CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

24 Stichting Samenleving Landbouw en Natuur Valt de natuur om

commissie Economie Ruimtelijke Ordening en Milieu 13 september 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Ingekomen stukken17.464 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

raadsgriffie Onderwerp: Bijlagen:

FW: Valt de natuur om? rapport nvoo v17-5 (1).pdf

Van: samenlevinglandbouwnatuur <info@samenlevinglandbouwnatuur.nl> Verzonden: vrijdag 19 mei 2023 10:40 Onderwerp: Valt de natuur om?

Geachte lezer, Bijgaand vindt u het rapport “Natuur anno 2023: vallen of opstaan”, dat wij aan overheid, politiek en belangenorganisaties aanbieden. Het rapport is opgesteld door onze stichting Samenleving, Landbouw en Natuur en is het resultaat van grondig onderzoek. Het rapport concludeert dat de natuur de afgelopen decennia met een krachtig herstel bezig is. Bovendien is de stikstofemissie door eerdere wetgeving al dusdanig gereduceerd dat stikstof als drukfactor op de natuur op dit moment tot het minimum is gereduceerd. Andere factoren, zoals verdroging hebben die rol overgenomen. We hebben deze resultaten, die haaks staan op de motivatie van het huidige stikstofbeleid, verkregen met gegevens van de soortenorganisaties Floron, SOVON, de Vlinderstichting, Ravon, BLWG, NMW en de Zoogdierenvereniging. Een aantal medewerkers van deze organisaties zijn ons van dienst geweest door ons inhoudelijk te adviseren. Daarnaast hebben wij bij ons werk gebruik gemaakt van rapportages en persoonlijke adviezen van medewerkers van openbare onderzoeksinstellingen (zoals CBS, CLO, WUR en PBL), van overheidsorganisaties (Provincies, Waterschappen, BIJ12, MinLNV, Helpdesk Natura2000) en van vele anderen. Conceptversies zijn voorgelegd aan vooraanstaande ecologen. Hun opmerkingen zijn in dit rapport meegenomen.

Helaas heeft een deel van hen, ondanks hun inhoudelijke instemming, te kennen gegeven anoniem te willen blijven. Uiteraard eerbiedigen wij hun verzoek. Wij nodigen u uit de inhoud van dit rapport tot u te nemen in de hoop dat dit rapport u in uw werk behulpzaam zal zijn en dat u onze aanbevelingen ter harte zult nemen. Het zal van u moed vragen om van de huidige beleidslijn af te wijken. Samenleving, Landbouw én Natuur zullen u echter dankbaar zijn! Het volledige rapport kunt u ook vinden op de website van de Stichting Samenleving Landbouw en Natuur. http://www.samenlevinglandbouwnatuur.nl/ Of direct: hier Mailen kan ook: info@samenlevinglandbouwnatuur.nl

Met vriendelijke groet,

Namens Stichting Samenleving Landbouw en Natuur. Bijlage: het rapport "vallen of opstaan"

1

Natuur anno 2023: vallen of opstaan? Ontwikkeling van soorten vanaf 2000

Henri Prins Mei 2023 1

2

Inhoud Woord vooraf…………………………………………………………………………………………………………

5

Samenvatting…………………………………………………………………………………………………………

7

1

2

3

4

5

6

7

3

Inleiding ………………………………………………………………………………………………….……… 1.1 Achtergrond…………………………………………………………………………..……………….. 1.2 Vraagstelling…………………………………………………………………..……………………….. 1.3 Aanpak……………………………………………………………………………..………………….… 1.4 Leeswijzer……………………………………………………………………………………………..… Methode………………………………………………………………………………………………………….. 2.1 Data over de ontwikkeling van soorten ………………………………………………………….. 2.2 Selectie van soorten…………………………………………………………………………………… 2.3 Duiding van ontwikkelingen…………………………………………………………….…………… Resultaten ontwikkeling van soorten………………………………………………………………… 3.1 Vaatplantensoorten…………………………………………………………………….……………… 3.2 Mossoorten……………………………………………………………………………………………… 3.3 Korstmossoorten…………………………………………………………………………..…………… 3.4 Dagvlindersoorten ………………………………………………………………………………..…… 3.5 Libelsoorten……………………………………………………………………………………………… 3.6 Broedvogelsoorten……………………..……………………………………………………………… 3.7 Zoogdiersoorten………………………………………………………………………………………… 3.8 Vissoorten………………………………………………………………………………………………… 3.9 Amfibie- en reptielsoorten…………………………………………………………………………….

Ontwikkelingen in de stikstofuitstoot vanuit de landbouw………………………………… 4.1 Inleiding…………………………………………………………………………………………………… 4.2 Stikstofbalans rond 1965……………………………………………………………………………… 4.3 Stikstofbalans rond 1990……………………………………………………………………………… 4.4 Stikstofbalans rond 2020……………………………………………………………………………… 4.5 Conclusie……………………………………………………………………………….………………… Invloed drukfactoren op achteruitgang van soorten………………………………………….. 5.1 Inleiding…………………………………………………………………………………………………… 5.2 Resultaten………………………………………………………………………………………………… 5.3 Conclusie……………………………………………………………………………………………..…… Ontwikkeling van uiterst stikstofgevoelige vaatplantensoorten..………………………… 6.1 Inleiding…………………………………………………………………………….……………………… 6.2 Methode…………………………………………………………………………………………………… 6.3 Resultaten…………………………………………………………………………………………….…… 6.4 Conclusie…………………………………………………………………………………………………… Ontwikkeling van uiterst stikstofgevoelige mossoorten………………………………….…… 7.1 Inleiding………………………………………………………………………………………………..…… 7.2 Methode………………………………………………………………………………………………….… 7.3 Resultaten………………………………………………………………………………………………..… 7.4 Conclusie……………………………………………………………………………………………………

9 9 9 10 11 12 12 13 13 14 14 15 17 18 19 20 22 23 24 26 26 26 27 28 29 30 30 31 32 33 33 33 33 34 35 35 35 35 36

8 Stikstofdepositie en ontwikkeling van vaatplanten (1950-2020) …………………………… 37 8.1 Inleiding………………………………………………………………………………………..….……… 37 8.2 Ontwikkeling stikstofdepositie……………..………………………………………………………… 37 8.3 Ontwikkeling vaatplanten……………………………………………………………………………… 38 8.4 Synthese…………………………………………………………………………………………………… 39 8.5 Conclusie…………………………………………………………………………………………………… 40 9 Discussie…………………………………………………………………………………….……………………..…… 41 9.1 Inleiding……………………………………………………………………………………………….…… 41 9.2 Soortenlijst………………………………………………………………………………………………… 41 9.3 Data en methode………………………………………………………………………………………… 41 9.4 Abundantie van soorten………………………………………………………………………………… 42 9.5 Relatie tussen soorten, drukfactoren en Natura 2000 habitatten …………………………….. 42 10 Conclusies……………………………………………………………………………………………..…………..,…… 43 11 Aanbevelingen………………………………………………………………………………………………………… 45 Persoonlijke nabeschouwing……………………………………………………………………………………….… 47 Referenties……………………………………………………………………………………………………………….…… 49 Bijlagen…………………………………………………………………………………………………………………….…… 51

4

Woord vooraf Als onderzoeker bij WUR (Wageningen University and Research Centre) heb ik meegewerkt aan het beantwoorden van vele beleidsvragen binnen de driehoek landbouwbeleid, milieu en economie. Om deze vragen te kunnen beantwoorden heb ik steeds de belangen van de samenleving, van de landbouw en van het milieu in het onderzoek mee moeten wegen. In mijn werk heb ik met veel gevoelige onderwerpen te maken gehad: mestwetgeving in de akker- en tuinbouw, aanscherping van gewasbeschermingsbeleid in de akkerbouw, de bollenteelt en de fruitteelt, veranderingen in het EU-landbouwbeleid, biologische landbouw, agrarisch natuur- en landschapsbeheer, alternatieve regulering van het visrechtensysteem in de binnenvisserij en monitoring van milieueffecten van de mestderogatie. Sinds oktober 2020 ben ik gepensioneerd. De gepolariseerde maatschappelijke en politieke discussie rond het stikstofbeleid heeft mij er toe doen besluiten om te onderzoeken in hoeverre de natuur zich de afgelopen decennia in negatieve zin heeft ontwikkeld. Aan de ene kant horen we de waarschuwingen van respectabele wetenschappers, worden ons doemscenario’s opgedrongen door natuurorganisaties en milieuactivisten en eisen politici, die zich aan deze groepen conformeren, de aandacht op door soms de grootste onzin zowel de huiskamer als de Tweede Kamer in te slingeren.

Aan de andere kant zien we een eveneens gemêleerde groep van wetenschappers, boeren, plattelandsbewoners, teleurgestelden in de politiek en mensen die zich door de andere groep bedreigd voelen en zich in hun wanhoop verdedigen met onconventionele en zelfs soms laakbare methoden. Ook in deze groep wordt de waarheid soms geweld aangedaan door het verkondigen van onzinverhalen. Enkele politieke partijen trachten hier zelfs een slaatje uit te slaan door bijvoorbeeld het asielbeleid bij deze discussie te betrekken. Polarisatie dus! Polarisatie, die nog sterker wordt doordat verschillende maatschappelijke groepen wordt voorgehouden dat zij moeten boeten als een andere groep iets meer ruimte krijgt. Boeren, automobilisten, woningzoekers en vliegvakantiegangers worden gedwongen in een “ieder voor zich” rol. Zelfs bedrijven, die op basis van legaal verkregen vergunningen zijn gevestigd of uitgebreid, worden sterk in hun voortbestaan bedreigd. Op deze wijze dreigt de stikstofcrisis onze samenleving uit elkaar te drijven. Dat is de reden, waarom ik mij heb aangesloten bij de Stichting Samenleving, Landbouw en Natuur (SLN). Deze stichting maakt zich sterk voor een gezonde en goede samenwerking tussen deze drie voor de mens essentiële basisbehoeften.

De stichting heeft zich daarom ten doel gesteld het belang van onze samenleving, van onze voedselproducenten en van onze natuur in gelijke mate en in balans met elkaar te wegen. Deze doelstelling sluit perfect aan bij mijn liefde voor mens en natuur en mijn landbouwachtergrond. Als stichting hebben we geprobeerd om via het stellen van vragen aan wetenschappers, beleidsambtenaren en bestuurders een helder zicht te krijgen op het fundament onder het stikstofbeleid. Op deze vragen kregen wij geen compleet antwoord. Ook de vele rapporten 5

op dit gebied gaven geen uitsluitsel hoe de natuur zich heeft ontwikkeld en welke rol stikstof daarin heeft gespeeld. Daarom zijn we zelf aan de slag gegaan. Omdat ik mij in mijn werk voortdurend in nieuwe, ingewikkelde en gevoelige onderwerpen heb moeten inwerken zag ik er niet tegenop om ook de uitdaging aan te gaan om mij te verdiepen in de stikstofcrisis. Ik heb me daarbij vooral gericht op de rol van de landbouw, die verantwoordelijk zou zijn voor het grootste deel van de stikstofdepositie in Nederland. Vanwege mijn voormalige werk weet ik welke ontwikkelingen de landbouw de afgelopen decennia heeft doorgemaakt en welke invloed dat heeft gehad op de hoeveelheden stikstof, die in de vorm van ammoniak en nitraat naar het milieu worden uitgestoten. De andere kant, de effecten van stikstof op ecosystemen was voor mij grotendeels onbekend terrein. Dankzij inlezen, spreken met verschillende ecologen en opvolgen van hun adviezen heb ik geprobeerd me voldoende in te werken om de gevolgen van de stikstofdepositie voor de ontwikkeling van flora en fauna vanaf 2000 in kaart te brengen.

Mijn dank gaat uit naar de mensen, die mij hierbij hebben geholpen: Henk Rampen, Wieger Wamelink, Nico Gerrits, Cees Zoon, Geesje Rotgers, Wim de Vries, Arco van Strien, Henk de Vries, Inge Somhorst, betrokken medewerkers bij soortenorganisaties en ecologen in dienst van diverse provincies en waterschappen. Hun tips en commentaar hebben essentieel bijgedragen aan dit rapport. Tenslotte dank aan Marta en onze kinderen en kleinkinderen. Jullie hebben het een paar maanden met een man, heit en pake moeten doen, die niet altijd voor jullie klaar kon staan. Hopelijk wordt de absurde stikstoftoestand snel opgelost zodat we weer meer tijd aan elkaar kunnen besteden.

Henri Prins, Oosterzee Mei 2023

6

Samenvatting Doel van dit rapport is het verkrijgen van inzicht in de ontwikkeling van de natuur gedurende de afgelopen 20 jaar. Het belang van dit inzicht is van belang tegen de achtergrond van de huidige stikstofcrisis, die onze samenleving dreigt te verstikken. Politici, bestuurders en terreinbeheerders houden de Nederlandse bevolking in superlatieven voor dat onze natuur zich in erbarmelijke toestand bevindt. Vele rapporten van ecologische wetenschappers lijken dit beeld te bevestigen. Toch zijn er twijfels. Die twijfels zijn vooral gegrond op het ontbreken van een overall beeld van de staat van de natuur en de controverse tussen bewering en beleving. Op basis van een methode, die mede tot stand is gekomen op advies van vooraanstaande ecologen worden in dit rapport de trendmatige ontwikkelingen gepresenteerd van 521 soorten. Deze soorten zijn geselecteerd omdat zij volgens de habitatprofielbeschrijvingen stuk voor stuk kenmerkend zijn voor één of meer habitatten. Aan deze lijst zijn enkele soorten toegevoegd uit de Europese habitatrichtlijn, bijlage II. Van iedere soort is bepaald of deze vanaf de eeuwwisseling qua verspreiding is toegenomen, stabiel gebleven of is afgenomen. Het bleek dat in die periode inderdaad een aantal soorten zijn teruggelopen. Dat aantal bleef echter beperkt tot 12%.

Zoals te zien is in figuur S1 bleven veel meer soorten stabiel of breidden zich uit. Bovendien is geen van deze soorten de afgelopen 20 jaar verdwenen. Wel zijn er 4 soorten teruggekomen van de 11 die al vóór 2000 uit Nederland weg waren.

Figuur S1. Ontwikkeling van de onderzochte soorten

7

Er zaten vrij grote verschillen tussen de verschillende groepen. De vaatplanten-, amfibie-, reptielen- en zoogdierensoorten ontwikkelden zich bovengemiddeld goed, maar verhoudingsgewijs gingen veel broedvogel- en vlindersoorten er op achteruit. Een ander resultaat was dat de stikstofgevoelige vaatplaten- en mossoorten zich beter hebben ontwikkeld dan de stikstofminnende soorten. Bovendien kwam uit de analyse naar voren dat stikstof slechts in zeer weinig gevallen aantoonbaar de belangrijkste directe factor is geweest voor achteruitgang voor de soort. Andere drukfactoren, waaronder verdroging, zijn van veel meer belang geweest. De gunstige ontwikkelingen kunnen voor een groot deel worden toegeschreven aan de ammoniak- en mestwetgeving die rond 1990 zijn ingesteld en gaandeweg verder aangescherpt. Melkveebedrijven hebben daardoor hun stikstofverliezen kunnen halveren. Het stikstofverlies in kg N/ha ligt rond 2020 weer op hetzelfde niveau als in 1965. Voor vaatplanten was het mogelijk een trend te construeren vanaf het jaar 1950. Deze laat zien dat de vaatplanten zich tussen 1950 en 1980 snel achteruitgingen, maar daarna weer een stijgende lijn lieten zien. De vaatplanten zijn daardoor nu weer bijna op het niveau van 1950 aanbeland.

De conclusie, die uit de analyse voortvloeit is dat de vraag in de titel van dit rapport beantwoordt kan worden: Er is geen sprake van een omvallende natuur, maar is in het algemeen aan het herstellen. Dat geldt echter niet voor de 12% van de soorten, die een afname lieten zien. Toch kan deze afname maar voor een relatief klein deel aan de directe invloed van stikstof worden toegeschreven. De belangrijkste aanbeveling is dat de stikstofwet uit 2019 heroverwogen zou moeten worden. Daarin werd vastgelegd dat de stikstofemissie op 74% van de oppervlakte van de stikstofgevoelige habitatten in het jaar 2035 onder de wettelijk bepaalde Kritische Depositie Waarde zou moeten liggen. Gezien het resultaat van dit onderzoek is deze wet overbodig om het doel te bereiken en ongewenst gezien de maatschappelijke onrust. Omdat stikstof als drukfactoren vrijwel weggevallen is, wordt aanbevolen meer in te zetten op drukfactoren die momenteel belangrijker zijn. Daarvan is verdroging het meest in het oog springend. Het is van groot belang eventuele conflicterende belangen vooraf in beeld te brengen. Een goede beleidsvoorbereiding met een verbindende communicatie kan voorkomen dat er opnieuw ontwrichting van de maatschappij dreigt.

Als middel daarvoor kan de oprichting van lokale natuurcoöperaties dienen, waarbij een grote rol is weggelegd bij de plaatselijke bevolking, bedrijven en openbare instellingen.

8

Inleiding 1.1

Achtergrond

De huidige, zeer gevarieerde natuur in Nederland is te danken aan menselijk ingrijpen. Als de natuur zijn gang had kunnen gaan en Nederland was onaangeroerd gebleven was de natuur eenvormiger geweest. Een groot deel van Nederland had onderwater gestaan, vooral loofbossen hadden zich ontwikkeld en er zou nauwelijks sprake zijn geweest van open vlaktes met een rijke flora en fauna. Grootscheepse veranderingen in de natuurlijke omgeving voor menselijke doelen zijn van alle eeuwen. Denk maar aan de terpen waarvan de eersten al ver voor onze jaartellingen werden aangelegd, aan inpolderingen van grote meren in de middeleeuwen, aan ontginningen van “woeste” zandgronden, aan de aanleg van ontwateringsstructuren en aan veenontgravingen ten behoeve van de brandstofwinning. Na de Tweede Wereldoorlog werd de natuur opnieuw onderworpen aan een ingrijpende transitie met als doel een betaalbare voedselvoorziening zeker te stellen. Daartoe werd de landbouw in snel tempo opgeschaald. De daarmee gepaard gaande intensivering en schaalvergroting gingen ten koste van de natuur. Dat gold overigens niet alleen voor de landbouw, ook stadsuitbreiding, de industrie en het wegennet hadden een negatieve invloed op de natuur. De belangrijkste drukfactor, waarvan de gevolgen vooral in de jaren zeventig en tachtig zichtbaar werden, was ammoniak.

Pas na 1990 werden serieuze maatregelen getroffen om de ammoniakemissie bij uitrijden en opslag van mest te beperken. Ook werden rond die tijd de eerste mestwetten uitgevaardigd. Echte stappen voor natuurherstel werden gezet na de eeuwwisseling, doordat de EU middels Natura2000 de lidstaten verplichtte om natuurgebieden aan te wijzen. De ecologisch meest interessante delen daarvan, de aangewezen habitatten, kregen een status, die behoud en zo mogelijk herstel van hun natuurkwaliteit moest garanderen. Dit onderzoek heeft tot doel de ontwikkeling van de natuur in Nederland in beeld te brengen en zo te kunnen beoordelen in hoeverre de natuur in stand is gebleven en of de verschillende drukfactoren daarop van invloed zijn geweest vanaf het beginstadium van het Natura 2000 beleid tot nu toe.

1.2

Vraagstelling

Om uit de huidige uiterst complexe patstelling over het stikstofbeleid te komen zijn we teruggegaan naar de basis en hebben we onszelf de volgende vragen gesteld: • • • 9

Hoe heeft de natuur zich ontwikkeld sinds 2000? Welke invloed heeft stikstof gehad op die ontwikkeling? Welke andere (druk)factoren spelen een rol?

•

1.3

In hoeverre voldoet Nederland aan de EU-Instandhoudingsplicht?

Aanpak

Om deze vragen te kunnen beantwoorden moesten strenge voorwaarden aan de methode worden gesteld. Daarom is veel tijd besteed om een onafhankelijke en zo mogelijk onomstreden methode te vinden met gedegen datamateriaal. Op advies van verschillende ecologen is gekozen voor een systematische en zo kwantitatief mogelijke methode, met het volgende stappenplan: 1. Omdat op habitatniveau wel de stikstofdepositie en de Kritische Depositie Waarde bekend zijn, maar niet de kwantiteits- en kwaliteitsontwikkeling daarvan hebben we onze analyse gericht op soortniveau. 2. Afhankelijk van het (sub) doel van de analyse zijn de volgende soorten geselecteerd: 1. Voor het algemene beeld: de "Typische N2000 soorten", die voorkomen in de profielbeschrijvingen van de habitattypen, aangevuld met relevante soorten uit de EU-habitatrichtlijn, bijlage II 2. Voor de invloed van drukfactoren: de soorten uit bovenstaande soortenlijst, die in de afgelopen 20 jaar een trendmatige achteruitgang lieten zien 3. Voor een analyse van de stikstofgevoeligheid: alle soorten die volgens de stikstofindicator van Ellenberg het meest stikstofgevoelig zijn 4. Tenslotte zijn ook de ontwikkelingen van de soorten van de habitatrichtlijn, Bijlage II apart aan een analyse onderworpen 3. Data over de verspreidings- en/of aantallenontwikkeling van soorten zijn beschikbaar in de NDFF verspreidingsatlas en bij SOVON. 4.

Voor zover mogelijk is gebruik gemaakt van gecorrigeerde trends, waarbij rekening wordt gehouden met waarnemingsintensiteit en niet-wilde soorten zijn uitgesloten. 5. Maak vooral ook gebruik van de diverse trendberekeningen op de sites van soortenorganisaties. 6. Het tabblad ecologie & verspreiding van de verspreidingsatlas, de site minlnv.nederlandsesoorten.nl en de sites van de soortenorganisaties zijn geraadpleegd voor extra informatie over deze soorten. 7. De stikstofindicator van Ellenberg is een goede proxy voor de stikstofgevoeligheid per soort. 8. Ter verificatie zijn de gebruikte methode en de resultaten neergelegd bij ter zake kundige ecologen.

10

1.4

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt de methodiek verder uitgediept. Uitgelegd wordt hoe de soorten zijn geselecteerd en hoe de trends tot stand zijn gekomen. Hoofdstuk 3 doet verslag van de analyse en de resultaten van de natuurontwikkelingen van de diverse soortengroepen. Hoofdstuk 4 geeft een overzicht van de ontwikkelingen van stikstofemissie uit de landbouw. Hoofdstuk 5 behandelt de belangrijkste drukfactoren die van invloed zijn geweest op soorten, die zijn afgenomen. Hoofdstuk 6 en 7 gaan in op de invloed van stikstof op uiterst stikstofgevoelige soorten. In hoofdstuk 8 wordt gereflecteerd op gemaakte keuzes qua data, uitgangspunten en methoden en wordt bediscussieerd welke invloed die kunnen hebben op de resultaten. Hoofdstuk 9 bevat de conclusies, die uit de voorgaande hoofdstukken kunnen worden getrokken. Hoofdstuk 10 geeft aanbevelingen. Daarna volgt nog een persoonlijke noot van de onderzoeker.

11

2

Methode

2.1

Data over de ontwikkeling van soorten

In het algemeen heeft het vinden van geschikte data veel energie en tijd gekost. Uiteindelijk is gekozen voor een combinatie van verschillende bronnen. Voor iedere soortengroep waren diverse bronnen beschikbaar. Globaal is het volgende protocol gebruikt om aan zoveel mogelijk soorten een ontwikkeling toe te kennen (zie ook tabel 1): 1. De trendberekeningen die worden gepubliceerd door de soortenorganisaties zijn leidend. Deze zijn beschikbaar voor 1. Vaatplanten: FLORON, via NDFF Verspreidingsatlas Vaatplanten 2. Dagvlinders en libellen: jaarverslag 2022 van de Vlinderstichting 3. Amfibieën, Reptielen en Vissen: website van RAVON 4. Vogels: website van SOVON De zoogdiervereniging verwijst naar de NDFF-verspreidingsatlas; voor de mossen en korstmossen is een meetnet, maar het verslag geeft geen informatie over soortenontwikkeling 2. Waar nodig is deze informatie aangevuld met een berekende trend op basis van het aantal atlasblokken waar de soort voorkomt in de periodes 1995-2004, 2005-2014 en 2015-heden. Nadeel van deze methode is dat er geen correctie is toegepast voor waarnemingsintensiteit. 3. In uitzonderingsgevallen is de trend niet berekend, maar is de richting van de ontwikkeling “op het oog” beoordeeld 4. Mocht ook dit geen uitsluitsel geven is de trend als “onduidelijk” aangegeven.

Tabel 1 Prioritering van verschillende informatiebronnen voor beoordeling van de trend in 2000-2020 (1: meest zwaarwegende bron, 2: second best bron, 3: noodgreep) Soortengroep SoortenTrend Trendberekening Trendbeoordeling organisatie soortenover ruwe data van ruwe data organisaties NDFF NDFF vaatplanten FLORON 1 2 3 mossen BLWG NB 1 2 korstmossen BLWG NB 1 2 dagvlinders Vlinderstichting 1 2 3 libellen Vlinderstichting 1 2 3 vogels SOVON 1 zoogdieren Zoogdiervereniging NB 1 2 vissen RAVON 1 2 3 amfibieën en RAVON 1 2 3 reptielen

12

2.2 Selectie van soorten In dit rapport worden verschillende analyses besproken. Voor iedere analyse is een daartoe toegespitste selectie gemaakt. -

-

-

Voor de algemene trend van de natuur zijn de soorten geselecteerd die in de profielbeschrijvingen van de niet-maritieme habitattypen worden aangeduid als “typische soorten”. In totaal zijn dat circa 550 soorten. Daarnaast zijn een aantal relevante soorten uit bijlage II van de EU-habitatrichtlijn in de analyse betrokken. Voor analyse van de ontwikkeling van stikstofgevoelige vaatplanten zijn de soorten geselecteerd, die op de schaal van Ellenberg een stikstofindicator 1 hebben. Dit zijn 67 soorten. Ter vergelijking zijn ook de 35 soorten meegenomen met stikstofindicator 9 Voor analyse van de ontwikkeling van stikstofgevoelige mossen zijn eveneens de soorten geselecteerd met stikstofindicator 1. Dit zijn 32 soorten. Ter vergelijking zijn ook 32 soorten meegenomen met stikstofindicator7, 8 en 9.

2.3 Duiding van ontwikkelingen Om de ontwikkelingen te duiden is een kwalitatieve klasseindeling gemaakt. Iedere soort is in één van deze klassen ingedeeld (tabel 2). In principe is deze indeling gebaseerd op de trends, zoals beschreven in paragraaf 2.1. Indien er echter sterke aanwijzingen zijn dat de werkelijke ontwikkelingen anders zijn verlopen dan de trend aangeeft kan een soort in een andere klasse zijn ingedeeld. Een voorbeeld is de berendruif, die volgens de verspreidingsatlas constant op twee atlasblokken te vinden zou zijn, maar waarvan vaststaat dat door een vergissing van de waarnemer deze in de afgelopen jaren slechts op 1 atlasblok voorkomt. In dit geval is de berekende trend onveranderd gewijzigd in afgenomen. In de bijlagen is aangegeven in welke klasse de onderzochte soorten zijn ondergebracht.

Tabel 2. Indeling van ontwikkeling van soorten naar klasse Klasse Ontwikkeling 2000-heden Verdwenen <2000 Soort, al voor 2000 niet meer gesignaleerd Verdwenen >2000 Soort, na 2000 verdwenen Niet-wild Soort, die alleen nog als niet-wilde plant aanwezig is Onduidelijk Soort, waarvan de ontwikkeling onvoldoende duidelijk is Sterk afgenomen Soort met een afname van meer dan 50% Afgenomen Soort met een afname van 20% tot 50% Onveranderd Soort met een afname van 20% tot een toename van 25% Toegenomen Soort met een toename van >25% Terug/nieuw Soort, die in 2000 niet aanwezig was, en nadien werd aangetroffen

13

3.

Resultaten ontwikkeling van soorten

3.1

Vaatplantensoorten

3.1.1 Inleiding Vaatplanten worden ook wel “hogere planten” genoemd. In Nederland komen ruim 2300 soorten vaatplanten in het wild voor, waarvan er ongeveer 1450 inheems zijn. Vaatplanten omvatten zaadplanten (kruiden, bomen, grassen) en sporenplanten (wolfsklauwen, varens, paardenstaarten). Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de 330 soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid, aangevuld met 2 soorten uit Bijlage II. In bijlage 4 zijn deze 332 soorten vermeld, inclusief de ontwikkeling per soort.

3.1.2 Ontwikkeling van de typische vaatplantensoorten Van de lijst van 332 soorten waren er in 2000 330 soorten aanwezig, Twee soorten, de beklierde ogentroost en de liggende raket, werden in dat jaar al niet meer waargenomen (tabel 3). Geen van de soorten, die in 2000 aanwezig waren is in de afgelopen 30 jaar geheel uit Nederland verdwenen. Een in dit verband vermeldenswaardige soort is de slijkzegge. De laatste wilde exemplaren zijn in 1993 waargenomen. Op 1 locatie bevinden zich nog aangeplante exemplaren.

Tabel 3. Ontwikkeling van de verspreiding van vaatplanten per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 2 1% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 1 <1% Onduidelijk 8 2% Sterk afgenomen 11 3% Afgenomen 13 4% Onveranderd 138 42% Toegenomen 158 48% Terug 1 <1% Totaal

14

332

100%

Van 8 soorten is de ontwikkeling onduidelijk. Een zestal van deze soorten komt al sinds 2000 nog slechts sporadisch in Nederland voor (op minder dan 5 kilometerhokken). Dit betreffen de franjegentiaan, de gladde zegge, de kleine ereprijs, de steenhoornbloem, de trosgamander en de tweehuizige zegge. Sinds 2000 zijn 11 typische N2000 soorten qua verspreiding sterk afgenomen. Dit zijn het bleek kweldergras, het breed wollegras, de drijvende waterweegbree, het echt lepelblad, het Engels lepelblad, de fijne kervel, de gelobde maanvaren, het kalkwalstro, de karwij, de kleine biesvaren en de zwarte populier. Daarnaast is de verspreiding van 13 vaatplantensoorten in mindere mate afgenomen, die van 138 soorten ongeveer gelijk gebleven en die van 158 soorten toegenomen. Eén soort, de bosboterbloem, is na een afwezigheid van 35 jaar rond het jaar 2010 weer voorzichtig teruggekomen. In totaal is 89% van de vaatplantensoorten toegenomen of gelijk gebleven, en die van 8% afgenomen sinds 1990. Van de resterende soorten is geen duidelijke trend aan te geven of waren al vóór het jaar 2000 uit Nederland verdwenen.

3.1.3 Samenvatting In het algemeen hebben de typische N2000 vaatplantensoorten sedert 2000 een positieve ontwikkeling doorgemaakt. Bijna de helft (48%) van de soorten maakte een toename van de verspreiding mee en nog eens 42% bleef in verspreiding min of meer gelijk. Slechts 8% van deze soorten liet een significante afname in verspreiding zien, waarbij geen van de soorten, die in 2000 aanwezig waren geheel uit Nederland is verdwenen. Van enkele soorten blijft de trend onduidelijk.

3.2

Mossoorten

3.2.1 Inleiding Mossen zijn kleine groene planten die al vroeg in de evolutie zijn ontstaan. Mossen hebben geen wortels en nemen voedingsstoffen direct op via het blad. Mossen houden van vochtige plekken. Er zijn zo'n 600 soorten in Nederland. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk 37 soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid, aangevuld met 1 soort uit Bijlage II. In bijlage 5 zijn alle 38 soorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld. In tegenstelling tot de vaatplanten heeft de NDFF geen recente gecorrigeerde trend voor de verspreiding van mossen berekend. Daarom is de trend na 2000 vastgesteld op het ruwe aantal atlasblokken in de perioden 1995-2004, 2005-2014 en 2015-2022. Niet uitgesloten is dat zich hierbij een effect voordoet als gevolg van verschillen in waarnemingsintensiteit. 15

3.2.2 Ontwikkeling van de typische mossoorten Van de lijst van 38 soorten waren in 2000 37 soorten aanwezig (tabel 4). Eén soort, het veengaffeltandmos, is in de afgelopen eeuw in Nederland nauwelijks waargenomen. De eerste beide vondsten zijn gedaan in het Bargerveen in 1966 en 1997. Volgens de verspreidingsatlas is de soort daarna niet meer waargenomen.

Tabel 4. Ontwikkeling van de verspreiding van mossoorten per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 1 3% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 4 11% Afgenomen 5 13% Onveranderd 13 34% Toegenomen 13 34% Terug/nieuw 2 5% Totaal

38

100%

Geen van de soorten, die in 2000 aanwezig waren zijn de afgelopen 20 jaar uit Nederland geheel verdwenen. Sinds 2000 zijn 4 soorten qua verspreiding sterk afgenomen. Dit zijn het hoogveenlevermos, het kwelviltsterrenmos, het stobbegaffeltandmos en de tonghaarmuts. Daarnaast is de verspreiding van 5 mossoorten in mindere mate afgenomen, die van 13 soorten ongeveer gelijk gebleven en die van 13 soorten toegenomen. Nieuwkomers zijn het geel smaltandmos, dat al sinds 1900 als uitgestorven te boek stond en het alpen- of alpentrapmos, dat niet eerder in ons land was waargenomen. Beide soorten lijken zich recentelijk op meerdere plaatsen te hebben gevestigd. In totaal is 74% van de soorten toegenomen of gelijk gebleven, en die van 26% afgenomen sinds 2000.

3.2.3 Samenvatting Veel mossoorten hebben het de afgelopen decennia moeilijk gehad. Vanaf 2000 boette de verspreiding van ruim een kwart van de beschouwde mossen in. Daartegenover stond dat een derde van de soorten een toename liet zien. Bovendien vestigden zich nieuwe soorten in Nederland. Per saldo kwam de verspreiding van de mossoorten als totaal weer vrijwel op hetzelfde niveau uit als in 2000. 16

3.3

Korstmossoorten

3.3.1 Inleiding Korstmossen zijn een symbiose van een schimmel en een alg. Ze komen in allerlei kleuren voor en hebben een voorkeur voor droge groeiplaatsen. Veel korstmossen zijn gevoelig voor luchtvervuiling. In Nederland komen zo'n 800 soorten voor. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. Dat bleken 19 soorten te zijn. In bijlage 6 zijn deze soorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld. In tegenstelling tot de vaatplanten heeft de NDFF geen recente gecorrigeerde trend voor de verspreiding van korstmossen berekend. Daarom is de trend vastgesteld op het ruwe aantal atlasblokken in de perioden 1995-2004, 2005-2014 en 2015-2022. Niet uitgesloten is dat zich hierbij een effect voordoet als gevolg van verschillen in waarnemingsintensiteit.

3.3.2 Ontwikkeling van de typische korstmossoorten Zowel in 2000 als in 2020 waren alle 19 typisch Nature2000-soorten in Nederland aanwezig (tabel 5).

Tabel 5. Ontwikkeling van de verspreiding van korstmossen per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <1995 0 0% Verdwenen >1995 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 1 5% Afgenomen 0 0% Onveranderd 8 42% Toegenomen 10 53% Nieuw/terug 0 0% Totaal

19

100%

Sinds 2000 is de verspreiding van het wollig korrelloof sterk afgenomen. Dit is een zeer zeldzame soort, die sinds het jaar 1800 op slechts 7 verschillende atlasblokken is waargenomen. De andere soorten zijn onveranderd gebleven of in verspreiding toegenomen.

17

3.3.3 Samenvatting De korstmossen hebben een uitzonderlijk gunstige ontwikkeling doorgemaakt.

3.4

Dagvlindersoorten

3.4.1 Inleiding Dagvlinders behoren binnen de orde Insecten tot de Lepidoptera (Grieks voor schubvleugeligen). De vleugels van vlinders zijn bedekt met schubben, die op verschillende wijze licht absorberen. Zo krijgen ze de voor ons zichtbare kleuren en tekening. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de 26 soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. In Bijlage II kwamen nog 2 aanvullingen voor. In bijlage 7 zijn de 28 beschouwde dagvlindersoorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld.

3.4.2 Ontwikkeling van de typische dagvlindersoorten Van de lijst van 28 soorten waren in 2000 25 aanwezig (tabel 6). Drie soorten ontbraken er destijds: de moerasparelmoervlinder was sinds 1982 niet meer gesignaleerd, de purperstreepparelmoervlinder was in 1962 voor het laatst gezien en het tweekleurig hooibeestje was in 1988 uit Nederland verdwenen. Ook ontbrak de grote ijsvogelvlinder. Deze was tot 1995 nog aanwezig op Terschelling.

Tabel 6. Ontwikkeling van de verspreiding van dagvlinders per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 3 10% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 5 18% Afgenomen 5 18% Onveranderd 6 21% Toegenomen 8 29% Terug 1 4% Totaal

28

100%

Aan de andere kant liet de moerasparelmoervlinder zich onlangs voor het eerst sinds 1982 weer zien in Noordwest Overijssel. Ook de purperstreepparelmoervlinder werd net voor de eeuwwisseling in Zuid-Limburg herontdekt; helaas is deze populatie al weer verdwenen. 18

Sinds 2000 zijn 5 typische N2000 vlindersoorten qua verspreiding sterk afgenomen. Dit zijn het geelsprietdikkopje, het gentiaanblauwtje, de kleine heidevlinder, het donker pimpernelblauwtje en de veenbesparelmoervlinder. Daarnaast is de verspreiding van 5 vlindersoorten in mindere mate afgenomen, die van 6 soorten ongeveer gelijk gebleven en die van 8 soorten toegenomen. In totaal is 64% van de soorten toegenomen of gelijk gebleven, en die van 36% afgenomen sinds 2000.

3.4.3 Samenvatting Veel vlindersoorten hebben het de afgelopen decennia erg moeilijk gehad. Een derde van de soorten nam sinds 2000 qua verspreiding af. Sinds 2000 zijn er geen soorten meer afgevallen. Aan de andere kant lieten enkele soorten zich opnieuw zien na tientallen jaren afwezigheid. Per saldo bleef de verspreiding van vlinders nagenoeg gelijk.

3.5

Libelsoorten

3.5.1 Inleiding In Nederland komen ongeveer 65 soorten libellen en juffers voor. Libellen en juffers behoren tot de orde van de libellen (Odonata). Ze zetten hun eitjes bij water af, en brengen het grootste deel van hun leven als larve onderwater door. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. Dat bleken 19 soorten te zijn. Dit aantal werd aangevuld met 2 Bijlage II-soorten. In bijlage 8 zijn alle geanalyseerde libelsoorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld.

3.5.2 Ontwikkeling van de typische libelsoorten Van de 21 beschouwde libelsoorten (tabel 7) ontbraken in 2000 de bronslibel en de mercuurwaterjuffer. Deze beide soorten waren al decennialang uit Nederland verdwenen. De mercuurwaterjuffer liet zich in 2011 nog even zien, maar was in 2020 weer verdwenen. De afgelopen 20 jaar zijn geen libellensoorten verdwenen.

19

Tabel 7. Ontwikkeling van de verspreiding van libellen per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 2 9% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 1 5% Afgenomen 3 14% Onveranderd 5 24% Toegenomen 10 47% Terug 0 0% Totaal

21

100%

Het verspreidingsgebied van één soort nam sterk af. De donkere waterjuffer, die in 1999 in Noordwest Overijssel werd herontdekt, nam aanvankelijk vrij snel toe qua verspreidingsgebied tot 3 atlasblokken. Daar trad al snel een vermindering op. Rond het jaar 2020 werd deze libel nog slechts in 1 atlasblok waargenomen. Ook de speerwaterjuffer, de groene glazenmaker en de venwitsnuitlibel namen af, zowel in verspreidingsgebied als in aantallen. Sinds 2000 zijn 5 typische N2000 soorten qua verspreiding onveranderd gebleven; 10 soorten boekten een toename, waarvan een viertal zelfs met een factor 5 of meer. Sinds 2000 is 80% van de soorten toegenomen of gelijk gebleven, en die van 20% afgenomen.

3.5.3 Samenvatting De libellensoorten hebben zich de afgelopen decennia vrij gunstig ontwikkeld.

3.6

Broedvogelsoorten

3.6.1 Inleiding Vogels zijn een klasse van warmbloedige, gewervelde dieren die gekenmerkt worden door het bezit van veren, een hol maar sterk skelet, en de aangepaste voorste ledematen die hen in beginsel het vermogen geeft te vliegen. In Nederland komen ongeveer 200 broedvogelsoorten voor. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. Dat bleken 38 soorten te zijn. In bijlage 9 zijn deze soorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld.

20

De data zijn ontleend aan SOVON. Op de betreffende website zijn de trends van de broedvogelsoorten vermeld, waarbij de het werkelijke aantal in 1984 op 100% is gesteld.

3.6.2 Ontwikkeling van de typische broedvogelsoorten Alle 38 vogelsoorten waren in 2000 aanwezig. Kort voor de eeuwwisseling waren de laatste broedgevallen van de duinpieper en de klapekster in Nederland. Een achttal soorten nam in sterke mate af: de eider, de matkop, het paapje, de strandplevier, de tapuit, de velduil, de wintertaling en de wulp. Nog eens 3 soorten zijn in mindere mate afgenomen. Er zijn ook soorten gelijk gebleven (5) of in aantal toegenomen (9). Sinds 2000 is bijna 70% van de soorten qua aantal broedparen toegenomen of gelijk gebleven, de andere 30% van de soorten maakte een afname door.

Tabel 8. Ontwikkeling van de broedvogelsoorten per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 2 5% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 1 3% Sterk afgenomen 8 21% Afgenomen 3 8% Onveranderd 15 39% Toegenomen 9 24% Terug 0 0% Totaal

38

100%

3.6.3 Samenvatting Veel vogelsoorten hebben het moeilijk. De populatie van 21% van de broedvogelsoorten is meer dan gehalveerd. Andere soorten zijn daarentegen gegroeid. Dat geldt niet alleen voor de typische N2000-soorten, maar ook voor boerenlandvogels. De situatie voor een groot aantal broedvogelsoorten is zorgelijk.

3.7

Zoogdiersoorten

3.7.1 Inleiding 21

Zoogdieren zijn warmbloedige, levendbarende gewervelde dieren die hun jongen zogen. In Nederland komen circa 60 soorten voor, waaronder insecteneters, vleermuizen, roofdieren, evenhoevigen, walvissen, haasachtigen en knaagdieren. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. Dat bleken 8 soorten te zijn. Bijlage II van de EU-habitatrichtlijn bevat nog 9 extra soorten. In bijlage 10 zijn alle 17 soorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld. In tegenstelling tot de vaatplanten heeft de NDFF geen recente gecorrigeerde trend voor de verspreiding van zoogdieren berekend. Daarom de trend vastgesteld op het ruwe aantal atlasblokken in de perioden 1995-2004, 2005-2014 en 2015-heden. Niet uitgesloten is dat zich hierbij een effect voordoet als gevolg van verschillen in waarnemingsintensiteit.

3.7.2 Ontwikkeling van de typische zoogdiersoorten Van de 17 soorten (tabel 9) ontbrak zowel in 2000 als in 2020 de kleine hoefijzerneus. De afgelopen 20 jaar zijn geen soorten meer verdwenen of afgenomen.

Tabel 9. Ontwikkeling van de verspreiding van zoogdieren per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 1 6% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 0 0% Afgenomen 0 0% Onveranderd 6 35% Toegenomen 10 59% Terug 0 0% Totaal

17

100%

Sinds 2000 zijn 6 typische N2000 soorten qua verspreiding onveranderd gebleven; 10 soorten boekten een toename. Sinds 2000 is de verspreiding van alle toen aanwezige 16 zoogdiersoorten gelijk gebleven of toegenomen.

3.7.3 Samenvatting De zoogdiersoorten hebben zich sinds de eeuwwisseling zeer gunstig ontwikkeld.

22

3.8

Vissoorten

3.8.1 Inleiding Vissen zijn koudbloedige, gewervelde dieren. In de Nederland wateren komen circa 70 vissoorten voor, die vooral in zoet water leven. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. Dat bleken 5 zoetwatersoorten te zijn. Dit aantal werd aangevuld met 6 Bijlage II-soorten. In bijlage 11 zijn alle 11 soorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld.

3.8.2 Ontwikkeling van de typische vissoorten Alle 17 vissoorten (tabel 10) waren in zowel in 2000 als in 2020 aanwezig. De afgelopen 20 jaar zijn dus geen van deze soorten verdwenen. Wel is het verspreidingsgebied van één van deze vissoorten, de rivierdonderpad, afgenomen. Sinds 2000 zijn 7 typische N2000 soorten qua verspreiding onveranderd gebleven; 10 soorten boekten een toename.

3.8.3 Samenvatting De vissoorten hebben zich de afgelopen decennia zeer gunstig ontwikkeld.

Tabel 10 Ontwikkeling van de verspreiding van vissen per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 0 0% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 0 0% Afgenomen 1 6% Onveranderd 8 47% Toegenomen 8 47% Terug 0 0% Totaal

23

17

100%

3.9

Amfibie-en reptielsoorten

3.9.1 Inleiding Amfibieën en reptielen zijn koudbloedige, gewervelde dieren. De meeste amfibiesoorten zijn sterk gebonden aan water. In Nederland komen 16 soorten amfibieën voor, opgedeeld in kikkers, padden en salamanders. De reptielen kunnen worden onderverdeeld in hagedissen, slangen en schildpadden. Daarvan leven zeven inheemse en enkele exotische soorten in ons land. Met enige regelmaat spoelen zeeschildpadden aan op de Nederlandse stranden; dit zijn dwaalgasten. Zoals in paragraaf 2.2 is omschreven zijn voor dit hoofdstuk de soorten geselecteerd, die in de habitattypeprofielen als “typische soort” zijn aangeduid. Dat bleken 9 soorten te zijn. Dit aantal is aangevuld met 2 soorten uit Bijlage II. In bijlage 12 zijn alle 11 soorten vermeld, inclusief de ontwikkelingsklasse waarin deze soorten zijn ingedeeld.

3.9.2 Ontwikkeling van de typische amfibie-en reptielsoorten Alle 11 soorten waren zowel in 2000 als in 2020 aanwezig (tabel 11). De afgelopen 20 jaar zijn dus geen soorten uit Nederland verdwenen. Dramatisch is echter de ontwikkeling van de vuursalamander. De vuursalamander wordt ernstig bedreigd door de schimmelziekte Batrachochytrium salamandrivorans (Bsal). Bij tellingen worden jaarlijks nog maar enkele exemplaren aangetroffen. De levendbarende hagedis maakte een geringe afname door. De rest van de soorten bleef vrij constant of nam toe. Sinds 2000 is 95% van de soorten toegenomen of gelijk gebleven, en die van 5% afgenomen.

Tabel 11. Ontwikkeling van de verspreiding van amfibieën en reptielen per klasse 2000-heden Klasse Aantal soorten In % Verdwenen <2000 0 0% Verdwenen >2000 0 0% Niet-wild 0 0% Onduidelijk 0 0% Sterk afgenomen 1 9% Afgenomen 1 9% Onveranderd 6 55% Toegenomen 3 27% Terug 0 0% Totaal 24

11

100%

3.9.3 Samenvatting De amfibie-en reptielsoorten hebben zich de afgelopen decennia zeer gunstig ontwikkeld. Een uitzondering vormt de vuursalamander, die in deze periode gedecimeerd is.

25

4

Ontwikkelingen in de stikstofuitstoot vanuit de landbouw

4.1

Inleiding

Vanuit de landbouw gaat jaarlijks een aanzienlijke hoeveelheid stikstof verloren, die vrijwel geheel in het milieu terechtkomt. Gelukkig is dat voor het merendeel het onschuldige stikstofgas, maar toch komen ook minder onschuldige stikstofverbindingen in het milieu terecht, zoals ammoniak en nitraat. Om één en ander duidelijk te maken wordt de stikstofbalans voor het gemiddelde melkveebedrijf gegeven in drie tijdsperioden. Zoals een financiële balans bestaat uit een inkomsten- en een uitgavenkant heeft de stikstofbalans een aanvoer- en een afvoerkant. Alle stikstof die het bedrijf binnenkomt via bijvoorbeeld voer en kunstmest staat op de aanvoerkant. Aan de afvoerzijde staat de stikstof die het bedrijf verlaat via melk, dieren, gewassen en mest. Het verschil tussen de aanvoer en de afvoer is het stikstofoverschot.

4.2 Stikstofbalans rond 1965 Dit is het begin van de modernisering van de landbouw. In deze periode waren de meeste veehouders net overgegaan naar machinaal melken, de tractor deed zijn intrede, de graslandproductie werd verhoogd door gebruik van kunstmest. De melkveehouderij is nog zeer kleinschalig. Een doorsneebedrijf houdt 18 melkkoeien op 14 ha. Het stalsysteem is een grupstal, waarin de koeien gedurende het winterhalfjaar vastgebonden staan. In de zomer heeft het vee dag en nacht weidegang. Om het werk op de boerderij rond te kunnen zetten is meer dan 5500 uur arbeid nodig van de boer, zijn gezin en soms een betaalde kracht. De mest wordt over het algemeen gescheiden. De urine wordt bewaard in de gierkelder. Deze heeft een hoog gehalte aan direct opneembare stikstof en is daarom bij uitstek geschikt om in het voorjaar te worden uitgereden. Zo kan het gras daar tijdens het groeiseizoen goed van profiteren. De vaste en strorijke mest wordt bewaard op een (onverharde) mesthoop. Verse strorijke mest bevat veel organisch gebonden stikstof, die niet direct door de plant kan worden opgenomen. Daarom krijgt de mest één tot twee jaar de tijd om te composteren en wordt dan, meestal in het najaar, over het land verspreid. In tabel 12 wordt de stikstofbalans van melkveebedrijven in 1965 gepresenteerd. Op basis van beschikbare literatuur is deze achteraf gereconstrueerd.

Aan de aanvoerzijde valt vooral de hoeveelheid stikstofkunstmest op. Per ha is dat gemiddeld 175 kg zuivere stikstof. Ook de voeraankopen (vooral in de vorm van krachtvoer en soms verse bijproducten uit de voedingsindustrie) zorgen voor aanvoer van stikstof op het bedrijf. De aanvoer van mest van buiten het bedrijf is te verwaarlozen. De post “overig” bestaat vooral uit stikstofaanvoer via aangekocht ligstro. 26

Aan de andere kant zien we een totale afvoer van stikstof van 56 kg/ha. Daarvan is melk de grootste post. Verder wordt er stikstof afgevoerd via de verkoop van vee en van bijvoorbeeld hooi. Het verschil tussen de aanvoer en de afvoer, het stikstofoverschot, komt uit op 195 kg/ha. Naar schatting kwam deze hoeveelheid vrij in de vorm van ammoniak (25 kg/ha), uit- en afspoeling van nitraat (40 kg/ha) en andere stikstofgassen (130 kg/ha). Deze andere stikstofgassen worden vooral gevormd tijdens biologische bodemprocessen. Voor verreweg het grootste gedeelte is dit het onschuldige stikstofgas (N2), daarnaast een klein deel lachgas (N2O), een broeikasgas en NOx.

Tabel 12. Stikstofbalans rond het jaar 1965 (in kg N/ha) Aanvoer Voer 70 Melk Kunstmest 175 Vee, vlees Dierlijke mest PM Dierlijke mest Dieren 4 Overig 2 Overige Totaal aanvoer 251 Totaal afvoer Stikstofoverschot Wv Ammoniak Nitraat Rest

4.3

Afvoer 40 11 PM

Stikstofoverschot

5 56 195 25 40 130

Stikstofbalans rond 1990

De zeventiger en tachtiger jaren van de vorige eeuw kenmerkten zich door een grote efficiëntieslag via modernisering en intensivering van de landbouw. Dit werd sterk gestimuleerd door de overheid in de vorm van ruilverkaveling, subsidiering, voorlichting en landbouwonderwijs. Ook het onderzoek was vooral gericht op een efficiënte productie. De meest ingrijpende innovatie was de ligboxenstal, waartoe de overgrote meerderheid van de veehouders was overgegaan. Het sterk verbeterde dierwelzijn, samen met ontwikkelingen op gebied van fokkerij, kunstmatige inseminatie en voeding resulteerde in een hogere melkproductie per koe en tot uitbreiding van het aantal koeien per bedrijf. De voerproductie op het eigen bedrijf nam eveneens hard toe, dankzij graslandverbetering, maisteelt, ruilverkaveling. Dat maakte het mogelijk om te intensiveren. De melkproductie per ha was, ondanks de melkquotering, verdubbeld ten opzichte van 1965. Door bedrijfsvergroting verviervoudigde de melkproductie per bedrijf zelfs. Dankzij modernisering van de bedrijfsuitrusting (ligboxenstallen, melktank, mechanisering van de voerteelt) nam de arbeidsbehoefte af van bijna 5500 naar ongeveer 4000 uur per bedrijf.

27

De overgang naar de ligboxenstal had ook consequenties voor de mest. De gescheiden opslag van vaste mest en gier werd vaarwelgezegd en vervangen door drijfmest, die opgeslagen werd in kelders onder de stal of in mestsilo’s. De voordelen van gescheiden mest, met een relatief lage uitstoot van ammoniak werden daarmee tenietgedaan. De nadelige neveneffecten voor natuur en milieu werden destijds wel gezien, maar dat mondde slechts mondjesmaat uit in effectief beleid. Dit wordt geïllustreerd aan de hand van tabel 13, gebaseerd op cijfers van het toenmalige LEI. Ten opzichte van 1965 verdubbelde de aanvoer van stikstof per ha bijna. Vooral de aankopen van kunstmest en voer waren enorm toegenomen. Ook de afvoer van producten verdubbelde, maar dat kon niet beletten dat de stikstofbalans een megastijging van het overschot liet zien tot 347 kg N/ha. Van dat overschot kwam naar schatting 145 kg N/ha vrij in de vorm van ammoniak, 80 kg N/ha spoelde uit als nitraat naar sloot- en grondwater en 122 kg N/ha als onschuldig stikstofgas.

Tabel 13 Stikstofbalans rond het jaar 1990 (in kg N/ha) Aanvoer Voer 180 Melk Kunstmest 258 Vee, vlees Dierlijke mest 20 Dierlijke mest Dieren 4 Overig 1 Overige Totaal aanvoer 463 Totaal afvoer Stikstofoverschot Wv Ammoniak Nitraat Rest

Afvoer 64 30 19

Stikstofoverschot

4 117 347 145 80 122

4.4 Stikstofbalans rond 2020 Na 1990 is er hard gewerkt om de stikstofbalans weer op orde te krijgen. Als eerste werd de ammoniakemissie aangepakt. Nieuwe mestsilo’s moesten met ingang van 1992 voorzien zijn van een afdekking en het jaar daarop werd emissiearm uitrijden van mest verplicht. Bovendien werd in de negentiger jaren een begin gemaakt met de mestwetgeving, waardoor er strenge eisen werden gesteld aan de hoeveelheid mest die op het land uitgereden mocht worden, met de vorm waarin dat gebeurt (onderscheid tussen dierlijke mest en kunstmest), met de uitrijtijdstippen en met de stikstofbehoefte van het gewas. Na 2015 werden ook voor de melkveehouderij emissiearme stalsystemen ingevoerd. Rond die tijd werden bovendien de stikstof- en fosfaatgehalten in het veevoer verplicht naar beneden bijgesteld. Het voert te ver om in dit rapport alle aspecten van de mestwetgeving te behandelen. Het is echter duidelijk dat deze de bedrijfsvoering op melkveebedrijven sterk heeft beïnvloed.

28

Tabel 14 Stikstofbalans rond het jaar 2020 (in kg N/ha) Aanvoer Voer 210 Melk Kunstmest 133 Vee, vlees Dierlijke mest 10 Dierlijke mest Dieren 4 Overig 1 Overige Totaal aanvoer 358 Totaal afvoer Stikstofoverschot Wv Ammoniak Nitraat Rest

Afvoer 89 22 50

Stikstofoverschot

17 178 180 58 42 80

Met deze mestwetgeving zijn de doelen, die de overheid had gesteld, grotendeels gehaald. De ammoniakemissie is met 60% tot 70% teruggebracht, de nitraatgehaltes in het grond- en slootwater voldoen aan de EU-norm van 50 mg/l en het probleem van fosfaatverzadigde gronden is opgelost. Intussen heeft de melkveehouderij zich verder ontwikkeld. Rond 2020 houdt een doorsnee melkveehouder 107 melkkoeien. Ook is de productie verder geïntensiveerd. Per ha grond produceert een gemiddelde melkveehouder nu 16.400 kg melk/ha. Dit is een factor 3 ten opzichte van 1965. Desondanks is het stikstofoverschot per ha nu even hoog als destijds. Volgens Van Duijnen (2022) ligt dat vooral aan een betere efficiëntie van de grasland- en melkproductie. Wel wordt er nu meer ammoniak per ha uitgestoten.

4.5 Conclusie De landbouw, en in het bijzonder de melkveehouderij, stond voor een enorme uitdaging om de stikstofbelasting weer terug te brengen naar een aanvaardbaar niveau. Daartoe hebben de veehouders een scala van bedrijfsmaatregelen genomen. Met deze maatregelen is het stikstofoverschot gehalveerd. De ammoniakemissie is met 60% tot 70% afgenomen en de nitraatuitspoeling is zodanig terug gebracht dat het grondwater in vrijwel geheel Nederland inmiddels voldoet aan de EU-norm van een maximale nitraatconcentratie van 50 mg/l.

29

5

Invloed drukfactoren op achteruitgang van soorten

5.1

Inleiding

In totaal zijn de ontwikkelingen van 521 typische Natura2000 soorten onderzocht, waarvan 63 soorten een afname lieten zien van meer dan 20%. Tabel 15 laat zien tot welke soortengroep deze behoren.

Tabel 15. Totaal aantal onderzochte soorten en het aantal afgenomen soorten gedurende de periode 2000-2020 naar soortengroep Soortengroep Aantal onderzochte Waarvan N2000 soorten afgenomen Vaatplanten 332 25 Mossen 38 9 Korstmossen 19 1 Dagvlinders 28 10 Libellen 21 4 Vogels 38 11 Zoogdieren 17 0 Vissen 17 1 Amfibieën en 11 2 reptielen Totaal

521

63

Van deze 63 soorten is nagegaan wat de oorzaak van de achteruitgang zou kunnen zijn. Een overzicht van deze soorten is opgenomen in bijlage 13. De oorzaken zijn in het algemeen verzameld op basis van de informatie, die de soortenorganisaties op hun website verstrekken. Voor de vaatplanten, mossen en korstmossen is deze informatie grotendeels beschikbaar op de NDFF-verspreidingsatlas. Voor de vogels geeft SOVON per soort de belangrijkste drukfactoren aan; informatie over vlinders en libellen is veelal te vinden op de site van de Vlinderstichting; die voor de amfibieën, reptielen en vissen op de site van RAVON. Indien er van een soort op deze sites geen informatie over drukfactoren werd gegeven is van andere bronnen gebruik gemaakt. De drukfactoren zijn in zeven categorieën ingedeeld: -

30

Stikstof: Hieronder zijn alle soorten geschaard waar termen als depositie, eutrofiëring, verzuring en vermesting werden genoemd, Overig landbouw: intensivering van de landbouw, fosfaat vanuit de landbouw, Hydrologie: hier gaat het om termen als waterhuishouding, verzoeting, kanalisatie, verdroging,

-

-

Natuurlijke oorzaken: ziekten, klimaatverandering, predatie. Ook gebrek aan prooidieren en voedsel is onder deze categorie opgenomen als dit niet direct gekoppeld kon worden aan stikstof of andere menselijke activiteiten, Beheer: het gaat hier om negatieve gevolgen van het beheer, zoals schonen van waterwegen, maaibeheer, begrazing en dergelijke, Isolatie: Ontstaan van te kleine populaties, waardoor de levensvatbaarheid in het geding is, Visserij/jacht: zowel direct en indirect door jacht of visserij op prooidieren, Overige menselijke activiteiten: Bouw, verkeer, vervuiling van leefgebied.

In een paar gevallen werd expliciet vermeld dat er geen oorzaak is aan te wijzen voor de achteruitgang. Voor een deel van de teruggelopen soorten werd in de geraadpleegde bronnen geen oorzaak aangewezen. Meestal gaat het daarbij om soorten die niet bedreigd zijn. Vaak werden er meerdere drukfactoren genoemd. Tenzij expliciet anders werd vermeld is de eerstgenoemde drukfactor is als hoofdfactor aangemerkt, de andere factoren kunnen ook meespelen, maar zijn over het algemeen niet het belangrijkst. Op specifieke locaties kan dat uiteraard anders zijn.

5.2

Resultaten

In tabel 16 worden de resultaten samengevat. Tabel 16. Drukfactoren die de achteruitgang van soorten kunnen hebben beïnvloed Hoofdfactor NevenTotaal Van Van alle factor neergaande soorten soorten aantal aantal aantal % % Stikstof 4 13 17 27% 3% Overig landbouw 5 0 5 8% 1% Hydrologie 17 5 22 35% 4% Natuurlijk 9 9 18 29% 3% Beheer 3 8 11 17% 2% Isolatie 0 5 5 8% 1% Visserij/jacht 1 0 1 2% <1% Overige 7 4 11 17% 2% menselijke activiteiten Oorzaak niet 2 2 3% <1% bekend Oorzaak niet 15 24% 3% gevonden Stabiele en 458 toegenomen soorten Totaal 521 63 521

31

Als belangrijkste drukfactor komt de hydrologie naar voren. Voor 35% van de achteruitgang van soorten wordt deze factor genoemd, waarvan meestal als hoofdfactor. In de meeste gevallen gaat het om verdroging door een te laag grondwaterpeil, soms ook om grondwateronttrekking, droogval van vennen, kanalisatie van beken en rivieren en om verzoeting van zout water. Als tweede factor komen natuurlijke processen (30%) naar voren, vaak ook als nevenfactor. In de derde plaats staat stikstof. In 27% van de afgenomen soorten kan stikstof een rol spelen, meestal als nevenfactor. In slechts 4 van de 17 gevallen werd stikstof als hoofdfactor genoemd. Dat was het geval voor gewoon trapmos, voor glanzend tandmos, voor de kommavlinder en voor de tapuit. Opvallend is dat stikstof voor geen enkele N2000 typische vaatplantensoort, die de afgelopen 20 jaar in verspreiding is terug gelopen, aantoonbaar de belangrijkste drukfactor is geweest. Daarbij moet worden aangetekend dat voor 11 van deze soorten geen informatie over drukfactoren is gevonden. Om een idee te krijgen of de oorzaak van de teruggang van deze 11 soorten een teveel aan stikstof kan zijn geweest is gekeken naar de stikstofindicator van Ellenberg.

Aannemende dat soorten met een indicator van 5 of lager stikstofgevoelig zijn, zouden er maximaal 5 extra vaatplantensoorten kunnen zijn waar stikstof een drukfactor vormt, waarmee het totaal uit zou komen op hooguit 21 soorten. Dat beheer voor sommige soorten negatief kan uitpakken wordt ook duidelijk. Uit de analyse komt naar voren dat dit voor 11 soorten een drukfactor is geweest. Let wel, hier gaat het meestal niet om natuurbeheer, maar bijvoorbeeld om het (verplichte) schonen van sloten op landbouwbedrijven. Een laatste factor van belang zijn overige menselijke activiteiten. Voor 10% van de afnemende soorten is dit een drukfactor geweest. De overige drukfactoren samen waren de afgelopen 20 jaar voor minder dan 10% van de teruglopende soorten van invloed.

5.3

Conclusie

Op dit moment ligt veel nadruk op stikstof als drukfactor. Uit de analyse blijkt dat andere drukfactoren, zoals hydrologie en natuurlijke drukfactoren een grotere invloed hebben gehad op de ontwikkeling van soorten. Uit de analyse blijkt dat van de uitermate belangrijke 521 beschouwde soorten 458 soorten stabiel zijn gebleven of zijn toegenomen. Voor deze soorten hebben de drukfactoren dus geen zodanige invloed gehad dat zij tot een significante afname van de soort hebben geleid. Voor 63 soorten waren de drukfactoren in staat de soort significant negatief te beïnvloeden. Van die 521 soorten zijn 17 tot 22 soorten achteruitgegaan door toedoen van stikstof. Dat is dus slechts 3% tot 4%. Bovendien was stikstof in de verreweg meeste gevallen een secundaire drukfactor, waarbij andere drukfactoren een grotere rol in de achteruitgang speelden. 32

6.

Ontwikkeling van uiterst stikstofgevoelige vaatplanten

6.1

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de ontwikkeling van de stikstofgevoelige planten sinds 2000. De conclusie uit het vorig hoofdstuk was dat de ammoniakemissie weliswaar sterk is gedaald, maar toch nog boven het niveau van 1965 ligt. Daarom ligt het voor de hand dat met name de stikstofgevoelige vaatplanten en mossen zich minder goed zouden ontwikkelen dan gemiddeld. Ecologen geven aan dat stikstofgevoelige soorten een groot risico lopen om door stikstofminnende soorten overwoekerd te worden. De noodkreten van ecologen en terreinbeherende organisaties dat stikstof de belangrijkste drukfactor is voor de Nederlandse natuur versterken deze aanname. 6.2

Methode

Om te onderzoeken of dit daadwerkelijk het geval is zijn ontwikkelingen in de verspreiding van de meest stikstofgevoelige planten vergeleken met die van de meest stikstofminnende planten in de periode 2000 -2020. Voor de mate van stikstofgevoeligheid is op aanraden van Wameling (2023) gebruik gemaakt van de stikstofindicator van Ellenberg. De stikstofindicator van Ellenberg geeft voor planten de preferentie aan voor de beschikbaarheid van stikstof in de bodem. Planten met een voorkeur voor uitermate stikstofarme arme bodems hebben de waarde 1 oplopend tot een waarde van 9 voor extreme stikstofminnende planten. Voor het onderzoek zijn de beide extremen met elkaar vergeleken. De stikstofvoorkeur van 67 vaatplantensoorten valt volgens Ellenberg in categorie 1 en van 35 soorten in categorie 9. De trend van deze soorten volgens op dezelfde methode bepaald als in hoofdstuk 2 is beschreven, dus zoveel mogelijk gebruikmakend van de gecorrigeerde verspreidingen. Per soort is nagegaan of de verspreiding is toegenomen, gelijk gebleven, afgenomen of zelfs is verdwenen. 6.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13097351/2