CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

14b Bestemmingsplan Schijfsebaan 17 te Schijf NL.IMRO.0840.9000B0040-ON01 2021-08-02 1

gemeenteraad 15 december 2021, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan ‘Buitengebied Rucphen 2012, Schijfsebaan 17 te Schijf’18.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

een zelfstandige kantoorvoorziening met baliefunctie niet is toegestaan; j. detailhandel uitsluitend is toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit met een verkoopvloeroppervlakte van maximaal 200 m²; k. de vestiging van het bedrijf geen onevenredige publieks- en/of verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft; l. parkeren op eigen terrein plaatsvindt, binnen het bestaande bouwvlak; m. er is sprake van ruimtelijke kwaliteitsverbetering die tevens is veiliggesteld en vastgelegd overeenkomstig het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap West-Brabant zoals deze geldt op het tijdstip van ontvangst van de ontvankelijke aanvraag, indien gekozen wordt voor landschappelijke inpassing bij wijze van kwaliteitsverbetering dan dient de landschappelijke inpassing in het wijzigingsplan te worden vastgelegd door het opnemen van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing'; n. er geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem- en waterhuishoudkundige en milieuhygiënische waarden; o. er geen sprake is van een aantoonbaar onevenredige aantasting van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden en (agrarische) bedrijven; p.

wijziging gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van extensieve recreatieve mogelijkheden van het plangebied.

Het bestemmingsvlak voor het agrarisch verwant bedrijf mag maximaal 1,5 ha bedragen, het nieuwe bestemmingsvlak ‘bedrijf’ heeft een grootte van 4.875 m². De bestaande verouderde bedrijfsgebouwen worden deels gesloopt, er wordt een nieuw bedrijfsgebouw gerealiseerd om het bedrijf te optimaliseren zodat buitenopslag tot een minimum wordt beperkt. Materialen worden in bedrijfsgebouwen opgeslagen, eventueel groenafval wordt tijdelijk buiten opgeslagen, het opslaan van groen heeft geen effect op de directe omgeving. De planlocatie ligt niet binnen de ecologische verbindingszone/hoofdstructuur of groenblauwe mantel. Het hoveniersbedrijf heeft valt volgens de VNG-publicatie binnen de milieucategorie 3.1. Het aspect ‘geluid’ heeft volgens de VNG-publicatie de grootste afstand. Het betreft een hoveniersbedrijf waarvan de bedrijfsactiviteiten vergelijkbaar zijn met een milieucategorie 2 bedrijf. Doormiddel van een akoestisch onderzoek is voor het aspect ‘geluid’ aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten vergelijkbaar zijn aan een bedrijf in milieucategorie 2. Op de locatie wordt één zelfstandig bedrijf gevestigd welke landschappelijk wordt ingepast in de omgeving (zie 3.3.3). Er vindt geen detailhandel plaats of er wordt geen zelfstandige kantoorvoorziening opgericht. Op de locatie wordt een hoveniersbedrijf gevestigd, de werkzaamheden vinden hoofdzakelijk plaats op de locaties van derden.

Het bedrijf heeft geen publiek aantrekkende werking. Er is voldoende ruimte om te parkeren op eigen terrein. Aspecten zoals beschreven onder lid ‘n’, ‘o’, en ‘p’ worden uitgebreid toegelicht in paragraaf 4.4 3.4.3

Landschapsontwikkelingsplan (LOP)

Het LOP is een plan om sturing te kunnen geven aan komende (voorzienbare) ontwikkelingen in het buitengebied. Tegelijkertijd geeft het een handvat om de wenselijkheid van onvoorzienbare ontwikkelingen te kunnen beoordelen. Het landschapsontwikkelingsplan is een uitwerking van de Structuurvisie Plus, ook dit plan heeft een globaal karakter. De hoofd- en deelkeuzes die de gemeente voorstaat zijn in het plan verwoord en verbeeld. Bij de

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 25 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

verdere uitwerking van het landschapsontwikkelingsplan dient steeds onderzocht te worden hoe deze keuzes vertaald kunnen worden naar concrete uitvoering in het veld. Schijfse Vaart Karakteristiek Het grensgebied met Zundert valt door de scherpe gemeentegrens uiteen in twee delen, een noordelijk en een zuidelijk deel. Het grootste van het grensgebied maakt oorspronkelijk deel uit van de oude besloten zandontginningen, maar daar is nu nog weinig van terug te zien in het landschap. Enkele oude zandpaden resteren nog. Het gebied heeft hoofdzakelijk een open, grootschalige agrarische uitstraling. Er is onder andere glastuinbouw te vinden. Incidenteel zijn nog restanten van de oorspronkelijke beplanting terug te vinden. Hierbij gaat het onder ander om de historische laanbeplanting langs de Schijfsebaan, die bestaat uit beuken en een enkele eik. Aan de uiteinden van dit deelgebied ligt een deel coulisselandschap dat de overgang vormt naar de vochtige landschappen en het voormalige hoogveengebied in de gemeente Zundert. Door het grensgebied loopt een kleine waterloop, de Blikloop.

Figuur 10: Deelgebied Grensgebied Zundert, LOP

Opgaven voor het landschap De noordelijke kant is aangewezen als attentiegebied in de Verordening Waterhuishouding. Daar hangen het zoekgebied voor extensivering van de melkveehouderij en extensiveringsgebied voor intensieve veehouderij mee samen. De aanwezige functies moeten afgestemd zijn op waterkwaliteit en kwantiteit. In het zuidelijk deel is sprake van een leefgebied van kwetsbare soorten. Het biedt mogelijkheden voor extensieve recreatie in samenhang met de landschappelijke kwaliteiten van de natuurgebieden Pannenhoef, De Moeren en Wallsteyn, en de waterlopen Moersloot, Kleine Beek en Aa of Weerijs. In paragraaf 5.4 komt de landschappelijke inpassing aan bod. De planlocatie wordt landschappelijk ingepast, zie het landschapsplan in de bijlagen, hiermee voldoet de beoogde ontwikkeling aan de opgaven voor het landschap uit het LOP. 3.4.4

Structuurvisie Landschap

De gemeente Rucphen beschikt reeds over een Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Hierin wordt het ideaalbeeld van het Rucphense landschap geschetst en zijn projecten benoemd om dit ideaalbeeld te kunnen bereiken. Het LOP vormt de basis voor de structuurvisie. De Structuurvisie Landschap geldt niet als toetsingskader voor nieuwe initiatieven maar fungeert uitsluitend als aanvulling op en actualisering van het LOP en geldt als naast de meer algemene Structuurvisie-plus als specifieke op het landschap gerichte structuurvisie.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 26 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Deze structuurvisie heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg en kwaliteit van het landschap conform het ‘Kwaliteitsverbetering van het landschap’ principe uit de provinciale Ruimtelijke verordening. Om het ideaalbeeld uit het LOP te kunnen bereiken mogen de ruimtelijke kenmerken van de deelgebieden niet worden aangetast maar dient het landschap te worden hersteld en versterkt. Ten behoeve van de kwaliteitsverbetering van het landschap heeft de gemeente Rucphen landschapspakketten per deelgebied opgesteld waarin wordt aangegeven welke landschapselementen toegepast kunnen worden om het deelgebied afhankelijke landschap te kunnen versterken. De planlocatie Schijfsebaan 17 Schijf ligt in het deelgebied ‘grensgebied Zundert’, ‘Besloten’. Voor dit deelgebied zijn diverse landschapspakketten toepasbaar, onder andere: Hakhoutsingel, Bossingel, Klein bosje, Landschapsboom, knotboom, amfibieënpoel. Kwaliteitsverbetering van het landschap in de zin van de Interim omgevingsverordening is van toepassing. Voor de landschappelijke inpassing wordt kortheidshalve verwezen naar het landschapsplan in de bijlage. 3.4.5

Visiedocument Groenbeleid

Het visiedocument Groenbeleid Rucphen maakt inzichtelijk op welke wijze invulling wordt gegeven aan groen in de gemeente en wat daarover valt op te merken. Door de verschillende typen groen te analyseren op de wijze van beheer, kwaliteit en kwantiteit ontstaat een reëel beeld van het groen binnen de gemeente. Het rapport geeft verder aan dat de (beeld)kwaliteit van groen sterk afhankelijk is van het plan- en ontwerpproces van ruimtelijke projecten en dat daarom vroegtijdige afstemming noodzakelijk is. Bij ontwikkelingen in het stedelijk gebied is het van belang dat knelpunten, zoals te weinig groen en een hoge parkeerdruk inzichtelijk worden gemaakt en daar rekening mee wordt gehouden in het plan. Zo ook dient bekend te zijn of er binnen de invloedsfeer van het plan bomen aanwezig zijn, zodat hier een overwogen keuze in gemaakt kan worden. Als extra toetsingskader is een Groene Kaart (november 2010) opgesteld. Op deze kaart zijn waardevolle particuliere en gemeentelijke bomen plus houtopstanden opgenomen. De planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. De beoogde ontwikkeling geeft geen aantasting aan de kwaliteit of kwantiteit van het groen in de gemeente Rucphen. 3.4.6

Groene Kaart

Figuur 11: Uitsnede Groene Kaart ‘buitengebied’ Rucphen

De Groene Kaart toont en beschrijft de meest waardevolle bomen en houtopstanden binnen de gemeente. Deze mogen niet zonder omgevingsvergunning worden gekapt.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 27 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

De planlocatie ligt binnen de Groene kaart ‘buitengebied’. Buiten de planlocatie aan de rand zijn lijnvormige houtopstanden aanwezig, aan de rand van de Schijfsebaan zijn gemeentelijke lijnvormige houtopstanden aanwezig. De bestaande houtopstanden blijven bij de nieuwe ontwikkelingen gehandhaafd. In figuur 11 is een uitsnede van de Groen Kaart ‘Buitengebied’ weergegeven. 3.4.7

Rucphen ‘Landschap onthuld’ definitief Groenstructuurplan gemeente Rucphen december 2009

Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Een uitsnede van het Groenstructuurplan voor Rucphen is weergegeven in figuur 12. Het Groenstructuurplan komt voort uit het Visiedocument Groenbeleid en geeft richting aan het behoud en de ontwikkeling van groenstructuren in het stedelijk gebied. Het plan bevat een groensaldoregeling voor een verantwoorde omgang met groen. De regeling zorgt ervoor dat er niet onbekommerd aan de groene ruimte kan worden getornd. Het groenstructuurplan schetst een wensbeeld en mogelijk toekomstbeeld. Het bepaalt de koers voor inrichting en beheer van de openbare(groene) ruimte. Het plan dient als leidraad en richting bij inrichtingsvraagstukken. Schijf ligt net als Rucphen op een steenworp van de Rucphense bossen. Schijf is nog een jong dorp maar heeft van alle kernen nog het meest authentieke karakter. Ook het groen kent duidelijke kwaliteiten die zich onderscheiden van de andere kernen. Grote inheemse bomen, hagen en landelijke dorpsentrees ademen de sfeer van een landelijk dorp. De Schijfsebaan die vanuit het oogsten de kern binnenkomt wordt begeleid door hagen. Het doorzetten van deze hagen in de kern bindt de kern met het landelijk gebied.

De beoogde ontwikkeling binnen de planlocatie maakt geen deel uit van het openbaar gebied. Het groenstructuurplan heeft geen beleid voor de inrichting van particuliere gronden. Een nadere toetsing aan het Groenstructuurplan is derhalve niet noodzakelijk. De acties uit het groenstructuurplan hebben geen gevolgen voor de ontwikkelingen binnen de planlocatie of andersom, maar kunnen elkaar versterken.

Figuur 12: uitsnede Groenstructuurkaart

3.4.8

Waterplan Rucphen, visie en maatregelen

De gemeente Rucphen wil samen met het Waterschap Brabantse Delta, de Provincie Noord-Brabant en Brabant Water het watersysteem in Rucphen op orde brengen en op orde houden. Het waterplan Rucphen

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 28 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

geeft met de watervisie voor 2050 aan hoe dat eruit gaat zien. Daarnaast geeft het waterplan inzicht in de verschillende waterthema’s die spelen en de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de wateropgave. In het waterplan wordt het watersysteem en de waterketen beschreven en wordt ingegaan op de (bekende) knelpunten en de punten die goed zijn of potentie hebben. Daarna wordt ingegaan op de watervisie voor de gemeente Rucphen in 2050. De drie hoofdthema’s zijn de waterstructuur, water in de omgeving en waterbeleving in het groen. Ten slotte worden maatregelen beschreven. De maatregelen kunnen van verschillende aard zijn: communiceren, organiseren (werkafspraken) en feitelijke aanpassingen aan het watersysteem. De planlocatie ligt niet binnen een ontwikkeling in het kader van het Waterplan Rucphen. In paragraaf 4.4.4 komt het aspect water aan bod voor de planlocatie.

Figuur 13: uitsnede waterkaart, Waterplan Rucphen

3.4.9

Nota Archeologie gemeente Rucphen

Om het aspect archeologie goed mee te wegen in de gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoednota opgesteld. De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. In 2019 heeft de gemeente op basis van verschillende nieuwe inhoudelijke bronnen en diverse archeologische onderzoeken die reeds zijn uitgevoerd besloten haar bestaande archeologiekaart en het bijbehorende beleid te herzien. Het resultaat is een nieuwe Nota Archeologie met bijbehorende Archeologische Beleidskaart. Op 18 september 2019 is de nieuwe Nota Archeologie vastgesteld met bijbehorende Archeologisch Beleidskaart. In figuur 14 is de onderhavige planlocatie gelegen binnen ‘historische kernen, bekende archeologische vindplaatsen en relicten, en hoge archeologische verwachting (tenminste) voor vindplaatsen voor jagerverzamelaars’. Binnen deze aanduiding geldt een onderzoeksplicht bij een minimale bodemverstoring met een minimum oppervlakte van 100 m². In paragraaf 4.3 wordt dieper ingegaan op het aspect ‘archeologie’.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 29 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 14: uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart

3.4.10

Nota uiterlijk van bouwwerken

De gemeenteraad heeft op 18 september 2019 de ‘Nota uiterlijk van bouwwerken Rucphen 2019’ vastgesteld. Per 1 oktober 2019 is welstandstoetsing voor nagenoeg de gehele gemeente afgeschaft. In de nota is opgenomen dat enkel nog voor rijksmonumenten, cultuurhistorische waardevolle panden en Leisuregebied Binnentuin nog welstandsregels gelden. Daarnaast is een excessenregeling van kracht zodat tegen excessen opgetreden kan worden. Met het nieuwe beleid krijgen inwoners en bedrijven ruimte om zelf invulling te geven aan hun bouwwerken (kwaliteit). Binnen de geldende regels van het bestemmingsplan zal een ontwerp gemaakt worden welke past in de omgeving en bij de bestaande bebouwing op de planlocatie.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 30 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 4 4.1

Ruimtelijke structuur

4.1.1

Bebouwingspatroon

Planuitgangspunten

Op de planlocatie Schijfsebaan 17 verandert het bestaande bebouwingspatroon tegenover de nieuwe situatie. De bestaande schuren van in totaal circa 240 m² worden gesaneerd en hiervoor in de plaats komt een nieuw bedrijfsgebouw van circa 600 m². Op de planverbeelding wordt een maximum aan bebouwing opgenomen van 700 m² zodat de toekomst mogelijkheid beidt om voor een klein gedeelte uit te breiden indien gewenst. 4.1.2

Groen- en waterstructuur

De locatie aan de Schijfsebaan 17 wordt landschappelijk ingepast. De bestaande groenstructuren worden behouden, nieuwe groenstructuren worden toegevoegd passend in het landschap. De landschappelijke inpassing wordt in paragraaf 5.4 verder toegelicht. De waterlopen in de buurt van de planlocatie worden behouden. (zie figuur 17 paragraaf 4.4.4.) 4.2

Functionele structuur

4.2.1

Algemeen

De bestaande woonfunctie, met het bestaande hoveniersbedrijf, verandert in een bedrijfsfunctie met de functieaanduiding ‘hovenier’. Door deze aanpassing wordt het gebruik van de locatie planologisch verankerd. 4.2.2

Verkeer en parkeren

Verkeer De Schijfsebaan is bestemd voor zowel gemotoriseerd verkeer als voor langzaam verkeer. De Schijfsebaan sluit aan op de Rucphenseweg (N638). De Schijfsebaan is een van de gebiedsontsluitingswegen van het buitengebied van Schijf. De verkeersafwikkeling van de planlocatie vindt plaats op de Schijfsebaan. De verkeersafwikkeling voor het nieuwe bedrijfsgebouw vind plaats op een aftakking van de Schijfsebaan, de Canadapolderstraat. De privé in- en uitrit blijft op dezelfde locatie. Parkeren In Nota Parkeernormen Rucphen 2017 is op 31 mei 2017 vastgesteld. De Nota Parkeernormen heeft het volgende doel: Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor nieuwe ruimtelijke plannen en projecten in de gemeente Rucphen om in de toekomst in een parkeerbehoefte te kunnen voorzien. Waar mogelijk wordt hiermee de bereikbaarheid en leefbaarheid van de gemeente gewaarborgd. De Nota Parkeernormen 2017 heeft de volgende uitgangspunten: ▪ het vaststellen van parkeernormen levert een bijdrage aan de leefbaarheid in de gemeente. Het gaat hierbij met name om de kwaliteit van de openbare ruimte; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 levert een bijdrage aan de economische vitaliteit van de gemeente.

Parkeren vormt immers een belangrijke schakel in de totale bereikbaarheid van de gemeente; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 speelt in op de toekomstige ontwikkeling, zodat duurzaamheid is gewaarborgd; ▪ de Nota Parkeernormen 2017 kent een algemene strekking. Dit betekent dat de Nota niet in alle gevallen direct van toepassing is omdat in specifieke gevallen maatwerk noodzakelijk en wenselijk is. In deze gevallen hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid gemotiveerd maar in de geest van de Nota te handelen. De Nota Parkeernormen 2017 is gebaseerd op de CROW-publicatie nr. 317 ‘kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie’. In deze nota zijn parkeernormen in hoofdgroepen ingedeeld. In de Nota Parkeernormen

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 31 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

2017 voor arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats) en arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf) de volgende parkeernorm opgenomen: Tabel 1: Parkeernorm volgens ‘Nota Parkeernormen Rucphen 2017’

Uitgangspunt: buitengebied, niet stedelijk arbeidsintensief/bezoekersextensief arbeidsextensief/bezoekersextensief

Parkeernorm ‘buitengebied’ 2,35 1,05

Factor Per 100 m² bvo Per 100 m² bvo

Aandeel bezoekers 5% 5%

Het oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal 600 m², waarvan circa 200 m² aan werkplaats aanwezig is. De benodigde parkeerplaatsen bedragen: Tabel 2: Benodigde parkeerplaatsen

Uitgangspunt: buitengebied, niet stedelijk arbeidsintensief/bezoekersextensief arbeidsextensief/bezoekersextensief

bvo 200 m² 400 m² Totaal pp

Parkeernorm ‘buitengebied’ 4.7 4.2 8.9

Op het perceel is voldoende ruimte om te voorzien in maximaal 9 parkeerplaatsen binnen het bouwvlak. Door 9 parkeerplaatsen toe te voegen, wordt aan de parkeernorm voldaan. 4.3

Archeologie en cultuurhistorie

4.3.1

Cultuurhistorie

Bij de nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. Op de Cultuurhistorische Waardenkaart 2016 van de Provincie Noord-Brabant staat aangegeven welke archeologische en cultuurhistorische waarden (in potentie) aanwezig is. Een uitsnede van de Cultuurhistorische Waardenkaart 2016 is weergegeven in figuur 15. Met betrekking tot archeologische waarden wordt op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de Provincie Noord-Brabant, een onderscheid gemaakt in gebieden met een hoge en middelhoge verwachtingswaarde en gebieden met lage verwachtingswaarde. Voor gebieden die op de Cultuurhistorische Waardenkaart een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde hebben gekregen dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.

Figuur 15: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart 2016(CHW), provincie Noord-Brabant

Uit figuur 15 blijkt dat de planlocatie voor een gedeelte is gelegen binnen het gebied met ‘indicatieve archeologische waarden’ en aan de Schijfsebaan waarbij de laanbeplanting is aangemerkt als ‘Historisch groen’. Door de beoogde planontwikkeling blijft het ‘Historisch groen’ aan de Schijfsebaan intact. De ‘indicatieve archeologische waarden’ zijn aan de voorkant van het plangebied gelegen. Op de locatie van het nieuwe

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 32 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

bedrijfsgebouw worden op de Cultuurhistorische Waardenkaart geen cultuurhistorische waarden toegekend. De cultuurhistorische waarden komen met de ontwikkeling op de planlocatie niet in het geding. 4.3.1

Archeologie

Bij de nieuwe ontwikkelingen dient rekening gehouden te worden met de aanwezige archeologische en cultuurhistorische waarden. In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 is op de locatie de gebiedsaanduidingen ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde – hoog’ en ‘overige zone – archeologische verwachtingswaarde – middelhoog’ opgenomen. De ‘hoge’ archeologische verwachtingswaarde ligt over het voorste gedeelte van het bestemmingsvlak. Op deze plek is de bestaande woning gesitueerd en worden enkel de bestaande schuren gesaneerd, er worden daarbij geen bodemwerkzaamheden uitgevoerd. Op de plek waar het nieuwe bedrijfsgebouw wordt geplaatst is de archeologische verwachtingswaarde ‘middelhoog’. Dit betekent dat bij een bodemverstoring groter dan een oppervlakte van 500 m² en dieper dan 50 cm een archeologisch onderzoek is vereist. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt niet geplaatst op de oude plek van de bestaande bebouwing. Het nieuwe bedrijfsgebouw heeft een oppervlakte van 600 m², dit houdt in dat op de planlocatie van het nieuwe bedrijfsgebouw een archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Archeologisch onderzoek In september 2020 is door Transect b.v. een onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O), verkennende fase.

Uit het onderzoek is het volgende advies naar voor gekomen: In het gehele plangebied is sprake van een twee verwachtingen op het aantreffen van archeologische resten in een verschillende mate van intactheid. Ten behoeve van de voorgenomen ingrepen in het plangebied wordt het volgende geadviseerd: ▪ De voorgenomen sloopwerkzaamheden tot een diepte van 70 cm -Mv (12,2 m +NAP) vinden plaats waar geen intacte vondstconcentraties meer verwacht worden, wegens het ontbreken van een intacte bodemopbouw. Daarom adviseren wij om deze ingrepen plaats te laten vinden zonder archeologisch vervolgonderzoek. ▪ De voorgenomen nieuwbouw zal deels plaatsvinden op die locatie waar geen intacte vondstconcentraties meer worden verwacht en deels ter plaatse van het ven. Ter plaatse van het ven zal het maaiveld echter opgehoogd (vanaf 11,0 m +NAP) worden en zal de top van het dekzand (10,710,9 m +NAP) niet worden aangetast. Daarom kunnen ook de ingrepen ten behoeve van nieuwbouw plaatsvinden zonder archeologisch vervolgonderzoek. Wel wordt de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden gewezen op de wettelijke plicht om eventuele toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid (Erfgoedwet 2016, artikel 5.10).

▪ Ter plaatse van de westelijke zone met een hoge verwachting wordt geadviseerd om bij toekomstige ingrepen in de ondergrond een aanvullend karterend onderzoek uit de voeren naar de aard en aanwezigheid van eventuele vondstconcentraties. Gezien de verwachting op het aantreffen van hoofdzakelijk vondstconcentraties, kan dit onderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van booronderzoek volgens methode A4 van de Leidraad voor Karterend Booronderzoek. Het bovenstaande vormt een advies. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Rucphen, om op basis van de resultaten van dit rapport een selectiebesluit te nemen over de daadwerkelijke omgang met eventuele archeologische resten in het plangebied. Voor onderhavige bestemmingsplan procedure is geen vervolgonderzoek benodigd. Voor de volledige onderzoeksresultaten van het archeologisch vooronderzoek wordt verwezen naar de afzonderlijke bijlage aan te toelichting.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 33 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

4.4

Milieu- en overige aspecten

4.4.1

Geluid

Bij het ontwikkelen van een ruimtelijk plan is het belangrijk rekening te houden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan. Wegverkeer Volgens de Wet geluidhinder is het noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan akoestische situatie bij geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wet geluidhinder valt een gebouw ten behoeve van het hoveniersbedrijf niet onder een geluidsgevoelig object. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening, op grond van een goed woon- en leefklimaat. In de zin van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn de objecten; woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen beschermt tegen wegverkeerslawaai, industrielawaai, spoorweglawaai en omgevingslawaai. Onder geluidsgevoelige terreinen wordt verstaan: terreinen behorend bij andere gezondheidszorggebouwen dan algemene categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en woonwagenstandplaatsen. Geluidsgevoelige gebouwen zijn onder andere onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen. Het berekenen van de geluidbelasting heeft tot doel te bepalen of de voorkeursgrenswaarde van Lden – 48 dB uit de Wet geluidhinder wordt overschreden.

Is dit het geval dan dient een hogere waarde verleend te worden om realisatie van het bouwplan mogelijk te maken en dienen bouwkundige voorzieningen te worden bepaald om aan de binnen niveaus van de Wet geluidhinder en de geluidweringseisen van het Bouwbesluit te voldoen. In de omgeving van de planlocatie is alleen de Schijfsebaan en de Canadapolderstraat als geluidgezoneerde weg aanwezig. De planlocatie bevindt zich niet binnen de geluidzone van een industrieterrein of een spoorlijn. Toets aan de Wet geluidhinder Een gebouw ten behoeve van een hoveniersbedrijf is niet aangewezen als geluidgevoelig object in het kader van de Wgh en hoeft om deze reden niet getoetst te worden aan de voorkeursgrenswaarden van de Wgh. Een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op het nieuwe gebouw is daardoor niet benodigd. Vanuit het akoestisch oogpunt zijn er geen belemmeringen te verwachten voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling aan de locatie Schijfsebaan 17. Een akoestisch onderzoek vanuit de Wet geluidhinder is daarom niet noodzakelijk. Voor het aantonen dat de bedrijfsactiviteiten van het hoveniersbedrijf gelijk of vergelijkbaar zijn aan de bedrijfsactiviteiten van een milieucategorie 2 bedrijf, wordt er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het hoveniersbedrijf valt in de VNG-publicatie onder ‘plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m².

Het aspect ‘geluid’ is hierin maatgevend. Door Kraaij Akoestisch adviesbureau is op 8 oktober 2019 een rapportage (rapportnummer BP.1842.R01) omtrent het akoestisch onderzoek opgesteld. In het onderzoek wordt aangetoond dat er voldaan wordt aan de richtwaarde van 45 dB(A) in de dag- en 35 dB(A) in de nachtperiode. Vanuit het akoestisch oogpunt is het bedrijf qua aard en omvang gelijkwaardig aan een milieucategorie 2 bedrijf. Daarnaast wordt het maximaal geluidniveau op 30 meter van de grens van de inrichting aanvaardbaar geacht. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve naar het rapport van het akoestisch onderzoek verwezen. Deze rapportage is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig plan. 4.4.2

Bodem

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient de bodemkwaliteit ter plaatse te worden onderzocht. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 34 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een vooronderzoek NEN 5725, een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 en verkennend asbestonderzoek NEN 5740 uitgevoerd. Het onderzoeksrapport met rapportnummer 2410.09.201.r1, is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig plan als bijlage 3. Voor de volledige onderzoeksresultaten wordt kortheidshalve verwezen naar het onderzoeksrapport. Uit het rapport wordt het volgende geconcludeerd: Uit de resultaten van het vooronderzoek (inclusief locatie-inspectie) blijkt dat de locatie als heterogeen verdacht beschouwd dient te worden ten aanzien van Organo Chloorbestrijdingsmiddelen (OCB) in de (boven)grond. Ter plaatse van het puingranulaat is aansluitend een verkennend asbestonderzoek verricht. De tevoren gestelde hypothese heterogeen verdachte locatie dient formeel gezien te worden geaccepteerd. De verhogingen in de bovengrond en het puingranulaat zijn echter zeer gering en kunnen als niet significant beschouwd worden. Nader onderzoek en/of nadere maatregelen worden derhalve niet noodzakelijk geacht. De resultaten van het verrichte onderzoek dienen geen belemmering te vormen voor de voorgenomen functiewijziging naar ‘niet-agrarisch bedrijf’. 4.4.3

Luchtkwaliteit

Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Conform de Wet Luchtkwaliteit kan elk project dat NIBM (niet in betekenende mate) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Als het plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Het NSL zorgt ervoor dat Nederland binnen de door Europa gestelde termijn zal voldoen aan de Europese grenswaarden op het gebied van fijn stof en stikstofdioxide. In het NSL is een lijst met ruimtelijke infrastructurele projecten opgenomen met een maatregelenpakket, dat ervoor gaat zorgen dat de huidige overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden opgelost en de negatieve effecten van geplande ruimtelijke ontwikkelingen worden gecompenseerd. Een plan is vanaf 1 augustus 2009 NIBM als het een toename van de concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) veroorzaakt die niet meer bedraagt dan 3 % van de jaargemiddelde concentratie van die stof. Dit komt overeen met een toename van maximaal 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 en NO2. In de Regeling NIBM worden bijdragen (luchtkwaliteitseisen) categorieën van gevallen aangewezen waarvoor vaststaat dat deze NIBM bijdragen aan de luchtverontreiniging.

Bij plannen die binnen deze categorieën vallen, hoeven geen verdere berekeningen te worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een NIBM. De Regeling NIBM geeft invulling aan de volgende categorieën: ▪ Woninggebouw- en kantoorlocaties, alsmede een combinatie daarvan; ▪ Inrichtingen, hieronder vallen landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. Deze ontwikkeling op de planlocatie Schijfsebaan 17 valt niet onder een van de hierboven genoemde categorieën, maar ook is niet zonder meer te zeggen dat de ontwikkeling NIBM is. Daarom is een globale berekening nodig om te bepalen of nader onderzoek noodzakelijk is of niet. Door het Ministerie van VROM is een instrument ontwikkeld, waarmee op een eenvoudige wijze kan worden berekend of een bepaalde ontwikkeling wel of niet ‘in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit: de NIBM-tool. Met deze tool is het voldoende om gegevens te hebben over de omvang van het extra verkeer en het aandeel vrachtverkeer als gevolg van het plan. Indien deze gegevens voor een plan bekend zijn, kan op basis van een berekening met de tool worden bepaald of het plan aangemerkt kan worden als NIBM.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 35 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Figuur 16: NIBM-tool, Ministerie VROM

Uit de berekening met de NIBM-tool (figuur 16) blijkt dat om over in een ‘in niet betekende mate bijdrage’ te kunnen beschikken, er maximaal 159 extra voertuigbewegingen op een weekdaggemiddelde kunnen zijn. Hierbij is uitgegaan van 100% vrachtverkeer. Op de locatie worden geen 159 extra vrachtvoertuigbewegingen verwacht, dit zullen er in de praktijk veel minder zijn uitgaande dat er voor het bedrijf zelf geen vrachtwagens worden ingezet. Het plan kan aangemerkt worden als NIBM. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. In het kader van een goed woon- en leefklimaat is de luchtkwaliteit ter plaatse van de planlocatie bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Uit de monitoringstool volgt dat ter plaatse van de planlocatie zowel in de huidige situatie als voor 2020 de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM 2,5 wordt eveneens niet overschreden. 4.4.4

Water

Beleid Waterschap Brabantse Delta Het waterschap Brabantse Delta Is verantwoordelijk voor het waterbeheer In de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen In het waterbeheerplan 2016-2021, wat tot stand is gekomen In samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema's gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 36 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de 'natuurlijke' waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de 'beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Waterlopen Aan de Schijfsebaan en Canadapolderstraat liggen aan beide zijde waterlopen van categorie B. Het onderhoud van de categorie B waterloop dient uitgevoerd te worden door de aangrenzende eigenaar. De waterlopen worden met de planontwikkelingen behouden.

Figuur 17: Uitsnede leggerkaart, waterschap Brabantse Delta

Grondwaterbeschermingsgebied Uit de beoordeling van de Keurkaart van het Waterschap Brabantse Delta is gebleken dat de planlocatie niet is gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied of binnen het invloedsgebied Natura 2000. De planlocatie ligt binnen het grondwaterdeelgebied ‘westelijke zandgronden’. In de Interim omgevingsverordening is de planlocatie gelegen binnen de ‘Boringsvrije zone’. In de boringsvrije zone geldt een beperkte bescherming, namelijk behoud van de beschermde kleilaag in de bodem. Op de planlocatie worden geen bodem werkzaamheden verricht welke van invloed kunnen zijn op de beschermde kleilaag. Riolering en infiltratie Uitgangspunt voor de waterhuishouding van deze locatie, is het aansluiten op het bestaande drukriolering systeem. Dit betekent dat schoon hemelwater, wat valt op daken en terreinverharding, in het gebied opgevangen en geïnfiltreerd dient te worden en alleen het vervuilde afvalwater via de drukriolering wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. De hoeveelheid afvalwater, die getransporteerd wordt naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie zal hiermee afnemen, wat uit het oogpunt van milieu een positieve ontwikkeling betekent. Het waterschap is geen voorstander van het toepassen van uitlogende bouwmaterialen zoals lood, koper, zink en zacht PVC.

Voor de geprojecteerde bebouwing geldt derhalve dat het realiseren van een gescheiden stelsel uitgangspunt is, het huishoudelijke afvalwater van de geprojecteerde bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioolstelsel van de Schijfsebaan.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 37 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het Waterschap Brabantse Delta heeft in de Keur opgenomen dat in principe verboden is om zonder vergunning hemelwater door toename van verhard oppervlak of door afkoppelen van bestaand oppervlak, tot afvoer naar een oppervlaktewaterlichaam te laten komen. Dit verbod is van toepassing tenzij: a. het afkoppelen van verhard oppervlak maximaal 10.000 m² is, of; b. de toename van verhard oppervlak maximaal 2.000 m² is, of; c. de toename van verhard oppervlak bestaat uit een sedum dak. d. de toename van verhard oppervlak tussen de 2.000 m² en 10.000 m² is en compenserende maatregelen zijn getroffen om versnelde afvoer van hemelwater tegen te gaan, in de vorm van een voorziening met een minimale retentiecapaciteit conform de rekenregel: Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Het Waterschap Brabantse Delta heeft in het beleid aangegeven dat voor locaties waarbij het verhard oppervlakte toeneemt met minder dan 2.000 m², geen infiltratie dan wel retentie toegepast hoeft te worden. Op de planlocatie worden de bestaande schuren van ca 240 m² gesaneerd en er wordt een nieuw bedrijfsgebouw van ca. 600 m² teruggebouwd. Het verhard oppervlak neemt toe met minder dan 2.000 m². Het is derhalve niet nodig om te voorzien in infiltratie of retentie.

Om toch te kunnen voorzien in het opvangen van het schone hemelwater van de gehele planlocatie wordt achter de nieuwe loods een amfibieënpoel aangelegd. De amfibieënpoel is een natuurelement dat niet aansluit op een waterloop/sloot en welke gevoed wordt door grond- en/of regenwater. Op de planlocatie dient de poel onder andere voor het opvangen van het schone hemelwater wat valt op de planlocatie. De amfibieënpoel heeft een oppervlakte circa 700 m². Aan de hand van de rekenregel van het waterschap is berekend of de capaciteit van deze amfibieënpoel toereikend is. Voor het berekenen van de benodigde capaciteit wordt er vanuit gegaan dat het gehele terrein verhard wordt, dit is in werkelijkheid niet het geval. Het bestaande bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 1.627 m² nieuwe bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 4.875 m². Dit is een toename van 3.248 m² Benodigde retentiecapaciteit (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06. Benodigde retentiecapaciteit = 3.248 m² x gevoeligheidsfactor van 1 x 0,06 = 195 m³. Er van uitgaande dat de amfibieënpoel een oppervlakte heeft van circa 500 m² en een diepte van 0,5 meter, heeft de amfibieënpoel een capaciteit van circa 250 m³. De amfibieënpoel is daarom toereikend voor het opvangen van het schoon hemelwater van de planlocatie.

Watertoets Het watertoetsproces is een belangrijk instrument om het waterbelang in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het gaat daarbij om alle waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. De watertoets zorgt er voor dat bij alle ruimtelijke plannen aandacht is voor de kwaliteit én kwantiteit van water. De watertoets is verplicht bij alle plannen voor landelijk én stedelijk gebied. De gemeente doorloopt met het waterschap het watertoetsproces, dat bestaat uit advisering, toetsing en goedkeuring door het waterschap. Dit bestemmingsplan wordt voorgelegd aan het waterschap Brabantse Delta. Die zal in het kader van het overleg ex. artikel 3.1.1 Bro het wateradvies uitbrengen. Op 28 februari 2020 heeft het waterschap een positief wateradvies afgegeven op het voorontwerp bestemmingsplan. Het volledige advies is als afzonderlijke bijlage toegevoegd in bijlage 4. 4.4.5

Bedrijven en milieuzonering

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 38 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Omgevingstype In de VNG-publicatie is een gebied ingedeeld in twee typen: rustige woonwijk/rustig buitengebied of gemengd (buiten)gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied beschouwd worden. Indien sprake is van een gemengd gebied kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd, met uitzondering van het aspect ‘gevaar’. De omgeving van de planlocatie bestaat uit lintbebouwing waar verschillende functies van niet-agrarische bedrijven, agrarische bedrijven en burgerwoningen naast elkaar voorkomen en kan getypeerd worden als een omgevingstype ‘gemengd gebied’. De richtafstanden mogen met één afstandstap teruggebracht worden, met uitzondering van het aspect ‘gevaar’. Tabel 3: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype ‘gemengd gebied’ (gereduceerde afstanden) Bedrijfsomschrijving Adres Cat. Geur Stof Geluid Hovenier b.o. >500m² Schijfsebaan 17 3.1 10 m 0m 30 m

Gevaar 10 m

Het hoveniersbedrijf op de planlocatie Schijfsebaan 17, valt in de VNG-publicatie binnen ‘Dienstverlening ten behoeve van de landbouw: plantsoendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. >500 m²’. En heeft een bijbehorende milieucategorie 3.1. Daarbij is de grootste richtafstand volgens de VNG-publicatie het aspect ‘geluid’ (50 meter, voor reductie van afstanden). Op de planlocatie is een akoestisch onderzoek verricht. Het onderzoek is verricht om te kijken of het hoveniersbedrijf voor het aspect geluid kan voldoen aan de normen voor een milieucategorie 2 bedrijf. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de uitvoering van het hoveniersbedrijf te vergelijken is met een milieucategorie 2 bedrijf. De richtafstand met betrekking tot geluid kan hierdoor terug gebracht worden naar 30 meter. Het akoestisch onderzoek is als afzonderlijke bijlage toegevoegd aan onderhavig plan. De dichtstbijzijnde woning ten opzichte van de uitbreiding van het bouwvlak is de agrarische bedrijfswoning aan de Schijfsebaan 2b. De afstand van het nieuwe bedrijfsbouwvlak tot het bouwvlak van de agrarische bedrijfswoning aan Schijfsebaan 2b bedraagt circa 34 meter. De afstand tot de bedrijfswoning zelf bedraagt circa 44 meter. Daarnaast worden de werkzaamheden m.b.t. het hoveniersbedrijf aan de achterzijde van het bouwvlak gesitueerd. De gegeven richtafstanden in de VNG-publicatie worden behaald.

Er kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Milieu richtafstanden Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen. In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd. Alle bedrijven gelegen binnen een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie, uitgaande van een gebiedstypering ‘gemengd buitengebied’. Uit tabel 2 blijkt dat de richtafstanden vanuit andere bedrijven niet over de planlocatie zijn gelegen. De ontwikkelingen op de planlocatie zorgen niet voor belemmeringen bij ontwikkelingen bij de bedrijven binnen een straal van 200 meter. Tabel 4: Richtafstanden op basis van gebiedstypering 'gemengd gebied' (gereduceerde afstanden) Adres Omschrijving Milieucat. Afstand in meters geur stof geluid gevaar Schijfsebaan 19 Schijfsebaan 2b Schijfsebaan 4 Schijfsebaan 6a

Aannemer Boomkwekerij Scooter verkoop Mini camping

3.1 2 2 3.1

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

0 0 0 10

10 0 0 0

30 10 10 30

10 10 10 30

Afstand bouwvlak tot bouwvlak 125 34 175 200

Pagina 39 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Geurhinder veehouderijen De Wet geurhinder en veehouderij geeft de gemeenten de bevoegdheid om, binnen gestelde marges, bij verordening afwijkende geurnormen op te stellen in een gebiedsvisie. De gemeenteraad van gemeente Rucphen heeft op 15 januari 2011 een geurverordening opgesteld. Op 8 februari 2017 is deze geurverordening ingetrokken en gelijktijdig is een nieuwe geurverordening vastgesteld. De geurverordening is niet van toepassing op het gebied waarin het initiatief is gelegen. (Intensieve) veehouderijen hebben een grote geurcontour. In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen veehouderij bedrijven gevestigd. Er ligt over de planlocatie een geurcontour, zie figuur 18. Deze geurcontour is afkomstig van het intensieve veehouderij bedrijf aan Schijfsebaan 5. Het intensieve veehouderij bedrijf is gelegen op circa 500m van de planlocatie. Het nieuwe bedrijfsgebouw op de planlocatie Schijfsebaan 17 is geen geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij.

Figuur 18: Geurbelasting maximale invulling, Planmer Buitengebied Rucphen 2012

Woon- en leefklimaat Een goed woon- en leefklimaat heeft betrekking op de ontwikkeling van geurgevoelige objecten ten opzichten van veehouderijbedrijven. De ontwikkeling op de planlocatie wordt niet beschouwd als een geurgevoelig object. Een verder onderzoek naar de geurbelasting van omliggende veehouderijbedrijven is daardoor niet benodigd. Eventueel toekomstige uitbreidingen van bestaande veehouderijen blijft in beginsel mogelijk. Deze uitbreidingsruimte wordt niet beperkt door de beoogde planontwikkeling op de locatie Schijfsebaan 17 te Schijf. Daarnaast hebben de aanwezige veehouderijbedrijven geen beperkende invloed voor de ontwikkeling op de planlocatie, zie figuur 18. Gelet op het bovenstaande wordt door het oprichten van een nieuw bedrijfsgebouw en het veranderen van de bestemming met betrekking tot het hoveniersbedrijf, op de locatie Schijfsebaan 17 te Schijf, de omliggende bedrijven niet belemmerd. 4.4.6

Externe veiligheid

Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor personen ten gevolge van het gebruik van de infrastructuur of het uitvoeren van activiteiten, waarbij het voornamelijk gaat om de gevaren die de directe omgeving loopt, als er iets mis gaat bij de productie, de behandeling en/of het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 40 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Het Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen)en de bijbehorende regeling externe veiligheid inrichtingen (REVI) zijn op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Vastgesteld dient te worden of de planlocatie is gelegen binnen de veiligheidscontour van bestaande inrichtingen. De inrichtingen zijn weergegeven op de risicokaart van de provincie Noord-Brabant. In figuur 19 is de uitsnede van de risicokaart getoond. Uit figuur 20 blijkt dat de planlocatie niet is gelegen binnen een veiligheidscontour. Voor toetsing aan externe veiligheid voor de planlocatie moet rekening worden gehouden met mogelijke effecten vanuit het transport van gevaarlijke stoffen over de weg. De Veiligheidsregio heeft een standaard advies opgesteld voor de gemeente Rucphen. De planlocatie ligt buiten de gestelde uitgangspunten van het advies. Er is dus geen verantwoording groepsrisico en geen advies veiligheidsregio benodigd.

Figuur 19: Uitsnede risicokaart, provincie Noord-Brabant

Bereikbaarheid De bereikbaarheid van de inrichting is goed ontsloten via de Schijfsebaan en de Rucphenseweg in de richting van de kern Rucphen. Door de kern van Rucphen loopt de Sprundelseweg, die via de Sint Martinusstraat en de Rucphenseweg aansluit op de A58. 4.4.7

Kabels en leidingen

Op of in de directe nabijheid van de locatie, zijn geen transportleidingen dan wel andere belangrijke kabels en leidingen gelegen, welke realisatie van het voorgenomen plan kunnen belemmeren. Middels een KLIC- melding zullen eventuele kabels en leidingen in beeld gebracht worden. 4.4.8

Flora en Fauna

Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen kunnen wettelijk beschermde dieren en plantensoorten in hun algemeenheid of wettelijk beschermde gebieden in het geding zijn. Om de natuurwaarden van de projectlocatie te kunnen beoordelen moet er getoetst worden aan wat beschreven staat in de Wet natuurbescherming. Daarnaast is het beleid aangaande het Natuurnetwerk van belang.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 41 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Op 3 augustus 2020 is door Maassen ecologisch advies en onderzoek een rapportage opgesteld aangaande een ecologische quickscan voor de planlocatie Schijfsebaan 17. Onderstaand is beschreven wat er uit de ecologische quickscan naar voor is gekomen. Gebiedsbescherming Op grond van de Wet natuurbescherming is het verboden activiteiten te verrichten die leiden tot aantasting van wettelijk beschermde soorten en van hun voortplantingsplaats, vaste rustplaats of vaste verblijfplaats. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden die om hun ecologische waarde beschermd moeten worden. Daaronder vallen onder andere de zogenaamde Natura 2000 gebieden. Natura 2000 gebied De planlocatie en het omliggende gebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland / EHS of Natura 2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied op Nederlands grondgebied ligt op een afstand van circa 12,5 km. Het betreft het gebied ‘Brabantse Wal’. Gelet op de schaal en aard van de voorgenomen ontwikkeling en ligging op voldoende geruime afstand tot Natura 2000 kunnen negatieve effecten op Natura 2000 gebied als een kwaliteitsverlies of overschrijding van de gestelde drempelwaarden geheel uitgesloten worden. Daarnaast heeft het Rijk de Handreiking ‘Woningbouw en Aerius’ van het Rijk opgesteld.

In deze handreiking is opgenomen dat een woningbouwplan tot 50 grondgebonden woningen op minimaal 7 kilometer afstand van Natura 2000 gebieden resulteert in een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar. Op de locatie worden geen woningen toegevoegd en daarbij is de afstand tot het Natura 2000 gebied groter dan 7 km. Daarnaast vinden er op de locatie geen agrarische activiteiten plaats. Er kan geconcludeerd worden dat er geen stikstofdepositie bijdrage op de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden door het realiseren van het initiatief zal plaatst vinden. Natuurnetwerk Nederland Wat betreft het Natuurnetwerk Nederland worden er geen negatieve effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/ EHS aantasten gelet op de aard en schaal van de voorgenomen ingrepen en ontwikkeling en de ligging op voldoende afstand. Een toetsing aan het NNN/EHS-beleid wordt niet noodzakelijk geacht. Groenblauwe mantel en Attentiegebied NNB Het plangebied ligt buiten het Attentiegebied NNB en Groenblauwe mantel waardoor de wetgeving op dit punt niet van toepassing is. Beschermde soorten Het is in theorie mogelijk dat op de locatie dier- en plantensoorten van de Habitatrichtlijnen voorkomen of dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Wet natuurbescherming.

Soorten Habitatrichtlijn De enige soort die onder strikte beschermingsregiem van de Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.2) vallen en met enige waarschijnlijkheid binnen het plangebied verwacht kunnen worden zijn vleermuizen en in het bijzonder de gewone dwergvleermuis. Binnen de invloedsfeer van de ingreep ontbreken geschikt verblijfsmogelijkheden en essentieel habitatgebied voor vleermuizen en andere soorten waarvoor een strikte bescherming geldt. Negatieve effecten op verblijfplekken en functioneel leefgebied voor deze en soorten waarvoor een strikt beschermingsregime geldt kunnen uitgesloten worden Soorten nationaal beschermd (geen vrijstelling) Negatieve effecten van jaarrond beschermde verblijfplekken van soorten die beschermd zijn middels Wbn art. 3.3, het middelzware beschermingsregime van ‘andere soorten’, kunnen binnen het plangebied en invloedsfeer daarvan uitgesloten worden. Jaarrond beschermde verblijfplekken van zoogdieren en vogels Binnen het plangebied en de invloedssfeer daarvan kunnen verblijfplaatsen die als jaarrond beschermde vaste verblijfplaatsen van vogels en zoogdieren kunnen worden aangemerkt en beschermd zijn middels Wnb art. 3.1, art. 3.2 en art. 3.3 uitgesloten worden.

Als gevolg van de ontwikkeling worden ook geen negatieve effecten verwacht op elementen die van essentieel belang kunnen zijn voor de instandhouding van het functioneel leefgebied van soorten waarvoor een strikte bescherming geldt.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 42 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Beschermde houtopstanden Binnen het plangebied ontbreken houtopstanden die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming of kapvergunning plichtig kunnen zijn. Conclusie In hoofdstuk 6 van het rapport behorende bij de ecologische quickscan zijn een aantal algemene voorzorgsmaatregelen beschreven. Deze worden tijdens de ontwikkeling van het initiatief in acht genomen. Er is geen vervolgonderzoek of ontheffingsaanvraag benodigd voor onderhavig initiatief. 4.4.9

Toetsing besluit milieueffecten rapportage

Bij besluit van 21 februari 2011 heeft de wetgever het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer 'in lijn brengen' van het Besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende C‐ en D‐lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C‐lijst een m.e.r.‐plicht volgt en voor activiteiten op de D‐lijst volgt dan wel een m.e.r.‐ beoordelingsplicht dan wel een motivering dat geen m.e.r.(beoordeling) nodig is. De beoogde activiteiten binnen de planlocaties vallen niet binnen de C- of D-lijst, een m.e.r. - beoordeling of m.e.r – plicht is niet benodigd. m.e.r-plicht is niet van toepassing.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 43 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

Hoofdstuk 5 Planbeschrijving 5.1

Bouwplan

5.1.1

Omschrijving van het plan

Op de locatie Schijfsebaan 17 wordt de woonbestemming omgezet naar een bedrijfsbestemming met de functieaanduiding ‘hovenier’. De huidige bedrijfsbebouwing op de locatie wordt gesaneerd, hier komt een nieuw duurzaam bedrijfsgebouw voor in de plaats. Het nieuwe bedrijfsgebouw wordt opgericht voor het hoveniersbedrijf wat op de locatie aanwezig is. Het initiatief draagt bij aan een gemengde plattelandseconomie in het buitengebied van de gemeente Rucphen.

Figuur 20: Situering planontwikkeling op perceel

5.1.2

Kavelindeling

Momenteel is hoveniersbedrijf ‘Mijn Tuin’ gevestigd op de locatie Schijfsebaan 17. Het initiatief omvat het omzetten van de woonbestemming naar een agrarisch aanverwant bedrijf en wel met de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘hovenier’ ten behoeve van het hoveniersbedrijf. Het bestaande bouwvlak op de locatie wordt met het omzetten van de bestemming vergroot van 1.627 m² naar 4.875 m². Door het bestemmingsplan te wijzigen wordt de situatie planologisch verankerd. Hierdoor kan het bedrijf geoptimaliseerd worden. Om een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsverbetering van het landschap worden de schuren van in totaal circa 240 m² gesaneerd. Hiervoor in de plaats wordt er een nieuw bedrijfsgebouw terug gebouwd van circa 600 m². In totaal is er na het bouwen van de nieuwe bedrijfsloods circa 600 m² aan bedrijfsgebouwen aanwezig. Op de planverbeelding is een maximum van 700 m² aan bedrijfsgebouwen opgenomen. Het hoveniersbedrijf heeft daarbij in de toekomst nog de mogelijkheid om met 100 m² uit te breiden. Daarnaast wordt de locatie van eventueel buitenopslag planologisch vastgelegd en tot een minimum beperkt.

Bestemmingsplan toelichting 180920 | 02-08-2021

Pagina 44 van 50

III Schoenmakers III Ruimtelijke ontwikkeling

5.2

Uitgangspunten bouwregels

Voor het realiseren van het nieuwe bedrijfsgebouw dient het gebouw aan een aantal bouwregels te voldoen, de bouwregels zijn opgenomen in de regels van het onderhavige bestemmingsplan. De uitgangspunten zijn: ▪ de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de op de kaart ter plaatse van de aanduiding ‘maximaal bebouwd oppervlak’ aangegeven maximum oppervlakte, met dien verstande dat wanneer geen oppervlakte is aangeduid het bouwvlak in zijn geheel mag worden bebouwd; ▪ de goothoogte bedraagt maximaal 6 m; ▪ de bouwhoogte bedraagt maximaal 10 m; ▪ de afstand tot de as van de weg bedraagt minimaal 15 m; ▪ de afstand tot de perceelgrenzen bedraagt minimaal 5 m. 5.3

Beeldkwaliteit

De gemeente acht zich mede verantwoordelijk voor de zorg voor de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Aandacht voor beeldkwaliteit wordt dan ook bij de uitwerking van dit plan van wezenlijk belang geacht. In algemene termen betreft de beeldkwaliteit alle aspecten, welke van invloed zijn op de voorstelbaarheid en beleving van de ruimtelijke omgeving. Voor de beeldkwaliteit van het gebouw is het materiaalgebruik en kleurstelling belangrijk. Zowel de kleur als het materiaal dient in de omgeving te passen. Hiervoor is de welstandsnota opgesteld. Aan de hand van deze nota beoordeelt de welstandscommissie van de gemeente de te bouwen gebouw of deze qua uitstraling past in de omgeving. Het ontwerp van het nieuwe bedrijfsgebouw dient voorgelegd te worden aan de welstandscommissie. Het ontwerp dient daarnaast aan te sluiten bij de bestaande bebouwing op de locatie ten behoeve van het hoveniersbedrijf. 5.4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10905149/1