24 Stichting Samenleving Landbouw en Natuur Valt de natuur om
Tekst van het document
Resultaten
In figuur 1 zijn de ontwikkelingen van de uiterst stikstofgevoelige en de uiterst stikstofminnende soorten in beeld gebracht. Het blijkt dat de stikstofgevoelige soorten zich gunstiger hebben ontwikkeld dan de stikstofminnende soorten. In hoofdstuk 3 kwam naar voren dat de verspreiding van 8% van de typische Natura2000 soorten tussen 2000 en 2020 was afgenomen. Voor de uiterst stikstofminnende soorten was dit gemiddeld 17% en voor de uiterst stikstofgevoelige soorten gemiddeld slechts 6%.
33
Figuur 1. Ontwikkeling van uiterst stikstofgevoelige vaatplantensoorten, vergeleken met die van uiterst stikstofminnende soorten
6.4 Conclusie Een eventuele overwoekering door stikstofminnende soorten heeft niet geleid tot vermindering van de verspreiding van stikstofgevoelige soorten. Over het algemeen lieten de zeer weinig uiterst stikstofgevoelige planten in verspreiding een toename zien.
34
7.
Ontwikkeling van uiterst stikstofgevoelige mossoorten
7.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van de stikstofgevoelige mossen sinds 2000.
7.2
Methode
Om te onderzoeken of dit daadwerkelijk het geval is zijn ontwikkelingen in de verspreiding van de meest stikstofgevoelige mossen vergeleken met die van de stikstofminnende soorten in de periode 2000-2020. Voor het onderzoek zijn de beide extremen met elkaar met elkaar vergeleken. De stikstofvoorkeur van 32 mossoorten valt volgens Ellenberg in categorie 1 en eveneens van 32 mossoorten in de categorieën 7, 8 en 9. Deze categorieën zijn samengevoegd omdat slechts 2 mossoorten in categorie 9 zijn ingedeeld. De trend van deze soorten volgens op dezelfde methode bepaald als in hoofdstuk 2 is beschreven. Dat houdt in dat over de periode 2000-2020 alleen van ruwe, ongecorrigeerde data gebruik gemaakt kon worden. Per soort is nagegaan of de verspreiding is toegenomen, gelijk gebleven, afgenomen of zelfs is verdwenen. 7.3
Resultaten
In figuur 2 zijn de ontwikkelingen van de uiterst stikstofgevoelige en de stikstofminnende soorten in beeld gebracht. Het blijkt dat de stikstofgevoelige soorten zich gunstiger hebben ontwikkeld dan de stikstofminnende soorten. In hoofdstuk 3 kwam naar voren dat de verspreiding van 26% van de typische Natura2000 soorten tussen 2000 en 2020 was afgenomen. Voor de uiterst stikstofminnende soorten was dit gemiddeld 28% en voor de uiterst stikstofgevoelige soorten gemiddeld 13%.
Figuur 2. Ontwikkeling van uiterst stikstofgevoelige mossoorten, vergeleken met die van stikstofminnende soorten 2000-2020
35
7.4 Conclusie Een eventuele overwoekering door stikstofminnende soorten heeft niet geleid tot vermindering van de verspreiding van stikstofgevoelige soorten. Over het algemeen lieten relatief weinig uiterst stikstofgevoelige mossen een afname in verspreiding zien.
36
8
Stikstofdepositie en ontwikkeling van vaatplanten (1950-2020)
8.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling van vaatplanten gerelateerd aan die van de stikstofdepositie. Voor beide onderwerpen kan die ontwikkeling gevolgd worden over de periode 1950-2020. Voor de vaatplanten is dankbaar gebruik gemaakt van het werk van ecologen, die de verspreiding van vaatplantensoorten in 1950, 1980, 1990, 2000, 2010 en 2020 hebben gereconstrueerd, waarbij zij een correctie hebben toegepast voor onder andere waarnemingseffecten. Voor 1950 en 1980 zijn de data beschikbaar in EcoDbase. Vanaf 1990 is de verspreidingsatlas als bron gebruikt. Om daaruit een trend te berekenen is dezelfde selectie van soorten gebruikt als beschreven in paragraaf 3.1. De trend is berekend door de verspreiding per soort per jaar te indiceren ten opzichte van de verspreiding van 1950. Daarbij is zoveel als mogelijk is het gecorrigeerde aantal atlasblokken per soort gebruikt. Indien dit niet beschikbaar was is het tienjaarlijks gemiddelde gebruikt. Om de ontwikkeling van de vaatplanten als groep aan te geven is per aangegeven jaar de mediaan berekend. Populair gezegd is de modus de “middelste” waarneming. Gebruik van het gemiddelde is in dit geval inferieur, omdat die veel gevoeliger is voor uitschieters. Voor de jaren 1960 en 1970 is interpolatie toegepast. Voor de ontwikkeling van de stikstofdepositie is gebruik gemaakt van twee bronnen.
Noordijk (2007) heeft de trend van de gemiddelde stikstofdepositie op Nederland (in mol/ha) berekend over de periode 1900-2006. Vanaf 1990 berekent het RIVM de stikstofdepositie op Nederland. De beide reeksen zijn opgenomen in bijlage 14.
8.2 Ontwikkeling stikstofdepositie Figuur 3 toont de ontwikkeling van de stikstofdepositie op Nederland. Het gaat daarbij om de som van stikstof in de vorm van NH3 (vooral afkomstig uit de landbouw) en in de vorm van NOX (afkomstig van verkeer, industrie en bevolking). Rond 1950 is de gemiddelde depositie geschat op ongeveer 1000 mol/ha. Tot 1990 liep de depositie in zeer snel tempo op. In dat jaar was de depositie toegenomen tot 3400 mol/ha. Rond 1990 werden actieve beleidsmaatregelen in werking gesteld om de depositie te verminderen. Voor de landbouw hield dat in dat mestsilo’s voortaan moesten worden afgedekt en dat de mest op een emissiearme wijze moest worden uitgereden. Ook werden er maxima gesteld aan de hoeveelheid mest die per ha mocht worden uitgereden. Deze maxima zijn vastgelegd in de mestwet, die tot op heden steeds verder is aangescherpt en waarin ook de kunstmestgift is gemaximeerd. Daarenboven is in het afgelopen decennium het stikstofgehalte in het krachtvoer teruggebracht en zijn emissiearme stalsystemen geïntroduceerd. Samen met beleidsmaatregelen op het gebied van de stikstofoxiden heeft dit geleid tot een vrijwel even snelle afname van de stikstofdepositie vanaf 1990. Deze gedaald van 3400 37
mol/ha in 1990 tot 1533 mol/ha in 2010 en was daarmee gekomen op ongeveer het niveau van 1960. Sindsdien is de stikstofdepositie gestabiliseerd rond 1500 mol/ha.
Figuur 3 Ontwikkeling van de stikstofdepositie in de periode 1950-2020
8.3 Ontwikkeling vaatplanten In figuur 4 wordt de ontwikkeling van vaatplanten getoond. Deze laat zien dat de verspreiding van vaatplanten vanaf 1950 tot 1990 is verminderd met 32%. Daarna trad een krachtig en onafgebroken herstel op . In 2020 was 70% van de afname van de kritische N2000 vaatplantensoorten hersteld.
Figuur 4 Ontwikkeling van de typische N2000 vaatplantensoorten in de periode 1950-2020 38
8.4
Synthese
In figuur 5 zijn de trends van de stikstofdepositie en die van de vaatplanten in één plaatje samengebracht. Voor de overzichtelijkheid is de schaal van de stikstofdepositie omgekeerd, dat wil zeggen dat de schaal in dit figuur van laag naar hoog loopt. In figuur 3 loopt deze van hoog naar laag. De figuur laat zien dat de afname van de verspreiding van vaatplanten tussen 1950 en 1990 gelijke tred houdt met de toename van de stikstofdepositie. Iedere 100 mol/ha extra stikstofdepositie ging gepaard met ongeveer 1% vermindering van de verspreiding van vaatplaten. Na 1990 liep de stikstofdepositie terug en trad vrijwel meteen ook al herstel van de verspreiding van vaatplaten op. Het herstel bleef echter een jaar of tien achter bij de vermindering van de stikstofdepositie. Ook Berendse et al constateerden dat het een tijd kan duren voor een plantensoort weer tot ontwikkeling kan komen en dat geduld op zijn plaats is. Voor het achterblijven van het herstel kunnen verschillende verklaringen worden gegeven: -
-
De hoge deposities uit het verleden spelen nog een rol omdat zij hebben mede geleid tot een zekere ophoping van stikstof in de bodem. De natuurlijke nitrificatie en denitrificatieprocessen zorgen ervoor dat stikstof in de bodem wordt omgezet in het onschuldige stikstofgas (lucht bestaat voor 78% uitstikstofgas). Dit proces heeft enige tijd nodig om de hoeveelheid uit het bodem systeem weg te krijgen Andere drukfactoren zijn een grotere rol gaan spelen. Zie daarvoor hoofdstuk 5 van dit rapport Klimaatsverandering heeft geleid tot warmere en drogere bodemomstandigheden. De bodem van veel natuurgebieden bestaat uit organisch materiaal, die bijvoorbeeld afkomstig is van afgevallen takken en bladeren, afgestorven plantendelen, uitwerpselen van dieren, omgevallen bomen. De natuurlijke afbraak van dit organisch
Figuur 5 Ontwikkeling van de stikstofdepositie (in mol/ha) en verspreiding van vaatplanten in de periode 1950-2020
39
materiaal gaat via een mineralisatieproces, dat gestimuleerd wordt door hoge temperaturen en droge omstandigheden. Bij dit proces komt veel goed opneembare stikstof voor planten vrij. Het resultaat is dat de invloed van depositie weliswaar sterk tanende is, maar dat deze voor een deel teniet wordt gedaan door versnelde afbraak van organische stof in de bodem. Een dergelijk verschijnsel doet zich voor op landbouwgrond in veengebieden met een lage grondwaterstand, waar jaarlijks uit de bodem 100 tot 200 kg stikstof per ha mineraliseert. 8.5
Conclusie
In de periode 1950-1990 is de stikstofdepositie duidelijk verhoogd. Dit is mogelijk oorzaak geweest voor de schade toegebracht aan de vaatplanten. De stikstofdepositie is sinds 1990 ruim gehalveerd en ligt nu weer op een vergelijkbaar niveau als in 1960. De vaatplanten hebben zich daarna grotendeels hersteld van de klap die zij tot 1990 hebben opgelopen. De verspreiding ligt nu op 90% van 1950. Dit is een vergelijkbaar niveau als dat van rond 1970. Deze iets achterblijvende ontwikkeling kan verklaard worden uit natuurlijke processen (vertraagde afbraak van eventuele stikstofophopingen in het verleden), klimaatsverandering (verdroging, versnelde mineralisatie van organische stof in de bodem) en menselijke activiteiten ingrijpen (onder andere hydrologie).
40
9
Discussie
9.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een aantal uitgangspunten ter discussie gesteld, die essentieel kunnen zijn voor de conclusies.
9.2
Soortenlijst
Het is jammer dat niet alle typische soorten in de analyse konden worden meegenomen. Van deze soorten konden geen voldoende betrouwbare trends worden berekend. Het gaat hier om ongeveer 70 typische N2000 habitatsoorten, waaronder insecten, kranswieren en paddenstoelen. Naar de richting van de trends van deze soorten kan slechts gegist worden.
9.3
Data en methode
De data zijn afkomstig uit verschillende bronnen. Bovendien zijn de brondata niet beschikbaar. Om de gevonden trends te verifiëren zijn de uitkomsten aan diverse ecologen voorgelegd. Helaas is op het nadrukkelijke verzoek om kritisch commentaar slechts mondjesmaat respons gekomen. Daarom zijn in tabel 17 de gevonden trends gelegd naast de globale trendontwikkeling, zoals die door het Compendium voor de Leefomgeving (CLO) zijn gepubliceerd. Voor de meeste soortengroepen komen de trends redelijk met elkaar overeen. Voor de dagvlinders en de vissen is het CLO iets pessimistischer dan dit rapport; voor de broedvogels juist optimistischer. Waarschijnlijk is een verschil in de samenstelling van de soortengroepen de achterliggende verklaring hiervoor. Het CLO heeft andere soorten geselecteerd dan de typische N2000 habitatsoorten.
Tabel 17. Vergelijking aangegeven trends in dit rapport met trends berekend door CLO Soortengroep Trend dit rapport Trend CLO Vaatplanten Matige toename Matige toename Mossen Stabiel Stabiel Korstmossen Sterke toename Matige toename Dagvlinders Stabiel Matige afname Libellen Matige toename Matige afname Vogels Stabiel Matige toename Zoogdieren Matige toename Matige toename Vissen Matige toename Stabiel Amfibieën en Matige toename Matige toename reptielen
41
9.4
Abundantie van soorten
De trends voor vaatplanten, mossen, korstmossen en zoogdieren zijn bijna geheel gebaseerd op de verspreiding van soorten. Een verandering van de verspreiding van een bepaalde soort hoeft niet noodzakelijkerwijs overeen te komen met gelijke verandering van het aantal exemplaren. Naast de verspreiding kan namelijk ook de soortendichtheid (de abundantie) toe- of afnemen. In feite zijn dit verschillende indicatoren, die beide nuttig kunnen zijn. Mutaties in abundantie kunnen een maat zijn voor kwaliteit en levensvatbaarheid van een soort op een bepaalde plaats, een mutatie in de verspreiding een aanwijzing voor de geografische uitbreiding van een soort. De abundantie reageert vooral op plaatselijke drukfactoren op bestaande locaties; de verspreiding meer op regionale drukfactoren. Van sommige soorten is bekend dat de abundantie sterk is teruggelopen, ondanks een gelijkblijvende verspreiding. Eén van de geraadpleegde ecologen, dhr. Zoon, gaf als voorbeeld de struikheide, die rond 1900 op 90% van de atlasblokken in het oosten van Nederland in hoge dichtheden voorkwam. Na de ontginningen tot 1960 kwam struikheide nog steeds op 90% van de hokken voor, maar in een veel lagere abundantie. Struikheide is dus tussen 1900 en 1960 enorm achteruitgegaan, maar komt nog wel bijna overal voor.
Helaas zijn data over de abundantie van soorten niet beschikbaar, zodat dat element niet altijd in deze rapportage.
9.5
Relatie tussen soorten, drukfactoren en Natura 2000 habitatten
In dit onderzoek zijn de typische N2000 habitatsoorten geanalyseerd. Dit zijn soorten, die als kenmerkend zijn aangewezen voor bepaalde habitatten. Natuurlijk zijn deze soorten niet beperkt tot de grenzen van deze wettelijk vastgelegde plaatsen. De betreffende flora en fauna komt dus niet alleen voor in de aangewezen habitatten, maar ook in de rest van de N2000 natuurgebieden en daarbuiten zoals in de agrarische omgeving, in parken, in bermen, en langs waterwegen. De analyses zijn uitgevoerd op nationaal niveau en zullen dus niet als vanzelfsprekend voor het gemiddelde N2000-gebied opgaan, laat staan voor een individuele habitat, waar verschillende, zeer plaatselijke factoren op de natuur van invloed zijn. Een risico van de soortenbenadering is dat de consequentie van afname van bepaalde soorten in een habitat kan worden onderschat. Soorten zijn tamelijk vaste bouwstenen van de natuur met begrensde eigenschappen. Slagen of falen van soorten kan bepalend zijn voor de toekomt van een ecosysteem. Het is daarom verheugend dat de verspreiding van de meeste soorten is toegenomen, waarmee de kans dat soorten binnen de aangewezen habitatten goed gedijen over het algemeen verbeterd is. Dat neemt niet weg dat de verspreiding van 63 van de typische N2000 habitatsoorten is verminderd.
Het is aanbevelenswaardig om van dit beperkt aantal soorten na te gaan in hoeverre deze achteruitgang schadelijk kan zijn voor het functioneren van de betreffende habitatten. Mocht het antwoord op deze vraag bevestigend zijn, is het van belang een analyse te maken welke drukfactoren tot de achteruitgang hebben geleid en in hoeverre zij te beïnvloeden zijn. Uit de hoofdstukken 5 tot en met 8 blijkt dat stikstof de afgelopen 20 jaar voor slechts enkele soorten de hoofdreden was voor afname van de verspreiding.
42
10
Conclusies
Met de bevindingen in de voorafgaande hoofdstukken zullen de gestelde onderzoeksvragen (zie paragraaf 1.2) worden beantwoord.
10.1
Hoe heeft de natuur zich ontwikkeld sinds 2000?
Overwegende dat: -
De landbouw, en in het bijzonder de melkveehouderij, er in is geslaagd om de stikstofemissies naar lucht en grondwater meer dan te halveren; Van alle 521 onderzochte typische habitat 2000 soorten 459 (88%) stabiel zijn gebleven, dan wel vooruit gegaan; Stikstof niet (meer) de hoofdrol speelt bij achteruitgang van soorten, maar dat deze plaats is ingenomen door andere drukfactoren, in het bijzonder de hydrologie en De stikstofgevoelige planten en mossen zich significant beter hebben ontwikkeld dan stikstofminnende soorten
is de conclusie dat de natuur goed herstellende is van de aanslag, die er in de zeventiger en tachtiger jaren op is gepleegd. De inspanningen van de landbouwsector hebben duidelijk hun vruchten afgeworpen.
10.2
Welke invloed heeft stikstof gehad op die ontwikkeling?
Toch geldt dit niet voor alle soorten; 62 soorten (12%) zijn achteruitgegaan waarvan een groot deel zelfs in sterke mate. Bovengemiddeld goed scoorden de vaatplanten, de zoogdieren en de zoetwatervissen. Een deel van de broedvogels, dagvlinders en mossen hebben het duidelijk nog steeds moeilijk. Voor deze (relatief kleine) minderheid blijkt stikstof als drukfactor sterk te hebben ingeboet. Van de 62 soorten, die zijn teruggelopen, ondervonden hooguit 22 soorten hinder van stikstof en zelfs in dat geval was er voor het overgrote deel sprake van een bijrol.
10.3
Welke andere (druk)factoren spelen een rol?
Andere drukfactoren zijn voor de soorten, die het moeilijk hebben, veel belangrijker geworden. Vooral hydrologische drukfactoren, zoals verdroging, verzoeting, kanalisatie en grondwateronttrekking zijn voor deze soorten de grootste bedreiging. Ook natuurlijke drukfactoren en factoren, die met beheer te maken, vormen een minstens even grote dreiging dan stikstof.
43
10.4
In hoeverre voldoet Nederland aan de EU-Instandhoudingsplicht?
De laatste onderzoeksvraag is het moeilijkst te beantwoorden. De vraag in hoeverre Nederland voldoet aan de EU-Instandhoudingsplicht, kan strikt genomen niet met dit onderzoek worden beantwoord. De Instandhoudingsplicht geldt namelijk niet zozeer voor de habitatsoorten, maar voor de aangewezen habitatten in de 162 N2000 gebieden. Met deze soorten gaat het in het algemeen goed, maar dat wil niet zeggen dat zij in de N2000 habitatten ook goed gedijen. Bovendien wordt de Instandhoudingsplicht door juristen uitgelegd dat alle risico’s op vermindering uitgebannen moeten worden. Praktisch gezien is dat onmogelijk.
44
11
Aanbevelingen
Uit deze analyse blijkt dat de natuur niet op omvallen staat, maar bezig is met opstaan. Het pakket aan beleidsinstrumenten, dat tot het jaar 2020 van kracht was, blijkt voldoende te zijn geweest om de natuur uit het dal van 30 jaar geleden te trekken. Het is belangrijk om deze lijn door te trekken. Dat wil niet zeggen dat het niet nog beter kan. Om de kansen voor natuurherstel te vergroten en tegelijkertijd de huidige spanningen in onze samenleving te verminderen is een transitie in het denken van politici en bestuurders van meer belang dan invoering van de aanscherpingen van de stikstofwet. Uit voorgaande analyse blijkt dat een zeer lage depositienorm niet zal leiden tot structurele natuurversterking en dat grootschalige transitie in het buitengebied niet nodig is geweest gedurende de afgelopen decennia waarin de natuur zich zo sterk verbeterd heeft. Het zal vooral politieke en bestuurlijke durf vergen om van het ingezette beleid af te wijken en in plaats daarvan beter begaanbare en doelgerichtere wegen is te slaan. Uit de analyse van de openbare bronnen komt naar voren dat het principe van ‘meten is weten’ ook hier van toepassing is: de nauwkeurige monitoring van de ontwikkeling van de soorten, de drukfactoren en de chemische samenstelling van bodem, lucht en water is nodig om op locatie effectief natuurbeheer te realiseren.
De nu volgende aanbevelingen zijn daarom vooral gericht aan politici en landsbestuur: •
• • • •
• •
•
45
Draai de stikstofwet, zoals die in 2019 van kracht is geworden, terug. Formuleer wetgeving gericht op effectief natuurbeheer overeenkomstig de bedoeling van de Vogel en Habitatrichtlijn. De beoordeling van de status van de natuur kan goed worden uitgevoerd door de monitoring van soorten. Draag de successen van het gevoerde beleid uit naar de samenleving; Stimuleer verdere verduurzaming van de landbouw op een verbindende wijze; Praktische uitvoerbaarheid en draagvlak onder de verschillende bevolkingsgroepen en bewoners rondom N2000 gebieden is essentieel; Zorg ervoor dat de instandhoudingsplicht geen aanleiding kan geven voor een juridisch steekspel om te voorkomen dat óf samenleving óf landbouw óf natuur óf alle drie verliezen; Overweeg om onrealistische doelen uit het streefbeeld weg te nemen; Betrek samenleving en landbouw meer bij het natuurherstel, bijvoorbeeld door oprichting van lokale natuurcoöperaties, waarbij een grote rol is weggelegd bij de plaatselijke bevolking, bedrijven en openbare instellingen; Zet meer in op aanpak van belangrijker bottlenecks, zoals verdroging van N2000 gebieden en conflicterende belangen zoals waterwinning, water-veiligheid, regionale economie, sociale cohesie en voedselzekerheid.
Als die niet worden opgelost is aanscherping van de stikstofwet en uitvoering van het Nationaal Programma Landelijk Gebied zinloos en zijn de tientallen miljarden euro’s weggegooid geld.
•
46
Het is nodig de daadwerkelijk depositie in N2000 gebieden te kennen. Tevens is de bepaling van concrete emissie van zg. piekbelasters nodig om de invloed op nabijgelegen N2000 gebied te bepalen en effectieve maatregelen te kunnen formuleren.
Persoonlijke nabeschouwing In dit onderzoek heb ik de typische N2000 habitatsoorten geanalyseerd. Dat wil niet zeggen dat geconstateerde ontwikkelingen van deze soorten ook in dezelfde mate in de N2000 habitatten hebben plaatsgevonden. De analyses zijn namelijk uitgevoerd op nationaal niveau en zullen dus niet als vanzelfsprekend voor het gemiddelde N2000-gebied opgaan, laat staan voor een individuele habitat. Deze constatering houdt direct verband met een hele belangrijke vraag. Er zijn in Nederland 162 N2000 gebieden met in totaal een veelvoud daarvan aan habitattypes en -soorten. Wettelijk gezien geldt het EU-verslechteringsverbod. Dat wordt door de politiek uitgelegd als het uitbannen van ieder risico dat een willekeurige drukfactor een verslechtering zou kunnen veroorzaken. Objectief gezien is dat een absurde situatie, omdat het impliceert dat de mens tot in detail de natuur in de hand zou hebben. Natuur laat zich niet sturen. Wij kunnen de juiste voorwaarden scheppen voor natuurontwikkeling, maar we zijn als mens niet in staat om een door ons gewenst plantje spontaan op een door ons gewenste plaats te laten gedijen. Ook niet per wet. Wat dat betreft is bescheidenheid op zijn plaats. Gezien de uitkomst van het onderzoek gaat het in het algemeen goed met de natuur. De typische habitatsoorten, die rond de eeuwwisseling in Nederland aanwezig waren zijn er nu allemaal nog.
En het aantal toenemende soorten is viermaal zo groot als het aantal afnemende soorten. Als de soortenontwikkeling op hetzelfde tempo doorgaat zoals in de afgelopen decennia zijn we over tien a vijftien jaar qua vaatplanten weer op het niveau van 1950 terug. De vaatplanten waren in de periode 1950 tot 1990 met 32% teruggelopen. In hoofdstuk 8 hebben we gezien dat we die teruggang inmiddels al teruggebracht hebben tot 10%. Zeker als we bedenken dat de stikstofgevoelige soorten zich momenteel veel sneller herstellen dan de stikstofminnende soorten. Daar mogen we als samenleving trots op zijn! De enorme inspanningen om dit voor elkaar te krijgen werpen hun vruchten boven verwachting af! Met name de melkveehouders hebben zich enorm in moeten spannen om dit voor elkaar te krijgen. Zij waren het, die het stikstofoverschot hebben teruggebracht van 347 kg N/ha naar 180 kg N/ha en daarmee de ammoniakemissie met 60% tot 70% hebben teruggedrongen en de nitraatuitspoeling naar grond- en slootwater hebben gehalveerd. Desondanks worden zij daarvoor niet gewaardeerd. Integendeel: onder aanvoering van activisten en sommige politici en bestuurders worden zij door een deel van de samenleving verguisd en in het verdomhoekje gezet. Blijkbaar alleen omdat de positieve ontwikkelingen zich niet precies voordoen op de plaats die de mens daarvoor in gedachten had.
De activistische propaganda spreekt van een omvallende natuur. Daarbij geven ze aansprekende voorbeelden. Die voorbeelden kunnen kloppen, maar zijn naar mijn stellige overtuiging een demonstratie van hooghartigheid van de mens, die aan juridische wetten meer gezag toekent dan aan natuurlijke wetten. Vooral boeren weten beter dan wie dan ook dat de natuur zich hooguit laat verleiden, maar zich nooit laat dwingen. Nog even terug naar het voorwoord, waarin ik mijn afschuw uitsprak over polarisatie. Ik schrijf dit op de avond van 5 mei. Gisteren en vandaag zijn dé momenten om stil te staan hoe een samenleving kan verworden tot een hel. We herdenken hoe polarisatie en het 47
aanwijzen van zondebokken heeft geleid tot genocide en de dood van miljoenen onschuldigen. Als ik denk aan de hardheid van sommige boerendemonstraties, aan de afgevuurde kogel op een 16-jarige jongen, aan de weinig verbindende taal in het parlement en aan het aangekondigde Koekeloeren door Wakker Dier besef ik dat een natie zichzelf bijna ongemerkt in een zeer ongewenste positie kan brengen. Toch wil ik benadrukken dat ik hoopvol ben. Het voorbeeld van de vaatplanten, die binnen afzienbare tijd weer terug zullen kunnen komen op het niveau van 1950 staat niet op zichzelf. Dit is zelfs waarschijnlijk met de mest- en emissiewetgeving zoals de vóór 2019 van kracht was! Met de libellen gaat het nu al beter dan toen! Voor andere soorten gaat dat misschien nog wat langer duren, en misschien verdwijnen sommige individuele soorten uit Nederland, maar dat betekent geenszins dat de Natuur als zodanig in zal storten. De oplossing om uit deze (gecreëerde) stikstofcrisis te komen bestaat, als alle goede dingen, uit drie elementen: 1. het schrappen van absurde wetgeving, die – naar mijn stellige overtuiging - voor de natuur averechts zal uitpakken, 2. besef dat Samenleving, Landbouw én Natuur niet zonder elkaar kunnen en dat geen van deze drie gebaat is bij de huidige patstelling, 3. het uitoefenen van actief geduld. Het is inmiddels laat in de avond, letterlijk vijf voor twaalf.
Ik sluit nu mijn reflectie af om tot rust te kunnen komen en morgen weer aan een frisse dag te beginnen. Het is dan 6 mei. Figuurlijk gezien zijn uit dit onderzoek geen aanwijzingen naar voren gekomen dat het vijf voor twaalf zou zijn. Ook het stikstofdossier kan het zich prima veroorloven om even rust te nemen en te reflecteren. Morgen is er natuurlijk weer een dag!
48
Referenties Geraadpleegde websites • • • • • • • • • • • • • • • • •
Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) SOVON Vogelonderzoek Floron Ravon BLWG Vlinderstichting Zoogdierenvereniging Synbiosys (EcoDbase) BIJ12 Compendium voor de leefomgeving RIVM WUR Natura2000 Centraal Bureau voor de Statistiek Natuurmonumenten Stichting Agrifacts STAF Wikipedia
Geraadpleegde personen • • • • • • • • • • • •
49
Jehannes Fopma Nico Gerrits Anna Nynke Hiemstra Henk de Vries Wim de Vries Arco van Strien Geesje Rotgers Wieger Wamelink Inge Somhorst Henk Rampen Cees Zoon Diverse anonieme ecologen van soortenorganisaties, provincies en waterschappen
Geraadpleegde literatuur Duijnen, R. van, P.W. Blokland, D. Fraters, G.J. Doornewaard en C.H.G. Daatselaar (2022) Landbouwpraktijk en waterkwaliteit op landbouwbedrijven aangemeld voor derogatie in 2020; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu; Bilthoven; RIVM-rapport 2022-0034 Frank Berendse, Rob H. E. M. Geerts, Wim Th. Elberse, Thiemo Martijn Bezemer, Paul W. Goedhart, Wei Xue, Erik Noordijk, Cajo J. F. ter Braak, Hein Korevaar (2021) A matter of time: Recovery of plant species diversity in wild plant communities at declining nitrogen deposition Hoogerbrugge, R., G.P. Geilenkirchen, S. Hazelhorst, H.A. den Hollander, M. Huitema , W. Marra, K. Siteur, W.J. de Vries en R.J. Wichink Kruit (2022) Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2022 RIVM, Bilthoven, RIVM-rapport 2022-0059 Horne, Peter van en Henri Prins (2002) Development of dairy farming in the Netherlands in the period 1960-2000; Landbouweconomisch Instituut; Den Haag; rapport 2.02.07 W. van Dijk, J.A. de Boer, M.H.A. de Haan, P. Mostert, J. Oenema & J.
Verloop Rekenregels van de KringloopWijzer 2021 Achtergronden van BEX, BEA, BEN, BEP en BEC: actualisatie van de 2020-versie Wageningen University & Research; Wageningen; Rapport WPR-1119 NN (1992) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna Sparrius, Laurens B. en Arco J. van Strien (2014) Het berekenen van jaarlijkse trends van planten op basis van verspreidingsgegevens; In: Gorteria 37 (2014-2015), p. 31-40 Van Swaay, C.A.M., Bos-Groenendijk, G.I., Van Grunsven, R., Van Deijk, J.R., Wever, R., Stip, A., De Vries, H.H, Kok, J.M., Huskens, K., Veling, K., Van ’t Bosch, J. & Poot, M.J.M. (2023) Vlinders, libellen en hommels geteld. Jaarverslag 2022. De Vlinderstichting, Wageningen, Rapport VS2023.004. Velders, G.J.M., J.M.M. Aben, J.A. van Jaarsveld, W.A.J. van Pul, W.J. de Vries, M.C. van Zanten (2010) Grootschalige stikstofdepositie in Nederland. Herkomst en ontwikkeling in de tijd; Planbureau voor de Leefomgeving; Den Haag; PBL-publicatienr: 500088007/2010
50
Bijlagen
51
Bijlage 1
Overzicht van ontwikkelingen van de soorten naar soortengroep totaal
Verdwenen <2000 Verdwenen >2000 Niet-wild
mossen
11
vaatplanten 2
vlinders
libellen
1
korstmossen 0
0 1
vogels
vissen
2
zoogdieren 1
2
0
amfibieën reptielen 0
3
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1
0
0
0
0
0
0
0
0
Onduidelijk
9
8
0
0
0
0
0
1
0
0
Sterk afgenomen Afgenomen
31
11
4
1
5
1
0
8
0
1
31
13
5
0
5
3
0
3
1
1
Onveranderd
205
138
13
8
6
5
6
15
8
6
Toegenomen
229
158
13
10
8
10
10
9
8
3
Terug
4
1
2
0
1
0
0
0
0
0
Totaal
521
332
38
19
28
21
17
38
17
11
52
Bijlage 2
Verspreidingsatlas
Zoals gezegd zijn de databanken over het algemeen niet toegankelijk. Een uitzondering daarop is de Verspreidingsatlas, welke online beschikbaar is. De atlas bevat bijna 30 miljoen waarnemingen van ruim 25.000 soorten flora en fauna. De oudste waarnemingen dateren uit het begin van de 19e eeuw, de meest recente zijn van enkele weken geleden. De verspreidingsatlas geeft de gebruiker inzicht in geografische verspreiding van soorten over Nederland. Daartoe is er een raster over Nederland gelegd met vierkanten van 5 x 5 km, de zogenaamde atlasblokken. De atlas geeft in een kaartje aan in welke atlasblokken een bepaalde soort minimaal één maal is aangetroffen. Bovendien is het mogelijk vijfjaarlijkse periodes te selecteren. Door het kiezen van opeenvolgende periodes kan gekeken worden of de verspreiding van de waarnemingen door de tijd heen toeneemt, gelijk blijft of afneemt. Ook verschuivingen van de soort binnen Nederland kunnen zo zichtbaar worden gemaakt. Zie daarvoor het voorbeeld van Veenbies, waarvan de beschikbare info op de volgende pagina is afgedrukt: -
Informatie over de plant, vindplaatsen, preferente omstandigheden, en dergelijke Een kaartje, waarin de atlasblokken zijn gegeven, waar de plant is waargenomen (in rood). De kaart links geeft de situatie in de periode 1990-1999; rechts het kaartje in 2015-heden. Het aantal atlasblokken staat ook vermeld. 1990-1999 waren dat 256; in 2015-heden 247. De gegevens over Veenbies op de Rode Lijst De door de NDFF berekende trend, waarbij de situatie rond 1975 op 100 is gesteld.
Uit deze data is af te leiden dat veenbies graag groeit op vochtige, zure, stikstof- en voedselarme bodems, dat de plant vooral te vinden is in regio’s met een hoge veedichtheid, dat de Rode lijst aangeeft dat de plant sinds 1950 achteruit is gegaan en dat deze sinds 1975 met 50% is toegenomen.
53
Voorbeeld: informatie uit de verspreidingsatlas over Veenbies
Ecologie & verspreiding Veenbies prefereert zonnige, vochtige tot natte, basen- en stikstofarme, zure, voedselarme en humeuze zand- en leembodems, ook op hoogveen. Ze is te vinden op natte plaatsen in heiden, in en langs greppels, in bermen en moerassen, in bronvenen en langs spoorbermen. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het verspreidingsgebied. Het taxon is vrij zeldzaam in de Pleistocene streken en zeer zeldzaam in de aangrenzende laagveengebieden. Veenbies is sterk achteruitgegaan door ontginning, ontwatering en het toegenomen gebruik van meststoffen. De bestuiving en verspreiding van de eironde en afgeplatte nootjes geschiedt door de wind. De plant heeft geen uitlopers en vormt zeer dichte en stugge pollen, die vaak groot zijn en in de winter bruin tot geel verkleuren. De stijve, ronde, niet vertakte stengels draagt een eindstandige aartje en hebben aan de voet bladloze scheden waarvan uitsluitend de bovenste een 0,2 tot 1 cm lange, gootvormige bladschijf draagt.
Familie:
Cyperaceae
Groep:
eenzaadlobbigen (bloemplanten)
Voorkomen in Nederland Status:
Rode Lijst: Kwetsbaar
Trend sinds 1950:
sterk achteruitgegaan (50-75%)
Zeldzaamheid:
vrij zeldzame soort
Indigeniteit:
oorspronkelijk inheems
Monitoring Indicatorsoort:
54
typische soort (Natura2000)
Bijlage 3
Stikstofkringloop
Bron: BiNaS; voor uitleg is dit filmpje beschikbaar
55
Bijlage 4 Trend van vaatplantensoorten (2000-2020) Soort
Aapjesorchis Aardbeiganzerik Aarddistel Akkermelkdistel Alpenheksenkruid Alpenrus Amandelwolfsmelk Armbloemige waterbies Beemdhaver Beemdkroon Beemdooievaarsbek Beenbreek Beklierde ogentroost Berendruif Bergdravik Berggamander Bermooievaarsbek Besanjelier Bittere veldkers Bitterkruidbremraap Blauw kweldergras Blauwe bremraap Blauwe knoop Blauwe waterereprijs Blauwe zeedistel Blauwe zegge Bleek bosvogeltje Bleek kweldergras Bleek schildzaad Bloedzuring Blonde zegge Bonte paardenstaart Borstelgras Bosbingelkruid Bosboterbloem Bosdravik Bosereprijs Bospaardestaart Bosroos Boswederik Brede ereprijs 56
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend volgens FLORON
142%
200% 160% 171% 111%
213% 357% 75% 70% 115% 122% 83% 107% 122% 126% 45% 96% 193% 121%
136%
88% 175%
Trend volgens verspr.atlas 200% 206% 111% 95% 100% 26% 300% 179% 100% 273% 313% 122% nb 100% 189% 100% 293% 100% 91% 159% 109% 255% 111% 128% 173% 111% 275% 64% 100% 124% 154% 183% 93% 268% nb 200% 232% 140% 148% 170% 248%
Conclusie
onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd verdwenen <2000 afgenomen toegenomen onveranderd toegenomen afgenomen afgenomen onveranderd onduidelijk toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen sterk afgenomen onduidelijk onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen terug onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen
Soort
Breed fakkelgras Breed wollegras Bruin cypergras Bruine snavelbies Buntgras Christoffelkruid Cipreswolfsmelk Dalkruid Daslook Deens lepelblad Donkersporig bosviooltje Doorgroeid fonteinkruid Doorgroeide boerenkers Draadgentiaan Drienervige zegge Drijvende egelskop Drijvende waterweegbree Duifkruid Duinaveruit Duindoorn Duinroos Duinteunisbloem Duinviooltje Duitse gentiaan Duizendknoopfonteinkruid Dunstaart Dwergbloem Dwergvlas Echt bitterkruid Echt lepelblad Eenarig wollegras Eenbes eenbloemig parelgras Egelantier Engels gras Engels lepelblad Fijn goudscherm Fijne kervel Fraai duizendguldenkruid Franjegentiaan Galigaan-associatie Geel zonneroosje Geelgroene wespenorchis Gele anemoon 57
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend volgens FLORON
175% 226% 77% 176% 91% 250% 126% 233% 83% 300% 133% 44% 275% 108% 100% 124% 72% 144% 168% 267% 200% 111% 43% 110% 100% 124% 102% 45% 46% 131%
Trend volgens verspr.atlas 83% 50% 204% 116% 77% 118% 296% 109% 398% 113% 353% 92% 140% 229% 125% 130% 85% 350% 267% 137% 205% 5200% 106% 100% 105% 159% 175% 154% 143% 117% 103% 171% 270% 538% 210% 124% 122% 119% 128% 50% 134% 314% 200% 305%
Conclusie
onveranderd sterk afgenomen toegenomen toegenomen afgenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd sterk afgenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd sterk afgenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd sterk afgenomen onveranderd sterk afgenomen toegenomen onduidelijk onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen
Soort
Gele monnikskap Gele morgenster Gele zegge Gelobde maanvaren Gerande schijnspurrie Gesteeld glaskroos Gesteelde zoutmelde Gevlekt zonneroosje Gewone salomonszegel Gewone zoutmelde Gewoon kweldergras Glad parelzaad Gladde zegge Glanzig fonteinkruid Goudhaver Graslathyrus Groene nachtorchis Groenknolorchis Groot blaasjeskruid Groot springzaad Groot streepzaad Grote biesvaren Grote centaurie Grote pimpernel Grote tijm Grote veldbies Grote wolfsklauw Handjesgras Hangende zegge Harige ratelaar Hauwklaver Heelkruid Heemst Heidekartelblad Heidespurrie Heidezegge Hengel Herfstbitterling Herfstschroeforchis Herstmunt Hertshoornweegbree Hondskruid Hondsviooltje Honingorchis 58
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend volgens FLORON
83% 18% 106% 260%
100% 167% 112% 150% 100% 117% 327% 127% 93% 60% 153% 167% 96% 119% 410% 200% 127% 1200% 359% 85% 142% 142% 75% 76% 300% 160% 457% 161% 86%
Trend volgens verspr.atlas 200% 101% 138% 113% 123% 247% 178% 700% 117% 132% 98% 213% 50% 106% 108% 674% 100% 137% 110% 90% 201% 100% 291% 163% 239% 447% 160% 148% 1314% 512% 100% 130% 285% 89% 84% 150% 110% 253% 233% 228% 202% 605% 89% 125%
Conclusie
toegenomen onveranderd onveranderd sterk afgenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onduidelijk onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd afgenomen toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen afgenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd
Soort
N2000 of EU, bijlage II
Trend volgens FLORON
Jeneverbes Kaal breukkruid Kalkwalstro Kamvaren Karwij Karwijvarkenskervel Kegelsilene Klein glidkruid Klein heksenkruid Klein schorrenkruid Klein slijkgras Klein vlooienkruid Klein warkruid Klein wintergroen Kleine biesvaren Kleine ereprijs Kleine kaardebol Kleine kattenstaart Kleine knotszegge Kleine ruit Kleine rupsklaver Kleine steentijm Kleine valeriaan Kleine veenbes Kleine wolfsklauw Kleine zonnedauw Kleinste egelskop Kleverige reigersbek Klimopwaterranonkel Klokjesgentiaan Kluwenklokje Knikkend nagelkruid Knolribzaad Knolvossenstaart Knopbies Knotszegge Kortarige zeekraal Krabbenscheer Kranskarwij Kranssalomonszegel Kruipbrem Kruipend moerasscherm Kruipende moerasweegbree Kruiptijm
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 EU, bijlage II N2000 N2000
116% 273% 25% 86% 20% 70% 67%
59
125% 194% 155%
406%
100% 147% 117% 80% 108% 180%
114% 129%
240%
124%
138% 40% 125%
Trend volgens verspr.atlas 134% 246% 55% 107% 71% 136% 273% 104% 260% 128% nb 263% 128% 145% 50% 100% 259% 175% 100% 179% 254% 122% 97% 110% 63% 127% 121% 143% 94% 101% 413% 244% 138% 70% 150% 170% 134% 160% 100% 200% 133% 92% 275% 200%
Conclusie
onveranderd toegenomen sterk afgenomen onveranderd sterk afgenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen sterk afgenomen onduidelijk toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd
Soort
N2000 of EU, bijlage II
Trend volgens FLORON
Kruipwilg Kruisbladgentiaan Kruisbladwalstro Kuifvleugeltjesbloem Kwelderzegge Laksteeltje Lamsoor Langarige zeekraal Lange ereprijs Lange zonnedauw Langstengelig fonteinkruid Lavendelhei Lelietje van dalen Lievevrouwebedstro Liggend bergvlas Liggend walstro Liggende asperge Liggende ereprijs Liggende ganzerik Liggende raket Maarts viooltje Mannetjesorchis Melkkruid Melkviooltje Mispel Moerasgamander Moerashertshooi Moerasmelkdistel Moerassmele Moerasspirea Moeraswespenorchis Moeraswolfsklauw Moeraswolfsmelk Muskuskruid Nachtsilene Noords walstro Noordse helm Noordse Rus Oeverkruid Ondergedoken moerasscherm Ongelijkbladig fonteinkruid Oorsilene Oosterse morgenster Paarbladig goudveil
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
90%
60
85% 126% 400% 127% 76%
115% 129% 179% 100% 76% 122% 195% 113% 419% 100% 280% 117% 57% 100% 238% 813% 122% 94% 86%
141% 171% 100% 62% 540% 145%
Trend Conclusie volgens verspr.atlas 115% onveranderd 133% onveranderd 124% onveranderd 125% toegenomen 163% toegenomen 783% toegenomen 134% toegenomen 127% toegenomen 249% onveranderd 100% afgenomen 140% onveranderd 125% onveranderd 139% toegenomen 235% toegenomen 200% onveranderd 89% onveranderd 130% afgenomen 233% onveranderd 180% toegenomen nb verdwenen <2000 185% toegenomen 156% toegenomen 116% onveranderd 133% toegenomen 323% onveranderd 100% onveranderd 155% toegenomen 146% toegenomen 111% onveranderd 115% onveranderd 320% toegenomen 199% toegenomen 274% toegenomen 166% onveranderd 146% onveranderd 100% onveranderd 82% onveranderd 106% onveranderd 143% toegenomen 103% toegenomen 91% onveranderd 89% afgenomen 667% toegenomen 171% toegenomen
Parnassia Pilvaren Poelruit Poppenorchis Purperorchis Rapunzelklokje Rechte alsem Reuzenpaardenstaart Rivierduinzegge Rivierfonteinkruid Rivierkruiskruid Riviertandzaad Rode Bies Rode bremraap Rond wintergroen Ronde zegge Ronde zonnedauw Rood peperboompje Rozenkransje Ruig hertshooi Ruig klokje Ruig schapengras Ruw gierstgras Ruw vergeet-mij-nietje Ruwe dravik Ruwe klaver Schaduwkruiskruid Schedegeelster Schorrenzoutgras Schubzegge Selderij Sierlijke vetmuur Sikkelklaver Slangenlook Slank wollegras Slanke gentiaan Slanke zegge Slijkgroen Slijkzegge Soldaatje Spaanse Ruiter Steenanjer Steenhoornbloem Stekelbrem Stekende bies Stijf hardgras 61
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
170% 467% 92%
150% 190% 300% 83% 667%
128% 131% 147%
320%
83%
88% 83%
105% 107%
240% 206%
95% 196% 127% 1200%
219% 175% 114% 150% 143% 233% 338% 329% 331% 193% 129% 900% 58% 333% 201% 104% 135% 50% 77% 125% 421% 767% 110% 133% 122% 282% 156% 125% 107% 167% 213% 125% 143% 369% 100% 292% 138% 230% nb 313% 109% 292% 400% 118% 200% 964%
toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen niet-wild toegenomen onveranderd toegenomen onduidelijk toegenomen toegenomen toegenomen
Soort
Stijve moerasweegbree Stijve naaldvaren Stijve steenraket Stomp kweldergras Strandduizendguldenkruid Teer guichelheil Tengere veldmuur Torenkruid Tripmadam Trosdravik Trosgamander Tweehuizige zegge Valkruid Vals muizeoor Veelstengelige waterbies Veenbies Veenbloembies Veenmosorchis Veenorchis Veldgentiaan Veldsalie Verspreidbladig goudveil Vetblad Vingerzegge Vleeskleurige orchis Vliegenorchis Vlottende bies Vlottende waterranonkel Vlozegge Vogelnestje Voorjaarshelmkruid Walstrobremraap Waterlobelia Waterpunge Weegbreefonteinkruid Weidekervel Welriekende agrimonie Welriekende nachtorchis Welriekende salomonszegel Wilde averuit Wilde hyacint Wilde kievitsbloem Winterlinde Witte klaverzuring 62
N2000 of EU, bijlage II
Trend volgens FLORON
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
238% 194% 110% 103% 1000% 156% 182% 182%
350% 143%
314% 120% 160% 232%
143%
170%
220% 100% 78% 280%
103%
Trend volgens verspr.atlas 167% 597% 82% 80% 122% 284% 150% 350% 372% 220% 100% 100% 161% 114% 131% 99% 67% 100% 300% 114% 411% 115% 293% 80% 209% 100% 123% 52% 135% 233% 366% 121% 109% 151% 120% 59% 369% 140% 125% 60% 285% 200% 125% 133%
Conclusie
toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onduidelijk onduidelijk toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen afgenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd
Soort
Witte rapunzel Witte snavelbies Witte veldbies Witte waterkers Wittewaterranonkel Zacht vetkruid Zanddoddegras Zandviooltje Zandwolfsmelk Zeealsem Zeegerst Zeerus Zeevetmuur Zeeweegbree Zeewolfsmelk Zilte rus Zilte schijnspurrie Zilte waterranonkel Zinkboerenkers Zinkschapengras Zinkviooltje Zomerklokje Zulte Zwartblauwe rapunzel Zwarte populier
63
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend volgens FLORON
167% 165% 200% 78% 88% 107% 200% 100% 131% 400% 92% 118% 188%
77% 39%
Trend volgens verspr.atlas 217% 100% 211% 148% 137% 266% 102% 141% 67% 131% 107% 166% 65% 116% 481% 104% 143% 109% 100% nb 200% 855% 115% 144% 71%
Conclusie
onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen afgenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd afgenomen onveranderd toegenomen afgenomen toegenomen sterk afgenomen
Bijlage 5
Trend van mossoorten (2000-2020)
Soort Alpenmos Beekdikkopmos Bossig kronkelsteeltje Broedkelkje Dof veenmos Gedrongen schoffelmos Geel schorpioenmos Geel smaltandmos Gekroesd gaffeltandmos Geveerd diknerfmos Gevind moerasvorkje Gewoon diknerfmos Gewoon trapmos Glanzend tandmos Glanzend veenmos Groot touwtjesmos Hoogveenlevermos
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend volgens verspr.atlas nb 57% 267% 76% 89% 86% 1000% 67% 120% 150% 100% 128% 71% 57% 190% 239% 17%
Hoogveenveenmos Kaal tandmos Kortharig kronkelsteeltje Kussentjesmos Kussentjesveenmos Kwelviltsterrenmos
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
156% 64% 100% 110% 140% 11%
Priembladmos Rood schorpioenmos Rood veenmos Smalbladig Veenmos Spatelmos Stobbegaffeltandmos
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
67% 128% 80% 100% 125% 43%
Tonghaarmuts
N2000
33%
Trilveenveenmos Veengaffeltandmos
N2000 N2000
175% 0%
Vijfrijig veenmos Violet Veenmos Vloedschedemos Vloedvedermos Wrattig veenmos Zacht veenmos
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
200% 164% 100% 76% 106% 143%
64
Conclusie terug afgenomen toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen terug onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen afgenomen afgenomen toegenomen toegenomen sterk afgenomen toegenomen afgenomen onveranderd onveranderd toegenomen sterk afgenomen afgenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen sterk afgenomen sterk afgenomen toegenomen verdwenen <2000 onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen
Bijlage 6
Trend van korstmossoorten (2000-2020)
Soort
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend volgens verspr.atlas 158% 101% 267% 109% 103% 132% 113% 147% 205% 171% 140% 143% 158% 81% 100% 102%
N2000 N2000 N2000
50% 115% 155%
Bruin heidestaartje Ezelspootje Gevlekt heidestaartje Gewoon kraakloof Girafje Hamerblaadje IJslands mos Kronkelheidestaartje Maleboskorst Open rendiermos Plomp bekermos Rode heidelucifer Sierlijk rendiermos Slank stapelbekertje Stuifzandkorrelloof Stuifzandstapelbekertje Wollig korrelloof Wrattig bekermos Zomersneeuw
65
Conclusie toegenomen onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd sterk afgenomen onveranderd toegenomen
Bijlage 7
Trend van dagvlindersoorten (2000-2020)
Soort
N2000 of EU, bijlage II
Trend vlinder stichting
N2000 N2000 N2000
toegenomen toegenomen toegenomen sterk afgenomen onveranderd
Aardbeivlinder Bruin blauwtje Bruin dikkopje Donker pimpernelblauwtje Duinparelmoervlinder Dwergblauwtje Eikenpage
EU, bijlage II N2000 N2000 N2000
Geelsprietdikkopje
N2000
Gentiaanblauwtje Groentje
N2000 N2000
Grote ijsvogelvlinder
N2000
Grote parelmoervlinder Grote vuurvlinder Grote weerschijnvlinder Heideblauwtje Heivlinder
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Kleine heivlinder Kleine ijsvogelvlinder Kleine parelmoervlinder Kommavlinder
N2000 N2000 N2000 N2000
Moeras Parelmoervlinder Pimpernelblauwtje Purperstreepparelmoervlinde r
N2000 EU, bijlage II
afgenomen sterk afgenomen onveranderd
sterk afgenomen afgenomen afgenomen afgenomen sterk afgenomen toegenomen toegenomen afgenomen
toegenomen
N2000
Tweekleurig hooibeestje Veenbesblauwtje
N2000 N2000
Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Zilveren maan
N2000 N2000 N2000
66
onveranderd
Trend volgens verspr.atlas 84% 263% 333% 43% 102% 250% 172% 24% 35% 121%
97% 88% 809% 114% 66% 30% 261% 284% 69% nb 150% 250%
Afgenomen Sterk afgenomen onveranderd onveranderd
nb 60% 42% 33% 103%
Conclusie
toegenomen toegenomen toegenomen sterk afgenomen onveranderd toegenomen onveranderd sterk afgenomen sterk afgenomen onveranderd verdwenen <2000 afgenomen afgenomen toegenomen Onveranderd Afgenomen sterk afgenomen Toegenomen Toegenomen Afgenomen verdwenen <2000 Toegenomen Terug verdwenen <2000 afgenomen sterk afgenomen onveranderd onveranderd
Bijlage 8
Trend van libelsoorten (2000-2020)
Soort
N2000 of EU, bijlage II
Beekrombout
N2000
Bronslibel Bruine korenbout Bruine winterjuffer
EU, bijlage II N2000 N2000
Donkere waterjuffer Gaffellibel Gevlekte Witsnuitlibel Gewone bronlibel Glassnijder Groene glazenmaker Hoogveenglanslibel Kempense heidelibel
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Mercuurwaterjuffer Noordse glazenmaker
EU, bijlage II N2000
Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sierlijke witsnuitlibel Speerwaterjuffer Venwitsnuitlibel Vroege glazenmaker Weidebeekjuffer
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
67
Trend vlinderstichting stabiel
Trend volgens verspr.atlas
Conclusie
204%
toegenomen
531% 557%
onveranderd verdwenen <2000 toegenomen toegenomen sterk afgenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen afgenomen onveranderd toegenomen verdwenen <2000 onveranderd
toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen afgenomen onveranderd
Onveranderd
toegenomen afgenomen afgenomen toegenomen onveranderd
33% 275% 698% 125% 242% 110% 317% 667%
126% 0 → 27 atlasblokken 184% nb 67% 128% 412% 149%
toegenomen toegenomen toegenomen afgenomen afgenomen toegenomen onveranderd
Bijlage 9
Trend van broedvogelsoorten (2000-2020)
Soort Appelvink Bergeend Blauwborst Boomklever Boomleeuwerik Bosrietzanger Bosuil Dodaars Duinpieper Eider Fluiter Geelgors Geoorde fuut Graspieper Grote Bonte Specht Houtsnip Klapekster Kluut Kwak Kwartel Matkop Midden Europese Goudvink Nachtegaal Paapje Roodborsttapuit Sprinkhaanzanger Strandplevier Tapuit Tureluur Veldleeuwerik Velduil Watersnip Wespendief Wielewaal Wintertaling Wulp Zwarte specht Zwarte Stern
68
N2000 of EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
Trend SOVON 245% 101% 149% 184% 117% 114% 118% 107% 4% 32% 127% 104% 86% 109% 176% 179% 0% 65% 205% 81% 55%
N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000 N2000
163% 105% 68% 292% 100% 60% 70% 68% 82% 67% 96% nb 98% 60% 49% 86% 110%
Trend volgens verspr.atlas
Conclusie toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd verdwenen <2000 sterk afgenomen toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen toegenomen verdwenen <2000 afgenomen toegenomen onveranderd sterk afgenomen toegenomen onveranderd sterk afgenomen toegenomen onveranderd sterk afgenomen sterk afgenomen afgenomen afgenomen sterk afgenomen onveranderd onduidelijk onveranderd sterk afgenomen sterk afgenomen onveranderd onveranderd
Bijlage 10
Trend van zoogdiersoorten (2000-2020)
Soort
N2000 of EU, bijlage II
Bechsteins vleermuis Bever Dwergmuis Eikelmuis Grote bosmuis Grote hoefijzerneus Haas Hazelmuis Ingekorven vleermuis Kleine hoefijzerneus Konijn Meervleermuis Mopsvleermuis Otter Vale vleermuis Waterspitsmuis Wolf
EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000 EU, bijlage II N2000 N2000 EU, bijlage II EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II EU, bijlage II EU, bijlage II EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II
69
Trend zoogdieren vereniging
Trend volgens verspr.atlas
Conclusie
200% 518% 110% 138% 3700% 100% 117% 117% 156% nb 132% 138% nb 1946% 208% 81% 3100%
toegenomen toegenomen onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen verdwenen <2000 toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen
Bijlage 11
Trend van vissoorten (2000-2020)
Soort
N2000 of EU, bijlage II EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II EU, bijlage II EU, bijlage II EU, bijlage II EU, bijlage II EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II EU, bijlage II N2000 EU, bijlage II
Beekprik Bermpje Bittervoorn Elft Fint Grote modderkruiper Houting Kleine modderkruiper Rietvoorn Rivierdonderpad Riviergrondel Rivierprik Snoek Steur Zalm Zeelt Zeeprik
70
Trend RAVON toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd afgenomen onveranderd onveranderd
onveranderd
Trend volgens verspr.atlas 153% 138% 283% 200% 123% 216% 3900% 189% 180% 306% 163% 93% 182% 200% 133% 182% 437%
Conclusie toegenomen toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd toegenomen toegenomen toegenomen onveranderd afgenomen onveranderd onveranderd onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd
Bijlage 12
Trend van amfibieën en reptielen (2000-2020)
Soort
N2000 of EU, bijlage II
Adder Geelbuikvuurpad Hazelworm Heikikker Kamsalamander Levendbarende hagedis Poelkikker Rugstreeppad Vinpootsalamander
N2000 EU, bijlage II N2000 N2000 EU, bijlage II N2000 N2000 N2000 N2000
Vuursalamander Zandhagedis
71
N2000 N2000
Trend zoogdieren vereniging onveranderd toegenomen toegenomen onveranderd afgenomen afgenomen toegenomen onveranderd onveranderd sterk afgenomen toegenomen
Trend volgens verspr.atlas
Conclusie
109% 300% 121% 103% 122% 115% 196% 114% 86%
onveranderd onveranderd toegenomen onveranderd onveranderd afgenomen toegenomen onveranderd onveranderd
80% 116%
sterk afgenomen toegenomen
Bijlage 13
Oorzaken van afname van soorten
Soort Donkere waterjuffer Gentiaanblauwtje Groene glazenmaker Kaal tandmos Kleine biesvaren
Hoofdfactor 1e Nevenfactor Hydrologie Stikstof Hydrologie Stikstof Hydrologie Stikstof Hydrologie Stikstof Hydrologie Stikstof
2e Nevenfactor Beheer Beheer Natuurlijk Beheer
Speerwaterjuffer
Hydrologie
Stikstof
Veenhooibeestje
Hydrologie
Beheer
Isolatie beheer Stikstof Isolatie
beekdikkopmos Breed wollegras echt lepelblad Engels lepelblad Grote vuurvlinder Levendbarende hagedis Matkop Veenbesblauwtje Wintertaling Zulte gelobde maanvaren
Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Hydrologie Natuurlijk
Kluut
Natuurlijk
Koraalspoorstekelzwam rivierdonderpad Strandplevier tonghaarmuts venwitsnuitlibel Vuursalamander Wulp zanddoddegras veenbesparelmoervlinder
Natuurlijk Natuurlijk Natuurlijk Natuurlijk Natuurlijk Natuurlijk Natuurlijk Natuurlijk Mens. act
kalkwalstro Hoogveenlevermos Lange zonnedauw slijkzegge veenbloembies drijvende waterweegbree Paapje
Mens. act. Mens. act. Mens. act. Mens. act. Mens. act. Ov. landb.
Stikstof Hydrologie Hydrologie
Ov. landb.
Hydrologie
tureluur
Ov. landb.
Hydrologie
72
Beheer Beheer
Natuurlijk
isolatie
Mens. act.
Stikstof
Beheer
Mens. act.
Mens. act.
Hydrologie
Natuurlijk
Stikstof isolatie
Beheer
Omschrijving Verdroging moeras Verdroging leefgebied Afname kwel door verdroging Verdroging, vermesting Grondwateronttrekking, eutrofiëring Verdroging of andere hydrologische verstotingen Verdroging, te snel opzetten waterpeil in het kader van herstel Verdroging Hydrologische ingrepen Verzoeting van water Verzoeting van water Verdroging, rietmaaien, successie Verdroging leefgebied Verdroging van bossen Verdroging, isolatie, bungalowpark Verdroging van broedplaatsen Verzoeting Successie, overbemesting, begrazing Predatie, successie, verdwijnen van boredplaatsen Afname jeneverbes Toename exoten (grondelsoorten) Vegetatiesuccessie, recreatie Successie Klimaatverandering Schimmelziekte Voedseltekort, predatie Successie Ontginning en verdroging Afgraving, recreatie, eutrofiëring Ontginning, verdroging Ontginning, ontwatering Wegvallen habitat Wegvallen habitat Fosfaat, vernietiging groeiplaatsen door onderhoud, dempen e.d. Intensivering landbouw, verdroging Te intensieve begrazing op kwelders
velduil
Ov. landb.
Natuurlijk
veldleeuwerik Gewoon trapmos Glanzend tandmos Kommavlinder
Ov. landb. Stikstof Stikstof Stikstof
Natuurlijk Natuurlijk
Tapuit
Stikstof
Natuurlijk
Kleine heivlinder
Stikstof
beheer
Natuurlijk
Heivlinder Besanjelier Eider Berendruif Geelsprietdikkopje bittere veldkers Bleek kweldergras Buntgras Heidespurrie liggende asperge Oorsilene fijne kervel groot springzaad Karwij Kwelviltsterrenmos Priembladmos stobbegaffeltandmos Wollig korrelloof zinkschapengras zwarte populier
Beheer Beheer Visserij Onbekend Onbekend Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info Geen info
Stikstof
Natuurlijk
73
Stikstof Stikstof Stikstof Stikstof Stikstof Stikstof
Afname broedbiotoop en afname muizen Intensief graslandgebruik Vergrassing van heide en bossen Verruiging, vergrassing, successie Dichtgroeien habitat, tekort nectarplanten Vergrassing van de bodem, minder konijnen Vermesting, dichtgroei, verdringing Stopzetting van begrazing Begrazing Visserij op kokkels en mosselen
Vlgs Ellenberg N gevoelig Vlgs Ellenberg N gevoelig Vlgs Ellenberg N gevoelig Vlgs Ellenberg N gevoelig Vlgs Ellenberg N gevoelig Vlgs Ellenberg N gevoelig
Bijlage 14
Ontwikkeling stikstofdepositie (1900-2020)
Stikstofdepositie op Nederland in de periode 1900-2006 (Noordijk, 2007)
Stikstofdepositie op Nederland in de periode 1990-2020 (CLO, 2022)
74