CConstaterende datRucphen
Koppel je AI →
Document · PDF

12b3 Bijlage 2 - Buitengebied Rucphen 2020 Oosteindseweg 77 te Sprundel - Toelichting

gemeenteraad 19 april 2023, gemeente RucphenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020, Oosteindseweg 77 te Sprundel'12.850 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, Oosteindseweg 77 te Sprundel

Datum: Status: vastgesteld

Inhoudsopgave Toelichting

5

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding Plangebied Geldend bestemmingsplan Leeswijzer

6 6 6 7

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

8

2.1 2.2

Bestaande situatie Toekomstige situatie

8 8

Hoofdstuk 3

Beleidskader

10

3.1 3.2 3.3

Rijksbeleid Provinciaal en regionaal beleid Gemeentelijk beleid

10 11 15

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

19

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

Bodemkwaliteit Geluid Bedrijven en milieuzonering Luchtkwaliteit Geurhinder en veehouderij Externe veiligheid Water Flora en fauna Cultuurhistorie Archeologie M.e.r-beoordeling

19 19 20 20 21 23 24 25 26 27 27

Hoofdstuk 5

Juridische planbeschrijving

29

5.1 5.2

Inleiding Toelichting bestemmingen

29 29

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

32

6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid Juridische uitvoerbaarheid

32 32

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 3

4 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

Toelichting

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 5

Hoofdstuk 1

Inleiding

1.1 Aanleiding Het perceel aan de Oosteindseweg 77 te Sprundel is planologisch bestemd als agrarische bedrijfslocatie. De locatie is niet meer als zodanig in gebruik. De eigenaar heeft het voornemen de locatie te gebruiken ten behoeve van particuliere bewoning. Daarnaast beoogt de eigenaar een kleinschalige paardenhouderij als nevenactiviteit. De AAB concludeert dat gezien de aard en omvang van een dergelijke kleinschalige paardenhouderij het hoofdgebruik van de locatie is gericht op de woonfunctie. De realisatie van het voornoemde initiatief past niet binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Om het initiatief mogelijk te maken, dient voor de nieuwe locatie een nieuw ruimtelijk en functioneel kader te worden bepaald in de vorm van een nieuw bestemmingsplan. In deze plantoelichting wordt de onderbouwing gegeven voor de bestemmingsplanherziening.

1.2 Plangebied Het plangebied ligt aan de Oosteindseweg in van het buitengebied van de gemeente Rucphen en heeft een totaaloppervlakte van 5.744m2. Het plangebied wordt bepaald door het agrarisch bouwvlak zoals is bepaald in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020'. Daarnaast wordt een strook ter plaatse van het perceel kadastraal bekend als gemeente Rucphen, nummer 1525, sectie T, bij het plangebied betrokken ten behoeve van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Op de locatie bevindt zich in de huidige situatie een agrarische bedrijfswoning met voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.

Figuur 1: Luchtfoto van het met rood omlijnde plangebied

1.3 Geldend bestemmingsplan Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020'. Dit plan is vastgesteld bij besluit van de gemeenteraad van gemeente Rucphen op 16 december 2020. Ter plaatse van de huidige planlocatie, zijn de volgende bestemming en aanduidingen opgenomen; Enkelbestemming 'Agrarisch' Dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' Dubbelbestemming 'Leiding – Gas' Bouwvlak 'Bouwvlak' circa 4930 m2 Functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – veehouderij'

6 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

Gebiedsaanduiding 'Overige zone – attentiezone waterhuishouding' Gebiedsaanduiding 'Overige zone – waarde archeologie 2' Gebiedsaanduiding 'Vrijwaringszone – obstakelbeheerzone' Voorliggend plangebied is in het vigerend bestemmingplan bestemd tot enkelbestemming 'agrarisch' met bouwvlak en een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch – veehouderij'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een (vollegronds)teeltbedrijf of een niet-intensieve veehouderij evenals agrarisch grondgebruik. Ter plaatse van het bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Naast de agrarische bestemming gelden voor het plangebied de gebiedsaanduidingen 'Overige zone – attentiezone waterhuishouding' en 'Vrijwaringszone – obstakelbeheerzone'. Daarnaast is ter bescherming van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden een dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie' en een gebiedsaanduiding 'Overige zone – waarde archeologie 2'. Aan de zijde van de Oosteindseweg loopt een gasleiding. Ter bescherming van de leidingstrook zijn gronden ter plaatse bestemd als 'Leiding - Gas'.

De voorgestane ontwikkeling betreft de sloop van verscheidene agrarische opstallen en het realiseren van een nieuwe woning en een gebouw dat wordt gebruikt als paardenstal. Het realiseren van het initiatief is niet toegestaan binnen de bestemmingsomschrijving van het geldende bestemmingsplan.

Figuur 2: Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2020' ter plaatse van het plangebied (in rood)

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt de huidige situatie beschreven en wordt ingegaan op het initiatief. De relevante beleidskaders worden beschreven in hoofdstuk 3 en in hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de diverse omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt een verantwoording gegeven op de juridische planvorm. In hoofdstuk 6 wordt tot slot aandacht besteed aan de economische en juridische uitvoerbaarheid van de plannen.

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 7

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

Dit hoofdstuk vormt een beschrijving van de situatie ter plaatse van het plangebied. Vanuit de huidige situatie en ruimtelijke- en functionele structuur, wordt hierdoor inzicht verkregen in de kaders die aan de basis hebben gestaan van de planontwikkeling. Hierop wordt vervolgens in het onderdeel 'toekomstige situatie' ingegaan.

2.1 Bestaande situatie De planlocatie ligt in het buitengebied van Sprundel in de gemeente Rucphen. Het betreft een gemengd gebied met voornamelijk agrarische bestemmingen. De planlocatie bestaat uit een voormalige agrarische bedrijfswoning met voormalige agrarische opstallen. De voormalige agrarische bedrijfswoning staat met de voorgevel naar de Oosteindseweg georiënteerd. Onder hetzelfde dak als de woning bevinden zich de stallen. Deze stalruimte heeft een oppervlakte van 155 m 2. De staat van de woning is zeer slecht. Het bevoegd gezag heeft de woning als onleefbaar bestempeld.

Figuur 3: De woning en de agrarische opstallen in de huidige situatie Naast de woning zijn de volgende opstallen aanwezig op het perceel: Veldschuur Berging Mestsilo

circa 157 m 2 circa 31 m 2 circa 70m 2

De totale bebouwde oppervlakte inclusief de onbewoonbare voormalige agrarische woning is 461 m 2.

2.2 Toekomstige situatie De agrarische bedrijfsvoering op de planlocatie is beëindigd. De huidige agrarische bedrijfsbestemming wordt omgezet naar een woonbestemming. De ruimtelijke structuur ter plaatse zal ook worden gewijzigd bij het moderniseren en verduurzamen van de gebouwen. Hierdoor vindt een functionele en esthetische opwaardering van het landschap van het plangebied plaats. De vernieuwing bestaat uit de realisatie van een woning met een inhoud van 750m 3 en een loods in een bijbehorende architectuur. De loods heeft een oppervlakte van 400m 2. In de loods zullen stallen en opslag worden gerealiseerd voor het opfokken van paarden. Deze casus is ook voorgelegd aan de Agrarische adviescommissie (AAB). In haar schrijven van 6 juli 2021 geeft de commissie het advies om de bestemming 'wonen +' te hanteren. In de volgende figuur is de toekomstige situatie weergegeven.

8 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

Figuur 4: Indeling van het plangebied in de toekomstige situatie De bestemming 'Agrarisch' wordt gewijzigd naar de bestemming 'Wonen' en in verband met de gevraagde landschappelijke inpassing wordt de bestemming 'Groen – Landschapselement' vergroot met 105 m 2. Deze uitbreiding geeft de historische 'eikenlijn' een extra waarde. Daarnaast wordt ten noorden van het woonperceel een struweelhaag aangeplant over een lengte van 137 meter. In de bijlage is het landschappelijk inpassingsplan toegevoegd. Qua toepassing van plantensoorten wordt rekening gehouden met de beplantingslijst van de Gasunie. In het volgende figuur wordt de toevoeging van de 'eikenlijn' weergegeven.

Figuur 5: De toekomstige uitbreiding van de eikenlijn

2.2.1 Verkeer en parkeren De huidige ontsluiting via de Oosteindseweg wijzigt niet. De voormalige bedrijfswoning blijft de bestaande oprit behouden. De situatie met betrekking tot het verkeer en parkeren verandert in positieve zin. Door de wijziging van een agrarische bestemming naar een woonbestemming zal het aantal planologisch gezien te verwachten verkeersbewegingen afnemen. Op de planlocatie is voldoende ruimte om in de eigen parkeerbehoefte van de woning te voorzien.

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 9

Hoofdstuk 3

Beleidskader

Dit hoofdstuk gaat in op het beleid dat de verschillende overheden voor ruimtelijke ontwikkelingen hebben opgesteld. Ten eerste het rijksbeleid, vervolgens het provinciale- en regionale beleid en tot slot het gemeentelijke beleid. De relevante beleidsstukken zijn beschreven, waarna is toegelicht in hoeverre onderdelen hiervan betrekking hebben op voorliggende ontwikkeling.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Rijksoverheid werkt aan een nieuwe Omgevingswet. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één Rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met deze visie geeft het Rijk de hoofdlijnen van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving, de voorgenomen ontwikkeling en het te voeren beleid in Nederland tot 2050. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. De NOVI wordt uitgewerkt in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling, die gebiedsgericht worden ingezet. In dit bestemmingsplan zijn geen strijdigheden met de uitgangspunten uit de NOVI opgenomen. Op grond van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de bijbehorende ministeriële regeling (Rarro) gelden voor het plangebied geen specifieke regelingen.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Toetsingskader Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. In de structuurvisie schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Op basis van landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten heeft het Rijk in het verleden een selectie gemaakt van twintig 'Nationale landschappen'. Deze landschappen weerspiegelen samen de diversiteit en ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Het Rijk laat het beleid ten aanzien van landschap op land over aan provincies en wil provincies meer ruimte geven bij de afweging tussen verstedelijking en landschap, om zo meer ruimte te laten voor regionaal maatwerk. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, heeft het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Overige regels vinden hun doorwerking in de provinciale regelgeving (paragraaf 3.2). Beoordeling en conclusie Voor het plangebied zijn geen rijksbelangen of –opgaven vastgelegd. Het initiatief is in lijn met de structuurvisie, aangezien er geen strijd is met de nationale belangen. Hieronder wordt nog ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Toetsingskader Het Rijk heeft in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt moet aan de volgende voorwaarden voldoen: a. b.

De toelichting bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling; Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet het plan een motivering bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De ladder hoeft alleen te worden doorlopen indien sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Onder stedelijke ontwikkeling wordt gezien het bepaalde in artikel 1.1.1 Besluit ruimtelijke ordening: een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Onder het begrip 'andere stedelijke voorzieningen' vallen onder meer accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport, leisure en accommodaties voor recreatie. Of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Beoordeling en conclusie

10 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

Het is van belang om bij ruimtelijke procedures de ladder voor duurzame verstedelijking juist toe te passen. Maar voordat daaraan wordt toegekomen, moet worden bezien of de ladder wel van toepassing is. Dat hangt af van de vraag of wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij kleinschalige ontwikkelingen is niet altijd sprake van verstedelijking. De grens van een stedelijke ontwikkeling ligt voor woningbouw op 12 woningen, zo blijkt uit jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, EC LI:NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3.) Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de herbestemming van een agrarisch bedrijfsperceel naar een woonperceel met daarbij een hobbymatige paardenhouderij. Dit is geen stedelijke ontwikkeling, zoals benoemd in de eerste stap van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Verdere toetsing aan de ladder duurzame verstedelijking kan daarom achterwege gelaten worden.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie 'De kwaliteit van Brabant', Visie op de Brabantse leefomgeving Toetsingskader De Omgevingswet bundelt de wetten en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur, cultureel erfgoed en water. En regelt zo het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. De provincie wil alvast gaan werken volgens de uitgangspunten van de nieuwe Omgevingswet. De Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving van de provincie voor de komende jaren. Dat gaat om ambities op gebied van de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan. Beoordeling en conclusie In de visie zijn door de provincie de doelen nog niet precies vastgelegd. Immers, diep, rond en breed kijken (zie hoofdstuk 4 in deze omgevingsvisie) is centraal uitgangspunt bij het samenspel voor de uitwerking van de visie. Dat betekent dat de provincie volop ruimte biedt voor inbreng vanuit partijen en disciplines. De omgevingsvisie agendeert en nodigt uit om hier samen mee aan de slag te gaan. Daarvoor is een verdere uitwerking van de ambitie nodig in programma's.

Die uitwerking is een opgave die op de visie volgt en die in opeenvolgende bestuursperiodes de opdracht en de ruimte geeft om dat met eigen accenten in te vullen. Steeds anticiperend op veranderende omstandigheden en beweging in Brabant. De uitwerking van de ambitie in programma's heeft nog niet plaatsgevonden. Het is daarom nog niet mogelijk initiatieven te toetsen aan de omgevingsvisie. Totdat de programma's zijn uitgewerkt, worden de initiatieven voorlopig nog getoetst aan de 'Structuurvisie 2010 – partiele herziening 2014'.

3.2.2 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 Toetsingskader Provinciale Staten van Noord-Brabant hebben op 7 februari 2014 de partiële herziening 2014 van de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening 2010 (SVRO) vastgesteld. De SVRO is opgebouwd uit twee onderdelen. In onderdeel A wordt de kern van de visie verwoord op ruimtelijke ontwikkelingen van Noord-Brabant. Het landschap en de wijze waarop dit moet worden versterkt, staan in dit onderdeel voorop. Deel B van de structuurvisie beschrijft de wijze waarop de provincie de visie uitwerkt in vier robuuste ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

Figuur 6: Uitsnede Structurenkaart, SVRO Noord-Brabant

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 11

Beoordeling en conclusie In de structurenkaart (zie vorige afbeelding) van de SVRO is het plangebied aangeduid als groenblauwe mantel. De ontwikkeling die dit bestemmingsplan voorziet, het slopen van enkele verouderde opstallen en de herontwikkeling naar een woonperceel met kleinschalige en hobbymatige paardenhouderij, met aandacht voor het opwaarderen van het landschap past binnen deze structuur. De structuurvisie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie Noord-Brabant en vormt de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening biedt. Eén van deze instrumenten is de provinciale Interim Omgevingsverordening. In die verordening is dit beleid verder uitgewerkt in bindende regels, die in acht genomen moeten worden bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Hierop wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan.

3.2.3 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Toetsingskader De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. De Interim omgevingsverordening is op 5 november 2019 inwerking getreden. Op 15 april 2022 is de Interim omgevingsverordening door de provincie Noord-Brabant geconsolideerd. De regels hebben betrekking op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet (treed naar verwachting per 1 januari 2023 in werking) is vastgesteld en die verplicht is voor provincies. Vanaf het moment dat deze inwerking treedt, dient de nieuwe Omgevingsverordening als uitgangspunt te worden genomen bij wijzigingsplannen/bestemmingsplannen in de provincie en komt de Interim Omgevingsverordening te vervallen. Tot die tijd worden de plannen nog getoetst aan de Interim Omgevingsverordening. De Interim omgevingsverordening vervangt zes provinciale verordeningen, maar is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid, zoals de omgevingsvisie. In principe zijn de huidige regels gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau.

Beoordeling en conclusie Hierna wordt ingegaan op deze regels en in hoeverre die van toepassing zijn op het bestemmingsplangebied. Vervolgens wordt beoordeeld in hoeverre voorliggend plan hierop aansluit. Het plangebied is in de Interim Omgevingsverordening aangewezen als landelijk gebied. Er gelden specifieke regels voor het wonen binnen het landelijk gebied, met de aanduidding 'Gemengd landelijk gebied'. Verderop in deze paragraaf wordt ingegaan op de regels voor het wonen binnen het landelijk gebied.

Figuur 7: Uitsnede basiskaart landelijk gebied Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Artikel 3.68: Wonen in landelijk gebied en artikel 3.69: Afwijkende regels wonen Artikel 3.68 van de Interim Omgevingsverordening stelt dat binnen het Landelijk gebied enkel bestaande burgerwoningen en bedrijfswoningen zijn togestaan en dat zelfstandige bewoning van bedrijfsgebouwen, recreatiewoningen en andere niet voor bewoning bestemde gebouwen is uitgesloten. Artikel 3.69 sub d regelt dat het gebruik van een voormalige bedrijfswoning als burgerwoning is togestaan, als verzekerd is dat er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en mits overtollige bebouwing wordt gesloopt. De bedrijfswoning ter plaatse wordt omgezet naar een reguliere burgerwoning. Deze woning wordt niet in meerdere woonfuncties gesplitst. Alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Daarom wordt voldaan aan artikel 3.68. Artikel 3.5: Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit

12 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

De artikelen 3.5 tot en met 3.8 vallen onder paragraaf 3.1.2: basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. In artikel 3.5 is opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving. Het doel van de provincie is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende- of bebouwingslocaties in zwel stedelijk als landelijk gebied. Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied door nieuwvestiging is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Het voorkomen van onnodig ruimtebeslag krijgt ook vorm door de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Voor een goede omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving wordt rekening gehouden met: Zorgvuldig ruimtegebruik De waarden in een gebied door toepassing van de lagenbenadering; Meerwaardecreatie. Deze drie voorwaarden worden uitgelegd in artikelen 3.6 tot en met 3.8.

Artikel 3.6: Zorgvuldig ruimtegebruik Onder zorgvuldig ruimtegebruik wordt verstaan dat toedeling van functies in beginsel plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag voor bebouwing, bij stedelijke ontwikkeling wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking en dat gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel. In de beoogde herontwikkeling wordt een verouderde agrarische bedrijfslocatie omgezet naar een reguliere woning. Gezien de ligging is hervestiging van een agrarisch bedrijf niet mogelijk. Naast de woonfunctie wordt een kleinschalige agrarische nevenactiviteit in de vorm van een paardenhouderij met circa 6 tot 8 opfokpaarden gevestigd. De hoofdfunctie op het perceel is echter wonen. De bestaande bedrijfswoning ter plaatse van het plangebied omgezet naar een reguliere burgerwoning. Alle voormalige bedrijfsbebouwing wordt gesloopt. Er is dus sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. Artikel 3.7: Toepassing van de lagenbenadering De lagenbenadering omvat de effecten van de ontwikkeling op (ruimtelijke) lagen en hun onderlinge wisselwerking. Het gaat hierbij om: c. d. e.

de ondergrond, zoals bodem, grondwater en archeologische waarden; de netwerk laag, zoals infrastructuur, natuurnetwerk, energienetwerk, waterwegen waaronder een goede, multimodale afwikkeling van het personen- en goederenvervoer; de bovenste laag zoals cultuurhistorische en landschappelijke waarden, de omvang van de functie en de bebouwing, de effecten op bestaande en toekomstige functies, de effecten op volksgezondheid, veiligheid en milieu.

De lagenbenadering houdt hierbij ook rekening met de factor tijd, waarbij rekening wordt gehouden met de herkomstwaarde, de (on)omkeerbaarheid van optredende effecten en de toekomstwaarde. Het perceel bestaat in de huidige situatie uit een voormalig agrarisch bedrijfsperceel met verouderde agrarische opstallen. Met de ontwikkeling wordt voorzien in een herbestemming van de locatie naar regulier woonperceel met kleinschalige nevenactiviteit en wordt tevens voorzien in een kwaliteitsimpuls voor zowel gebruik, uitstraling en landschappelijke kenmerken. De ontwikkeling vormt geen risico voor de ondergrond. Gezien de kleinschalige omvang van het initiatief heeft het plan geen negatief effect op netwerklagen zoals de infrastructuur en het natuurnetwerk. In hoofdstuk 4 wordt dit nader gemotiveerd. Wat betreft de bovenste laag heeft de ontwikkeling ook een positief effect. Het plan voorziet in niet alleen de ontwikkeling van de woning, maar mede door de groen-uitbreiding ook de samenhang met de omgeving, waardoor het plan een kwalitatieve ontwikkeling is binnen de omgeving. Artikel 3.8: Meerwaardecreatie Er is sprake van nieuwe paardenteelt en een moderne, mooiere woning met bijbehorende bebouwing. Daarom is er sprake van een meerwaarde. Enerzijds op het gebied van het gebruik van de gronden, namelijk een nieuwe paardenfok-functie en een beter geschikte woning voor de bewoners.

Anderzijds is de landschappelijke inpassing ook beter. In de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies (Paragraaf 3.1.2) is in artikel 3.5 opgenomen dat een bestemmingsplan bij de evenwichtige toedeling van functies invulling geeft aan een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving.

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 13

Met de beoogde herontwikkeling wordt de bedrijfswoning ter plaatse van het plangebied omgezet naar reguliere burgerwoning. Sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik. Ook wordt er een paardenfok-functie toegevoegd, waardoor de kwaliteit en het gebruik van de ruimte nog meer efficiënt is. Voor onderhavig initiatief behoeft geen nieuwe infrastructuur te worden aangelegd. Er is sprake van een voormalige, agrarische bedrijfslocatie die wordt omgeschakeld naar een woonbestemming. De aanwezige infrastructuur beschikt over voldoende capaciteit om het verkeer van één huishouden te ontsluiten, het verkeer zal zelfs minder belastend zijn dan dat van een agrarisch bedrijf. Het plan heeft geen effect op de ondergrond, het natuurnetwerk en cultuurhistorische waarden. Met de toevoeging van de kleinschalige paardenhouderij wordt tevens voorzien in binnen het buitengebied passende nevenfunctie. Met het initiatief wordt invulling gegeven aan kwaliteitsverbetering door een passende functie te geven aan een niet langer toekomstbestendige agrarische bedrijfslocatie, wat ten goede komt aan de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland.

Artikel 3.9 Kwaliteitsverbetering van het landschap Artikel 3.9 van de Interim omgevingsverordening stelt dat een ruimtelijke ontwikkeling binnen het Landelijk gebied gepaard dient te gaan met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Het provinciaal ruimtelijk beleid kent de rood-met-groen-koppeling. Dit houdt in dat, wanneer uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag ten koste van het buitengebied onontkoombaar is, die uitbreiding gepaard gaat met een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit elders in het buitengebied. In de Interim omgevingsverordening is de rood-met-groen-koppeling vertaald in het principe van 'kwaliteitsverbetering van het landschap'. Als uitwerking van artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening heeft het RRO Regio West-Brabant de kwaliteitsverbetering van het landschap uitgewerkt in de notitie 'Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant', aldus vastgesteld op 18 december 2014. Het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming wordt op basis van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant toelaatbaar geacht. Een dergelijke herbestemming wordt beschouwd als een ruimtelijke ontwikkeling, zodat toepassing moet worden gegeven aan het principe kwaliteitsverbetering van het landschap.

Met de regionale notitie is bepaald dat er drie categorieën van ruimtelijke ontwikkelingen zijn: C ategorie 1: ruimtelijke ontwikkelingen met nauwelijks tot geen landschappelijke invloed en waarbij geen (extra) kwaliteitsverbetering van het landschap wordt geëist; C ategorie 2: ruimtelijke ontwikkelingen met weinig landschappelijke invloed, dan wel ruimtelijke ontwikkelingen die van nature aan het buitengebied zijn gebonden, of plaatsvinden in hiervoor aangewezen gebieden. De kwaliteitsverbetering vindt plaats in de vorm van landschappelijke inpassingsmaatregelen. Deze categorie is niet limitatief; C ategorie 3: ruimtelijke ontwikkelingen welke niet tot categorie 1 of 2 behoren. De kwaliteitsverbetering wordt berekend op basis van de bestemmingswinst. Het omzetten van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming betreft een ruimtelijke ontwikkeling die in categorie 2 moet worden geschaard. De landschappelijke inpassing moet in verhouding zijn met (de impact van) de ruimtelijke ontwikkeling. Dit is maatwerk. De verantwoording van de (mate van) landschappelijke inpassing dient onderdeel uit te maken van het wijzigingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is dan ook voorzien in een passende landschappelijke inpassing ter plaatse van het plangebied. Een beschrijving hiervan is gegeven.

De oprichting en instandhouding van de landschappelijke inpassingsmaatregelen zijn als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Met de beoogde herontwikkeling wordt invulling gegeven aan de eisen zoals deze worden gesteld in het Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant. Overige aanduidingen Het plangebied ligt binnen de aanduiding 'Stiltegebied'. Dit betekent dat regels gelden om de stilste in het gebied te behouden. Hiervoor geldt onder andere een streefwaarde van 40 dB(A) LAeq, 24h. In de Interim Omgevingsverordening zijn nog meer regels opgenomen waaraan op het terrein dient te worden voldaan. Het plangebied ligt tevens binnen de aanduiding 'Attentiezone waterhuishouding'. Hierdoor gelden aanvullende regels m.b.t. grondverzet, aanleg drainage, grondwaterstanden en aanleg van verhardingen.

14 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

C onclusie Geconcludeerd kan worden dat onderhavig initiatief mogelijk is binnen de kaders van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Rucphen 2030 Toetsingskader De Structuurvisie van de gemeente Rucphen (december 2013) is het vertrekpunt voor toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen binnen het grondgebied van Rucphen. De hoofdgedachte van de structuurvisie is het streven naar een aantrekkelijke woon- en recreatiegemeente. De visie legt een koppeling tussen economische initiatieven en initiatieven die bijdragen aan versterking van de kernen en het landschap, zodat bij projectuitwerkingen ook een fysieke of financiële bijdrage voor ruimtelijke kwaliteit gevraagd kan worden. De structuurvisie geeft op hoofdlijnen een toekomstbeeld van de gewenste ruimtelijke inrichting van de gemeente tot 2030 en is op 11 december 2013 vastgesteld. Het volgende afwegingskader wordt gehanteerd: Past het initiatief in het langetermijnbeeld van de Structuurvisie? Tast het initiatief de sterke punten van het gebied niet aan of draagt het initiatief direct of indirect bij aan versterking van de kernkwaliteiten? Voldoet het initiatief aan voorwaarden vanuit de omgevingsaspecten? Deze worden hieronder verder uitgewerkt. Is het initiatief maatschappelijk aanvaardbaar? Beoordeling en conclusie Het plangebied is gelegen binnen het landelijk gebied (Agrarisch gebied met recreatief medegebruik). Binnen het landelijk gebied zijn landbouw, extensieve recreatie en beleefbare natuur de hoofdfuncties.

Behoud en versterking van het gevarieerde landschap staat voorop. Hierbij hoeft niet alles te blijven zoals het is. Het huidige landschap bestaat immers ook pas kort en de gemeente staat open voor kwaliteitsverbetering. Het streefbeeld voor het landschap staat beschreven in de Structuurvisie Landschap/ Landschapsontwikkelingsplan. In de volgende paragrafen wordt uitgebreider ingegaan op deze beleidsstukken. Binnen de bestemming 'Agrarisch gebied met recreatief medegebruik' geldt dat nieuwe ontwikkelingen moeten passen binnen de koers van het bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012' en de daaropvolgende herzieningen.

3.3.2 Structuurvisie landschap Toetsingskader De Structuurvisie Landschap (juni 2012) heeft het primaire doel economische activiteiten in het buitengebied bij bouw- en gebruiksaanvragen te koppelen aan zorg om kwaliteit van het landschap conform het 'Kwaliteitsverbetering van het landscap' principe uit de provinciale Verordening (Interim Omgevingsverordening). Het behoud en de ontwikkeling van het landschap staat in de structuurvisie voorop. De structuurvisie dient te voorkomen dat het ontplooien van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap. Zorg om kwaliteit is daarom een voorwaarde voor elk initiatief in het buitengebied. Voor nieuwe activiteiten geldt dat altijd een algemene toets naar de waarden (natuur, landschap, cultuurhistorie) moet worden uitgevoerd. Beoordeling en conclusie Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Sprundel in het grensgebied met de gemeente Zundert. Het rensgebied met Zundert is een gezond agrarisch gebied, dat ook wat betreft inrichting en schaal voldoende uitgangspunten heeft om dat te blijven. In het gebied spelen echter ook andere belangen die niet altijd goed te combineren zijn met de agrarische sector. De nabijheid van de natte natuurparel in de gemeente Zundert brengt beperkingen met zich mee. Het gebied is aangeduid als zoekgebied extensivering melkveehouderij.

Dit heeft tot gevolg dat er weinig tot geen toekomst is voor nieuwe of groeiende agrarische bedrijven.

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 15

Figuur 8: uitsnede Structuurvisie landschap – deelgebied grensgebied Zundert Voor de specifieke locatie van het plangebied heeft de gemeente geen uitgesproken ambities voor de toekomst. Een uitsnede van de structuurvisie landschap is weergegeven in de volgende afbeelding. Met dit bestemmingsplan wordt een agrarisch bedrijfsperceel gewijzigd naar een woonperceel met agrarische nevenactiviteit in de vorm van een kleinschalige paardenhouderij. Deze functie past binnen de, in de structuurvisie landschap, genoemde functies voor dit deelgebied. Daarnaast wordt voorzien in een bijpassende landschappelijke inpassing van het perceel.

3.3.3 Puur Rucphen 2030 – Toekomstvisie Gemeente Rucphen In de toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030', vastgesteld op 23 september 2015, worden de maatschappelijke opgaven van de gemeente voor de komende jaren benoemd. De toekomstvisie bouwt voort op bestaand beleid en is geen aanleiding geweest tot een inhoudelijke koerswijziging. Wel zijn de perspectieven op deelterreinen en de onderlinge dwarsverbanden verder versterkt, zodat de inzet van de gemeente effectiever kan zijn. De toekomstvisie is opgesteld in intensieve samenspraak met bewoners, ondernemers en vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties. Radicaal anders wordt de rol van de overheid en de invulling van regionale samenwerking: van burgerparticipatie naar overheidsparticipatie, en van samenwerking omdat 'het moet', naar samenwerking omdat 'het loont'. De inhoudelijke en bestuurlijke keuzes zijn uitgewerkt in de volgende perspectieven: Aantrekkelijk wonen; Vrijetijdseconomie; Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen; Overheidsparticipatie; Regionale samenwerking. De eerste drie perspectieven geven aan wat de gemeente wil bereiken. De laatste twee perspectieven geven aan hoe die ambitie realiteit wordt. Onderstaand wordt ingegaan op de ambities van de gemeente, uitgeschreven in de drie perspectieven, zoals hierboven benoemd.

Aantrekkelijk wonen In de toekomstvisie wordt aangehaald dat de gemeente handelt vanuit de overtuiging dat de meeste inwoners goed in staat zijn om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun huidige en toekomstige woon- en leefsituatie. Meegroeien met de samenleving is het uitgangspunt voor het aantrekkelijk

16 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

wonen, evenals het inspelen op behoeften van de doelgroepen. Extra aandacht gaat uit naar de jongeren en ouderen, zowel qua voorzieningen- als woningaanbod. Het tegemoetkomen aan de behoeften van deze doelgroepen is van belang voor een evenwichtige bevolkingssamenstelling en vitale gemeenschappen. Vrijetijdseconomie Rucphen is strategisch gelegen tussen grootstedelijke gebieden in de dynamische economische regio West-Brabant. Actieve en innovatieve ondernemers bouwen verder aan bezoekersintensieve attracties in de vrijetijdseconomie, de gemeente biedt ruimte om te ondernemen in de Binnentuin. In de kernen stimuleert de gemeente de 'economie van het wonen' met ontwikkeling van lokaal verzorgende beroepen. Het aantrekken van recreanten biedt als voordeel dat het draagvlak onder voorzieningen voor eigen inwoners wordt versterkt, bijvoorbeeld horeca, zwembaden en detailhandel. Zorgzame en zelfredzame gemeenschappen De ambitie is dat alle inwoners op eigen kracht kunnen deelnemen aan de samenleving. Dat geldt voor alle kernen, al is ieder dorp verschillend. De insteek is hierbij 'van zorgen voor naar zorgen dat'. Het sociaal domein dient getransformeerd te worden en de manier van ondersteunen verandert. Daarbij wordt uitgegaan van de eigen kracht van burgers, vanuit de regie van burgers, volgens het principe van één gezin, één plan, één regisseur.

De gemeente ontzorgt en het normale leven is leidend. Conclusie Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of deze passend zijn binnen de Toekomstvisie 'Puur Rucphen 2030'. De gemeente is van overtuiging dat haar inwoners in staat zijn zelfvoorzienend te zijn in het realiseren van hun woningbehoefte. Het voorliggende plan is daar een uitstekend voorbeeld van, aangezien de initiatiefnemer zijn eigen woningbehoefte vervult. Daarbij transformeert de initiatiefnemer ook een verouderde agrarische bedrijfslocatie. Bovendien ontzorgt de gemeente met het meewerken aan dit plan de initiatiefnemer. Dit komt zijn zelfredzaamheid ten goede. Al met al kan gesteld worden dat er met de ontwikkeling van voorliggend project aan een bestendige toekomst van Rucphen wordt gewerkt. De kwaliteit van de fysieke leefomgeving wordt verbeterd. Door middel van een transformatie van het plangebied maakt dit plan namelijk bewoning op een huidig onbewoonbaar-verklaarde woning weer mogelijk en wordt de directe omgeving door middel van landschappelijke inpassing groener.

3.3.4 Visie Duurzaamheid 2019-2030 Toetsingskader De gemeente Rucphen heeft de Visie Duurzaamheid 2019-2030 opgesteld. De Visie Duurzaamheid is de basis voor de Duurzaamheidsagenda met daarin opgenomen een meerjarenprogramma en een jaarlijks uitvoeringsplan. In de Visie Duurzaamheid staan de ambities van de gemeente Rucphen op het gebied van duurzaamheid. Deze ambities hebben betrekking op de thema's: Klimaat Energie en Wonen Groen en Water Afval en Grondstoffen Mobiliteit Landbouw De Duurzaamheidsagenda is het instrument dat de activiteiten van de gemeente en haar omgeving bundelt en structureert. De agenda is gevuld met concrete activiteiten. De agenda kan worden aangepast als zich verdere kansen voor verduurzaming voordoen of voortschrijdend inzicht daarom vraag (adaptief). Duurzaam ondernemen is een van de ambities binnen de visie. De gemeente is samenwerking met bedrijven een platform Duurzaamheid aan het ontwikkelen ter bevordering van duurzaam ondernemen. Hierbij liggen bijvoorbeeld kansen om op grote bedrijfsdaken zonnepanelen te plaatsen. Voor duurzaam bouwen is de ambitie om bestaande bedrijfsgebouwen aan Energielabel B te laten voldoen. Een duurzame samenleving heeft hoge natuurwaarden en een goede waterkwaliteit. Circulaire economie In 2014 heeft de gemeente Rucphen het C onvenant Duurzaam Bouwen West-Brabant ondertekend.

In het convenant is aangegeven wat de deelnemende gemeenten belangrijk vinden. Voor het verduurzamen van de nieuwe woningbouw, de bestaande woningvoorraad, bestaande utiliteitsgebouwen en het gemeentelijk vastgoed, moeten, in samenspraak met de partners, uitvoeringsprogramma's

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 17

worden opgesteld en mogelijk ook kaders worden vastgesteld om de uitvoering van concrete activiteiten te bevorderen. Deze concrete activiteiten hebben grotendeels te maken met isoleren en duurzame energieopwekking, maar ook het gebruik maken van duurzame materialen en het onderwerp circulaire economie zijn hierbij van belang. De toenemende schaarste van grondstoffen en het belang van een duurzame samenleving vraagt om een circulaire benadering van grondstoffen. Het ultieme doel is dat er helemaal geen sprake meer is van afval, maar dat al het afval opnieuw als grondstof wordt ingezet. Dit wordt ook wel circulaire economie genoemd. Hooguit blijft een restfractie over waar geen betere toepassing voor is dan verbranding ten behoeve van energieopwekking. De gemeente heeft het doel gesteld van een afvalscheiding van 75% in 2024 met als ultieme doel een afvalloze samenleving. Voor de korte termijn streeft de gemeente het doel na van 100 kg restafval per inwoner in 2024 Beoordeling en conclusie De planontwikkeling Oosteindseweg 77 is getoetst aan de ambities die beschreven zijn in de Visie Duurzaamheid van de gemeente Rucphen. Met dit voorliggende plan wordt een verouderde agrarische bedrijfsbestemming omgezet tot primair woonbestemming met hobbymatige paardenhouderij. Oude bebouwing wordt gesloopt.

Daarna wordt het gebied getransformeerd en wordt de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving verbeterd door een nieuwe, bewoonbare woning. Mede ook door de landschappelijke inpassing en functionele upgrade zal er sprake zijn van een kwaliteitsverbetering van de fysieke leefomgeving. Het voorliggende plan past daarom bij de Visie Duurzaamheid van de gemeente.

3.3.5 Groen R Groenbeleid Gemeente Rucphen Toetsingskader Het Groen R groenbeleidsplan gaat over de ambitie van de gemeente over de groene leefomgeving. Het onderwerp groen, in de breedste zin van het woord, is tegenwoordig van groot belang in alle vraagstukken binnen de fysieke leefomgeving in de gemeente Rucphen. Daarmee sluit de gemeente aan bij landelijke ontwikkelingen op gebied van klimaat, duurzaamheid en biodiversiteit. De gemeente Rucphen mag zich met recht een groene gemeente noemen. En dat wil de gemeente ook graag blijven. Dit doen wij door meer, beter en bereikbaar groen. Hierbij speelt een groot aantal factoren een rol, zoals (be)leefbaarheid, klimaatadaptatie, duurzaamheid, gezondheid, biodiversiteitsherstel, landbouw etc. Op basis van kansen en bedreigingen worden keuzes gemaakt in prioritering van uitvoer. Het behouden en versterken van de groenstructuur (zowel binnen de dorpen als in het buitengebied) is daarbij een belangrijk uitgangspunt, evenals het vergroten van de biodiversiteit en het klimaat adaptief maken van onze gemeente. Door het benoemen van de essentiële groenstructuur kan gericht worden gewerkt aan het groene casco. Dit wordt tevens bereikt door het stellen van heldere inrichtings- en beheereisen.

Men is bewust van het belang van een goede biodiversiteit, waarbij we inzetten op goede robuuste en fijnmazige netwerken en een duidelijke en passende soortkeuze. Met Groen R streven we de komende jaren naar een duurzame ontwikkeling van het groen en landschap. We gaan daarbij uit van vier basisprincipes: We zorgen voor genoeg en gevarieerd groen voor iedereen Groen draagt bij aan de verschillende opgaven De gemeente wordt natuur inclusief aangelegd en beheerd Aan groen werken we samen Beoordeling en conclusie In het voorliggende plan wordt er door middel van maatregelen op het vlak van landschappelijke inpassing extra groen toegevoegd, met in het bijzonder aandacht voor de keuze van de inheemse groensoorten. Daarom past dit plan bijzonder goed in de geest van het Groen R groenbeleid van de gemeente Rucphen.

18 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

Voor het ontwikkelen en in stand houden van leefbare en duurzame gemeentes dient bij ruimtelijke planvorming rekening te worden gehouden met de milieu- en omgevingsaspecten. Door rekening te houden met deze aspecten kan een goed leefklimaat behouden blijven of worden ontwikkeld. In dit hoofdstuk zijn de verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van belang zijn voor het plan(gebied) nader toegelicht.

4.1 Bodemkwaliteit Toetsingskader Met het oog op een goede ruimtelijke ordening dient bij ruimtelijke ontwikkelingen de bodemkwaliteit te worden beschouwd. Bij ruimtelijke plannen met een functiewijziging dient te worden aangetoond dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de functie die ter plaatse wordt beoogd. Met een verkennend bodemonderzoek wordt inzicht verkregen in de actuele milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en de mogelijke aanwezigheid van verontreinigde stoffen in de grond of het freatisch grondwater. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt vastgesteld of de milieu hygiënische kwaliteit van de bodem een belemmering vormt voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling Beoordeling Door Moerdijk Bodemsanering B.V. is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om inzicht te krijgen in de actuele milieu hygiënische kwaliteit van de bodem en daarmee vast te stellen of op de locatie verontreinigende stoffen in de grond of het freatisch grondwater aanwezig zijn. Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek is een verkennend en nader asbestonderzoek uitgevoerd. De rapporten zijn als bijlage bij de toelichting opgenomen.

Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatste van het kavelpad een sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond is aangetroffen. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat ter plaatste van het kavelpad een sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond is aangetroffen. Deze asbestverontreiniging is reeds gesaneerd. Er is gekozen voor het afgraven van de bodem tot het niveau van terugsaneerwaarde. Het evaluatieverslag van de BUS is als bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting. Conclusie Op de locatie is een sterke verontreiniging met asbest in de bovengrond aantroffen. Er heeft een sanering plaatsgevonden, waarmee de locatie geschikt is voor de herbestemming naar een woonperceel.

4.2 Geluid Toetsingskader Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling met geluidsgevoelige gebouwen (waaronder woningen), nieuwe wegen en de reconstructie van bestaande wegen dient te worden aangetoond dat voldaan wordt aan de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh is alleen van toepassing binnen de wettelijk vastgestelde zone van een weg. Een akoestisch onderzoek in het kader van de Wgh is alleen noodzakelijk wanneer de ontwikkeling plaatsvindt binnen een zone van een (spoor)weg en/of industrieterrein en waarbij sprake is van geluidgevoelige bestemmingen. Beoordeling Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een woning of een geluidgevoelig object ligt in een door deze wet aangewezen geluidzone van een weg, spoorweg of gezoneerd industrieterrein. Door Vliex akoestiek en lawaaibeheersing is een akoestisch onderzoek wegverkeer verricht voor de planlocatie. De onderzoeksrapportage is als bijlage 3 aan voorliggend bestemmingsplan toegevoegd. Hierna zijn de belangrijkste conclusies aangehaald. Uit onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting vanwege de Oosteindseweg op de beoogde woning ten hoogste 46 dB bedraagt. Deze geluidbelasting is 2 dB lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder.

Nu uit onderzoek is gebleken dat de voorkeursgrenswaarde niet overschreden wordt, is het stellen van een hogere waarde, als bedoeld in de Wet geluidhinder, niet aan de orde. Voor

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 19

het aspect wegverkeerslawaai ontmoet het beoogde plan geen bezwaren. Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.

4.3 Bedrijven en milieuzonering Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met eventuele milieuhinder als gevolg van (bedrijfs-)activiteiten. Uitgangspunt daarbij is dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstand geldt tussen enerzijds de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Beoordeling De planlocatie ligt in het landelijk gebied. In de omgeving zijn een aantal (agrarische) bedrijven gevestigd.

Alle bedrijven in een straal van 200 meter van de planlocatie zijn beoordeeld. In onderstaande tabel is de afstand weergegeven ten opzichte van de planlocatie. Omgevingstype De omgeving van de planlocatie kan getypeerd worden als een omgevingstype 'rustig buitengebied'. Tabel 1: Richtafstanden bedrijven, omgevingstype 'rustig buitengebied' Bedrijfsomschrijving

Adres

C ategorie Min. Afstand van bouwvlak tot Milieuafstand nieuw bouwvlak planlocatie

Agrarisch bedrijf – vogel en kleindierkwekerij

Turfstaat 36 Sprundel

3.2

100 m

460 m

Agrarisch bedrijf – glastuinbouw

Oosteindseweg 67

2

50 m

170 m

Uit tabel 1 blijkt dat de richtafstand ruimschoots wordt behaald. Conclusie Door het voorliggend initiatief worden geen bedrijven in de omgeving in hun bestaande rechten beperkt en ter plaatse van de planlocatie kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, zoals dit in de bestaande situatie ook is.

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Wet milieubeheer Toetsingskader Luchtkwaliteit is geregeld in de Wet milieubeheer. Een specifiek onderdeel van deze wet is de algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). Hierin is bepaald wanneer de mate van de bijdrage aan de luchtverontreiniging verwaarloosbaar klein is. In zo'n geval hoeft een project niet langer meer getoetst te worden, ongeacht of in de huidige situatie al sprake is van een overschrijding van grenswaarden. Een project wordt als NIBM beschouwd als aannemelijk is dat het project niet leidt tot een toename van de concentraties van NO2 of PM10 van meer dan 3% van de grenswaarde. Beoordeling Om het beoordelen van plannen voor overheden eenvoudiger te maken is in de Regeling NIBM het percentage van 3% uitgewerkt in concrete getallen. De regeling geeft concrete getallen voor plannen die gaan over, bijvoorbeeld de bouw van woningen en/of kantoren. De grens voor woningbouwplannen ligt bij 3% op 1.500 woningen. Als er twee ontsluitingswegen zijn, mag een grens van 3.000 woningen

20 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

worden gehanteerd. In het voorliggend plan is er sprake van de herbestemming van één nieuwe woning, zodat de ontwikkeling als NIBM kan worden beschouwd. Een toetsing aan de grenswaarden kan daardoor achterwege blijven. Conclusie De ontwikkeling draagt niet bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ter plaatse. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL)

4.4.2 Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Toetsingskader Uit oogpunt van goede ruimtelijke ordening dient ook beoordeeld te worden of het aanvaardbaar is om het project op deze locatie te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan de ter plaatse bestaande luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project zelf 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur onder andere bij een woning, school of sportterrein. Om inzicht te geven in de mate van blootstelling aan luchtverontreiniging wordt gebruik gemaakt van de, door het ministerie van Infrastructuur en Milieu, beschikbaar gestelde digitale monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Met de jaarlijkse monitoring van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) wordt de ontwikkeling van de luchtkwaliteit gevolgd en wordt de uitvoering van de maatregelen en projecten (die zijn opgenomen in het NSL) bijgehouden. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2016).

De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Beoordeling Voor de kwaliteit van de buitenlucht bestaan verschillende soorten normen. Wettelijke grenswaarden en actiedrempels zijn meestal een compromis tussen haalbaarheid en gezondheid. Veel van de wettelijke normen komen direct uit Europese richtlijnen. De Monitoringstool is het instrument waarmee de stand van zaken in de uitvoering van de projecten en maatregelen in het NSL wordt gevolgd, en de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden berekend voor het achterliggende kalenderjaar en de toekomstige jaren die relevant zijn voor het NSL (2015 en 2020). De kaart van de monitoring van het NSL biedt de mogelijkheid om de verschillende resultaten van de monitoring zichtbaar te maken. Via de NSL-Monitoringstool zijn voorts de concentraties voor de jaren 2020 en 2030 afgelezen. Via de NSL-Monitoringstool zijn de volgende grenswaarden voor het plangebied bepaald: 2020

2030

Jaargemiddelde maximale grenswaarde

NO 2

<35 µg/m³

<35 µg/m³

40 µg/m³

PM10

<35 µg/m³

<35 µg/m³

40 µg/m³

PM2,5

<35 µg/m³

<35 µg/m³

25 µg/m³

Tabel 2: luchtkwaliteitswaarden, afgerond op hele waarden Uit de monitoringstool blijkt dat in de omgeving van het plangebied de maximale concentraties voor NO 2, PM10 en PM2,5 voor de jaren 2020 en 2030 de jaargemiddelde grenswaarden niet overschrijden. Conclusie In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ter plaatse van het plangebied de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Vanwege de algemene trend dat de emissies en achtergrondconcentraties gaan dalen, worden ook in de toekomst geen overschrijdingen verwacht.

4.5 Geurhinder en veehouderij Toetsingskader

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindseweg 77 te Sprundel 21

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt voor de beoordeling van aanvragen om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het toetsingskader voor de geurhinder vanuit veehouderijen. De Wgv stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten (alleen intensieve veehouderijen) en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten (alle veehouderijen). Daarnaast moet worden beoordeeld of ter plaatse van het nieuwe geurgevoelig object sprake is van een goed woon- en verblijfsklimaat en mag het nieuw geurgevoelig object geen (aanvullende) beperking worden voor de omliggende veehouderijen. De geurbelasting is afkomstig van dieren waarvoor in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) een omrekeningsfactor is vastgesteld (bijvoorbeeld varkens, vleesvee, pluimvee, schapen en geiten). De geurbelasting wordt uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht (OU E/m 3). De maximaal toegestane geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging (concentratiegebied of niet concentratiegebieden en binnen of buiten de bebouwde kom). Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld (bijvoorbeeld melkrundvee en paarden).

De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt. Iedere gemeente heeft de mogelijkheid om eigen geurbeleid op te stellen. De gemeente Rucphen heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de 'Geurgebiedsvisie Rucphen' op te stellen. Hierin zijn een zevental transformatiegebieden aangewezen, waar woningbouw mogelijk wordt gemaakt. De aanwezigheid van veehouderijen kan belemmeringen opleveren voor het realiseren van de woningbouwplannen. Middels de door de gemeente Rucphen opgestelde Geurgebiedsvisie wordt de mogelijkheid geboden om afwijkende geurnormen vast te stellen. Het plangebied is niet gelegen binnen een transformatiegebied. Beoordeling en conclusie Woningen zijn geurgevoelige objecten als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij. In het kader van de Wgv gelen alleen vaste afstanden. De afstanden bedragen: 100 meter voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom; 50 meter voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom.

Binnen een straal van 100 meter komen op basis van de gegevens van de website van Provincie Noord-Brabant, Web-BVB (Bestand Veehouderij Bedrijven) geen veehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij ligt op circa 1 km ten noorden van het plangebied. Derhalve wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 50 meter. Aanvullend is, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, het heersende geurniveau ter plaatse opgezocht. Hierbij is gebruik gemaakt van de door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) gemaakte geurkaart van de achtergrondbelasting. Deze kaart geeft een indicatie van de achtergrondbelasting en is bij relatief een gering aantal veehouderijen in de omgeving in dit geval voldoende.

22 weg 77 te Sprundel

bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2020, O osteindse

Figuur 9: Uitsnede geurkaart met daarop de ligging van het plangebied met een rode cirkel aangegeven In de voorliggende situatie is sprake van de herbestemming van een bedrijfswoning naar een reguliere burgerwoning. Zowel de agrarische bedrijfswoning als een burgerwoning zijn op basis van de Wgv een geurgevoelig object. Feitelijk vinden echter geen relevante wijzigingen plaats. Omliggende veehouderijen worden ten gevolge van de plannen derhalve niet nader beperkt in hun bedrijfsvoering. Als nevenactiviteit bij de woonbestemming wordt een kleinschalige paardenhouderij met 6-8 paarden opgericht. Gezien deze niet bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd hoeft niet te worden beoordeeld of de paardenhouderij een belemmering is voor de woon- en leefkwaliteit van de omgeving. Volledigheidshalve wordt voor deze activiteit een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van in de omgeving gelegen woningen aangehouden. De dichtstbijzijnde woning aan de Oosteindseweg 78 ligt op een afstand van 100 meter. De paardenhouderij vormt geen belemmering voor het wooncomfort van de omliggende woonpercelen.

4.6 Externe veiligheid Toetsingskader Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt. Beoordeling Volgens de risicokaart bevindt het plangebied zich niet binnen risicocontouren en invloedsgebied van risicovolle inrichtingen of transportroutes. Wel loopt parallel aan de Oosteindseweg een gasleiding. Deze is gekenmerkt als leiding Z-520-11. Deze leiding is in de onderstaande tabel weergegeven. In de tabel zijn de relevante resultaten uit de risicoberekening vermeld. Voor de buisleiding is aangegeven of deze een plaatsgebonden risicocontour heeft van 10-6 per jaar en is de hoogte van het groepsrisico vermeld ten opzichte van de oriënterende waarde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12604881/1