12b.1 Bestemmingsplan 'Buitengebied Rucphen 2012 Achtmaalsebaan ong. naast 26 te Schijf' (1)
Tekst van het document
Stiboka (1982): Bodemkaart van Nederland 1:50.000, blad 49 Oost,
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
24
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
Het plangebied is gelegen op een hogere (stuifzand)wal. Vroeger was dit een verlaten heidegebied (de grond was te arm en te droog voor landbouw). In de loop van de twintigste eeuw vestigden zich langs de Achtmaalsebaan steeds meer burgers en werden er bospercelen aangeplant.
Figuur 10 - Situatie rondom het plangebied rond 1875, 1900 en 1950; in 1875 is de Oude Zoek nog een meer, omgeven door arme heidegronden; in 1900 was de Oude Zoek drooggelegd en de omgeving van het plangebied beplant met bomen; in 1950 was er langs de Achtmaalsebaan een bebouwingslint ontstaan en de voorheen aanwezige bossen waren daar gekapt.
Monumenten en karakteristieke bebouwing In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Evenmin zijn panden aangewezen als MIP-object.
Figuur 11 - Provinciale Cultuurhistorische waardenkaart; op deze kaart zijn de cultuurhistorische waarden van provinciaal belang aangegeven; te zien is, dat het plangebied niet wordt aangemerkt als cultuurhistorisch vlak of als cultuurhistorisch landschap.
Beleid provincie en gemeente Op de Provinciale Cultuurhistorische waardenkaart (zie Figuur 11) wordt het plangebied niet wordt aangemerkt als cultuurhistorisch vlak of als cultuurhistorisch landschap. In het plangebied zelf zijn ook volgens de gemeentelijke erfgoedkaart geen overwegende cultuurhistorische waarden aanwezig. De Achtmaalsebaan is aangemerkt als "overige oude wegen". Door de planvorming wordt deze weg niet verlegd of anderszins aangetast in zijn cultuurhistorische waarde.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
25
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
Conclusie Voorliggend planvoornemen heeft geen negatieve invloed op cultuurhistorische waarden.
4.5
Archeologie
Toetsingskader In Europees verband is het zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Sinds 2007 kent Nederland de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, gewijzigde Monumentenwet 1988). Deze wet is sinds 1 juli 2016 deels opgegaan in de Erfgoedwet. Op basis van deze wet zijn gemeenten verplicht een archeologisch beleid te voeren. Daarbij hoort ook dat de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeente inzichtelijk gemaakt moeten worden. Gemeente moeten daarnaast archeologieparagrafen opnemen in bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om het ‘bodemarchief’ zoveel mogelijk te beschermen. De archeologische resten in de bodem vormen een belangrijke bron van informatie over het verleden. In het bijzonder voor die perioden of aspecten van het verleden waarvan geen of weinig schriftelijke bronnen bewaard zijn gebleven of waarover niet of nauwelijks is geschreven. Beleid gemeente Om het aspect archeologie goed mee te wegen in de gemeentelijke ruimtelijke besluitvorming heeft de gemeente Rucphen in 2010 een Erfgoedverordening opgesteld.
De Erfgoednota bestaat onder andere uit een archeologische verwachtingenkaart en een advies archeologische beleidskaart. Om de aanwezige archeologische waarden te beschermen is bij nieuwe ontwikkelingen archeologisch onderzoek verplicht; hiervoor zijn diverse typen gebieden (naar gelang de verwachting van waarden) vastgesteld. Beoordeling Volgens het vigerende archeologiebeleid van de gemeente Rucphen, zoals dat ook is vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan, rust er op het plangebied de aanduiding: archeologische verwachtingswaarde middelhoog. Bij een geplande bodemverstoring geldt er een onderzoeksplicht, als het betreffende bouwwerk een oppervlak van meer dan 500 m² heeft en dieper dan 0,5 m wordt geplaatst. Dat is niet het geval (de woning met bijgebouwen zal een oppervlakte van minder dan 500 m2 hebben). Daarom behoeft voorafgaand aan de bouw van de woning geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Conclusie Voorliggend planvoornemen heeft geen aanwezige archeologische waarden.
4.6
negatieve invloed
op
eventueel
Natuur
Toetsingskader De Wet natuurbescherming, bevat regels ter bescherming van natuur en landschap. Deze wet regelt aanwijzing, beheer en bescherming van gebieden die vanwege bijzondere natuurwaarden zijn aangewezen als Natura 2000-gebied of Beschermd Natuurmonument. De Beschermde Natuurmonumenten zijn natuurgebieden die vanwege nationale belangen als beschermd natuurgebied zijn aanwezen.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
26
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
Beoordeling Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd voor de onderhavige locatie (bijlage 2). Daarin wordt ten aanzien van de gebiedsbescherming geconcludeerd: “Met betrekking tot gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland, alsook de bescherming van houtopstanden, zijn ten aanzien van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie geen negatieve effecten te verwachten. Aangezien de onderzoekslocatie direct grenst aan het Natuurnetwerk Nederland, wordt geadviseerd een goede afscherming tussen de nieuwbouw en het Natuurnetwerk Nederland gebied te realiseren. Daarnaast wordt geadviseerd verlichting richting dit gebied te minimaliseren. Het advies is om met de provincie af te stemmen of dit afdoende is. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht.” Beoordeling stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is de Brabantse wal, dat op circa 12,5 km afstand ligt en het Ulvenhoutse bos (op 19,8 km). De gemeente Rucphen gaat uit van het standpunt dat alles op meer dan 8 km van een Natura 2000 netwerk uitkomt op 0,00 zodat er geen Aerius-berekening opgesteld hoeft te worden. Deze ruimtelijke ingreep is dan ook niet als bezwaarlijk te beoordelen.
Toetsingskader flora en fauna Volgens de Wet natuurbescherming mogen beschermde dier- en plantsoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of gedood. Voortplanting of vast rust- of verblijfplaatsen mogen niet worden beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield. Ook legt de wet de zorgplicht van de burger voor de flora en fauna vast. Afwijkingen van de verbodsbepalingen zijn mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Beoordeling Het plangebied bestaat uit grasland, dat omgeven is door bosstroken. Het is niet op voorhand uitgesloten dat daar beschermde planten of dieren voorkomen. Een nader natuuronderzoek is vereist. Dit onderzoek is uitgevoerd en de resultaten zijn aangegeven in bijlage 2. Daarin wordt geconcludeerd: “Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen. Indien werkzaamheden in het broedseizoen plaatsvinden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broed-vogelinspectie plaats te vinden.
Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat (reptielen, vissen, ongewer-velden en vaatplanten), het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling (algemene grondgebonden zoogdieren en algemene amfibieën) niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het beschadigen van individuen te voorkomen.” Conclusie Uit het onderzoek volgt, dat de natuurwetgeving geen belemmering vormt voor het beoogde bouwplan.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
27
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
4.7
15 04 2024
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ● ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu wordt gegarandeerd; ● rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Omgevingstype Het plangebied is te kenschetsen als ‘gemengd gebied’. In de directe omgeving van de geprojecteerde voorziening is een interlokale verbindingsweg (de Achtmaalsebaan) aanwezig. Een gemengd gebied is volgens de VNG-publicatie een gebied met een matige tot sterke functiemenging.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren tot het omgevingstype gemengd gebied. Beoordeling In de omgeving zijn, buiten het horecabedrijf op de hoek van de Achtmaalsebaan en de Hoeksestraat, geen bedrijfsbestemmingen aanwezig. Volgens de VNGpublicatie wordt het bedrijf ingedeeld in milieucategorie 1: Tabel 2 - (niet-agrarische) bedrijfsfuncties SBIadres omschrijving geur stof geluid code 2008 563 Hoeksestraat 34 Café Jagersrust 0 0 10 *) maximale milieucategorie volgens vigerend bestemmingsplan
gevaar 10
Grootste afstand
Categorie
10
1
In een gemengd gebied is de zonegrootte voor categorie 1: 0 m. De bouwlocatie ligt op een afstand van 104 m van het betreffende horecabedrijf, zodat hoe dan ook aan de verplichte afstand wordt voldaan, zodat ervan moet worden uitgegaan dat het woonmilieu ter plaatse van de nieuwe woning niet negatief beïnvloed wordt door het aanwezige horecabedrijf. Verder moet worden opgemerkt dat tussen de nieuw op te richten woning en het bestaande horecabedrijf in alle gevallen bestaande woningen aanwezig zijn. Voor het beoordelen van een gewenste ontwikkeling van het horecabedrijf is de nieuwe woning dus nooit maatgevend. De nieuwe woning kan dus geen negatieve invloed hebben op de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende horecabedrijf. Conclusie De conclusie is dat er voldaan wordt aan de eisen met betrekking tot milieuzonering.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
28
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
4.8
15 04 2024
Geluid
Toetsingskader Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn woningen geluidgevoelige functies. Bij de bouw van nieuwe woningen dient aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een acceptabel akoestisch klimaat. Onderzoek Ter voorbereiding op deze bestemmingsplanherziening is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai ingesteld3 (bijlage 3). In de betreffende rapportage wordt het volgende geconcludeerd: “Wet geluidhinder Uit het onderzoek blijkt dat als gevolg van het wegverkeer ter plaatse van de Hoeksestraat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden wordt. Het aanvragen van hogere grenswaarden voor deze weg is niet noodzakelijk. Als gevolg van de Achtmaalsebaan wordt ter plaatse van de nieuwe woningen ten hoogste 51 dB berekend (incl. aftrek 5 dB). De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 53 dB wordt hiermee niet overschreden. Het treffen van geluidreducerende maatregelen is vanuit financieel, stedenbouwkundig en verkeerskundig oogpunt niet als reële maatregel te stellen. De gemeente Rucphen dient hiervoor hogere grenswaarden aan te vragen. Bouwbesluit 2012 Voor de geveldelen van de nieuwe woningen waar sprake is van een geluidbelasting van > 53 dB (excl. aftrek art. 110g Wgh), dient een aanvullend onderzoek naar de geluidwering van de gevels uitgevoerd te worden.
Middels dit onderzoek dient per gevel bepaald te worden of mogelijk aanvullende isolerende maatregelen toegepast dienen te worden om aan het Bouwbesluit 2012 te kunnen voldoen. Ruimtelijke ordening Uit de rekenresultaten blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting varieert van 36 tot 56 dB en is derhalve op grond van tabel 3.1 is te kwalificeren als een goed tot matig woon- en leefklimaat. Geadviseerd wordt om voor de geveldelen waar sprake is van een geluidbelasting van >53 dB een hogere geluidsisolatie na te streven dan de minimaal vereiste geluidsisolatie van 20 dB uit het Bouwbesluit. Hiermee kan worden gewaarborgd dat ter plaatse van de nieuwe woningen sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.” Conclusie Voor de nieuwe woning dient een hogere grenswaarde te worden aangevraagd. Deze hogere grenswaarde dient te zijn verleend voordat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld. Als daarnaast de geveldelen met een geluidbelasting van >53 dB een hogere geluidsisolatie krijgen dan de minimaal vereiste geluidsisolatie van 20 dB, zal er sprake zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat.
4.9
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk: ● bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; 3
Wematech Milieu Adviseurs (2019): Akoestisch onderzoek gevelbelasting wegverkeer Achtmaalsebaan 25, 27 en ong. te Schijf.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
29
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
● vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Risicorelevante inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar.
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.
Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de circulaire RVGS per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden uit het Basisnet Weg en het Basisnet Water opgenomen in de circulaire. In het BTEV worden tevens plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Vooruitlopend op de vaststelling van het BTEV wordt, aan de hand van de Basisnetten, al geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden. Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
30
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. De risicokaart toont geen inrichtingen die een belemmering vormen voor voorliggende ontwikkeling. Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. De rijkswegen, vaaren spoorwegen zijn beoordeeld. De risicokaart geeft binnen en in de directe omgeving van het plangebied geen transportassen weer die risicorelevant kunnen zijn voor het planvoornemen.
Figuur 12 - risicocontour gasleiding Gasunie ten noorden van het plangebied.
Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Op een afstand van 353 m van het plangebied is een risicocontour van een gasleiding aangegeven (zie figuur ). Binnen deze strook mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gerealiseerd. De bouwlocatie ligt ruim buiten de risicocontour. Gezien de afstand is er geen sprake van mogelijke belemmeringen. Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.10 Luchtkwaliteit Toetsingskader Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
31
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
Tabel 3 - Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde grenswaarde Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde grenswaarde 24-uurgemiddelde grenswaarde Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde grenswaarde
Grenswaarde 40 μg/m3 40 μg/m3 Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. NIBM In het Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: ● een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 μg/m³); ● een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m2 bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek Het plan betreft de bouw van één nieuwe woning. Er is sprake van toename van het aantal woningen, maar ruim onder de grens zoals die hiervoor is weergegeven. Dat betekent dat het plan niet in betekenende mate negatief bijdraagt aan de lokale luchtkwaliteit. Tabel 4 - Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2020
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
0,0%
NO2 in μg/m3
0,01
PM10 in μg/m3
0,00
Maximale bijdrage extra verkeer 3
Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
9
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
De effecten van onderhavig plan op de luchtkwaliteit zijn onderzocht met behulp van de NIBM-rekentool. Aan de hand van de toename van het aantal verkeersbewegingen is beoordeeld of het plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van genoemde stoffen in de lucht. In tabel 4 is het resultaat van de berekening weergegeven. Daarbij is uitgegaan van een verkeersgeneratie
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
32
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
van 7,8 tot 8,6 mvt./woning/etm (C.R.O.W.: Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2012, kenmerken: koop, vrijstaand, ligging: buitengebied, niet stedelijk). Uit de berekening volgt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van stoffen in de lucht. Het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit staat los van de beoordeling van de luchtkwaliteit ter plaatse van de ontwikkeling. Omdat bij de ontwikkeling sprake is van een nieuwe woonfunctie, dient een beoordeling plaats te vinden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht te worden gegeven in de heersende concentraties, teneinde te kunnen bepalen of er ter plaatse sprake is van een voldoende woon- en leefmilieu. Er heeft een beoordeling plaats gevonden of voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen c.q. inzicht gegeven in de heersende concentraties. De coördinaten van de ruimte-voor-ruimte woning aan de Achtmaalsebaan naast nr. 26 zijn x = 96.144, y = 388.455. Gegevens van het RIVM tonen ter hoogte van de vervangende woning, de volgende achtergrondconcentraties: Tabel 4 - Achtergrondconcentraties luchtkwaliteit jaar PM10 (μg/m3) PM2,5 (μg/m3) 3 2018 18,01 μg/m 11,09 μg/m3 2025 (gegevens 2019) 15,71 μg/m3 9,21 μg/m3 2030 (gegevens 2019) 14,08 μg/m3 7,879 μg/m3 3 grenswaarde 40,00 μg/m 25,00 μg/m3
NO2 (μg/m3) 15,79 μg/m3 11,82 μg/m3 9,627 μg/m3 40,00 μg/m3
Deze waarden liggen ruim beneden de grenswaarde van PM10 en NO2 van 40 μg/m3. Tevens wordt voldaan aan de PM2,5 grenswaarde van 25 μg/m3, zodat er sprake is van een kwalitatief voldoende woon- en leefmilieu ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het plan.
4.11 Geurhinder Toetsingskader Het aspect geur speelt in de nabijheid van het landelijk gebied een belangrijke rol. Bij de beoordeling van dit aspect wordt onderscheid gemaakt tussen: de algemeen geldende vaste afstanden, de vaste afstanden voor niet intensieve veehouderijen en geur individuele veehouderijen (Wet geurhinder en veehouderij; Wgv). Verder moet het woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie en de eventuele beperkingen voor omliggende veehouderijen in beeld te worden gebracht (Wet ruimtelijke ordening; Wro). Onderzoek Op een afstand van tussen de 1000 en 2000 m van de locatie van de beoogde ruimte voor ruimtewoning zijn diverse veehouderijen gelegen met geuremissie. Gezien deze afstanden is er geen onderzoek ingesteld naar de geursituatie ter plaatse.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
33
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Sommige soorten leidingen zijn planologisch relevant, omdat zij een beperking kunnen inhouden voor de ruimtelijke ontwikkeling in de omgeving: a. hoogspanningsverbindingen (50 kV en hoger); b. buisleidingen: voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar; voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar; met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom; voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken. Beoordeling Ter plaatse van het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Conclusie Er zijn geen belemmeringen met betrekking tot de aanwezigheid van kabels en leidingen.
4.13 Milieueffectrapportage Toetsingskader planMER Gemeenten en provincies moeten per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een MER nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen en is het opstellen van een MER noodzakelijk. Grensoverschrijdende milieugevolgen Op 25 februari 1991 is het VN-verdrag over grensoverschrijdende milieueffectrapportage tot stand gekomen. Het verdrag is op 10 september 1997 in werking getreden. Kern van het verdrag is dat, in het geval van mogelijke grensoverschrijdende milieugevolgen, het publiek en autoriteiten in het buurland op dezelfde wijze en tijd worden betrokken bij de m.e.r.-procedure als de autoriteiten en het publiek in Nederland. Aanmeldnotitie Vormvrije MER-beoordeling Sinds 16 mei 2017 is een aanmeldnotitie bij een vormvrije MER-beoordeling nodig wanneer sprake is van een zg. vormvrije m.e.r.-beoordeling.
Dit geldt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die voorkomen in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar onder de drempelwaarden blijven (en daarmee niet planMERplichtig zijn). Het heeft niet alleen betrekking op een bestemmingsplan, maar ook op bijvoorbeeld een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking. Er is geen ondergrens wat betreft het plan zelf; dat betekent dat ook bij het ontwikkelen van een klein ruimtelijk plan (bijvoorbeeld één woning) een
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
34
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
15 04 2024
aanmeldnotitie nodig zou kunnen zijn. Indien de gemeente zelf initiatiefnemer is, hoeft deze geen aanmeldnotitie op te stellen. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, of de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. In het plangebied, gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, wordt een nieuwe woonfunctie mogelijk gemaakt. De ontwikkeling dient getoetst te worden aan activiteit D 11.2 uit de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Deze activiteit betreft een stedelijk ontwikkelingsproject. Het is zeer de vraag of een zeer kleinschalige ontwikkeling binnen de bebouwde kom kan worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. In het geval van een stedelijk ontwikkelingsproject is direct een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk als de activiteit gaat om de bouw van 2.000 woningen of meer in een aaneengesloten gebied of als de activiteit een omvang heeft van 100 hectare. Recente jurisprudentie over de ladder duurzame ontwikkeling (zie paragraaf 3.2) toont aan dat een ruimtelijke ontwikkeling van tien nieuwe woningen, niet dient te worden aangemerkt als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’.
Dat betekent dat de realisering van één nieuwe woning zeker niet is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3542). Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling niet hoeft te worden aangemerkt als een stedelijke woningbouwontwikkeling. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit paragraaf4.6, waarin de resultaten van de toetsing juncto art. 3.1.6 Bro worden weergegeven, blijkt dat het plangebied niet ligt in of nabij een gebied dat beschermd wordt ten gevolge van de natuurwaarden. Het plan ligt daarnaast zodanig ver verwijderd van de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogelof Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied dat van externe werking geen sprake kan zijn. Het plangebied behoort tevens niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt en maakt het geen onderdeel uit van een Belvédèregebied. Er is derhalve geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied. In dit hoofdstuk zijn tevens de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit.
Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling inderdaad geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Het plangebied ligt onmiddellijk tegen de grens met België. Omdat het voorgenomen plan niet MER-plichtig is, is er ook geen sprake van grensoverschrijdende effecten. Conclusie Het planvoornemen is zodanig van omvang en positionering, dat geen MER behoeft te worden uitgevoerd. Er zijn geen 'belangrijke nadelige milieugevolgen' te verwachten en daarom is het niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Evenmin is een aanmeldnotitie vormvrije MER-beoordeling verplicht.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
35
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
5
PLANBESCHRIJVING
5.1
Inleiding
15 04 2024
In dit hoofdstuk wordt de planopzet van voorliggende ontwikkeling uiteengezet, evenals de stedenbouwkundige structuur. Het betreft hier een beschrijving van het beoogde programma van de ontwikkeling en de verschillende structuren die de herontwikkeling vorm gaan geven. Verder wordt in dit hoofdstuk nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren en tenslotte op het aspect landschappelijke inpassing.
Figuur 13 - Schets toekomstige situatie: het perceel krijgt een woonbestemming ten behoeve van het oprichten van een ruimte voor ruimtewoning; volgens het landschapsplan wordt aan de voorzijde een ligusterhaag aangelegd, worden op het achterterrein minimaal 10 hoogstamfruitbomen geplant op een bloemenweide, worden de randen voorzien van beplanting die een overgang naar het aangrenzende bosgebied bewerkstelligen en wordt aan de achterzijde een hakhoutbosje (een strook van 10 m vanaf de perceelsgrens) van ca. 215 m2 geplant.
5.2
Ruimtelijke structuur
Programma Op de locatie Achtmaalsebaan naast nr. 26 is een ruimte voor ruimtewoning geprojecteerd. De locatie is gelegen in een bebouwingsconcentratie. De bouwtitel zal worden verworven van de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte. Locatie-eisen In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012 zijn diverse locatie-eisen ten aanzien van woningen opgenomen. Deze eisen zijn in dit geval overgenomen: de woning dient minimaal 15 m van de as van de Achtmaalsebaan te worden gesitueerd; de afstand van gebouwen tot de zijdelingse (en de achterste) perceelsgrenzen dient minimaal 3 m te bedragen; de woning mag maximaal 20 m breed zijn; de onderlinge afstand tussen het hoofdgebouw en vrijstaande bijgebouwen dient minimaal 3 m te bedragen. Daarnaast zijn er diverse locatie- en inrichtingseisen opgenomen in de gemeentelijke beleidsnota Ruimte voor ruimte (zie 3.4.6). Ook daaraan wordt voldaan.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
36
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
5.3
15 04 2024
Verkeer en parkeren
Toetsingskader De gemeente Rucphen heeft in haar ‘Nota Parkeernomen Rucphen 2017’ uniforme parkeernormen vastgelegd die een duidelijke richting geven aan de mate van faciliteren van parkeervoorzieningen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De Nota Parkeernormen is onderdeel van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan 2006 – 2016. De basis van de parkeernormennota is gevonden in de door het CROW in september 2008 uitgegeven publicatie over parkeercijfers. Deze publicatie maakt onderscheid in soorten gebieden, te weten: zeer stedelijk, sterk stedelijk, matig stedelijk, weinig stedelijk en nietstedelijk. De door de CROW gehanteerde gebiedsindeling is voor het gehele grondgebied van de gemeente Rucphen toegepast. Beoordelingskader De kern Schijf behoort tot de stedelijkheidsgraad ‘niet-stedelijk’. De parkeernota bevat ten aanzien van de onderhavige woning de volgende norm:
Dat betekent dat bij de woning minimaal 2,4, afgerond: 3 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Verkeersgeneratie De geprojecteerde woning genereert gemiddeld 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit aantal kan door de aanwezige verkeersstructuur gemakkelijk opgevangen worden en brengt geen verkeers- of verkeersveiligheidsproblemen met zich mee. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren is geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
5.4
landschappelijke inpassing
Gezien de ligging van de locatie in het buitengebied dient er sprake te zijn van een zorgvuldige landschappelijke en stedenbouwkundige inpassing middels een erfinrichtingsplan. Ten aanzien van de landschappelijke inpassing heeft de gemeente als voorwaarde gesteld: Landschappelijke inpassing conform de bosrijke omgeving Bij de bestemmingsplanprocedure dient een landschappelijke inpassing overlegd te worden, ingevolge artikel 6.8 lid 1 sub c van de Verordening ruimte NoordBrabant. Tijdens de behandeling van het principeverzoek is geconstateerd dat het perceel, kadastraal bekend onder sectie Q nummer 456, bestaat uit een grasveld. De omliggende percelen zijn ingericht met beplanting en bomen. Aan de noordzijde van de onderhavige locatie bevind zich een bos dat is aangemerkt als EHS ( Ecologische Hoofdstructuur). Ingevolge het bovenstaande stelt het college dat de achterzijde van het perceel volledig groen ingepast dient te worden. Daaraan is voldaan. Verwezen wordt naar het landschapsplan (bijlage 4). Het plan omvat een toevoeging van minimaal 3 hoogstambomen, ruim 180 m2 bossingel en 220 m2 bloemenmengsel.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
37
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
6
15 04 2024
JURIDISCHE ASPECTEN
Het Bestemmingsplan bestaat uit regels en een verbeelding. Een en ander is opgesteld overeenkomstig de standaarden die daarvoor gelden en de gemeentelijke afspraken.
6.1
Plangrens
Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat het perceel waarop de ruimte voor ruimtewoning wordt gerealiseerd. De plangrens volgt de bestaande perceelsgrenzen.
6.2
De verbeelding
De opzet van het bestemmingsplan is afgestemd op de opzet van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Op de verbeelding zijn aangegeven: de grens van het plangebied van dit bestemmingsplan de bestemmingen van de in het plangebied gelegen gronden. overige aanduidingen, waarnaar in de regels wordt verwezen.
6.3
De regels
Omdat het een partiële herziening van het bestemmingsplan betreft, is bij het opstellen van de regels zoveel mogelijk aangesloten bij de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
38
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
7
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
7.1
Financieel-economische haalbaarheid
15 04 2024
Deze planwijziging omvat een juridische regeling voor het oprichten van een nieuwe woning. De kosten omvatten de kosten van het opstellen van het bestemmingsplan en de procedurekosten. Dit is geregeld in de anterieure overeenkomst. De meerwaarde van de bestemming van een burgerwoning zal ruimschoots opwegen tegen deze kosten. Er zijn geen openbare werken gepland. Er zijn geen andere omstandigheden bekend die bijzondere kosten met zich meebrengen, noch voor de betreffende initiatiefnemer, noch voor de gemeente. Daarom moet het plan op voorhand financieel-economisch haalbaar worden geacht. Conclusie De financieel-economische uitvoerbaarheid is in het kader van de opstelling van het bestemmingsplan getoetst. Er zijn geen aspecten gevonden die de uitvoerbaarheid onevenredig negatief beïnvloeden.
7.2
Grondexploitatie
De centrale doelstelling van de grondexploitatieregelingen zoals opgenomen als afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. Het uitgangspunt van de regeling is dan ook dat gemeenten een verplichting hebben tot kostenverhaal. Dit betekent dat een gemeente de gemaakte kosten op de particuliere grondeigenaar moet verhalen in het geval deze eigenaar zelf tot ontwikkeling van de gronden overgaat. Op grond van artikel 6.12 tweede lid Wro kan van de verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan worden afgezien, indien (globaal) sprake is van de volgende factoren: -
het verhaal van de kosten van de grondexploitatie is anderszins verzekerd; het bepalen van een fasering en/of het vastleggen van locatie-eisen is niet noodzakelijk.
De gemeente Rucphen heeft in een anterieure exploitatieovereenkomst met de particuliere eigenaar bindende afspraken gemaakt over de bijdrage van de ontwikkelaar in de kosten. Daarmee is het kostenverhaal voldoende verzekerd en hoeven geen aanvullende afspraken gemaakt te worden over de werken en werkzaamheden zoals bedoeld in artikel 6.13 Wro, tweede lid, onder b en c. Conclusie Het verhalen van de kosten die de gemeente moet maken voor dit plan is geregeld in de anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
39
NL.IMRO.0840.9000B0043-ON01 08042-bptoe-achtmaalsebaan-naast-26-schijf-v4-3
8
15 04 2024
OVERLEG EN INSPRAAK
De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het bestemmingsplan maatschappelijk draagvlak heeft. Het voorontwerp van een bestemmingsplan wordt dan ook, in overeenstemming met de gemeentelijke Inspraakverordening, ter inzage gelegd. Ook vindt in deze fase het vooroverleg met diensten van Provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaats. De (eind)verslagen van het Overleg respectievelijk de Inspraak zijn integraal als bijlage bij de Toelichting opgenomen.
Bijlagen bij de toelichting: Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Milieukundig bodemonderzoek Quickscan flora en fauna Geluidonderzoek Landschapsplan Verslag buurtdialoog Nota van Beantwoording Certificaat bouwtitel
’s-Hertogenbosch, 2023/april 2024
juni
2019/september
2020/januari/mei
2021/december
CUIJPERS ADVIES
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING B.V.
PROJECTBUREAU RUIMTELIJKE ONTWIKKELING
40