouwkundig adviseur gevraagd om een programma van eisen inclusief kostenraming op te stellen. De cliënt vraagt vervolgens 2 offertes op. De hoogte van het persoonsgebonden budget is het bedrag van de goedkoopste adequate offerte, maar nooit hoger dan de kostenraming van de externe adviseur. Als een complexe woonvoorziening vermoedelijk tijdelijk geplaatst wordt, vraagt cliënt/gemeente ook een prijs op voor het huren van een tijdelijke unit. Ook in die situatie wordt het PGB bepaald op de goedkoopst adequate offerte.

5. Regels eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen Per 2020 wordt een vaste eigen bijdrage ingevoerd, het zogenaamde abonnementstarief. Het abonnementstarief geldt zowel voor maatwerkvoorzieningen als voor algemene voorzieningen die bij verordening zijn aangewezen. In de verordening maatschappelijke ondersteuning 2021 Gemeente Rucphen zijn geen algemene voorzieningen zijn aangewezen. Dat betekent dat het abonnementstarief alleen geldt voor maatwerkvoorzieningen 5.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen Als sprake is van een door de cliënt te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover zowel tijdens het gesprek als in de beschikking geïnformeerd. Wettelijk is geregeld dat het CAK (Centraal Administratie Kantoor) de eigen bijdrage vaststelt, oplegt en int. Het CAK draagt vervolgens de ontvangen eigen bijdragen af aan de gemeente. In 2021 geldt een maximale eigen bijdrage van

22

€ 19,00 per maand. Het maakt daarbij niet uit hoeveel maatwerkvoorzieningen iemand heeft, de eigen bijdrage is nooit meer dan € 19,00 per maand. Bij alle maatwerkvoorzieningen is een bijdrage in de kosten verschuldigd, met uitzondering van:  begeleiding in de categorie ‘waakvlam’  rolstoelen;  voorzieningen voor personen jonger dan achttien jaar. Voor bouwkundige of woontechnische woningaanpassingen is wel een bijdrage verschuldigd, deze wordt van de ouder(s) en/of verzorgers gevraagd;  niet-AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor gebruik van het waspunt en de rolstoel- en scootmobielcentrale wordt geen eigen bijdrage gevraagd. In het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn wettelijk de kaders vastgelegd voor het opleggen van de eigen bijdrage. Voor maatwerkvoorzieningen wordt de eigen bijdrage opgelegd tot maximaal de werkelijke kosten (kostprijs) van de voorziening. In de praktijk bedraagt de eigen bijdrage altijd € 19,00, omdat er geen maatwerkvoorzieningen zijn waarvoor de kostprijs lager is dan 19,00. Voor koopvoorzieningen (betreft woonvoorzieningen of een PGB voor hulpmiddelen) wordt de eigen bijdrage van € 19,- opgelegd totdat de kostprijs is bereikt.

23

6. Maatwerkvoorzieningen De Wmo 2015 kent artikel 2.3.5 lid 5 waarin is bepaald dat de maatwerkvoorziening, voor zover daartoe aanleiding bestaat, wordt afgestemd op andere wetten. Ook onder de Wmo 2015 geldt dat wanneer iemand aanspraak kan maken op een voorziening op grond van een andere regeling, het college in het kader van de eigen kracht geen voorziening op grond van de Wmo hoeft te verstrekken. Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere regeling tot gelding te brengen. De Wmo 2015 gaat uit van maatwerk aan de cliënt door te kijken naar de beperkingen die een cliënt heeft (of ondervindt door de handicap die hij/zij heeft), het te behalen resultaat en de oplossingen die daarbij passen. Doel van het maatwerk is het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. In elke individuele situatie wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden om zelf of in het netwerk oplossingen te vinden. Twee personen met dezelfde beperking kunnen voor andere voorzieningen in aanmerking komen, omdat zij op andere terreinen beperkingen ondervinden of over verschillende oplossingen beschikken. Dit wordt in een gesprek in beeld gebracht.

Als de beperkingen niet/onvoldoende opgelost kunnen worden door de cliënt zelf, binnen het netwerk of met algemene dan wel voorliggende voorzieningen, dan komt een maatwerkvoorziening in beeld. Wel is getracht om, mede op basis van jurisprudentie - richtlijnen te geven waarin een maatwerkvoorziening kan voorzien. Wmo-maatwerkvoorzieningen zijn gericht op het bereiken van het resultaat. De Wmo-consulent bekijkt samen met de cliënt welke resultaten behaald moeten worden (“het WAT”) en welke aandachtsgebieden nodig zijn. Op welke manier (“het HOE”) de resultaten en daarmee samenhangend de aandachtsgebieden het beste gerealiseerd kunnen worden, wordt overgelaten aan de aanbieder in overleg met de cliënt. In het geval er een PGB wordt verstrekt, is dit aan de cliënt in overleg met zijn zorgverlener. Keukentafelgesprek Onderdeel van de onderzoeksfase is het voeren van een keukentafelgesprek met de cliënt. Tijdens dit gesprek wordt de volledige cliëntsituatie in beeld gebracht, waarbij ook de mogelijkheden in beeld worden gebracht. Van dit gesprek wordt een verslag gemaakt.

Samengevat wordt het volgende onderzocht: aandoening(en) en de daaruit voortvloeiende beperkingen, eigen mogelijkheden om activiteiten uit te voeren, activiteiten die door een huisgenoot of iemand uit het sociale netwerk gedaan kunnen worden, algemene en voorliggende voorzieningen, waarvan gebruik gemaakt kan worden. Als geconcludeerd wordt dat de belemmeringen niet volledig door de cliënt zelf, met hulp van het netwerk dan wel met algemene of voorliggende voorzieningen weggenomen kunnen worden, dan wordt een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening geïndiceerd. Deze ondersteuning neemt de verantwoordelijkheid van de cliënt niet over, maar helpt de cliënt op weg om het resultaat te behalen. In de Wmo 2015 zijn in ieder geval de volgende resultaatgebieden te vinden: 6.1. huishoudelijke ondersteuning 6.2. verplaatsen in en om de woning 6.3. normaal gebruik van de woning 6.4. vervoer 6.5. begeleiding

24

6.1. Huishoudelijke ondersteuning Huishoudelijke ondersteuning is een middel om te kunnen participeren en zelfredzaam te zijn, het is geen doel op zich. In eerste instantie wordt gekeken of algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen een oplossing bieden alvorens een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Daarnaast dient te worden gekeken naar de keuzes die cliënt maakt (of dient te maken) welke van invloed zijn op de ondersteuning en dienen tips gegeven te worden bij bevordering van de zelfstandigheid. Dit is op basis van een persoonlijk onderzoek en daar waar nodig met flexibiliteit (maatwerk). Het doel van deze beleidsregels is helder te krijgen waar de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor dient en wat gemeente, cliënt en aanbieder kunnen verwachten. Wat kan de cliënt verwachten bij de indicatie voor de voorziening vanuit de gemeente en de levering van de benodigde zorg vanuit de aanbieder. De gemeente stelt op basis van het onderzoek vast welke resultaten en welke aandachtsgebieden voor de cliënt moeten worden geïndiceerd. De gemeente geeft aan de aanbieder door welk resultaat behaald moet worden en welke aandachtsgebieden verder uitgewerkt moeten worden. De aanbieder stelt vervolgens samen met de cliënt in het leveringsplan de verfijning op van de daadwerkelijke taken en werkzaamheden met samenhangend de frequentie daarvan.

In de opgenomen frequentietabel (bijlage 1) zijn voor de verschillende resultaatgebieden de benodigde werkzaamheden met bijbehorende gemiddelde frequenties omschreven. Naar aanleiding van het maatwerk per cliënt kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Belangrijk is dat de inzet wordt bepaald in dialoog tussen aanbieder en cliënt. De gemeente toetst of het leveringsplan in overeenstemming is met het verslag en de gemeentelijke beleidsregels, zodat de uiteindelijke indicatie vast kan worden gesteld. 6.1.1 Afwegingskader Alleen maatwerkvoorziening als er geen andere oplossingen zijn Hulp bij het voeren van een huishouden wordt alleen geboden wanneer er geen andere oplossingen zijn die problemen op dit leefgebied kunnen voorkomen of oplossen. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren dan ook tot de eigen verantwoordelijkheid. In de dagelijkse praktijk kan dit ook betekenen dat een deel van het huishouden door cliënt wordt uitgevoerd en voor een ander deel ondersteuning wordt geboden. Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking aan een zo efficiënt mogelijke ondersteuning. Dit betekent dat van de betrokkene mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden bij de inrichting van de woning en de planning van huishoudelijke werkzaamheden.

Te denken valt aan het zo mogelijk voorbereiden van de was en het ergonomisch verantwoord inrichten van de woning. Schoonmaakhulp voor eigen rekening Was men al gewend om voor eigen rekening een schoonmaakhulp in te huren, dan is het enkele feit dat er zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van beperkingen financiële mogelijkheden wegvallen of dat de ondersteuning door de ‘gebruikelijk aanwezige’ schoonmaak niet meer toereikend is. Gebruikelijke hulp Als de cliënt huisgenoten heeft die wel in staat zijn huishoudelijk werk te verrichten, komt dat gedeelte niet in aanmerking voor huishoudelijke ondersteuning. Dit wordt gebruikelijke hulp genoemd. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden. Volwassene, jongeren en kinderen Iedere volwassene wordt geacht ook naast een (drukke) baan en/of gezin een huishouden te voeren. Jonge volwassenen in de leeftijd van 18 tot 23 jaar worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt iemand geacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren.

25

Van kinderen in de leeftijd tussen twaalf en achttien jaar wordt verwacht dat zij hun eigen kamer schoonhouden en een bijdrage leveren in de licht huishoudelijke taken (zoals tafel afruimen, afwassen, kleding in de wasmand doen, kleine boodschappen halen). Leefeenheid en/of huisgenoot Aangezien bij iedere vraag een onderzoek naar de individuele kenmerken en mogelijkheden van de cliënt wordt gedaan, is het mogelijk om af te wijken van gebruikelijke hulp. Uit jurisprudentie van de Wmo en AWBZ is bekend dat als een huisgenoot in aaneengesloten perioden van zeven etmalen vanwege werk afwezig is er geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht. Wel zal eerst onderzocht worden welke andere eigen en/of voorliggende oplossingen beschikbaar zijn (binnen het gezin/sociale netwerk). Wanneer een huisgenoot minder dan zeven etmalen afwezig is, wordt onderzocht in hoeverre de huisgenoot een deel van de (uitstelbare) taken al dan niet kan overnemen. Als dat niet (volledig) kan, kan een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening worden toegekend. Voor huisgenoten die aangeven geen huishoudelijke taken over te kunnen nemen, omdat ze niet weten hoe dit moet en dit nog nooit hebben gedaan, kan korte tijd huishoudelijke hulp worden ingezet om de huisgenoot de vaardigheden aan te leren.

Wanneer een huisgenoot overbelast blijkt te zijn of dreigt te worden door de zorg voor cliënt, kan tevens tijdelijk huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. De overbelasting moet worden vastgesteld door een medisch adviseur. Van cliënt en huisgenoot wordt dan verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden overgenomen. Alleen wanneer blijkt dat - na een tijdelijke indicatie - ondanks pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langduriger huishoudelijke ondersteuning worden ingezet. Tevens geldt dat eerst onderzocht wordt welke andere eigen en/of voorliggende oplossingen dan wel voorzieningen beschikbaar zijn (binnen het gezin/sociale netwerk). Mantelzorg Veel personen zijn bereid mantelzorg te verlenen. Deze vorm van vrijwillige ondersteuning door derden, niet behorend tot de leefeenheid, gaat voor op ondersteuning van de gemeente. Tegelijk is deze vorm van vrijwillige hulp niet afdwingbaar en daarmee in de praktijk vaak incidenteel en aanvullend op andere vormen van zorg. Indien noodzakelijk kan de gemeentelijke ondersteuning bestaan uit tijdelijke vervanging van de mantelzorger of vrijwilliger.

Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen Algemene voorziening Als eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg of vrijwilligershulp geen of onvoldoende oplossing bieden, wordt bekeken of een algemene voorziening een (gedeeltelijke) oplossing kan bieden. Een algemene voorziening wordt geboden door een aanbieder die hierover afspraken heeft met de gemeente (in de vorm van een overeenkomst of middels een subsidie). Om van een algemene voorziening gebruik te kunnen maken is geen uitgebreid onderzoek naar persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager noodzakelijk. De gemeente kan de aanvrager naar een algemene voorziening verwijzen, maar moet wel bekijken of deze voorziening ook compenserend is voor de aanvrager. Voorwaarde is dat een dergelijke voorziening feitelijk toegankelijk is. Hiermee wordt bedoeld dat de voorziening redelijkerwijs door de cliënt kan worden bekostigd en er daadwerkelijk geschikte hulp geleverd kan worden onder redelijke voorwaarden. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld steunpunten waar tegen een geringe vergoeding gegeten kan worden. Algemeen gebruikelijk Een algemeen gebruikelijke voorziening is geen Wmo-voorziening. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als een cliënt, ook zonder handicap of beperking, hierover kan beschikken.

Bij algemeen gebruikelijke voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan algemene technische hulpmiddelen: afwasmachine, aangepast bestek, stofzuiger, wasmachine, wasdroger, verhoging voor wasmachine of wasdroger. Maar ook aan een boodschappendienst of glazenwasser. 26

Invloed van de woonvorm Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimte(n) delen, wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door een andere bewoner. Bij kamerverhuur wordt de huurder van de betreffende ruimte niet als een huisgenoot gezien van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Dat er sprake is van kamerhuur moet met een huurovereenkomst worden aangetoond. Huishoudelijke ondersteuning wordt bij meerdere bewoners alleen geleverd aan de woonruimte van cliënt en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimte. Hierbij kan worden gedacht aan woongroepen of vormen van beschermd wonen of meerdere generaties in één huis. Voor de aanwezige beschermde woonvormen wordt specifiek op de situatie afgestemde ondersteuning geïndiceerd. Hierbij wordt naast de eigen mogelijkheden van de bewoners ook rekening gehouden met het doel en de intensiviteit van het gebruik van de gemeenschappelijke ruimtes. Een grotere woning leidt niet vanzelfsprekend tot meer inzet van ondersteuning. Er wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. In vakantiewoningen, tweede woningen, hotels/pensions, kamerhuur c.q. huisvesting niet bedoeld voor permanente bewoning wordt geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt.

Aangezien een vakantie doorgaans van korte duur is, is er sprake van uitstelbare taken of kan schoonmaak bij de verhuurder worden ingekocht. Ook wanneer men langer verblijft in de hierboven genoemde woonvormen, wordt geen huishoudelijke ondersteuning verstrekt. Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot Wanneer binnen een leefeenheid de partner overlijdt wordt onderzocht of huishoudelijke ondersteuning nodig is voor de overgebleven partner. Mocht dit het geval zijn dan wordt de indicatie huishoudelijke ondersteuning doorgezet. In voorkomende situaties wordt de huidige indicatie maximaal vier weken voorgezet, bijvoorbeeld als overgebleven partner uiteindelijk geen hulp nodig heeft. Anders krijgt de partner een nieuwe indicatie. 6.1.2 Resultaat gericht werken: een gestructureerd huishouden Zelfredzaamheid is in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Bij het kunnen participeren en zelfredzaam zijn mag de huishouding geen obstakel vormen. Het hoeft niet overal ‘spic en span’ te zijn, maar het huishouden moet ‘op orde’ zijn. Er kan goed geleefd worden, het vormt een basis, waar de cliënt mensen kan ontvangen en van waaruit de cliënt kan participeren in de samenleving.

Leveringsplan Huishoudelijke ondersteuning (zorg in natura en persoon gebonden budget) wordt geïndiceerd op basis van resultaat. Bij zorg in natura maakt de aanbieder in opdracht van de gemeente in overleg met de cliënt een leveringsplan. In dit plan is vastgelegd welke activiteiten er plaatsvinden en wat de frequentie van activiteiten is. In het leveringsplan is opgenomen dat de uitvoering van het plan flexibel moet zijn. De gemeente toetst het leveringsplan met de bevindingen uit gespreksverslag en met de beleidsregels voor huishoudelijke ondersteuning. Als het leveringsplan daarmee niet in overeenstemming is, wordt de aanbieder opdracht gegeven een aangepast leveringsplan te maken dat wel voldoet. Het leveringsplan maakt onderdeel uit van de beschikking. Op basis van persoonsonderzoek en in overleg met de cliënt zijn in het leveringsplan gemotiveerd aanpassingen in activiteiten en frequentie mogelijk. Om maatwerk te kunnen leveren is tevens een flexibele uitvoering van het leveringsplan mogelijk. Dat betekent dat er met instemming van de cliënt in de ene week meer/minder/andere activiteiten uitgevoerd kunnen worden dan in de andere week. Leidend is dat de resultaat passend moet zijn voor de cliënt. Als een cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget, dan wordt de cliënt gevraagd om een PGBplan op te stellen. Hiervoor moet het format van de gemeente gebruikt worden.

De gemeente toetst of het PGB-plan in overeenstemming is met de bevindingen uit het gespreksverslag en met 27

de beleidsregels voor huishoudelijke ondersteuning. Het PGB-plan maakt onderdeel uit van de beschikking. Beschikking In de beschikking moet duidelijk zijn wat de cliënt kan verwachten aan ondersteuning. In de beschikking wordt het volgende opgenomen: • dat de cliënt aanspraak maakt op de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning en ten behoeve van welk resultaat en welke aandachtsgebieden de cliënt ondersteuning ontvangt; • wat de cliënt zelf, met eigen netwerk dan wel voorliggende / algemene voorzieningen kan; • welke activiteiten en frequentie bij de aandachtsgebieden horen om de ondersteuning passend te maken voor de cliënt en zodoende maatwerk te leveren. Dit wordt vastgelegd in het leveringsplan dat onderdeel is van de beschikking; • dat het leveringsplan dat in overleg tussen de aanbieder en de cliënt is opgesteld, is getoetst aan het gespreksverslag. Daarmee voldoet dit plan aan het persoonlijk onderzoek van de gemeente. De cliënt heeft door ondertekening van het leveringsplan akkoord gegeven; • een verwijzing naar de beschrijving in beleidsregels van wat de gemeente verstaat onder ondersteuning in het huishouden; • dat de cliënt hiervoor een eigen bijdrage moet betalen; deze wordt door het CAK berekend op basis van vermogen en inkomen en daarom kan de hoogte van de eigen bijdrage niet in de beschikking worden opgenomen.

Wel wordt de kostprijs van de voorziening in de beschikking vermeld, omdat dit de basis is voor de berekening van de eigen bijdrage; • verplichting tot het doorgeven van wijzigingen; • op basis van welk artikel van de Verordening het besluit genomen is; • bezwaarmogelijkheid. Activiteiten en frequentie In de tabel activiteiten en frequentie (zie bijlage 1), staan alle werkzaamheden die binnen het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ vallen. De activiteiten die in het CIZ-protocol (2006 en 2011) worden genoemd komen terug in deze tabel. Voor de frequentie van die activiteiten is uitgegaan van de expertnormen in de onderzoeken van gemeente Utrecht en de Twentse gemeenten: het onderzoek dat KPMG Plexus en bureau HHM in opdracht van gemeente Utrecht (normering van de basisvoorziening ‘schoon huis’ d.d. 12 augustus 2016) heeft uitgevoerd en het onderzoek dat HHM in opdracht van de Twentse gemeenten (norm huishoudelijke ondersteuning in Twente d.d. 10 februari 2017) heeft uitgevoerd. De expertnormen in deze onderzoeken bieden een objectieve maatstaf voor de frequentie van activiteiten. 6.1.2.1 Gestructureerd huishouden in stabiele situatie (HO) Onder dit resultaat vallen onderstaande aandachtsgebieden: Een schoon en leefbaar huis: Een schoon huis betekent dat het huis stof- en vlekvrij is, zodanig dat het niet vervuild is.

Daarom dient er periodiek binnenshuis te worden schoongemaakt. Schoon volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Dit kan heel praktisch betekenen dat de uitvoering van de schoonmaakwerkzaamheden niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van iedere cliënt afzonderlijk. Dat betekent dat er niet wordt schoongemaakt uit gewoonte, maar om te voorkomen dat het vervuilt. De inzet moet echter wel in alle redelijkheid en in voldoende mate aansluiten bij de persoonlijke situatie (mogelijkheden en beperkingen) en de leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid) van een cliënt. De cliënt moet eerst zelf al het mogelijke gedaan hebben om vervuiling te beperken. Leefbaar betekent dat het huis opgeruimd is en dat de cliënt gebruik kan maken van alle primaire leefruimten. Onder huis wordt verstaan alle primaire leefruimten die door een leefeenheid daadwerkelijk voor het daarvoor bestemde doel frequent gebruikt worden in de woning: woonkamer, slaapkamer, 28

keuken, badkamer, toilet , trap, overloop en hal. In de jurisprudentie zijn hier verschillende uitspraken over terug te vinden, onder andere: ECLI:NL:CRVB:2017:885 (tuin), ECLI:NL:CRVB:2014:1627 (voortuin, hal, gang en trap), ECLI:NL:CRVB:2014:2330 (praktijkruimte aan huis), ECLI:NL:CRVB:2013:2032 (essentiële leefruimten van de cliënt). Beschikken over schone en draagbare kleding: Het doel van dit aandachtsgebied is dat de cliënt beschikt over schone kleding. Het omvat het wassen, drogen, strijken en/of vouwen van kleding en het terugleggen van kleding in de garderobekast. Verwacht wordt dat de cliënt beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het aanschaffen van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de cliënt, aangezien een wasmachine als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd. Daarnaast wordt van de cliënt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. De dagelijkse kleding moet met enige regelmaat worden gereinigd. Het gaat dan om het wassen, drogen, strijken en opvouwen. Uitgegaan wordt van 1 maal per week. Op grond van de persoonlijke situatie van een cliënt kan er in het leveringsplan tussen de aanbieder en cliënt een afwijkende frequentie worden vastgelegd.

Begeleiden bij het kopen van kleding hoort niet binnen dit aandachtsgebied. via het WasPunt Cliënten die vanwege hun beperking in aanmerking komen voor het aandachtsgebied “beschikken over schone en draagbare kleding” kunnen gratis gebruik maken van het WasPunt. Een cliënt komt voor het WasPunt in aanmerking als hij niet zelf en/of met behulp van zijn omgeving de wasverzorging uit kan voeren. Het WasPunt is voor het wassen, drogen, strijken en vouwen van het wasgoed. Het wasgoed wordt één keer per week op een vaste ochtend thuis opgehaald en vervolgens weer binnen 2 à 3 werkdagen bij de cliënt thuisgebracht. Er kan maximaal 1 wasmand meegegeven worden met witte en bonte was. ln principe wordt de was gedroogd in de droger. De kleding die niet in de droger kan, wordt opgehangen. De schone was gaat gevouwen in een wasmand. Het WasPunt wast o.a. geen vitrage, overgordijnen, dekbedden, spreien en jassen. Als om medische of andere zwaarwegende redenen de was van de kleding niet via het WasPunt gedaan kan worden, wordt de was door de medewerk(st)er van de zorgaanbieder gedaan en kan het aandachtsgebied “beschikken over schone en draagbare kleding” als individuele maatwerkvoorziening worden geïndiceerd.

6.1.2.2 Gestructureerd huishouden in een kwetsbare situatie (HO+) De aandachtsgebieden zijn dezelfde als bij huishoudelijke ondersteuning in een stabiele situatie, maar dan aangevuld met: Organisatie van het huishouden Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de cliënt niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Behalve dat er huishoudelijke taken moeten worden overgenomen heeft de hulp aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de cliënt. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de cliënt verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Daarnaast kan het voorkomen dat de hulp de zelfredzaamheid van de cliënt met betrekking tot het organiseren van het voeren van de huishouding aanleert of verbetert.

De bedoeling is dan dat de cliënt (weer) leert hoe en wanneer je huishoudelijke activiteiten uitvoert en leert plannen en beheren van middelen in relatie tot huishoudelijke activiteiten. Hierbij hoort ook het stimuleren tot het doen van huishoudelijke taken evenals de observatie en controle van de uitvoering van huishoudelijke taken door de cliënt zelf. 6.1.2.3 Aandachtsgebieden op offertebasis Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften

29

In elk huishouden zijn boodschappen voor de dagelijkse levensbehoeften (voedsel, toilet- en schoonmaakartikelen) en activiteiten nodig. Het is heel normaal dat mensen geclusterd boodschappen doen door eenmaal in de week grote voorraad in huis te halen. In het algemeen geldt dat het verzorgen van de boodschappen niet geïndiceerd wordt als maatwerkvoorziening. Hiertoe wordt in de meeste gevallen gebruik gemaakt van een algemeen gebruikelijke voorziening (zoals de plaatselijke boodschappendienst) of mensen uit het sociale netwerk zetten zich hiervoor in. Uitsluitend wanneer het eigen netwerk en een boodschappenservice geen optie is, kan een indicatie worden afgegeven van maximaal één keer per week boodschappen halen en opbergen. Hieronder vallen niet de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat met betrekking tot maaltijden is dat indien nodig 1 keer per dag de broodmaaltijden worden bereid en klaargezet en een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. In de meeste situaties kan van een algemene voorziening, zoals maaltijdservice voor de warme maaltijd, gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant-en-klaar maaltijden te koop die een oplossing kunnen bieden. Tevens biedt het eigen sociale netwerk mogelijk opties.

Uitsluitend wanneer het eigen netwerk of een maaltijdservice geen optie is (bv geen leveringsgebied), kan een indicatie worden afgegeven voor het opwarmen van de maaltijd en/of (één keer per dag) voor het klaar maken van de broodmaaltijd. Zorg voor inwonende kinderen De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is primair een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er voor zorg dragen dat er op tijden dat zij beiden werken, opvang voor de kinderen is. Dat kan worden ingevuld op de manier waarop zij dat willen (oppas, grootouders, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Kan/kunnen de ouder(s) deze rol tijdelijk niet vervullen waarbij het gaat om een onvoorziene, acute, situatie dan kan aanvullend op de eigen mogelijkheden extra huishoudelijke ondersteuning voor de duur van maximaal 3 maanden worden geïndiceerd. Het gaat nooit om een volledige overname. De wet heeft in deze vooral een taak om tijdelijk in te springen, zodat ruimte ontstaat om een goede oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost, zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

6.2. Het zich verplaatsen in en om de woning 6.2.1 Rolstoel We onderscheiden de volgende rolstoelvoorzieningen: • Handmatig voortbewogen rolstoel; • Elektrisch voortbewogen rolstoel; • Aanpassingen aan de rolstoel. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te compenseren. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel, kan een rolstoel toegekend krijgen. Voor een individuele maatwerkrolstoel geldt nog als eis dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is. Het gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Rolstoelen voor het zogenaamde incidentele gebruik, waarbij de rolstoel bijvoorbeeld wordt meegenomen om elders, bij uitstapjes, te gebruiken vallen niet onder dit met een maatwerkvoorziening te bereiken doel. Voor dit incidentele gebruik is er in Rucphen een algemene voorziening. Als uit de indicatiestelling blijkt dat er incidenteel een rolstoel nodig is, dan vindt doorverwijzing naar de rolstoelcentrale plaats. Na een proefperiode wordt beoordeeld of de rolstoelcentrale toereikend is, dan wel dat een maatwerkvoorziening nodig is. In de winter (oktober-maart) beslaat de proefperiode aan periode van 3 maanden.

In de zomer (aprilseptember) beslaat de proefperiode 2 maanden. Op verzoek van de gemeente onderbouwt de cliënt/betrokkene zijn/haar vervoersbehoefte met schriftelijke stukken. 30

In bijlage 3 is de werkwijze van de rolstoelcentrale beschreven. Met aanpassingen aan een rolstoel wordt bedoeld: extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt. Accessoires zoals een boodschappenmand en een extra spiegel zijn doorgaans niet noodzakelijk, maar wenselijk en worden daarom niet vergoed. 6.2.2 Sportvoorziening Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Een sportvoorziening wordt verstrekt: als het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen, en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten, die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport. Er kan een sportrolstoel worden verstrekt, maar ook een ander hulpmiddel. Op grond van eerdere regelgeving Wmo en jurisprudentie kan worden gesteld dat het redelijk is om maximaal eens per drie jaar hiervoor een vergoeding te verstrekken. De cliënt moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De vergoeding voor een sportrolstoel is opgenomen in de verordening. 6.3 Wonen in een geschikte woning 6.3.1 Woonvoorzieningen Er zijn veel voorzieningen waardoor mensen langer zelfstandig kunnen blijven wonen in de eigen leefomgeving. Dat kan de eigen woning zijn of een geschiktere woning in dezelfde omgeving.

In deze paragraaf wordt een toelichting gegeven op verschillende soorten woonvoorzieningen en op een aantal begrippen, die bij de beoordeling van de noodzaak van een voorziening en in de jurisprudentie, over dit onderwerp een rol spelen. We onderscheiden de volgende woonvoorzieningen: • Losse woonvoorzieningen: voorzieningen die niet nagelvast, dus verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld een tillift); • Bouwkundige woonvoorzieningen: nagelvaste voorzieningen (bijvoorbeeld een douchezitje aan de muur, ophoging van de tegels bij de voordeur, traplift, aangepaste keuken); • Verhuiskostenvergoeding. Voor kortdurend gebruik (maximaal 6 maanden) zijn losse woonvoorzieningen te leen via het uitleendepot van thuiszorgaanbieders of hulpmiddelenleveranciers. Losse voorzieningen hebben als voordeel dat ze vaak snel kunnen worden ingezet, soms voordeliger zijn, vaak voor meerdere doeleinden kunnen worden ingezet en meegenomen kunnen worden in geval van verhuizing. Losse voorzieningen zijn daarom veelal voorliggend op bouwkundige woonvoorzieningen. Een losse tillift is bijvoorbeeld te verkiezen boven een plafondlift. Losse woonvoorzieningen kunnen zowel in bruikleen als in eigendom worden verstrekt. Relatief goedkope hulpmiddelen (waarvan de kosten van transport en reiniging voor herverstrekking niet opwegen tegen de kosten van verstrekking van een nieuw hulpmiddel), worden in eigendom verstrekt.

Dit geldt voor voorzieningen tot € 500,-. In de beschikking wordt opgenomen dat de cliënt zelf verantwoordelijk is voor periodiek onderhoud, keuring en reparatie. De kosten voor onderhoud, keuring en reparatie van losse woonvoorzieningen, met name trapliften, vergoeden we op declaratiebasis aan de leverancier. 6.3.2 Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen Veel woonvoorzieningen zijn in de reguliere handel te koop. Ze worden ook door mensen zonder beperkingen gebruikt en worden daarom als algemeen gebruikelijk beschouwd. Voorbeelden hier van zijn: • centrale verwarming

31

(inloop)douche. Vervanging van een bad door een (inloop)douche is algemeen gebruikelijk als de afschrijvingstermijn van 20 jaar is verstreken. Als deze termijn nog niet verstreken is, is er geen sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening, omdat een persoon zonder beperkingen in zo’n situatie ook niet was overgegaan tot vervanging • aanrechtblad • éénhendelmengkraan • thermostaatkraan • keramische of inductiekookplaat • douchekop op glijstang • opklapbaar douchezitje • antislipbehandeling badkamervloer • toiletverhoger of verhoogd toilet • douchestoel • toiletstoel • tweede toilet /sanibroyeur • elektriciteit in berging/schuur • handgrepen • airco • luchtbevochtiger • zonwering • meterkast met meerdere groepen • toiletzitting met opdrukbeugel • badplank • drempelhulpen • ophoging tuin/bestrating bij verzakking Dit is geen limitatieve lijst. Op grond van jurisprudentie kunnen ook andere voorzieningen als algemeen gebruikelijk worden gezien. Daarnaast geldt dat een voorziening nooit zonder meer algemeen gebruikelijk kan worden genoemd. Er moet steeds beoordeeld worden of de specifieke voorziening ook voor de cliënt in het concrete geval algemeen gebruikelijk is. •

6.3.3 Normaal gebruik van de woning Uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat dat geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel, zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. 6.3.4 Bezoekbaar Wanneer de cliënt in een AWBZ of Wlz-instelling woont, kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de cliënt toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.

6.3.5 Woningsanering Wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning), waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is, kan hiervoor (onder voorwaarden) een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. 6.3.6 Grote woningaanpassingen versus verhuizen In de Wmo 2015 wordt voor alle soorten aanvragen de nadruk gelegd bij het onderzoek naar de persoonskenmerken en de mate waarin de cliënt de noodzaak tot hulp of voorzieningen had kunnen voorzien. Als uiteindelijk een maatwerkvoorziening nodig is (dat kunnen woningaanpassingen zijn) wordt wel -onveranderd- de goedkoopst adequate voorziening verstrekt.

32

Bij met name grote woningaanpassingen wordt de afweging worden gemaakt of dit de goedkoopst adequate oplossing is c.q. of het primaat van verhuizen wordt opgelegd. Dat wil zeggen dat de woning alleen wordt aangepast wanneer verhuizen naar een geschikte woning niet mogelijk of niet de goedkoopst adequate oplossing is. 6.3.7 Voorzienbaarheid Kortheidshalve wordt hier verwezen naar paragraaf 3.11 van de beleidsregels. 6.3.8 Verhuiskosten Als men ten gevolge van plotseling opgetreden beperkingen onvoorzien met een verhuizing wordt geconfronteerd, dan kan een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Ook kan een verhuiskostenvergoeding worden toegekend wanneer de cliënt een aangepaste woning, op verzoek van de gemeente verlaat. Het betreft situaties waarbij de persoon, voor wie de woning was aangepast, is verhuisd naar een AWBZ-instelling (Wlz-instelling) of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was. In uitzonderlijke situaties kan een vergoeding worden geboden voor tijdelijke dubbele woonlasten, bijvoorbeeld wanneer cliënt gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de eigen woning kan wonen. Een verhuizing die samenhangt met een levensfase (bijvoorbeeld ouder worden en kleiner en gelijkvloers willen gaan wonen) is voorzienbaar.

Deze verhuizingen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd en hiervoor heeft men geld kunnen reserveren. Hiervoor wordt geen verhuiskostenvergoeding verstrekt. 6.3.9. Gemeenschappelijke ruimten Het college zet geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in, bijvoorbeeld automatische deuropeners, hellingbanen en/of het verbreden van een toegangsdeur, voor het aanpassen van een gemeenschappelijke ruimte. De (maatschappelijke) ondersteuning vanuit de Wmo is gericht op de aanvrager en strekt niet tot algemeen nut. Evengoed zal het college onderzoek doen naar de situatie van de cliënt om de situatie te beoordelen. 6.3.10 Overig Er wordt, met uitzondering van een verhuiskostenvergoeding, geen woonvoorziening verstrekt in: woningen die niet als zelfstandige woning dienst doen (hotels, pensions); woningen die niet bedoeld zijn voor permanente bewoning (tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen); (een) verhuurde kamer of kamers. 6.4. Vervoer De Wmo heeft tot doel cliënten te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer, wordt onderzocht of en welke beperkingen cliënt heeft en wat de vervoersbehoefte is. Er wordt bekeken in hoeverre: • men zelf in de vervoersbehoefte kan voorzien (b.v.

heeft cliënt een auto of een brommer) • of dat men hulp kan inschakelen van het eigen netwerk (b.v. kan een cliënt meerijden met de buurvouw naar de kaartclub of bijvoorbeeld een familielid uit Groningen naar cliënt laten toekomen, in plaats van daar naartoe te reizen), • cliënt gebruik kan maken van een algemene voorziening in de vorm van collectief vervoer of dat een individuele voorziening noodzakelijk is. Om beperkingen en vervoersbehoefte inzichtelijk te maken onderscheiden we 3 soorten afstanden: de korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving (b.v. om een brief te posten of de dichtst bijzijnde winkels te bezoeken) • de middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio (bijvoorbeeld naar een (groter) winkelcentrum of uitgaanscentrum). • de lange afstanden; naar bestemmingen buiten de regio. 33

Bij deze afstanden is geen absolute grens aan te geven. Wat de ene persoon bijvoorbeeld een normale fietsafstand vindt, is voor de ander een afstand om met de auto of het openbaar vervoer te gaan. Daarom zal individueel worden onderzocht op welke afstanden men beperkingen ondervindt en hoe deze het beste op te lossen zijn. Uit jurisprudentie blijkt dat om te kunnen participeren de cliënt de mogelijkheden moet hebben om jaarlijks lokaal en regionaal (tot zo’n 15 tot 20 km afstand vanaf de woning van cliënt) 1.500 tot 2.000 km moet kunnen reizen. Alle buitenregionale vervoersdoelen vallen buiten de reikwijdte van de Wmo. Hiervoor is Valys door de wetgever aangewezen. Om Valys aan te vragen moet de cliënt kunnen aantonen dat hij een Wmo-indicatie heeft voor lokaal collectief vervoer, een scootmobiel of rolstoel. Een gehandicaptenparkeerkaart of OV-begeleiderskaart volstaat ook. 6.4.1 Collectief vervoer (deeltaxi) versus individueel vervoer Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer, die hij niet zelf of met hulp van zijn sociale omgeving kan oplossen, wordt allereerst beoordeeld of de collectieve vervoersvoorziening een geschikte oplossing biedt alvorens individuele voorzieningen worden overwogen. De collectieve vervoersvoorziening (deeltaxi) is hiermee voorliggend op individuele vervoersvoorzieningen.

Een individuele voorziening wordt vaak beschouwd als meest wenselijke oplossing, het is echter niet de goedkoopst adequate oplossing. Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat de collectieve vervoersvoorziening niet voldoet (b.v. in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) kan worden voorzien in individuele ritten of kan een vergoeding voor gebruik eigen auto of voor vervoer door derden worden verstrekt. Wanneer een cliënt aangewezen is op gebruik van een rolstoeltaxi, die aanzienlijk duurder is dan een gewone taxi, wordt de vergoeding hierop aangepast. 6.4.2. Deeltaxi De Deeltaxi is een collectief vervoerssysteem met (rolstoel)busjes en taxi’s dat vervoer van deur tot deur biedt. Mensen met een beperking die geen andere (eigen) oplossing voor hun vervoer hebben, kunnen op grond van hun vervoersbehoefte in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in de vorm van de Wmo-Deeltaxipas. Daarmee kan tegen een lager tarief met de deeltaxi gereisd worden. De cliënt kan een loophulpmiddel of meenemen in de deeltaxi. Het is in Rucphen niet toegestaan een scootmobiel mee te nemen in de deeltaxi. Ook kan een medereiziger (tegen een hoger tarief) of een begeleider (gratis, mits medisch gezien noodzakelijk) meereizen. Voor het reizen met een medisch begeleider moet een indicatie worden gesteld.

Als men een dergelijke indicatie heeft, mag de cliënt niet meer zonder begeleider reizen. Het collectief vervoerssysteem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer bestaat uit het zogenaamde deeltaxisysteem volgens de hierna volgende opzet: a. aan de aanvrager die in aanmerking komt voor het deeltaxisysteem wordt een deeltaxipas verstrekt op vertoon waarvan rechthebbende gebruik kan maken van de deeltaxi; b. het vervoer wordt naar afstand onderscheiden in intern en extern vervoer. Als intern vervoer wordt 25 kilometer aangemerkt vanuit de eigen woning gerekend. Extern vervoer begint vanaf de 26e kilometer gerekend vanuit de eigen woning. Het extern vervoer wordt begrensd tot aan het collectief vervoersgebied van de 18 deelnemende gemeenten; c. de aanvrager is een betaling verschuldigd voor het vervoer met de deeltaxi. Voor de tarifering van het deeltaxisysteem wordt aangesloten bij de tarifering van het openbaar busvervoer, zijnde een instaptarief en een kilometertarief per rit; d. voor elke rit is de bijdrage gebaseerd op een instaptarief van één strip van € 0,96 vermeerderd met een kilometertarief van € 0,167 per kilometer; e. vanaf de 26e kilometer is een bijdrage verschuldigd van € 1,34 per kilometer; f. de betaling van de aanvrager wordt door de vervoerder in ontvangst genomen, in naam en voor rekening van de gemeente die het vervoer aanbiedt; g.

een aanvrager kan zich door één begeleider laten vergezellen. Voor de begeleider is een instaptarief verschuldigd van € 0,96 vermeerderd met een kilometertarief van € 0,167 per 34

h.

kilometer, tenzij de begeleiding naar het oordeel van het college medisch noodzakelijk is. In dat geval is het vervoer van de begeleider gratis. per jaar geldt een reisbudget van maximaal 1500 kilometer, waarmee tegen het goedkope tarief als bedoeld onder d. kan worden gereisd. In uitzonderlijke gevallen kan het college besluiten dit reisbudget te verhogen, afhankelijk van de beperkingen en de individuele vervoersbehoefte.

De Provincie Noord-Brabant heeft een bindend openbaar vervoer advies ingevoerd. Dit houdt in dat wanneer bij het boeken van een rit blijkt dat er een goed OV alternatief is, alleen tegen het hoge doorreistarief gebruik gemaakt kan worden van de Deeltaxi. Voor Wmo-pashouders hebben we een uitzondering gemaakt. Tot het budget van 1500 km kunnen Wmo-pashouders tegen het lage Wmotarief reizen. Voor de kilometers boven de 1500 betalen betalen de Wmo-pashouders het OV-tarief. Dit is lager dan het doorreistarief. Op de website van Deeltaxi West-Brabant staan de actuele tarieven. 6.4.3. algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen Voorbeelden van algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen: • tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem); • fiets met lage instap, ligfiets; • spartamet/tandemmet; • rollator; • elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder; • bakfiets, fietskar, aanhangfiets; • personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn; • autoaccessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten; • trekhaak Een fiets met lage instap of met elektrische trapondersteuning, zoals genoemd in de lijst, is een goed voorbeeld van een algemeen gebruikelijke voorziening.

Een dergelijke fiets wordt ook gebruikt door mensen zonder beperkingen (bijvoorbeeld door mensen die een lange afstand naar hun werk of school moeten fietsen), is gewoon bij de fietsenwinkel te koop, is soms duurder dan een gewone fiets, maar is wel betaalbaar voor de meeste mensen. Dit is geen limitatieve lijst. Op grond van jurisprudentie kunnen ook andere voorzieningen als algemeen gebruikelijk worden gezien. Daarnaast geldt dat een voorziening nooit zonder meer algemeen gebruikelijk kan worden genoemd. Er moet steeds beoordeeld worden of de specifieke voorziening ook voor de cliënt in het concrete geval algemeen gebruikelijk is. 6.4.4 Aangepaste fietsen Er zijn fietsen zoals de driewielfiets en een duofiets die speciaal ontworpen en bestemd zijn voor mensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht. Een fiets met lage instap, een fiets met hulpmotor of een fiets met trapondersteuning zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht. Daarom worden deze als algemeen gebruikelijk beschouwd. 6.4.5 Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden. De scootmobiel mag in Rucphen niet meegenomen worden in de deeltaxi. Als uit de indicatiestelling blijkt dat er incidenteel een scootmobiel nodig is, dan vindt doorverwijzing naar de scootmobielcentrale plaats.

Als uit de indicatiestelling blijkt dat iemand structureel een scootmobiel nodig heeft, dan wordt er een individuele scootmobiel verstrekt. Bij doorverwijzing naar de scootmobielcentrale is er een proefperiode. Na de proefperiode wordt beoordeeld of de scootmobielcentrale toereikend is, dan wel dat een maatwerkvoorziening nodig is. In de winter (oktober-maart) beslaat de proefperiode een periode van 3 maanden. In de zomer (april-september) beslaat de proefperiode 2 maanden. Op verzoek van de gemeente onderbouwt de cliënt/betrokkene zijn/haar vervoersbehoefte met schriftelijke stukken.

35

In bijlage 4 is de werkwijze van de scootmobielcentrale beschreven. 6.4.6 Gesloten buitenwagen Een gesloten buitenwagen is een overdekt voertuig dat niet harder dan 45 km rijdt en waarvoor aparte (verkeers)regels gelden. Canta is een bekend merk dat daarom ook wel als soortnaam wordt gebruikt. De gesloten buitenwagen dient onderscheiden te worden van de brommobiel, die eveneens niet harder dan 45 km rijdt, maar waarvoor geen aparte verkeersregels gelden. De brommobiel is niet specifiek voor gehandicapten bedoeld en wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Een gesloten buitenwagen wordt door de cliënt vaak als gewenste oplossing voor het vervoersprobleem beschouwd, maar is niet de goedkoopst adequate oplossing. Alleen als op basis van medisch advies is vastgesteld dat geen van de voorliggende voorzieningen voldoet, wordt een gesloten buitenwagen overwogen. 6.4.7 Autoaanpassingen Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het deeltaxivervoer niet voldoet, kunnen autoaanpassingen worden vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft, die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen (dus geen stuurbekrachtiging of cruise control).

Uitgegaan wordt van een levensduur van minimaal 5 jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn gebleken waarop opnieuw aanpassingen kunnen worden verstrekt (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de cliënt op dat moment). Bij verstrekking van autoaanpassingen is het daarom redelijk om van de cliënt te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 5 jaar mee kan). 6.5. Begeleiding: thuisbegeleiding, groepsbegeleiding en logeeropvang Met ingang van de Wmo 2015 is de gemeente ook verantwoordelijk voor ondersteuning in de vorm van begeleiding. Door begeleiding wordt ondersteuning geboden gericht op de cliënt, zodat deze zelfredzaam blijft of wordt, zelfstandig kan blijven wonen, zijn week op orde heeft en kan deelnemen aan de maatschappij. Het gaat om activiteiten gericht op het bevorderen of behoud van de zelfredzaamheid en het voorkomen van opname of verwaarlozing van de cliënt. Gedacht kan worden aan het kunnen doen van de administratie, het plannen van de week, regelzaken- en geldzaken, het uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen, het hebben van een zinvolle invulling van de dag en ondersteuning bij het oplossen van problemen. Ook het ontlasten van de mantelzorger en/of gezinsleden maakt hier onderdeel van uit.

Het gaat om activiteiten gericht op het bevorderen van de inzet van mantelzorg en / of het continueren van de inzet van de mantelzorg (voorkomen van overbelasting bij de mantelzorger). Gedacht kan worden aan logeervoorzieningen, het tijdelijk overnemen van toezicht, vormen van dagbesteding etc. Een combinatie van de vormen van ondersteuning is mogelijk. 6.5.1 Afwegingskader Met ingang van 1 januari 2015 kunnen cliënten aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit aansturing, toezicht of hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), waaronder in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen, ontspanning en sociaal contact. De mate / zwaarte van de beperkingen is van invloed op wat een inwoner zelf kan, wat binnen zijn sociale netwerk kan of wat met voorliggende / algemene voorzieningen opgelost kan worden: • Lichte beperkingen (stimuleren bij het zelf uitvoeren van taken) • Matige beperkingen (helpen bij taken) • Zware beperkingen (taken en/of regie moeten worden overgenomen)

36

Allereerst onderzoekt het college welke hulpvraag de klant heeft. Vervolgens wordt onderzocht welke belemmeringen de klant ondervindt op de verschillende levensdomeinen. Daarna onderzoekt het college of er eigen mogelijkheden zijn. Hierbij is niet de diagnose leidend (van welk ziektebeeld / welke grondslag is sprake) maar zijn de mogelijkheden en beperkingen van de cliënt en zijn sociale netwerk leidend. Het is wel zaak om daarbij in kaart te brengen van welke aandoening of beperking sprake is en wat de effecten daarvan zijn op de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt. Bij het in kaart brengen van de eigen mogelijkheden kan gedacht worden aan handige hulpmiddelen waardoor de hulpvrager een (deel van de) activiteiten weer zelf kan doen zoals een boodschappen-app voor mensen met een verstandelijke beperking, een pictogrammen bord of speciale multomap waarmee de administratie overzichtelijk opgeborgen kan worden. Ter ondersteuning van de mantelzorger kan hierbij gedacht worden aan beeldspraakverbindingen (skype), een alarmeringssysteem of scholing van mantelzorgers waardoor de draagkracht wordt vergroot. Het college beziet of er sprake is van gebruikelijke hulp. Voor de toelichting op gebruikelijke hulp zie 3.6 Het college beziet of personen uit het sociale netwerk een oplossing kunnen bieden voor de hulpvraag.

Kunnen zij bijvoorbeeld samen de administratie doen, toezicht houden, structuur in de week aanbrengen. Kunnen zij door samen activiteiten te ondernemen zorgen voor een zinvolle invulling van (een deel van) de dag? Vervolgens beoordeelt het college of in het gesprek alle voorliggende voorzieningen zijn meegenomen. Behandeling is een voorliggende voorziening. Alvorens een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo te verstrekken is het van belang om na te gaan wat de mogelijkheden van behandeling zijn. Voor de toelichting op behandeling zie 7.5.2.1. De hulpvraag van een cliënt kan, door de zwaarte van de beperking, zo omvangrijk zijn dat een indicatie voor de Wet Langdurige Zorg aan de orde is. Het gaat hier om cliënten die 24-uur intensieve zorg en toezicht dichtbij nodig hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om ouderen met ernstige dementie, om mensen met een ernstige verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking en om mensen met een ernstige psychische stoornis. In de memorie van toelichting op de wet is opgenomen dat indien cliënten een beroep kunnen doen op de Wlz, het college een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo kan weigeren. Het college beoordeelt of algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn meegenomen en beoordeelt of deze passend zijn in de individuele situatie van de cliënt.

Deze voorzieningen moeten voor de cliënt daadwerkelijk beschikbaar zijn, door cliënt financieel gedragen kunnen worden en adequate compensatie bieden. Bieden welzijnsactiviteiten een oplossing? Bijvoorbeeld een huiskamerproject of Inloopvoorziening (waar ontmoeting en activiteiten plaatsvinden), een administratie-maatjes project, vrijwillige thuiszorg, mantelzorgondersteuning door de welzijnsinstelling, een cursus waardoor de cliënt zijn sociale netwerk uitbreidt, de inzet van vrijwilligers of een soos voor mensen met een verstandelijke beperking. Als de hiervoor beschreven afweging niet geleid heeft tot een (volledige) oplossing van de hulpvraag zal het college een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van: • Waakvlam begeleiding • Begeleiding thuis regulier • Begeleiding thuis plus • Begeleiding groep regulier • Begeleiding groep plus • logeeropvang. Een combinatie van (individuele) begeleiding thuis, begeleiding in een groep en logeeropvang kan voorkomen. In bijlage 5 worden deze categorieën toegelicht. Indien een cliënt niet zelf kan voorzien in het vervoer naar de begeleiding groep, kan hiervoor een indicatie worden afgegeven per etmaal per week.

37

De ondersteuning kan door het college worden toegekend in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. In de verordening zijn de uitgangspunten voor het PGB vastgelegd. Bij het vormgeven van de maatwerkvoorziening wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de ondersteuning zo dichtbij mogelijk bij de inwoner (thuis, school, kern of wijk) georganiseerd is. 6.5.2 Voorliggende voorzieningen 6.5.2.1 Behandeling Alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Het is uiteraard niet aan de Wmo consulent om dit te bepalen. Hiervoor wordt de medische adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld. Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld: ergotherapeut, psychiater, psycholoog, specialist ouderen geneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reumacentrum). Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9805984/1